Berichten

Boeken / Non-fictie

Zijn we slim genoeg of te arrogant?

recensie: Frans de Waal - Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?

Frans de Waal kennen we als apendeskundige van eerdere boeken, optredens bij De Wereld Draait Door en een Ted Talk. Ditmaal heeft hij zijn expertisegebied uitgebreid naar andere soorten, inclusief de chimpansee, de brulkikvors, en de etholoog of dierenwetenschapper.

Het boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? is niet zozeer een antwoord op die vraag, maar meer een verdediging van de ethologie, of de evolutionaire cognitie, zoals De Waal het liever noemt. Dit gaat verder dan dierlijke intelligentie; cognitie heeft te maken met het opnemen, verwerken en inzetten van kennis en informatie. Intelligentie is in die zin onderdeel van cognitie, en deze term is volgens De Waal niet alleen gereserveerd voor mensen.

Chimpansees, wipsnavelkraaien en ethologen

Zo leren we dat chimpansees begrijpen dat ze op een kist moeten gaan staan om bij hoger gelegen bananen te komen, en dat ze de kist de volgende keer meesleuren om het trucje nog eens te doen. Ook leren we dat wipsnavelkraaien bladeren en takjes als werktuigen gebruiken (en dat wipsnavelkraaien bestaan). Bovendien maken we kennis met een aantal ethologen, die ook hun merkwaardige gebruiken hebben. Zo zou professor Konrad Lorenz, die beschouwd wordt als een van de grondleggers van de ethologie, over de universiteitscampus hebben gelopen met een vlucht ganzen achter zich aan.

Lorenz reageerde met zijn manier van dierenwetenschap op de veel sterielere wijze van zijn voorgangers, waarvan professor Burrhus Skinner het boegbeeld was. Skinner was een psycholoog en de grondlegger van het behaviorisme, dat door middel van experimenten onderzoek doet naar het gedrag van mens en dier. Vooral dieren waren voor Skinner in deze zin onderzoeksobjecten, en daarmee was uitgesloten dat ze emoties, laat staan cognitie hadden. Skinner wordt opgetekend als wetenschapper in steriele, witte jas, die zijn onderzoeksdieren letterlijk stevig in zijn greep heeft. In een van de tekeningen in het boek (die verspreid door de hoofdstukken afgedrukt staan) zien we hem met een duif in zijn hand, en andere duiven achter kleine tralies. Een paar bladzijden terug zagen we Lorenz nog gezellig rondlopen met een pijp in zijn mond, terwijl kleine gansjes achter hem aan waggelden.

Introspectie

Hiermee laat De Waal een verschil van dag en nacht zien, wat zijn argument voor de evolutionaire cognitie zeker versterkt. Daarbij leest zijn werk simpelweg makkelijk; geen kronkelige zinsstructuren of onmogelijke woorden, maar verteerbare populaire wetenschap. Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? is een intrigerend inkijkje in een wetenschap die anders verborgen zou blijven in laboratoria en onderzoekscentra.

Het boek geeft ons ook een inkijkje in onszelf, en onze verhouding ten opzichte van (andere) dieren. Zo ver verheven boven dieren zijn wij mensen niet, lijkt De Waal te willen zeggen – in tegendeel. Zo is het voor een mier zonneklaar dat hij moet samenwerken met de andere mieren, terwijl we allemaal weten dat dat voor mensen wel eens een lastige realisatie is. De vraag lijkt dan ook niet of we slim genoeg zijn, maar of we te arrogant zijn om te accepteren hoe slim dieren zijn. De Waals werk staat bomvol voorbeelden en anekdotes om dit te onderstrepen. Toch weet hij zich te weerhouden van veroordelingen, wat van zijn werk prettig leesvoer voor de zonnige zondagmiddag maakt.

Boeken / Non-fictie

Zijn we slim genoeg of te arrogant?

recensie: Frans de Waal - Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?

Frans de Waal kennen we als apendeskundige van eerdere boeken, optredens bij De Wereld Draait Door en een Ted Talk. Ditmaal heeft hij zijn expertisegebied uitgebreid naar andere soorten, inclusief de chimpansee, de brulkikvors, en de etholoog of dierenwetenschapper.

Het boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? is niet zozeer een antwoord op die vraag, maar meer een verdediging van de ethologie, of de evolutionaire cognitie, zoals De Waal het liever noemt. Dit gaat verder dan dierlijke intelligentie; cognitie heeft te maken met het opnemen, verwerken en inzetten van kennis en informatie. Intelligentie is in die zin onderdeel van cognitie, en deze term is volgens De Waal niet alleen gereserveerd voor mensen.

Chimpansees, wipsnavelkraaien en ethologen

Zo leren we dat chimpansees begrijpen dat ze op een kist moeten gaan staan om bij hoger gelegen bananen te komen, en dat ze de kist de volgende keer meesleuren om het trucje nog eens te doen. Ook leren we dat wipsnavelkraaien bladeren en takjes als werktuigen gebruiken (en dat wipsnavelkraaien bestaan). Bovendien maken we kennis met een aantal ethologen, die ook hun merkwaardige gebruiken hebben. Zo zou professor Konrad Lorenz, die beschouwd wordt als een van de grondleggers van de ethologie, over de universiteitscampus hebben gelopen met een vlucht ganzen achter zich aan.

Lorenz reageerde met zijn manier van dierenwetenschap op de veel sterielere wijze van zijn voorgangers, waarvan professor Burrhus Skinner het boegbeeld was. Skinner was een psycholoog en de grondlegger van het behaviorisme, dat door middel van experimenten onderzoek doet naar het gedrag van mens en dier. Vooral dieren waren voor Skinner in deze zin onderzoeksobjecten, en daarmee was uitgesloten dat ze emoties, laat staan cognitie hadden. Skinner wordt opgetekend als wetenschapper in steriele, witte jas, die zijn onderzoeksdieren letterlijk stevig in zijn greep heeft. In een van de tekeningen in het boek (die verspreid door de hoofdstukken afgedrukt staan) zien we hem met een duif in zijn hand, en andere duiven achter kleine tralies. Een paar bladzijden terug zagen we Lorenz nog gezellig rondlopen met een pijp in zijn mond, terwijl kleine gansjes achter hem aan waggelden.

Introspectie

Hiermee laat De Waal een verschil van dag en nacht zien, wat zijn argument voor de evolutionaire cognitie zeker versterkt. Daarbij leest zijn werk simpelweg makkelijk; geen kronkelige zinsstructuren of onmogelijke woorden, maar verteerbare populaire wetenschap. Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? is een intrigerend inkijkje in een wetenschap die anders verborgen zou blijven in laboratoria en onderzoekscentra.

Het boek geeft ons ook een inkijkje in onszelf, en onze verhouding ten opzichte van (andere) dieren. Zo ver verheven boven dieren zijn wij mensen niet, lijkt De Waal te willen zeggen – in tegendeel. Zo is het voor een mier zonneklaar dat hij moet samenwerken met de andere mieren, terwijl we allemaal weten dat dat voor mensen wel eens een lastige realisatie is. De vraag lijkt dan ook niet of we slim genoeg zijn, maar of we te arrogant zijn om te accepteren hoe slim dieren zijn. De Waals werk staat bomvol voorbeelden en anekdotes om dit te onderstrepen. Toch weet hij zich te weerhouden van veroordelingen, wat van zijn werk prettig leesvoer voor de zonnige zondagmiddag maakt.

Boeken / Non-fictie

Hier komt het geheim

recensie: Joakim Garff - Kierkegaard. Een biografie.

Joakim Garffs 800 pagina’s tellende biografie over de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) is 16 jaar na verschijning vertaald in het Nederlands door Edith Koenders en Jan Millekamp. De vermaarde, maar niet onomstreden biografie voegt een belangrijk hoofdstuk toe aan de groeiende Nederlandse Kierkegaard-bibliotheek.

In een inleidend werk uit 1952 noteert Gregor Malantschuk dat ‘De toekomst zal bewijzen of de belangstelling voor Søren Kierkegaard en zijn geschriften meer is dan een modeverschijnsel’ (p.11). Kierkegaard zelf heeft altijd volgehouden dat niet alleen zijn filosofie, maar juist ook zijn leven, ‘dat intrigerende geheim van de hele machinerie’, keer op keer bestudeerd zou worden en dat hij pas na zijn dood werkelijk goed begrepen kon worden. Inmiddels is duidelijk dat de internationale Kierkegaard-studie een van de meest veelomvattende hedendaagse filosofieprojecten vormt. Sinds het eerste nog uit het Duits vertaalde boek van Kierkegaard in 1886 verscheen, zijn willekeurig talloze artikelen en vertalingen verschenen, totdat Uitgeverij Damon vanaf 2006 begon met het systematisch uitgeven van Kierkegaards werk. Het einde daarvan is nog lang niet in zicht, waarbij een enkeling zelfs de hoop koestert dat Kierkegaards dagboeken ooit nog volledig in vertaling verschijnen. Dat nu bij Uitgeverij Ten Have de vertaling van Garffs geprezen Kierkegaard biografie verschenen is, bevestigt dat Kierkegaard ook in Nederland al lang geen modeverschijnsel meer is. Deze biografie maakt Kierkegaards leven en denken voor een nog breder publiek toegankelijk, zonder concessies te doen aan de complexiteit van diens karakter, denken en levenswandel.

Vertalen

De Nederlandse vertaling is gebaseerd op de Deense jubileumuitgave die verscheen in 2013 ter gelegenheid van Kierkegaards 200ste geboortedag. Opvallend is dat een aantal hoofdstukken ontbreekt die in de oorspronkelijke uitgave uit 2000 en de daaropvolgende Duitse (2004) en Engelse vertaling (2005) wel zijn opgenomen. Volgens de uitgever omdat het voor de Nederlandse lezer om Deense, al te Deense uiteenzettingen zou gaan. Weggelaten is onder meer een beschouwing van het ondergrondse Kopenhagen destijds evenals een vermakelijke uiteenzetting van een nooit door Kierkegaard gepubliceerd werk over literaire snoeverij bij monde van A.B.C.D.E.F. Godthaab. Toch de moeite van het lezen waard, en voor wie Kierkegaard nog beter binnen zijn Deense context verstaan wil, zeker niet overbodig. Wie het Deens niet machtig is, maar wel die achtergronden wil lezen, kan altijd nog terecht bij de Engelse vertaling van Bruce Kirmmse.

De Nederlandse vertaling is al met al een 70 pagina’s ingekort, waar de lezer voor zolang hij het niet doorheeft niets van merkt. De vertalers hebben daarbij een complex werk dat aaneenhangt van nooit eerder vertaalde brieven, dagboekpassages, rapporten, krantenknipsels en de nodige filosofische fragmenten, om weten te zetten naar een vlot lezende tekst.

Vermaard controversieel

De oorspronkelijke uitgave, die de belangrijke Deense ‘George Brandes literatuurprijs’ won, is desalniettemin sinds verschijnen onderwerp van stevig academisch debat. Hoewel internationaal vrijwel alle recensies lovend zijn, heeft met name Peter Tudvad in uiteenlopende commentaren gewezen op de vele fouten die te vinden zouden zijn in de biografie. Garff zou fouten en valse speculaties uit secundaire literaire bronnen hebben overgenomen en bovendien gedreven door sensatiezucht Kierkegaard een nauwelijks onderbouwde duw hebben gegeven richting het beeld van een dweperige dandy. Garff zou ook geregeld met een Freudiaanse bril op geneigd zijn tot absurde insinuaties, en toegegeven: ‘Met ambivalente gevoelens en misplaatste loyaliteit, die haast te vergelijken is met de paradoxale toewijding van een incestslachtoffer, laat Kierkegaard ons meestal tussen haakjes weten dat zijn vader de beste van alle vaders is’ (p. 39-40), is op zijn minst een ongelukkige woordkeuze.

In het in 2004 verschenen artikel En uvidenskabelig biografi om Kierkegaard stelt Tudvad vast dat Garff bovendien schuldig is aan plagiaat, vanwege het geregeld zonder (juiste) bronvermelding overnemen van teksten uit eerdere Kierkegaardstudies, met name Jørgen Bukdahls Søren Kierkegaard og den menige mand uit 1961. Ondanks zijn faam zou het boek zonder twijfel ‘afgewezen worden als masterscriptie’ maar desondanks ‘wordt het als de meest gezaghebbende biografie beschouwd van wellicht de grootste Deense denker allertijden’.

Naast deze scherpe kritiek wijst ook de Amerikaanse filosofe Marilyn Piety al geruime tijd op de onterechte waardering die Garff ontvangt. Haar felle aanvaringen met de vertaler van de Engelse uitgave Bruce Kirmmse zouden zelfs op vriendjespolitiek duiden en het moedwillig verbloemen van frauduleuze passages. Een nader te verschijnen studie van haar hand getiteld Fear and Dissembling: The Copenhagen Kierkegaard Controversy zou een definitief overzicht moeten geven van de lacunes in Garffs biografie, en het probleem van het onderscheiden van biografische feiten en fictie.

Het is echter de vraag of deze studie ooit het daglicht zal zien, nu deze al enige jaren is vertraagd en Garff met de jubileumeditie een aantal kritiekpunten lijkt te hebben ontmanteld. Althans, in zijn nieuwe voorwoord noteert Garff dat ‘voor zover de omstandigheden dat toelieten’ hij de aantekeningen die Tudvad heeft geplaatst bij zijn academische aanpak in de oorspronkelijke uitgave in deze editie ten goede heeft laten komen. Dat is een vriendelijke manier van zeggen dat hij zich de kritiek enigszins heeft aangetrokken. De psychoanalytische kijk en het beeld van de jonge Kierkegaard als ijdele dandy zijn echter niet verdwenen. Overigens ironisch genoeg liet Kierkegaard zich in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten nooit fotograferen, waardoor we zo weinig idee hebben van hoe ‘deze scheve kabouter met zijn te hoge schouders en dunne benen’ (p. 296) er werkelijk uitzag. De bekende romantische beeltenis van de jonge Kierkegaard getekend door zijn neef Niels Christian Kierkegaard siert ook de Nederlandse cover.

Hij werd geboren, werkte en stierf

Het leven van Kierkegaard laat zich in enkele regels vertellen, noteert Frits Florin in een bloemlezing (2003). Het zou ook weinig spectaculair zijn. Dat zijn twee vergissingen: wie Kierkegaards levensverhaal bestudeert, komt onvermijdelijk tot de conclusie dat Kierkegaard meer overhoop heeft gehaald in 43 levensjaren dan menigeen voor zich zou wensen. Ook het eenvoudige leven kan spectaculair zijn. Kierkegaards ambivalente jeugd, dramatische liefdesverhouding met Regine Olsen, voortdurende opstand tegen de massa en de verwoestende aanvallen op de Deense Staatskerk: dat is opzienbarend. Daarbij, iemands leven in enkele regels uit de doeken doen is juist bij Kierkegaard de valkuil die men moet vermijden, omdat geen levenswandel zo verbonden is met de filosofische ontwikkeling als bij Kierkegaard.

Garff verweeft wat dat betreft nadrukkelijk leven en denken met elkaar, en erkent in zijn inleiding dat hij kritischer, historischer en minder eerbiedig te werk is gegaan dan voorgangers. Niet alleen de grote gebeurtenissen, maar ook de kleine voorvallen en bijkomstigheden moeten verteld worden. De biografie is een zoektocht geweest naar ‘de scheuren in het graniet van zijn genie, naar de gekte die vlak onder de oppervlakte school, naar zijn intensiteit en de prijs die hij (…) heeft moeten betalen voor zijn maniakale geschrijf, en naar de onpeilbare ondoorgrondelijkheid van deze man, met wie je nooit helemaal klaar bent’ (p. 17). Met dit boek heeft Garff beoogt ‘zo uitgebreid mogelijk een complexe Kierkegaard te beschrijven’ (idem).

Garff heeft ervoor gekozen het verhaal van geboorte tot na de dood onder te verdelen in vijf kenmerkende perioden waarbij de belangrijkste bronnen Kierkegaards correspondentie en dagboekfragmenten zijn. Opmerkelijk is dat Kierkegaards roemruchte notitie IV A 85 ontbreekt in een herschreven hoofdstuk ‘Oefening achter de coulissen’ waarin hij schreef: ‘Na mijn dood, en dat is mij een troost, zal niemand in mijn papieren één verklaring vinden over datgene wat eigenlijk mijn leven vervuld heeft; niemand zal in mijn innerlijk de sleutel vinden die alles verklaart (….)’. Wellicht heeft Garff gemeend dat hoe hij dit ook uitlegt of nuanceert het een te grote schaduw werpt op de biografische poging.

Een ander belangrijke bron die Garff benut is Kierkegaards Gezichtspunt voor mijn schrijverswerkzaamheid (vert. 2015) waarin Kierkegaard een verantwoording geeft over de totstandkoming en duiding van zijn (pseudonieme) geschriften. Hier toont zich de moeilijkheid van ‘objectieve levensbeschrijving’. Garff geeft niet louter een presentatie van levensfeiten, maar kiest bewust voor een interpretatie waarin hij in dit geval veronderstelt dat Kierkegaards autobiografische verantwoording een product is van de fantasie met hier en daar een passage die ‘het midden houdt tussen een vervalsing en een parodie’ van de realiteit (p. 542). C. Stephen Evans (2009) betwist dit punt echter stellig en wijst op de gevolgen voor de Kierkegaard-studie wanneer men uitgaat van zulke ‘postmoderne verwijten’. Volgens Evans moeten we Kierkegaard meer geloofwaardigheid toekennen in zijn bekentenissen, dan Garff veronderstelt.

Veelkleurige vertelling

Garff laat er geen misverstand over bestaan dat zijn studie een poging is om de afstand tussen het vertellen van een goed verhaal en het presenteren van een ware geschiedenis zo klein mogelijk te houden. In dat opzicht leest zijn biografie als een sterk gedocumenteerde roman, en is ze veel uitgebreider en beter dan Peter Thielsts Het verhaal van Søren Kierkegaard. Roman over het leven van een filosoof (vert. 1999). Uit de lucht gegrepen beweringen dat Kierkegaard een trouw bezoeker zou zijn van het bordeel en wijnhuis (p. 144), treft men in Garff niet aan zonder het nodige voorbehoud (p. 112-118). Garff is ook toegankelijker dan de bijna 500 pagina’s tellende ‘intellectuele biografie’ Kierkegaard A Biography van Alastair Hannay (2001) die als eerste alternatief van recente Kierkegaard-biografieën moet worden genoemd. Ook Hannay is overigens breed bekritiseerd, wat eens temeer duidelijk maakt dat er niet zoiets kan bestaan als de ‘definitieve biografie’ waarmee uitgever Ten Have schermt of een ‘waarschijnlijk definitieve presentatie van feiten’ zoals de Frankfurter Algemeine Zeitung meende. Daarvoor heeft Kierkegaard teveel raadsels en geheimen achtergelaten.

Garffs biografie is een veelkleurige vertelling die op eigen wijze deze geheimen en raadsels tegemoet treedt en dat indrukwekkend doet. Zolang er geen gelijkwaardige biografische inspanningen het daglicht zien, is dit boek nu ook voor de Nederlandse Kierkegaardlezers een eerste en onmisbare toegang tot het leven en denken van de Deense spion in dienst van het Hogere.

Rob Scholte, 8weekly, Embroidery
Kunst / Expo binnenland

Rob Scholte heeft een hobby

recensie: Rob Scholte's Embroidery Show, Museum de Fundatie
Rob Scholte, 8weekly, Embroidery

Wat is het verschil tussen je naam ergens op zetten en je naam ergens aan verbinden? Rob Scholte lijkt tot nog toe altijd het eerste te doen, maar wil met zijn nieuwste expositie eigenlijk het tweede: het voor het voetlicht brengen van het werk van (anonieme) anderen.

Rob Scholte, 8weekly, Embroidery

fotograaf: Hans Westerink

Waarschijnlijk hebben er nog nooit zoveel vrouwen tegelijk in het museum gehangen. Rob Scholte grijnst als hem die suggestie wordt gedaan en vindt ook dat het werk van deze – waarschijnlijk –  dames wel onder de aandacht mag worden gebracht. Maar dat is niet de enige reden dat Scholte deze tentoonstelling cureerde. Hij wilde het publiek ook laten zien wat hij ziet wanneer hij naar deze borduurwerken kijkt: de achterkant ervan.

Pas toen hij een keer van een van de werken uit zijn beginnende verzameling een achterkant zag, kwam hij op het idee dat ‘dit weleens meer dan gewoon een hobby zou kunnen zijn’, zoals hij zelf lachend zegt. Die achterkant fascineerde hem. Daar is volgens Scholte de individualiteit van de makers te zien, die anoniem moeten blijven omdat ze bij de meeste uit de kringloop en dergelijke gekochte werkjes moeilijk te achterhalen zijn.

Rob Scholte, 8weekly, Embroidery

Rob Scholte – Laatste avondmaal, 2009, fotograaf: Hans Westerink

Het tonen van de maker

Inmiddels behelst de verzameling 931 werken en werd het tijd voor een expositie. Wanneer je, bijvoorbeeld, negen in een vierkant opgehangen omgekeerd ingelijste borduurwerken die allemaal hetzelfde onderwerp verbeelden met elkaar vergelijkt, valt op dat alle achterkanten inderdaad zeer verschillend zijn – ook al hebben de voorkanten dezelfde nette uitkomst, de achterkant laat zien wie de makers werkelijk zijn. De één knipt zijn (of waarschijnlijk: haar) draden netjes af, de ander laat ze gewoon hangen. Een volgende maakt er knoopje in, of weeft ze weer door elkaar. De verschillende toonverschillen in kleur van het garen maken verder nog dat het effect verschilt met de oorspronkelijke voorstelling die er wordt geïmiteerd. Oftewel: de voorkant toont het werk, de achterkant toont de maker, en vervolgens – dat mogen we niet vergeten; de expositie toont Rob Scholte’s blik.

Rob Scholte, 8weekly, Embroidery

Rob Scholte – Nachtwacht (detail), 2007, fotograaf: Hans Westerink

Esthetisch plezier

Wie is hier nou de kunstenaar? Mag je zo omgaan met andermans werk? Verandert het werk van betekenis nu het verplaatst is van iemands zolder naar deze expositie? Je kunt je van alles afvragen bij deze tentoonstelling, ook of het de bedoeling van Rob Scholte is dát je je die dingen begint af te vragen, maar je kunt er ook gewoon naar kijken.
De netjes op een rij gehangen enorme verzameling van geborduurde achterkanten – voorstellingen die veelal bij de bezoeker bekend zullen zijn – en dan de lichte variatie in kleur van het draad, zorgt voor een merkwaardig esthetisch plezierig effect. Het is gewoon prettig om te zien.

Zelf beslissen

Rob Scholte, 8weekly, Embroidery

Rob Scholte, fotograaf: Ferdy Damman

Deze tentoonstelling is een uitnodiging om te kijken naar handwerk, een uitnodiging om te kijken naar de achterkant ergens van en een uitnodiging om te bedenken wat het betekent als de grote meesters door de kleine, anonieme (!) handwerksters worden nagemaakt. De bezoeker zelf mag tenslotte beslissen wat de betekenis ervan is, zegt Scholte nonchalant, maar gemeend: ‘Iedereen mag ermee doen wat hij wil, net als ik dat zelf doe.’
Heeft Scholte zelf weleens geborduurd? Daarop antwoordt de kunstenaar ontkennend – borduren is niks voor hem. Zijn hobby is het verzamelen ervan; verzamelen en vervolgens anderen proberen te tonen wat hij ziet.

Het diepe Zuiden
Boeken / Non-fictie

Theroux maakt van reizen een studie

recensie: Paul Theroux - Het diepe Zuiden
Het diepe Zuiden

Paul Theroux maakte met de auto en gewapend met een opschrijfboekje een reis door het diepe Zuiden van de V.S. Resultaat: een kleurrijke en genuanceerde studie.

De meeste reisboeken gaan over reizigers die ergens voor het eerst komen, even om zich heen kijken en vervolgens niet meer terugkeren. Paul Theroux (1941), bekend van Muskietenkust en De grote spoorwegcarrousel, pakt het deze keer anders aan. Voor zijn boek Het diepe Zuiden maakte hij vier keer een roadtrip vanaf zijn huis in Massachussetts over Interstate Highways en plattelandswegen, bochtige weggetjes door bossen en bergen helemaal tot in het voor hem nog onbekende zuiden van het continent, naar staten als Alabama, Georgia, Arkansas en Mississippi.

Herfst, winter, lente en zomer in het diepe Zuiden

Theroux zakt, in het boek, in elk seizoen af naar het Zuiden en keert terug naar bepaalde plekken waardoor hij deze echt leert kennen. Het Zuiden is een ingewikkeld gebied, met een ‘spookachtige onderlaag van duisternis (…) en het kost een tijd om die duisternis waar te nemen, en nog langer om haar te begrijpen’, volgens Theroux. De meeste staten zijn nog altijd verscheurd door naweeën van de burgeroorlog en de complexiteit van segregatie en racisme. Voor zuiderlingen is die geschiedenis nog springlevend; noorderlingen worden er gewantrouwd en segregatie werkt er nog in de praktijk. Blanke mensen voelen zich miskend en ‘gekortwiekt’ in hun status, terwijl zwarte mensen nog lang niet altijd dezelfde rechten hebben. Zo moet je als zwarte boer vechten voor erkenning want volgens velen ‘horen zwarten nou eenmaal niet te boeren’. ‘Als je het verschil ziet tussen een blanke en een zwarte boerderij, zit je in de problemen,’ zegt zwarte boer Ernest over de moeite die het hem kost een lening te krijgen.

Derdewereldland

Een constante factor is de armoede op het platteland, ook al zijn er veel lokale goedbedoelde initiatieven. Zo’n 20 tot 30 procent van de bevolking in staten als Arkansas of Mississippi verkeert onder de armoedegrens. In de afgelopen decennia werd veel industrie verplaatst naar het buitenland met veel werkloosheid, en spookachtige steden met dichtgetimmerde winkels en hier en daar een pandjeshuis, tot gevolg. Het doet Theroux denken aan een derdewereldland, hij komt er mensen tegen die in hutten of vervallen caravans, niet zelden zonder water of elektriciteit, proberen te overleven. Troost vindt men er in het geloof. ‘Een kerk was meer dan een kerk; die was het kloppende hart – de vitaliteit, de hoop – van een zuidelijke gemeenschap.’ Maar er is ook hoop: Theroux bespeurt steeds vaker een opkomend zelfbewustzijn en ondernemerschap.

Reis- en literatuurstudie

Vier keer een seizoen in het Zuiden: het is een grondige aanpak voor een boek en daardoor is Het diepe Zuiden eigenlijk meer een studie naar de achtergrond en de structuur van het gebied dan een reisverhaal. Theroux geeft thema’s als racisme meer diepgang, bijvoorbeeld in een uitgebreide beschouwing van het woord ‘nikker’. Of door een passage te wijden aan de zuidelijke schrijver William Faulkner, waar hij een bewonderaar van is. De combinatie van de vele gesprekken die hij had, literaire zijstraatjes en de bespiegelende intermezzo’s is ook een minpunt van het boek: soms wordt het je te veel en verlies je de aandacht. Daar staat Theroux’ kleurrijke stijl van schrijven tegenover: hij kan als geen ander scherp en pakkend het verloop van een gesprek beschrijven.

Roadtrip naar een andere wereld

Reizen hoeft niet altijd een beproeving te zijn, concludeert Theroux. Je kunt ook gewoon in je eigen auto stappen om naar een andere wereld te gaan. In Het diepe Zuiden verzamelt Theroux de plekken en de mensen uit deze wereld en laat hij hen het verhaal van het Zuiden vertellen. Dat maakt het een betrouwbare en genuanceerde vertaling van deze cultuur en een rijke studie voor iedereen die zich ooit heeft afgevraagd of het Zuiden van de V.S. meer is dan blues en plantages. ‘Meneer Paul’, zoals hij er vaak wordt genoemd, krijgt het zo voor elkaar dat je graag bij hem op de achterbank had willen zitten.

Outsider Art Jeroen Pomp
Kunst / Expo binnenland

De verbeelding spreekt

recensie: Outsider Art Museum
Outsider Art Jeroen Pomp

Lopend door het nieuwe Outsider Art Museum in de Amsterdamse Hermitage, doemt de ene na de andere vergelijking op met reguliere kunst. Maar dat is niet het hele verhaal. Zelfs niet de kern ervan.

Het Outsider Art Museum op de begane grond van de Hermitage in Amsterdam heeft een eigen collectie, die van Het Dolhuys in Haarlem. Telkens zal daarnaast uit andere, internationale collecties worden geput om een tentoonstelling samen te stellen, zodat Nederlandse kunst enerzijds in een internationaal perspectief komt te staan en er anderzijds duidelijke overeenkomsten zichtbaar worden.

Verbeeldingskracht en rede

Outsider Art Museum

Outsider Art Museum Foto Evert Elzinga

Hét kenmerk van Outsider Art zou wel eens verbeeldingskracht kunnen zijn. En laten we wel wezen: dat is volgens een denker als Spinoza de eerste soort kennis die je opdoet uit alles dat bij je binnenkomt. Bij Outsider-kunstenaars gebeurt dat wellicht heftiger dan bij andere kunstenaars, en blijft het daar soms ook bij. Waar op zich helemaal niets mis mee is.

En al is bij Spinoza de rede de tweede soort kennis, je kunt niet zeggen dat dit bij alle Outsider-kunstenaars niet helemaal uit de verf komt. Neem het werk van Jeroen Pomp (1985). Hij werkt, net als Redon, volgens een bepaalde structuur van rechtsonder naar linksboven.

Soms raak je ook aan iets diepers dan verbeelding en rede, zoals op een paneel over de bekendste Nederlandse Outsider-kunstenaar, Willem van Genk (1927-2005) valt te lezen: het dicht op elkaar aanbrengen van tal van kleine afbeeldingen en letters zou bij hem wijzen op een dwangmatig karakter. Bij het werk van Mies van der Perk (1938) krijg je het gevoel dat universele angsten , zijn uitvergroot.
In de fraaie catalogus bij deze openingstentoonstelling staat in de beschrijving van haar werk dat het ‘een opmerkelijke ontwikkeling’ heeft doorgemaakt. En dat is opvallend, want iemand als oud-museumdirecteur Rudi Fuchs meent juist dat Outsider-kunstenaars dit ontberen…

Eigen collectie en bruiklenen

Sawada

Sawada, Zonder titel, 20 x 23,5 x 39 cm, keramiek, 2006-2010, Collectie Dolhuys

Naast stukken uit de eigen collectie wordt op dit moment Japanse kunst getoond. In het najaar zal dat Chinese kunst zijn. Meteen al bij binnenkomst van het museum sta je oog in oog met grote poppen in vitrines. Poppen van onder meer Sakiko Kono (1945), die de bewoners of medewerkers van de instelling waar zij woont verbeelden. Aan de Japanse kunst valt verder keramiek van Shinichi Sawa (1982) op. Van hem werd in 2013 ook werk getoond op de Biënnale van Venetië.

Eén opmerking over de bordjes met begeleidende teksten: die zijn wat de vitrines betreft bevestigd op de sokkel eronder; de bezoeker moet op die manier haast een knieval maken om ze te kunnen lezen in de verder relatief ook wat donkere ruimtes …

Dit terzijde, kan uiteindelijk worden geconstateerd dat het goed is dat er een museum, artotheek en twee ateliers als dit zijn. Op zich niet de eerste in Nederland; dat was De Stadshof in Zwolle, dat zes jaar heeft bestaan. En zo is het ook goed dat Amsterdam in De Hallen een kunstuitleen/galerie/podium heeft voor professionele kunstenaars met een psychiatrische achtergrond: Kunst met een verhaal. Beide galeries vullen elkaar aan. En zo komt deze kunst terecht meer op de kaart.

Boeken / Non-fictie

Pleidooi voor het geheim

recensie: Paul Frissen - Het geheim van de laatste staat: kritiek van de transparantie


Transparantie, openheid, openbaarheid: wie kan daar nou tegen zijn? Alleen mensen die iets te verbergen hebben, zo luidt de dominante opvatting. Paul Frissen wijst in zijn nieuwe boek op de gevaren van de almaar toenemende roep om transparantie.

Wat hebben Julian Assange en Edward Snowden gemeen met totalitaire dictators? Allemaal verlangen ze naar volledige openheid. Assange en Snowden van overheidsfunctionarissen en dictators van burgers. Dat er van vrijheid weinig overblijft wanneer totalitaire dictators de macht grijpen, spreekt voor zich. Hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen oppert in zijn boek Het geheim van de laatste staat een minder gangbare opvatting: ook de door Assange en Snowden nagestreefde openheid vormt een grote bedreiging voor de vrijheid.

Het boek is een kritiek op de dominante opvatting dat tolerantie en openheid altijd leidt tot meer democratie. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk ook zo. Maar, zo betoogt Frissen, zonder geheimen – van burger én staat – geen vrijheid en geen democratie.

Dystopie

Aan de hand van dystopische romans als De Cirkel van Dave Eggers laat Frissen de gevaren zien van een samenleving waarin privacy en geheimen volledig zijn verdwenen. Maar hij pleit ook voor het belang van staatsgeheimen.

“Dat vergt – soms – geheimhouding en geheime operaties, en daarom kan geen staat zonder geheime diensten: om democratie en rechtsstaat – en dus de vrijheid van burgers – te beschermen.”

Figuren als Assange en Snowden worden gezien als vechters voor internetvrijheid en een daarmee meer democratische wereld. Want internet heeft het vermogen de politieke arena te democratiseren waardoor machthebbers en machtelozen op één niveau worden geplaatst. Frissen vindt dit een naïef én gevaarlijk ideaal:

“Hier zijn weinig dilemma’s te lezen, laat staan die van het minste kwaad. Wel valt een grenzeloze naïviteit te beluisteren als het gaat om de illusie van een wereld zonder machtsverschillen – een naïviteit die echter gevaarlijk wordt als deze de onthulling van geheimen en geheime bronnen legitimeert.”

De imperfecte wereld

En dan komen we aan bij één van de centrale punten van Frissens gehele oeuvre: het ideaal van Snowden en co is volledige gelijkheid. De paradox is nou juist dat in een democratie altijd een zekere mate van ongelijkheid nodig is. Dat komt omdat we verschillende idealen koesteren (vrijheid, gelijkheid, veiligheid) die met elkaar op gespannen voet staan. Dat is de rode lijn die door het werk van Frissen loopt en soortgelijke thema’s behandelde hij ook in eerdere boeken. Volledige gelijkheid of veiligheid gaat niet samen met vrijheid (onderwerp in De staat van verschil en Gevaar verplicht). Die imperfectie, de tragiek, daar kunnen we maar moeilijk mee omgaan (De fatale staat). Terwijl die onvolkomenheid juist het gevolg is van onze vrijheid – en die moeten we koesteren. De grootste vijand van het goede, zo waarschuwt Frissen in al zijn boeken, is het betere.

Hiermee staat Frissen duidelijk in een lijn van denkers als Isaiah Berin en John Gray die een soort pessimistisch liberalisme aanhangen. Dat liberalisme is sterk doordrongen van tragiek of, in de woorden van Frissen, van de ‘fundamentele gebrokenheid van de wereld’. Daarom moet de vrijheid volgens Frissen soms worden beteugeld om hem te beschermen: “Het transparantieverlangen wil daarvan juist weinig weten, omdat het naar eenduidigheid van informatie streeft. Contradicties, laat staan ambiguïteit, komen in het transparantiediscours niet voor.”

Langdradig

Het centrale idee dat Frissen in Het geheim van de laatste staat uitwerkt is interessant. Het minpunt is dat je dit idee na het lezen van de proloog al doorhebt – en erdoor bent overtuigd. En mocht je niet overtuigd zijn, dan raak je dat na het lezen van de rest van het boek waarschijnlijk ook niet. De onderbouwing van zijn these is zo helder dat het niet veel argumentatie behoeft. De rest van het boek bestaat min of meer uit herhalingen van de proloog en het eerste hoofdstuk.

Het grootste deel van het boek is, gezien de vele herhalingen, moeilijk om doorheen te komen. Een voorbeeld: “Daarom is het ook zo belangrijk dat politiek wordt aanvaard dat transparantie weliswaar een waarde van democratie kan zijn en de controleerbaarheid van machthebbers dient, maar dat geheimhouding onafwendbaar is in de taakvervulling van een geheime dienst.” Zinnen met soortgelijke strekking kom je, net iets anders geformuleerd, om de paar pagina’s tegen. Je krijgt soms het idee te maken te hebben met een student die wanhopige pogingen doet om het minimum aantal woorden voor zijn scriptie te halen. Niet omdat er iets mis is met zijn these of onderbouwing of omdat hij een slechte student is, maar omdat die these en onderbouwing te licht zijn voor een scriptie en beter tot hun recht zouden zijn gekomen in een essay. Hetzelfde geldt voor dit werk van Frissen.

Klooster
Boeken / Non-fictie

Monnikenwerk

recensie: Philip Holt - Schiere monniken en grijze vrouwen
Klooster

Kloosters en hun bewoners hebben veel betekend in de Lage Landen. Monniken legden moerassen droog, kopieerden boekwerken en polderden zeegebieden in. Als je dan weet dat het eerste cisterciënzerklooster in Nederland in 1165 werd gesticht en dat het land tegen het einde van de 15e eeuw maar liefst 34 cisterciënzerkloosters telde, dan kan je nagaan dat hun ‘bewoners’ heel wat nuttig werk hebben verricht.

De opzet van auteur Philip Holt is een exhaustief overzicht te geven van de geschiedenis – en, in de meeste gevallen teloorgang – van die 34 kloosters, wat gezien de bibliografie (per klooster aangegeven) duidelijk een huzarenwerk moet zijn geweest. Lovenswaardig, maar gezien het specifieke karakter uiteraard alleen interessant voor historici, studenten en liefhebbers van vaderlandse en/of monastieke geschiedenis. Die dan nog wellicht alleen die kloosters zullen opzoeken die interessant zijn voor hun onderzoek. Dankzij de overzichtelijke en logische indeling (‘zelfstandige vrouwenabdijen’ worden gebundeld, en verder de kloosters per provincie) zullen ze heel snel vinden wat ze zoeken. Het inleidende geschiedkundige overzicht is helder, maar weinig begeesterend omdat het heel feitelijk is. Wat, voor alle duidelijkheid, geen verwijt is.

Prediken voor eigen kerk

Dit boek aanprijzen is, zoals gezegd, prediken voor de eigen kerk: mensen die niet geïnteresseerd zijn in monastieke geschiedenis zullen Schiere monniken en grijze vrouwen wellicht nooit ter hand nemen. Maar voor (amateur)historici is dit boek een zakelijk en, dankzij het beeldmateriaal, heel degelijk vormgegeven naslagwerk dat een belangrijk en vaak onderschat stuk Nederlandse geschiedenis bundelt in een handig overzicht. De geschiedenis van het ene klooster is natuurlijk niet altijd even boeiend als die van het andere, maar dat kan de auteur niet verweten worden. Alleen die lyrische inleiding door ene broeder Bernardus Peeters, die haaks staat op de wetenschappelijke stijl van Holt en wel héél enthousiast de stimulerende rol van liefde bewierookt, had wat ons betreft geschrapt mogen worden.

Jezus en de vijfde evangelist
Boeken / Non-fictie

De Fik erin!

recensie: Fik Meijer - Jezus & de vijfde evangelist
Jezus en de vijfde evangelist

Het geheel is meer dan de som van de delen: deze uitdrukking gaat niet op voor Jezus en de vijfde evangelist, dat uit twee duidelijk te onderscheiden stukken is samengesteld die elkaar helaas niet versterken. Meer nog, het tweede deel is gewoon overbodig en zelfs historisch onverantwoord opgevat.

De opzet van het boek is lovenswaardig: de situatie schetsen waarin Jezus van Nazareth destijds opereerde, aangezien die bij weinig mensen bekend is. Maar de enige verrassende vaststelling die daaruit voortvloeit is dat het sinds de 2e eeuw voor Christus, en vooral met de komst van de Romeinse bezetters, krioelde van de zelfverklaarde ‘messiassen’, koningen en zaligmakers. Meijer toont mooi de correlatie tussen de toenemende (belasting)druk van dictators en militaire besturen en de opkomst van verzetsgroepen – vooral aan de hand van de geschriften van Flavius Josephus, de ‘vijfde evangelist’ uit de titel.

Helaas slaagt Meijer erin deze heel boeiende periode op een gortdroge en van enige mogelijke spanning ontdane manier te vertellen. Het eerste deel van Jezus en de vijfde evangelist is voornamelijk een opsomming van namen van verzetslieden, gepaard aan biografische anekdotes over Romeinse keizers en consuls die weinig of zelfs niet ter zake doen. Door zich bovendien zonder enige twijfel op de sowieso al weinig betrouwbare Josephus te verlaten, toont hij zich een historicus die weinig opheeft met historische kritiek.

Maar in het tweede deel, waarin Meijer Jezus loslaat in de door hem geschetste context, ontspoort het boek volledig. Nog los van het feit dat de auteur er gemakshalve van uitgaat dat Jezus een historische figuur is – wat nog steeds niet onlosmakelijk en onafhankelijk van de evangeliën bewezen kan worden – behandelt hij de geschriften van Marcus, Mattheüs, Lucas en Johannes doodleuk als feitelijke documenten. Meer nog, hij haalt ook het apocriefe evangelie van Thomas als bron aan én de zaken die de evangelisten niet vermelden, vult Meijer doodleuk en speculatief zelf in – iets waar hij zich in zijn Paulus-biografie ook al aan bezondigde. Dit resulteert in gevolgtrekkingen als deze:

‘Over Jozef wordt verder in de evangeliën niet veel meer gesproken. Hij verdwijnt geruisloos naar de achtergrond. Misschien was hij veel ouder dan Maria en is hij kort nadat Jezus zich op twaalfjarige leeftijd in de tempel had gepresenteerd gestorven. In ieder geval heeft hij het optreden van zijn zoon niet meegemaakt.’

Waar hij de bewijzen vandaan haalt om die laatste zin te valideren, is een raadsel.

Door Jezus nadrukkelijk als historische figuur te presenteren, brengt Meijer zichzelf ook in een lastig parket. Want wat te doen met de verrijzenis, die de evangeliën als feitelijk voorstellen? Heel eenvoudig: hij gaat er in mee en beschrijft Jezus’ ontmoetingen met leerlingen alsof ze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Faut le faire.

Nee, dan vonden wij Jezus van Nazaret, Paul Verhoevens controversiële kijk op de evangeliën, een stuk boeiender, consistenter, gewaagder en vooral: rijker aan inzichten. Even speculatief, jawel, maar Verhoeven is geen historicus en kan zich dat daarom permitteren.

Tot slot nog dit: wat de stambomen van Romeinse keizers achter in dit boek doen en wat de meerwaarde vormt van het katern met middeleeuwse schilderijen in het midden, is ons een volstrekt raadsel. Conclusie: Fik Meijer is alvast niét de zesde evangelist.

Boeken / Non-fictie

Gids voor de Matthäus-Passion

recensie: Floris Don, Mischa Spel - De Matthäus-Passion

Muziek is de enige kunstvorm die de omweg via het hoofd niet nodig heeft om het hart te bereiken. Dat geldt uiteraard ook voor Bachs Matthäus-Passion die tegen Pasen weer in tal van concertzalen en kerken in Nederland te horen zal zijn.

Maar meer kennis van de muziek kan het hart ontvankelijker maken. Precies dat willen de samenstellers Micha Spel en Floris Don met het boek De Matthäus-Passion bereiken.

De Matthäus-Passion is iets typisch Nederlands. Een Franstalige toeristengids uit 1959, zo lezen we in het boek van de twee NRC-journalisten Mischa Spel en Floris Don, meldde dat niet tulpen, molens of klompen ons land kenschetsen, maar ‘hooggezeten’ fietsers, de verjaardagskalender op de wc en de Matthäus-Passion. Sindsdien is de populariteit van het stuk alleen maar toegenomen. Werden er in 1959 nog 92 Matthäus’en uitgevoerd, dit jaar ligt dat aantal boven de 140.

Kritische noten

Kan het ook te veel worden? Er klinken in het boek ook waarschuwingen. Zo stelt tenor Mark Pedmore, die de Matthäus zelf zo’n tweehonderd keer heeft gezongen, dat veelvuldige luisteraars kunnen denken dat ze de sleutels tot het werk nu wel op zak hebben ‘en de passie daardoor ondergaan als een esthetisch genoegen. Dat is natuurlijk niet Bachs bedoeling geweest.’ Je krijgt zo de werkelijke les niet mee, meent Padmore.

‘Het is een meditatie over lijden. Er wordt iemand vals beschuldigd, gearresteerd, gemarteld en geëxecuteerd: actuele thematiek die nú ons geweten in beroering zou moeten brengen. Het aanscherpen van onze compassie – dat is Bachs bedoeling met dit werk.’

De Vlaamse dirigent Philippe Herreweghe ziet een ‘verdisneyficering’ van de passie: het wordt een evenement. Begint deze Passie steeds meer te lijken op die andere Passion, die van de EO? Dirigent en artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging Jos van Veldhoven zegt gekscherend dat er een tienjarig verbod op het uitvoeren van de Matthäus-Passion moet komen. ‘Als je dan na tien jaar voor het eerst weer de Matthäus hoort, is het misschien alsof je naar een nieuw werk luistert.’

(Verborgen) symboliek

Hoewel er dus enkele kritische noten klinken over de verering van het stuk, is het boek vooral een ode aan de Matthäus-Passion. Het stuk zit vol symboliek. Zo heeft Bach, een liefhebber van wiskunde, er talloze verborgen boodschappen in verwerkt met getallen. Ook in de klanken zelf zit verborgen symboliek. Bach schrijft als het ware met muziek, soms erg beeldend: muziek die een kronkelende slang verbeeldt bijvoorbeeld. Je gaat het pas zien (horen) als je het doorhebt, om maar even met Johan Cruijff te spreken.

Het boek is eigenlijk een aaneenschakeling van achtergrondinformatie waardoor je de Passie van Bach beter kan doorgronden. Zoals de volgende passage van Van Veldhoven over het openingskoor:

‘Het muziekgenre waar Bach in de beginmaten naar verwijst, is de tombeau. Dit is een langzame, statige Franse dans uit de zeventiende eeuw die uitdrukking geeft aan getourmenteerde emoties. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de zacht pulserende bas, waar je dus eventueel ook doodsklokken in kunt horen.’

De Matthäus-Passion biedt de lezer een beter inzicht in al die (verborgen) symboliek. Maar ook wordt er veel aandacht besteed aan de tekst. In het ontkerkelijkte Nederland was het lange tijd gebruikelijk om de tekst van de Matthäus-Passion wat te geringschatten. Die hele christelijke boodschap was achterhaald, zo luidde de dominante opvatting. Dat is de laatste jaren veranderd. Van een zeker ongemak met het religieuze karakter van de tekst, lijkt geen sprake meer. En terecht: of je nu gelovig bent of niet, je kan het stuk niet los zien van het lijdensverhaal van Christus. Voor de zeer gelovige Bach stond dat, op z’n zachtst gezegd, centraal.

Het doel van het boek is volgens de auteurs om de liefde van de lezer voor de Matthäus-Passion nóg groter te maken dan die al was. Ze bieden de lezer genoeg handvatten om meer te halen uit de drie-uur durende zit, al was het maar de praktische tip van tenor Nico van der Meel: ‘Voor elke Matthäus-Passion moet ik goed gegeten hebben. Anders word ik chagrijnig.’

Paper Kites
Muziek / Concert

Enthousiaste fans, intieme sfeer en onzichtbare inkt

recensie: The Paper Kites @ Paradiso
Paper Kites

“I believe I am getting a bit emotional now.” Het is niet vreemd dat het zanger Sam Bentley even teveel wordt tijdens zijn eerste optreden in Amsterdam: alles lijkt hem en zijn band The Paper Kites mee te zitten op deze dinsdagavond. Wegens de succesvolle kaartverkoop werd het optreden van de Australische band al naar de grote zaal van Paradiso verplaatst, en nog voor de eerste noten klinken, is de zaal al razend enthousiast. Amsterdam heeft lang moeten wachten op dit optreden en dat is te merken.

De band was in Nederland vanwege het in 2015 verschenen album twelvefour. De titel verwijst naar de tijd tussen twaalf en vier uur ’s nachts – in deze uren schijn je het creatiefst te zijn. Voor Bentley een reden om alle nummers midden in de nacht te schrijven. Met twelvefour lijken The Paper Kites een nieuwe weg in te slaan: de sprookjesachtige folkmuziek van eerdere albums maakt plaat voor een volwassener geluid met een elektronisch tintje. Toch is het nog steeds onmiskenbaar een plaat van The Paper Kites, en dat is mede de danken aan de altijd even poëtische teksten van Bentley.

Intieme sfeer

De set begon met het mooie ‘Electric Indigo’, dat al veel radio-aandacht heeft gekregen in Nederland. In dit nummer is goed de langzame, dromerige stijl te horen die kenmerkend is voor twelvefour. Diezelfde stijl kwam terug in, bijvoorbeeld, het prachtige ‘Revelator Eyes’ en ‘I’m Lying To You Cause I’m Lost’. Toch werden er maar weinig liedjes van het nieuwe album gespeeld; de band speelde voornamelijk oudere nummers van States en Woodland EP. Juist omdat de muziek op deze eerder verschenen albums zo verschilt van twelvefour leverde dit een afwisselende set op.

Een van de hoogtepunten was het nummer ‘Bloom’, wellicht het bekendste nummer van de band. Het publiek, dat zich tot dat moment redelijk koest had gehouden, begon heel zachtjes mee te zingen. Net hard genoeg om het te kunnen horen, maar niet hard genoeg om het over te nemen van Bentley. Die samenzang zorgde voor een mooie sfeer die goed paste bij het nummer. Voor even werd het in Paradiso nóg intiemer, en mocht het publiek onderdeel uitmaken van de band.

Die intimiteit was kenmerkend voor de sfeer gedurende de rest van het optreden. Er werd nauwelijks gepraat tussen de nummers door, en weinig fans haalden hun camera of telefoon tevoorschijn. Dat zorgde ervoor dat het publiek The Paper Kites de volledige aandacht kon geven. Aandacht die ze verdienden.

Onzichtbare inkt

Misschien werkte dit enthousiasme aanstekelijk, want ook de band had kreeg zichtbaar steeds meer plezier in het optreden. Ze prezen de zaal en het publiek meerdere keren op de avond, en Bentley vulde de stiltes tussen nummers met grapjes en verhalen. Zo vertelde hij over het nummer ‘Paint’ dat hij met onzichtbare verf een boodschap voor een ex-vriendin op zijn plafond had opgeschreven, waarin hij zijn liefde aan haar verklaarde. Om er daarna achter te komen dat de verf niet zo onzichtbaar was als hij had verwacht. Toen de relatie uit ging, moest Bentley natuurlijk het plafond opnieuw schilderen, wat ook een symbolische betekenis had die terug te horen is in ‘Paint’.

Als toegift werd nog een prachtige versie van het bekende ‘Featherstone’ gespeeld, waarna het publiek de band trakteerde op een lang, daverend slotapplaus. Het is duidelijk: Paradiso had The Paper Kites  niet beter welkom kunnen heten in Amsterdam. Niet gek dus dat Bentley de hoop uitsprak snel terug te komen en dat wij die hoop delen.