Tag Archief van: Literatuur

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

Boeken / Non-fictie

Rosa damascena, een Bulgaars verhaal

recensie: De dood en de tuinman - Georgi Gospodinov
Boek CoverBol.com

‘Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.’ Met deze krachtige woorden begint de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov de ontroerende elegie voor zijn vader. Lichtvoetig, poëtisch proza waar de band tussen een zoon en een vader, diens dood, de rouw en het herinneren met sublieme soberheid verteld worden zoals alleen deze betoverende auteur met zijn unieke stijl en menslievende zachte blik kan creëren.

‘Waar praten we eigenlijk over als we het over de dood hebben? Over de dood natuurlijk, met heel zijn verrukkelijke vergankelijkheid.’ Deze zin is het vertrekpunt van een teder en melancholisch verhaal dat troost bespiegelt en herinnert.

Een leven in de tuin

Toen de vader zeventien jaar eerder longkanker dankzij zware chemo’s overleefde en vervolgens zijn opgewekte humeur verloor en zwijgzaam werd, besloot hij dat zijn nieuwe leven een leven in de tuin zou worden. Deze knappe, boomlange, trotse man en innemende rasverteller zou – ‘na zijn eerste sterven’ – in zijn tweede, nieuwe leven spreken via zijn aardappels, rozen en aardbeien.

Zijn favoriete uitspraak werd: ‘Niks aan de hand.’ Kleine signalen, vooral pas achteraf begrepen, maakten het uiteindelijk duidelijk dat er opnieuw iets ernstigs in zijn lichaam speelde. Op het moment dat men beslist hem in Sofia te laten onderzoeken en hij uitgeput in het huis van zijn zoon aankomt, toont de uiteindelijke diagnose dat er geen hoop meer is. De laatste weken zal hij doorbrengen in het huis van zijn zoon.

Bloedend bloed

Georgi Gospodinov was zeven jaar toen hij herhaaldelijk droomde dat zijn vader en broer in een diepe put stonden en hij, wanhopig, ze niet kon bereiken. Zijn grootmoeder weigerde zijn ellendige droom aan te horen, omdat het vertellen het verhaal ‘bloed zou kunnen geven’. Aanleiding voor de schrijver in spe – hoe mooi kan een schrijverschap beginnen – om met net geleerde hanenpoten de nachtmerrie op papier te zetten. Vijftig jaar later bevindt hij zich aan het ziekbed van zijn vader om deze te verzorgen en de laatste drie weken van zijn leven zo licht en pijnloos mogelijk te maken. Het verhaal – hoe kan het ook anders – heeft uiteindelijk bloed gekregen.

Elke dood, elke rouw brengt ons in de sfeer van weemoed en melancholisch herinneren. Dit thema is niet nieuw voor Gospodinov; het is een van de kernpunten in al zijn werk. Bespiegelingen over het leven, de oude – vaak hilarische – verhalen en de band met zijn lieve, eigenwijze vader mengen zich hier met lichamelijke behoeften en de smerige strijd tegen de pijnen van een stervend lichaam. Als de medische trukendoos is uitgeput in deze strijd, smeekt de zoon zevenmaal wanhopig als in gebed: ‘Laat hem geen pijn hebben.’ Soms rest slechts het in ons DNA verankerde primitieve magisch denken.

Taal en verhaal

De dood en de tuinman is – zoals in al het werk van Gospodinov – ook een reflectie van de auteur op het belang van verhalen, herinneren en taal. In een hartverscheurend hoofdstuk analyseert de schrijver hoe Latijn – de dode taal – ook de taal van de dood is geworden. Deze koude medische taal, die de situatie van de patiënt beschrijft, wordt door de schrijver in een treffend hoofdstuk – schrijnend door het contrast – afgewisseld met de wanhoop van de mens: ‘Maligne neoplasie met onbekende lokalisatie.’ De mens blijkt hier genadeloos veranderd in object. In de woorden van Gospodinov: ‘De eerste autopsie, die gedaan wordt als je nog leeft, en zonder verdoving, wordt uitgevoerd door de taal.’

Al lezend openbaart zich in de roman ook de metaforische kracht van de natuur in de taal en verhalen; taal kan helen en verwoesten, zoals de olie van de Bulgaarse Rosa damascena kan genezen en vergiftigen. Het zware werk van vader Dinjo in zijn tuin is zo de humus geworden voor de geboorte van een groot schrijver; de Bulgaarse grond, het oude Thracië, is door de millennia heen voeding, theater en decor geweest voor schrijvers en vertellers, en is verbonden met een veelvoud van ooit bloeiende culturen. Het verhaal en de taal van Gospodinov zijn verweven met deze cultuurhistorische achtergrond.

Op het Oekraïense culturele platform Chytomo, in een interview van Ganna Gnedkova met Gospodinov, haalt de journaliste een uitspraak van Gospodinov aan waarin hij zegt dat het doel van verhalen schrijven het uitstellen van de apocalyps is. Dit is inderdaad ook een belangrijk thema in het oeuvre van de schrijver. Het zwijgen – het niet vertellen van het echte verhaal – over het leven onder het communistische totalitaire Sovjetsysteem van de oudere generaties heeft tot gevolg gehad dat er, in de woorden van Gospodinov, een ‘nostalgie industrialisatie’ heeft plaatsgevonden; een heimwee naar tijden die geïdealiseerd, geambieerd en uitgebuit worden, omdat – begrijpelijk maar schuldig – zwijgen de gruwelijkheden versluiert. Een drijfveer voor de schrijver om deze verhalen juist wel te vertellen.

In zijn zeer persoonlijke roman De dood en de tuinman creëert Gospodinov een prachtige metafoor door zijn vader – de rasverteller – Sheherazade te noemen. Zolang men verhalen vertelt is er leven. Of – zoals Sheherazade zelf verwezenlijkte – wordt de dood overwonnen.

Boeken / Fictie

Een kleurrijke schets van een duistere tijd

recensie: Meester van de trommels – José Eduardo Agualusa
Omslag Meester van de trommelsbol.com

In Meester van de trommels beschrijft José Eduardo Agualusa de geschiedenis van een natie en de geschiedenis van een familie. Het is een kleurrijke schets van een reeks grauwe gebeurtenissen – een interessant contrast.

Jan Pinto beleeft roerige tijden in Angola. Hij wordt door de ene diplomaat, dan weer door de andere koning betrokken bij conflicten die zich voltrekken tussen de Portugese kolonisten en de inheemse bevolking in het Angolese binnenland. Ondertussen onderhoudt hij een romantische relatie met Lucrécia Van-Dunem, die hij op de boot vanuit Lissabon naar Luanda ontmoet en bij wiens familie hij overnacht tijdens zijn verblijf in de Angolese hoofdstad. Naast de politieke intriges treedt ook de liefde als thema op de voorgrond – een klassieke, ouderwetse liefde in net zo’n pure vorm als Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera.

Weinig houvast

Jans politieke en militaire bemoeienis in Angola brengt hem met veel Angolese en Portugese bewindslieden in contact en maakt dat hij bij een groot aantal gewapende conflicten betrokken raakt. De avonturen waarin Jan Pinto zich stort, en de vele reizen die hij daarvoor maakt, zijn niet altijd even goed bij te houden voor de lezer. Dat komt doordat Meester van de trommels vrijwel geen houvast biedt voor lezers met weinig parate kennis over de betrekkingen tussen de Portugezen en Angolezen in Angola in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Een raamvertelling

In de eerste hoofdstukken van Meester van de trommels is de verteltrant redelijk objectief. Wanneer het verhaal echter wordt onderbroken door een commentaar waarin de samenstelling van het Portugese koloniale leger in Angola wordt toegelicht, wordt duidelijk dat het vertelperspectief niet dat van een neutrale, boven het verhaal zwevende alwetende verteller is. De lezer leert al snel dat het verhaal in feite een geschiedkundige reconstructie is, die wordt opgetekend door de kleindochter van hoofdpersoon Jan Pinto. Deze kleindochter-verteller, Leila, baseert haar reconstructie grotendeels op informatie die zij leest in de dagboeken van haar oudtante Irene Van-Dunem, de zus van Lucrécia. Zij voorziet de informatie in de dagboekfragmenten regelmatig van haar eigen commentaar: zij geeft graag historische context of haar persoonlijke visie op de gebeurtenissen. Tussen die commentaren door rapporteert Leila echter over het algemeen zo droog over de geschiedenis van haar grootvader, dat zij als verteller volkomen op de achtergrond treedt en de lezer haar perspectief uit het oog verliest. Toch zijn het Leila’s commentaren die de lezer eraan blijven herinneren dat de verteller een personage is in haar eigen verhaal.

Door dit in zichzelf grijpende personale vertelperspectief krijgt de lezer de indruk dat Leila zelf een bepaald belang heeft bij het vertellen van het verhaal. Maar doordat enkele wezenlijke vragen onbeantwoord blijven (we leren bijvoorbeeld niet wat voor Leila de aanleiding was om de geschiedenis van haar grootvader uit te pluizen, hoe ze aan de dagboeken is gekomen en hoe haar eigen verstandhouding met de personages eruitziet), blijft het voor de lezer nogal wazig wat dat belang precies is. Gaat het Leila om het schetsen van een beeld van de conflicten op het Angolese grondgebied aan het begin en in het midden van de twintigste eeuw? Om de bovennatuurlijke rol die de trommels spelen in de oorlogvoering van de inheemse bevolking? Om het optekenen van de geschiedenis van de familie Pinto, inclusief de liefde tussen Jan en Lucrécia? Of is het Leila te doen om het vertellen van haar eigen verhaal? Leila relateert in de laatste hoofdstukken immers ook een en ander over haar eigen beslommeringen ten tijde van het schrijven. Deze drie thema’s maken de hoofdonderdelen van het verhaal uit, maar worden nauwelijks met elkaar verweven, waardoor zij elkaar blijven beconcurreren om de voorgrond van het narratief.

Magische details

De personages in Meester van de trommels hebben talloze wonderlijke verhalen te vertellen. Zo blijkt dat de moeder van Lucrécia en Irene over het onverklaarbare talent bezat om, door slechts over de buik te strijken, aan te voelen of een zwangere vrouw van een jongen of een meisje zou bevallen. De bovennatuurlijke aard van veel van die subverhalen geeft het boek een bepaalde magisch-realistische kwinkslag, die wordt geconsolideerd door de magische trommels. De trommels lopen als een rode draad door het hele verhaal: bij het horen van bepaalde ritmes van die trommels wordt de luisteraar in een gruwelijke trance gebracht. Het koninkrijk Bailundo zet de trommels in wanneer zijn territorium wordt bedreigd door de Portugese kolonisten, en vele jaren later gebruikt Leila, die dj is, de ritmes van die trommels in haar muziek.

In Meester van de trommels zijn de bewoners van Angola, en specifiek de inheemse bewoners van het Angolese binnenland, degenen die het leven aldaar het beste begrijpen: zij hebben een gepaste eerbied voor de omgeving en voor de magische elementen. Zij nemen die bovennatuurlijke elementen aan als wonderlijke, maar voldongen feiten van het leven en gebruiken ze handig bij het verdedigen van hun leefomgeving als dat nodig is. De Angolezen steken kleurrijk en bewonderenswaardig af tegen de Portugezen, die zich alleen maar bezighouden met imperialisme en oorlogsvoering en die stuk voor stuk als nogal schandelijke, bespottelijke karikaturen worden neergezet.

De hoofdstukken in Meester van de trommels zijn los van elkaar subliem, maar vormen geen duidelijk, bevredigend geheel, en specifiek de rol van Leila is wat onnauwkeurig uitgewerkt. De literaire kwaliteit van Meester van de trommels schuilt dan ook voornamelijk in de bewonderenswaardige magische details en anekdotes die door de personages worden verteld en in de ingenieuze manier waarop dit boek de verhouding tussen de Portugezen en de Angolezen weergeeft.

Boeken / Fictie

Perec als maatschappijcriticus

recensie: De dingen – Georges Perec
vienna_boekenkastPixabay

Het eerste hoofdstuk van De dingen is Perec ten voeten uit: het boek opent met een ietwat oeverloos aandoende, nauwgezette beschrijving van een ouderwets-elitair ingericht appartement. Maar wat volgt is een opmerkelijk goed te volgen narratief dat in een heldere chronologie en zonder al te veel digressies wordt gepresenteerd.

Het is pas na het stilleven van de openingspassage – die leest als de beschrijving van een filmdecor en de manier waarop een camera dat decor zou moeten filmen – dat de protagonisten van het boek, Sylvie en Jérôme, worden geïntroduceerd. Bij het vertellen van het verhaal van deze personages lijkt Perec het principe show, don’t tell te hebben omgekeerd: De dingen bevat maar weinig afgebakende scènes, en bestaat hoofdzakelijk uit een aaneenschakeling van diepgaande analyses van de beweegredenen van Sylvie en Jérôme en van de patronen en gewoontes die hun leven kenmerken.

Het tell, don’t show dat Perec als uitgangspunt voor deze korte roman heeft gekozen, zorgt ervoor dat – zoals Manet van Montfrans in haar nawoord bij De dingen ook noemt – Sylvie en Jérôme in deze roman in feite niet waarlijk als personages fungeren. Zij staan eerder symbool voor de generatie die in de jaren ’60 voor het eerst in aanraking kwam met de consumptiemaatschappij. Ook al was Perec er niet bepaald door gecharmeerd, het feit dat hij naar aanleiding van de publicatie van De dingen tot socioloog van de consumptiemaatschappij werd gebombardeerd, heeft hij toch echt grotendeels aan zijn eigen keuze voor deze metapsychologische verteltrant te danken.

Symbool van een generatie

En inderdaad is er een meer romanachtige versie van De dingen denkbaar, waarin Sylvie en Jérôme als individuen meer uitgewerkt zouden zijn, waarin wij meer leren over hun achtergrond en de eigenaardigheden van hun relatie en waarin meer directe rede zou zijn gebruikt. Het boek was dan eerder opgevat als een vertelling met een maatschappijkritische ondertoon. Het is voor de geïnteresseerde lezer misschien de moeite waard om te onderzoeken of meer recente boeken zoals De perfecties van Vincenzo Latronico – waarvoor De dingen als inspiratiebron diende – of The Anthropologists van Ayşegül Savaş misschien niet waarlijke roman-manifestaties van De dingen zijn.

Doordat het boek niet in scènes is opgebouwd, komen Sylvie en Jérôme als karakters niet helemaal tot leven en voelt de tekst vrij analytisch aan. Maar toch is het vertelperspectief effectief. De analyses die Perec presenteert worden met grote regelmaat geïllustreerd aan de hand van pijnlijk concrete details die de tragiek en de noodlottigheid van het materialistische doolhof waarin de twee zich bevinden voor de lezer voelbaar maken. De lezer krijgt het gevoel met de neus op de feiten van de kapitalistische samenleving te worden gedrukt.

Het zijn die ludieke details waar Perec de lezer voortdurend op trakteert, die maken dat De dingen absoluut geen grote droge hap is. Zij zorgen ervoor dat het boek, als schets van een meerjarige psychosociale ontwikkeling van een individu dat tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort, toch uitermate levendig aanvoelt.

De dingen: een debuut als warming-up voor later werk

Het boek leest dus zeker niet als een sociologisch onderzoeksrapport. Sterker nog, De dingen is misschien wel een perfect boek voor wie behoefte heeft aan een inleiding tot het werk van Georges Perec: het verhaal is uniform qua perspectief, wordt in een redelijk zuivere chronologische volgorde verteld, en de metapsychologische analyses zijn toegankelijk geschreven. Het boek kent geen lange uitweidingen, geen labyrintische fractale effecten, geen enigmatische perspectiefwisselingen en geen ingewikkelde syntactische constructies. Kortom, de elementen die gemeenplaatsen zijn in veel van Perecs latere werk en die een groot deel van zijn oeuvre wat ontoegankelijk van aard maken. En toch bevat De dingen de aandacht voor sprekende details en onmiskenbare blijken van vertelplezier die voor Perec zo kenmerkend zijn.

De dingen heeft de kiemen van de typische, ingewikkelde Perec-stijl in zich die in latere boeken tot volle bloei zouden komen. Maar in dit boek lijkt Perec zich op dat vlak nog enigszins in te houden. Het boek is daarmee een toegankelijke instapper voor wie het werk van Perec beter wil leren kennen. Wie al is ingewijd in de wereld van deze fascinerende schrijver en een bewondering koestert voor de literaire vrijheid die Perec zich in zijn andere boeken zo duidelijk permitteert, zal De dingen misschien niet roemen als Perecs belangrijkste literaire verdienste. Het boek is immers wat ‘gewoontjes’ en redelijk conformistisch in vergelijking met zijn andere werk. Maar De dingen is wel een van de weinige boeken waarin Perec zich relatief onverholen maatschappijkritisch uitlaat. En dat is dan wel weer bijzonder.

Boeken / Fictie

Koch wint (weer) literair terrein

recensie: Luchtplaats – Herman Koch
Luchtplaats – Herman KochUitgeverij Ambo|Anthos (boekcover openbaar)

He’s back!’ zou je kunnen uitroepen na het lezen van de nieuwste roman van Herman Koch. De o zo gevierde romancier die jaren terug pageturner na pageturner wist af te leveren, kon het lezerspubliek met een van zijn laatste romans (Het koninklijk huis) minder bekoren. Het frisse concept van Luchtplaats, over de driehoeksverhouding tussen een geslaagde schrijver, diens vrouw die werkzaam is bij de recherche en een schrijvende crimineel, is er een die getuigt van de kracht van originaliteit.

Inmiddels weet je gewoon waar Koch mee op de proppen komt. Zo zijn er genoeg verstoorde relaties aan te treffen in zijn romans en thrillers. Vaak betreft het families die naar de buitenwereld de schone schijn ophouden, maar duidelijk emotioneel failliet zijn. De personages van Koch gaan vrijwel altijd gebukt onder pijnlijke geheimen. Zodra je doorhebt dat een personage zich heeft gehuld in leugens en verraad, is het gewoon wachten op de gigantische clash die daarop zal volgen. Bovendien is Koch er niet de auteur naar om mededogen te tonen richting zijn personages. Menig karakter krijgt – zelfs als het al spreekwoordelijk op de grond naar adem snakt – nog een flinke trap na.

Familie stuk

In deze misdaadroman heeft Koch toch wel een verkwikkend idee geopenbaard: de hoofdpersoon is niemand minder dan een delinquent met schrijverstalent. Nu is het daadwerkelijk zo dat er schrijflessen plaatsvinden in gevangenissen en dat zelfs heuse schrijfgroepen geleid en ondersteund worden door ‘echte’ schrijvers. Niet alleen verhoogt dat vaardigheden als lezen en schrijven, het is ook nog eens een nieuwe vorm van creatieve therapie.

In Kochs nieuwe boek zijn er eigenlijk twee schrijvers: de gevestigde schrijver Simon Hanson en Derek L., een nogal moordzuchtige misdadiger. Koch doet ons bijna geloven dat het om een daadwerkelijke aspirant-schrijver in de bajes gaat, want op de titelpagina van het boek (voorafgaand aan hoofdstuk één) staat: ‘Veel leesplezier, je Derek L.’ Simon ontmoet deze boef tijdens een leesclub die een meisje van de bibliotheek heeft opgezet. Hij raakt meteen begeesterd door Dereks knap geschreven verhalen, waarvan er één met kop en schouders bovenuit steekt: het verhaal ‘Luchtplaats’. Simon, die min of meer lijkt mee te willen liften op Dereks succes, wil het verhaal laten publiceren. En dat niet alleen: hij staat erop dat Derek L. het in eigen persoon middels een boekpresentatie komt aanprijzen. En waar zal hij slapen? Juist, ‘gewoon’ bij de schrijver en zijn gezin thuis.

Oud zeer, nieuw zeer

Dat het plan van Simon niet helemaal uitpakt als gewenst, is meteen zonneklaar vanaf de eerste pagina van het boek. In lange overpeinzingen probeert hij zijn idee goed te praten, maar je weet dat er iets voor zal vallen in die drie dagen dat Derek L. – weliswaar met de nodige enkelband om en bewakers op de loer – met ‘weekendverlof’ gaat om zijn boek te promoten. Een andere zeer betrokkene is Hanna, de vrouw van Simon, met wie hij twee zoons heeft. Met een vrouw die werkt als rechercheur bij de Dienst Landelijke Recherche, een zeer deskundig paar extra ogen, is de veiligheid van alles en iedereen gegarandeerd, toch? Nou, tenzij diezelfde vrouw toevallig al eens meerdere keren in haar leven in contact is gekomen met die zeer doortrapte en intelligente crimineel met een licht ontvlambaar karakter. En dan mag ze ook nog eens voor hem de gastvrouw uit gaan hangen.

Roofdier versus prooi

Al lezend in zijn nieuwe werk, ziet de lezer Koch bijna voor zich: met een scherpe visie en met vingers die sneller typen dan zijn brein kan draaien. Je hoort gewoon hoe zich een tirade afspeelt in Kochs hoofd en dat deze nu snel een weg moet vinden naar het (digitale) schrijfblok. Het is moeilijk om Koch te onderscheiden van Simon – om te beseffen dat de gedachtegangen die je leest niet van Koch afkomstig zijn. Of het nu gaat om het grondig verafschuwen van tatoeages of van het te veel plaats en tijd innemen van auteurs bij boekpresentaties. Waar houdt Kochs eigen visie op en begint die van zijn hoofdpersoon? Niet alleen Simons gedachten nemen we waar: we focaliseren om de beurt vanuit Derek L., Simon en Hanna. Vanuit wiens perspectief je ook leest, je hebt het gevoel dat je iedere keer Koch zelf hoort spreken.

Opvallend genoeg zijn Derek en Simon eender in hun gedachten: beiden gebruiken dezelfde beeldspraak van roofdier versus prooi om te beschrijven hoe een opgefokte moordenaar omgaat met eenieder die iets té nieuwsgierig is naar het geketende beest. Uiteindelijk is er maar één waarheid, waar noch roofdier noch prooi aan kan ontkomen: in ons allen zit een beest. Geeft Koch hier een inkijkje in zijn eigen, negatief gestemde mensbeeld?

Koch of Simon?

Daar waar Derek en Simon de mensen om zich heen hekelen, heeft Hanna het vooral lastig met haar eigen lichamelijke verval. Waartoe dienen alle zelfkritische overpeinzingen van Hanna? Ze vindt dat ze er als ‘oudere’ vrouw niet meer toe doet, terwijl de mannen vroeger in bosjes voor haar neervielen. En dan komt er nóg een man bij in haar toch al door mannen bestierde huishouden: een crimineel met wie ze een verleden blijkt te delen. Terwijl ze blijft miepen over haar verloren ‘glans’, lijkt haar echtgenoot steeds meer te willen afrekenen – in zijn geval in figuurlijke zin – met de mensen om hen heen. In zijn hoofd kan hij immers doen en laten wat hij wil. Zo zegt Simon:

‘In het ene na het andere boek leefde ik mijn duisterste fantasieën uit. Een vervelende buurman ruimde ik uit de weg. Als ik de buurman de volgende dag tegenkwam op straat, groette ik hem vriendelijk – vriendelijker dan anders. Ik wist immers dat hij al dood en begraven was. Dat er een voortijdig einde aan zijn zinloze bestaan was gekomen. Daar was niets duisters aan. Het voelde als een opluchting, ik had er vrede mee dat deze mensen in het echt gewoon bleven voortbestaan, zolang ik ze in mijn boeken een kogel door het hoofd kon jagen of ze op andere wijze behulpzaam kon zijn bij het betreden van een andere wereld waarin ik geen last meer van ze zou hebben.’

In strijd met iedereen

Is het gek om in het bovenstaande de schrijversfilosofie van Koch zelf te horen? Met humor sabelt hij iedereen neer. Zo ook schrijvers die ‘menen dat ze met een boek zonder punten en komma’s, zonder hoofdletters en alinea’s, vernieuwend proza schrijven’. Oef, is dat een sneer naar schrijver Lucas Rijneveld? En over docenten heeft Koch ook zijn ongezouten mening klaarstaan. Die kwam al duidelijk naar voren in de roman Red ons, Maria Montanelli en is nu weer onmiskenbaar aanwezig. Een docent van Simons zoon tikt hem namelijk erg hard op de vingers, nadat laatstgenoemde heeft gespiekt tijdens een toets: uitsluiting van deelname aan het eindexamen.

Grappig is het trouwens wel te noemen dat Hanna Simon erop wijst dat hij bepaalde elementen telkens laat terugkomen, zoals zo’n paternalistische docent:

‘Maar wat je echt niet meer moet doen dat zijn die leraren. Ik bedoel die leraar. In elk boek zit er wel een. Daarmee laat je jezelf te veel in de kaart kijken. Lezers kunnen daarop afknappen. Is hij daar nou nog steeds niet overheen? zullen ze denken.’

De herhaling ziet Hanna als iets slechts, maar Simon niet. Een paar regels voor dit citaat vraagt hij zich nog af: ‘Mezelf herhalen? Maar wie kan ik anders herhalen dan mezelf?’ Misschien geeft Koch hier – via Simon – heel eerlijk door dat hij wéét dat hij zichzelf herhaalt. Het voelt ergens ook als een pleidooi voor het gebruik van schrijvers als personages. Wat heerlijk moet het toch zijn om te kunnen zeggen waar het op staat en je gekste visualisaties te ventileren via de figuren die afkomstig zijn uit je eigen gecreëerde schimmenrijk. Het roept ergens een gelijkenis op met Max Havelaar van Multatuli (het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker): ook daarin is sprake van een romanticus avant la lettre die iedereen verbaal uit de pan veegt en zijn ideeën over onder andere de literatuur en de maatschappij kan delen via verschillende vertelinstanties.

En verdient Luchtplaats dan ook, net als Max Havelaar, een plekje in de Nederlandse canon? Nou, iedere lezer die het niet te snel te gortig wordt allemaal en goed om kan gaan met een roast van een gehele maatschappij, zou zeggen van wel. Koch is met dit boek weer op het goede pad gekomen. Hij laat zien dat de kracht toch schuilt in herhaling, maar dat je altijd iets nieuws, iets vernuftigs en onverwachts moet toevoegen aan je nieuwste boek. Luchtplaats is een goed uitgewerkt concept waar menig schrijver een moord voor zou doen.

Boeken / Fictie

Spannend en vol verwondering

recensie: Ingrid de Vries – De violist
Omslag De violistomslag van bol.com

Wie de roman De violist in handen krijgt, denkt niet meteen aan een boek dat spanning in zich zal hebben. Toch weet Ingrid de Vries een spannend element in het boek te leggen. Naast een verhaal van een jongeman die gegrepen wordt door het vioolspel staat een vriendschap centraal die abrupt verbroken lijkt te worden, tot een zoektocht na jaren de vrienden weer bijeenbrengt in een bijzondere setting.

De schrijfstijl van De Vries nodigt uit om lekker door te lezen. De honderddrieënzestig pagina’s flitsen snel door je vingers, omdat deze schrijfster je weet te boeien en je als lezer weet te binden aan het papier.

De basis van het verhaal

Laurens is visser en werkt vooral ’s nachts op de vissersboot om de vangst binnen te halen. Ruig werk van een zeebonk. Zijn wereld speelt zich vooral af op de visserskotter, maar dat verandert als hij op een dag muziek hoort die hem roert. Hij belt aan bij het huis waar de muziek vandaan komt, uit nieuwsgierigheid naar wat hij zojuist gehoord heeft in de straat waar hij liep.

Er is een moment in 1964 waarop Guido en Laurens voor het eerst kennis met elkaar maken. Laurens staat, bevangen door de klanken van het vioolspel, op de stoep van Guido’s huis. Hij heeft dan nog geen idee dat het vioolspel was dat hij vlak daarvoor hoorde, en vraagt Guido waar de muziek vandaan kwam. Op dat moment maakt Laurens kennis met het instrument. Laurens is nog maar een tiener. Ze spreken met elkaar over de muziek die op zee te horen is in het gekrijs van de meeuwen en alles wat er verder te horen is op een visserskotter, maar ook over de vioolklanken die Laurens naar het huis hadden gelokt.

Studeren naast het ruwe werk op zee

Na de kennismaking ontstaat er al snel een soort vriendschap, maar vooral een relatie tussen een leermeester en zijn leergierige leerling. Laurens besteedt al zijn vrije uren aan het leren bespelen van de viool als Guido hem lessen aanbiedt. De ruwe bolster, blanke pit Laurens is een voorbeeldige leerling, die vooral een enorme toewijding aan de dag legt om het vioolspel machtig te worden.

Als hij zo goed wordt dat hij in 1967 wordt toegelaten op het conservatorium, gaat Laurens geheel zijn eigen weg. Hij keert, zoals we lezen in het eerste hoofdstuk van het boek, nog wel een keer terug naar het huis van Guido, maar belt niet aan en vertrekt zonder zijn leermeester nog gesproken te hebben. Vele tientallen jaren zien Guido en Laurens elkaar niet. Ieder leeft zijn eigen leven. Toch gaat er regelmatig wat kriebelen in het hoofd van Guido. Hij mist Laurens en wil op zoek naar hem. Hij gaat op onderzoek uit om te ontdekken waar hij is gebleven en hoe het hem vergaan is.

Weerzien

Het duurt tot 2015 dat Guido en Laurens elkaar weerzien. Dat gebeurt onder bijzondere omstandigheden die pas tot een blije gebeurtenis leiden als ze samen een zigeunerstukje strijken. Dat is het moment dat de twee mannen elkaar na lange tijd met plezier in de ogen kijken en opnieuw opgaan in het vioolspel. De lange jaren die ertussen zaten lijken volledig vergeten.

De Vries weet de lezer te boeien vanaf het prille begin tot de allerlaatste alinea in dit wonderlijke en vooral heel boeiende verhaal, dat afsluit met een heel bijzonder weerzien onder bijzondere omstandigheden. De Vries weet hier zowel spanning, passie, vriendschap en liefde met elkaar te verbinden in een persoonlijk lijden.

De taal van De Vries is helder. Het verhaal is boeiend, de personages zijn glashelder en de menselijke emotie wordt voelbaar verwoord. De viool is een boek dat nog lang zal naklinken als je het al lang uit hebt. Als lezer word je in verwondering achtergelaten terwijl je de emotie van de laatste bladzijden duidelijk voelt.

Cover 'Hoe voelt het?'
Boeken / Fictie

Kort van stuk, krachtig van inhoud

recensie: Hoe voelt het? – Sophie Kinsella
Cover 'Hoe voelt het?'

Sophie Kinsella, bestsellerauteur van onder andere de bekende én verfilmde Shopaholic!-serie, verscheen drie jaar geleden ineens ‘negatief’ in het nieuws: een kwaadaardige hersentumor legde haar leven lam. Inmiddels – herstellende van de operatie en behandeling – heeft ze de pen weer opgepakt en schreef ze een korte, fictieve autobiografische roman, genaamd Hoe voelt het?, over deze donkere periode.

Ze heeft alles wat haar hartje begeert: succes en faam vanwege haar boeken, een liefdevol huwelijk en vijf kinderen aan haar zij. Wat wil je nog meer in het leven? Nou, een goede gezondheid om mee te beginnen. Hoe kun je woorden vinden voor een periode waarin je diep in het donker tastte en iedere dag werd overvallen door een gevoel van onrechtvaardigheid, twijfels en immens verdriet? Kinsella vond de woorden niet zozeer voor zichzelf, maar wél voor Eve Monroe, het hoofdpersonage in Hoe voelt het?. Dat Eve het alter ego van Kinsella is, wordt al onmiskenbaar duidelijk in de eerste pagina’s, waarin wordt beschreven hoe het idee voor de Shopaholic!-serie ontstond. Deze boekenreeks werd een groot succes en op menige kaft stond pontificaal New York Times bestseller.

Personage als spreekbuis

Eve koopt een prachtige, fonkelende jurk die ook op de kaft van het boek prijkt; een jurk die symbool staat voor de mooie momenten die je in het leven moet vieren, maar ook voor het grote omkeerpunt in Kinsella’s carrière. De koopzucht van Kinsella heeft haar een boekenreeks opgeleverd die zowel veel lezers als veel geld heeft opgebracht (lees: 45 miljoen verkochte exemplaren). In deze boeken lees je over een innemende vrouw met ietwat sukkelige karaktereigenschappen en een enorm groot gat in haar hand dat steeds meer grip krijgt op haar leven. Natuurlijk kan ze rekenen op de hulp van een woest aantrekkelijke man. Een concept – de eeuwig single en onhandige dertigplusser die meer van haar leven wil maken – dat in talloze romans naar voren komt, al dan niet uitgebracht onder haar pseudoniem Kinsella, of haar echte naam Madeleine Wickham.

Nu is er een van Kinsella’s hand waarin een compleet andere toon wordt aangeslagen. De humor die Kinsella’s werk zo kenmerkt, is naar de achtergrond verdreven. Kinsella vertelt openhartig – met personage Eve als een soort ‘spreekbuis’ – over de periode vóór en na de ontdekking van de ongeneeslijke vorm van hersenkanker. Dit boek maakt duidelijk dat zo’n ongeneeslijke ziekte niet alleen een verregaande impact heeft op de patiënt, maar op het hele gezin.

Zo krijgt een potje scrabble aan de keukentafel ineens een beladen toon, omdat er ruimte is voor het stellen van de allerlastigste vragen. Vooral voor het jongste lid van de familie, de 10-jarige Isobel (Izzy), is het allemaal maar erg onbegrijpelijk en ‘oneerlijk’. Als ze een vraag heeft, maakt de hele familie haar borst al nat voor het antwoord: “Is ‘vlom’ een woord?” klinkt er dan onverwachts uit de mond van kleine Izzy. Verbazing, opluchting en een intense lachbui volgen elkaar op. Dat er ook momenten zijn die tussenpozen van ontspanning bieden, illustreert dat je na de eerste schok toch weer terugvalt in de alledaagse verhoudingen van weleer.

Kort maar krachtig

Niet alleen de toon van het boek, maar ook de dikte wijkt nogal af van wat de lezer van Kinsella gewend is. Ze staat niet bekend om de dikke pillen, maar dit boek telt slechts 124 bladzijden, inclusief de dankbetuiging. Hoewel het dus een korte novelle betreft, is het qua inhoud zeker een krachtig verhaal dat het predicaat ‘moedig’ verdient. Het is nogal dapper om zo open te vertellen over een zware periode in je leven en ook een inkijkje te geven in je persoonlijke leven. Een periode die je liever zou willen vergeten, maar die ook je toekomst heeft ingekleurd (en blijft vormgeven).

Kinsella geeft toe dat ze de volgorde van gebeurtenissen heeft veranderd en ook wat andere aanpassingen heeft doorgevoerd. Natuurlijk staan er ook details in die kloppen, zoals het memoriseren van kerstliedjes en hoe lastig dit bleek te zijn. Het voelde voor haar ‘bevrijdend om alles eerlijk en rauw op te schrijven’ en ze kon makkelijker over haar kinderen schrijven als ze hun een andere naam gaf. Voor Kinsella is fictie bij uitstek het middel om een verhaal zo goed mogelijk te vertellen: ze kan de werkelijkheid vervormen en verdraaien en niemand zal haar op haar vingers tikken (het is nu eenmaal fictie).

Fragmentarisch

De vorm waarin dit werk gegoten is, wijkt ook af van ander uitgebracht werk. Zulke korte hoofdstukken las men niet eerder en tussen de vertellingen door staan ook appjes weergegeven van mensen die als het ware de ‘Hulptroepen voor Eve’ vormen. Er zijn ‘Vroeg-wakker-gesprekken’ met haar man Nick en er zijn verhalen die overkomen als columns, boordevol anekdotes waarvan de titel al veel zegt: ‘Goed zo!’, ‘Een ommetje’ en ‘Overal die plastic stoelen’ (over de wachtruimtes). Niet alle humor is helemaal weggeslagen uit Kinsella, getuige het gedeelte genaamd ‘Word je behandeld tegen kanker? Een paar fijne tips van Eve Monroe’, waarin met sarcastische ondertoon een bestraling wordt vergeleken met het ondergaan van een gezichtsbehandeling en waarin Eve op haar beurt om tips voor scanvrees vraagt.

Trouwe lezers zullen de diepe wens koesteren dat Kinsella schone scan na schone scan zal ontvangen (inmiddels staat die teller al op vier). Niet voor niets heet het laatste hoofdstuk ‘Happy end’: al haar vrouwelijke hoofdpersonages kregen dit stuk voor stuk. Nu is het tijd voor Kinsella dat ze die ook krijgt, net zoals alle andere mensen die te maken krijgen met hersenkanker in hun leven. Hopelijk is haar brein straks vrij van alle pijn en is er enkel en alleen ruimte voor hetgeen wat er altijd al rondwaarde: talloze creatieve ideeën voor ontzettend succesvolle romans.

Boeken / Fictie

Het duister van Argentinië

recensie: Een zonnige plek voor sombere mensen - Mariana Enriquez
Handen in muur© Unsplash

Een vrouw die de weggehaalde vleesboom op haar baarmoeder terug in haar lichaam wil, een meisje dat zich verlustigt aan een stel geesten en een mens zonder botten dat afschuwwekkende schilderijen maakt; zomaar wat taferelen uit de wonderlijke wereld van Mariana Enríquez. De verhalen in Een zonnige plek voor sombere mensen spelen zich desondanks op bestaande plaatsen af, waardoor zij nog realistischer en gruwelijker worden.

Je zou kunnen veronderstellen dat het relatief moeilijk is om originaliteit te uiten in genreliteratuur omdat boeken die strikt binnen een specifiek genre vallen aan strenge thematische en structurele eisen onderhevig zijn. Lukt het Mariana Enríquez om binnen het door haar gekozen genre – horror – te blijven en toch haar eigen stem te laten horen? Ja, maar met de hakken over de sloot.

Horror en verder niets

De korte verhalen in Een zonnige plek voor sombere mensen behoren meer tot het horror- of gothic-genre dan tot welk ander genre dan ook. Ze bevatten veel van de literaire kenmerken die horror zo eigen zijn: er wordt een spanningselement geïntroduceerd dat zich steeds meer op de voorgrond van het verhaal begeeft, de schrijver bedient zich naar hartenlust van uitvoerige, grafische omschrijvingen en meestal is er een kwade kracht die zich tegen de hoofdpersonages richt. Naast deze technische kenmerken is er nog een keur aan stokpaardjes waar de horrorschrijver maar al te graag op terugvalt: bloed, geesten, vreemde lichamelijke condities en hekserij. Veel van deze kenmerken passeren ook bij Enríquez de revue.

Enríquez’ verhalen zijn meeslepend, maar missen de nodige diepgang. Er wordt een bepaald onheilspellend mysterie geïntroduceerd dat zich in toenemende mate opdringt aan de belevingswereld van de personages en richting de laatste bladzijdes een gruwelijk hoogtepunt bereikt. De meeste van de verhalen zijn, al met al, vrij ‘platte’ horror: vaak is er maar een enkele verhaallijn die zich ontvouwt zonder veel literaire opsmuk of verhaaltechnische verrijking.

Toch een duidelijk uniek stemgeluid

Desondanks vallen enkele dingen op aan Enriquez’ horror. Zo wordt de spanning – na een uitvoerige inleiding – pas relatief laat geïntroduceerd en opgebouwd, worden lang niet alle beelden duidelijk voorstelbaar voor de lezer en wordt voor maar weinig mysteries in de verhalen een sluitende verklaring gegeven. Doordat je als lezer blijft zoeken naar de manier waarop alle ‘losse eindjes’ van de verhalen op elkaar aansluiten, blijven de verhalen langer hangen dan wanneer zij keurig zouden zijn afgerond.

Drie verhalen springen eruit: het eerste verhaal van de bundel, Mijn droevige doden, is bijzonder interessant vanwege de magisch-realistische en minder bombastisch-afschuwwekkende verteltrant. In het titelverhaal lopen verschillende verhaallijnen door elkaar waardoor op meerdere vlakken spanning wordt opgebouwd. In het laatste verhaal, Zwarte ogen, zitten zoveel frappante en onverwachte details – tenen die zichtbaar worden door een luxaflex, een pak roze melk dat vanuit een huis naar buiten wordt gegooid en twee jongetjes met ogen van obsidiaan die kruipen als spinnen – dat het plot in haar absurditeit volkomen origineel is.  Hoewel de meeste van de twaalf verhalen in de bundel dus enigszins eendimensionaal aandoen, laten deze drie verhalen onmiskenbaar zien dat Mariana Enríquez gevoel en talent voor diepgravende literatuur heeft, en bovendien een eigen stem. Het valt te betreuren dat niet meer verhalen dat talent demonsteren.

De verhalen in de bundel Een zonnige plek voor sombere mensen lezen vlot en zijn verslavend, wat een aanzienlijke verdienste is. Ze zijn bovendien onderling sterk verschillend, hypermodern en kennen onverwachte eindes. Meer diepgang had misschien afgedaan aan het verslavingsgehalte of aan de toegankelijkheid van deze verhalen, maar was wel hun literaire waarde ten goede gekomen.

Misschien dat Mariana Enríquez in een verhaal dat, laten we zeggen, vier keer zo lang is als het gemiddelde verhaal in deze bundel alles kan laten zien dat ze in zich heeft. Hoewel het absoluut onderhoudend is geschreven, komt in Een zonnige plek voor sombere mensen het literaire potentieel van Mariana Enríquez niet tot volle glorie.

 

Boeken / Fictie

De ketenen van de vrijheid

recensie: Ik ben vrij – Lale Gül

De dag waarop Lale Gül besloot om hoofddoekvrij de deur van haar ouderlijk huis uit te lopen, heeft haar leven voorgoed veranderd. De 27-jarige schrijfster schreef al openhartig in haar debuutroman Ik ga leven hoe deze keuze tot stand kwam. In het vervolg, Ik ben vrij, lees je dat Gül een heel hoge prijs heeft moeten betalen voor de door haar zo gekoesterde vrijheid.

Nadat ze zich heeft losgerukt van het strenggelovige milieu waarin ze is opgegroeid, bekritiseren vriend en vijand haar de godganse dag. Maar deze powervrouw pur sang rekent, met haar scherpe tong als haar meest krachtige wapen, met iedereen af.

Kwetsbare kant

Aan het begin van het verhaal laat Gül een kwetsbare kant van zichzelf zien. Ze gunt ons een ‘blik achter de schermen’, achter het gordijn dat ze heeft opgetrokken in haar debuutroman. In deze autobiografische roman mogen we meelezen met wat waarschijnlijk heel gedetailleerde optekeningen zijn van haar bezoekjes aan haar psycholoog. Deze worden afgewisseld met het beschrijven van de alledaagse beslommeringen die laten zien dat Gül met geheel andere zaken bezig is dan haar leeftijdgenoten: het aanschaffen van een deur met goede sloten erop (als bescherming van haar zelf gecreëerde fort) en appen met de burgemeester van Amsterdam.

Wat dat laatste betreft; dat behoeft enige uitleg. Gül woont nog thuis als haar boek wordt gepubliceerd. Ze kan haar ouders nog wijsmaken dat het een schoolproject betreft, maar haar zusje Defne en broer Halil kan ze niet voor de gek houden. Als ze vervolgens aanschuift bij Op1 om over dit ‘schoolproject’ (aka haar bestseller) te spreken, zijn de rapen gaar. Na de talkshow wordt ze thuis opgewacht door een ontstelde en zeer boze familie. Ooms en tantes hebben zich bij het huis van haar ouders geschaard om Gül de huid vol te schelden en, nog erger, haar meppen te verkopen. Broer Halil vangt de meeste klappen voor haar op, maar hij kan niet op tegen de toorn van met name zijn moeder op. Gül vlucht letterlijk het huis uit en rent voor haar leven. Met de hulp van Femke Halsema weet ze een veilig onderkomen te regelen.

Vergiffenis of vrijheid?

Afgezonderd van de rest van de wereld, in haar zeer desolate situatie, overvalt haar een fikse somberheid. Zichzelf goed verzorgen is er niet meer bij: hele dagen staat de tv aan, terwijl ze alleen nog maar junkfood tot zich neemt. En daar is altijd die tergende vraag die alle gedachten aan de kant drukt: hoort een moeder geen onvoorwaardelijke liefde voor haar kind te voelen, ongeacht de verschillen in ideologie en geloof? In het verhaal lezen we over talloze moedwillige pogingen vanuit Güls kant om de banden met haar moeder aan te halen, maar haar tirannieke moeder wil alleen nog het gesprek met Gül aangaan als deze laatstgenoemde haar woorden – en met name de geschreven woorden – terugneemt en aangeeft dat ze van gedachten is veranderd. Güls moeder verlangt ernaar dat Lale vergiffenis zoekt bij Allah en ‘sorry’ zegt. Dat is Gül geenszins van plan, ook al betekent dit dat ze niet alleen de warmte en de liefde van haar ouders moet ontberen, maar ook die van haar zusje Defne, om wie ze zoveel geeft.

Continu maakt Gül de balans op over wat nu eigenlijk het belangrijkste is in het leven en waarom ze deze strijd, het zich ontwortelen van een geloof, als haar persoonlijke agenda ziet. Heeft deze keuze haar gelukkiger gemaakt? Dat is maar te bezien. Ze ervaart nu een zekere vrijheid over haar doen en laten, maar Gül is ten slotte ook maar een mens die net zozeer zoekt naar de liefde van haar naasten als ieder ander. Waar ze echter op stuit, zijn niet alleen de afkeer en de haat vanuit haar eigen ouders, maar ook die van hele volksstammen op het internet. De dreigbrieven en haatmails duwen haar nog verder weg in haar isolement en angstige gevoelens. Wie denkt dat we in een land wonen waar de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel staat, komt net zo bedrogen uit als Gül.

Coping mechanisme?

Is het dan alleen maar kommer en kwel voor Gül? Zeker niet. De zelfontplooiing gaat gewoon verder en met name de seksuele zelfontplooiing waar Gül graag over schrijft (en/of fantaseert). Dan slaat het boek ineens om in keiharde porno. Wellicht juist ter contrast met het nogal preutse leven van haar ouders. Daarnaast heeft ze ook vriendschappen opgebouwd die ze zeker kan koesteren, al wringt de schoen nog wel eens als de gespreksonderwerpen politiek en religie opdoemen. Gül is heel open en eerlijk en gaat geen enkele discussie uit de weg. Zowel in haar privéleven als publiekelijk: als een boze moslim tegen haar ingaat op een literair festival in het buitenland, weet ze hem van repliek te dienen. Het is heel knap van Gül dat ze haar gezicht waar mogelijk blijft tonen, zeker als je weet hoeveel doodsbedreigingen ze dagelijks moet zien te slikken.

Ook haar schrijfstijl blijft zeker intrigerend. Ze is zelf ook erg te spreken over haar literaire talent: haar huidige uitgever, Prometheus, kreeg slechts twee weken bedenktijd om haar debuutroman te publiceren, want anders zou Gül de Bezige Bij benaderen. Ja, een ego heeft Gül wel, al is het ook een coping mechanisme. Om zulke hevige dagen als die van haar te doorstaan, moet je je er zelf continu van overtuigen dat je op de juiste wijze handelt. Dat ze daarbij niet altijd de ruimte biedt aan de ander om zijn of haar mening te ventileren, is enerzijds begrijpelijk én aan de andere kant ergerlijk: niet voor niets wordt ze als geloofsverlater in één adem met Geert Wilders genoemd. Nee, linksgeoriënteerde kiezers komen niet ongedeerd weg in haar boek. Ook boekrecensenten worden flink aangepakt. Wordt de drang om anderen te hekelen gevoed door het feit dat ze zelf zoveel haatbedreigingen krijgt? Hopelijk slaat ze hier niet al te ver in door, al zal het menigeen benieuwen wie in een volgend boek het spreekwoordelijke pak slaag mag incasseren.

Los van alle eerlijke ontboezemingen en sterk gepeperde meningen, is de taal die Gül hanteert in haar nieuwste boek ontzettend sterk. Je hoort haar gewoon net zo hard tekeergaan in haar boek als op de tv. Met een vocabulaire waar je u tegen zegt, is het uitzien naar een nieuwe roman. Langzamerhand ontstaat wel een zekere nieuwsgierigheid naar een roman (of ander genre) die meer fictief van aard is en waarin Gül zelf niet als hoofdpersoon fungeert.

Boeken / Fictie

Het beest in de mens

recensie: Een wild dier – Joël Dicker
Meer van GenèvePixabay

Het is haast onbeschrijfelijk: het vreugdegevoel dat je ervaart als je hoort dat er een nieuwe roman van Joël Dicker (1985) op de markt is. Wie kan deze Zwitserse auteur – bekend van de bestseller De waarheid over de zaak Harry Quebert – evenaren als het gaat om het creëren van personages met veel diepgang en het uitzetten van een ingewikkeld plot? Een wild dier is wederom een zeer spannend boek dat je bij je nekvel grijpt en zijn klauwen diep in je vel zet.

Een wild dier draait kortweg om twee criminelen die plannen om een juwelier in Genève te overvallen. Helaas voor hen is politieman Greg Liégean al helemaal op de hoogte. Tenminste, dat denkt hij … Voorafgaand aan deze geplande overval lees je over de buurvrouw van Greg die voor haar veertigste verjaardag een ring in de vorm van een panter krijgt. Het blijkt een moment te zijn dat haar leven volledig op z’n kop zet en dat uiteindelijk het startsein is voor de hoge val van niet één personage, maar zelfs meerdere karakters. In deze intrigerende psychologische roman raken allerlei zaken met elkaar verstrikt.

Vertrouw op je instinct

Niet alle huwelijken verlopen even voorspoedig. Neem het huwelijk van Greg en Karine Liégean, een echtpaar dat met hun twee jongens in Genève woont. Hoewel ze allebei succesvol zijn in hun baan – hij bij het arrestatieteam van de politie en zij in een kledingwinkel – worden ze beiden geplaagd door onvervulde verlangens. Gregs behoefte aan lichamelijk contact in het echtelijk bed blijft onvervuld en Karine zou zo graag meer willen lijken op Sophie Braun, de perfecte girl next door. Nou ja, next door is overdreven. Sophie woont namelijk met haar man Arpad en hun kinderen in een ontzettend chic huis aan het Meer van Genève, terwijl Karine het moet stellen met een ‘aardig huis’ in de wijk die de niet al te positieve naam ‘De puist’ draagt. Niet alleen Karine beschouwt Sophie als de belichaming van de perfectie zelve; ook haar man vindt dat Sophie toch wel erg knap, fantastisch, charmant enzovoorts, enzovoorts is.

Gregs obsessie met Sophie groeit uit tot stalking. Het uitlaten van zijn hond wordt een manier om Sophie stiekem te begluren als ze zich ’s ochtends aankleedt. Iedere ochtend ziet hij hoe Sophie de gordijnen opent en haar ranke lijf weer in de mooiste kledij hult of… haar man een plezierige ochtend biedt. Na een inbraak in het huis van de Brauns ziet Greg zijn kans schoon: om Sophie nog beter te kunnen bespieden, biedt hij aan om op hun huis te letten, terwijl zij hun familie opzoeken in Saint-Tropez. Greg smokkelt een beveiligingscamera mee van zijn werk en installeert deze in hun slaapkamer, zodat hij thuis alles op zijn mobiel meekrijgt. Het betekent het begin van een ratrace tegen het addergebroed: Greg ontdekt allemaal dingen over Arpad, die ertoe leiden dat Greg zijn buurman graag achter de tralies ziet…

Groener gras bij de buren?

De jacht op Arpad blijkt al snel een persoonlijke afrekening te zijn met de man op wie Greg het jaloerst is. Een man die altijd onberispelijk gekleed de deur uit gaat en die het wél lukt om een harmonieus geheel te vormen met zijn gezin. De lezer verneemt al gauw dat achter al het uiterlijke vertoon meer verscholen ligt dan het oog kan waarnemen. Doordat er wordt gefocaliseerd vanuit de belangrijke personages, krijg je meer informatie toegediend en lijk je de personages altijd net een stapje voor te zijn. Maar hoe verder je in de roman verwikkeld raakt, hoe meer bedrogen je zelf uitkomt. Aan het einde van het boek blijkt pas hoe weinig je eigenlijk weet over de Brauns. Dat is de meestertruc van Dicker: de lezer iedere keer naar het puntje van zijn of haar stoel laten bewegen, de lezer vervolgens genoeg voeden met informatie zodat deze even achterover kan leunen en dan – bam! – de lezer bijna van de stoel af laten vliegen door het prijsgeven van diepe geheimen. Je wordt als lezer haast zelf een wild dier, dat dolgraag gevoed wil worden. Het is echter Dicker die, als een ware temmer, in control is. Hij weet het beest in jou zowel genoeg stil te krijgen als aan te wakkeren wanneer dat nodig is. Het grappige is dat je op een gegeven moment denkt: nou, kom maar op met die ontknoping, Dicker, ik snap hoe het web van leugens in elkaar zit. En dan kom je zo ontzettend bedrogen uit (net als Greg zelf overigens).

Genève: het decor voor achterdocht

Het is verrassend te noemen dat Dicker als setting eindelijk een Europese stad verkiest boven een Amerikaanse. Zijn eigen geboortestad, Genève, is bij uitstek geschikt als thuisbasis voor een stel rijkaards als de Brauns. De stad symboliseert zoveel meer dan alleen luxe: het is algemeen bekend dat een bankrekening openen in Zwitserland om verscheidene redenen heel gunstig kan zijn (niet in de laatste plaats om belasting te ontduiken). Als je hoort dat Sophie en Arpad beiden werkzaam zijn in het bankwezen én de beschikking hebben over een constante cashflow, weet je gewoon dat er stront aan de knikker is. En hoe! Het is wel jammer dat de personages een beetje in hun stereotiepe beeld blijven hangen: de succesvolle zakenman, de knappe trophy wife, de hardwerkende politieman en de ongelukkige huisvrouw. Ook komen ze allemaal niet bepaald sympathiek op je over en staan ze ver van je af, omdat je maar weinig gelijkenissen kunt zien tussen hen en jezelf (neem bijvoorbeeld Greg en zijn opmerkelijke hobby om zijn buren te begluren). Dat maakt dat het lezen soms een beetje afstandelijk voelt en het je ook niet erg uitmaakt hoe hun levens zich zullen ontvouwen.

Hoewel de personages dit keer minder getroebleerd zijn dan in andere werken van Dicker en er in de eerste hoofdstukken zelfs geen vuiltje aan de lucht is, is er genoeg drama dat met ieder hoofdstuk aangedikt wordt. Het concept van dit boek is wel echt anders. Natuurlijk, de intrige is een vast onderdeel, daar kun je bij Dicker op vertrouwen, maar de lezer krijgt een heel andere vibe bij dit boek. Nieuwe omgevingen, nieuwe karakters en nieuwe sectoren krijgen aandacht. Het is niet de Dicker die je misschien zou verwachten, maar hij weet de lezers weer te verbluffen met een ijzersterk verhaal en een intrigerende schrijfstijl. Het boek rekent genadeloos af met de schijn die mensen vandaag de dag ophouden. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, zei dichter Martinus Nijhoff ooit. Deze wijsgerige spreuk is ook zeker van toepassing op dit boek: ‘Zie maar, we zien niet wat we zien’.