Berichten

Kunst / Interview

VERDWIJNPUNT ALS HORIZONVERSMELTING

special: Interview met beeldend kunstenaar Sam Drukker

Amstelveen en Assen. Nu en straks: twee tentoonstellingen met werk van Sam Drukker (1957). In Amstelveen gaat het om een overzichtstentoonstelling. In Assen zullen alleen zelfportretten te zien zijn uit een periode van veertig jaar. Deze ontbreken in Amstelveen. Zo vullen beide exposities elkaar aan. Tijd voor een interview met de kunstenaar die steeds bekender lijkt te worden. Terecht.

Hij ontvangt mij hartelijk met thee en tulband cake in zijn atelier in Amsterdam-West en is nieuwsgierig naar welke insteek ik ga kiezen. Ik antwoord, dat zijn werk mij uiteindelijk, als ik er een noemer aan moet geven, doet denken aan het begrip ‘horizonversmelting’. Raakvlakken tussen verleden, heden en toekomst. Sam Drukker antwoordt, dat dit eigenlijk voor alle kunst geldt. Dat je het misschien moet zoeken in het verdwijnpunt in zijn werk. Op het eind van het interview komen wij hierop terug. We hebben afgesproken elkaar te tutoyeren.

Het verleden spreekt

Je staat vaak op de schouders van voorgangers: Masaccio, Israëls, David, Hockney en jouw oud-docent Matthijs Röling. Wil je ze op die manier levend houden, door ze naar het hier-en-nu te halen?

‘Daar heb ik eigenlijk nooit op die manier over nagedacht. Het zijn leermeesters. Ik ben maar een kleine jongen. Ze herdenken gaat vanzelf. Er zit eigenlijk voor mijn gevoel geen tijd tussen bijvoorbeeld Masaccio [uit de Italiaanse Renaissance, EvS] en nu. Ze zíjn allemaal in leven. Misschien moet je het eerder omdraaien: deze mensen houden míj in leven. Kijk maar naar al die kunstboeken die hier staan.’

Nathan Rotenstreich, 2014. Foto: Edo Kuipers

Eenzelfde soort idee heb ik bijvoorbeeld bij de serie Minje die in Amstelveen is te zien: tien joodse mannen die tijdens de Tweede Wereldoorlog volwassen waren. Vormen zij ook, als de tien mannen die nodig zijn om een dienst in de synagoge te kunnen houden, een eerbetoon?

‘Ja. Ze zitten model en ik kijk uit in één en al verwondering. Dat is de enige reden waarom ik wil schilderen. Ik kan eigenlijk nooit wachten om te beginnen. Als mensen een bepaalde houding aannemen, kan ik opeens denken: “Wow!” En vraag dan of ze dit even zo kunnen vasthouden. Verder was ik met hun achtergrond nauwelijks bezig. De oud-directeur van het Joods Historisch Museum, die de serie heeft verworven, zei verrassend genoeg, dat die portretten over het heden gaan, terwijl ik dacht dat ze over de oorlog gingen.’

Het hier-en-nu

Er zit dus een heilig moeten achter. Een verhaal, van schetsen tot schilderij, dat moet worden verteld in het hier-en-nu?

‘Dat is per project verschillend. Series, zoals bijvoorbeeld van de mannen in bootjes kun je een heilig moeten noemen. Ik ga uitzoeken of ik in- of uit wil zoomen. Dat is een spel, en zo begint het soms. Het is heel duidelijk waar ik dan heen wil. Ik begin nooit als ik geen idee heb, en dat leer ik mijn studenten ook. Wees goed voorbereid. Onderweg zie je dan wat buiten je plan valt. Dát te ontdekken, is van een grootse schoonheid. De kwaliteiten zijn er al of ontstaan gaandeweg.’

Drie roeiers, 2017. Foto: Edo Kuipers

Zit er ook een schoonheidsbeleving in de manier waarop de tien mannen, de serie Minje, in Amstelveen is opgehangen? De tien mannen als in een wolk, de tekeningen strak in het gelid. Of is dat een vorm van dialectiek?

‘Dat is een interessante vraag. Chaos heeft behoefte aan mathematiek en logica, maar ook dat is een schoonheidsbeleving. En vergeet niet, dat ik ook van smerigheid hou. Kijk maar naar dit schilderij van een vrouw [dat staat tegen de muur bij het tafeltje waar we zitten, EvS]. De ultramarijne accenten gaan gloeien tegen de “vuile” kleuren eromheen. Het krukje is zelfs alleen met houtskool getekend. Ik ben geen denker in de zin van een filosoof, maar wél op zo’n manier. De kleurkwaliteiten gaan samen. Het een kan niet zonder elkaar.’

De toekomst tegemoet

De serie Na het paradijs gaat zowel over het verleden (het land dat een man met een koffer achter moest laten, gelijk Adam en Eva het paradijs achter zich moesten laten) en de toekomst die hij in zijn andere hand draagt: plastic tassen van een dure winkel. Zit daar ook een Bijbelse laag onder, van verwachting?

‘Daar laat ik me niet over uit. Het is als een bandje waarin ik als puber speelde, en dat een en al somberheid uitstraalde. Het is verontrustend. Ik wil me niet uitspreken, omdat ik dat aan de kijker overlaat. Het gaat mij niet aan. Ik geloof wel in iets, en dat is schoonheid. Dat is tegelijk ook troostrijk. Ja, het is ook een Bijbels thema. Denk aan het fresco De verdrijving uit de Hof van Eden van Masaccio in Florence. Ik zal alleen de namen Adam en Eva en bootvluchtelingen niet in de mond nemen. Ik ben bezig met het moment, van het verleden vandaan, zoals die roeiers alles achter zich laten, omdat zij er met de rug naartoe zitten. Dát roert mij: de weg ernaartoe, niet ervan af.’

Man met koffer, 2017. Foto: Edo Kuipers

Dit doet mij denken aan je schilderij Ophelia. Dat is eigenlijk de vraag: to be or not to be, leven of dood. Is er twijfel ingeslopen, of kwetsbaarheid?

‘Kwetsbaarheid. De rest laat ik ook hier open. Is het somber, is ‘t het einde? Of is het heling, een bad? Het doek is geïnspireerd op het beroemde negentiende-eeuwse schilderij van Millais [Drukker wijst mij op een ansichtkaart ervan, die op de muur is geprikt]. De kijker mag het invullen. De kijker mag véél invullen.’

We zouden nog terugkomen op die ‘horizonversmelting’ van het begin, op het verdwijnpunt zoals jij het schilderkunstig vertaalde.

‘Ja. Ik ben nu bezig een muurschildering in Rotterdam voor te bereiden. Het komt binnen in een gebouw van Maaskant. Daarop komen enkele afbeeldingen van arbeiders, die een dakspant opduwen. Het is ontleend aan een dakspant in de Laurenskerk in Rotterdam. Er zit een horizon in, want alles heeft een horizon.’

Eerst kruipt Sam Drukker over de grond, om de schetsen en foto’s van dat verloren gegane dakspant in de Laurenskerk te laten zien. Daarna staat hij op en blijft, als de docent die hij ook is, staan:

‘Ik moet het hebben van vorm, toon, kleur, beweging. Dat is de formele kant van mijn werk. Dan komen de schimmetjes en de betekenis erin terug. Maar veel complexer en meer gelaagd dan op het moment dat iemand mijn atelier binnenstapt, want dan heb ik mijn vooroordelen net als iedereen klaar. Die zijn grof en globaal. Daar heb je als schilder niets aan. Ik heb nu eenmaal geen tube “introvert”. Een mens is veel meer dan dat. In een mens valt alles samen. Net als in die “horizonversmelting” van jou.’

 

Kunst / Interview

VERDWIJNPUNT ALS HORIZONVERSMELTING

special: Interview met beeldend kunstenaar Sam Drukker

Amstelveen en Assen. Nu en straks: twee tentoonstellingen met werk van Sam Drukker (1957). In Amstelveen gaat het om een overzichtstentoonstelling. In Assen zullen alleen zelfportretten te zien zijn uit een periode van veertig jaar. Deze ontbreken in Amstelveen. Zo vullen beide exposities elkaar aan. Tijd voor een interview met de kunstenaar die steeds bekender lijkt te worden. Terecht.

Hij ontvangt mij hartelijk met thee en tulband cake in zijn atelier in Amsterdam-West en is nieuwsgierig naar welke insteek ik ga kiezen. Ik antwoord, dat zijn werk mij uiteindelijk, als ik er een noemer aan moet geven, doet denken aan het begrip ‘horizonversmelting’. Raakvlakken tussen verleden, heden en toekomst. Sam Drukker antwoordt, dat dit eigenlijk voor alle kunst geldt. Dat je het misschien moet zoeken in het verdwijnpunt in zijn werk. Op het eind van het interview komen wij hierop terug. We hebben afgesproken elkaar te tutoyeren.

Het verleden spreekt

Je staat vaak op de schouders van voorgangers: Masaccio, Israëls, David, Hockney en jouw oud-docent Matthijs Röling. Wil je ze op die manier levend houden, door ze naar het hier-en-nu te halen?

‘Daar heb ik eigenlijk nooit op die manier over nagedacht. Het zijn leermeesters. Ik ben maar een kleine jongen. Ze herdenken gaat vanzelf. Er zit eigenlijk voor mijn gevoel geen tijd tussen bijvoorbeeld Masaccio [uit de Italiaanse Renaissance, EvS] en nu. Ze zíjn allemaal in leven. Misschien moet je het eerder omdraaien: deze mensen houden míj in leven. Kijk maar naar al die kunstboeken die hier staan.’

Nathan Rotenstreich, 2014. Foto: Edo Kuipers

Eenzelfde soort idee heb ik bijvoorbeeld bij de serie Minje die in Amstelveen is te zien: tien joodse mannen die tijdens de Tweede Wereldoorlog volwassen waren. Vormen zij ook, als de tien mannen die nodig zijn om een dienst in de synagoge te kunnen houden, een eerbetoon?

‘Ja. Ze zitten model en ik kijk uit in één en al verwondering. Dat is de enige reden waarom ik wil schilderen. Ik kan eigenlijk nooit wachten om te beginnen. Als mensen een bepaalde houding aannemen, kan ik opeens denken: “Wow!” En vraag dan of ze dit even zo kunnen vasthouden. Verder was ik met hun achtergrond nauwelijks bezig. De oud-directeur van het Joods Historisch Museum, die de serie heeft verworven, zei verrassend genoeg, dat die portretten over het heden gaan, terwijl ik dacht dat ze over de oorlog gingen.’

Het hier-en-nu

Er zit dus een heilig moeten achter. Een verhaal, van schetsen tot schilderij, dat moet worden verteld in het hier-en-nu?

‘Dat is per project verschillend. Series, zoals bijvoorbeeld van de mannen in bootjes kun je een heilig moeten noemen. Ik ga uitzoeken of ik in- of uit wil zoomen. Dat is een spel, en zo begint het soms. Het is heel duidelijk waar ik dan heen wil. Ik begin nooit als ik geen idee heb, en dat leer ik mijn studenten ook. Wees goed voorbereid. Onderweg zie je dan wat buiten je plan valt. Dát te ontdekken, is van een grootse schoonheid. De kwaliteiten zijn er al of ontstaan gaandeweg.’

Drie roeiers, 2017. Foto: Edo Kuipers

Zit er ook een schoonheidsbeleving in de manier waarop de tien mannen, de serie Minje, in Amstelveen is opgehangen? De tien mannen als in een wolk, de tekeningen strak in het gelid. Of is dat een vorm van dialectiek?

‘Dat is een interessante vraag. Chaos heeft behoefte aan mathematiek en logica, maar ook dat is een schoonheidsbeleving. En vergeet niet, dat ik ook van smerigheid hou. Kijk maar naar dit schilderij van een vrouw [dat staat tegen de muur bij het tafeltje waar we zitten, EvS]. De ultramarijne accenten gaan gloeien tegen de “vuile” kleuren eromheen. Het krukje is zelfs alleen met houtskool getekend. Ik ben geen denker in de zin van een filosoof, maar wél op zo’n manier. De kleurkwaliteiten gaan samen. Het een kan niet zonder elkaar.’

De toekomst tegemoet

De serie Na het paradijs gaat zowel over het verleden (het land dat een man met een koffer achter moest laten, gelijk Adam en Eva het paradijs achter zich moesten laten) en de toekomst die hij in zijn andere hand draagt: plastic tassen van een dure winkel. Zit daar ook een Bijbelse laag onder, van verwachting?

‘Daar laat ik me niet over uit. Het is als een bandje waarin ik als puber speelde, en dat een en al somberheid uitstraalde. Het is verontrustend. Ik wil me niet uitspreken, omdat ik dat aan de kijker overlaat. Het gaat mij niet aan. Ik geloof wel in iets, en dat is schoonheid. Dat is tegelijk ook troostrijk. Ja, het is ook een Bijbels thema. Denk aan het fresco De verdrijving uit de Hof van Eden van Masaccio in Florence. Ik zal alleen de namen Adam en Eva en bootvluchtelingen niet in de mond nemen. Ik ben bezig met het moment, van het verleden vandaan, zoals die roeiers alles achter zich laten, omdat zij er met de rug naartoe zitten. Dát roert mij: de weg ernaartoe, niet ervan af.’

Man met koffer, 2017. Foto: Edo Kuipers

Dit doet mij denken aan je schilderij Ophelia. Dat is eigenlijk de vraag: to be or not to be, leven of dood. Is er twijfel ingeslopen, of kwetsbaarheid?

‘Kwetsbaarheid. De rest laat ik ook hier open. Is het somber, is ‘t het einde? Of is het heling, een bad? Het doek is geïnspireerd op het beroemde negentiende-eeuwse schilderij van Millais [Drukker wijst mij op een ansichtkaart ervan, die op de muur is geprikt]. De kijker mag het invullen. De kijker mag véél invullen.’

We zouden nog terugkomen op die ‘horizonversmelting’ van het begin, op het verdwijnpunt zoals jij het schilderkunstig vertaalde.

‘Ja. Ik ben nu bezig een muurschildering in Rotterdam voor te bereiden. Het komt binnen in een gebouw van Maaskant. Daarop komen enkele afbeeldingen van arbeiders, die een dakspant opduwen. Het is ontleend aan een dakspant in de Laurenskerk in Rotterdam. Er zit een horizon in, want alles heeft een horizon.’

Eerst kruipt Sam Drukker over de grond, om de schetsen en foto’s van dat verloren gegane dakspant in de Laurenskerk te laten zien. Daarna staat hij op en blijft, als de docent die hij ook is, staan:

‘Ik moet het hebben van vorm, toon, kleur, beweging. Dat is de formele kant van mijn werk. Dan komen de schimmetjes en de betekenis erin terug. Maar veel complexer en meer gelaagd dan op het moment dat iemand mijn atelier binnenstapt, want dan heb ik mijn vooroordelen net als iedereen klaar. Die zijn grof en globaal. Daar heb je als schilder niets aan. Ik heb nu eenmaal geen tube “introvert”. Een mens is veel meer dan dat. In een mens valt alles samen. Net als in die “horizonversmelting” van jou.’

 

Boeken / Non-fictie

Kunst als maatschappelijke spiegel

recensie: Dialoog over kunst en politiek - Édouard Louis & Ken Loach
Molecule ManUnsplash license https://unsplash.com/photos/Regf9o7r_ZM

In 2019 gingen de Franse schrijver Édouard Louis en de Engelse cineast Ken Loach voor de Arabische zender Al Jazeera met elkaar in gesprek. Dialoog over kunst en politiek is een transcriptie van deze boeiende uitwisseling tussen twee sterk geëngageerde kunstenaars.

Loach maakt al decennialang films over sociaal onrecht. In zijn werken staan vaak gewone mensen uit lagere sociale klassen centraal. Zijn laatste film, Sorry we missed you, maakte veel los over de erbarmelijke werkomstandigheden van pakketbezorgers. Als schijnzelfstandigen werken de bezorgers zich een slag in de rondte voor een hongerloontje, zonder de sociale zekerheid die arbeiders in loondienst wel hebben. Louis debuteerde op twintigjarige leeftijd met Weg met Eddy Bellegueule, een autobiografisch werk waarin hij afrekent met zijn conservatieve arbeidersafkomst waarin geen plek was voor zijn homoseksualiteit. Zijn Ze hebben mijn vader vermoord is onlangs door Ivo van Hove bewerkt tot monoloog en wordt vertolkt door Hans Kesting.

Dubbel geweld

Louis rekent het de Franse staat aan dat hij geen vader meer heeft. Op zijn vijfendertigste raakte zijn vader arbeidsongeschikt doordat hij een zware kabel op zijn rug kreeg in de fabriek waar hij werkte. Hij kreeg een uitkering, totdat de voorwaarden werden aangescherpt en hij plotseling niet meer in aanmerking kwam. Ondanks zijn kapotte rug, werd Louis’ vader gedwongen weer te gaan werken, wat hij met zijn leven heeft moeten bekopen.

Dergelijk overheidsgeweld – het afschaffen van sociale bijstand en het toestaan van erbarmelijke arbeidsomstandigheden – is niet het enige geweld waartoe de overheid in staat is. Volgens Louis is er sprake van ‘dubbel geweld’, waarbij hij ook problematieken als alcoholmisbruik en huiselijk geweld meerekent als directe gevolgen van wanbeleid.

Klassiek versus nieuw socialisme

Louis en Loach vullen elkaar goed aan. Beiden zijn sterk geëngageerde kunstenaars die met hun werken maatschappelijke verandering willen teweegbrengen. Toch leggen de twee andere zwaartepunten in de sociale strijd die ze voeren. Loach is een old school socialist die gelooft in de kracht van de gemeenschap, vertegenwoordiging via de vakbond en verheffing door zinvol en eerlijk werk. Louis daarentegen constateert dat arbeiderskringen vaak niet inclusief zijn en onveilig kunnen zijn voor minderheden als vrouwen en homoseksuelen. Het levert een interessant gesprek op, waarin de heren zeker niet tegenover elkaar staan, maar juist leren van elkaars perspectief.

Omdat het oorspronkelijke gesprek een klein uur duurde, kent Dialoog over kunst & politiek slechts 68 pagina’s. Het roept de vraag op wat de exacte meerwaarde is van de transcriptie ten opzichte van de originele uitzending, die in z’n geheel op YouTube staat. Natuurlijk wordt er weer een nieuwe groep lezers bereikt. Maar bovenal smaakt de dialoog naar meer. De heren zijn immers nog lang niet uitgepraat na de laatste pagina van dit flinterdunne boekje.

Boeken / Non-fictie

Aangename alternatieve dwarsdoorsnede

recensie: Edwin Hofman – Avonturiers van de Nederpop

Boeken over Nederpop zijn er de afgelopen jaren nogal wat verschenen. Maar in Avonturiers van de Nederpop (2020) duikt Edwin Hofman in de alternatieve popmuziek en laat hij vooral de artiesten zelf het woord doen. In drieëntwintig hoofdstukken leren we veel over de laatste decennia van de alternatieve scene.

Het fijne van dit boek is dat – ook al heb je de alternatieve popmuziek van ons land best aardig in beeld – je wellicht altijd wel één of meerdere kopstukken gaat tegenkomen die je nog niet kende of waarbij je verrast wordt door de context waarin de muzikant het schreef.

Web-auteur wordt boekschrijver

Schrijver Edwin Hofman zal voor veel lezers van websites, waarop alternatieve muziek de aandacht krijgt, geen onbekende zijn. Zo is hij al sinds 2011 verbonden aan Written in Music, maar heeft hij ook aan 8WEEKLY zijn steentje bijgedragen, bijvoorbeeld met deze recensie over Paul Weller. Met Avonturiers van de Nederpop – veertig jaar eigenzinnige Nederlandse popmuziek treedt hij toe tot de auteurs met een boek op hun naam. Als tweede ondertitel kreeg het boek Van Hallo Venray tot Adieu, Sweet Bahnhof: een bijzondere woordgrap om van een bandnaam tot een liedje te gaan. Dat laatste liedje is natuurlijk van The Nits. Het boek maakt trouwens deel uit van een serie boeken van dezelfde uitgever. Een serie die verder geen naam, maar wel steeds muziek als rode draad heeft gekregen. Hoe dat precies zit, ging 8WEEKLY zelf vragen aan Edwin Hofman, net zoals hij met de klassiekers van de alternatieve Nederpop in gesprek ging.

In gesprek met Edwin Hofman

Edwin Hofman was een korte periode als eindredacteur actief bij 8WEEKLY en schrijft inmiddels zo’n tien jaar voor de site Written in Music. “Ik schreef af en toe voor lokale kranten, tijdschriften en het magazine Smilin’ Ears, en wilde als bekroning een boek uitbrengen. Toen ik tachtig procent van dit boek had geschreven, over uitdagende ontmoetingen met kopstukken uit de alternatieve Nederpop, ging ik op zoek naar een uitgever en vond onderdak bij deze kleine uitgever: kleine Uil. Gelukkig kreeg ik redelijk de vrije hand om het boek te voltooien, maar ik moest wel onder de driehonderd bladzijden blijven. Daarom werd het geen canon van de alternatieve Nederpop, maar een deel in de bestaande reeks over popmuziek van deze uitgever. Naast tekst herbergt het boek ook mooie portretten en albumhoezen die de verhalen verluchten waar vooral de muzikanten aan het woord zijn”, vertelt Hofman. “Het clearen van de rechten van de foto’s was een proces op zich! Maar het was het waard; het maakt mijn boek zeker sprekender.”

De titel van het boek doet je afvragen hoe de ‘avonturiers’ geselecteerd werden. “Zo’n keuze is altijd voor discussie vatbaar. Mijn uitgangspunt was vooral om de gitaargeoriënteerde bandleiders te spreken die vandaag de dag ook nog actief zijn in de muziek. Met de wetenschap dat ik geen canon zou schrijven en de omvang onder de driehonderd pagina’s moest blijven, heb ik deze keuze gemaakt. Om sommige namen kan je gewoon niet heen, zoals The Nits en Robert Jan Stips natuurlijk. Doordat ik tijdelijk minder ben gaan werken vond ik ook de tijd om dit boek te voltooien in beperkte tijd. Terugkijkend had ik Gruppo Sportivo, Mecano en Pip Blom ook nog een plaatsje willen geven, maar de lijst zou nog veel langer kunnen zijn. Nu het boek een tijdje uit is, mag ik niet klagen over de publieke aandacht, waardoor de eerste oplage van het boek inmiddels is verkocht. Nu is het hopen dat het boek ook nog een tijdje mag prijken op de tafels bij de boekhandels, nu de feestdagen in zicht komen.”

Actievelingen in de alternatieve Nederpop

Het boek neemt de lezer mee in een tocht door de alternatieve popscene van de afgelopen vijftig jaar. Robert Jan Stips maakte daarbij de langste tocht door de Nederpop en is ook nog steeds actief, alive and kicking net zoals alle andere artiesten die in het boek aan het woord komen! Alle hoofdstukken hebben als gemene deler dat vooral de artiest en niet de interviewer aan het woord is. De vragen zijn subtiel verwoord in een inleidende zin van een paragraaf zonder dat het als vraag klinkt. Het boek leest als een verzameling muzikale tochten van artiesten, die vooral gedreven zijn om zich muzikaal te uiten zonder zich zorgen te maken of er wel een betalend publiek is voor hun kunstuitingen. Die drijfveer heeft de alternatieve Nederpop in zijn algemeenheid gevormd. Dat wil niet zeggen dat we hier louter muzikanten te horen krijgen die aan de rand van de samenleving moeten leven, omdat muzikant zijn in een klein land ook een klein publiek trekt. Sommige bands zijn succesvol geweest of zijn dat nog. Deze muzikanten, die vooral als credo hebben om muziek te maken die spreekt vanuit het hart, beleven zelden de waardering van het grote publiek. En als ze dat al wel beleven en zich verder ontwikkelen, raken ze net zo makkelijk die publieke aandacht weer kwijt, omdat het grote publiek eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde wil.

Hofman heeft een boek geschreven dat de muziekliefhebber zal bekoren. Het is geen boek om in één adem uit te lezen. Wel word je gedreven om elk hoofdstuk in één teug te lezen. Vervolgens nodigt het je uit om de muziek te luisteren. Gelukkig zijn er moderne media om die muziek te laten klinken, want een cd zit niet bij dit boek. Voor iedere Nederpopliefhebber van het alternatieve genre valt er veel te genieten bij het lezen van deze verhalen, die een fraaie dwarsdoorsnede geven van dit onderbelichte deel van de Nederpop!

Boeken / Interview
special: Interview met Bart van Loo over zijn nieuwe boek: De Bourgondiërs

“Tijdens het schrijven werd ik weer ik die 14-jarige knaap die gefascineerd naar de dode Karel de Stoute in de sneeuw zat te kijken.”

Bart Van Loo heeft er een slopende lezingen- en interviewreeks in Vlaanderen en Nederland opzitten. De verteller is zichtbaar uitgeteld, maar – gelukkig voor ons – niet uitverteld: het duurt het niet lang voor hij weer gloedvol en opverend vertelt over ‘zijn’ Bourgondiërs. Het onderwerp ligt hem nu eenmaal na aan het hart: zijn vrouw is Bourgondisch, hun dochter bijgevolg Vlaams-Bourgondisch. “Maar toch heb ik dit boek in de eerste plaats voor mezelf geschreven.”

Een pil van ruim 600 pagina’s over de geschiedenis van de Bourgondiërs: op voorhand moet het als commerciële zelfmoord hebben geklonken, maar de teller staat vandaag op bijna 65.000 verkochte exemplaren in 2,5 maand. Hoe verklaar je dat succes?

“Het boek is mooi gelanceerd geworden in De Wereld Draait Door en De Afspraak, er zijn meteen heel veel 4- en 5-sterrenrecensies gekomen en er is de 8-delige podcast die ik voor radiozender Klara maakte. Dat zijn concrete aanleidingen, maar die verklaren de stormloop in Vlaanderen en Nederland natuurlijk niet. Als we wat dieper graven, denk ik dat het een kwestie van identiteit is. Zeker in deze verbrokkelde, complexe tijden van migratie, Brexit, Marrakech-akkoord … stellen mensen zich de vraag: wie zijn wij eigenlijk? Waar komen wij vandaan? Misschien is het in die context dan interessant wanneer iemand besluit om – zonder enige ideologische bedoelingen – dat verhaal te vertellen. Hebben wij een collectieve identiteit? En zo, hoe is die ontstaan? En ik heb vastgesteld dat we daarvoor naar de Bourgondiërs moesten kijken. Vandaar ook de ondertitel Aartsvaders van de Lage Landen. Maar is het echt de verklaring voor het succes? Ik weet het niet, want dat identitaire zit niet expliciet in het boek. Dat zou ook averechts werken. Zij die trouwens op zoek zijn naar een specifiek Vlaamse identiteit zullen al meteen vaststellen dat Limburg en Brabant nu tot Vlaanderen behoren, maar in de middeleeuwen helemaal niet. De Lage Landen zijn een samenraapsel van identiteiten, die de Bourgondische hertogen staatkundig, juridisch, militair, monetair en artistiek hebben samengebracht. Wat ik eigenlijk vooral wilde aantonen, was dat onze geschiedenis niét begint bij de val van Antwerpen of bij Willem van Oranje, maar veel eerder. Iets wat we nooit op school hebben geleerd.”

Hoe ben je eigenlijk aan dit titanenwerk begonnen?

“Ik trek bij wijze van spreken aan een touwtje en stel dan vast wat daar allemaal aan vasthangt (haalt een denkbeeldige vislijn binnen). Jan Van Eyck staat midden in het verhaal van de Bourgondiërs als hofschilder van Filips de Goede. Jeanne d’Arc heeft er ook alles mee te maken en leefde gelijktijdig met Van Eyck. Het begin van de boekdrukkunst, dat was in de tijd van Karel de Stoute. Het ontstaan van de huiskapellen, de groeispurt van het ego … Allemaal dingen die mij uitermate boeien en die ik in één boek kon verwerken. Ik heb het dus eigenlijk in de eerste plaats voor mezelf geschreven, waarbij ik terug die 14-jarige knaap werd die gefascineerd naar het prentje van de dode Karel de Stoute in de sneeuw keek. Nu, ik moest dit boek ook voor mezelf schrijven, anders had ik dit project nooit volgehouden.”

Je waagt je soms ver in je beschrijvingen: een feest dat een “welgemeende fuck you richting Engeland” was, een vrouw met “een voorhoofd als een erotisch voorsteven” … Nooit gedacht dat je hier niet mee zou wegkomen?

“Als verteller schud ik dergelijke beschrijvingen als het ware automatisch uit mijn mouw, ik voel aan dat ze nodig zijn om het verhaal tot leven te brengen. Net zoals ik graag vertrek van details en petites histoires om van daaruit breder te gaan. Zoals het feit dat er 200 eekhoorntjes werden verwerkt in een kostbare mantel. Of dat Filips de Goede zich wel naar de borst moet hebben gegrepen toen het Lam Gods werd onthuld. En die ‘welgemeende fuck you’? Tja, misschien is die op het randje, maar het overdreven feest dat werd gegeven kwam daar nu eenmaal op neer. Met één uitdrukking leg ik de hele internationale politiek uit. Toegegeven, het is een literaire vrijheid die echte academici zich wellicht niet kunnen veroorloven. Meer nog: de academische wereld heeft lang neergekeken op de histoire événementielle zoals ik ze bedrijf. Onlangs gaf professor Wim Blockmans evenwel toe dat historici net zo’n verhalen nodig hebben om buiten hun afgebakende vakgebied te geraken en het grote publiek te bereiken.”

In dat verband: een bevriend historicus gaf de kritiek dat academici al het veldwerk doen, waarna een verteller als jij er bij het grote publiek mee gaat scoren.

“Vanuit menselijk, psychologisch standpunt kan ik die reactie begrijpen. Anderzijds: ik heb vier jaar aan dit boek gewerkt zonder dat een of ander universiteit mij een loon uitbetaalde, wat best een grote commerciële gok van mij was, en er stapels en stapels boeken voor gelezen. Bovendien houdt niets die academici tegen om hetzelfde te doen. Ik zou dat zelfs toejuichen: laat ze hun kennis maar meeslepend ontsluiten. Maar voor mij is geschiedschrijving geen wedstrijd, voor mij komt het neer op verhalen vertellen en die koppelen aan historisch inzicht. En ik heb dat alleen kunnen doen omdat ik op de robuuste schouders van echte historici stond. Die spanning tussen academische en populaire geschiedschrijving vind ik trouwens heel boeiend, op 1 juni vindt er naar aanleiding van mijn boek zelfs een debatnamiddag over plaats aan de UGent.”

Over populair gesproken: ik las in een recensie dat je boek zich uitstekend zou lenen tot een televisiereeks à la The Crown. Zet je dat aan het dromen?

(enthousiast) “O ja, geweldig! Zij het dat iemand anders het zal moeten doen, want daar begin ik niet aan. Maar beeld je eens in: Jeremy Irons als de oude Filips de Goede, of als Filips de Stoute die met zijn stofbril op weg is naar alweer een veldslag. En wat een mooi personage zou de Franse koning Karel VI zijn, die opeens krankzinnig wordt en op zijn gevolg begint in te hakken. Wat een rol! Die banketten, die riddertornooien, die veldslagen, die moordaanslagen … Het is allemaal zo episch en filmisch dat het zich heel goed zou lenen voor een serie. Zeker omdat er ook nog eens van die Shakespeareaanse elementen inzitten, zoals Filips de Goede en Filips de Stoute die elkaar als vader en zoon vreselijk in de haren konden vliegen. Of Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen, die in Brugge aan een willekeurige deur moet kloppen om aan de woedende menigte te ontsnappen en later de stad ontvlucht door de slotgracht over te zwemmen. Je ziet het toch zo voor je?”

Tot slot: al een idee wat hierna volgt?

“Eerst en vooral vakantie. Het is nodig, zoals je kan merken (lacht). Daarna zien we wel. Wie weet schrijf ik wel een sequel op De Bourgondiërs, waarbij de supranationale Lage Landen op het einde van de rit uiteenvallen. Dan heb ik de twee oerverhalen: het ontstaan en de scheuring. Alleen al de val van Antwerpen in 1585 is toch mateloos boeiend? Al die kunstenaars, bankiers en intelligentsia die massaal de stad verlieten en naar Amsterdam trokken, dat zijn Gouden Eeuw zag beginnen. Voor het tot dan altijd op kop lopende Vlaanderen een drama, voor Nederland een schitterende gebeurtenis. En dan kan je er de godsdienstoorlogen, Willem van Oranje, Pieter Brueghel, Jeroen Bosch … bij gaan betrekken. Maar nogmaals: ik zie wel of ik de adem vind om dat nogmaals op te brengen. Want het schrijven van De Bourgondiërs is gekkenwerk geweest. Echt crazy.”

Geniet dus maar des te harder van je dolce far niente!

Theater / Interview
special: ROTOR - Rushing Faces

Koen van der Heijden en Hidde Aans-Verkade over Rushing Faces

“Als je een omstander raakt… Dan heb je echt een heel groot probleem.” Rushing Faces is een performance city tour door de drukke binnenstad van Utrecht. Hoe ziet dat er uit? En hoe repeteer je dat? Steffen van Zundert sprak daarover met makers Koen van der Heijden en Hidde Aans-Verkade van performance collectief ROTOR. In samenwerking met DOX maakten zij Rushing Faces, een nieuwe performance in de publieke ruimte.

Rushing Faces is 30 en 31 maart te zien op Festival Tweetakt in Utrecht

Theater / Interview
special: BERG&BOS - In Vrede

Eva Line de Boer en Maurits van den Berg over ‘In Vrede’

Steffen van Zundert sprak regisseur Eva Line de Boer en acteur Maurits van den Berg over de voorstelling In Vrede van BERG&BOS. In Vrede is een mozaïekvertelling over de littekens van de Tweede Wereldoorlog en hoe die ook nu nog van invloed zijn op onze samenleving.

 

Valentine
Muziek / Interview
special: Interview Robby Valentine
Valentine

Robby Valentine over gevoel, tegenslag, inspiratie en optreden.

We zitten in de thuisstudio van Robby Valentine. Een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk met de familieauto voor de deur. Beneden leert zijn dochter van zes breien. In een vitrinekast staan beeldjes van Queen en aan de muur hangt een iconische gitaar met het Love Symbol van Prince “Ken je ‘Let it go’ van de film Frozen,” vraag ik en hij lacht.

Robby: “Eigenlijk is het uit nood geboren dat ik zelf opneem. In Wisseloord was ik drieduizend gulden per dag kwijt, dat telt flink door als je er een maand zit. Ik had thuis met 16 sporen demo’s gemaakt die beter klonken. Toen dacht ik: dit ga ik niet meer doen. Voor mijn derde plaat had ik in 1995 een goede deal in Japan en ben ik direct mooie spullen gaan kopen. In basis staat hier nog dezelfde studio. Die mengtafel valt wel bijna uit elkaar van ellende, ik ben blij dat hij het tot het laatste nummer van de nieuwe plaat heeft volgehouden.”

“Ik voel me meer mezelf dan in een joggingoutfit”

Robby Valentine Fotosessie The Alliance

Foto: Hans van Eijsden

Het contrast tussen de uitstraling van Robby Valentine op het podium (waarbij windkanonnen, lange haren en make-up een grote rol spelen) en de eerder wat introverte man die voor me zit, is groot. Ik vraag me af of hij zich anders voelt als hij de kleding van Valentine aandoet: “Ik voel me eigenlijk meer mezelf als ik met de muziek bezig ben, dan als ik bijvoorbeeld in mijn joggingoutfit op straat loop. Dat vind ik veel minder ik.”

Het valt me op dat Robby Valentine zich in bijna alles laat leiden door zijn gevoel. Of hij het nu heeft over de keuze voor de school voor zijn dochter of als hij praat hoe hij inspiratie krijgt voor zijn muziek. Het gezin woonde in Almere: “Ik was geen zwever, en daar ben ik het een beetje geworden. Als je inspiratie zoekt dan roep je het goddelijke aan, maar het leek wel of dat daar helemaal was afgesloten.”

“Je bent hartstikke bezorgd. Dan keer je naar binnen.”

De inspiratie kwam na de verhuizing naar West-Friesland waar het noodlot toesloeg. Zijn ene oog was al aangetast door glaucoom waardoor hij door een koker kijkt. Zijn andere oog kreeg met een aantal infecties te maken waardoor er littekenweefsel ontstond en hij enkel licht en donker kan onderscheiden. “Ik heb er aan moeten wennen, autorijden kan niet meer. Ik prijs me gelukkig dat ik in ieder geval nog wat kan zien. Voordeel is wel, de jaren ervoor kwam er geen fatsoenlijk idee uit. Tijdens die oogontsteking lag ik de hele dag op bed en was ik ook echt ziek. Je probeert je koest te houden, maar eigenlijk ben je hartstikke bezorgd. Dan keer je naar binnen en ineens had ik de helft van de nieuwe plaat in mijn hoofd zitten.”

Hoewel hij met enige regelmaat een platendeal krijgt en daarmee ook zijn platen regulier op de markt verschijnen, is Valentine volledig onafhankelijk in zijn werk. Hij neemt zijn platen in eigen beheer op en brengt ze zelf uit. “Ik sluit nooit compromissen. Ik wil muziek maken zoals ik voel dat het moet zijn, totaal niet berekenend. Maar bij platenmaatschappijen, was er altijd wel iets. Het begon met mijn imago. Daar moest over geouwehoerd worden, dat was een continue strijd. Ik werd er erg ongelukkig van. Ik denk ook dat grote bedrijven waar ook ter wereld het tegenovergestelde zijn van creatieve geesten. Je werk wordt dan business. Hoe kan je als creatief en artistiek persoon in godsnaam een product zijn? Je ziet ook veel wereldsterren waarvan ik me afvraag of ze in de greep van de commercie gelukkig zijn. Ze worden helemaal uitgewrongen.“

“Gaaf gevoel als iedereen meeblèrd”

Voor die nieuwe plaat The Alliance loopt een succesvolle crowdfundingcampagne en langzaam licht Valentine tipjes van de sluier op. “Heel veel nummers hebben een hoog meezinggehalte. Er zitten veel unisono-koren in, waardoor ik met die nummers een eenheid kan worden met het publiek. Bij het nummer ‘Black Rain’ vind ik het zo’n gaaf gevoel als iedereen meeblèrd. Dat vind ik het mooiste aan muziek, dat je een eenheid wordt met het publiek.”

Robby Valentine Fotosessie The Alliance

Foto: Hans van Eijsden

Valentine (inmiddels 49) lijkt met de nieuwe plaat meer dan ooit voor een eigen weg te kiezen waarbij hij melodieën met Turkse invloeden heeft toegevoegd. “Vroeger was ik beledigd als ze constant zeiden dat het te veel op Queen leek, terwijl Queen eigenlijk weer op The Sweet lijkt. Nu denk ik: ik vind het mooi, flikker op, ik maak gewoon wat ik mooi vind.”

Ondanks dat hij een perfectionist in de studio is, houdt hij het meest van optreden. “Het moment dat je alles gemixt hebt en het precies is zoals je het wilde, dat is het mooiste gevoel. Maar dat duurt maar even en daarna wordt het gevoel alleen maar minder. Er gaat niets op tegen het gevoel om met de band te spelen. Ik wil het dan wel zo goed mogelijk spelen, zoals het op de plaat klinkt. Met mijn huidige band kan dat. Ik stuur ze de nummers op en ze repeteren thuis. Gelukkig zijn ze nog meer perfectionistisch dan ik. Meestal hoeven we niet te repeteren en is een soundcheck genoeg.“

Tot slot vraag ik hem wat er van hem was geworden hij geen muzikant zou zijn. Hij lacht: “Toevallig keek ik net naar een interview met Prince waarin hem dezelfde vraag werd gesteld en hij gaf hetzelfde antwoord. Omdat ik niets anders leuk vind heb ik alles op alles gezet om muzikant te worden. Bij hem is het goed gelukt, en ach, ik kan er ook nog altijd van leven.”

 

Tim Treffers in Japan
Muziek / Interview
special: Interview met Utrechtse muzikant Tim Treffers
Tim Treffers in Japan

Rijzende zon voor muzikanten: het verhaal van Tim Treffers

Van eigen beheer naar een groot platenlabel, op grote posters in platenzaken, volle zaaltjes met een divers publiek en een aanhang van fans die met elk optreden groeit. Geen Nederlandse perikelen, maar een avontuur dat de Utrechtse muzikant Tim Treffers overkwam. 8WEEKLY sprak met Tim over zijn muzikale reis door Japan.

De zogenaamde Blue-eyed Soul (ook wel White Soul) waarin Tim zich begeeft, heeft in Nederland geen groot platform om zich te profileren. Het nogal specifieke genre maakt hier weinig kans tegen de populariteit van de overheersende massamuziek uit de Top 40. Sommige muzikanten zoeken daarom hun heil in het buitenland.

“Ik heb me nooit echt gefocust op bekend worden in Japan, tot meerdere andere artiesten (onder andere Hans Dulfer en Wouter Hamel) vertelden dat het genre waarin wij muziek maken daar veel populairder is dan hier. Destijds had ik één Japanse volger die ik benaderd had en mij vervolgens een lijst van platenlabels stuurde. Ik heb ze allemaal gemaild en mijn eerste album meegestuurd. Eén nachtje slapen later had ik al een reactie van een label dat enthousiast was. Opeens was het een mogelijkheid en vanaf toen ging het allemaal heel snel.”

Het zou nog een tijdje duren voordat Tim de reis daadwerkelijk kon maken. Er moest nog gekeken worden of het album echt marktwaarde in Japan kon hebben. Een erg spannende periode van ruim een maand, maar toen was daar het verlossend antwoord: ze geloven in Tim! De reis naar Japan kon gepland worden.

Land vol verrassingen en mogelijkheden

Uiteindelijk vloog Tim januari jongstleden naar het land van de rijzende zon, maar niet voordat hier een jaar aan voorbereiding in Japan aan vooraf ging. Zijn album moest daar opnieuw uitgegeven worden bij het platenlabel en er moest goed promotie gemaakt worden. Eén van die voorbereidingen was het opnemen van een duet en videoclip in Utrecht met Mimlus Naito Akiko, een Japanse artiest waarmee hij samen een duotour zou gaan doen.

“Mijn eigen begeleidingsband uit Nederland meenemen was te duur, dus heb ik met haar band gespeeld, allemaal conservatoriumstudenten. Er was maar één moment om samen te oefenen. De dag erna begon de reeks optredens.” En dat terwijl de taal nog een behoorlijke barrière vormde. De band spreekt geen Engels en alles moest vertaald worden door Akiko of de Nederlandse tourmanager. Op muzikaal vlak was er wel direct een klik. “We hebben allebei steeds drie kwartier gespeeld, met ons duet als slotstuk. Opmerkelijk was dat het publiek erg divers was; we spreken beiden een andere doelgroep aan die bij onze optredens samenkwamen. De tienermeisjes die voornamelijk voor Akiko kwamen, heb ik ook voor mij gewonnen. Achteraf heb ik veel handen geschud en cadeautjes gekregen. Ik werd er verlegen van.”

 

Albums Tim Treffers

Grote zalen en taferelen met gillende fans bleven uit. Logisch volgens Tim, want Japanners zijn van nature heel nederig en beleefd. Hoewel de zalen iets kleiner waren dan verwacht, treden de grotere artiesten ook in dergelijke live-houses op. “Er is geen tussenmaat, waardoor de zalen snel vol zitten. Het is dat, of gelijk het Tokyo-dome voor zo’n 30.000 man.” Op straat werd Tim niet echt herkend, maar er was wel de artiestfactor. Bij een grote platenzaak hing hij groot op de posters, was er veel promotie van zijn muziek in de winkel en er werd een interview gedaan bij een radiozender in Tokyo. “Ik heb het gevoel dat ik belangrijk was en echt iets gedaan heb om daar aan bij te dragen. Daarbij heb ik veel nieuwe fans uit andere doelgroepen erbij. Zij kopen de platen en staan vooraan bij optredens.”

Geïnspireerd en gemotiveerd

Zijn reis naar Japan is een mooie springplank voor de toekomst. Er is nu een uitgewerkt verhaal, maar de muziek moet het gaan overnemen om het balletje te laten rollen. “Daar ben ik hard voor aan het werk. Er zijn regelmatig tegenslagen, maar je moet niet te snel opgeven. Dat zijn de momenten waarop je moet doorgaan. Elke muzikant loopt er tegenaan. Anderen zeggen: ‘Je hebt Japan, de rest heb je niet meer nodig’. Nederland wordt nu meer een uitdaging. Waarom niet?”

Het Japanse platenlabel gaat weer verder met promoten en Tim is in gesprek met contacten in Zuid-Korea voor een toekomstige tour in Azië. In Nederland gaat hij verder onder eigen beheer. “Mijn netwerk is nu groot genoeg om op door te bouwen en wordt steeds groter. Zolang er een stijgende lijn in zit, blijf ik er zelf in geloven en ga ik door!” Onlangs bracht Tim zijn tweede album Carnival of Life uit in zowel Nederland als Japan, opgenomen met top sessiemuzikanten. De recensies waren lovend. Toekomstplannen zijn er genoeg na het avontuur in Japan, ook voor nieuw materiaal. Tim is enorm gemotiveerd en ambitieus. Dat geeft nieuwe energie. Vanaf september gaat hij met zijn Nederlandse band touren. Houd deze blue-eyed boy in de gaten!

 

Boeken / Interview
special: Interview met Denker des Vaderlands René ten Bos over zijn nieuwste boek 'Dwalen in het antropoceen'

‘Verdwalen is een kunst’

‘René is even nieuwe schoenen kopen!’, zegt zijn vrouw die in de deuropening staat. De kakelverse Denker des Vaderlands René ten Bos, geïnaugureerd op 21 april jongstleden, woont in een karakteristiek oud pand in een gezellige straat in Nijmegen-Oost. Een paar minuten later komt hij aangefietst, mét nieuwe cowboylaarzen. Zwart, of in ieder geval donker, wat niet helemaal bij hem past. Kleuren en opvallende leersoorten zijn meer zijn ding, maar ach. Er moet een bijzondere voordracht gehouden worden op de universiteit, in toga, en dit is toch iets netter. Het is warm, een eerste zomerdag, dus we gaan in de tuin achter het huis zitten. Hij met een glas limonade, ik met een glas thee.

Waarom ben je ooit filosofie gaan studeren?

‘Tsja, dat moet je eigenlijk iemand vragen die twintig is, zo helder staat mij dat niet meer voor ogen. Maar ik heb altijd iets met filosofie gehad, al van kinds af aan, om allerlei redenen. Al heel snel bleek dat het enige wat ik echt goed kan niet zozeer met handen te maken heeft maar met woorden. Eerst probeerde ik dichter te worden, wat ik veel leuker had gevonden. Dat lukte niet, dus toen werd het maar filosofie. Maar ik gebruik wel veel poëzie in alles wat ik doe. Ik weet wel dat ik het vroeger toen ik op de sociale academie zat al heel leuk vond om met filosofische namen te strooien, dus dat bracht ook een zekere ijdelheid met zich mee. Ik heb er wel lang over gedaan om filosofie te gaan studeren omdat ik nooit naar een universiteit wilde, ik was bijna 22 toen ik het echt ging doen.’

Ben je vernoemd naar de beroemde filosoof René Descartes?

‘Mijn ouders hadden geen enkel idee van wat filosofie was, laat staan dat ze ooit van de namen René Descartes, Plato of Aristoteles gehoord hadden. Ze keken natuurlijk wel raar op toen er langzamerhand boeken van dit soort figuren het huis binnenkwamen. Eerst via de gemeentelijke bibliotheek en later via boekhandel Broekhuis in Hengelo. Vooral Nietzsche en Kierkegaard vond ik leuk, daar had ik snel veel boeken van. Een groot deel van mijn zakgeld ging op aan dat soort boeken. Vooral Nederlandse vertalingen van Pé Hawinkels, en later begon ik ook Duits en Frans te lezen, omdat je boeken in die talen veel goedkoper kon bestellen en omdat niet alles vertaald was. Soms moest je wel drie maanden op zo’n boek wachten. Dat bestelde je dan en na drie maanden vol gespannen afwachting kwam dan Also sprach Zarathustra binnen, dat was heel leuk.’

Zijn er filosofen die overgewaardeerd zijn?

‘Ja dat is de meeste filosofie, maar goed je moet ook altijd je vijand lezen, want die laat je zien waar je eigen denken zwak is of bekritiseerd kan worden. Ik heb niet veel met Immanuel Kant of Descartes, dat zijn voor mij geen grote helden maar juist de grote problemen.’

Zijn filosofen nodig of nuttig in de maatschappij?

‘Nee natuurlijk niet. Verzorgers, stratenmakers en vuilnisophaaldiensten zijn nodig. Als filosofen nodig zouden zijn dan zijn het geen filosofen meer, dan worden het politici of bewakers of koningen, zoals bij Plato. Dat zou je niet moeten willen. Filosofie teert op onnut. Dat maakt het enerzijds heel irritant, maar anderzijds geeft dat precies de vrijheid die nodig is om af en toe dat wat nodig is van commentaar te voorzien. Of dat nuttig is moet iedereen zelf maar weten, maar ik geloof niet zo in het nut van de filosofie. Een filosoof probeert veeleer om hier en daar af en toe eens een juiste snaar te raken of een discussie aan te zwengelen. Een boek te schrijven dat mensen raakt. Door concepten te bedenken die mensen aanspreken. Filosofie bedenkt metaforen, daarin verschilt ze niet veel van poëzie. Dat zie je ook bij Hans Blumenberg. Metaforen om de in zichzelf gekeerdheid van de werkelijkheid, van de werkelijkheid die er niet voor óns is, van geborgenheid te voorzien. Ik weet niet of filosofie troost is, zoals Alain de Botton zegt, maar de troost is er wel altijd bij geweest.’

Je nieuwste boek Dwalen in het antropoceen heb je in drie maanden geschreven. Liep je al lang rond met het idee dit boek te gaan schrijven?

‘Ja. Ik lees heel veel over dit thema en dacht al langer om dit boek te gaan schrijven, maar de aanleiding was een conferentie in Nijmegen over het thema. De twee grote filosofen Bernard Stiegler en Peter Sloterdijk maakten er daar zo’n onbedaarlijke puinzooi van dat ik dacht: ik ga maar eens even uitleggen hoe het allemaal in elkaar zit. Dat heb ik geprobeerd naar eer en geweten te doen, en dat is mij goed bevallen.’

Kun je in het kort uitleggen waar het boek over gaat?

‘Het antropoceen is een voorstel van wetenschappers om een nieuw geologisch tijdvak te introduceren. Dat heet het antropoceen omdat in dat tijdvak de mens (anthropos) als een nieuwe (kainos) factor als eerste soort in de geschiedenis van deze planeet invloed uitoefent op wat er gaande is. Het is dus een nieuw concept en er is discussie over of we het moeten omarmen. Het meest sceptisch hierover zijn de geologen, want volgens hen is de mens een verwaarloosbare entiteit op deze planeet. Een geologisch tijdvak noemen naar de mens is je reinste overmoed, arrogantie en onbescheidenheid. Ik kijk in het boek naar hoe andere wetenschappers daarover denken, met name de klimaatwetenschap en ecologie.

Als ik dat op een rijtje heb gezet kijk ik naar hoe filosofen erop gereageerd hebben. Die merken op dat de mens in dit tijdvak zich kenmerkt door desoriëntatie. We zijn de lijn der sterren kwijt en hebben te maken met een cascade aan catastrofes. Ieder weldenkend mens weet dat het heel erg is en dat er iets fundamenteel mis is met wat gebeurt op moeder aarde, maar niemand weet wat we eraan moeten doen. De een stelt snelle technocratische oplossingen voor, de ander zegt dat er niks aan de hand is. De derde zegt dat de oorzaak bij de veeteelt ligt, de vierde dat we allemaal vegetariër moeten worden, de vijfde zegt dat de schuld bij het kapitaal ligt. De zesde zegt dat de schuld bij de mannen ligt, wat ik een heel plausibele optie vind trouwens. Het zijn bijna allemaal mannen die deze kutzooi veroorzaken.

Daar komt bij: het is geen feest hè, het antropoceen is geen feestelijke tijd. We vieren wel een hoop feestjes, maar het wordt warmer, er verdwijnen eilandenrijken en steden zoals Calcutta en Jakarta zinken weg. De VN schat in dat het wereldwijde vluchtelingenprobleem vooral het gevolg is van klimaatverandering. Delen die vroeger goed bewoonbaar waren, zoals Soedan of Somalië, zijn dat niet meer. Het is een eindeloze reeks van ellende die op ons afkomt. Ik heb kinderen van jouw leeftijd, aan hen heb ik dit boek opgedragen, zij moeten ermee omgaan. Daarom hoop ik ook dat ik jonge mensen ergens raak met dit boek.’

Je zegt in je boek dat het probleem te groot is om een ethiek voor te bedenken. Wat bedoel je daarmee?

‘We hebben geen ethiek om problemen mee op te lossen. Ethiek moet ons in staat stellen om onszelf af en toe langs de morele meetlat te leggen en om te kijken of we dingen wel goed doen. Dat is vaak erg ingewikkeld. Ethiek lost geen problemen op, maar is zelf vaak een probleem. Moralisten hebben over het algemeen niet veel bijgedragen aan wereldvrede.’

Er zijn veel hedendaagse filosofen die dat wel willen doen, een nieuwe ethiek bedenken. Hoe kijk jij daar tegenaan?

‘Ik pleit niet voor een nieuwe ethiek. Dat gaat hem niet worden omdat we het toch niet eens worden. Ik ontken niet dat de mens een moreel wezen is, maar we krijgen toch geen eensluidende moraal, en ook geen moraal die de aarde in het middelpunt van de belangstelling zet. Het is heel moeilijk om morele affiniteit te voelen met iets wat je de planeet noemt, dat is een grote abstractie. Je kunt ook geen morele affiniteit voelen met de mensheid. De mens is een domme algemeenheid, zoals Marx ooit zei. Moraliteit werkt op nabijheid: ik zie dat jij pijn hebt en dan wil ik iets voor jou doen.

Het antropoceen vergt een ander soort denken, we moeten het van een andere ecologie hebben, een ecologie van gelijkwaardigheid. Ik besef dat dat heel moeilijk is. In mijn boek geef ik de metafoor van het lot van de Siberische tijger. Dat vind ik heel erg, maar het doet me minder dan de dood van mijn kinderen me zou doen. Dat is een van de moeilijkheden. De ontologische gelijkwaardigheid is goed, maar daar kun je geen ontologische moraal op baseren. Er is bijvoorbeeld de Voluntary Human Extinction Movement, die zegt dat we allemaal een pilletje moeten slikken en sterven om de planeet te redden. Maar dat is moeilijk uit te leggen aan kinderen van tien of twintig.’

Je hebt het over het verdwalen, dwalen in het antropoceen. Zou je kunnen zeggen dat dat een probleem is, dat we niet meer kunnen ronddwalen?

‘Het verdwalen is mijn metafoor voor het oriëntatieverlies dat er op dit moment is. De grote vraag is wat je moet doen als je verdwaald bent. Descartes denkt dat je een rechte lijn moet visualiseren en die moet aflopen, maar wie echt verdwaald is in een bos of woestijn weet dat je dat níet moet doen, omdat je dan in cirkels gaat lopen. Je moet eerder meanderen, maar eerst moet je maar gaan zitten. Wen maar aan die nieuwe omgeving en probeer die te doorgronden. Zijn er nog plekken waar je je thuis voel of krijg je mysterieuze boodschappen? Dat zijn elementen waar ik vertrouwen uit put. Hoe je om moet gaan met desoriëntatie is een thema in het boek. Verdwalen is een kunst, en daar kun je op een bepaalde manier mee omgaan. Dus niet zoals de wetenschap en de methodologie ons voorschrijven in een rechte lijn het bos uit, de weg volgen zonder omgevingsbewustzijn. Ik ben heel erg geïnteresseerd in hoe je op een andere manier naar je omgeving kunt kijken.’

Je zou dus misschien kunnen zeggen dat iedereen wel steeds aan het proberen is om die rechte lijn te trekken, door over oplossingen na te denken zonder zich daarbij open te stellen voor de omgeving.

‘Het grote gevaar is dat overheden in de verleiding komen om met snelle technocratische quick fixes te komen, zoals climate engineering. Er is een hele lange geschiedenis van climate engineering die op zijn zachtst gezegd ambivalent is geweest qua resultaat, en die op zijn hardst gezegd catastrofaal is geweest. Bijvoorbeeld met het verleggen van rivieren is veel geëxperimenteerd, met catastrofale gevolgen. Als je maatregelen neemt doe je dat in een complexe ecologische omgeving, waardoor je niet precies weet wat de effecten zullen zijn. Heel vaak is de remedie nog erger dan de kwaal. Alles wordt voorgesteld tegenwoordig, van het bedijken van de Beringzee tot het spuiten van aerosolen in de dampkring, maar niemand weet precies wat de consequenties daarvan zijn. Die kun je niet doorrekenen, dat is inherent aan ecosystemen die per definitie intransparant zijn. Dat is moeilijk in een tijd waarin politiek schreeuwt om transparantie. In mijn boek komt die onrust naar voren die ziet dat de politiek niet alleen de problemen niet aan kan, maar ook een fundamenteel verkeerde grondattitude heeft ten opzichte van dit soort problemen. Dat vind ik griezelig.’

Misschien is de kern van het probleem wel dat mensen altijd zo hebben gedacht. Dat ze problemen willen oplossen omdat ze denken zo’n systeem te kunnen begrijpen.

‘Dat heeft ook te maken met de onbenullige invloed van het optimisme. We moeten allemaal optimistisch zijn en weet ik veel wat. Ik word er langzamerhand een beetje droevig van. Ik denk dat ik steeds pessimistischer word over alle optimisten die er zijn. Pessimisme is in ieder geval nog gelardeerd met een stukje realisme, waardoor ik wat optimistischer ben over pessimisme dan over optimisme.’

Zou je niet kunnen zeggen dat de filosofie een grote bijdrage heeft geleverd aan het antropoceen? Ze is de mens gaan opdelen in lichaam en geest en dat heeft die versnippering voor een groot deel veroorzaakt.

‘Menselijk denken is zo sterk op zichzelf gericht geweest, zo reflexief geworden, dat het op een gegeven ogenblik een probleem is geworden. Een van de grote discussies die vandaag de dag gevoerd wordt gaat over al die humanitaire waarden als zelfreflectie, autonomie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Zijn dat nou wel de waarden die passen bij een tijd die vraagt om een andere ecologische of kosmologische houding? In het onderwijs is het centrale idee dat het belangrijkste wat we kinderen moeten bijbrengen het ‘zelf’ is. Ik denk dat dat misschien wel het probleem is. Het is een oud nietzscheaans punt. Volgens hem kwam het verderf van de filosofie met Socrates, die ervoor zorgde dat de mens over zichzelf ging nadenken. Dat moet je niet doen. Maar ja, nu hij echt een probleem is geworden kunnen we niet anders.’

Dit doet mij denken aan de Deep Ecology Movement van filosoof Arne Naess. Hoe staat jouw denken ten opzichte daarvan?

‘Veel van die Voluntary Human Extinction Movement beroept zich op Arne Naess. Dat wordt wel heel antihumanistisch. Ik ben ook zeker geen humanist, maar het is wel heel lastig. De gedachte is interessant, maar je moet ook altijd denken aan de politieke realiseerbaarheid ervan. Dat blijft een moeilijkheid. Je kan wel heel radicaal eco-dingen roepen, maar als mensen daar niet aan mee willen gaan doen… Wat is de beste manier om je te verzetten? Moet je er helemaal pontificaal tegenin gaan? Ik lees ze wel hoor, maar tegelijkertijd denk ik ook dat ze hun toon moeten matigen als ze er wat mee willen. Je moet het politiek verteerbaar maken en nu vind ik heel vaak dat soort extreme ecosofische exercities ontoegankelijk. En ze weten alles altijd zo zeker.’

Denken zij te radicaal in hun eigen hokje, zonder oog te hebben voor de omgeving?

‘Ik zou graag zien dat ook in dat denken een soort scepsis komt. Dat is de terughoudendheid die Hobbes bepleit in het sociale, die Serres bepleit met betrekking tot de natuur en die ik ook zou willen bepleiten met betrekking tot het denken. Dat komt niet omdat ik niet radicaal durf te denken, maar veel van die denkers denken zo erg dat hún denken gelijk heeft. Ik zie liever een denken dat er niet meer automatisch vanuit gaat dat het zelf gelijk heeft. Daar is de dark ecology van Timothy Morton zich veel beter van bewust. Daar zit een veel grotere scepsis in die voor mij veel waardevoller is. Die mist de deep ecology voor mij.

Ik weet ook niet of er toch een oplossing bedacht wordt. Ik pleit voor terughoudendheid, maar als die oplossing er wel komt zou dat fantastisch zijn. We mogen wel een beetje op de uitvindingskunst van de mens rekenen, maar moeten er tegelijkertijd sceptisch over zijn. We weten bijvoorbeeld nog maar heel weinig over klimaat. Ook daar geldt een fundamentele scepsis. We kunnen de aarde wel omarmen en zeggen dat we haar trouw moeten zijn, maar tegelijkertijd weten we nog maar zo weinig van die planeet waarop we zitten. Daarom is scepsis zo belangrijk.’

Je waarschuwt dus voor een teveel aan denken en voor een teveel aan doen. Wat is het juiste midden daartussen?

‘Niets, je moet geen midden zoeken. Je moet gewoon bij alles wat je bedenkt een fundamenteel sceptische grond houden. Ik hoop dat mensen denken en doen, maar het hoeft geen gulden midden te zijn. Het is voor mij meer het jezelf steeds afvragen of je wat je doet goed doet, en of je het wel zeker weet. Dus roekeloosheid in denken is meestal niet het verstandigste.’

Is dat wat jij altijd doet in jouw filosofie?

‘Dat probeer ik wel. Vandaar dat het boek ook eindigt in een grote verwarring. Dat komt ook omdat het mijn eigen state of mind over de issues behoorlijk goed weergeeft. Daarom zit er zo’n grote autobiografische factor in, omdat ik mijn eigen verwarring wil doorgeven. Als ik het boek schrijf ben ik in Siberië en geniet van de mooie oneindigheid enzo, maar intussen zit ik op één lijn.’

Zie je in het antropoceen een extra bijdrage van het kapitalistische systeem?

‘Het kapitalisme is zonder enige twijfel een groot probleem omdat het op geen enkele manier terughoudendheid aanmoedigt.’

Heb je zicht op andere systemen die makkelijker te combineren zouden zijn met de terughoudendheid?

‘Nee. Mensen denken heel vaak dat ik een klimaatfanaat ben ofzo, maar ik ben helemaal geen klimaatfanaat. Ook ben ik niet zo’n tegenstander van het kapitalisme. Ik weet dat gewoon niet. Ik zie dat kapitalisme als een object dat zo groot is dat je er af en toe hyper van wordt, een hyperobject, dat is ook een term van Timothy Morton. Het moedigt ons aan om ons verlangen te botvieren. Wij doen allemaal dingen die we willen terwijl we weten dat het voor de planeet niet goed is. Waarom doen we ze dan? Omdat we ze kunnen willen. Er is een enorme kloof tussen verlangen en behoefte. Het verlangen is veel groter dan de behoefte. Als je kunt proberen om dat wat te reduceren krijg je misschien wat meer terughoudendheid.’

Waarom heb je dit boek geschreven? Waarom meng je je in dit debat?

‘Ik meng me niet zozeer in het debat, daar ben ik altijd heel bescheiden over. Dat debat is er en ik ben gewoon filosoof, dus ik steek af en toe mijn neus in zaken waar ik me misschien niet mee moet bemoeien. Maar dit onderwerp past ook goed bij een hoofdthema in mijn werk, dat is transparantie. In alles wat ik schrijf gaat het over transparantie. Mijn boeken over water, over bureaucratie, over de natuur en over management gaan allemaal over hetzelfde hoofdthema. De ecologie die we nu hebben is intransparant. Dus ik heb ook een inhoudelijke interesse in het uitmelken van dit thema. Heraclitus zei: “De natuur houdt ervan zich te verbergen.” Maar nu verbergt die natuur zich niet altijd meer, die slaat terug. Stijging van de temperatuur en van de zeespiegel, steeds meer orkanen, ziektes die van dieren op mensen over gaan, ga zo maar door. In Stavoren is nu een muggenplaag. Er zijn miljoenen muggen, heel Stavoren zit in een zwerm. De hele stad is bedekt met gordijnen van miljoenen beestjes. Het is van korte duur en ze zorgen amper voor overlast, maar toch een beetje maf is het wel. Ik kan me dit soort verhalen toch niet herinneren van vroeger. Kortom, er is wel iets aan de hand denk ik dan. Maar het zijn alleen maar glimpjes die je van het grote ding krijgt.’

De limonade en de thee zijn op en René moet naar zijn volgende afspraak, in Utrecht, met de vertaalster van zijn managementboek. Wanneer ik opmerk dat hij een druk schema heeft zegt hij: ‘Dat klopt, ik ben weinig niet druk, maar ik lijd niet, dat is het belangrijkste, haha.’