Berichten

Boeken / Boeken / Boeken / Non-fictie
recensie: Volker Ullrich - Adolf Hitler: De jaren van ondergang 1939-1945

Führer hield het volk tot het einde in zijn ban

‘Als ooit een mens door successen is gegroeid, maar ook de gave bezat door successen te groeien, dan is het Hitler. De triomfzuil van het geluk verhief zich samen met hem, scherpte zijn blik en de draagwijdte van zijn stem. Pas met zijn successen heeft hij zich als persoonlijkheid ten volle ontplooid.’ Dit schreef Konrad Heiden al in 1937 over Hitler.

Hitler geldt als de belichaming van het kwaad en blijft daarom fascineren. De Duitse historicus Volker Ullrich (1943) komt in het tweede deel van zijn uitmuntend geschreven, maar door kleine zetfoutjes ontsierde biografie Adolf Hitler. De jaren van ondergang 1939-1945 met een aantal ontstellende conclusies.

Daderschap

Zo was de kring van daders van de Holocaust nóg groter dan tot nu toe werd aangenomen. Ullrich komt tot 200.000-250.000 Duitse en Oostenrijkse daders en miljoenen mensen die profijt hadden van de massamoord. Ook Ullrich heeft geen schriftelijk bevel van Hitler gevonden, dat als een soort startschot van het vernietigingsproces gefungeerd zou hebben.

De Jodenvervolging kreeg vorm door een ingewikkelde wisselwerking tussen het centrum in Berlijn en de in de periferie van de bezette gebieden opererende eenheden van de SS, de politie én de Wehrmacht. Ullrich stelt dat de Wehrmacht achter de frontlinie actief met de Einsatzgruppen samenwerkte. De naoorlogse mythe ‘wir haben es nicht gewusst’ was onzin. Iedereen in Duitsland wist van de Jodenvervolging.

Führerbindung

Ullrich reconstrueert nauwgezet Hitlers aandeel in de Endlösung. Steeds laat de auteur zien wanneer, hoe en met welk resultaat Hitler ingreep om het proces te versnellen. In die opzet is Ullrich zonder meer geslaagd. De Duitse historicus Peter Longerich noemde in zijn biografie Hitler (2015) de ongekende machtsmiddelen en handelingsvrijheid van de Führer dé beslissende factoren voor de Holocaust. Ullrich heeft meer oog voor zijn persoonlijkheid en het perspectief van de maatschappelijke geschiedenis van het Derde Rijk. Zonder die achtergrond is de steun voor de dictator niet te begrijpen.

Hitler was een hysterische man zonder empathisch vermogen. Met uitpuilende ogen en het schuim op de lippen kon hij generaals uitkafferen, terwijl zijn stemming enkele seconden later als een blad in de wind kon omslaan. Op de buitenwereld kwam deze borderline-achtige figuur, die altijd precies wist wat hij deed, gek genoeg bijzonder charismatisch over.

Tussen het volk en de leider ontstond een schier onverbrekelijke ‘Führerbindung’. Economische en militaire successen werden aan Hitler toegeschreven, terwijl tegenslagen op het bordje van zijn kliek terechtkwamen. Hitler was de ster aan het firmament om wie alles draaide. Voortdurend wedijverden zijn paladijnen om zijn gunst. Mondeling gegeven ‘Führerbevelen’ werden steevast op de radicaalste wijze geïnterpreteerd en uitgewerkt. Kershaw noemde dat de Führer ‘tegemoet werken’.

Eerste soldaat

Met het trauma van 1918 in zijn achterhoofd, koos Hitler in 1939 voor een vervroegde veroveringsoorlog. Daarbij hanteerde hij telkens een ‘va-banque strategie’. Als een volleerd acteur speelde Hitler verschillende rollen. Na de overwinning op Polen in oktober 1939 volgde een glorieuze intocht. Het ontbijt dat legerleider op het vliegveld had geregeld, weigerde Hitler. ‘Ik eet alleen uit de veldkeuken, staand met mijn soldaten.’

Door de razendsnelle verovering van West-Europa groeide Hitler in zijn rol als militair genie. Historici omschreven Hitler nadien als een dilettant. Destijds waren militairen oprecht onder de indruk van zijn omvangrijke feitenkennis en zijn vermogen om in grotere verbanden te denken.

Het besluit om Brauchitsch te ontslaan en zelf opperbevelhebber te worden was echter een kapitale blunder. Evenals Hitlers idee om een twee-frontenoorlog te riskeren door de Sovjet-Unie aan te vallen alleen om zo Engeland aan de onderhandelingstafel te krijgen. Daarmee onderschatte Hitler volledig de bereidheid van Churchill om alleen de strijd voort te zetten.

Medeplichtig

De vraag waarom de Duitsers de oorlog zo lang vol wisten te houden blijft actueel. Een uitspraak van Hitler uit januari 1940 naar aanleiding van de in Polen begaande misdaden spreekt boekdelen: ‘En hebben we gewonnen, wie vraagt ons dan nog naar de methode. We hebben hoe dan ook al zoveel op ons kerfstok dat we wel moeten winnen, want anders wordt ons hele volk uitgewist.’

Nadat het Duitse offensief in december 1941 voor de buitenwijken van Moskou vastliep, was een kans op een eindzege verkeken. Hitler wist dit als geen ander. Toch hield hij naar buiten toe de schijn van optimisme op. Met het uitroeien van de Joden maakten de nazi’s de Duitse bevolking medeplichtig en werden de laatste schepen verbrand. Volgens Ullrich is het definitieve besluit daartoe ergens halverwege december 1941 genomen.

Frederik de Grote

Na het keren van de oorlogskansen verdween Hitler uit de openbaarheid. Tot ongenoegen van zijn grootste fan, minister van Propaganda Goebbels. Hitler takelde lichamelijk razendsnel af. Niet door zijn vermeende drugsgebruik, zoals Norman Ohler onlangs betoogde. Voortdurende stress en gebrek aan zonlicht door het maandenlange verblijf in zijn ondergrondse ‘grafkamer’, deden de dictator de das om.

Begin 1945 speelde Hitler in de bunker zijn laatste hoofdrol: die van Frederik de Grote. Hij hoopte op net zo’n wonderbaarlijke omslag als in 1762, toen Pruisen door de plotselinge dood van tsarina Elisabeth werd gered. Hitler hield het geloof in een Houdini-achtige ontsnapping levend, terwijl hij heimelijk allang de moed had opgegeven. Zo kreeg het Derde Rijk de Götterdammerung die in een opera van zijn held Wagner niet zou hebben misstaan.

Reageer op dit artikel

Boeken / Boeken / Boeken / Non-fictie
recensie: Volker Ullrich - Adolf Hitler: De jaren van ondergang 1939-1945

Führer hield het volk tot het einde in zijn ban

‘Als ooit een mens door successen is gegroeid, maar ook de gave bezat door successen te groeien, dan is het Hitler. De triomfzuil van het geluk verhief zich samen met hem, scherpte zijn blik en de draagwijdte van zijn stem. Pas met zijn successen heeft hij zich als persoonlijkheid ten volle ontplooid.’ Dit schreef Konrad Heiden al in 1937 over Hitler.

Hitler geldt als de belichaming van het kwaad en blijft daarom fascineren. De Duitse historicus Volker Ullrich (1943) komt in het tweede deel van zijn uitmuntend geschreven, maar door kleine zetfoutjes ontsierde biografie Adolf Hitler. De jaren van ondergang 1939-1945 met een aantal ontstellende conclusies.

Daderschap

Zo was de kring van daders van de Holocaust nóg groter dan tot nu toe werd aangenomen. Ullrich komt tot 200.000-250.000 Duitse en Oostenrijkse daders en miljoenen mensen die profijt hadden van de massamoord. Ook Ullrich heeft geen schriftelijk bevel van Hitler gevonden, dat als een soort startschot van het vernietigingsproces gefungeerd zou hebben.

De Jodenvervolging kreeg vorm door een ingewikkelde wisselwerking tussen het centrum in Berlijn en de in de periferie van de bezette gebieden opererende eenheden van de SS, de politie én de Wehrmacht. Ullrich stelt dat de Wehrmacht achter de frontlinie actief met de Einsatzgruppen samenwerkte. De naoorlogse mythe ‘wir haben es nicht gewusst’ was onzin. Iedereen in Duitsland wist van de Jodenvervolging.

Führerbindung

Ullrich reconstrueert nauwgezet Hitlers aandeel in de Endlösung. Steeds laat de auteur zien wanneer, hoe en met welk resultaat Hitler ingreep om het proces te versnellen. In die opzet is Ullrich zonder meer geslaagd. De Duitse historicus Peter Longerich noemde in zijn biografie Hitler (2015) de ongekende machtsmiddelen en handelingsvrijheid van de Führer dé beslissende factoren voor de Holocaust. Ullrich heeft meer oog voor zijn persoonlijkheid en het perspectief van de maatschappelijke geschiedenis van het Derde Rijk. Zonder die achtergrond is de steun voor de dictator niet te begrijpen.

Hitler was een hysterische man zonder empathisch vermogen. Met uitpuilende ogen en het schuim op de lippen kon hij generaals uitkafferen, terwijl zijn stemming enkele seconden later als een blad in de wind kon omslaan. Op de buitenwereld kwam deze borderline-achtige figuur, die altijd precies wist wat hij deed, gek genoeg bijzonder charismatisch over.

Tussen het volk en de leider ontstond een schier onverbrekelijke ‘Führerbindung’. Economische en militaire successen werden aan Hitler toegeschreven, terwijl tegenslagen op het bordje van zijn kliek terechtkwamen. Hitler was de ster aan het firmament om wie alles draaide. Voortdurend wedijverden zijn paladijnen om zijn gunst. Mondeling gegeven ‘Führerbevelen’ werden steevast op de radicaalste wijze geïnterpreteerd en uitgewerkt. Kershaw noemde dat de Führer ‘tegemoet werken’.

Eerste soldaat

Met het trauma van 1918 in zijn achterhoofd, koos Hitler in 1939 voor een vervroegde veroveringsoorlog. Daarbij hanteerde hij telkens een ‘va-banque strategie’. Als een volleerd acteur speelde Hitler verschillende rollen. Na de overwinning op Polen in oktober 1939 volgde een glorieuze intocht. Het ontbijt dat legerleider op het vliegveld had geregeld, weigerde Hitler. ‘Ik eet alleen uit de veldkeuken, staand met mijn soldaten.’

Door de razendsnelle verovering van West-Europa groeide Hitler in zijn rol als militair genie. Historici omschreven Hitler nadien als een dilettant. Destijds waren militairen oprecht onder de indruk van zijn omvangrijke feitenkennis en zijn vermogen om in grotere verbanden te denken.

Het besluit om Brauchitsch te ontslaan en zelf opperbevelhebber te worden was echter een kapitale blunder. Evenals Hitlers idee om een twee-frontenoorlog te riskeren door de Sovjet-Unie aan te vallen alleen om zo Engeland aan de onderhandelingstafel te krijgen. Daarmee onderschatte Hitler volledig de bereidheid van Churchill om alleen de strijd voort te zetten.

Medeplichtig

De vraag waarom de Duitsers de oorlog zo lang vol wisten te houden blijft actueel. Een uitspraak van Hitler uit januari 1940 naar aanleiding van de in Polen begaande misdaden spreekt boekdelen: ‘En hebben we gewonnen, wie vraagt ons dan nog naar de methode. We hebben hoe dan ook al zoveel op ons kerfstok dat we wel moeten winnen, want anders wordt ons hele volk uitgewist.’

Nadat het Duitse offensief in december 1941 voor de buitenwijken van Moskou vastliep, was een kans op een eindzege verkeken. Hitler wist dit als geen ander. Toch hield hij naar buiten toe de schijn van optimisme op. Met het uitroeien van de Joden maakten de nazi’s de Duitse bevolking medeplichtig en werden de laatste schepen verbrand. Volgens Ullrich is het definitieve besluit daartoe ergens halverwege december 1941 genomen.

Frederik de Grote

Na het keren van de oorlogskansen verdween Hitler uit de openbaarheid. Tot ongenoegen van zijn grootste fan, minister van Propaganda Goebbels. Hitler takelde lichamelijk razendsnel af. Niet door zijn vermeende drugsgebruik, zoals Norman Ohler onlangs betoogde. Voortdurende stress en gebrek aan zonlicht door het maandenlange verblijf in zijn ondergrondse ‘grafkamer’, deden de dictator de das om.

Begin 1945 speelde Hitler in de bunker zijn laatste hoofdrol: die van Frederik de Grote. Hij hoopte op net zo’n wonderbaarlijke omslag als in 1762, toen Pruisen door de plotselinge dood van tsarina Elisabeth werd gered. Hitler hield het geloof in een Houdini-achtige ontsnapping levend, terwijl hij heimelijk allang de moed had opgegeven. Zo kreeg het Derde Rijk de Götterdammerung die in een opera van zijn held Wagner niet zou hebben misstaan.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Kun je gelukkig zijn zonder kinderen?

recensie: Liesbeth Smit - Echte vrouwen krijgen een kind

Veel Nederlandse vrouwen hebben een kinderwens. Niet voor iedereen komt die wens uit: 1 op de 5 vrouwen in Nederland krijgt geen kinderen, maar liefst 80% daarvan is ongewenst kinderloos. En dat is moeilijk in een samenleving met een groot geloof in maakbaarheid en een grote moederschapscultuur. Voor deze vrouwen schreef ervaringsdeskundige Liesbeth Smit een zelfhulpboek: Echte vrouwen krijgen een kind. 

Liesbeth Smit is historicus en journalist. Vanuit die hoedanigheid verwacht je een onderzoek naar (on)gewenste kinderloosheid in Nederland. Maar, om maar even met de kritische noot te beginnen, die verwachting komt slechts ten dele uit. Een groot deel van het boek is gewijd aan coaching: ze vertelt vanuit haar eigen ervaring hoe je om kunt gaan met het verliezen van je kinderwens. Heel nobel natuurlijk, maar ze beperkt hiermee wel haar lezerspubliek. Haar toon is namelijk moraliserend. Ze vertelt haar mede-lotgenoten hoe ze met hun verlies moeten omgaan, en tegen de rest van het land vertelt Smit welke dingen ze wel en niet tegen kindloze vrouwen mogen zeggen.

Kinderloosheid is er altijd geweest

Gelukkig bevat de rest van het boek genoeg interessants voor diegenen die niet geïnteresseerd zijn in een coach. Eerst maar eens de feiten: “kinderloosheid is er altijd geweest, en dat blijft ook zo. Dat is geen verwachting, dat is al lang een demografisch gegeven”. 1 op de 5 vrouwen heeft namelijk geen kinderen en dat cijfer is al onveranderlijk sinds 1990. 10% daarvan is bewust kinderloos, 10% door onvruchtbaarheid en 80% door een combinatie van persoonlijke factoren. Bijvoorbeeld doordat de relatie strandt als de vrouw begin dertig is, en het haar niet lukt om op tijd een nieuwe partner te vinden. Of een vrouw twijfelt heel lang en stelt haar carrière voorop, en wanneer ze eindelijk klaar is voor kinderen is het biologisch gezien al te laat. Dit wordt ook wel ‘sociale onvruchtbaarheid’ genoemd.

Het kan voor een vrouw heel moeilijk zijn om te accepteren dat ze geen kinderen kan krijgen. Enerzijds heeft dit te maken met een sterke verheerlijking van het moederschap in de Nederlandse cultuur. Hierover interviewt de auteur Rosemarie Buikema, hoogleraar Kunst, Cultuur en Diversiteit en hoofd van de onderzoeksgroep genderstudies aan de Universiteit Utrecht. Wanneer een vrouw moeder wordt, dan bevestigt ze daarmee haar genderspecifieke rol: “Door te voldoen aan dat vrouwbeeld blijft de vrouw op haar plek én wordt ze erom gewaardeerd dat ze zich niet bedreigend opstelt ten opzichte van de status quo.”

Daar komt nog bij dat we in onze geschiedenis maar weinig voorbeelden kennen van vrouwen die iets betekenden buiten de voortplanting om:

“De grote verhalen die richting gaven aan onze geschiedenis waren meestal verhalen die draaien om vaders en zonen. Daarbij werden conflicten in een lineaire, patriarchale lijn opgelost en hadden vrouwen geen andere rol dan ofwel het obstakel te zijn dat overwonnen moest worden, ofwel de prijs die de held te wachten stond om het nageslacht veilig te stellen.”

Dit sterke gevoel dat het krijgen van een kind de enige betekenisvolle ervaring zou zijn voor een vrouw, in combinatie met een sterk maakbaarheidsideaal, vormt een gemene cocktail, aldus Buikema:

“Los van het feit dat we door een historisch bepaalde verbeeldingsarmoede nog steeds te maken hebben met vrij klassieke ideeën over wat de rol van de vrouw is of zou moeten zijn, verwachten we tegelijkertijd ook van vrouwen dat ze gebruikmaken van alles wat de emancipatie te bieden heeft.”

Hoe richt je je leven in als je geen kinderen krijgt

Hier komt de centrale vraag van Echte vrouwen krijgen een kind boven water. Als je jong bent denk je dat je jouw leven kunt plannen en dat alles mogelijk is. Maar tegen de tijd dat je veertig bent kan dat dus vies tegenvallen. En hoe richt je je leven dan in, in een maatschappij die draait om moederschap? Wat voor betekenis geef je je leven dan? Smit: “De verwachtingen van onze huidige, westerse maakbaarheidscultus [kunnen voor] serieuze emotionele maar vaak verborgen problemen zorgen”.

Het niet waarmaken van verwachtingen leidt tot schaamte en dat kan leiden tot zelfhaat en agressie. Hiermee raakt Smit een serieus punt wat inderdaad vraagt om een ‘stille revolutie van de niet-moeder’, zoals de ondertitel van dit boek al stelt. De maakbaarheidscultus creëert gekke toestanden van vrouwen die de veertig naderen en de tijd voelen tikken, en er ineens alles aan doen om die kinderwens te vervullen. En dat is niet altijd het recept voor een gelukkig leven.

Geen recept voor een gelukkig leven

In korte monologen tussen de alinea’s door geeft Smit het woord aan vrouwen (en mannen) die rouwen om het verlies van hun kinderwens. Wat sterk is aan Smits betoog is dat ze ook vrouwen aan het woord laat die bewust geen kinderen willen, en vrouwen die wel kinderen hebben en juist daar spijt van hebben. De theorie van Rosemarie Buikema gecombineerd met deze persoonlijke verhalen geeft een compleet beeld van kinderloosheid in al haar facetten.

Wat na het lezen van Echte vrouwen krijgen een kind bijblijft is dat er geen eenduidig recept tot een gelukkig leven bestaat als het aankomt op het wel of niet krijgen van kinderen. Je kunt ongelukkig zijn met én zonder kinderen, maar andersom natuurlijk ook. En dat is uiteindelijk een prachtige boodschap.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Heimwee naar de verte

recensie: Han Lörzing - Grenskoorts

Han Lörzing laat in Grenskoorts zien hoe Europa er zo’n vijftig jaar geleden uitzag: enorme verschillen in welvaart en ideologie en vol met harde grenzen. Grenskoorts is (en leest als) een reisverslag dat lang na dato is opgetekend.

Planoloog en landschapsarchitect Han Lörzing (1946) schreef eerder twee boeken, allebei over ‘vroeger’. De Nederlandse geschiedenis wordt hierin vermengd met zijn persoonlijke geschiedenis. Zo ook Grenskoorts, geschreven aan de hand van dagboekaantekeningen die Lörzing optekende toen hij al liftend Europa doorreisde.

Reisdrang

Lörzing beschrijft hoe hij midden jaren zestig bezeten werd door een enorme reisdrang, geïnspireerd door On the road van Jack Kerouac. Zijn kaart van Europa wilde hij helemaal voltekenen: elk land moest bezocht worden. Hij was net student, had geen auto of rijbewijs maar wilde ook niet met de trein reizen. Niet avontuurlijk genoeg. Vliegen was veel te duur en bovendien zou hij dan een toerist worden, en daar gruwelde hij van. Hij was een reiziger en dus ging hij liften.

Hoe meer hoe liever

De kaart moest volgetekend worden dus Lörzing had geen tijd te verliezen. De titel Grenskoorts is erg goed gekozen, want de reisdrang van Lörzing is als een soort koorts die hem niet meer loslaat. Met grote vaart reist hij zo snel en vaak als mogelijk Europa door. Als hij een paar dagen op dezelfde plek blijft hangen is dat uitzonderlijk. Hij moet alsmaar dóór. Dat maakt het lezen van Grenskoorts soms bijna vermoeiend. Je hoopt als lezer oprecht dat Lörzing soms even uit zal rusten in het volgende oord op de kaart. Maar dat is vaak tevergeefs.

Liftersgeluk

Eigenlijk wilde Lörzing een boek schrijven over grenzen in het Europa van vroeger en nu. Uiteindelijk is het een reisverslag geworden. Wel één dat vijftig jaar na dato is opgeschreven. Dat merk je als lezer goed. Je kan door het schrijven heen voelen dat het geen directe ervaringen, maar opgehaalde herinneringen zijn die Lörzing nog altijd helder voor de geest staan. In die zin is het boek eerder een terugblik op de tijd van toen (wat in Lörzings straatje past gezien zijn eerdere boeken) dan een reisverslag. Het is duidelijk dat de oudere versie van de auteur in Grenskoorts samensmelt met zijn jongere versie. Dat doet overigens niks af aan het plezier dat je beleeft als je zijn verhalen leest.

Verhalen van vroeger

Die verhalen zijn soms ronduit spannend, zoals toen Lörzing in Marokko in het donker op een afgelegen plek iemand tegen kwam en op diens uitnodiging voor het avondeten inging. Of toen hij samen met een vriend op de grens van de Sovjet-Unie stond en hun Volkswagen-busje helemaal uit elkaar werd geschroefd. Ook grappig zijn de gedachten die terugkomen. Zoals wanneer de auteur in Spanje is en verbaasd kijkt naar de reclame die ze daar op tv uitzenden. In het Nederland van toen bestond dat nog niet! En wie had er verwacht dat in Marokko DAF bussen uit Eindhoven zouden rondrijden?

Harde grenzen

Wat het meest interessant is, zeker voor jonge lezers, is het feit dat Europa er in de jaren zestig zó anders uitzag. Nu rij je zonder te merken Polen of Slowakije binnen, iets wat destijds ondenkbaar was. Tussen alle landen lagen grenzen, zelfs tussen Nederland en België. Grenzen waar je moest stoppen dus, met douaniers die je spullen doorzochten en je paspoort bekeken. Dat maakte het bezoeken van een ander land meteen tot iets bijzonders en spannends. Elk land had naast zijn eigen grens ook zijn eigen eisen en regels voor bezoekers van buitenaf (bijvoorbeeld over de hoeveelheid geld die uitgegeven moest worden). Maar het meest opvallend is nog wel de grote verschillen tussen de landen op het vlak van bijvoorbeeld welvaart, ideologie maar ook ‘gewonere’ zaken zoals bijvoorbeeld eten.

Nog niet zo heel lang geleden was een Europees geheel nog lang niet zo vanzelfsprekend als vandaag de dag. Al is het maar de vraag hoe lang dit nog zo zal blijven. Bij het lezen van Grenskoorts kan een zeker gevoel van nostalgie ontstaan, maar tegelijk ook een gevoel van blijdschap, door de grotere mate van vrijheid die we in de tussentijd verkregen hebben. Grenskoorts doet je beseffen dat het Europa zoals we dat nu kennen erg uitzonderlijk is.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Het bijltje van Arends wordt steeds botter

recensie: Daniël Arends - Meer van hetzelfde (deel 1)

Een pleidooi voor de stilte, dat is waarom cabaretier Daniël Arends dit keer op het podium staat. Hoewel zijn intentie fraai is, is zijn voorstelling, met de ironische titel Meer van hetzelfde (deel 1), helaas niet het sterkste programma in zijn oeuvre geworden. 

De opkomst van Arends is ook dit keer ongebruikelijk; stond hij bij Carte Blanche al nonchalant te wachten op het podium, dit keer loopt hij een trap af die uitkomt op het toneel. Die trap blijft de gehele voorstelling belicht, wat ook iets lijkt te zeggen over Arends’ opvattingen van het leven zelf: probeer de dingen niet mooier te maken dan ze zijn, doe jezelf niet anders voor en er is niet zoiets als passie of obsessie nodig om bestaansrecht te claimen.

Het zijn dergelijke stelligheden die we gewend zijn van hem, die dit keer minder overtuigend klinken. Wellicht komt dat door zijn keuze om een verhaallijn aan te brengen die wat gekunsteld aandoet. Zo zet hij zichzelf neer als een geniale leerling aan het conservatorium van Moskou, waar hij te maken heeft met een vreemde leraar en nog vreemdere medestudenten. Gedurende de voorstelling speelt Arends zijn personage overdreven theatraal, maar speelt tegelijkertijd verdienstelijk enkele stukken van Frédéric Chopin. Fraai, maar de vorm lijkt Arends, verkleed als meesterpianist, net niet te passen.

Kinderhaat

Arends is boven alles een comedian die weinig opheeft met de setting waarin hij zich bevindt (zijn decors tonen altijd de, vaak lelijke, toneelwand) en die bovendien zo min mogelijk het publiek wil behagen. Hoe onsympathieker, hoe rauwer hij wordt. Dat maakt zijn cabaret nog altijd spannend om naar te kijken, zeker wanneer hij zijn kinderhaat ter sprake brengt of betoogt hoe beperkt de maakbaarheid van de mens is.

Helaas is hij niet altijd even origineel, want wanneer hij even later de kakkers van ‘t Gooi te kakken zet of yuppen met bakfietsen belachelijk maakt, doemt toch al snel het beeld op van die andere Gooise, wat oudere cabaretier met dat ronde brilletje. Sterker, Arends lijkt zijn moralisme zó uit het glas van Youp van ‘t Hek te hebben gedronken – zeikerds moeten hun bek houden, trek je niks aan van anderen en leef iedere dag alsof het je laatste is. Dat zou niet zo storend zijn als de grappen van hoog niveau waren. In zijn vorige voorstelling De afterparty was dat wel zo, nu maakt Arends zich er soms gemakkelijk vanaf. Zeker wanneer hij als een soort ontspoorde clown rond de vleugel dansjes maakt, of millennials de maat neemt. Soms prettig confronterend, meestal wat aandoenlijk.

Noodzaak

Het wordt interessanter wanneer Arends even later zichzelf de vraag stelt: ‘wat is het ergste wat er kan gebeuren?’ De voorbeelden die hij daarna opsomt, zijn geestig. Toch had hij die vraag bij het maken van deze voorstelling wat vaker aan zichzelf mogen stellen. Er lijkt namelijk niet echt een noodzaak te zijn geweest om deze voorstelling te maken. ‘Zonder noodzaak ben je verwend,’ stelt hij halverwege het programma. Dat klopt. Het is dat Arends soms prettig kan provoceren en binnen het huidige cabaretaanbod heerlijk ongepolijst overkomt, anders was die derde ster er wellicht eentje teveel geweest.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Samensmelting zonder conflict

recensie: De Nationale Opera - Tannhäuser

Christof Loys gebruikt Wagners opera Tannhäuser om op Wagner te reflecteren. De voorstelling van De Nederlandse Opera zit vol goede concepten, maar blijft na een zinderende opening statisch en eentonig.

In 1861 ging Wagners opera Tannhäuser in Parijs in première en het werd een regelrechte flop. De reden: de verplichte balletscène kwam helemaal in het begin. De Parijse jetset, die doorgaans speciaal voor de ballerina’s en het gevoos achteraf naar het theater kwam, arriveerde later (zoals gewoonlijk). De heren waren niet te spreken over het feit dat zij de balletdames gemist hadden. En die arme Wagner dacht dat iedereen voor zijn verheven kunsten kwam…

Deze anekdote over de rechtlijnige componist die niet kan verkroppen dat lust en kunst elkaar niet per definitie uitsluiten, is het vertrekpunt voor regisseur Christof Loys regie van Tannhäuser. Hypocrisie, grijstinten, symbiose, ze maken het leven. Maar als de contrasten vervagen, komt de spanning ook in het gedrang.

Tweestrijd

Ridder Tannhäuser (Daniel Kirch) is eigenlijk een verwend nest. Hij heeft zijn ridderkringen opgegeven om bij de liefdesgodin Venus (Ekaterina Gubanova) in te gaan wonen. Tannhäuser komt daar op amoureus gebied niets tekort, maar mist het conflict dat hem inspiratie moet geven. Hij verlangt terug naar de kuise Elisabeth (Svetlana Aksenova) en keert terug naar Wartburg, een kloosterachtig slot. Daar kan hij zijn mond niet houden over de geneugten die Venus hem bood. Iedereen is boos en Tannhäuser gaat naar Rome om boete te doen. Wie kan de tweestrijd in zijn hoofd beslechten?

Met die muziek zit het helemaal goed. Marc Albrecht krijgt elke akte een harder applaus bij opkomst en ook bij de slotovatie krijgt hij duidelijk de meeste decibellen toebedeeld. Hij heeft het Nederlands Filharmonisch Orkest volledig onder controle in zowel uitbundige als intieme passages. Gubanova en Aksenova (de kuise Elisabeth) springen er als solist uit en weten de twee belangrijkste vrouwenrollen een gelaagdheid mee te geven die verder gaat dan de tweestrijd lust – religie die Wagner voor ogen had.

Grijstinten

Het ontmantelen van die valse dichotomie tussen het profane en het sacrale is waar het regisseur Christof Loy om te doen is. De lusthof Venusberg en het ridderklooster Wartburg zijn geen tegenpolen, maar verschillende zijden van dezelfde medaille. De nobele ridders die Wartburg bevolken zijn dezelfde als diegenen die zich vergrijpen aan de ballerina’s. Maar het blootleggen van die verstrengeling van het vleselijke en het verhevene heeft ook een groot nadeel: alles gaat op elkaar lijken. Waar de opera opent met een bacchanaal waarin ballerina’s over het podium worden gesmeten door bronstige corpsballen en de naakte lichamen binnen no time wellustig over elkaar kronkelen, is er de daaropvolgende drieënhalf uur beduidend minder te beleven. Het podiumbeeld blijft in alle drie de aktes bestaan uit dezelfde ruim opgezette hal. Ook de figuranten spelen een dubbelrol. De ridders en nimfen zijn gemodelleerd naar de Parijse ballerina’s uit de negentiende eeuw, zoals te zien op schilderijen van Degas. Menig danseres leidde een dubbelleven als luxe prostituee, aan wie de hogere burgerij zich maar wat graag vergreep.

Boven- en onderwereld staan constant met elkaar in verbinding en het is Tannhäuser/Wagner die deze nuance niet kan accepteren. Dramaturgisch is er geen speld tussen te krijgen. Maar het is niet genoeg om een lijvige Wagneropera voor de volledige speelduur interessant te houden. Waar de muziek echter bestaat uit een rijk palet aan klanken, verwordt het toneelbeeld na de wellustige opening tot alleen maar grijstinten, waarbij er maar weinig momenten zijn die ertussenuit springen. Natuurlijk is de werkelijkheid oneindig veel gecompliceerder, maar tegenstelling zorgen wel voor spanning en conflict dat is wat er in Loys regie van Tannhäuser ontbreekt. Maar misschien ben ik ook gewoon verwend.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Puntgave herneming van een theaterparel

recensie: Dood Paard – Wie is er bang voor Virginia Woolf?

Met deze herneming van Wie is er bang voor Virginia Woolf? bewijst Dood Paard dat een winnende formule niet hoeft te veranderen.

Dit ijzersterke toneelstuk van Edward Albee over de huwelijksstrijd tussen Martha en George, die in de nachtelijke uren bezoek krijgen van het jonge koppel Nick en Honey (met alle gevolgen van dien), is inmiddels een klassieker en wordt veelvuldig opgevoerd. Ook in Nederland. De ene uitvoering is nog beter dan de ander. Alleen al dit seizoen zijn er twee gezelschappen die deze liefdesveldslag opvoeren: aan het begin van dit seizoen was dat De Koe, nu komt Dood Paard met een herneming. Of eigenlijk met een herneming van een herneming. Hoe dan ook, herneming of niet; het resultaat mag er zeker zijn.

De Nederlandse Martha en George

De rollen van het mislukte echtpaar Martha en George zijn voor veel acteurs een gewilde uitdaging. Toch is er één duo dat zich met recht de Nederlandse Martha en George mag noemen: Manja Topper en Kuno Bakker van Dood Paard. Voor de derde keer (!) spelen zij Martha en George. Toen ze dat voor het eerst deden, zat ik nog in de luiers. Vijf jaar geleden zag ik de reprise en was ik al onder de indruk van de complexiteit die Topper en Bakker aan hun personages geven, het vileine spel dat ze met elkaar spelen en de manier waarop ze – tot op het pijnlijke af – het publiek bij hun huwelijksstrijd betrekken door de wederzijdse beledigingen en steken onder water vooral tot het publiek te richten.

Never change a winning team

Deze herneming is een kopie van de eerdere herneming. Om te beginnen is de enscenering vrijwel hetzelfde. Ook nu is het decor kaal, met in het midden een kleurrijk boeket met daarachter een grauw portret van een huilende baby. Je zou deze kopie van de enscenering als lui kunnen opvatten, maar dan doe je het stuk tekort. Juist door het in dezelfde enscenering op te voeren wordt de tragiek van Martha en George – of specifieker: van het huwelijk an sich – subtiel benadrukt. Dat kleurrijke boeket staat symbool voor de schoonheid van het huwelijk. De bloemen, en daarmee alle schoonheid en kleur, zullen verwelken. Dan houd je verval over, moet je de dode bloemen weggooien en koop je een nieuw boeket, alsof er niets is gebeurd.

Ook het portret van een huilende, getergde baby, dat als de grote afwezige boven het toneel hangt, is weer van de partij. Dat schilderij blijft een ware troef. Het symboliseert zoveel. Niet alleen expliciteert het de kinderwens die in het stuk een grote rol speelt, maar het verwijst ook naar het verdriet waar elk personage mee kampt. Stuk voor stuk zijn ze die baby, tot huilens toe geplaagd door de tegenslagen van het leven.

Ook het spel is vrijwel niet aangepast. Aan de ene kant blijven verrassingen daarmee uit. Wie deze versie al eens eerder heeft gezien weet wat hem of haar te wachten staat. Tegelijkertijd is het erg fijn om dit sterke acteerwerk nog eens te zien. Zo zet Manja Topper nog steeds een geweldige Martha neer. Topper laat zien hoe sadistisch de liefde kan zijn. Met een piepstem speelt ze kinderlijke onschuld, waarna ze als een krijsende kat haar klauwen in George zet. Vervolgens likt ze, met dezelfde gespeelde kinderlijkheid, de wonden (voor even) schoon.

Topper trekt verschillende registers open. Moeiteloos verandert ze van poeslief naar platvloers, van vilein en sadistisch naar hysterisch naar uiteindelijk – wanneer George zijn gram heeft gehaald – prachtig broos. Tegen de dynamiek van Topper is Kuno Bakker als George zeer goed opgewassen. Hij laat zich niet leiden door Martha’s grillen, maar is schijnbaar beheerst en berekenend. Beledigingen aan Martha’s adres verpakt hij subtiel, waardoor het komische karakter van Albees taal mooi intact blijft.

Nieuwe gasten, oude problemen

Nick en Honey worden wel door andere acteurs gespeeld, respectievelijk door André Dongelmans en Rosa van Leeuwen. Dongelmans laat zich als Nick niet kennen. Hij kan soms net zo grillig zijn als Martha en George. Met zijn mimiek laat hij de minachting voor zijn gastheer en -vrouw zien én voor zijn eigen vrouw. Van Leeuwen vervult de rol van Nicks vrouw met de nodige humor, zonder daarbij clownesk te worden. Haar acteerwerk geeft een extra absurdistisch tintje aan het hele schouwspel.

Hoewel Dood Paard Wie is er bang voor Virginia Woolf? voor de derde keer opvoert, weten ze toch een extra dimensie te geven aan Albees klassieker. Hoeveel jaren er ook mogen verstrijken en hoeveel gasten Martha en George ook over de vloeren zullen krijgen, ze nemen hun gasten altijd mee in hun ondergang. Daarmee overstijgt Dood Paard met deze derde herneming juist de particuliere strijd tussen Martha en George en laat Dood Paard Martha en George op een mooie manier symbool staan voor de teloorgang van het huwelijk.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

SS-politie beul Rauter wilde het vooral zuiver houden

recensie: Theo Gerritse - Rauter. Himmlers vuist in Nederland

Na de oorlog wist Hanns Albin Rauter (1895-1949) dondersgoed welk lot hem wachtte. Door de nederlaag van Duitsland verdiende hij de kogel. Zijn gewelddadige optreden als bezettingsbestuurder en zijn verantwoordelijkheid voor de deporatie van de Joden stonden daar los van.

Eigenlijk is het een klein wonder dat een van de grootste rotzakken uit de geschiedenis van de Duitse bezetting nu pas de biografie krijgt die hij verdient. Rauters naam prijkte steevast onderaan bekendgemaakte executiebevelen. Toch dreigde de ‘gier uit de Alpen’, door een gebrek aan belangstelling voor de daders in de vergetelheid te raken.

Sinds de eeuwwisseling is er in de historiografie sprake van een voorzichtige herontdekking van de dader en de collaborateur. Het boek van Bas Kromhout De voorman: Henk Feldmeijer en de Nederlandse SS (2012) is hiervan een voorbeeld. In het kader van zijn promotieonderzoek levert historicus Theo Gerritse een belangrijke toevoeging. In Rauter. Himmlers vuist in Nederland is het omvangrijke en over vele archieven verspreidde archief- materiaal gebundeld tot een imposante Gesamtbiographie.

Rauter

‘Rauter en Henk Feldmeijer inspecteren Vrijwilligers van de Nederlandse SS, Nederland 11 juni 1942.’

Steierische Heimatschutz

Gerritse reconstrueert in zijn gedegen, maar weinig sprankelend geschreven studie, zeer precies de gangen van Rauter. Hij noemt het verlies van de Eerste Wereldoorlog hét kantelpunt in Rauters leven. Net als vele generatiegenoten in Duitsland keerde hij totaal ontgoocheld terug van het front. Rauter veranderde in een ‘desperado’ en zocht zijn heil in het paramilitaire vrijkorps Steierische Heimatschutz.

Deze rechtse, op fascistische leest geschoeide organisatie, ijverde voor het samenvoegen van Oostenrijk en Duitsland. Rauter ontpopte zich al snel als een goed organisator, maar bleef politiek gezien tot de tweede garnituur behoren. Gerritse typeert hem als de ideale tweede man, die blindelings opdrachten uitvoerde en hondstrouw was aan zijn superieuren.

Lotsbestemming

Na een mislukte couppoging van Oostenrijkse nationaalsocialisten in september 1931 vluchtte Rauter halsoverkop naar Duitsland. Aanvankelijk had Rauter een voorkeur voor de SA. Toch trad hij, ondanks een verre van smetteloze achtergrond, korte tijd later toe tot de SS. Daar vond hij een nieuw levensdoel.

Al snel droeg Rauter het schimmige ‘cultuurgoed’ en bijbehorende mythologie van zijn nieuwe leermeesters waar mogelijk uit. De kernwaarden eer, trouw en kameraadschap van de SS pasten hem als een tweede huid. Door zijn buitengewone breedsprakigheid en gretige gebruik van superlatieven trok Rauter de aandacht van Himmler. Desondanks bleef hij wederom een outsider. Rauter behoorde immers niet tot de älte Kampfer.

Tijdens de bezetting van Nederland was Rauter als politiechef verantwoordelijk voor de openbare orde. Volgens Gerritse was het vijfkoppige bestuur bloedfanatiek, maar beschikten ze elk over onvoldoende macht om een eigen politieke koers te varen. Ondanks onderlinge wrijvingen slaagden de Duitsers erin tot 1945 een collegiaal bestuur te behouden. Niet in het minst door de kruiperige houding van Rauter. Die schreef wel slijmerige brieven over de weekheid van Seys-Inquart naar Himmler, maar kreeg steeds nul op rekest.

Silbertanne

Tijdens de eerste jaren van de oorlog stond Rauter volledig achter de nazificatie-politiek. Hij had immers behoefte aan rust. Toen de Duitsers na de Februaristaking van 1941 hun masker afzetten, radicaliseerde Rauter. Nadat het Nederlandse verzet steeds brutaler optrad met aanslagen op NSB’ers én Duitse soldaten, reageerde Rauter onder de codenaam Silbertanne met het plegen van sluipmoorden op het verzet.

In de nacht van 6 op 7 maart 1945 overleefde Rauter zelf ternauwernood een aanslag nabij de Woeste Hoeve. De repressie die daarop volgde was net als Rauter meedogenloos. Volgens Gerritse was gebrek aan twijfel zijn belangrijkste karaktereigenschap. De opvoeding in een nationaalconservatief, antisemitisch milieu maakten Rauter compromisloos. Zelfs na de ineenstorting van het Derde Rijk bleef hij zijn idealen trouw. Hij was dan ook niet schuldig aan de misdaden die hem na de oorlog ten laste werden gelegd, maar had slechts trouw orders opgevolgd. Van een schrikbewind, zoals onder de hertog van Alva, was geen sprake geweest. Rauter had het als ‘ridderlijke soldaat’ allemaal toch vooral zuiver willen houden.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Bambi als hysterische diva

recensie: Toneelgroep Oostpool - Bambi

Bambi: niet dat lieve hertje uit de tekenfilm, maar een bazige dragonder die zijn leven opnieuw wil verfilmen. Die film komt er uiteindelijk niet. Dat had eigenlijk ook wel voor dit toneelstuk mogen gelden.

In Bambi van Toneelgroep Oostpool is de ‘titelheld’ een beetje als een gevallen kindster. Zeg maar à la Lindsey Lohan en Justin Bieber: een kindsterretje dat onschuldig begon maar door alle roem van het pad raakte en wanstaltig gedrag begon te vertonen. Dat lot treft ook de reebok in dit tweede deel van de serie What’s in a fairy tale, geregisseerd door Sarah Moeremans en geschreven door Joachim Robbrecht. Waar Bambi in de Disneyklassieker vooral  een aandoenlijk, niet al te spraakzaam personage oproept (met natuurlijk die grote onschuldige ogen!), heeft de ree in deze Oostpoolbewerking (gespeeld door Benny Claessens) al het zwijgzame en onschuldige verloren.

Van hert naar ree, van bok naar diva

Deze volwassen Bambi is fors, bijna naakt en clownesk geschminkt. Slechts een staartje en enkele vlekken op de rug, herinneren ons nog aan het aandoenlijke hertje uit de tekenfilm. Van het beeld dat Disney van hem heeft geschapen wil hij af. (Een leuk weetje: volgens de gelijknamige roman uit 1923 van Felix Salten is Bambi, in tegenstelling tot in de Disneyfilm, geen hert maar een ree). Bambi maakt daarom een nieuwe film – rauwer, oprechter – om de ‘echte’ Bambi te laten zien.

Vanaf het begin maakt Claessens van deze Bambi een hysterische diva. Dat werkt aanvankelijk goed. De energie waarmee het stuk begint, geeft er een interessante schwung aan. Om het minste of geringste gaat Bambi tegen crew en publiek tekeer. Dit levert soms komische momenten op. Claessens is vooral sterk in zijn reactie op het publiek. Bij een kuch of een lach vanuit het publiek begint hij al te razen. Daarmee verbiedt hij het publiek om nog een keer te reageren. Zijn sterk gespeelde woede maakt het alleen maar grappiger, waardoor een lach niet te onderdrukken is.

Bambi wordt steeds minder een onschuldig dier. Naarmate het stuk vordert vervaagt de schmink op Claessens’ gezicht en verliest hij zijn dierlijke karakteristieken. De (slechte) mens komt in hem naar boven. Hij koeioneert zijn crew en manipuleert iedereen om zijn zin te krijgen. Wanneer de cameraman (gespeeld door Kharim Amier) na de zoveelste belediging ontslag neemt, voert Claessens de Bambi-ogen en wat krokodillentranen op en drijft Amier in een hoek om hem aan te randen. Zo speelt het stuk niet alleen met de ambivalente scheidslijn tussen dader en slachtoffer, tussen schuldig en onschuldig, maar betrekt het daar ook actuele thema’s zoals #MeToo bij.

Een lange zit

Hier zit tegelijkertijd het probleem van de voorstelling. Zeker, het is interessant om oude verhalen aan de huidige tijd te verbinden, maar dan moet het verhaal an sich niet uit het oog worden verloren. Dat gebeurt in deze voorstelling wel. Sterker nog: er is nauwelijks sprake van een aantrekkelijk verhaal. Moeremans en Robbrecht hebben zoveel nadruk op de filosofie achter het stuk gelegd, dat de personages gereduceerd worden tot klankborden van die theorieën. De personages discussiëren met elkaar over de essentie van het leven, over het schijnbare onderscheid tussen mens en dier, goed en slecht, over machtsverhoudingen en ga zo maar door. Erg leuk allemaal, maar voor een voorstelling van twee uur heeft het te weinig om het lijf.

Alleen wanneer Claessens op het toneel verschijnt ontstaat de hoop dat zijn hysterie het verhaal de nodige kwinkslag geeft, maar na anderhalf uur is ook zijn divagedrag uitgewerkt. Cameraman Amiel doorziet dat goed. Hij geeft aan dat zijn spanningsboog verdwenen is en gaat ervandoor. Het laatste half uur benijd je hem.

Reageer op dit artikel

Boeken / Interview
special: Interview met Bart van Loo over zijn nieuwe boek: De Bourgondiërs

“Tijdens het schrijven werd ik weer ik die 14-jarige knaap die gefascineerd naar de dode Karel de Stoute in de sneeuw zat te kijken.”

Bart Van Loo heeft er een slopende lezingen- en interviewreeks in Vlaanderen en Nederland opzitten. De verteller is zichtbaar uitgeteld, maar – gelukkig voor ons – niet uitverteld: het duurt het niet lang voor hij weer gloedvol en opverend vertelt over ‘zijn’ Bourgondiërs. Het onderwerp ligt hem nu eenmaal na aan het hart: zijn vrouw is Bourgondisch, hun dochter bijgevolg Vlaams-Bourgondisch. “Maar toch heb ik dit boek in de eerste plaats voor mezelf geschreven.”

Een pil van ruim 600 pagina’s over de geschiedenis van de Bourgondiërs: op voorhand moet het als commerciële zelfmoord hebben geklonken, maar de teller staat vandaag op bijna 65.000 verkochte exemplaren in 2,5 maand. Hoe verklaar je dat succes?

“Het boek is mooi gelanceerd geworden in De Wereld Draait Door en De Afspraak, er zijn meteen heel veel 4- en 5-sterrenrecensies gekomen en er is de 8-delige podcast die ik voor radiozender Klara maakte. Dat zijn concrete aanleidingen, maar die verklaren de stormloop in Vlaanderen en Nederland natuurlijk niet. Als we wat dieper graven, denk ik dat het een kwestie van identiteit is. Zeker in deze verbrokkelde, complexe tijden van migratie, Brexit, Marrakech-akkoord … stellen mensen zich de vraag: wie zijn wij eigenlijk? Waar komen wij vandaan? Misschien is het in die context dan interessant wanneer iemand besluit om – zonder enige ideologische bedoelingen – dat verhaal te vertellen. Hebben wij een collectieve identiteit? En zo, hoe is die ontstaan? En ik heb vastgesteld dat we daarvoor naar de Bourgondiërs moesten kijken. Vandaar ook de ondertitel Aartsvaders van de Lage Landen. Maar is het echt de verklaring voor het succes? Ik weet het niet, want dat identitaire zit niet expliciet in het boek. Dat zou ook averechts werken. Zij die trouwens op zoek zijn naar een specifiek Vlaamse identiteit zullen al meteen vaststellen dat Limburg en Brabant nu tot Vlaanderen behoren, maar in de middeleeuwen helemaal niet. De Lage Landen zijn een samenraapsel van identiteiten, die de Bourgondische hertogen staatkundig, juridisch, militair, monetair en artistiek hebben samengebracht. Wat ik eigenlijk vooral wilde aantonen, was dat onze geschiedenis niét begint bij de val van Antwerpen of bij Willem van Oranje, maar veel eerder. Iets wat we nooit op school hebben geleerd.”

Hoe ben je eigenlijk aan dit titanenwerk begonnen?

“Ik trek bij wijze van spreken aan een touwtje en stel dan vast wat daar allemaal aan vasthangt (haalt een denkbeeldige vislijn binnen). Jan Van Eyck staat midden in het verhaal van de Bourgondiërs als hofschilder van Filips de Goede. Jeanne d’Arc heeft er ook alles mee te maken en leefde gelijktijdig met Van Eyck. Het begin van de boekdrukkunst, dat was in de tijd van Karel de Stoute. Het ontstaan van de huiskapellen, de groeispurt van het ego … Allemaal dingen die mij uitermate boeien en die ik in één boek kon verwerken. Ik heb het dus eigenlijk in de eerste plaats voor mezelf geschreven, waarbij ik terug die 14-jarige knaap werd die gefascineerd naar het prentje van de dode Karel de Stoute in de sneeuw keek. Nu, ik moest dit boek ook voor mezelf schrijven, anders had ik dit project nooit volgehouden.”

Je waagt je soms ver in je beschrijvingen: een feest dat een “welgemeende fuck you richting Engeland” was, een vrouw met “een voorhoofd als een erotisch voorsteven” … Nooit gedacht dat je hier niet mee zou wegkomen?

“Als verteller schud ik dergelijke beschrijvingen als het ware automatisch uit mijn mouw, ik voel aan dat ze nodig zijn om het verhaal tot leven te brengen. Net zoals ik graag vertrek van details en petites histoires om van daaruit breder te gaan. Zoals het feit dat er 200 eekhoorntjes werden verwerkt in een kostbare mantel. Of dat Filips de Goede zich wel naar de borst moet hebben gegrepen toen het Lam Gods werd onthuld. En die ‘welgemeende fuck you’? Tja, misschien is die op het randje, maar het overdreven feest dat werd gegeven kwam daar nu eenmaal op neer. Met één uitdrukking leg ik de hele internationale politiek uit. Toegegeven, het is een literaire vrijheid die echte academici zich wellicht niet kunnen veroorloven. Meer nog: de academische wereld heeft lang neergekeken op de histoire événementielle zoals ik ze bedrijf. Onlangs gaf professor Wim Blockmans evenwel toe dat historici net zo’n verhalen nodig hebben om buiten hun afgebakende vakgebied te geraken en het grote publiek te bereiken.”

In dat verband: een bevriend historicus gaf de kritiek dat academici al het veldwerk doen, waarna een verteller als jij er bij het grote publiek mee gaat scoren.

“Vanuit menselijk, psychologisch standpunt kan ik die reactie begrijpen. Anderzijds: ik heb vier jaar aan dit boek gewerkt zonder dat een of ander universiteit mij een loon uitbetaalde, wat best een grote commerciële gok van mij was, en er stapels en stapels boeken voor gelezen. Bovendien houdt niets die academici tegen om hetzelfde te doen. Ik zou dat zelfs toejuichen: laat ze hun kennis maar meeslepend ontsluiten. Maar voor mij is geschiedschrijving geen wedstrijd, voor mij komt het neer op verhalen vertellen en die koppelen aan historisch inzicht. En ik heb dat alleen kunnen doen omdat ik op de robuuste schouders van echte historici stond. Die spanning tussen academische en populaire geschiedschrijving vind ik trouwens heel boeiend, op 1 juni vindt er naar aanleiding van mijn boek zelfs een debatnamiddag over plaats aan de UGent.”

Over populair gesproken: ik las in een recensie dat je boek zich uitstekend zou lenen tot een televisiereeks à la The Crown. Zet je dat aan het dromen?

(enthousiast) “O ja, geweldig! Zij het dat iemand anders het zal moeten doen, want daar begin ik niet aan. Maar beeld je eens in: Jeremy Irons als de oude Filips de Goede, of als Filips de Stoute die met zijn stofbril op weg is naar alweer een veldslag. En wat een mooi personage zou de Franse koning Karel VI zijn, die opeens krankzinnig wordt en op zijn gevolg begint in te hakken. Wat een rol! Die banketten, die riddertornooien, die veldslagen, die moordaanslagen … Het is allemaal zo episch en filmisch dat het zich heel goed zou lenen voor een serie. Zeker omdat er ook nog eens van die Shakespeareaanse elementen inzitten, zoals Filips de Goede en Filips de Stoute die elkaar als vader en zoon vreselijk in de haren konden vliegen. Of Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen, die in Brugge aan een willekeurige deur moet kloppen om aan de woedende menigte te ontsnappen en later de stad ontvlucht door de slotgracht over te zwemmen. Je ziet het toch zo voor je?”

Tot slot: al een idee wat hierna volgt?

“Eerst en vooral vakantie. Het is nodig, zoals je kan merken (lacht). Daarna zien we wel. Wie weet schrijf ik wel een sequel op De Bourgondiërs, waarbij de supranationale Lage Landen op het einde van de rit uiteenvallen. Dan heb ik de twee oerverhalen: het ontstaan en de scheuring. Alleen al de val van Antwerpen in 1585 is toch mateloos boeiend? Al die kunstenaars, bankiers en intelligentsia die massaal de stad verlieten en naar Amsterdam trokken, dat zijn Gouden Eeuw zag beginnen. Voor het tot dan altijd op kop lopende Vlaanderen een drama, voor Nederland een schitterende gebeurtenis. En dan kan je er de godsdienstoorlogen, Willem van Oranje, Pieter Brueghel, Jeroen Bosch … bij gaan betrekken. Maar nogmaals: ik zie wel of ik de adem vind om dat nogmaals op te brengen. Want het schrijven van De Bourgondiërs is gekkenwerk geweest. Echt crazy.”

Geniet dus maar des te harder van je dolce far niente!

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Sarcasme is zeg maar echt háár ding

recensie: Paulien Cornelisse – Om mij moverende redenen

Cabaretier en schrijfster Paulien Cornelisse is al jaren geïntrigeerd door de manier waarop mensen met elkaar communiceren. In haar boeken (‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ en ‘En dan nog iets’) lees je over alle vreemde uitdrukkingen die haar oren ooit hebben opgepikt. In de voorstelling gaat het – naast over opmerkelijke uitspraken, – ook over eigenaardige gebeurtenissen die Cornelisse meemaakte en om dubieuze leuzen die ze op winkelruiten in haar woonplaats Amsterdam spotte. Vooral de heerlijk sarcastische ondertoon van Cornelisse en haar overdreven manier van uitbeelden, zorgen ervoor dat je je helemaal verliest in de voorstelling.

Kabouterbroeken

Met grote stappen schrijdt Cornelisse over het podium en maakt ze een diepe buiging. Meteen is ze een en al aanwezigheid op het podium, je moet gewoon naar haar kijken. Ze begint op een haast typische ‘Cornelisse-wijze’, die menig persoon kent van haar optreden in het spelprogramma ‘Wie is de mol?’, namelijk op die eerlijke recht-voor-zijn-raap-manier. Deze ongetwijfeld zeer intelligente vrouw doet zich altijd een beetje clownesk voor. Met een grote dosis zelfspot lacht ze de meest droge opmerkingen weg. Zo begint ze de voorstelling door het publiek te complimenteren met het feit dat ze allemaal het theater hebben weten te bereiken.

Daarna volgt een hikkend lachje uit haar mond en schraapt ze haar keel. Al heel vlug belandt ze op iets wat ze totaal niet begrijpt: winkels die yoga-merchandise verkopen. Zo beweert Cornelisse dat kabouters verantwoordelijk zijn voor yogabroeken (‘Kabouterbroeken!’) en dat masserende olie een positief uitgepakte reclamestunt is. Over dit soort tot de verbeelding sprekende onderwerpen praat ze niet alleen, ze weet ook bepaalde geluiden uit het dagelijks leven hilarisch na te doen. Zo maakt ze een vergelijking met een koffieapparaat om een bepaald gevoel over te brengen, wat erin resulteert dat Cornelisse bijna twee minuten lang in gekrompen houding ‘Rrrrrrrr’ staat uit te kreunen. Of heeft ze het over de periode die zit tussen het aanschaffen van een traphekje en een trapstoel (volgens Paulien een ‘slome achtbaan’).

Anticlimax

Yoga is overigens niet de enige sport waarover Cornelisse kritisch is. Dat ze ‘a-sportief’ is, laat ze meerdere malen weten. Wat ze zou doen als ze nog maar twee maanden te leven had? Lekker op de bank hangen natuurlijk. Klaar! Ook vertelt ze op humoristische wijze dat ze besloot om hardloopschoenen te kopen – zodat diezelfde schoenen haar om 10 uur ’s avonds boos aan kunnen staren – en dat een kegelvormige man naar haar ervaring vroeg. ‘Nou, ik sport niet en dat ziet er ongeveer zo uit’, luidde daarop haar antwoord, waarbij ze overdreven gebaarde naar haar lichaamsbouw. Vervolgens ging ze diep in gesprek met de verkoper, terwijl ze niets over rennen wist en er helemaal niets van wilde weten. Maar, zo beweert Cornelisse, soms is het gewoon handiger om met anderen mee te lullen.

Het is niet de enige anekdote die krachtig overkomt, maar een van vele. Zo vertelt Cornelisse tot twee keer toe een verhaal dat eindigt met een anticlimax. Eén over haar romantische reis met vriend Chris Bajema, waar ze op een afgelegen plek in IJsland bezoek krijgen van een grote, enge man en één over een opmerkelijke tatoeage. ‘Jammer, hè’, mompelt ze als ze beide verhalen tot een einde heeft gebracht. Als beide verhalen een spannender einde hadden gekend, had Cornelisse het wellicht niet meer kunnen ‘navertellen’. Fictie en werkelijkheid lopen telkens door elkaar heen, maar één ding lijkt echt te kloppen. Dat is haar liefde voor verschillende soorten mos.

Naast de liefde voor vriend en kleuter, heeft Cornelisse ook een grote voorliefde voor het plakkerige mos – in al zijn gedaanten en vormen. Het liefst slijt ze dan ook haar dagen met ‘moswandelingen’ (één van de vele, vele woordspelingen). Het mos maakt dan ook deel uit van het decor. Op het podium staat zowel een karretje met moestuinplantjes en stukjes mos als een grote plantenkas die doet denken aan de glazen kist van Sneeuwwitje. Iedere keer als Cornelisse een stukje mos heeft verzorgd, zet ze het meteen in de kas. Zodra die opengaat, klinkt er telkens een ander muziekje op de achtergrond. Een kas die rust biedt tegen de hectische wereld die Cornelisse op vriendelijke wijze bespot in haar voorstelling.

Gekke vrouw

In deze vlotte voorstelling word je continu vermaakt door de verrassende dingen die Cornelisse vertelt. Enerzijds kun je je herkennen in de voorbeelden die Cornelisse noemt en anderzijds roept het ook vervreemding op, omdat Cornelisse overal een gekke, absurde draai aan geeft. Het is in zekere zin een strategische zet van Cornelisse om haar sarcastische stemgeluid en mimiek zo in te zetten dat ze overkomt als een ‘gekke vrouw’. Een gekke vrouw die je waardeert vanwege haar gevatte en hilarische opmerkingen, maar die niet moet blijven hangen in iets te lang gebrabbel. Soms draalt ze iets te lang rond eenzelfde onderwerp, terwijl de grap ondertussen wel is geland en uitgewerkt.

Kortom, het is bewonderenswaardig hoe Cornelisse in vlot tempo zoveel gevatte grapjes over taal weet over te brengen. Deze ietwat gekke, scherpe cabaretier bewijst het maar weer eens: taal is echt haar ding!

Reageer op dit artikel