Berichten

Boeken / Boeken / Boeken
recensie: Tekens van het onzichtbare (Antoon Van den Braembussche) en Intimiteit en onthechting (Michel Dijkstra)

De zingbare rest

Bijna gelijktijdig verschenen twee boeken die elkaar deels overlappen en soms ook aanvullen: Intimiteit en onthechting van Michel Dijkstra en Tekens van het onzichtbare van Antoon Van den Braembussche.

Michel Dijkstra (1982) is docent en publicist op het gebied van oosterse filosofie en westerse mystiek. Hij promoveerde op het eenheidsdenken bij Meister Eckhart en de Japanse zenmeester Dōgen. Antoon Van den Braembussche (1946) is een Vlaams cultuurfilosoof en dichter die zich specialiseerde in kunstfilosofie en, later, in de vergelijking tussen westers en oosters denken.

Dijkstra definieert mystiek als ‘een proces van innerlijke onthechting of versterving, (…) een tijdelijk opheffen van tegenstellingen [en] (…) de mogelijkheidsvoorwaarde voor een ontmoeting met de onvatbare ander’. Van den Braembussche ziet mystiek ‘als een verdieping van het onzegbare’. De noties van mystiek benoemt hij als ‘het spirituele, de leegte, het onzegbare en het sublieme’.  Hij zoekt net als Dijkstra ‘de affiniteiten en overeenkomsten tussen de verschillende mystieke tradities’ in oost en west. Beiden is het te doen om het onderzoek naar hoe dit in verschillende kunstvormen tot uiting komt, waarbij Dijkstra nog een tweede thema aanroert (levenskunst). Dat laatste richt zich volgens hem ‘op verbinding met de ander zonder jezelf te vergeten’.

Intimiteit en onthechting

Dijkstra verklaart de titel van zijn boek, Intimiteit en onthechting,  aan de hand van de verhouding tussen een man en een dauwdruppel door de dertiende-eeuwse Japanse zenmeester Dōgen. De man wordt weerspiegeld in de druppel en deelt zich als de ander mee. Ze zijn op die manier intiem. Tegelijkertijd is de afstand tussen ‘beide polen’ gigantisch.

Dijkstra beschouwt de dichter Paul Celan, componist Claude Vivier, schrijver Clarice Lispector en beeldend kunstenaar Alberto Giacometti als brandpunten. Al deze kunstenaars onderzoeken in hun werk volgens hem ‘afstand en nabijheid ten opzichte van de ander of het andere’. Waarbij het dan gaat om de polen God-ziel, mens-wereld en ik-de ander.

Tekens van het onzichtbare

Is bij Dijkstra Dōgen het uitgangspunt, bij Van den Braembussche is dat diens Perzische bijna-tijdgenoot en soefimysticus Rumi. In diens poëzie culmineren ‘liefde, stilte en het onzegbare [die] elkaar wederzijds doordringen en vooronderstellen’. In dit verband gebruikt Van den Braembussche hetzelfde woord als Dijkstra in de titel van zijn boek: intiem. In de betekenis van de vervlechting van leven en dood, de doordringing van het zichtbare en onzichtbare. Rumi legt ‘grote nadruk op de extase en de vervoering als onderdeel van de mystiek’ wat in schril contrast staat met ‘mystieke teksten die onbewogenheid, ascese en onthechting hoog in het vaandel dragen’, teksten die met name Van den Braembussche aan de orde stelt. Van den Braembussche beschouwt de stilte bij Rumi en Paul Klee, de leegte bij beeldend kunstenaar Anish Kapoor en de nachttijd van de poëzie bij Celan als tekens van het onzichtbare. Zij zijn zijn brandpunten.

De dichter Paul Celan

Paul Celan is een voorbeeld van een dichter aan wiens werk beide auteurs aandacht besteden. Dijkstra begint zijn boek met hem, Van den Braembussche eindigt ermee.

Dijkstra stelt dat Celan in zijn laatste levensjaren zowel ‘meer dan ooit gepreoccupeerd is door mystieke teksten’, met name die van Meister Eckhart, als terug wil keren tot de oorsprong van de joodse mystiek. De auteur bespreekt enkele van Celans gedichten, zoals Keulen, Am Hof en Jij, wees jezelf, jij, altijd en Het woord van de diepte-in-gaan. Hij drukt zich daarbij soms cryptisch uit; ‘Sommige gedichten (…) lezen als een fenomenologie van deze diepte in het intermenselijke,’ is bijvoorbeeld zo’n zin. En hoewel levenskunst soms wordt aangestipt, is dit hoofdstuk vooral een uitleg van Celan tussen oost en west.

Van den Braembussche legt in zijn hoofdstuk over Celan een ander accent dan Dijkstra. Hij gaat uit van het gegeven dat ‘in de joodse mystiek (…) allereerst de taal centraal staat’ en werkt dit op een heldere, duidelijke manier uit aan de hand van het beroemde gedicht Todesfuge. Hierin gaat het niet om polen zoals Dijkstra ze beschrijft, maar ook een mythische tegenstelling tussen Margarete met het gouden haar en de donkerogige Shulamith. Later komt Van den Braembussche hierop terug, wanneer hij een schilderij van Anselm Kiefer naar aanleiding van dit gedicht bespreekt. Mooi is dat de auteur afsluit met een eigen gedicht, een ‘Coda’ waarin alles als in een soort poëtische samenvatting nog eens langs komt.

Zit er muziek in?

Dijkstra vervolgt zijn boek met een hoofdstuk over de Canadese componist Claude Vivier (1948-1983). De lijntjes naar zowel het thema als de andere hoofdstukken zijn helaas wat dun, zodat het thema muziek niet echt een aanvulling is op Van den Braembussche, die hier geen apart hoofdstuk aan wijdt. Wel eindigt hij zijn hoofdstuk over Rumi met een ontroerende opmerking over muziek, waarvoor je als lezer het essay van Dijkstra zo cadeau zou willen doen. Van den Braembussche citeert Rumi wanneer hij zegt: ‘Laat de muziek dit gedicht voltooien.’ Wanneer taal tekort schiet om het onuitsprekelijke te verwoorden, komt muziek te hulp, ‘doordrongen van heimwee naar de goddelijke oorsprong’. Waarbij tussen twee haakjes kan worden aangetekend, dat Celan het ook over iets vergelijkbaars had: ‘De zingbare rest.’

Muziek komt verder in het boek van Van den Braembussche niet voor, beeldende kunst des te meer, met Paul Klee en Anish Kapoor. Inclusief afbeeldingen. Zoals Dijkstra ingaat op Giacometti, zonder afbeeldingen weliswaar, maar iedereen kan zich er wat bij voorstellen.

Opvallend is dat Van den Braembussche in zijn hoofdstuk over Paul Klee raakt aan het begrip levenskunst dat Dijkstra wilde onderzoeken. Klee richt zich op het eind van zijn leven, ziek en aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, naar zijn diepste ik. De auteur bespreekt hoe hij dit deed aan de hand van de engelenafbeeldingen van Klee. Stapsgewijs en indrukwekkend ontvouwt hij het mystieke karakter van deze eenvoudige potloodtekeningen.

De keus is aan de lezer

Misschien is dit het wat het boek van Van den Braembussche zo bijzonder maakt: hij neemt je in een bloemrijke taal mee in zijn zoektocht naar wat hij de ‘verdieping van het onzegbare’ noemt. Verdieping ook in de zin van stap voor stap te volgen en daarbij soms ontroering oproepend, zoals in zijn eigen gedicht Ein-sof en de korte passage over muziek.

Dijkstra volgt een andere, voor de lezer soms wat minder duidelijk pad in een wat drogere taal. Misschien zit het thema levenskunst hem daarbij iets in de weg en had het boek aan duidelijkheid gewonnen als hij zich, net als Van den Braembussche, tot kunst en mystiek uit oost en west had beperkt en een gelukkiger hand in het kiezen van zijn voorbeelden had gehad. Met uitzondering van Paul Celan, wat bij Dijkstra ook meteen het meest geslaagde hoofdstuk opleverde. In Celan zit ook de overlap tussen beide boeken. Dat kan niet missen. De keus is aan de potentiële lezer.

Intimiteit en onthechting
Schrijver: Michel Dijkstra
Uitgever: Boom Uitgevers
Prijs: € 20,00
Bladzijden: 176
ISBN: 978 90 2443 395 7
Sterren: 3,5
https://www.boomfilosofie.nl/product/100-10130_Intimiteit-onthechting

Tekens van het onzichtbare
Schrijver: Antoon Van den Braembussche
Uitgever: Damon
Prijs: € 19,90
Bladzijden: 160 pagina’s
ISBN: 978 94 6340 295 8
Sterren: 5
https://www.damon.nl/book/tekens-van-het-onzichtbare

Boeken / Boeken / Boeken
recensie: Tekens van het onzichtbare (Antoon Van den Braembussche) en Intimiteit en onthechting (Michel Dijkstra)

De zingbare rest

Bijna gelijktijdig verschenen twee boeken die elkaar deels overlappen en soms ook aanvullen: Intimiteit en onthechting van Michel Dijkstra en Tekens van het onzichtbare van Antoon Van den Braembussche.

Michel Dijkstra (1982) is docent en publicist op het gebied van oosterse filosofie en westerse mystiek. Hij promoveerde op het eenheidsdenken bij Meister Eckhart en de Japanse zenmeester Dōgen. Antoon Van den Braembussche (1946) is een Vlaams cultuurfilosoof en dichter die zich specialiseerde in kunstfilosofie en, later, in de vergelijking tussen westers en oosters denken.

Dijkstra definieert mystiek als ‘een proces van innerlijke onthechting of versterving, (…) een tijdelijk opheffen van tegenstellingen [en] (…) de mogelijkheidsvoorwaarde voor een ontmoeting met de onvatbare ander’. Van den Braembussche ziet mystiek ‘als een verdieping van het onzegbare’. De noties van mystiek benoemt hij als ‘het spirituele, de leegte, het onzegbare en het sublieme’.  Hij zoekt net als Dijkstra ‘de affiniteiten en overeenkomsten tussen de verschillende mystieke tradities’ in oost en west. Beiden is het te doen om het onderzoek naar hoe dit in verschillende kunstvormen tot uiting komt, waarbij Dijkstra nog een tweede thema aanroert (levenskunst). Dat laatste richt zich volgens hem ‘op verbinding met de ander zonder jezelf te vergeten’.

Intimiteit en onthechting

Dijkstra verklaart de titel van zijn boek, Intimiteit en onthechting,  aan de hand van de verhouding tussen een man en een dauwdruppel door de dertiende-eeuwse Japanse zenmeester Dōgen. De man wordt weerspiegeld in de druppel en deelt zich als de ander mee. Ze zijn op die manier intiem. Tegelijkertijd is de afstand tussen ‘beide polen’ gigantisch.

Dijkstra beschouwt de dichter Paul Celan, componist Claude Vivier, schrijver Clarice Lispector en beeldend kunstenaar Alberto Giacometti als brandpunten. Al deze kunstenaars onderzoeken in hun werk volgens hem ‘afstand en nabijheid ten opzichte van de ander of het andere’. Waarbij het dan gaat om de polen God-ziel, mens-wereld en ik-de ander.

Tekens van het onzichtbare

Is bij Dijkstra Dōgen het uitgangspunt, bij Van den Braembussche is dat diens Perzische bijna-tijdgenoot en soefimysticus Rumi. In diens poëzie culmineren ‘liefde, stilte en het onzegbare [die] elkaar wederzijds doordringen en vooronderstellen’. In dit verband gebruikt Van den Braembussche hetzelfde woord als Dijkstra in de titel van zijn boek: intiem. In de betekenis van de vervlechting van leven en dood, de doordringing van het zichtbare en onzichtbare. Rumi legt ‘grote nadruk op de extase en de vervoering als onderdeel van de mystiek’ wat in schril contrast staat met ‘mystieke teksten die onbewogenheid, ascese en onthechting hoog in het vaandel dragen’, teksten die met name Van den Braembussche aan de orde stelt. Van den Braembussche beschouwt de stilte bij Rumi en Paul Klee, de leegte bij beeldend kunstenaar Anish Kapoor en de nachttijd van de poëzie bij Celan als tekens van het onzichtbare. Zij zijn zijn brandpunten.

De dichter Paul Celan

Paul Celan is een voorbeeld van een dichter aan wiens werk beide auteurs aandacht besteden. Dijkstra begint zijn boek met hem, Van den Braembussche eindigt ermee.

Dijkstra stelt dat Celan in zijn laatste levensjaren zowel ‘meer dan ooit gepreoccupeerd is door mystieke teksten’, met name die van Meister Eckhart, als terug wil keren tot de oorsprong van de joodse mystiek. De auteur bespreekt enkele van Celans gedichten, zoals Keulen, Am Hof en Jij, wees jezelf, jij, altijd en Het woord van de diepte-in-gaan. Hij drukt zich daarbij soms cryptisch uit; ‘Sommige gedichten (…) lezen als een fenomenologie van deze diepte in het intermenselijke,’ is bijvoorbeeld zo’n zin. En hoewel levenskunst soms wordt aangestipt, is dit hoofdstuk vooral een uitleg van Celan tussen oost en west.

Van den Braembussche legt in zijn hoofdstuk over Celan een ander accent dan Dijkstra. Hij gaat uit van het gegeven dat ‘in de joodse mystiek (…) allereerst de taal centraal staat’ en werkt dit op een heldere, duidelijke manier uit aan de hand van het beroemde gedicht Todesfuge. Hierin gaat het niet om polen zoals Dijkstra ze beschrijft, maar ook een mythische tegenstelling tussen Margarete met het gouden haar en de donkerogige Shulamith. Later komt Van den Braembussche hierop terug, wanneer hij een schilderij van Anselm Kiefer naar aanleiding van dit gedicht bespreekt. Mooi is dat de auteur afsluit met een eigen gedicht, een ‘Coda’ waarin alles als in een soort poëtische samenvatting nog eens langs komt.

Zit er muziek in?

Dijkstra vervolgt zijn boek met een hoofdstuk over de Canadese componist Claude Vivier (1948-1983). De lijntjes naar zowel het thema als de andere hoofdstukken zijn helaas wat dun, zodat het thema muziek niet echt een aanvulling is op Van den Braembussche, die hier geen apart hoofdstuk aan wijdt. Wel eindigt hij zijn hoofdstuk over Rumi met een ontroerende opmerking over muziek, waarvoor je als lezer het essay van Dijkstra zo cadeau zou willen doen. Van den Braembussche citeert Rumi wanneer hij zegt: ‘Laat de muziek dit gedicht voltooien.’ Wanneer taal tekort schiet om het onuitsprekelijke te verwoorden, komt muziek te hulp, ‘doordrongen van heimwee naar de goddelijke oorsprong’. Waarbij tussen twee haakjes kan worden aangetekend, dat Celan het ook over iets vergelijkbaars had: ‘De zingbare rest.’

Muziek komt verder in het boek van Van den Braembussche niet voor, beeldende kunst des te meer, met Paul Klee en Anish Kapoor. Inclusief afbeeldingen. Zoals Dijkstra ingaat op Giacometti, zonder afbeeldingen weliswaar, maar iedereen kan zich er wat bij voorstellen.

Opvallend is dat Van den Braembussche in zijn hoofdstuk over Paul Klee raakt aan het begrip levenskunst dat Dijkstra wilde onderzoeken. Klee richt zich op het eind van zijn leven, ziek en aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, naar zijn diepste ik. De auteur bespreekt hoe hij dit deed aan de hand van de engelenafbeeldingen van Klee. Stapsgewijs en indrukwekkend ontvouwt hij het mystieke karakter van deze eenvoudige potloodtekeningen.

De keus is aan de lezer

Misschien is dit het wat het boek van Van den Braembussche zo bijzonder maakt: hij neemt je in een bloemrijke taal mee in zijn zoektocht naar wat hij de ‘verdieping van het onzegbare’ noemt. Verdieping ook in de zin van stap voor stap te volgen en daarbij soms ontroering oproepend, zoals in zijn eigen gedicht Ein-sof en de korte passage over muziek.

Dijkstra volgt een andere, voor de lezer soms wat minder duidelijk pad in een wat drogere taal. Misschien zit het thema levenskunst hem daarbij iets in de weg en had het boek aan duidelijkheid gewonnen als hij zich, net als Van den Braembussche, tot kunst en mystiek uit oost en west had beperkt en een gelukkiger hand in het kiezen van zijn voorbeelden had gehad. Met uitzondering van Paul Celan, wat bij Dijkstra ook meteen het meest geslaagde hoofdstuk opleverde. In Celan zit ook de overlap tussen beide boeken. Dat kan niet missen. De keus is aan de potentiële lezer.

Intimiteit en onthechting
Schrijver: Michel Dijkstra
Uitgever: Boom Uitgevers
Prijs: € 20,00
Bladzijden: 176
ISBN: 978 90 2443 395 7
Sterren: 3,5
https://www.boomfilosofie.nl/product/100-10130_Intimiteit-onthechting

Tekens van het onzichtbare
Schrijver: Antoon Van den Braembussche
Uitgever: Damon
Prijs: € 19,90
Bladzijden: 160 pagina’s
ISBN: 978 94 6340 295 8
Sterren: 5
https://www.damon.nl/book/tekens-van-het-onzichtbare

Boeken / Fictie

Slachtoffer van haar eigen geluk

recensie: Schijnvrucht – Ingrid de Vries

Shocking! Van onbekende, mannelijke docenten die verliefd worden op een jonge scholiere en voor eeuwig uit de schoolbanken verbannen worden tot oud-presidenten als Silvio Berlusconi die aanpapt met een 17-jarige buikdanseres. Het zijn inmiddels ‘smeuïge’ verhalen die al snel hun weg vinden naar de media. Maar wat als de jonge vrouw in kwestie het gevoel heeft dat ze de liefde van haar leven gestrikt heeft? In Schijnvrucht werpt Ingrid de Vries een heel ander licht op dit soort heikele kwesties.

Een moedergeschiedenis

Auteur Ingrid de Vries, tevens werkzaam als journalist, redacteur, researcher en tekstschrijver heeft voor haar nieuwe boek haar eigen moeder als onderzoeksobject genomen. En niet zonder reden. Haar moeder, in dit boek ‘Anna’ geheten, valt als dertienjarige aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog als een blok voor de twintig jaar oudere vriend van haar vader: ‘oom’ Idzard. De ring om zijn vinger houdt hem niet tegen om met haar het pad der liefde te bewandelen.

Eerst zijn hun ontmoetingen van onschuldige aard: Idzard is professioneel schilder en op Anna’s verzoek geeft hij haar tekenlessen in zijn atelier. Dit zal later uitgroeien tot hun liefdesnest: de enige schuilplaats na schooltijd om zich te onttrekken aan alle vragende blikken. Daarna tracht Idzard ook Anna’s aandacht te stelen onder schooltijd en het hoge verzuim begint Anna’s vader en moeder op te vallen.

Al snel hebben Anna’s ouders het idee dat het contact niet zo pluis is als het lijkt. Anna’s vader, Roger, maakt zich meester van haar meest intieme en geheimen gevoelens door al haar brieven en dagboeken toe te eigenen, waarin Anna zowel geniet als haast ‘panikeert’ van alle verliefde gevoelens die haar overvallen. Zo schrijft ze “Ik ben bang voor zijn hartstochtelijkheid” als ze denkt aan Idzards tastende en strelende handen over haar onderbuik en billen. Vlak na haar veertiende verjaardag ‘kaapt’ Idzard Anna van school en ontmaagdt hij haar in zijn atelier.

Gedoemd?

Vanaf dat moment kan niets of niemand Anna en haar hartstocht in de weg staan: hoewel haar vader haar schoenen iedere avond verstopt en de deur op slot doet, weet Anna het ‘regime’ van haar vader te ontvluchten en blijft ze Idzard ontmoeten. Ondanks de roerige tijden – het rantsoen is karig en de winters zijn koud ten gevolge van Hitlers onvermoeibare wens om de wereld te veroveren – lijkt het alsof Anna haar portie geluk toebedeeld heeft gekregen. Maar dan ontvangt ze een briefje van Idzard (gekregen van zusje Lou, die optreedt als postduif) dat Idzards joodse vrouw Hannah zwanger is. Wat betekent dit voor hun prille liefde?

Dubbele visie

Naïef of smoorverliefd tot over haar oren? De jonge Anna is één van de twee ik-vertellers in dit boek. Zij is als het ware de ‘belevende ik-verteller’, omdat de lezer meekijkt vanuit haar onschuldige blik als tienermeisje. De liefde die ze voelt voor de volwassen Idzard lijkt reëel, maar in hoeverre kun je dat inschatten als je nog maar zo weinig ervaring hebt op liefdesgebied? Idzard lijkt voor haar een obsessie te zijn. Ook als haar ouders haar wegsturen naar Frankrijk en andere plekken, is Idzard in haar hart én hoofd aanwezig.

Er is maar één die kan analyseren hoe die liefde in elkaar steekt en dat is de ‘oudere versie’ van Anna, de tweede ik-verteller in dit verhaal. Dit betreft de 88-jarige Anna, die als een ‘vertellende ik’ terugblikt op haar leven met Idzard. Echt positief kijkt ze niet terug op de jaren die haar gegund werden met Idzard: uiteindelijk wist ze met man en macht haar familie te overtuigen om haar in het huwelijksbootje te laten treden met haar grote liefde. Al die tijd heeft een vraag haar dwars gezeten: “Was ik genoeg voor Idzard?”. Menigmaal werd ze geteisterd door gedachtes over Idzard met andere jonge meisjes en vroeg ze zich tevens af waar hij nou werkelijk van hield: van jonge meisjes of van háár. De mysterieuze Idzard blijft in nevelen gehuld en zelfs op hoge leeftijd kan Anna haar Idzard maar lastig doorgronden.

Ongelukkige huisvrouw

Gedurende het boek zien we eigenlijk maar één Anna: een weifelende en ongelukkige Anna die zichzelf in de weg staat. Het boek heeft een zeer aanwezig droevig karakter. Met iedere tijdsprong weet je dat er nog meer ellende wacht. Anna en Idzard krijgen een dochter, van wie Anna maar weinig liefde terugkrijgt en Anna lijkt zich maar lastig te kunnen wortelen in haar huwelijk. Zeker in haar ondergeschikte positie als huisvrouw en 24/7 poetsvrouw des huizes. Ze bokst iedere dag op tegen de hoge verwachtingen die ze heeft en die haar stuk voor stuk niets bijbrengen. De omwenteling in de gevoelens van Anna zijn magistraal weergegeven in vaak fragmentarische vorm: in kleine stukjes tekst leren we Anna’s gevoelswereld steeds beter kennen. De grote vraag die bij de lezer opspeelt, zou zeker de volgende kunnen zijn: Hoeveel is het je waard om bij je grote geliefde te kunnen zijn?

Staat het mistroostige karakter van het verhaal de lezer in de weg? Zeker niet, want De Vries is een fantastische schrijfster. Ze stopt al haar zinnen vol met dubbele betekenissen, stilistische hoogstandjes en emotie. Het feit dat haar zinnen zo gedetailleerd uitpakken, leidt er wel toe dat het leestempo vertraagt en soms zelfs verstart. Het leest niet vlot weg, maar het is een gelaagd en realistisch aandoend verhaal, dat je twee keer laat denken over iets waar je in het begin nog erg van gruwelde: de liefde tussen een minder- en meerderjarig persoon.

Dit boek zet aan tot het loslaten van vooroordelen en opent de dialoog over de onverwachte doch hartstochtelijke liefdes in het leven. Daar waar je je in het begin slechts ongemakkelijk kunt voelen bij de seksueel getinte passages, zul je later meer openstaan voor Anna’s visie op het gebeurde. Was zij de uiteindelijke overwinnaar tegenover alle vooringenomen types of slachtoffer van haar eigen geluk?

Boeken / Non-fictie

Eerbetoon aan het boek

recensie: Papyrus - Irene Vellejo (uit het Spaans vertaald door Adri Boon)

In Papyrus vertelt classica Irene Vellejo in geuren en kleuren over haar favoriete voorwerp: het boek. Het resultaat is een persoonlijke hommage over boeken door de jaren heen die verder gaat dan een reguliere geschiedschrijving.

Voordat het woord ‘papyrus’ roem verwierf als cheesy Word-lettertype – Saturday Night Live maakte er een geniaal filmpje over – kenden we het eeuwenlang als medium voor het geschreven woord. Het is één van de dragers die voorbijkomt, naast onder meer steen, kleitabletten en perkament. Zelfs de menselijke huid is gebruikt om belangrijke boodschappen over te brengen. Zo schrijft de Griekse historicus Herodotos over een Atheense generaal die zijn schoonzoon wilde aansporen een opstand tegen het Perzische Rijk uit te lokken. Een brief schrijven zou beide levens op het spel zetten. In plaats daarvan werd de boodschap getatoeëerd op het achterhoofd van een bediende. Nadat diens haar voldoende was aangegroeid, kon de bediende veilig de tocht naar de geadresseerde maken, om daar wederom zijn hoofd te scheren en het geheime bericht prijs te geven.

Vrije associaties

Vellejo gidst de lezer langs vervlogen tijden en verloren gegane bibliotheken, waarvan de voornaamste natuurlijk de bibliotheek van Alexandrië is. Oprichter Ptolemaeus I had geen bescheiden streven met zijn project: de bibliotheek moest (kopieën van) álle bestaande boeken bijeenbrengen. Geleerden uit elk volk werden gerekruteerd om alle niet-Griekse teksten te vertalen. In tegenstelling tot de buitenwereld, leefden in de bibliotheek de woorden van Grieken, Joden, Egyptenaren, Iraniërs en Indiërs vreedzaam naast elkaar.

Laat er geen misverstand over bestaan: Papyrus is géén complete of puur objectieve geschiedenis van het boek. In meer dan 500 pagina’s passeren talloze anekdotes de revue. Het boek is veeleer een essaybundel met verhandelingen over de geschiedenis van het schrift en onze omgang daarmee, waarbij de Klassieke Oudheid het zwaartepunt vormt. De essays zijn enigszins naar onderwerp gerangschikt, maar zijn niet chronologisch geordend.

Empathie

Vellejo heeft de zeldzame gave om de geschiedenis tot leven te brengen door zich in te leven in haar subjecten. Een rol perkament is voor Vellejo niet louter een historisch artefact, maar ook het verhaal van een (geletterde!) tot slaaf gemaakte die belast was met de taal om teksten te kopiëren . In Papyrus duiken hier en daar ook persoonlijke herinneringen op: Vellejo vertelt over pestende klasgenootjes op het schoolplein in Zaragoza die maakten dat zij haar toevlucht in boeken zoekt.

Hoewel deze passage aangrijpend is, had hij ook weggelaten kunnen worden. Het doet enigszins aan als een afrekening, waarvoor dit boek wellicht niet de juiste plek is. Toch is het slechts een kleine smet op een fenomenale prestatie. Papyrus is verplichte kost voor iedere boekenwurm!

Boeken / Fictie

Bitterzoete familiegeschiedenis

recensie: Damon Galgut - De belofte

Zuid-Afrika, eind jaren tachtig. De spanningen in het land lopen hoog op. Op hetzelfde moment speelt er zich voor Amor Swart een klein familiedrama af. In De belofte van Damon Galgut wordt een jong meisje opgezadeld met de ingewikkelde geschiedenis van vorige generaties.

Als het einde van haar leven in zicht komt, laat de zieke Rachel Swart haar man beloven dat hij het huis aan de zwarte hulp, Salomé, zal schenken. De twee vrouwen hebben elkaar hun leven lang gekend en Salomé heeft Rachel tot haar einde verzorgd. Amor, de dochter van Rachel, is getuige van deze belofte, maar haar vader wil hier na de begrafenis niets meer van weten. De rest van haar leven zal Amor worden achtervolgd door gevoelens van schuld.

Geschiedenis van een land

Op jonge leeftijd is het voor Amor nog lastig om te begrijpen in ‘wat voor land’ ze leeft, zoals haar broer Anton tegen haar zegt. Ze is zich niet volledig bewust van de betekenis van de apartheid, die tot een einde begint te komen maar die diepe wonden in Zuid-Afrika achterlaat. Amors jeugdige onschuld weerhoudt haar ervan de ‘logica’ van de ontwikkelingen binnen het land en binnen haar familie te begrijpen.

De verteller beweegt heen en weer tussen Amor en de andere familieleden als een bewustzijn dat van alle perspectieven iets meepikt. Broer Anton ontdekt ondertussen zichzelf door zich af te zetten tegen zijn vader en een eigen weg te zoeken, terwijl Amors zus Astrid zich over angsten heen zet en strategisch opereert. Zelfs de blik van de overleden Rachel duikt af en toe op en ook de gedachten van ooms en tantes zweven voorbij.

Verschillende gedaanten

Door al die verschillende stemmen wordt duidelijk hoe diep sommige stereotypen met het wereldbeeld van de personages zijn verweven, zoals de ideeën over een hulp als Salomé. Volgens de meesten telt iemand als zij eigenlijk niet mee, ze is bijvoorbeeld niet eens uitgenodigd voor Rachels begrafenis. ‘Tante Marina heeft in haar niet mis te verstane bewoordingen laten weten dat ze die niet mocht bijwonen. Waarom niet? Ach, doe niet zo dom.’ De belofte van een eigen huis voor Salomé lijkt steeds onmogelijker.

Amor wordt een volwassen vrouw. Op de achtergrond van haar leven komt er een einde aan de apartheid, maar spelen zich ook dagelijkse dingen af zoals de halve finale tegen Frankrijk van het wereldkampioenschap rugby. Net als het Zuid-Afrikaanse land heeft het leven van Amor soms iets bitterzoets en verzet het zich tegen de kaders van een afgesloten verhaal. Amor laat zien hoe een mens of een land ondanks zijn kernachtige identiteit constant verschillende gedaanten aanneemt en altijd in ontwikkeling blijft.

Kunst / Expo binnenland

Krullende lippen

recensie: Alida Pott in Groninger Museum

In het Groninger Museum is momenteel een kleine maar fijne tentoonstelling te zien met werk van kunstenares Alida Pott (1888-1931). Slechts dertig werken zijn er te zien, in een doorloop naar andere exposities. Misschien is het een opmaat, want het smaakt naar méér.

Alida Pott, Portret van een jonge vrouw, 1921, Collectie Stichting De Ploeg

‘Ik was vooral gecharmeerd van haar bovenlip, die helemaal de vorm had van die gestileerde zeemeeuwen die kinderen met kleurpotloden tekenen’. Dat schrijft John Banville in zijn roman De blauwe gitaar over zijn ‘kleine meisje’, maar het zou net zo goed over bijvoorbeeld het Portret van een jonge vrouw van Alida Pott kunnen gaan.

Alida Pott was het eerste, maar niet het enige vrouwelijke lid van de Groningse schilders die bekend stonden onder de naam De Ploeg. Het meeste werk van haar dat wordt getoond, stamt uit  de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de Ploegschilders hun hoogtepunt beleefden. Zij schilderde op expressionistische wijze, wat je goed ziet in de blauwe bomen op het schilderij Het Blauwborgje (1920), een boerderij even buiten Groningen.

Ploegschilder en méér dan dat

Pott was getrouwd met Ploegschilder George Martens (1894-1970). Hij gebruikte een snelle toets, terwijl krullende lippen en de expressieve manier waarop handen werden geschilderd typerend zijn voor Pott. Lang was onduidelijk of het grote olieverfportret van de voetballer Hans Tetzner (1927), een familievriend nu van Martens was of van Pott. Voor het eerste pleit de snelle toets, voor het tweede onder andere de handen. En die krullende lippen…

Pott overleed op tweeënveertigjarige leeftijd aan een longziekte. Om onduidelijke redenen wilde haar man het werk van zijn vrouw na haar dood niet tentoonstellen. Als vrouwen overigens al een plaats kregen op exposities, want dat was in haar tijd niet vanzelfsprekend. Dat is jammer, want ze overtreft het werk van haar man en van menig andere Ploegschilder.

Expressionistisch én subtiel

Haar werk heeft iets eigenzinnigs. Op bijna alle getoonde portretten is het hoofd bijvoorbeeld iets geneigd, alsof de geportretteerden richting de nieuwsgierige kijker willen zeggen: ‘Wat nou, kijk maar eens goed! Ja, ik ben een Ploegschilder met mijn expressionistische, dikke lijnen die je onder andere ziet op mijn landschappen. Maar ik kan ook klein en intiem werken, subtiel en met maar een paar rake lijnen. En in terracotta een aandoenlijke Oude vrouw neerzetten. De handen gevouwen op haar schoot, de boezem hangend. Niet “mooi”, maar o zo treffend. Toch?’

Alida Pott, Boomgaard Blauwborgje, 1920, Collectie Stichting De Ploeg

Naast portretten en landschappen zie je ook dadaïstische collages, affiches en allerlei gebruiksvoorwerpen die Pott heeft ontworpen. Zoals een houtsnede à la Wajongpoppen, om nog maar te zwijgen van een servethouder, een poetsdoos, een metalen eierdopje en houten broches. Hierin verheft ze alledaagse gebruiksvoorwerpen tot iets bijzonders.
Dichtte Harriet Laurey (1924-2004) niet:

Dan moet men heel gewone dingen.
Iets jaren ouds, bijvoorbeeld koffie zetten.
Aandachtig op kleine gebaren letten.
Zorgvuldig  bonen in de molen doen.

Een warme, korreldroge geur begint
zich langzaam door de kamer te verspreiden,
de dingen tot hun leven te bevrijden.
De spiegel glimlacht terug. Het water zingt.

Dat is zo’n beetje de sfeer die je inademt als je door deze kleine, door curator Nadia Abdelkaui met zorg samengestelde expositie loopt: letten op kleine dingen, zoals gekrulde lippen. Een tentoonstelling die laat zien dat Alida Pott in al haar veelzijdigheid méér was dan een Ploegschilder.

Kunst / Expo binnenland

Een nieuwe kijk op kunst

recensie: Met andere ogen

Elk kunstwerk vertelt een verhaal, maar dat is lang niet altijd in één oogopslag te zien. De tentoonstelling ‘Met andere ogen’ laat op een toegankelijke en interactieve wijze zien dat je door aandachtig te kijken meer uit een kunstwerk kunt halen dan je vooraf zou denken.

In de eerste zaal die je betreedt hangt slechts één schilderij. Je zou geneigd zijn om snel door te lopen naar de volgende zaal, maar het idee is juist om plaats te nemen op de bank ervoor en je ogen de kost te geven aan de weergegeven zonsondergang. De lucht baadt nog even in goudgeel zonlicht, terwijl de eerste koelte van de nacht zijn aantrede doet. De donkere bruintinten waarmee het heuvelachtige landschap is bedekt benadrukt die aankomende duisternis. Dat is één interpretatie bij het zien van dit schilderij.

Charles-François Daubigny, Zonsondergang, 1876-1877 © Museum Gouda

Maar…wat zie jij? In de zalen die volgen vormt wat jij wel en niet ziet de rode draad. Via de audiotour word je aangespoord om goed te kijken, luisteren, ruiken en uiteindelijk te ervaren wat voor invloed dat heeft op jouw beleving van kunst. Het maakt deze tentoonstelling een vindingrijke manier om kunst toegankelijk te maken.

Wat zie jij?

Het is lastig om te bepalen wat je ziet als je niet weet waar je op moet letten. De audiotour helpt je daarbij, maar het is de bedoeling is dat je eerst zelf naar de kunstwerken kijkt. Zo sta je in de tweede zaal oog in oog met een schilderij van een interieur. Aan tafel zit een jonge vrouw die een brief aan het schrijven is, een tafereel waar in eerste instantie niets bijzonders aan lijkt. Als je langer kijkt valt op dat er op de achtergrond schilderijen tegen een muur staan en hangen.

Piet Meiners, Portret van Cobi Arntzenius-Witsen in het atelier op Ewijkshoeve, 1896 © Museum Gouda

Zit deze vrouw in een kunstenaarsatelier? Ze draagt een trouwring, dus kun je je afvragen: is dit een getrouwde vrouw die werkt als kunstenares? Is ze getrouwd met een kunstenaar? Of komt ze uit een kunstenaarsfamilie? Via deze vragen kun je zelf aan de slag met het interpreteren van haar rol en de betekenis van het schilderij. De tentoonstelling verrast je steeds opnieuw met zulke inzichten over kunst.

Al je zintuigen gebruiken

Naast je ogen gebruik je in deze tentoonstelling ook je oren en neus. Je ziet een stilleven en je kunt via twee geurboxen ruiken aan de vruchten die je ziet. Maar leuker is een schilderij van een interieur in de avond, of in vroeg ochtendlicht. Op de achtergrond zie je een raam waar een beetje licht doorheen schemert. De voorgrond is vrij donker en wordt aan je zicht onttrokken door een half openstaande deur. Op zichzelf misschien niet heel bijzonder, maar de interessante toevoeging komt via de audiotour, waarbij je twee verschillende muziekfragmenten hoort. Als eerste een idyllisch muziekje wat het lege interieur lijkt te verlevendigen en het schilderij een vrolijke twist geeft. Als tweede hoor je een heel onheilspellend stuk, waardoor de donkere kleuren op de voorgrond opeens heel dreigend aandoen. Grappig genoeg beïnvloedt geluid je beleving van het schilderij.

Henri Fantin-Latour, Interieur, 1859 © Museum Gouda

Door de ogen van een ander

Het leuke aan kunst is dat iedereen iets anders kan zien in een kunstwerk. Door te kijken naar kunst via de ogen van iemand anders doe je nieuwe inzichten op. In het laatste deel van de tentoonstelling vertellen inwoners van Gouda wat zij zien in een kunstwerk. Hun perspectieven zorgen er dan ook voor dat je nieuwe dingen ziet in de schilderijen. Door de grote hoeveelheid audio stops en de lengte van de fragmenten is het laatste deel echter eigenlijk te lang. Bovendien zijn er vrijwel geen zaalteksten aanwezig, dus ben je verloren zonder audiotour en kun je ook niet kiezen om even snel de belangrijkste informatie te scannen in het laatste deel.

Toch is het een spannende tentoonstelling met een innovatief concept, dus het zou mooi zijn om meer van zulke tentoonstellingen te zien. De interactieve insteek draagt uit dat kunst niet moeilijk hoeft te zijn. Goed kijken vormt de sleutel en dat wordt hier alleen maar aangemoedigd. Zo krijg je, zonder dat je diepgaande kennis mee hoeft te brengen, een mooie introductie op de verschillende manieren waarop je naar kunst kan kijken. Goede kans dat je na afloop ‘met andere ogen’ naar kunst kijkt.

Boeken / Fictie

Instapmodel voor sciencefiction

recensie: Olga Ravn – Het personeel

Op een ruimteschip, ver hiervandaan, in een niet-gedefinieerde toekomst, is een strijd gaande tussen het menselijke en niet-menselijke personeel. Via getuigenverklaringen ontdek je langzaamaan wat er gebeurd is. Met Het personeel onderzoekt de Deense auteur Olga Ravn wat het betekent om mens te zijn.

Het personeel van Olga Ravn speelt zich af op een ruimteschip, die enkele lichtjaren hiervandaan rond een planeet zweeft. Het verhaal bestaat uit getuigenverklaringen van de werknemers, die zowel menselijk als mensachtig zijn. Langzaam ontvouwt zich het verhaal en wordt duidelijk dat de grens tussen mens en mensachtige niet altijd helder is en voor welke problemen dit zorgt.

‘Er zijn menselijken, en er zijn mensachtigen. Zij die geboren zijn, en zij die geschapen zijn. Zij die zullen sterven, en zij die dat niet doen. Zij die zullen vergaan, en zij die niet zullen vergaan.’

Eigen wil

De mensen denken aanvankelijk dat ze hun creaties volledig onder controle hebben, maar gaandeweg blijkt dat ook zij een eigen wil hebben. Ze negeren updates en ontwikkelen gevoelens die niet in hen geprogrammeerd zijn. Ze vragen zich af waarom ze eigenlijk minderwaardig zijn, enkel omdat ze niet uit een mens zijn geboren.

Ondertussen zien de mensen het leven op het ruimteschip ook steeds minder zitten. ‘We gaan gebukt onder de herinneringen aan waar we vandaan komen’, vertelt een van de werknemers. Terwijl hun leven eindig is, leven de mensachtigen voor eeuwig voort doordat hun bewustzijn wordt geüpload in de cloud. Dit besef zorgt voor spanningen, de tweedeling groeit totdat er nog maar één oplossing mogelijk lijkt.

Marginaal

Naast de bespiegelingen over het mens-zijn is het verhaal verder vrij marginaal. Ze zweven rondom een vreemde planeet, vermoedelijk om die te bewonen omdat de aarde niet langer bewoonbaar is, het klassieke sciencefictionverhaal. Ook het idee van mensachtige werknemers is natuurlijk niet nieuw, in Do androids dream of electric sheep van Philip K. Dick (en de filmbewerking Blade runner) werd dit zelfs nog interessanter aangepakt, door twijfel te laten ontstaan over iemands identiteit.

Het personeel is aansprekend door de gekozen vorm. Doordat informatie mondjesmaat wordt prijsgegeven, word je gestimuleerd om door te lezen. In de poëtische beschouwingen lees je dat Ravn een groot schrijver is, maar inhoudelijk is het vrij oppervlakkig. Al met al is Het personeel niet meer dan een leuk instapmodel om kennis te maken met het genre sciencefiction.

Kunst / Reportage
special: Romanovs in de ban van de ridders
Evert Elzinga

Hoofse liefde in Hermitage Amsterdam

Vorig jaar werkte ik bij Hermitage Amsterdam aan Romanovs in de ban van de ridders, een tentoonstelling waarin onder andere op een thematische manier wordt gekeken naar hoe mensen leefden in de middeleeuwen.

 

In de grote zaal van de tentoonstelling leer je meer over het dagelijkse leven van welgestelde mensen uit de middeleeuwen. Wat deden ze in hun vrije tijd? Hoe uitten zij gevoelens naar een geliefde? En hoe vierden ze feest? Naar zulke vragen deed ik onderzoek tijdens mijn masterstage. In een serie van een paar specials vertel ik jullie meer over mijn onderzoek door enkele objecten uit te lichten die mooi illustreren hoe middeleeuwers leefden. Hiervoor trap ik af met een blogpost over hoofse liefde.

Kistje met scenes of ridderromans, tweede helft veertiende eeuw © Staatshermitage Museum, foto door Alexander Koksharov

Liefde in de middeleeuwen

Liefde is van alle tijden, net zoals het geven van geschenken aan geliefden. Alleen, wat voor geschenken gaven mensen aan elkaar in de middeleeuwen? In die tijd was het voor adellijke mannen gebruikelijk om hun geliefde een ivoren kistje te geven, gevuld met, je zou het niet raden, toiletartikelen! Op zulke kistjes werden liefdesscenes afgebeeld, maar daar hield het niet bij op. Ieder object in het kistje werd voorzien van liefdessymboliek om de serieuze intenties van de edelman kracht bij te zetten. In de tentoonstelling zie je dat mooi terug in een ogenschijnlijk onopvallende kam.

Een kam als liefdesgeschenk?

 

Kam, tweede helft vijftiende eeuw © Staatshermitage Museum, foto door Alexander Koksharov

Het is nu niet voor te stellen dat je van je geliefde een kam als geschenk krijgt, maar dat was in de middeleeuwen onder de adel heel normaal. In die tijd waren kammen noodzakelijk, omdat mensen zich minder grondig wasten en nauwelijks toegang hadden tot schoon water. De bovenste rij met dunne en dicht op elkaar staande tanden van deze kam was dan ook bedoelt om luizen en viezigheid uit het haar te verwijderen. In de onderste rij staan de tanden net wat verder uit elkaar. Aangezien ook mensen in de middeleeuwen een bad hair day vervelend vonden, is deze rij bedoelt om haar in model te brengen. Voor adellijke mannen en vrouwen die zich toen nog niet goed konden wassen was dit dus best wel een nuttig cadeau. Maar daar houdt het niet bij op.

Als je goed kijkt naar het midden van de kam, dan zie je dat er een hartje is uitgesneden op de plek waar de gebruiker het vastpakte. Het hart, een iconisch symbool voor de liefde, wijst erop dat de ontvanger het object waarschijnlijk heeft gekregen van een geliefde. Naast het hart is een inscriptie te zien in het Hebreeuws waar staat: ‘God zegent u’ . Op kammen in andere museumcollecties vind je veelal een liefdesspreuk of zelfs de naam van een geliefde als inscriptie. Of de geliefde blij was met deze kam zullen we nooit weten. Er zijn geen gebruikssporen te bekennen, dus goede kans dat de kam niet vaak is gebruikt.

Afdekplaatje voor een spiegel, tweede helft veertiende eeuw © Staatshermitage Museum, foto door Alexander Koksharov

Een spiegel met liefdessymbolen

Nog zoiets wat wij nooit cadeau zouden doen, maar wat in de middeleeuwen een luxeproduct was: spiegels. Het bekijken van je reflectie is nu heel vanzelfsprekend, maar in de middeleeuwen waren spiegels zoals wij die nu kennen nog niet uitgevonden. Gepolijst metaal was het beste alternatief, maar het kostte veel tijd, moeite en geld om dat om te toveren tot een spiegel die een duidelijke reflectie kon tonen. Om de kostbaarheid van het object te benadrukken en tegelijkertijd het oppervlak te beschermen werden spiegels afgedekt met ivoren afdekplaatjes. Een van de afdekplaatjes in de tentoonstelling toont een verliefd stel. Dit afdekplaatje stelt geen bestaand koppel voor, want evenals spiegels werden zulke plaatjes in grote getalen gemaakt.

Net als bij de kam zien we wel symbolen die verwijzen naar de liefde. Op de schoot van de jonge vrouw zie je een hondje, een beeltenis die verwijst naar het bekende spreekwoord ‘zo trouw als een hond’. Met haar andere arm zet ze een krans op het hoofd van een man, terwijl hij zijn hand liefelijk heeft uitgestrekt naar haar kin. Op de rechterhand van de man zit een tamme valk, wat net zoals het hondje ook symbool staat voor trouw. De valk is tam en dient dus maar één eigenaar en symboliseert het hart van de jongeman, die ook maar aan één vrouw toebehoort.
Een spiegel met afdekplaatje was in de middeleeuwen dus het ultieme cadeau om aan je geliefde te geven aan wie je eeuwige trouw wilde beloven en van wie je onvoorwaardelijk hield. Zo zie je dat toiletartikelen uit de middeleeuwen onverwachts via symbolen vol met romantische betekenis kunnen zitten.

Kunst / Expo binnenland

De vele gezichten van Frida Kahlo

recensie: Cobra Museum voor Moderne Kunst
ZaalbeeldPeter Tijhuis

“Ze dachten dat ik een surrealist ben, maar dat ben ik niet. Ik schilder nooit dromen. Ik schilder mijn eigen werkelijkheid,” zei Frida Kahlo (1907-1954) in 1953 tegen Time Magazine. Haar realiteit en die van haar man Diego Rivera (1886-1957) worden op een veelzijdige manier getoond in de tentoonstelling Frida Kahlo & Diego Rivera: A Love Revolution.

 

De liefde tussen Kahlo en Rivera bloeide op in 1928 toen zij elkaar ontmoetten via de Mexicaanse communistische partij. Een jaar later trouwden ze, maar het was een stormachtige relatie met buitenechtelijke affaires aan beide kanten. Tegelijkertijd leefden zij in roerige tijden waarin revoluties elkaar in een vlug tempo opvolgden. De tentoonstelling geeft een gelaagd beeld van hun relatie tegen een achtergrond van deze maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, waarbij met name de schilderijen van Kahlo de boventoon voeren.

Met dank aan The Jacques and Natasha Gelman Collection of 20th Century Mexican Art en The Vergel Foundation/INBAL-Secretaría de Cultura. © 2021 Banco de Mexico Diego Rivera Frida Kahlo Museums Trust, Mexico DF c/o Pictoright Amsterdam 2021

Tijdgenoten

In de eerste drie zalen zie je schilderijen van Mexicaanse tijdgenoten van Kahlo en Rivera. Lopend door die zalen wil je als bezoeker weten: waar kijk ik naar? Waarom zie ik op een schilderij van Juan Soriano (1920-2006) een meisje met hersens in haar hand? Waarom heeft Gunther Gerzso (1915-2000) een portret gemaakt van een man die alleen maar bestaat uit witte en rozige hoekige vormen? Maar in de zaalteksten, gebundeld in een boekje, staat hoofdzakelijk biografische informatie en weinig verheldering over de kunstwerken. Wel wordt het duidelijk dat Kahlo en Rivera deze kunstenaars hebben gekend. Zo geven deze schilderijen een goed beeld van de tijdgenoten van Kahlo en Rivera, maar het is jammer dat inhoudelijke informatie over de kunst ontbreekt. Je ziet wat er geschilderd werd, maar de beeldtaal van deze kunstenaars wordt niet toegelicht.

Een kijkje in de levens van Kahlo en Rivera

Vanwege de nadruk op biografische gegevens wekt het eerste deel van de tentoonstelling een afstandelijke indruk. Vluchtig schiet je van de ene naar de andere kunstenaar. Dit verandert radicaal halverwege de tentoonstelling, waar het zwaartepunt verschuift naar Kahlo en Rivera. Je krijgt via uitvergrote foto’s op de wanden een indruk van de gigantische muurschilderingen van Rivera, die vaak een politiek of nationalistisch karakter hadden. Waar Rivera zich vooral richtte op sociale en maatschappelijke kwesties, nam Kahlo haar innerlijke belevingswereld als uitgangspunt. De zaalteksten wijzen je op symbolen die Kahlo en Rivera gebruikten om uitdrukking te geven aan hun Mexicaanse identiteit en politieke standpunten. Dat geeft een frisse en welkome blik op een kunstenares bij wie het accent vaak ligt op haar fysieke en emotionele lijden. Gelukkig zie je in deze tentoonstelling dus dat Kahlo niet altijd verwijst naar dat leed in haar kunst.
Zo komen de communistische sympathieën van Kahlo naar voren in een tekening die ze maakte van het Vrijheidsbeeld in New York. In plaats van een fakkel houdt Lady Liberty een geldzak en een atoombom vast en zitten Adolf Hitler en Joseph Stalin verstopt in haar buik. Maar het zou te simplistisch zijn om Kahlo enkel daar mee te vangen. Zo voelde ze zich ook aangetrokken tot de Indiase filosofieën en levensbeschouwing, wat je goed ziet in haar gebruik van het derde alziende oog in het Zelfportret als Tehuana (1943). Naast de inheemse symboliek komt ook haar man Rivera terug: op haar voorhoofd heeft ze hem afgebeeld, alsof hij haar haar derde (alziende) oog is.

The Jacques and Natasha Gelman Collection of Mexican Art © Met dank aan de Throckmorton Fine Art, Inc

Fotografie en kleding

De tentoonstelling sluit af met fotoseries van Kahlo en Rivera en gereconstrueerde traditionele Mexicaanse klederdrachten voor vrouwen. Met name de fotoseries onderstrepen het intieme karakter van de tentoonstelling, omdat de fotografen Kahlo en Rivera vaak samen hebben gefotografeerd. Het contrast tussen Kahlo en Rivera is groot in de tentoonstelling, omdat
Kahlo zich vooral richtte op haar innerlijke belevingswereld en Rivera op sociale en maatschappelijke problemen. Daardoor zie je de onderlinge band tussen de twee in het eerste deel van de tentoonstelling niet goed terug. De fotoseries brengen daar wat meer verandering in. Kahlo gaat, tegen het einde van de tentoonstelling, leven. Naast de zelfportretten die het artistieke hoogtepunt van de tentoonstelling waren zie je boven je hoofd korte filmpjes waarin Kahlo je lachend toekijkt. Zo ligt de nadruk uiteindelijk toch op Kahlo, en verdwijnt Rivera naar de achtergrond. De tentoonstelling is zeker de moeite waard vanwege de prachtige zelfportretten en de beeldtaal van Kahlo, maar niet vanwege een breder begrip van de band tussen de twee.

Kunst / Expo binnenland

Prachtige klei komt tot leven

recensie: The Art of Aardman

Ontmoet het beroemde schaap, Shaun the Sheep, op de expositie van Aardman Studios in het Forum Groningen. Daarnaast kom je nog meer geweldige film personages tegen uit bijvoorbeeld Wallace & Gromit, Chicken Run en The Pirates! Band of Misfits. Na Parijs, Frankfurt, Melbourne, Seoul en Daegu heeft Nederland nu de eer om deze prachtige verzameling films van Aardman tentoon te stellen.

Bij binnenkomst weet je niet waar te beginnen met kijken door al het moois van deze Oscar-winnende studio uit Bristol. Helden worden stap voor stap leven ingeblazen. De magie straalt van de tekeningen, decors en kleimodellen af. Fascinerende ideeën zijn uitgewerkt tot amusante films. Nu is eindelijk te zien hoe dat allemaal tot stand komt in deze betoverende reis door de wereld van de Aardman Studios.

Het Galjoen, set van The Pirates! Band of Misfits, 2012

Van mini tot maxi

Alles is zo klein en tastbaar. De miniatuursets en oneindige accessoires zijn zorgvuldig gecreëerd door getalenteerde vakidioten. De liefde voor dit ambacht komt terug in de uitwerking van prachtige vormen en constructies. Kleine konijntjes, klassieke schilderijen, fraaie kleding, grappige posters en smakelijke gerechten geven de films extra karakter. Daarnaast worden records behaald met Dot. De kleinste stop-motion animatie over een blond meisje, niet groter dan een muntje van tien cent, gefilmd met een Nokia N8.  Met diezelfde camera is Gulp gemaakt, de grootste stop-motion film. Dat er gewerkt wordt met reusachtige objecten blijkt ook uit het gigantische schip van The Pirates! Band of Misfits. Het schip is bijna aan te raken en door de verrekijkers kom je nog dichterbij om zicht te krijgen op de uitgewerkte details.

Schetsen personages voor de Shaun the Sheep Movie, Farmageddon, 2019

Schetsboekje bij de hand

Elk verhaal begint met een wit vel papier en die velletjes kom je zeker tegen. Niet meer leeg, maar vol met indrukwekkende ideeën van enthousiaste schapen, monsterkonijnen en avontuurlijke piraten. Schetsboeken liggen open met handgetekende figuurtjes. Ze tonen hoe je favoriete karakters vorm krijgen. Ook plattegronden en interieurdesigns van kerken, villa’s, molens en schepen worden op papier uitgewerkt voordat ze in het echt worden gebouwd. Langzaam ontdek je steeds iets meer over het geheime proces dat Aardman goed onder de knie heeft om deze magische klei-animaties mogelijk te maken.

Geboren uit klei

Peter Lord en David Sproxton maakten ooit hun eerste cut-out animatie. Het succes kwam door over te gaan van getekende beelden naar klei. Na het eerste filmpje over de superheld Aardman kwam de geboorte van Morph, het mannetje uit klei. Gevolgd door de eerste verschijning van Wallace & Gromit in A Grand Day Out. De raket staat nu op de expositie klaar voor vertrek. Inmiddels zijn er heel wat personages bijgekomen. Lady Campanula poseert in haar sierlijke outfits en het monsterkonijn toont zijn innerlijke skelet. Piraten wisten de set te veroveren en zelfs de Kerstman is niet vergeten met Arthur Christmas.

De kelder van Wallace & Gromit: set uit The-Curse of the Were Rabbit, 2005

Speelparadijs

Complete decors met schattige en bijzondere elementen halen weer het kind in je naar boven. Steeds weer blijft er iets nieuws te spotten. Als je goed oplet kun je de vingerafdrukken nog vinden op de klei. Juist dit imperfecte element geeft de animatie zijn levendige karakter. Een stukje persoonlijkheid en plezier dat de makers meegeven aan hun creaties. Er is veel interessants te zien en daarom krijg je geen genoeg van. Extra informatie nodig… dan zijn er QR-codes te scannen om de audiotour zelf te beluisteren. Na deze expositie geniet je nog meer van de unieke stop-motion films nu je weet hoe de klei helemaal tot leven wordt gebracht. Een stukje geschiedenis dat gelukkig zijn einde nog niet kent.

 

De nieuwste film van Studio Aardman, Het Ruimteschaap, is nu te zien op Netflix en Pathé Thuis. Klik hier voor de recensie over deze film.