Berichten

Kunst / Expo binnenland

Een blik in de Biblebelt

recensie: Recensie: Bij ons in de Biblebelt, Museum Catharijne Convent

In de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt opent een vrij gesloten gemeenschap in Nederland de deuren naar de buitenwereld. Herkenbaar voor wie de ‘refowereld’ van dichtbij kent, en verhelderend voor wie er in deze tentoonstelling voor het eerst dichtbij komt.

Campagnebeeld Bij ons in de Biblebelt, foto Sjaak Verboom, ontwerp Fabrique (zonder tekst)

Een respectvolle benadering

Een leven waarin de bijbel je leidraad is, waar je op zondag twee keer naar de kerk gaat en het Reformatorisch Dagblad op de deurmat valt. Het zijn voor reformatorische christenen op de Biblebelt vanzelfsprekendheden. Hoewel de reformatorische zuil van buitenaf misschien een eenheid lijkt, schuilen er veel verschillen in opvattingen, keuzes en uitingsvormen. Een genuanceerd beeld dat recht doet aan deze gemeenschap in zijn volle breedte kan deze tentoonstelling dan ook niet bieden zonder afbreuk te doen aan het scheppen van een helder en begrijpelijk beeld. Bij ons in de Biblebelt benadert de reformatorische wereld echter respectvol en open, en probeert daarbij stereotypering te vermijden.

De overeenkomsten binnen de gemeenschap worden benadrukt, maar daarbij wordt niet voorbijgegaan aan de verschillen. Zo komen in een reeks video-interviews diverse ‘refo’s’ aan het woord over uiteenlopende onderwerpen als media, vrije tijd en politiek. Zij vertegenwoordigen allen de reformatorische wereld, maar delen niet op alle punten exact dezelfde mening. De tentoonstelling laat hiermee zien dat de ‘refowereld’, ook wel bekend als de ‘zwarte-kousen-gemeenschap’ , kleurrijker is dan men misschien op voorhand zou denken. Dit geldt niet enkel voor hun kleding maar ook voor de diversiteit in de keuzes die gemaakt worden en de verantwoording daarvan. De subcultuur wordt dichtbij gebracht en persoonlijk benaderd.

Uit de serie Zaterdag/zondag, foto Sjaak Verboom

De Biblebelt en de tijdgeest

De tentoonstelling schetst een beeld van de historie van de reformatorische zuil in Nederland, van diverse belangrijke figuren in deze geschiedenis en van reformatorische kerkverbanden. Dat laatste is een complex onderwerp, en één waar de tentoonstelling dan ook niet te diep op ingaat: niet de verschillen worden benadrukt, maar dat wat de diverse kerken bindt. De focus van de tentoonstelling ligt vooral op thema’s die een rol spelen binnen de ‘refowereld’ van nu: welke keuzes maken ‘refo’s’ binnen de Biblebelt? Waarin onderscheiden zij zich fundamenteel van de mensen die zij rekenen tot ‘de buitenwereld’? Welke gevaren neemt de huidige tijdgeest met zich mee voor het overeind blijven van de reformatorische normen en waarden?

Met reformatorische scholen, vakantieparken, studentenverenigingen en een eigen krant slaagt ‘de zuil’ er grotendeels in om een eigen wereld te creëren, waarin andere waarden gelden dan in de rest van de maatschappij. Maatschappelijke ontwikkelingen dringen echter ook door in de reformatorische wereld. De tentoonstelling brengt de wijze waarop reformatorische christenen met deze ontwikkelingen omgaan in beeld. De komst van internet en social media is hiervan een voorbeeld.

Gereformeerde Gemeente, Lisse, foto Henk Visscher, Reformatorisch Dagblad

De ophef aangaande het niet vaccineren van kinderen door veel ouders op de Biblebelt en de recentere opschudding rondom de Nashville-verklaring komen eveneens aan de orde. Toch wordt niet gefocust op dergelijke negatieve opspraak. De aandacht gaat vooral naar de reformatorische christenen, hun levensstijl en de verantwoording van hun keuzes. Ook is er ruimte voor beeldende kunst: verschillende kunstenaars van de reformatorische kunstenaarsvereniging KORF tonen hun beeldend werk.

Diverse thema’s die in de tentoonstelling slechts zijdelings aan de orde komen, zoals homoseksualiteit, man-vrouw verhoudingen en het verlaten van de reformatorische gemeenschap, worden in lezingen rondom de tentoonstelling verder uitgediept. Zo komen ook Franca Treur en Jan Siebelink aan het woord in een lezing. Beide auteurs zijn in een streng christelijk gezin opgegroeid, maar zijn inmiddels uit dit milieu gestapt. Het is een bewuste keuze van de curator Tanja Kootte om het verlaten van de reformatorische wereld niet te benadrukken in de tentoonstelling. De keerzijde die de gemeenschap kent, zoals de beklemming die ermee gepaard kan gaan, en de gevolgen van het maken van een andere keuze, zitten er op een meer subtiele manier in verweven.

Het doel van de tentoonstelling is dat bezoekers zelf een beeld kunnen vormen van deze groep christenen in Nederland. Bij ons in de Biblebelt geeft een eerlijke, persoonlijke inkijk in de ‘refowereld’, die de kijker uitdaagt om verder te denken dan stereotypen en vooroordelen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Een blik in de Biblebelt

recensie: Recensie: Bij ons in de Biblebelt, Museum Catharijne Convent

In de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt opent een vrij gesloten gemeenschap in Nederland de deuren naar de buitenwereld. Herkenbaar voor wie de ‘refowereld’ van dichtbij kent, en verhelderend voor wie er in deze tentoonstelling voor het eerst dichtbij komt.

Campagnebeeld Bij ons in de Biblebelt, foto Sjaak Verboom, ontwerp Fabrique (zonder tekst)

Een respectvolle benadering

Een leven waarin de bijbel je leidraad is, waar je op zondag twee keer naar de kerk gaat en het Reformatorisch Dagblad op de deurmat valt. Het zijn voor reformatorische christenen op de Biblebelt vanzelfsprekendheden. Hoewel de reformatorische zuil van buitenaf misschien een eenheid lijkt, schuilen er veel verschillen in opvattingen, keuzes en uitingsvormen. Een genuanceerd beeld dat recht doet aan deze gemeenschap in zijn volle breedte kan deze tentoonstelling dan ook niet bieden zonder afbreuk te doen aan het scheppen van een helder en begrijpelijk beeld. Bij ons in de Biblebelt benadert de reformatorische wereld echter respectvol en open, en probeert daarbij stereotypering te vermijden.

De overeenkomsten binnen de gemeenschap worden benadrukt, maar daarbij wordt niet voorbijgegaan aan de verschillen. Zo komen in een reeks video-interviews diverse ‘refo’s’ aan het woord over uiteenlopende onderwerpen als media, vrije tijd en politiek. Zij vertegenwoordigen allen de reformatorische wereld, maar delen niet op alle punten exact dezelfde mening. De tentoonstelling laat hiermee zien dat de ‘refowereld’, ook wel bekend als de ‘zwarte-kousen-gemeenschap’ , kleurrijker is dan men misschien op voorhand zou denken. Dit geldt niet enkel voor hun kleding maar ook voor de diversiteit in de keuzes die gemaakt worden en de verantwoording daarvan. De subcultuur wordt dichtbij gebracht en persoonlijk benaderd.

Uit de serie Zaterdag/zondag, foto Sjaak Verboom

De Biblebelt en de tijdgeest

De tentoonstelling schetst een beeld van de historie van de reformatorische zuil in Nederland, van diverse belangrijke figuren in deze geschiedenis en van reformatorische kerkverbanden. Dat laatste is een complex onderwerp, en één waar de tentoonstelling dan ook niet te diep op ingaat: niet de verschillen worden benadrukt, maar dat wat de diverse kerken bindt. De focus van de tentoonstelling ligt vooral op thema’s die een rol spelen binnen de ‘refowereld’ van nu: welke keuzes maken ‘refo’s’ binnen de Biblebelt? Waarin onderscheiden zij zich fundamenteel van de mensen die zij rekenen tot ‘de buitenwereld’? Welke gevaren neemt de huidige tijdgeest met zich mee voor het overeind blijven van de reformatorische normen en waarden?

Met reformatorische scholen, vakantieparken, studentenverenigingen en een eigen krant slaagt ‘de zuil’ er grotendeels in om een eigen wereld te creëren, waarin andere waarden gelden dan in de rest van de maatschappij. Maatschappelijke ontwikkelingen dringen echter ook door in de reformatorische wereld. De tentoonstelling brengt de wijze waarop reformatorische christenen met deze ontwikkelingen omgaan in beeld. De komst van internet en social media is hiervan een voorbeeld.

Gereformeerde Gemeente, Lisse, foto Henk Visscher, Reformatorisch Dagblad

De ophef aangaande het niet vaccineren van kinderen door veel ouders op de Biblebelt en de recentere opschudding rondom de Nashville-verklaring komen eveneens aan de orde. Toch wordt niet gefocust op dergelijke negatieve opspraak. De aandacht gaat vooral naar de reformatorische christenen, hun levensstijl en de verantwoording van hun keuzes. Ook is er ruimte voor beeldende kunst: verschillende kunstenaars van de reformatorische kunstenaarsvereniging KORF tonen hun beeldend werk.

Diverse thema’s die in de tentoonstelling slechts zijdelings aan de orde komen, zoals homoseksualiteit, man-vrouw verhoudingen en het verlaten van de reformatorische gemeenschap, worden in lezingen rondom de tentoonstelling verder uitgediept. Zo komen ook Franca Treur en Jan Siebelink aan het woord in een lezing. Beide auteurs zijn in een streng christelijk gezin opgegroeid, maar zijn inmiddels uit dit milieu gestapt. Het is een bewuste keuze van de curator Tanja Kootte om het verlaten van de reformatorische wereld niet te benadrukken in de tentoonstelling. De keerzijde die de gemeenschap kent, zoals de beklemming die ermee gepaard kan gaan, en de gevolgen van het maken van een andere keuze, zitten er op een meer subtiele manier in verweven.

Het doel van de tentoonstelling is dat bezoekers zelf een beeld kunnen vormen van deze groep christenen in Nederland. Bij ons in de Biblebelt geeft een eerlijke, persoonlijke inkijk in de ‘refowereld’, die de kijker uitdaagt om verder te denken dan stereotypen en vooroordelen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Een esthetische speeltuin met maatschappijkritiek

recensie: Recensie: I´m Your Mirror ǀ Joana Vasconcelos

Een kakofonie aan geluid, licht en beweging, felle kleuren en immense kunstwerken. Als je op zoek bent naar de rust en sereniteit kun je tot 17 november 2019 beter rechtsomkeert maken op de tweede verdieping van de Kunsthal. Daar vind je tot die tijd het retrospectief I’m Your Mirror van de Portugese kunstenares Joana Vasconcelos.

Call Center, 2014–2016, Photo credit: © FMGB Guggenheim Bilbao Museoa, 2018. Photo: Erika Ede © Joana Vasconcelos

Meer dan Popsterren

De titel van de tentoonstelling is een eerbetoon aan de Duitse zangeres Nico. Toch refereert de tentoonstelling aan veel meer dan aan popsterren uit de vorige eeuw. I’m Your Mirror snijdt hedendaagse thema’s aan, heeft een feministische invalshoek, becommentarieert verschillende kunststromingen en verwijst naar Portugese volkscultuur. Verspreid door de ruimte staan grote werken die vaak maatschappijkritiek in zich dragen. Door het slimme gebruik van tussenwanden krijgt elk werk voldoende ruimte in de Kunsthal.

Onsubtiele kritiek

De kritiek in Vasconcelos’ kunst is vaker niet dan wel subtiel. Zo zijn in het werk Call Center (2014-2016), zwarte telefoons in de vorm van een klassiek pistool geplaatst. Snel is de associatie met communicatie als bedreiging gemaakt. Ook twee pumps volledig opgebouwd uit pannen (Marilyn, 2011) is makkelijk te verbinden met de positie van de vrouw in de patriarchale samenleving. Misschien wel iets te makkelijk. Want juist in een tijd waarin de traditionele rol van de vrouw zo sterk onder vuur ligt en er voortdurend kanttekeningen worden geplaatst bij moderne communicatiemiddelen valt van de kunst een gelaagder, origineler en misschien zelfs genuanceerder perspectief te verwachten.

Marilyn (Ap), 2011, Photo credit: © FMGB Guggenheim Bilbao Museoa, 2018. Photo: Erika Ede© Joana Vasconcelos

Subtielere kritiek

Zo’n perspectief komt mogelijk duidelijker naar voren uit een overwegend optimistischer werk als A Todo o Vapor (vermelho/verde/amarelo) (2012, 2013, 2014). Drie strijkijzermachines voeren een grappige choreografie uit. Het tekstbordje leest: ‘Als toeschouwer voel je je getuige van de dagdromen van een verveelde huisvrouw.’ En stelt ook: ‘Tegelijkertijd is het ook een herbevestiging van de vrouw als kunstenaar’ die strijkijzers dus niet gebruikt voor het huishouden maar er ingenieuze sculpturen mee maakt.

Burka, 2002, Photo credit: Luís Vasconcelos /Courtesy Unidade Infinita Projectos © Joana Vasconcelos

Ook Burka (2002) zou je kunnen classificeren als een werk met een tegenstelling. Op de grond ligt een soort pop, gesluierd, maar met een hoop kleurige rokken zichtbaar. Haar hoofd is aan een hijskraan bevestigd en langzaam wordt ze opgetakeld. Nadat je haar spookachtige vorm even kan bestuderen, valt ze met een harde klap op de grond. Het werk schijnt een commentaar op de vrouw in boerka, gevangen in een beknellend systeem, gedwongen om als een spook door het leven te gaan. Toch kun je in de vrolijke rokken ook een kleurig individu herkennen. Niet het systeem, maar de mens daarin staat dan centraal.

Speeltuin en ontmoetingsplek

Omdat je bij een werk als Burka meer moeite doet om een betekenis te ontrafelen, en je er langer mee bezig bent, versterkt dit de indruk die zo’n werk achterlaat. Maar ook als je de werken niet probeert te begrijpen, heb je een plezierige tijd in deze zaal. I’m Your Mirror is een esthetische speeltuin en ontmoetingsplek. Vooral Ponto de Encontro (2000), eigenlijk gewoon een speeltoestel verhuld als kunst, trekt veel bezoekers, waaronder een hoop kinderen. Deze tentoonstelling is sowieso geschikt voor kinderen en rennende kleuters voegen toe aan de levendigheid. Naar I’m Your Mirror ga je dan ook niet voor je rust.

Reageer op dit artikel

Boeken / Fictie

Echo’s uit het verleden

recensie: Colson Whitehead - De jongens van Nickel

Colson Whitehead werd bekend bij het grote publiek met zijn vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Hierin vertelt hij over een slaaf die ontsnapt naar het Noorden van de Verenigde Staten. In zijn nieuwe roman De jongens van Nickel beschrijft hij dezelfde thematiek in een andere tijdsperiode. Het is een aangrijpende, urgente roman over een racistisch Amerika.

De jongens van Nickel is een bijzondere vertelling over Elwood, een intelligente Afro-Amerikaanse jongen die door domme pech in de tuchtschool Nickel belandt. Het is een verschrikkelijke plek, de term ‘tuchtschool’ blijkt een eufemisme voor ‘gevangenis’ te zijn. De zwarte jongens krijgen er nauwelijks onderwijs en krijgen extreme lijfstraffen te verduren. In de school klinken de echo’s uit het slavernijverleden in de manier waarop de blanke mannen de school runnen: “de zonen hielden de oude gebruiken in ere”.

Het verhaal wordt verteld door een alwetende verteller, wat afstand biedt om het verhaal als lezer aan te kunnen en waardoor het verhaal het particuliere ontstijgt. Dit is niet het verhaal van één jongen maar het verhaal over een racistisch systeem. De vraag wie die verteller dan precies is resulteert bovendien in een prachtige plottwist op het einde van het verhaal.

Woorden van hoop

De situatie voor Elwood lijkt ontzettend uitzichtloos. Zijn toekomst was veelbelovend – hij presteerde goed op school en was toegelaten tot een hogeschool – tot hij in de hel van Nickel terechtkomt. Hier krijgt hij les op basisschoolniveau en ontdekt hij hoe verrot de maatschappij eigenlijk is. Hij is altijd naïef geweest omtrent sociale codes. Als kind hing hij vaak rond in een hotel, en de afwassers daagden hem uit wie het beste kon afwassen. Dit leidde ertoe dat Elwood de gehele afwas deed. Deze zelfde naïviteit zorgt ervoor dat hij op Nickel in de problemen komt en kennismaakt met het ‘witte huis’, de plek waar de afranselingen plaatsvinden. Hij wordt dusdanig toegetakeld dat hij een week in de ziekenboeg verblijft, waar hij een vriendschap voor het leven sluit met Turner.

Ondanks alle misère klinkt er toch hoop in het verhaal, via de woorden van Martin Luther King. Elwood kreeg ooit van zijn oma een lp met een van zijn speeches, en zijn woorden bieden hem steun in de periode dat hij op Nickel verblijft. Ook heeft hij een aantal protesten bijgewoond voordat hij gevangen raakte. Hij weet dat er verzet plaatsvindt tegen de racistische wetten in zijn land. Elwood weigert daarom om zich neer te leggen bij zijn realiteit. Wanneer hij zich stilhoudt dan kan hij overleven, maar om te léven moet hij iets doen. Het verzet biedt hem menselijkheid:

“De wereld had hem zijn hele leven lang haar wetten toegefluisterd en hij had geweigerd om te luisteren, omdat hij in plaats daarvan iets van een hogere orde had gehoord.”

Hij verzint een plan om de school in diskrediet te brengen en kan daarbij de hulp van zijn nieuwe vriend goed gebruiken.

Licht aan het einde van de tunnel

Het verhaal speelt zich af in de jaren 60 van de vorige eeuw maar is helaas nog altijd actueel. De apartheid is dan wel officieel afgeschaft in de VS, maar zit zo diep ingebakken in de mensen dat de praktijk nog altijd racistisch is. Het boek van Whitehead komt daarom als geroepen. Het toont verzet tegen een hardnekkig racisme en de slotscène biedt zelfs een sprankje hoop.

In het nawoord is te lezen dat een school als Nickel echt heeft bestaan. Archeologische vondsten tonen de, vaak hevig toegedane, lichamen van de scholieren. Jongens over wie werd gezegd dat ze waren weggelopen. Met De jongens van Nickel toont Whitehead een inktzwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis, een bladzijde die helaas behoort tot een nog zwarter boek.

Reageer op dit artikel

Boeken / Poezie

Poëzie is van alle tijden

recensie: Ester Naomi Perquin – Wij zijn de menigte die moeder heet. Hadewijch – Oerewoet

Twee fraaie bundels met verzamelde gedichten in één recensie. Een boek dat door meerdere schrijvers is geschreven en verzameld werd rond één onderwerp: het moederschap. Het andere is het verzameld werk van één schrijver met historische waarde, maar dan leesbaar gemaakt in onze moderne versie van het Nederlands.

Dit jaar verschenen rond de Boekenweek twee interessante verzamelbundels. Sommige verzamelingen van gedichten zijn er om je snel de verschillende facetten van één onderwerp te laten zien: verschillende invalshoeken, facetten, belevingen, verdiepingen en ontboezemingen over hetzelfde thema. De andere verzameling wil het beste van één schrijver in een zo compleet en mooi mogelijk beeld voorschotelen. Beide boeken zijn niet om in één ruk van pagina één tot de laatste letter tot je te nemen. Je snoept als het ware uit deze boeken en gaat ook niet lineair door het boek. Soms herlees je daardoor pagina’s en is het even een feest van herkenning.

Wij zijn de menigte die moeder heet

De verzameling gedichten die Ester Naomi Perquin met elkaar heeft verbonden in dit werk bestrijken een tijdperk tussen 1957 en het heden. Van sommige schrijvers is meer dan één gedicht opgenomen. De poëzie handelt over het moederschap in al haar facetten, waarbij ze zich niet beperkt tot de mens, maar ook het moederschap van een dier meeneemt.

Soms gaat het over de wens om moeder te worden, het ontluikende of het prille moederschap, maar ook het facet van ouder worden en het afscheid nemen van je moeder wordt niet geschuwd. Moeder zijn is niet altijd vrolijk, het kent ook zijn moeilijke kanten. Perquin heeft in deze bundel, die speciaal voor de Boekenweek van 2019 werd samengesteld, een soort 360-graden benadering van het begrip moeder genomen. Van binnenuit, van de moeder zelf, maar ook van alle buitenzijden. Een boek dat ontroert maar ook onderricht over het moederschap. Het doet je beseffen wat moeder zijn inhoudt en doet je verwonderen hoe mooi moederschap kan zijn.

Ik zag een kalfje bij moeder drinken,
een stille handeling die hier nog mag.
Zij stonden in de aanbrekende dag
half slapend in dit drinken te verzinken,
wazig in nevelen, nog haast verborgen.
Over het witte gras heen kwam de morgen.
Bevreesd waadde ik weg van wat ik zag. (De dageraad; Ida Gerhardt)

Bovenstaand gedicht illustreert in hoe weinig woorden iets heel moois geschetst wordt. Een kalf dat bij de dageraad in een koude maand van het jaar in de mist bij zijn moeder drinkt. Niets wil de observator verstoren: noch de stilte, noch het beeld.

Wij zijn de menigte die moeder heet is een zeer leesbare verzameling fraaie poëzie die door veel lezers gewaardeerd zal worden. Voor moeders met een hart voor gedichten is het haast verplichte kost. Maar ook vaders zullen hier literair van smullen.

Oerewoet – Gedichten voer minne en beminnen

Agnes Hoffschulte heeft de gedichten van Hadewijch, die dateren uit de middeleeuwen, vertaald naar het Nederlands van deze tijd, ze ingeleid en toegelicht om ze leesbaar te maken. Dat ze het daarmee nog niet tot lichte leeskost heeft gemaakt is voor ondergetekende een zekerheid na het lezen van vele pagina’s in dit boek. Het onderwerp is de liefde en het bedrijven van de liefde, of liever gezegd het beminnen. Want beminnen is toch heel wat anders dan wat we in de tegenwoordige tijd verstaan onder het bedrijven van de liefde en hoe we dat nu zouden beschrijven.

De vijfenveertig naar onze taal vertaalde gedichten van Hadewijch worden in 237 pagina’s keurig omringd met een inleiding en uitleg. Het is zeker leesbaar en onderhoudend: mooi geschreven en mooi vertaald. Het geeft de lezer en poëzieliefhebber inzage in de middeleeuwse gedichten. Het is geen licht verteerbare kost voor elke dag, maar wel kost die je verrijkt en je aanspoort tot nadenken. Het zijn fijnproeversstrofen die op deze manier tot je komen.

Oerewote van minne
is een kostbare gave.
Wie dat wil inzien
zou haar alleen verlangen.
Die eerst twee waren, maakt zij één,
dat zeg ik in waarheid.
Ze maakt wat zoet is zuur
en de vreemde een nabije buur.
Zij verheft de geringe. (fragment uit gedicht 28)

Eigenlijk is het Hadwijch zelf die met de titel Oerewoet aangeeft wat dit boek bijzonder maakt: het verenigt de liefde met de hartstocht naar de intense opwinding, die door de liefde veroorzaakt wordt. Zo zou het althans in normaal 2019-Nederlands klinken, in tegenstelling tot de wetenschappelijke taal op de kaft van het boek. Voor de gemiddelde lezer vormt precies dit een struikelblok waar Hoffschutte helaas niet van is losgekomen in haar inleidingen en toelichtingen. Oerewoet is absoluut leesbaarder, begrijpelijker en verteerbaarder geworden dan in het middeleeuwse Nederlands. Maar echt Nederlands zoals we hier nu schrijven is het niet geworden. Met extra inspanning weet het boek wel te ontroeren en de schoonheid prijs te geven die het boek ook in deze tijd zijn waarde laat zien. Hadewijch was een groot schrijver als we ook nu nog van deze gedichten kunnen genieten.

Oerewoet    Wij zijn de menigte die moeder heet
Auteur: Hadewijch Auteur: Esther Naomi Perquin
Uitgever: Kok Uitgever: Prometheus
Prijs: 24,99 Prijs: 15,-
ISBN: 9789043530774 ISBN: 9789044639636
Beoordeling: 4 sterren  Beoordeling: 4 sterren

 

 

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Niet wegkijken maar hoop houden

recensie: Jelmer Mommers - Hoe gaan we dit uitleggen

In Hoe gaan we dit uitleggen poogt Jelmer Mommers op een toegankelijke, urgente en realistische wijze de staat van het klimaat weer te geven. Toegankelijk in haar taalgebruik, urgent in het feit dat het bijna te laat is om nog wat te doen en realistisch in wat we kunnen doen en wat er reeds gebeurt.

Terwijl Hoe gaan we dit uitleggen net uitgelezen op mijn salontafel ligt is het buiten 37 graden. De wind voelt aan als een föhn en er wachten ons nog een paar zeer hete dagen. Sterker nog, het 75 jaar oude hitte-record ging eraan, om de dag daarna ook het nieuwe record verbroken te zien worden. De afgelopen jaren werd de aarde, nou ja, in ieder geval Nederland, steeds wat warmer. De ondertitel klopt dus alvast. Hoe staat het met de inhoud van dit boek?

Wegkijken of hoop houden

Jelmer zegt in het voorwoord dit boek te schrijven voor zijn vriend Tom. Tom is een jongeman (auteur Mommers is zelf 32) die de hoop op verandering opgegeven heeft. Hij kijkt weg. Geen vertrouwen in overheid, bedrijfsleven en zijn medemensen, want zelfs goed op de hoogte is het een helse klus om CO2 neutraal te leven. Mommers begrijpt en deelt soms dezelfde wanhoop, doch kijkt hij niet weg, maar zoekt naar een antwoord, een alternatief op deze somber makende situatie. Mommers koestert tevens hoop en zal dat later in zijn boek ook onder de aandacht brengen. Maar eerst krijgen we een opsomming van hoe het nu met de aarde en ons klimaat gesteld staat. Wat staat ons in de toekomst te wachten en hoe redden we ons uit deze mogelijke apocalyps?

Laat of te laat

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk stelt in zijn analyses over de klimaatverandering en de staat van de aarde dat we in termen van ‘laat’ en niet in termen van ‘te laat’ moeten denken. In het westerse denken lijkt een voorliefde voor eschatologie te zijn. Dat is een mooi woord voor einde-der-tijds-denken. Mommers spreekt vanuit het ‘laat’ denken. Echter, wanneer hij in het eerste deel de geschiedenis van onze huidige problemen induikt, voel je je gegrepen door de wanhoop die vriend Tom reeds uitsprak. Wanneer de feiten worden opgesomd, zoals de bevolkingsexplosie, toename van broeikasgassen, de afname van regenwouden, het verzuren van oceanen en de teloorgang van onze harige, schubbige, geleedpotige, verige en andere medebewoners, dan boort de ernst je laatste sprankje hoop alsnog de grond in. Hoe gaat Mommers ons hiervandaan nog een sluier met hoop oplichten? Onder andere door een ander verhaal aan te bieden. Vorig jaar kwam George Monbiot met een soortgelijk idee, diens boek Uit de puinhopen is daar het resultaat van.

Mogelijke werelden

Mommers beschrijft dan twee toekomstscenario’s. Eén waarbij we de boel op z’n beloop laten en één waarbij we ‘groene’ keuzes maken. We zitten dan al ruimschoots in deel twee en vooralsnog bood het boek weinig overtuiging om nog enigszins hoopvol te worden. Dat verandert vooral met zijn tweede toekomstscenario waarin de Great Turn heeft plaatsgevonden en een herbebossing onderdeel van de oplossing bleek.

Onze hoop krijgt verdere ruggensteun in deel drie, waar onder andere de urgenda klimaatzaak aan bod komt en welke precedenten dit voor de toekomst kan hebben. Ook geeft Mommers kleine keuzes aan, die relatief gemakkelijk uit te voeren zijn. Stap over naar een groene bank, groene energieleverancier, eet eens wat minder vlees, ga eens met de trein in plaats van het vliegtuig op pad. Laten we hopen dat het inderdaad allemaal nog niet te laat is, al deed de zomer vooralsnog denken van wel.

Tot slot

Tot slot nog iets over de stijl en de teneur van dit boek. De stijl is vlot en vooral gericht op jongere mensen. Het taalgebruik is gemakkelijk, wat het boek toegankelijk maakt voor een grote groep geïnteresseerden. Tegelijkertijd doet de vlotte stijl afbreuk aan de ernst van het onderwerp. De gedoseerde boosheid die in Monbiots Uit de puinhopen te lezen viel, past beter bij de urgentie die dit onderwerp verdient. Ook zijn de oplossingen veelal vanuit een economisch oogpunt aangedragen. De vele voorbeelden leveren niet alleen nu, maar zeker in de toekomst economisch meer voorspoed dan voortgaan op de fossiele, huidige weg. Dat maakt de boodschap als zovele: ‘it’s the economy, stupid’. Er moeten, zeker wanneer je kracht in het scheppen van een alternatieve toekomst ligt, andere motieven naast de economische geplaatst worden. Zodat de hoop ook kan wortelen in een ethisch (hoe te handelen), esthetisch (hoe ons leven opnieuw vorm te geven) en netwerk (alles is met alles verbonden) denken. Wellicht komt dat in zijn volgende boek?

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Optimisme en daadkracht

recensie: George Monbiot - Uit de puinhopen

In Uit de puinhopen schetst George Monbiot op effectieve wijze wat er mis is met het huidige politieke bestel en hoe we daar als de wiedeweerga uit kunnen komen. Aantrekkelijk, vlot en praktisch geschreven wijst hij enkele wegen.

‘Er zijn geen grote verhalen meer’, stelt de postmoderne filosoof Jean-Francois Lyotard. Hiermee bekritiseert Lyotard de opvatting van het modernisme dat wetenschappelijke kennis in het grote verhaal van de historische vooruitgang van de mens past. Wetenschap, in tegenstelling tot bijvoorbeeld religie, heeft echter geen ethiek op zichzelf. Derhalve past wetenschappelijke kennis niet zomaar in ons verhaal. Dat is wel grotendeels gebeurd. We hadden een dialectiek tussen het communisme en het kapitalisme, tot het einde van de Koude Oorlog en de val van de muur. Toen zegevierde het kapitalisme over het communisme en is er geen kritische tegenhanger opgestaan (al zou je de ideeën van bijvoorbeeld Kate Raworths Donut economy misschien als alternatief kunnen noemen). Dat kapitalisme had toen reeds een voorsprong genomen op het einde van de grote verhalen en kennen we onder de noemer: neoliberalisme.

Neoliberalisme

Het systeem dat Monbiot in Uit de Puinhopen hekelt is het neoliberalisme en haar hyperkapitalisme, dat gouden bergen belooft en ervan uitgaat dat de planeet oneindige grondstoffen heeft. Een narratief, zo zal Monbiot zeggen, waaruit weinigen die aan de macht zijn ontwaken, en waar velen, die niet aan de macht zijn, meer en meer een desillusie ervaren. Maar ontwaakt zijn we nog nauwelijks. Daarom is het gebruik van het woord crisis misplaatst in dit boek. Crisis stamt van het Griekse krinein af, wat onderscheiden en beslissen betekent, alsmede keerpunt en beslechten. Een staat dus, waarin ingezien wordt wat er mis is en er gehandeld wordt om dit tij te keren. We bevinden ons eerder in een collectieve dommel. Zeker wanneer je weet dat er in de jaren 50 al voor de gevaren van de uitstoot van fossiele brandstoffen werd gewaarschuwd, getuige deze documentaire uit 1955: https://www.moviemeter.nl/film/41611.

Als we dus niet meer op onze politici kunnen rekenen, wat dan te doen?

Hierin poogt Monbiot een passend, praktisch antwoord te geven. Het zal hem vooral lukken je te inspireren. Hij schrijft met een aanstekelijk enthousiasme en biedt vergezichten. Het woord ‘zal’ is in overvloede aanwezig. Want, stel dat we het huidige narratief vervangen met het narratief dat Monbiot voorstelt, dan zal er een hoop veranderen. Namelijk: een verhaal waarin saamhorigheid en inclusiviteit centraal staan en dat geënt is op een circulaire economie. Een eerlijkere, gezondere en toekomstbestendigere wereld, die met de helse klus om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen aan de slag kan.

Idealisme met de hamer

Om zover te komen dat we weten wat we te veranderen hebben, is het belangrijk eerst in grote lijnen te snappen wat er aan de hand is. Hierin hanteert Monbiot Nietzsche’s methode van de hamer. Hij klopt op de borst van het neoliberalisme om te laten horen dat het hol is. Het neoliberalisme vertelt een effectief verhaal, dat het typische heldenverhaal volgt om deze vervolgens kwaadwillend in te zetten. Dat typische heldenverhaal gaat zoiets als: het land verkeert in wanorde, maar een individu, groep of institutie gaat de strijd aan en tegen alle verwachtingen in overwinnen ze het kwaad en de orde wordt hersteld. Dit heldenverhaal gaat vooral om herstel. Helaas, zo toont Monbiot aan, is dit verhaal hol, hoe graag we het ook willen geloven.

Alternatief

Zonder te claimen dat zijn alternatief het best passende antwoord is, neemt hij de lezer mee in ten minste een alternatief. Daarin staat hij niet alleen. Hij besluit het boek met de opmerkelijke opkomst van Bernie Sanders bij de vorige presidentsverkiezingen in de VS. Sanders vertelt eenzelfde soort verhaal als Monbiot en heeft bijna de presidentsrace gewonnen, met nauwelijks financiële middelen. Het zijn dit soort optimistische voorbeelden die Monbiot voortdurend aanhaalt in zijn boek om te laten zien dat een alternatief mogelijk is. Het is in het delen van deze informatie dat hij je weet te inspireren. Hij beschikt over een rijke, creatieve en diverse hoeveelheid bronnen die hij ter ondersteuning van zijn pleidooi inzet. Hij is her en der constructief boos om het onrecht wat hij opmerkt een naam te geven binnen zíjn samenhangende verhaal. Dit maakt dat Uit de puinhopen in plaats van te verzanden in gefulmineer, een uitweg biedt die haalbaar is en inspireert. Waarbij duidelijk is wat er aan de hand is en waarom dat dient te veranderen. En bovenal, hoe dat te kunnen veranderen.

Gegoten in goed leesbaar proza heb je het boek in een zucht uit. Mocht je minder tijd hebben, maar alsnog nieuwsgierig zijn, dan kun je ook bij tegenlicht terecht: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2017-2018/compassie-als-oplossing.html

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

De (terecht?) verborgen geschiedenis

recensie: Marcel Hulspas - Uit de diepten van de hel

Twee auteurs die in hun recente boeken focussen op het Romeinse rijk na de echte bloeitijd van de keizers – ruwweg vanaf 200 na Christus – beklagen het feit dat dit een in de literatuur onderbelichte periode is. Maar na deze lectuur moeten we misschien gewoon toegeven dat dit terecht is? Uit de Diepten van de Hel is namelijk een – weliswaar goed geschreven – kluwen van namen en functies waarin een kat haar jongen niet meer terugvindt.

Tot pakweg 200 was de keizertijd en het Romeinse Rijk een echt boeiende periode: de keizers zelf waren larger than life, met Marcus Aurelius kwam er zowaar een ware filosoof-poëet op de troon, de stad Rome was op zijn mooist en ergens in een kleine provincie van het rijk ontpopte een verwaarloosbare joodse sekte zich tot een machtige nieuwe religie. De tweede eeuw na Christus werd door sommige bevlogen auteurs zelfs als “de gelukkigste tijd van de mensheid” genoemd. Maar vanaf dan ging het snel bergaf: (soldaten)keizers volgden elkaar in ijltempo op, het rijk raakte in verval en het West-Romeinse Rijk bezweek in 476 finaal onder de invallen van de ‘barbaren’. Het Westen ging de donkere middeleeuwen binnen, het Oosten wist zich nog tot 1453 te behouden.

De periode waarover Hulsmans schrijft, focust ruwweg op de periode 300-800. Hierbinnen vinden christelijke concilies plaats, blijven keizers elkaar razendsnel opvolgen, is er sprake van vier kerkelijke patriarchen, en kent het Romeinse Rijk zelfs een systeem van tetrarchen: twee keizers en twee onderkeizers die gelijktijdig regeren. Dat zorgt voor een overdaad aan namen en machtswissels die je met geen pen ter wereld boeiend houdt, zelfs al schrijft Hulsmans heel vlot. Het boeiendst is hij wanneer hij de opkomst en groeiende invloed van het christendom beschrijft, maar eenmaal die religie zich verliest in theologische details en in conflicten tussen aanhangers van stromingen gebaseerd op die theologische details, verliest Hulsmans mijn aandacht. Wanneer vervolgens de opkomst van de islam en een nieuwe plejade aan namen op de lezer wordt losgelaten, is het helemaal amen en uit. De scope is gewoon veel te breed. Boeiender was dan bijvoorbeeld Eeuwen van Duisternis, dat scherp focuste op de culturele verwoestingen die onverdraagzame terreurmonniken teweegbrachten.

Nogmaals, het boek is vlot geschreven, maar ook hier toch enkele opmerkingen: de voetnoten zijn dringend aan herziening toe, aangezien de doorverwijzingen erin naar andere pagina’s op bijna geen enkel moment klopt. En bij momenten vergeet de schrijver dat hij een historisch-wetenschappelijk verhaal vertelt en heeft hij het plots over ‘de seriously rich Pinianus’. Ook de schrijffouten en grammaticaal onjuiste termen (‘graanleveranties’?) zijn vaak een doorn in het oog. Maar dat de auteur het tijdperk door en door kent en duidelijk heel veel research heeft gedaan, is op elke pagina duidelijk en dwingt respect af. Alleen levert het geen boeiende literatuur op.

Tot slot nog dit: zelden een boekwerk geweten met een titel die zo slecht de lading dekt. Je zou eerder een geschiedenis verwachten van de verbeelding van het hiernamaals, of een foute roman over demonen. Maar een doorwrocht historisch werk de titel Uit de Diepten van de Hel geven? Wat kan dit meer zijn dan misplaatste sensatiezucht?

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Mooie details in overladen tentoonstelling

recensie: Recensie: Het begin van een nieuwe wereld. De ontwikkeling van de moderne sculptuur

De beeldententoonstelling Het begin van een nieuwe wereld in het Kröller-Müller Museum in Otterlo is als een groot boeket bloemen: overdadig, met hier en daar een prachtige bloem die eruit springt. Het lijkt wel of men een haast encyclopedisch overzicht van niet alleen de aankopen door oud-directeur Bram Hammacher (van 1948-1963) wil bieden, maar ook van de ontwikkeling van de beeldhouwkunst van de vorige eeuw waarover in 1969 zijn boek The evolution of modern sculpture  verscheen.

Anoniem, Oceanië, Grote spleettrommel, 19de eeuw, Kröller-Müller Museum, Otterlo

Meteen in de eerste zaal loop je er haast letterlijk al tegenaan, tegen een plateau waarop een grote hoeveelheid beelden staat als was het een boeket: kleine bloemen vooraan, wat grotere in het midden en meer dan levensgrote achteraan. Het zijn voornamelijk torso’s en enkele niet-Europese werken, waaronder een houten spleettrommel uit Oceanië naast de houten Rebecca van Ossip Zadkine. Twee werken die met elkaar in dialoog gaan en eruit springen.

Dialoog

Dat plateau is meteen een introductie tot de gehele tentoonstelling. Het bestaat voornamelijk uit op het menselijk lichaam of de natuur gebaseerd figuratief werk en abstracte werken waarbij een verwijzing naar mens en natuur nooit ver weg lijkt. Deze keuze is aangevuld met enkele niet-westerse stukken en voorstudies of ideeën op papier voor beeldhouwwerken van bijvoorbeeld Henry Moore en Barbara Hepworth. Soms met de uitwerking daarvan ernaast, zoals St. Sebastian van Eduardo Paolozzi. Een enkele keer komt een thema van een tekening terug in een beeldhouwwerk, zoals de Griekse neus van Femme assise van Zadkine op diens Jeune homme dat zo’n tien jaar later ontstond. Weer twee bloemen die naar hartenlust mogen (op)bloeien!

Ossip Zadkine, torso Clementius, 1941, Kröller-Müller Museum, Otterlo

Een dialoog vindt ook plaats tussen beeldhouwwerken die in het museum staan en degene die buiten staan, in de beroemde beeldentuin, die ook op het conto van Hammacher mag worden geschreven. Zo lijken Les harpistes (1930) van Jacques Lipchitz, die Hammacher in 1950 in New York ontmoette, in gesprek te gaan met diens Le chant des voyelles van enkele jaren later. Van een voorstudie kun je in dit geval echter niet spreken – het zijn autonome kunstwerken. Het eerste werk, Les harpistes, staat in een wederom volle vitrine met maar liefst tweeëndertig stukken, als waren het de Thirty pieces van Andrew Lord elders in het museum.

Rustiger is een vitrine met diverse mooie koppen, waaronder Josefa van Charlotte van Pallandt dat een dialoog lijkt aan te gaan met Le grand visage van André Derain uit dezelfde periode. Omdat je om deze vitrine heen kunt lopen, zie je ook de achterkant ervan wat altijd boeiend is.

Grenswachters

Intrigerend is Vitesses involontaires van Zoltan Kemery, waar met name veel ouders met kinderen enige tijd voor blijven staan. Het is opgehangen op de grens van een zaal met respectievelijk abstract en figuratief werk – wéér zo’n bloem die eruit springt en mooi rustig aan de wand hangt.
In de laatste zaal ligt, in een vitrine, Le commencement du monde van Constantin Brancusi. Hieraan ontleent de tentoonstelling zijn naam.

Constantin Brancusi, Le commencement du monde, 1924, Kröller-Müller Museum, Otterlo

Dan sta je opeens in het restaurant. Als je even doorloopt, kom je in de grote tentoonstellingszaal waar op dit moment werk van Charlotte Posenenske (1930-1985) is te zien. De één zal haar minimalistische werk aanspreken, een ander niet. Dat concludeer je als je mensen ofwel geïntrigeerd naar binnen ziet lopen of zich juist op de drempel meteen ziet omdraaien. Dat geldt ook voor de strakke, klassieke presentatie van – eerlijk is eerlijk – haar beknopte oeuvre en omgekeerd dus ook voor de tentoonstelling ter ere van Hammacher. De één zal er niet genoeg van kunnen krijgen, de ander zoekt naar wat rustpunten. Als een bloem in een boeket. Want soms zie je door de bloemen het boeket niet meer en dat is jammer.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Tryptich kraakt kritische noot niet overtuigend

recensie: Bryce Dressner, Roomful of Teeth, Akso|Schönberg - Triptych (Eyes of One on Another)

De interdisciplinaire performance Tryptich (Eyes of One on Another) levert een interessante herinterpretatie van het werk van Robert Mapplethorpe, maar slaat soms ook de plank mis.

Tryptich is opgedeeld in drie segmenten, te weten X, Y en Z – overeenkomstig de gelijknamige
portfolio’s waarin de Amerikaanse fotograaf Robert Mapplethorpe in de jaren zeventig en tachtig
stillevens van bloemen, zwarte naakte modellen en de homoseksuele BDSM-cultuur van New York
vastlegde. Daarmee creëerde hij een oeuvre dat toentertijd grote controverse veroorzaakte om zijn
expliciete portrettering van seks en fetisjisme, en daarmee een nationaal gevoerde discussie op gang
bracht over zedelijkheid en censuur.

Is Mapplethorpes werk nog steeds zo controversieel? Valt mee, ben je geneigd te denken, gegeven
het feit dat zijn werk groot getoond wordt in de grote zaal van Internationaal Theater Amsterdam
tijdens een sjiek theaterfestival; ook nog voor een veelal grijs publiek. Toch wel, als je bedenkt dat
het explicietste materiaal van BDSM-acts niet getoond wordt. Stijve piemels à la, anale fisting, toch
maar niet.

Tryptich is een technisch vernuftige voorstelling: de foto’s worden geprojecteerd op grote doeken,
waarachter de muzikanten van Asko|Schönberg en de vocalisten van Roomful of Teeth soms
doorschijnen. Laatstgenoemden plaatsen het werk van Mapplethorpe in een tekstuele, soms
poëtische context, met onder meer teksten van Patti Smith, met wie Mapplethorpe een tijd een
relatie had. Soms sluiten de doeken de achtergrond ook geheel af, zodat een enkele performer
(Martell Ruffin) overblijft op het toneel. Had hij dertig jaar eerder geleefd, dan had hij een van de
modellen van Maplethorpe kunnen zijn. Zijn optreden is minimalistisch maar aanwezig, uitdagend
blijft hij de zaal inkijken, zich schijnbaar weinig aantrekkend van de foto’ achter hem.

Ode en kritiek

Tryptich wil zowel een ode brengen aan Mapplethorpe als zijn werk in een kritisch daglicht plaatsen.
Dit doet het met name wanneer zijn Z-portofolio aan de beurt komt, waarin Mapplethorpe zwarte
naakte modellen portretteerde. Hier wordt de ondertitel van de voorstelling van belang: ‘ogen van
de een op de ander.’ Wat is de relatie tussen fotograaf en model? Gaat het hier om een gelijke,
menselijke relatie? Of objectiveert de blik van de fotograaf zijn model? Onderwijl zingt Roomful of
Teeth teksten van onder meer Essex Hemphill, die Mapplethorpe bekritiseerde op het fetisjeren van
zwarte lichamen. Zo wordt Tryptich een voorstelling over machtsrelaties en objectivicatie.

Met de rol van performer Ruffin lijkt Tryptich deze kritiek op Mapplethorpe breder te willen trekken
naar het publiek in de zaal. Ruffin zoekt de confrontatie met het publiek op, kijkt hen minachtend
aan, lacht het publiek zelfs uit. Hier wordt ons iets verweten, zoveel is duidelijk. Maar wat precies?
Zijn wij de objectiverende blik? Doen wij aan fetisjeren? Of wordt juist het publiek nu geobjectiveerd,
als zijnde een koekje van eigen deeg? Als het doel van Tryptich is om dergelijke reflectie te weeg te
brengen, dan is het werk van een outsider als Mapplethorpe, die zich ver buiten de
mainstreamsmaak bevindt, waarschijnlijk niet de goede ingang. Mapplethorpe is niet het Holland
Festival-publiek, het Holland Festival-publiek is niet Mapplethorpe. Impliceren dat dat wel zo is, doet
beiden geen recht aan. Zodoende wordt deze kritische noot niet overtuigend gekraakt.

Reageer op dit artikel

Theater / Reportage
special: Oerol 2019

Oerol 2019: Anders kijken

8WEEKLY bezocht ook dit jaar weer het Oerol festival. Ik leerde hoeveel je ziet in het donker bij Bart van de Woestijne, zag de kunstenaar in de autist bij Romana Vrede, keek hoe mensen in elkaar konden schroeven bij Alexander Vantournhout en tuurde naar de horizon met Post Uit Hessdalen.

Bart van de Woestijne – In order of dissapearance

In In order of dissapearance, loop je een eigen route door het bos, om vervolgens in een houten box te verdwijnen en de wandeling in de krochten van je binnenste te vervolgen.

Bart van de Woestijne rijkt de acht toeschouwers ieder een sleutel met een gekleurd touwtje aan. Acht kleuren voor acht verschillende routes door het bos. In order of dissapearance lijkt in eerste instantie een soort begeleide meditatie. Terwijl je door het bos loopt leidt de stem Van de Woestijne je blik langs bewegende takken, naar de toppen van de bomen en naar degene die naast me staat. “Heeft diegene zich gekleed op het weer? Hoe heeft diegene zijn armen?” Dan draait de lens “Stel je voor wat diegene ziet als die naar jou kijkt.” En zo zijn wij beiden – terwijl we naar elkaar kijken – ineens meer met onszelf bezig.

Een oefening in kijken

De oefening van kijken is een terugkerend motief in het werk van Van de Woestijne in 2018 liet hij het publiek op Cementfestival een uur lang naar een levend paard op het podium kijken, afgelopen editie was dat een spelende peuter. Ook In order of dissapearance is een oefening in observatie, van de omgeving, maar vooral van je eigen binnenste.

De korte route door het bos leidt naar een kleine houten box. Met de sleutel aan mijn groene touwtje open ik de deur, neem plaats op een stoeltje en doe de deur dicht. Ik kijk door een glazen spiegelwand uit over het duinlandschap. Als onder een glazenstolp bewonder ik het landschap en mijn eigen afwezigheid daarin. Weer klinkt de stem van Woestijne nu over de speakers in het hokje: ‘Dit landschap zou van een eeuw geleden kunnen zijn, of misschien wel van de toekomst.’ Duidelijk is dat dit landschap er vóór mij was en ook na mij zal zijn. Zo confronteert Van de Woestijne de toeschouwer als vaker in zijn werk met de eigen vergankelijkheid.

‘Hij pelt de vele lagen van het zijn af’

Waar vele theatermakers op Oerol het schone duinlandschap van Terschelling in hun werk gebruiken, doet Van de Woestijne iets onverwachts. Met veel geratel schuift een donkere wand over het glas. Van Woestijne ontneemt je het zicht. Terwijl het landschap verdwijnt zie ik mijzelf in het glas gereflecteerd, totdat het echt donker wordt. In het donker wordt in In order of dissapearance een oefening in denken: ‘Wat als er iemand die er precies zo uitziet als jij precies zo doet. Jouw geliefden lief heeft. Wat als jij verdwijnt?’ Hij pelt de vele lagen van het ‘zijn’ af. ‘Hoe weet je dat je niet verzonnen bent?’ Van de Woestijne werkt toe naar een essentie, die hij deels invult. Geen ‘cogito ergo sum’, want Van de Woestijne lijkt meer waarde te hechten aan lichamelijkheid.

In order of dissapearance is ervaringstheater, en zo blijkt mijn ervaring volkomen anders dan de vrouw die twee hokjes naast me zit, zij houdt de deurklink angstvallig vast omdat ze bang is in het donker. Of de vrouw in het hokje rechts van me, zij danste op de muziek vertelt ze na afloop. Ik ergerde me aan de muziek, die als een elektronisch vrolijk wachtmuziekje goedkoop  contrasteerde met het unheimische gevoel dat Van Woestijne met zijn zoemende soundscape eerder neerzette.

Wat In order of dissapearance een sterk werk maakt is hoe Van de Woestijne het perspectief van de toeschouwer weet te kantelen van buiten naar binnen. Door met het licht te spelen confronteert hij je met een spiegelbeeld waarvan je op den duur gedissocieerd van raakt. Vooral in vorm is In order of dissapearance een beklemmende ervaring.

Romana Vrede – Who’s Afraid of Charlie Stevens

Ook Romana Vrede daagt mijn kijken uit in Who’s afraid of Charlie Stevens. Wat als we haar zoon Charlie Stevens niet als autist zien maar als kunstenaar? Dan worden zijn neuriënde geluiden muziek, zijn repetitieve bewegingen dans en zijn uitspattingen kunst.

In Who’s afraid of Charlie Stevens vormt de zwaar autistische zoon van Romana Vrede het uitgangspunt van de voorstelling. De vier performers van CLUB GEWALT belichamen Charlie. Het zijn energiebommen, onhandelbaar en onberekenbaar. Ze pulken aan het behang op de muur, ze berijden de theaterlampen en ze zitten aan het haar van het publiek. In Who’s afraid of Charlie Stevens duiken de performers in de belevingswereld van Charlie, of een interpretatie daarvan – Charlie kan immers niet praten.

Vrede spreekt rustig in de microfoon ‘Charlie zie je jezelf als kunstenaar?’ Het repliek is een muur van geluid. De vier performers van CLUB GEWALT buigen zich over hun synthesizers en gaan los, aangemoedigd door de beats van Robbert Klein. De geluiden overspoelen het publiek. Een volgende vraag van Vrede, weer een muur van geluid: Een dialoog lijkt niet mogelijk.

‘Zoals kunst kan communiceren zonder woorden, zo communiceert ook Charlie’

Who’s afraid of Charlie Stevens is een montagevoorstelling, waarin we impressies van Charlie meekrijgen. Zoals kunst kan communiceren zonder woorden, zo communiceert ook Charlie. De muziek van Robbert Klein vormt een associatief spreekkoor, in de snippers van Disney songs ontvouwt zich een logica.

We zien de machteloosheid van Vrede wanneer ze de vier dartelende performers in het gareel proberen te houden. Maar we zien bovenal de innige band die moeder en zoon hebben, in de momenten van rust. Zoals de ontroerende scene waar ze het naakte lijf van  performer Dook van Dijck insmeert met Nivea Creme. Of het moment waarop ze beseft dat haar zoon gelukkig is zoals hij is.

‘Soms moet je ook een beetje moeite doen’

In het nagesprek laat een oudere vrouw in het publiek weten dat de muziek haar afschrok: ‘Van waar die indringende muziek aan het begin?’ Vrede zegt: ‘Soms moet je ook een beetje moeite doen.’ Moeite doen, beter luisteren, om de muziek te horen in het geluid. Het kan in eerste instantie als een toeter klinken, maar als je langer luistert hoor je allerlei kleine nuances in de ritmes. Misschien is het net zo met Charlie Stevens denk ik, soms moet je beter kijken, om de schoonheid te zien in het autisme. Who’s afraid of Charlie Stevens is een pleidooi om anders te kijken. Om niet de beperking te zien van het autisme, maar de kunst.

Alexander Vantournhout – Screws

Screws is een kruisbestuiving van circus en dans. De voorstelling bestaat uit vijf nummers en speelt langs verschillende locaties rond de oude campus van Terschelling. Het publiek wordt uitgenodigd om per locatie zelf een gezichtspunt in te nemen. Bij het eerste nummer zit het publiek rond een plein. Twee performers draaien als schroeven in en weer uit elkaar. Het circus van Vantournhout heeft iets rauws en ongepolijst. Het grind knarst onder de voeten van de performers. De performers zijn zo goed op elkaar ingespeeld dat niet te zien valt waar de beweging begint en waar die ophoudt. In een kluwen wordt niet langer duidelijk: wiens been of wiens arm?

‘Hun prestaties worden gretig beloond door het publiek’

De performers zijn virtuoos. Vele malen worden hun prestaties, gretig beloond door applaus uit het publiek. Hier en daar hoor je een ‘jeetje’, ‘goh, moet je daar eens kijken.’ gevolgd door een ‘dit zouden wij misschien ook nog wel kunnen.’ Ik stel me voor hoeveel van de toeschouwers na de voorstelling zelf het trucje dat ik als kind leerde uithalen: Met de ruggen tegen elkaar, de armen ineen gehaakt om dan van de grond af samen omhoog te komen.

Het terugkerende motief in Screws is het in en uit elkaar schroeven van de lichamen, waarbij de performers elkaar nodig hebben om in balans te blijven. In ieder deel van Screws lijken de performers voor een andere uitdaging te lijken staan. Ze hangen ondersteboven met hun voeten gebonden aan een rails ze doen een balans act op spijkerschoenen. In plaats van te vechten tegen de beperking van het onmenselijke materiaal onderzoeken ze wat het materiaal met hun beweging doet.

Niet de beperking, maar de mogelijkheden

Het is iets wat Vantournhout in zijn solo voorstelling ANECKXANDER (2015) al deed. Daarin deed hij flik flaks terwijl hij zwarte plateauzolen en zware bokshandschoenen droeg. Hij kon de draai daardoor steeds net niet maken. In Screws lijkt hij niet de beperkingen op te zoeken van het materiaal, maar juist de mogelijkheden. In het derde nummer van Screws danst Vantournhout een sierlijke solo -of eigenlijk duet- met een zware bowlingbal. Door het gewicht van de bowlingbal, zwaait Vantournhout net iets harder. Hij speelt met het publiek, want terwijl hij zijn arm met het grootste gemak rond zwiept zie je velen denken, maar wat als hij de bal plots los laat…

Post Uit Hessdalen – 15 149ft

Gelegen op het meest Oostelijke puntje van Terschelling zit het publiek bij Post uit Hessdalen op een ijzeren tribune. We kijken uit op de branding met in de verte de horizon. In het midden van die tribune staat een groot rad. Twee performers op blote voeten en in overall geklede performers beginnen aan het rad te draaien. Een dik touw komt uit het zand naar boven, er lijkt geen einde aan te komen. Trekken deze de horizon naar ons toe? Trekken ze ons naar de horizon? Het is 15419 stappen tot de horizon. De horizon achternalopen is zinloos, toch spint Post uit Hessdalen dat idee uit in hun voorstelling 15 419ft uit.

Een vrouw met een tuba verschijnt op het strand en speelt een melodie. Haar melodie wordt even later beantwoord door een tweede vrouw met trompet. Het Oostendense Post uit Hessdalen staat bekend om hun interdisciplinaire voorstellingen, in 15 419ft speelt de muziek minstens net zo’n grote rol als de tekst die uit een megafoon klinkt. Bovenal is 15 419ft een poëtisch en traag werk. Een dappere keuze van de makers, maar geen geslaagde. In deze setting krijgt het werk niet de verstilling die het nodig heeft om de magie van het turen in de verte over te brengen. Het houdt geen stand op Oerol.

‘In deze setting krijgt het niet de verstilling die het nodig heeft’

De tubaspeelster loopt richting de horizon haar klanken klinken steeds verder weg. We zien de andere vrouw in de verte op een gong slaan, maar het geluid komt pas later aan. Er zijn twee waarheden, wat mijn ogen zien en wat mijn oren horen. Post Uit Hessdalen maakt een compositie met de vertraging van het geluid: een compositie van afstand. Op momenten is dat magisch: in de verte horen we de Tubaspeelster terwijl ons oog haar niet meer kan waarnemen. Op andere momenten zijn de klanken zo vervreemdend dat ze je afstoten en je ze graag op afstand houdt.

Over de luidspreker horen we de vrouw die naar de horizon loopt haar stappen tellen. Ze corrigeert zichzelf: ‘Stop met tellen, niet zo met je armen bewegen, aan niets denken opgaan in de lucht of in een lichtspiegeling.’ Dat aan niets denken blijkt lastig. Waar Post Uit Hessdalen probeert een poëtische voorstelling over het vergezicht neer te zetten, is het publiek al lang afgehaakt. De vrouw naast mij zucht verongelijkt en krijgt vervolgens de slappe lach. Na de voorstelling hoor ik de vrouw zeggen, ‘Ja ik merk toch dat ik naar het theater ga om vermaakt te worden.’ Ik hoor de woorden van Romana Vrede in mijn hoofd: ‘Soms moet je een beetje moeite doen.’

Reageer op dit artikel