Berichten

Theater / Reportage
special: Holland Festival 2018

Holland Festival: de derde week

Tijdens de derde week van het Holland Festival zag Jeroen een mooi eerbetoon aan Pina Bausch, een voorstelling rondom de bijzondere componist Gesualdo en zag hij eindelijk Romeinse Tragedies. Emilia Nova werd geconfronteerd met veertig jaar elektronische dansmuziek en Devi zag een voorstelling waarin kritiek werd geleverd op de vluchtelingencrisis rondom het Middellandse zee gebied.

15 juni: Romeinse Tragedies is in 2018 nog steeds actueel

Foto: Jan Versweyveld

Romeinse Tragedies is één van die iconische voorstellingen die je gezien moet hebben, is me verteld. Jaren geleden probeerde ik kaartjes te bemachtigen, maar zonder succes. Dit jaar is het me gelukt. Op het Holland Festival wordt de zes uur durende Shakespearemarathon in stijl afgesloten: in het Koninklijk Theater Carré.

Romeinse Tragedies bewijst opnieuw hoe alomtegenwoordig Shakespeare nog steeds is in onze cultuur. De politieke machtsspelletjes die de revue passeren doen me denken aan Game of Thrones en House of Cards, en verwijzen tegelijkertijd –  vrij letterlijk – naar de politieke realiteit van 2018. De voorstelling rijgt drie Shakespeareaanse tragedies aan elkaar. In Coriolanus wordt de Romeinse generaal Gaius Marcius Coriolanus (Gijs Scholten van Aschat) verbannen uit Rome, de stad die hem eerder nog onthaalde als held. Uit wraak sluit hij zich aan bij zijn aartsvijand Aufidius (Bart Slegers), en beraamt een aanval op Rome. Julius Caesar staat in het teken van de moordaanslag op Julius Caesar (Hugo Koolschijn) door zijn bondgenoten Brutus en Cassius (Eelco Smits en Marieke Heebink). De beroemde toespraak van Marcus Antonius (“Vrienden, Romeinen, landgenoten, leen mij uw oor”) vloeit naadloos over in de laatste tragedie van de avond: Antonius en Cleopatra. Antonius (Hans Kesting) is één van de drie machthebbers in Rome, en raakt in de ban van Cleopatra (Chris Nietvelt), koningin van Egypte. Hun affaire leidt tot de overgave van Egypte en de zelfmoord van beide geliefden.

Met zoveel Shakespeareaans geweld zou je zeggen dat er vanuit de zaal meer dan genoeg te zien is, maar de kracht van Romeinse Tragedies bevindt zich op het podium. Het decor is een grote media-installatie, vol met televisieschermen waar de voorstelling of nieuwsfragmenten op te zien zijn. Het publiek mag vrij rondlopen, eten bestellen, naar televisie kijken, terwijl de acteurs op het voortoneel staan te spelen. Als ik voor het eerst in het decor ga zitten, verbaas ik me erover hoe sterk de voorstelling van betekenis verandert. Vanuit de zaal kijken we gezamenlijk naar een politiek drama, op dezelfde manier waarop men dat in Shakespeares tijd gedaan heeft. Op het podium komt de wereld via beeldschermen binnen. De vrouw die vlak naast me staat, kijkt naar een heel ander scherm dan ik. Als ik de andere kant op kijk, zie ik een groepje naar weer een ander scherm kijken. De gezamenlijkheid maakt plaats voor filterbubbels. Dat Romeinse Tragedies gemaakt is voor de opkomst van Facebook en de discussie rondom informatiefiltering, zegt veel over de tijdloosheid van deze voorstelling.

Maar er is meer. Naast de slimme scenografie zijn er de acteurs van Toneelgroep Amsterdam, die met name in de laatste uren boven zichzelf uitstijgen. De toespraak van Antonius door Hans Kesting en Chris Nietveld als ontrafelende Cleopatra zijn kleine masterclasses in acteren. Waar het bij vlagen moeilijk is om alle namen en twisten bij te houden, wordt de voorstelling op momenten als deze lucide. We zien Antonius, maar ook Bernie Sanders, Barack Obama, Donald Trump. Zo veel is er niet veranderd.

20 juni: Neues Stück is een welkom nieuw hoofdstuk voor het Tanztheater Wuppertal

Foto: Julian Mommert

Toen ik jaren geleden Wim Wenders’ Pina zag, liep ik met gemengde gevoelens de bioscoop uit. Wat een prachtig ensemble, dat Tanztheater Wuppertal! Maar wat zonde eigenlijk, dat ik ze toen pas ontdekte. Zullen ze na het overlijden van de iconische Pina Bausch nog nieuw werk maken? Ja, gelukkig wel. Op een zomerse avond in Amsterdam staan rijen voor de kassa om Neues Stück 1 – Seit Sie te zien: een mooi eerbetoon aan Bausch en een nieuw hoofdstuk voor het gezelschap.

Aan Dimitris Papaioannou de taak om dat nieuwe hoofdstuk in te luiden. Als choreograaf, theaterregisseur, schilder en striptekenaar beweegt hij gemakkelijk tussen verschillende disciplines. Een logische keuze voor een gezelschap dat graag de grenzen tussen dans en theater opzoekt. In Neues Stück brengt hij een ode aan Bausch, en behoudt tegelijkertijd een eigen signatuur. We zien de stoelen van Café Muller herhaaldelijk verschijnen. Een rij dansers steekt het podium over door de stoelen te verplaatsen, erop te staan, en over te steken naar de volgende stoel. Later probeert een danser zoveel mogelijk stoelen met zich mee te dragen, tot hij uiteindelijk zelf een houten kunstwerkje is geworden. De heren gaan gekleed in nette pakken, de dames in de lange jurken die we kennen uit het Bausch-repertoire. Maar bovenal blijft de speelsheid en vernuftigheid van Pina Bausch’s beeldentaal intact. We zien het in een groep dames die samen een veelbenig wezen vormen of een kooksessie waar Azusa Seyama geholpen wordt door een klein legertje aan handen. Een naakte danser en danseres lijken even te fuseren tot een Siamese tweeling. Het levert stuk voor stuk bijzonder theatrale beelden op.

En dan is er Papaioannou zelf, die meer vanuit een fascinatie voor verstilling en het naakte lichaam lijkt te werken. Prachtig zijn de beelden waarin naakte dansers tergend traag van een berg matten lijken te glijden. Een danser verschijnt uit een papieren cocon, trekt een paar kartonnen buizen aan en wordt een vreemde hybride tussen mens en spin. De vele referenties die hij in zijn werk stopt – naar de Griekse veerman Charon, beelden uit de schilderkunst en vanzelfsprekend het werk van zijn voorgangster – zijn me niet allemaal even bekend, maar dat mag de pret niet drukken. Neues Stück laat de rijke fantasie van het Tanztheater Wuppertal (opnieuw) zien. Dat smaakt naar meer.

23 juni: Gesualdo speelt met kunst en kitsch

Foto: Sofie Knijff

Kun je kunst los zien van de kunstenaar? Wie moeite heeft met Woody Allen heeft nog niet gehoord van Carlo Gesualdo. Gesualdo is next level: een Italiaanse componist uit de late Renaissance die zijn vrouw en haar minnaar heeft vermoord, een heks als minnares had en alle bomen om zijn huis liet omkappen. Het geruis van de bladeren verstoorde zijn concentratie. Gesualdo’s composities zijn daarentegen zo bijzonder, dat het eeuwen later nog bewonderd werd door Igor Stravinsky. En de Warme Winkel, die met het Nederlands Kamerkoor een voorstelling rondom Gesualdo maken.

Een weerzinwekkende man die desalniettemin mooie muziek kon maken: die tegenstelling is de basis in deze voorstelling. Enerzijds horen we de schoonheid van Gesualdo’s madrigalen in de zang van het Nederlands Kamerkoor, netjes in pak en wat stijfjes op het podium. Anderzijds worden we uit balans gebracht door de scenes van de Warme Winkel. In een campy decor met roze gordijnen en klatergouden rekwisieten leest een naakte Florian Myjer een brief naar het Kamerkoor voor, terwijl Vincent Rietveld en Ward Weemhoff hem betasten, kietelen en slaan met een microfoon. Als Myjer zijn teen in een muizenval dreigt te zetten, lopen de eerste toeschouwers de zaal uit. Het blijkt allemaal een vals alarm te zijn, maar het gaat om het moment waarop je dat nog niet doorhebt. De afschuw en walging die ik dan voel, hoor ik te voelen.

Het risico van zo’n aanpak ligt in de overkill. En dat gebeurt op den duur in Gesualdo. De platte scènes en het spelen met wreedheid zijn aanvankelijk effectief, maar verliezen snel de spanning. Na een paar herhalingen weet je dat er geen echt gevaar is, waardoor je weer rustig in je stoel kan zitten. Je weet dat camp een bewuste tegenhanger is van de ‘hoge kunst’ van de kamermuziek, maar daar worden de individuele scènes niet per se interessanter door. Als de twee werelden elkaar ontmoeten, ontstaan er onverwacht mooie momenten. Een langzaam uitzoomende projectie waarin de Warme Winkeliers op de grond liggen en een schilderij imiteren is tegelijkertijd esthetisch en kitschy. In de laatste akte nodigt Ward Weemhoff een koorlid – zijn oude geschiedenislerares –  uit, ‘bestelt’ een pizza en vertelt over zijn tijd op de middelbare school. Wat begint als een mooi oprechte scène wordt onderuitgehaald wanneer een plastic penis door de pizzadoos verschijnt. Ontroering en schmieren, kunst en kitsch komen hier even samen. En het werkt.

26 juni: Gisèle Vienne: Crowd

Foto: Estelle Hanania

Voordat Crowd begint krijgen we op allerlei plekken in de schouwburg oordopjes aangeboden als bescherming tegen de luide muziek. Als ik lees dat het hier om techno gaat, niet mijn grootste liefde, neem ik er voor de zekerheid een paar mee. Dan, hoe ironisch, blijkt de muziek het mooiste onderdeel van de voorstelling te zijn. Het is een door Peter Rehberg samengestelde mix van veertig jaar elektronische dansmuziek inclusief een eigen compositie.

Op het podium van de Rabozaal ligt aarde en allerlei afval, het lijkt op de overblijfselen van een heftig feest of een grasveld in het Vondelpark na een mooie dag. Terwijl de geweldige muziek over ons heen spoelt, komen er heel langzaam in slow motion vanuit het donker figuren naar voren. Jongeren in hoodies, rugzakken, een alternativo met wijde broek en houthakkershemd. Aanvankelijk is de slomo prachtig, zeker met die muziek. De dansers glimlachen, naar ons, naar elkaar, begroeten elkaar, iemand steekt een sigaret op. Het is alsof je naar een droombeeld kijkt of een gelikte commercial.

Volgens Gisèle Vienne, de choreograaf van Crowd zien we hier vijftien individuen met ieder een eigen verhaal. Wat ik waarneem: constant dezelfde trage manier van bewegen met af en toe een gezamenlijke stilte of een synchroon strekken van ledematen. Iemand zakt op de grond in elkaar, een meisje vindt een zak chips die ze uit elkaar trekt, er wordt water uit flesjes over de anderen heen gegooid wat schitterende beelden oplevert. Aan schitterende beelden geen gebrek overigens: het donker, de kleuren, de belichting, de rookwolken die zich tegen het einde boven een paar mensen vormen. (Geen idee hoe ze dat doen, ze lijken op iets in hun kleding te drukken). Alles blijft echter op afstand en dat komt vooral omdat de dansers hun tempo niet wijzigen. Misschien is  dat juist het kenmerk van deze crowd? Een bijzonder idee, maar om naar te kijken slaapverwekkend.

Een engerd betast het lichaam van een doodstil staande jongen en grijnst ondertussen naar een meisje dat toekijkt, het meisje staat te huilen. Ik bekijk het alsof het een laboratorium experiment is. Waarom huilt ze? Heeft het iets met die jongen te maken of is she coming-down? Het kan me niet schelen, hoe lang duurt het nog? Toeschouwers verlaten de zaal.

Pas als de dansers het applaus in ontvangst nemen – waarbij het publiek nauwelijks gaat staan, een unicum – zie ik levende mensen op het podium. Waar zijn ze al die tijd geweest?

28 juni: Tiefer Schweb – Münchner Kammerspiele

Foto: Thomas Aurin

Met Tiefer Schweb van het Münchner Kammerspiele staat de Zwitserse theatermaker Christoph Marthaler voor de zevende keer met een voorstelling op het Holland Festival. Zijn stukken kenmerken zich door een hoge mate van absurdisme en vervreemding. Marthalers theater wordt bevolkt door personages die, zoals theatercriticus Hein Janssen in de Volkskrant schreef, proberen er met de moed der wanhoop toch nog wat van te maken.

Die wanhopige mensen zijn in Tiefer Schweb een achttal ambtenaren die zich hebben opgesloten in een geheime ruimte op de bodem van het Bodenmeer. Europa wordt bedreigd door een gevaarlijke uitheemse bacterie en boven het wateroppervlak is de pleuris uitgebroken. Aan de ambtenaren, gestoken in strak pak, de taak met oplossingen te komen.

Daarvoor grijpen ze terug op wat ze kennen: onnavolgbare beleidsprocedures en niet te volgen ambtenarenjargon. De onmogelijkheid van hun opdracht erkennende, verzanden de vergaderingen vaak in het gezamenlijk aanheffen van oude Duitse volksliedjes, koorliederen waarbij zangers urinoirs over hun hoofden plaatsen of orgelopvoeringen van Simon and Garfunkels The Sound of Silence. De muziek brengt troost, maar weinig redding.

Marthaler legt een duidelijke link met de actualiteit. De ambtenaren zijn letterlijk afgesloten van de problemen boven het wateroppervlak die ze pogen op te lossen; daarmee volkomen vervreemdt van de situatie die ze in ambtelijk jargon proberen te vatten. Dat is duidelijke kritiek op de wijze waarop Europese overheden in Brussel, Berlijn en Den Haag de vluchtelingencrisis op de Middellandse zee onder controle proberen te krijgen. Af en toe weet de realiteit binnen te dringen in de afgesloten vergaderruimte: via een wonderlijk luik in de hoek van het decor of doordat het water van het Bodenmeer de ruimte binnenstroomt. Meerdere malen weten de ambtenaren zichzelf ternauwernood van een verdrinkingsdood te redden. Die metafoor is pretty on the nose. Evenals de blub-blub-blub-geluiden waarmee de voorstelling begint en eindigt.

Toch overtuigt Tiefer Schweb, ondanks sterke individuele scenes, als geheel niet helemaal. De voorstelling is uiteindelijk te surreëel om echt een politiek punt te kunnen maken, maar te politiek om een magische wereld te creëren waarin de toeschouwer zichzelf kan verliezen. Daardoor blijf je met een zekere emotionele afstand naar de gebeurtenissen op het toneel kijken.

De slotscène, waarin personages gekleed in verschillende folkloristische klederdrachten een laatste lied aanheffen en hun hoop voor de toekomst uitspreken, is daarentegen ijzersterk. Dan kijk je voor één moment werkelijk naar mensen die er met de moed der wanhoop iets van proberen te maken.

Reageer op dit artikel

Theater / Reportage
special: Holland Festival 2018

Holland Festival: de derde week

Tijdens de derde week van het Holland Festival zag Jeroen een mooi eerbetoon aan Pina Bausch, een voorstelling rondom de bijzondere componist Gesualdo en zag hij eindelijk Romeinse Tragedies. Emilia Nova werd geconfronteerd met veertig jaar elektronische dansmuziek en Devi zag een voorstelling waarin kritiek werd geleverd op de vluchtelingencrisis rondom het Middellandse zee gebied.

15 juni: Romeinse Tragedies is in 2018 nog steeds actueel

Foto: Jan Versweyveld

Romeinse Tragedies is één van die iconische voorstellingen die je gezien moet hebben, is me verteld. Jaren geleden probeerde ik kaartjes te bemachtigen, maar zonder succes. Dit jaar is het me gelukt. Op het Holland Festival wordt de zes uur durende Shakespearemarathon in stijl afgesloten: in het Koninklijk Theater Carré.

Romeinse Tragedies bewijst opnieuw hoe alomtegenwoordig Shakespeare nog steeds is in onze cultuur. De politieke machtsspelletjes die de revue passeren doen me denken aan Game of Thrones en House of Cards, en verwijzen tegelijkertijd –  vrij letterlijk – naar de politieke realiteit van 2018. De voorstelling rijgt drie Shakespeareaanse tragedies aan elkaar. In Coriolanus wordt de Romeinse generaal Gaius Marcius Coriolanus (Gijs Scholten van Aschat) verbannen uit Rome, de stad die hem eerder nog onthaalde als held. Uit wraak sluit hij zich aan bij zijn aartsvijand Aufidius (Bart Slegers), en beraamt een aanval op Rome. Julius Caesar staat in het teken van de moordaanslag op Julius Caesar (Hugo Koolschijn) door zijn bondgenoten Brutus en Cassius (Eelco Smits en Marieke Heebink). De beroemde toespraak van Marcus Antonius (“Vrienden, Romeinen, landgenoten, leen mij uw oor”) vloeit naadloos over in de laatste tragedie van de avond: Antonius en Cleopatra. Antonius (Hans Kesting) is één van de drie machthebbers in Rome, en raakt in de ban van Cleopatra (Chris Nietvelt), koningin van Egypte. Hun affaire leidt tot de overgave van Egypte en de zelfmoord van beide geliefden.

Met zoveel Shakespeareaans geweld zou je zeggen dat er vanuit de zaal meer dan genoeg te zien is, maar de kracht van Romeinse Tragedies bevindt zich op het podium. Het decor is een grote media-installatie, vol met televisieschermen waar de voorstelling of nieuwsfragmenten op te zien zijn. Het publiek mag vrij rondlopen, eten bestellen, naar televisie kijken, terwijl de acteurs op het voortoneel staan te spelen. Als ik voor het eerst in het decor ga zitten, verbaas ik me erover hoe sterk de voorstelling van betekenis verandert. Vanuit de zaal kijken we gezamenlijk naar een politiek drama, op dezelfde manier waarop men dat in Shakespeares tijd gedaan heeft. Op het podium komt de wereld via beeldschermen binnen. De vrouw die vlak naast me staat, kijkt naar een heel ander scherm dan ik. Als ik de andere kant op kijk, zie ik een groepje naar weer een ander scherm kijken. De gezamenlijkheid maakt plaats voor filterbubbels. Dat Romeinse Tragedies gemaakt is voor de opkomst van Facebook en de discussie rondom informatiefiltering, zegt veel over de tijdloosheid van deze voorstelling.

Maar er is meer. Naast de slimme scenografie zijn er de acteurs van Toneelgroep Amsterdam, die met name in de laatste uren boven zichzelf uitstijgen. De toespraak van Antonius door Hans Kesting en Chris Nietveld als ontrafelende Cleopatra zijn kleine masterclasses in acteren. Waar het bij vlagen moeilijk is om alle namen en twisten bij te houden, wordt de voorstelling op momenten als deze lucide. We zien Antonius, maar ook Bernie Sanders, Barack Obama, Donald Trump. Zo veel is er niet veranderd.

20 juni: Neues Stück is een welkom nieuw hoofdstuk voor het Tanztheater Wuppertal

Foto: Julian Mommert

Toen ik jaren geleden Wim Wenders’ Pina zag, liep ik met gemengde gevoelens de bioscoop uit. Wat een prachtig ensemble, dat Tanztheater Wuppertal! Maar wat zonde eigenlijk, dat ik ze toen pas ontdekte. Zullen ze na het overlijden van de iconische Pina Bausch nog nieuw werk maken? Ja, gelukkig wel. Op een zomerse avond in Amsterdam staan rijen voor de kassa om Neues Stück 1 – Seit Sie te zien: een mooi eerbetoon aan Bausch en een nieuw hoofdstuk voor het gezelschap.

Aan Dimitris Papaioannou de taak om dat nieuwe hoofdstuk in te luiden. Als choreograaf, theaterregisseur, schilder en striptekenaar beweegt hij gemakkelijk tussen verschillende disciplines. Een logische keuze voor een gezelschap dat graag de grenzen tussen dans en theater opzoekt. In Neues Stück brengt hij een ode aan Bausch, en behoudt tegelijkertijd een eigen signatuur. We zien de stoelen van Café Muller herhaaldelijk verschijnen. Een rij dansers steekt het podium over door de stoelen te verplaatsen, erop te staan, en over te steken naar de volgende stoel. Later probeert een danser zoveel mogelijk stoelen met zich mee te dragen, tot hij uiteindelijk zelf een houten kunstwerkje is geworden. De heren gaan gekleed in nette pakken, de dames in de lange jurken die we kennen uit het Bausch-repertoire. Maar bovenal blijft de speelsheid en vernuftigheid van Pina Bausch’s beeldentaal intact. We zien het in een groep dames die samen een veelbenig wezen vormen of een kooksessie waar Azusa Seyama geholpen wordt door een klein legertje aan handen. Een naakte danser en danseres lijken even te fuseren tot een Siamese tweeling. Het levert stuk voor stuk bijzonder theatrale beelden op.

En dan is er Papaioannou zelf, die meer vanuit een fascinatie voor verstilling en het naakte lichaam lijkt te werken. Prachtig zijn de beelden waarin naakte dansers tergend traag van een berg matten lijken te glijden. Een danser verschijnt uit een papieren cocon, trekt een paar kartonnen buizen aan en wordt een vreemde hybride tussen mens en spin. De vele referenties die hij in zijn werk stopt – naar de Griekse veerman Charon, beelden uit de schilderkunst en vanzelfsprekend het werk van zijn voorgangster – zijn me niet allemaal even bekend, maar dat mag de pret niet drukken. Neues Stück laat de rijke fantasie van het Tanztheater Wuppertal (opnieuw) zien. Dat smaakt naar meer.

23 juni: Gesualdo speelt met kunst en kitsch

Foto: Sofie Knijff

Kun je kunst los zien van de kunstenaar? Wie moeite heeft met Woody Allen heeft nog niet gehoord van Carlo Gesualdo. Gesualdo is next level: een Italiaanse componist uit de late Renaissance die zijn vrouw en haar minnaar heeft vermoord, een heks als minnares had en alle bomen om zijn huis liet omkappen. Het geruis van de bladeren verstoorde zijn concentratie. Gesualdo’s composities zijn daarentegen zo bijzonder, dat het eeuwen later nog bewonderd werd door Igor Stravinsky. En de Warme Winkel, die met het Nederlands Kamerkoor een voorstelling rondom Gesualdo maken.

Een weerzinwekkende man die desalniettemin mooie muziek kon maken: die tegenstelling is de basis in deze voorstelling. Enerzijds horen we de schoonheid van Gesualdo’s madrigalen in de zang van het Nederlands Kamerkoor, netjes in pak en wat stijfjes op het podium. Anderzijds worden we uit balans gebracht door de scenes van de Warme Winkel. In een campy decor met roze gordijnen en klatergouden rekwisieten leest een naakte Florian Myjer een brief naar het Kamerkoor voor, terwijl Vincent Rietveld en Ward Weemhoff hem betasten, kietelen en slaan met een microfoon. Als Myjer zijn teen in een muizenval dreigt te zetten, lopen de eerste toeschouwers de zaal uit. Het blijkt allemaal een vals alarm te zijn, maar het gaat om het moment waarop je dat nog niet doorhebt. De afschuw en walging die ik dan voel, hoor ik te voelen.

Het risico van zo’n aanpak ligt in de overkill. En dat gebeurt op den duur in Gesualdo. De platte scènes en het spelen met wreedheid zijn aanvankelijk effectief, maar verliezen snel de spanning. Na een paar herhalingen weet je dat er geen echt gevaar is, waardoor je weer rustig in je stoel kan zitten. Je weet dat camp een bewuste tegenhanger is van de ‘hoge kunst’ van de kamermuziek, maar daar worden de individuele scènes niet per se interessanter door. Als de twee werelden elkaar ontmoeten, ontstaan er onverwacht mooie momenten. Een langzaam uitzoomende projectie waarin de Warme Winkeliers op de grond liggen en een schilderij imiteren is tegelijkertijd esthetisch en kitschy. In de laatste akte nodigt Ward Weemhoff een koorlid – zijn oude geschiedenislerares –  uit, ‘bestelt’ een pizza en vertelt over zijn tijd op de middelbare school. Wat begint als een mooi oprechte scène wordt onderuitgehaald wanneer een plastic penis door de pizzadoos verschijnt. Ontroering en schmieren, kunst en kitsch komen hier even samen. En het werkt.

26 juni: Gisèle Vienne: Crowd

Foto: Estelle Hanania

Voordat Crowd begint krijgen we op allerlei plekken in de schouwburg oordopjes aangeboden als bescherming tegen de luide muziek. Als ik lees dat het hier om techno gaat, niet mijn grootste liefde, neem ik er voor de zekerheid een paar mee. Dan, hoe ironisch, blijkt de muziek het mooiste onderdeel van de voorstelling te zijn. Het is een door Peter Rehberg samengestelde mix van veertig jaar elektronische dansmuziek inclusief een eigen compositie.

Op het podium van de Rabozaal ligt aarde en allerlei afval, het lijkt op de overblijfselen van een heftig feest of een grasveld in het Vondelpark na een mooie dag. Terwijl de geweldige muziek over ons heen spoelt, komen er heel langzaam in slow motion vanuit het donker figuren naar voren. Jongeren in hoodies, rugzakken, een alternativo met wijde broek en houthakkershemd. Aanvankelijk is de slomo prachtig, zeker met die muziek. De dansers glimlachen, naar ons, naar elkaar, begroeten elkaar, iemand steekt een sigaret op. Het is alsof je naar een droombeeld kijkt of een gelikte commercial.

Volgens Gisèle Vienne, de choreograaf van Crowd zien we hier vijftien individuen met ieder een eigen verhaal. Wat ik waarneem: constant dezelfde trage manier van bewegen met af en toe een gezamenlijke stilte of een synchroon strekken van ledematen. Iemand zakt op de grond in elkaar, een meisje vindt een zak chips die ze uit elkaar trekt, er wordt water uit flesjes over de anderen heen gegooid wat schitterende beelden oplevert. Aan schitterende beelden geen gebrek overigens: het donker, de kleuren, de belichting, de rookwolken die zich tegen het einde boven een paar mensen vormen. (Geen idee hoe ze dat doen, ze lijken op iets in hun kleding te drukken). Alles blijft echter op afstand en dat komt vooral omdat de dansers hun tempo niet wijzigen. Misschien is  dat juist het kenmerk van deze crowd? Een bijzonder idee, maar om naar te kijken slaapverwekkend.

Een engerd betast het lichaam van een doodstil staande jongen en grijnst ondertussen naar een meisje dat toekijkt, het meisje staat te huilen. Ik bekijk het alsof het een laboratorium experiment is. Waarom huilt ze? Heeft het iets met die jongen te maken of is she coming-down? Het kan me niet schelen, hoe lang duurt het nog? Toeschouwers verlaten de zaal.

Pas als de dansers het applaus in ontvangst nemen – waarbij het publiek nauwelijks gaat staan, een unicum – zie ik levende mensen op het podium. Waar zijn ze al die tijd geweest?

28 juni: Tiefer Schweb – Münchner Kammerspiele

Foto: Thomas Aurin

Met Tiefer Schweb van het Münchner Kammerspiele staat de Zwitserse theatermaker Christoph Marthaler voor de zevende keer met een voorstelling op het Holland Festival. Zijn stukken kenmerken zich door een hoge mate van absurdisme en vervreemding. Marthalers theater wordt bevolkt door personages die, zoals theatercriticus Hein Janssen in de Volkskrant schreef, proberen er met de moed der wanhoop toch nog wat van te maken.

Die wanhopige mensen zijn in Tiefer Schweb een achttal ambtenaren die zich hebben opgesloten in een geheime ruimte op de bodem van het Bodenmeer. Europa wordt bedreigd door een gevaarlijke uitheemse bacterie en boven het wateroppervlak is de pleuris uitgebroken. Aan de ambtenaren, gestoken in strak pak, de taak met oplossingen te komen.

Daarvoor grijpen ze terug op wat ze kennen: onnavolgbare beleidsprocedures en niet te volgen ambtenarenjargon. De onmogelijkheid van hun opdracht erkennende, verzanden de vergaderingen vaak in het gezamenlijk aanheffen van oude Duitse volksliedjes, koorliederen waarbij zangers urinoirs over hun hoofden plaatsen of orgelopvoeringen van Simon and Garfunkels The Sound of Silence. De muziek brengt troost, maar weinig redding.

Marthaler legt een duidelijke link met de actualiteit. De ambtenaren zijn letterlijk afgesloten van de problemen boven het wateroppervlak die ze pogen op te lossen; daarmee volkomen vervreemdt van de situatie die ze in ambtelijk jargon proberen te vatten. Dat is duidelijke kritiek op de wijze waarop Europese overheden in Brussel, Berlijn en Den Haag de vluchtelingencrisis op de Middellandse zee onder controle proberen te krijgen. Af en toe weet de realiteit binnen te dringen in de afgesloten vergaderruimte: via een wonderlijk luik in de hoek van het decor of doordat het water van het Bodenmeer de ruimte binnenstroomt. Meerdere malen weten de ambtenaren zichzelf ternauwernood van een verdrinkingsdood te redden. Die metafoor is pretty on the nose. Evenals de blub-blub-blub-geluiden waarmee de voorstelling begint en eindigt.

Toch overtuigt Tiefer Schweb, ondanks sterke individuele scenes, als geheel niet helemaal. De voorstelling is uiteindelijk te surreëel om echt een politiek punt te kunnen maken, maar te politiek om een magische wereld te creëren waarin de toeschouwer zichzelf kan verliezen. Daardoor blijf je met een zekere emotionele afstand naar de gebeurtenissen op het toneel kijken.

De slotscène, waarin personages gekleed in verschillende folkloristische klederdrachten een laatste lied aanheffen en hun hoop voor de toekomst uitspreken, is daarentegen ijzersterk. Dan kijk je voor één moment werkelijk naar mensen die er met de moed der wanhoop iets van proberen te maken.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Paupervoorstelling voor culturele rijkaards

recensie: Stichting Het Pauperparadijs - Het Pauperparadijs

Eindelijk heeft Nederland er na Soldaat van Oranje weer een voorstelling bij om de nationalistische gevoelens – of zijn het stiekem alleen de Amsterdamse? – aan te laten wakkeren. De taferelen in het Drentse bedelaarsgesticht in Veenhuizen omstreeks 1823 tot 1900 zijn zo doordrenkt van misère, dat zij tezamen de Hollandse Les Misérables vormen. Wie op de hoogte is van de roman van Victor Hugo, verwacht uiteraard een samenkomst van heftige emoties en ziet romantische vrijscènes in het maanlicht worden opgevolgd door bloedige onthoofdingsscènes. Zoveel bloed vloeit er niet in Suzanna Janssens’ Het Pauperparadijs en ook het credo ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ zal niet eensgezind klinken tijdens opstanden, maar het is wél totaaltheater. Hoewel het plaatje zowel visueel als auditief klopt, knaagt het voortreffelijke spel: de emoties zijn zo extreem uitvergroot, dat het lastig is om je te herkennen én in te leven in de personages.

Parallel met het heden

In Het Pauperparadijs zien we het schrijnende verhaal van de Amsterdamse familie Gijben die – zoals vele families na de Franse invasie in Nederland – gedoemd is tot armoede en leed. Aangezien hun ouders niet meer voor hen kunnen zorgen, worden de jonge Teunis, Aagje en Japie Gijben ondergebracht in een Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht. Op hardhandige wijze worden ze van daaruit vervoerd naar het bedelaarsgesticht in het Drentse Veenhuizen, sinds het jaartal 1823 het nieuwe thuis voor bedelaars, landlopers en wezen. Namens De Maatschappij van Weldadigheid, stichtte Johannes van den Berg aldaar drie grote gestichten met als doel de povere bevolking her op te voeden en hard te laten ploegen op het onontgonnen gebied. In de voorstelling wordt daar concreet naar verwezen met de leuzen ‘Tucht en orde’, ‘Bid en werk’, ‘Kennis is macht’ en ‘Discipline’, die de bewoners worden ingeprent. Zowaar ontdekken we hierin het harde, militair-getinte beleid dat de Amerikaanse geschiedenisleraar Ron Jones in 1967 opzette om het nazisme te verduidelijken (beter bekend als: The Wave).

Het is niet gek dat regisseur Tom de Ket een parallel trekt naar de toekomst: hij laat zijn verteller (Paul R. Kooij) namelijk telkens vraagstukken over hedendaagse armoede opwerpen en laat daarmee het publiek bewust worden van onze houding versus de kansarmen in de bevolking. Begin 19e eeuw werd er dus bewust voor gezorgd dat de arme stakkers niet zichtbaar werden in de samenleving, maar hoe staat het daar anno 2018 mee gesteld?

Overdosis drama

De toevoeging van de verteller geeft de voorstelling niet alleen een geëngageerd karakter, maar het energieke spel van Paul R. Kooij zorgt er ook voor dat deze voorstelling een aangenaam hoog tempo kent. Bovendien zorgt de aanvulling van een dansgroep en een ‘pauperband’ (onder leiding van zangeres Lavalu) ervoor dat het een dynamische voorstelling wordt waarin allerlei kunstdisciplines samenkomen. De dansers en muzikanten verweven zich op soepele en verfijnde manier in het spel en completeren de voorstelling. De spelers worden echter niet overtroffen door deze aanvullende elementen: alleen al de ijzersterke acteur Dragan Bakema (in de rol van Van den Bosch) zou deze voorstelling kunnen dragen. Ook Steyn de Leeuwe verrast als de innemende kwajongen Teunis en zowel Peter Drost (directeur Schepenaar) en Rosa da Silva (Aagje) weten gemakkelijk om te springen in hun diverse rollen.

Alle acteurs spelen geloofwaardig hun rol en lijken de huid te dragen van de historische figuren die ze spelen. Toch is er iets in hun spel – voornamelijk in het eerste en tweede deel van de voorstelling – waarvan je nekharen overeind gaan staan. Dat het een grauwe, sobere voorstelling wordt, is al snel duidelijk. Daar leent het verhaal zich immers voor. Waar de drang vandaan komt om iedere emotie zo beladen van grief en drama te tonen, is echter een raadsel. De toeschouwer wordt geen adempauze gegund; de ene diepe, verbitterde zucht volgt de andere angstaanjagende schreeuw op en je kijkt even op of om en er ligt een speler te creperen op het podium. Ondanks alle vlieg-en-kunstwerk die is toegevoegd, raak je als toeschouwer je concentratie en interesse zo nu en dan kwijt. Dat komt doordat de emoties zo gedramatiseerd worden, dat je niet meer kunt meegaan in de getoonde gevoelens. Deze voorstelling lijdt in akte één en twee aan een grote overdosis drama.

Gelukkig zwakt dit in de derde akte af; een akte waarin de regie weer tot in de puntjes strak is neergezet en het decor én de kostuums weer op een lijn liggen. Bovendien waant men zich in het begin van deel drie in een spectaculair concert als Lavalu met haar band het publiek omverblaast met de prachtige liedteksten van De Ket. Ondanks een stroef, haast onwennig begin, stevent de voorstelling af op een knallend eindslot.

De vraag is of zo’n maatschappijkritisch toneelstuk over het verschil tussen arm en rijk moet worden opgevoerd in de rijk aangeklede, klassieke theaterzaal van het Koninklijk Theater Carré. Waarschijnlijk gedijt dit toneelstuk beter op het brakke land van Veenhuizen, waar het in 2016 werd opgevoerd voor de poorten van het gevangenismuseum Veenhuizen. Wellicht zou een directe, zichtbare link met die historische plek ervoor zorgen dat de emoties beter doorvoeld kunnen worden. In reprise? Zeker goed idee, maar de familie Gijben – en met hen de andere 19e eeuwse personages – terugverhuizen van Veenhuizen naar Amsterdam komt de vertelling over hun verleden niet ten goede. Het is uitzien naar een reprise op de kille plek waar zoveel arme sloebers voor hun leven vochten.

Reageer op dit artikel

Boeken / Boeken / Boeken / Non-fictie
recensie: Arjen van Veelen - Amerikanen lopen niet

Het beloofde land

Schrijver en journalist Arjen van Veelen geeft met Amerikanen lopen niet een onthutsend beeld van de actuele situatie in het hart van de Verenigde Staten.

Hij zou een boek gaan schrijven over de oude Grieken. Omdat zijn vrouw een zeldzame bacterie moest onderzoeken zou dat niet in Nederland zijn, maar in St. Louis, in de Verenigde Staten. Daar huurden ze een huis en dat zou zijn spreekwoordelijke hutje op de hei worden. Terwijl zijn vrouw op de universiteit aan het werk zou zijn, zou hij alle tijd en ruimte hebben voor het schrijven. Dit liep net even wat anders.

Stad van uitersten

St. Louis blijkt niet zomaar een stad te zijn. Het blijkt de stad met de meeste moorden per inwoner per jaar van de hele Verenigde Staten (meer dan steden als Detroit en Chicago). Ook blijkt het de stad met de grootste scheiding tussen arm en rijk en, met name, tussen zwart en wit. Het blijkt de stad waar je zo vaak knallen hoort dat het een spelletje wordt: raden of die afkomstig zijn van vuurwerk of geweerschoten. Een stad waar je je niet of nauwelijks te voet kunt voortbewegen. Waar de getto’s letterlijk om de hoek van de villawijken te vinden zijn.

Dit is geen hutje op de hei, dat moge duidelijk zijn. Van Veelen beschrijft hoe bang hij is in zijn eigen huis. Hoe hij binnen blijft. Niet meer wandelt. En ook niet schrijft over de oude Grieken. Tot hij daar genoeg van heeft en tóch gaat lopen – iets dat zeer ongebruikelijk is (en soms ook onmogelijk, dankzij de slechte staat van de stoepen of het ontbreken daarvan). Later koopt hij een fiets en leert die stad van uitersten steeds beter kennen.

Roadtrip door kapotte straten

In Amerikanen lopen niet neemt Van Veelen je mee op die ontdekkingsreis die hij heeft gemaakt. Vanaf zin één wil je doorlezen en zijn verhaal horen. Hij vertelt de verhalen van de mensen die hij ontmoet, van de vrienden die hij maakt, van plekken die hij bezoekt en van de dingen die hij ziet. Zo ziet hij zwangere vrouwen bij drugspanden drugs gebruiken. Ziet hij de kogelhulzen op straat ‘alsof het achteloos weggeworpen peuken zijn’. En vertelt hij het verhaal van de achttienjarige Latonya Williams die iedere dag drie kilometer moet lopen naar haar werk bij de Burger King, en daarbij tal van obstakels (vaak letterlijk, in de vorm van betonblokken of opengescheurde wegdelen) moet overbruggen. Op een dag is zij doodgereden tijdens zo’n tocht naar haar werk, doordat een auto uit de bocht vloog.

Dominee in de vallei des doods

Ook intrigerend is het verhaal van dominee Kenneth McKoy, een zwarte man met lange dreadlocks die als dominee elk weekend met een klein groepje mensen door de gevaarlijkste stukken van St Louis loopt. Hij vraagt de jongens die elkaar vermoorden ermee te stoppen, of geeft ze alleen een knuffel. Hij is hiermee begonnen nadat zijn eigen zoon was neergeschoten en het wonder boven wonder had overleefd. Van Veelen loopt een keer met hem mee. De manier waarop hij dit beschrijft is zo beklemmend dat het voelt alsof je daar zelf loopt en er elk moment iemand een pistool kan trekken.

Oorzaken

Van Veelen onderzoekt niet alleen hoe de zwarte en witte bevolking in St Louis in totaal gescheiden werelden leven die op nog geen steenworp afstand van elkaar liggen. Hij gaat ook op zoek naar de onderliggende redenen voor deze situatie, die op zijn zachtst gezegd hopeloos genoemd mag worden. Hij geeft een haarscherpe analyse die zowel het historische aspect en het ontstaan van de staat Missouri (en de Verenigde Staten überhaupt) omvat, maar eveneens de manier waarop het bestuurlijke- en rechterlijke systeem vandaag de dag is ingericht.

Hoe de zwarte mensen vanaf dat ze geboren worden al niet meer uit die situatie kunnen ontsnappen. Elke wijk van de stad heeft zijn eigen bestuur en eigen politie. De witte mensen die in het bestuur zitten verzinnen totaal surrealistische wetten. Zo mag iemand die ‘vreemd loopt’ staande worden gehouden. Zo ook Michael Brown, de achttienjarige zwarte jongen die over straat liep en werd doodgeschoten door agenten. De rellen waren wereldnieuws, maar de dagelijkse situatie in deze stad die hier de aanleiding voor was bleef onbesproken.

Volledig beeld

In Amerikanen lopen niet hang je van begin tot eind aan de lippen van de auteur, die zo mooi en weloverwogen vertelt wat hij heeft gezien en je een beeld geeft van het de hedendaagse Verenigde Staten dat weinig mensen kennen. De slavernij, de impact van het neoliberalisme en de vastgeroeste denkbeelden worden haarfijn vervlochten en verklaren veel van de situatie zoals die nu is. Het verslag van een campagnebijeenkomst van de toen nog presidentskandidaat Donald Trump geeft je kippenvel. Een zwarte toehoorder wordt de zaal uitgewerkt door security onder luid gejuich van de rest van het publiek. Tegelijkertijd weet Van Veelen ook die gebeurtenissen en Trumps populariteit in het hart van Amerika te verklaren.

Van Veelen geeft op een prachtige manier een diagnose over de gesteldheid van de huidige Verenigde Staten die triest stemt. Na het lezen van dit boek kijk je anders naar dit land dat wereldwijd nog steeds symbool staat voor vrijheid. De ‘nieuwe wereld’ die de middeleeuwers ontdekten en een land was van nieuwe kansen, blijft hopeloos achter.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Dwalen met Descartes

recensie: Hans Dooremalen - Descartes in Amsterdam

Hans Dooremalen schrijft met Descartes in Amsterdam een filosofische detective, die zowel leerzaam als spannend is – maar toch vooral dat eerste.

Dooremalen schreef nog niet eerder een filosofische detective, en weinigen gingen hem voor in dit genre. Er wordt nauwelijks op deze manier over filosofie geschreven, dus dat maakt dat Descartes in Amsterdam al direct opvalt.

De Gouden eeuw

De grote wijsgeer – alom bekend door zijn uitspraak cogito ergo sum (ik denk dus ik ben) – leefde enkele jaren in het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Een Amsterdam waar de schout, benoemd door de stadhouder, veel macht had. Een Amsterdam waar meerdere burgemeesters waren, waar katholieken hun missen in schuilkerken hielden en waar één ding belangrijker was dan alle godsdiensttwisten bij elkaar: de handel. In dit Amsterdam kon Descartes ongestoord werken aan zijn methode (die hij later uiteen zou zetten in zijn Meditaties in 1641).

Vanuit deze waargebeurde setting schrijft Dooremalen zijn filosofische detective. Het verhaal beslaat elke dag van de oktobermaand van 1634. Op dag één wordt – hoe kan het ook anders – een lijk gevonden. De man is naakt en ligt op een vreemd symbool. Meerdere slachtoffers volgen. Descartes is direct geïnteresseerd en assisteert de onderschout die met het onderzoek opgezadeld is en niet weet waar te beginnen. De onderliggende motivatie van Descartes om te helpen bij het onderzoek, is te kunnen bewijzen dat zijn methode werkt. Want: ‘Een metselaar gebruikt zijn gereedschap om gebouwen te maken en een wetenschapper zijn methode om de wereld beter te maken, door uit te zoeken hoe die wereld werkt.’

Klassieke detective

Dat hem dat uiteindelijk zal lukken zal niemand verbazen. Wat dat betreft is deze filosofische detective niet veel anders dan niet-filosofische detectives, behalve dan die ene hoofdpersoon. Uiteindelijk wordt het mysterie ontrafeld. Maar, het gaat natuurlijk om het verhaal dat daarheen leidt. Dat is bij vlagen uitermate spannend.

Toch zijn er ook veel momenten waarop Dooremalen zo veel informatie en weetjes over de geschiedenis van Amsterdam en zijn inwoners in de dialogen stopt dat ze stroef gaan lopen en wat passief worden. Aan de ene kant is het reuze interessant om te weten wat er gebeurde in het oude Amsterdam, om bekende straatnamen te horen en je in te beelden hoe het er toen uit gezien moet hebben. Maar aan de andere kant werkt een te grote hoeveelheid van die informatie wel verlammend voor de tekst. Dit is zeker niet overal het geval, maar hier en daar had het wat minder gemogen.

Methode

Er staan ook grappige weetjes in over Descartes, bijvoorbeeld dat hij een relatie had met Helena, de dienstmeid en dat hij ‘s ochtends (net als iedereen in die tijd trouwens) bij het ontbijt een beker bier dronk. Dooremalen schrijft op een prettige manier. Wanneer er niet te veel wordt opgesomd verlopen de gesprekken soepel en zijn de beschrijvingen geloofwaardig.

Het personage van de beroemde filosoof wordt goed uitgediept, zodat je als lezer een duidelijk beeld krijgt van wat voor man het nu eigenlijk was. Ook zijn beroemde methode wordt herhaaldelijk (ook dit soms weer té vaak) uitgelegd en toegepast. In feite komt deze erop neer dat – totdat heldere en duidelijke kennis is vergaard – alles betwijfeld wordt en niets voor waar aangenomen wordt. Zo gaat Descartes ook te werk tijdens het onderzoek. Door deze radicale twijfel poogt hij vooroordelen en tunnelvisie te voorkomen. Onderdeel daarvan is een herhaaldelijk hardop opnoemen wat al wel zeker is, om zo niks over het hoofd te zien.

Descartes in Amsterdam is een vermakelijke detective die extra interessant is door de bijzondere hoofdpersoon. Het boek is leerzaam en biedt bovendien een leuk inkijkje in het Amsterdam van de Gouden eeuw. Liefhebbers van ingewikkelde plots en grote spanning zullen hier echter niet aan hun trekken komen.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Liefde als symbool van de macht

recensie: De Nationale Opera - Lessons in Love and Violence

Liefde en geweld zijn in Lessons in Love and Violence van De Nationale Opera abstracte filosofische concepten die meer het hoofd dan het hart aanspreken. De muziek van George Benjamin kruipt echter onder de huid.

De verwachtingen zijn hooggespannen: het artistieke team dat in 2012 Written on Skin bracht, unaniem bestempeld als hoogtepunt van het hedendaagse operarepertoire, komt bijeen voor een nieuwe productie. Niet alleen componist George Benjamin en librettist Martin Crimp bundelen opnieuw de krachten, ook regisseur Katie Mitchell, vermaard zangeres Barbara Hannigan en vele andere eerder betrokkenen zijn weer van de partij. De vrucht van hun nieuwe samenwerking heet Lessons in Love and Violence. Anders dan de titel doet vermoeden is het geen expliciet moralistisch stuk, maar een bezinning op politiek handelen in tijden van crisis.

Kunst als escapisme

De Koning (Stéphane Degout) houdt van de schone dingen des levens: kunst, liefde en zijn minnaar Gaveston (Gyula Orendt). Dit tot ongenoegen van zijn vrouw Isabel (Barbara Hannigan), die zich onder invloed van Mortimer (Peter Hoare), de koninklijke adviseur en op zijn beurt weer minnaar van de koningin, tegen de Koning keert. De honger van het volk wringt immers met de dure smaak van het koninklijk huis. Isabel en Mortimer laten Gaveston verdwijnen en ontvoeren de prins (Samuel Boden) en voeden hem op naar Mortimers kille en machiavellistische idealen, in plaats van de zachte politiek van zijn vader.

Het libretto van Crimp is geïnspireerd op een zestiende-eeuws koningsdrama met de welluidende titel The Troublesome Reign and Lamentable Death of Edward the Second, King of England, with the Tragical Fall of Proud Mortimer van Shakespeares tijdgenoot Christopher Marlowe. Crimp mijdt echter de naam Edward en Katie Mitchell plaatst het verhaal over de Middeleeuwse koning in een niet nader gespecificeerd hier en nu. De zeven scènes vinden allemaal plaats in dezelfde paleiszaal met aquarium, kunstschatten en luxe snuisterijen, maar elke keer staan de meubels weer tegen een andere muur. Ook gaat het geheel er steeds armoediger uitzien: de kasten raken leegt, de schilderijen worden van de muren gehaald. Het paleis wordt van een levend museum tot een verstikkend politiek slagveld waar geen uitweg uit mogelijk lijkt.

Vreemde aanraking

De componist dirigeert zelf zijn muziek en dat werkt geweldig: het Radio Filharmonisch Orkest klinkt als een organisch, onberekenbaar wezen uit de diepte. Benjamins compositie bestaat vaak uit trage, sluimerende noten die onder de huid gaan zitten. De oosters aandoende intervallen en het gebruik van uitheems slagwerk geven de muziek nog meer onderhuidse broeierigheid mee. Hannigan steekt bijna vanzelfsprekend met kop en schouders boven de andere – overigens ook fantastische – solisten uit. Ze grijpt met haar gecontroleerde dynamiek de macht over het klankveld, alsof het orkest enkel speelt om haar te behagen.

Benjamin en Crimp zinspelen op actuele spanningen tussen de elite en het populisme, tussen idealisme en pragmatisme, tussen ingrijpen en laissez-fairepolitiek, maar dienen geen pasklaar antwoord op. De kunstminnende koning is geen held, hij is decadent en spilziek. Mortimer is een berekenende bloeddorsteling, maar heeft geen ongelijk als hij zegt dat de exquise kunstsmaak van de koning het volk in armoede laat. Door die gelaagdheid wordt het libretto echter ook wat cerebraal. De muziek zorgt voor het gevoel, al is het niet zozeer emotie, maar iets dat dieper aan de oppervlakte ligt. Benjamins klanken zijn als aanrakingen die weliswaar zacht, maar niet teder of behaaglijk zijn, alsof je gestreeld wordt door een onbekende, wiens intenties duister blijven.

Reageer op dit artikel

Theater / Reportage
special: Oerol 2018 deel 2

De verbinding

Het jaarlijkse Oerol-festival is sinds 1982 uitgegroeid tot een internationaal fenomeen, dat jaarlijks populairder lijkt te worden. Tien dagen lang verwelkomt Terschelling tienduizenden toeschouwers voor (locatie) theater en dans, straattheater, beeldende landschapskunst en muziek. Dit vijfde jaar op rij zag ik wederom bijzondere voorstellingen, maar miste ik de ‘sense of place’ die ik voorgaande jaren zo sterk heb ervaren. De wisselwerking tussen de omgeving en de voorstellingen, maakte voor mij eerdere edities van het festival zo waardevol. Het grote aanbod dwingt daarbij om keuzes te maken bij de samenstelling van je persoonlijke programma, waardoor ik een beperkt beeld heb kunnen vormen van deze gehele editie. In twee delen, het ware en de verbinding, beschrijf ik mijn theaterervaringen op het eiland.

Johannes Bellinkx – Reverse

Achteruit lopend door West-Terschelling, achtereenvolgens met uitzicht over de Noordsvaarder, de duinen, het dorp en het zeeaquarium, neem ik de wereld geheel anders waar. Ik word gedwongen om achteruit te kijken in plaats van vooruit, waardoor de omgeving van mij weg gaat in plaats van tegemoet komt. Met mijn voeten als verkenners verplaats ik me stapje voor stapje langs de route, die als een witte lijn door het landschap loopt en mij leidt. Al mijn zintuigen staan wijdopen om eventuele hindernissen te ontwaren, die zich achter mijn blikveld bevinden. Toch kan ik de neiging niet onderdrukken om mijn hoofd enkele keren even te draaien om te zien wat er zich op mijn pad gaat bevinden.

Met het opzetten van een koptelefoon kijk ik anders om me heen, doordat ik gestuurd wordt via mijn gehoor. Geregeld vraag ik me af wat er uit mijn koptelefoon komt en wat uit mijn omgeving, vaag gehuil in de verte klinkt wat later helder door. Ik vang flarden van keukentafelgesprekken op en mag ongegeneerd door de ruiten gluren. Huizen waarin niemand thuis lijkt te zijn. Langs een geparkeerde vrachtwagen, waar een kar met verse vracht even met me meerijdt. Veel lijkt geënsceneerd in het straatbeeld, maar is het niet. Of toch? Op mijn route word ik een keer gefotografeerd aan het begin en gefilmd aan het einde. Ben ikzelf even een bezienswaardigheid in plaats van het straatbeeld, maar voel ik me tegelijkertijd beschermd door mijn koptelefoon.

Hoe langer ik loop, hoe makkelijker het gaat en gaandeweg vergeet ik zelfs even dat ik achterwaarts wandel. Ik vertraag door meer om me heen te kijken, naar mijn omgeving die als referentiepunt dient. Een wondere onderzeewereld treed ik binnen, met steeds weer een verrassing in de opvolgende aquaria doordat ik niet kan zien waar ik heen ga. Tot slot ga ik een gang binnen die ik niet aan had zien komen. Zo komt ook de laatste fase onverwacht, eindigend in totale desoriëntatie.

Collectief Walden e.a. – HET VERBAND VAN ALLES MET ALLES

De verbinding van Terschelling met het vaste land, via een elektriciteitsverbinding, is er nog maar relatief kort. Hiervoor dienden twee dieselgeneratoren het gehele eiland. Via één van de twee wordt de toeschouwer de wondere wereld van Walden ingeleid, die je in deze nieuwe samenstelling (hun eigen interpretatie van een voorstelling) van alles over warmte leren. Vertrekkend vanuit één thema, ditmaal veel concreter dan in hun eerdere voorstelling Windstilleven. Vol overtuiging tonen de spelers het inzicht dat uit hun onderzoek naar warmte voortkwam, waarin de filosoof Henry Thoreau wederom een grote rol speelt, namelijk dat alles hiermee begint en eindigt. Een verteller, twee muzikanten en twee spelers in een modieus boswachters kostuum, nemen je mee op hun reis naar het begin van het begin. Vertrokken wordt vanuit een gloeiendheet punt van waaruit alles is ontstaan. ‘De dag zonder gisteren’ wordt inzichtelijk gemaakt via een lichamelijke metafoor voor het oeratoom, waarna ruimte en tijd ontstonden. ‘Alsof iemand heel langzaam zijn armen opende’, beschrijft heel begrijpelijk het uitdijen van het heelal.

Anders naar de wereld kijken is kenmerkend voor de werkwijze van Walden, waarbij benzine terug te leiden is tot fossiele plantenresten en zo de grootste natuurlijke energievorm is. Alle vormen komen voort uit de zon, waarbij warmte weer centraal staat. Een warmte-experiment met het publiek, dat zich weerspiegeld ziet in een grote spiegelende bal, is gedoemd te mislukken omdat warmte zich niet eenvoudig laat transporteren. Verspilling van energie wordt in de groep gegooid met de vraag hoeveel een mens nodig heeft, omdat we vandaag de dag over een veelvoud van het benodigde kunnen beschikken. Het wezen van het leven wordt gezocht en gevonden in vier levensbehoeftes, namelijk voedsel, kleding, beschutting en brandstof, die allen weer verbonden zijn met warmte.

Hoe alles verband heeft met alles, wijst een korte geschiedenisles uit over het ontstaan van de bossen op Terschelling. Beginnend bij bomen uit Corsica en eindigend bij de Google-server in Eemshaven, wordt via energie de verbinding met de gehele wereld gelegd. Waarbij in ruim 100 jaar onze opvatting van de natuur met bijbehorend wereldbeeld een aantal keren drastisch gedraaid is. Wederom bieden de kaders van de vier levensbehoeftes inzicht, om hiermee in te zoomen op de concrete veranderingen. Dit mond uit in een machteloze, wanhopige woede over de huidige wereldellende die als te groot wordt ervaren om op te lossen. Een verlangen om uit het verband gezet te willen worden welt op, gevoed door Thoreau die zich in een hutje terugtrok. Op de achtergrond opent het opgetrokken bouwwerk zich verder en wordt van een schuilkelder een kantoorruimte, met vloerbedekking en een systeemplafond voorzien van tl-licht. Tegelijkertijd wordt de machteloosheid omgebogen naar invloed die je onvermijdelijk uitoefent enkel door te bestaan. Een pleidooi van de verteller voor meer verbondenheid, in de vormen van aandacht, liefde, ruimte en warmte, eindigt in een scherp contrast met het dagelijkse kantoorleven waaruit veel bezoekers van Oerol even ontsnapt zijn. Maar ook Thoreau keerde weer terug naar de stad. Gevoed door de warme, inspirerende samenstelling van dit bijzondere collectief kan de toeschouwer zich gaan verbinden met hun gedachten, die van zichzelf en de andere bezoekers.

Het Houten Huis / De Noorderlingen – Valavond

 Als de avond invalt tussen de sparren, start de voorstelling met een collectief ‘sjjjjjjt’. In de verte dreunen de bassen van een andere voorstelling nog door, tot je aandacht verlegd wordt naar het toneel vlak voor je doordat het kunstlicht aan gaat. Angst voor de duisternis die dreigt te vallen wordt poëtisch verbeeld met spookschaduwen. Dolende mensen in het bos lijken in hun gedateerde kostuums schimmen uit het verleden te vormen. Een korte, terugkerende rave-beweging in hedendaagse sportkledij vermengt het toen met het nu.

Overal in het bos is beweging waar te nemen, afkomstig van een grote groep spelers. Een dragqueen in zilverkleurige glitterjurk steelt de show als een schitterende maan. Er wordt gevochten tegen de slaap die zich aandient als een gewelddadige geluidsgolf. Een operazangers mengt zich als buitenstaander in de groep, waarna er muziek wordt gebaard plus een kind. Na een transformatie in monsterlijke klanken wordt het kind weer losgelaten, in deze onlogische opvolging van fragmenten wordt een droomtoestand nagebootst. Als slaapwandelende zombies komen er spelers uit het bos tevoorschijn, onduidelijk in welke bewustzijnstoestand zij zich bevinden. Constant wordt gespeeld met de grens tussen waken en slapen, in een wereld waarin slapen slechts beperkt toegestaan is onder specifieke voorwaarden. Gevolg is overmatig medicijngebruik, voor elke kwaal is er een oplossing en voor welke bijwerking een ander geneesmiddel.

Een abstracte ‘keuze’ keert steeds weer terug in Valavond, die soms te moralistisch voelt en je uit de dromerige trip haalt van deze associatieve theaterreis. Het aanwijzen van een zondebok bijvoorbeeld, enerzijds een logisch element in een nachtmerrie maar anderzijds verstoren deze handelingen de eerder gecreëerde mystieke sfeer. Prachtig wordt het bos belicht en dwalen mysterieuze lichteffecten rond die de muziek versterken. Een bijzonder samengesteld snaarinstrument brengt buitenaardse klanken. Soms utopisch, dan weer dystopisch. Dit versterkt het droomgevoel, waarin het ene plotsklaps op het andere kan volgen. Met een alternatief scheppingsverhaal aan het einde, waarin over het ontstaan van de wakkere staat verhaald wordt, valt de gehele voorstelling op zijn plek. Na bijna 2,5 uur wel wat laat. Maar de muzikant en speler Martin Franke, die als schepper het licht tot slot weer uitdoet, maakt veel goed.

Tomoko Mukaiyama – GAKA

Aan het einde van Oost-Terschelling, met zicht op de weide, daarachter de Waddenzee en in de verte contouren van het vaste land, speelt deze Japanse performance. Rechts een verlaten speeltuin, voor een kampeerboerderij, links gras zover je kijken kunt. Omrand door enerzijds bos en anderzijds zee, tot deze verdwijnt achter het land. Tikkende geluiden komen op uit het gras. Even is alleen de natuur in beeld, daarna volgt pas de mens in de gedaantes van acht spelers. Fluiten klinken als mondharmonica’s, associaties voorbrengend van verkeersgeluiden in een drukke stad met loeiende sirenes.

Witte broeken dansen in de wind, een hypnotiserende herhaling van bevreemdende klanken die onderling en met het publiek lijken te communiceren. In verschillende choreografieën houden de klanken in variaties stand. Elkaar steeds sneller opvolgend, tot een korte stilte volgt waar al snel gongslagen doorheen galmen. Even is er stilstand, enkel de wapperende stof beweegt nog. In de bewegingen die volgen wordt klassieker ballet met modernere dans gecombineerd, Japanse vechttechnieken en eerbiedige gebaren vormen een geheel.

Een volgende stilte wordt doorbroken door het geruis van de harde wind, het hierna klinkende belgerinkel gaat bijna op in het geraas. Helaas zijn de gespannen witte doeken, prachtig opbollend door de wind als een golvende zee, niet bestand tegen dit hevige geweld. Als de vrouwelijke spelers verdwijnen in de natuur, waaruit zij ook voortkwamen, is het publiek in de veronderstelling dat de voorstelling afgelopen is en begint het applaus. Dit verstomt snel als de mannelijke speler zijn weg vervolgt. Helaas is het geduld van een aantal toeschouwers dusdanig op de proef gesteld door het zeer trage tempo van deze rituele voorstelling, dat zij ofwel weglopen of op de tribune beginnen te praten. Tot slot gaat ook de laatste speler op in de zee, waarna een lauw tweede applaus volgt, maar niet meer onthaald wordt.

Silbersee / Gouden Haas / Slagwerk Den Haag – Aardappelvreters: Deel II in de oer-opera trilogie

 Als opgefokt vee wordt het publiek voorafgaand aan de voorstelling door een tunnel langs de koeienstallen naar het weideterrein geleidt. Met de lucht van paardendekens in mijn neus en de wind door mijn haren kijk ik vanaf de tribune uit over een boerenerf op de voorgrond, waar hooibalen als achterwand dienen en waarachter weer een volgende boerderij te zien is. In de eerste scène wordt de overgang van leven naar dood door klankschalen indringend hoorbaar gemaakt. Het harde boerenleven waarin doorgaan het credo is, wordt in de volgende scène invoelbaar gemaakt met de woorden dat ‘het land ook geen tijd heeft om te rouwen’. In de speciaal voor deze voorstelling ontwikkelde boerse oertaal, het bijzondere ‘Bauerlans’ door Jibbe Willems, worden de contrasten tussen ‘de stad’ en ‘het platteland’ sterk uitvergroot. Grappig wordt de draak gestoken met verengelsing van de Nederlandse taal, door het vocabulaire van het stadse personage Max (de man van de zus) met Engelse woorden te doorspekken. Af en toe is het lastig om de Bauerlanse woorden te duiden en was een vertaling prettig geweest, maar dit is niet onoverkomelijk doordat de klanken al veel zeggen. De uitdrukkingen van de wit-geschminkte gezichten spreken ook voor zich.

In een indrukwekkende scène wordt een rituele uitvaart verbeeld, waarbij het lichaam teruggeven wordt aan de aarde. Een imposante stoet, met trekker voorop, verplaatst zich door het weidse decor. Tegelijkertijd dient de locatie niet enkel als beeld, maar scherpt deze ook de discussie aan over de regelgeving die de boerenvrijheid in steeds grotere mate beperkt. De onwetendheid van burgers over het boerenbestaan wordt de toeschouwers speels maar raak verweten. Herkenbaar is de tweestrijd die weergegeven wordt tussen stadslandbouw en boerderij-landbouw. Het eerste wordt verdedigd door zwager Max (en het duurzame, biologische en diervriendelijke zal ook veel toeschouwers aanspreken), het tweede door hoofdpersonage Brot voor wie grootschaligheid een voorwaarde is om te kunnen overleven. Tegelijkertijd maken de vele benodigde vergunningen, opgelegde quota en boetes zijn werk niet eenvoudiger. Dat groeien eindig is, blijkt uit de volgende scène waarin een schuldenlast veroorzaakt wordt door een ongezonde bedrijfsvoering. Schuldeisers reppen over investeren, intensiveren, globaliseren, moderniseren en automatiseren, vereisten om voort te kunnen bestaan. Een dramatische, opera-waardige ontknoping aan het einde toont vervolgens de onbreekbare familieband en de roeping van het platteland. Het boerenleven galmt nog lang na.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Over de vitale en soms fatale liefde

recensie: Het Nationale Theater / Toneelgroep Oostpool - Ondine

Ondine, de feestelijke zomerproductie van Het Nationale Theater in samenwerking met Toneelgroep Oostpool, ziet er prachtig uit en spettert letterlijk het theater uit, maar stroomt qua inhoud een stuk minder vloeiend. Na een langdradig begin komt er gelukkig een flitsend en erg geestig middengedeelte. Het laatste bedrijf is dan weer, op een paar grappige momenten na, nogal vlak maar het einde van het stuk is bloedmooi en erg ontroerend.

Het toneelstuk Ondine van Jean Giraudoux gaat over de waternimf Ondine die verliefd wordt op een mens – Ridder Hans, een leuke Joris Smit – met hem meegaat naar het hof maar het uiteindelijk niet redt in de mensenwereld. Ze is te puur en te eerlijk én ze is geen mens.

Orkestbak vol water

Ondine is de eerste grote zaal productie van Jeroen De Man. Hij heeft voor dit stuk werkelijk alles uit de kast getrokken qua aankleding en vormgeving. De orkestbak van de Koninklijke Schouwburg is gevuld met water, er zijn schitterende achterdoeken, een storm woedt, er is een majestueus paleis en de normaal zo plechtige voorgevel van de schouwburg is getransformeerd tot een terras met allerlei trappen, doorkijkjes en intieme zitjes.

Qua inhoud is de voorstelling een stuk minder indrukwekkend. Het is nauwelijks te geloven als je te maken hebt met acteurs als Jaap Spijkers en Sylvia Poorta, maar het begin is houterig en saai. Dat komt  vooral door de van clichés en flauwe grappen bol staande tekst. Dat Ridder Hans een makkelijk beïnvloedbare ijdeltuit is en Ondine wel heel erg naïef helpt ook niet. Maar gelukkig komt Mark Rietman, in een glinsterend schubbenkostuum, uit het water kruipen om de voorstelling te redden. Hij is Ondines gemene oom, de Koning der Watergeesten.

Het tweede bedrijf is totaal over de top en buitengewoon leuk. We zijn aan het hof, de kostuums inclusief overdadige pruiken zijn schitterend, het barst van de gemeneriken en er zijn veel grappen, soms alleen leuk voor theaterinsiders, maar meestal voor iedereen te vatten en erg geestig. Ook nu heeft Rietman een fijne rol: hij doet zich voor als illusionist met als doel de liefde tussen Hans en Ondine te torpederen.

Sprookje

Evgenia Brendes heeft het perfecte gezicht om een waternimf te spelen. Haar Ondine is kinderlijk, gaat haar eigen gang en is af en toe behoorlijk irritant. (Mij doet ze een beetje denken aan Saga uit The Bridge, zij het jonger en veel vrolijker.) Gedurende de loop van het stuk verandert haar houding, ze groeit als het ware op. Ze past zich niet aan, ze blijft haar eigen weg gaan, maar ze zoekt manieren om te redden wat er te redden valt. Haar grote moment komt aan het einde als ze laat zien hoe diep haar liefde voor Hans is en hoe ze zich zonder meer op wil offeren om hem te redden. Op dat moment kun je niet anders dan van haar houden.

Ondine is soms een feest om mee te maken, soms een bezoeking maar met drie uur absoluut minstens drie kwartier te lang. Geweldig dat De Man zoveel lef en fantasie heeft, maar voor de genietbaarheid van het stuk zou het hebben geholpen als hij wat darlings had gekilld, zoals het bijna een verplichting lijkende item over de plastic troep in onze oceanen dat in de hier gevonden vorm geen enkele impact heeft, integendeel. En wat meer diepgang zou ook fijn zijn geweest. After all, het gaat hier om een sprookje, het soort verhaal dat door psychoanalytici wordt gebruikt om hun cliënten het een en ander bij te brengen.

Desalniettemin maakt het ontroerende zeer sprookjesachtige einde heel veel goed.

Reageer op dit artikel

Theater / Achtergrond
special: Holland Festival 2018 week 2

Holland Festival: de tweede week

Deze week keek Emilia haar ogen uit bij het gigantisch decor van JR dat te hoog was voor de Westergasfabriek en uit had moeten wijken naar de Centrale Markthallen. Ze liep over de vloer van de Rabozaal tussen de dansers van Arno Schuitemaker. En bij een ode aan sterke vrouwen zat ze onder een hemel van beha’s.

16 juni: FC Bergman – JR

Foto: Kurt Van der Elst

Als het na tweeëneenhalf uur eindelijk pauze is ben ik opgelucht. Is JR zo slecht dan? Nee, maar wel erg vermoeiend. Je ziet, terwijl je tussen andere toeschouwers ingeklemd zit en bijna constant omhoog kijkt, erg veel personages op veel verschillende plekken onduidelijke dingen doen. JR is gebaseerd op het gelijknamige cultboek van William Gaddis. Een elfjarige jongen, JR, blijkt het fantastisch te doen op de beurs. Terwijl hij rijk en machtig wordt, richt hij veel anderen, zowel bedrijven als individuen, te gronde.

FC Bergman heeft een, uitstekend bij het stuk passend, megalomaan decor gebouwd met een veertien meter hoge toren vol met allerlei verschillende ruimtes, waaronder niet de meest voor de hand liggende zoals een museumzaal en een metrocoupé. Er omheen staan vier publiekstribunes, de toeschouwers zien qua plot hetzelfde, maar niet qua beeld. Soms kan je ter plekke volgen wat er gebeurt, vaker zie je dat op een scherm. Geestig is dat je op film iemand papieren uit het raam ziet gooien en ze in het echt aan de zijkant naar beneden ziet fladderen. We zien echter niet alles, vanaf de tribune waar ik zit hebben we zicht op een bioscoopzaal waar Taxi Driver wordt vertoond, de andere drie tribunes zien dat niet, ook niet later op film. Volgens Gaddis is dat de kern van het kapitalisme: niet iedereen op de wereld heeft hetzelfde overzicht. Overigens is noch voor Gaddis noch voor FC Bergman kapitalisme een monster, wel een gegeven waar we om mee moeten leren gaan.

De belangrijkste personages in JR zijn de dolende componist Edward Bast die zich door iedereen, vooral JR, laat misbruiken -prachtig gespeeld door Oscar Van Rompay- en Jack Gibbs, een fantastische Jan Bijvoet. Aanvankelijk is Gibbs een vervelende dronkenlap, maar in feite is hij een gevoelige intelligente schrijver, die er evenmin in slaagt te krijgen wat hij wil.

Ik heb gemengde gevoelens over JR. Het is buitengewoon knap hoe FC Bergman dit stuk heeft gerealiseerd en de acteurs zijn goed tot weergaloos. De gekozen vorm waarbij er live wordt gespeeld en we tegelijkertijd elke gezichts- en lichaamsuitdrukking uitvergroot kunnen zien op film werkt geweldig, zeker bij een acteur met zoveel nuances als Bijvoet. De inhoud van JR is echter minder interessant. Een aantal scènes, vooral na de pauze, zijn soms met behulp van muziek boeiend en meeslepend, maar over het algemeen blijft het verhaal te oppervlakkig en duurt het allemaal erg lang. De momenten met Bast en Gibbs echter, hun worsteling met leven en liefde, zijn prachtig, soms geestig en uiteindelijk ontroerend.

17 juni: Arno Schuitemaker  – The Way You Sound Tonight

Foto: Sanne Peper

Gedurende de inleiding wordt gezegd dat tijdens de dansvoorstelling The Way You Sound Tonight alles mag: we mogen staan, zitten, heen en weer lopen, alles. Het is ónze ervaring. Daarom staat het publiek samen met de dansers op het podium van de Rabozaal, choreograaf Arno Schuitemaker wil dat toeschouwers een andere ervaring krijgen dan gebruikelijk. Maar het publiek denkt er anders over: iedereen gaat meteen op de tribunes zitten die aan weerskanten zijn geplaatst. De enigen die staan zijn mensen die qua zitplaats achter het net visten, een aantal daarvan gaan op de grond zitten. Bewogen wordt er nauwelijks, behalve door de dansers.

Voor Schuitemaker was de zintuigelijke beleving van beweging het vertrekpunt bij zijn eerste werk. Later werden licht en geluid in de verhouding tot het bewegen steeds belangrijker. Voor The Way You Sound Tonight wilde hij ook de ruimte erbij betrekken.

Een danser maakt kleine langzame bewegingen. Ik ga de vloer op en sta hem vanaf een afstandje te bekijken. Het is een speciale ervaring, zeker als hij me een tijdlang aankijkt. Er gebeurt iets, het is een beetje eng zo alleen met hem, maar wel heel bijzonder. Als de belichting verandert ontdek ik dat er nog twee dansers zijn; om dan als enige toeschouwer in het midden van de zaal tussen hen in te staan vind ik te opdringerig, dus ik loop naar de kant. Het is jammer om uit het energieveld van de dansers weg te zijn, de ervaring is nu meer een gewoon toekijken. Later verandert dat als er opnieuw twee dansers bijkomen en de afstand vanzelf vermindert.

De dansers, Schuitemaker noemt ze liever performers, maken steeds dezelfde golvende beweging vanuit rug en buik, de schouders gaan mee, de heupen. Er komen lichte variaties en als de muziek verandert zie je de dans ook veranderen, afhankelijk van het ritme dat ze volgen, wat niet bij iedereen hetzelfde is.

Het is heerlijk daar te staan, ik heb het gevoel dat ik zintuiglijk ervaar wat er met de dansers gebeurt meer dan wanneer ik op mijn stoel in de zaal zit. Het licht verandert steeds en daardoor verander ik een beetje. Ik ontdek dat er live gitaar wordt gespeeld (door Aart Strootman), ik besef dat je als publiek ook onderdeel van de voorstelling bent. Te gek dat Arno Schuitemaker ons de kans geeft dit heel rustig op zo’n mooie plek te mogen ervaren.

20 juni: Nadia Beugré – Legacy

Foto: Dylan Piaser

Een groep vrouwen loopt hard op een manier die ik herken van Afrikaanse filmbeelden, een soort dansend joggen. Het is een gemengde groep: zwart en ook wat wit, allen verschillend in leeftijd en lichaamsvorm. Je een tijdlang op zo’n
manier voortbewegen is behoorlijk vermoeiend en dat is te zien. Een paar van de vrouwen hebben nergens last van, ze maken sprongen of rennen gebogen langs het publiek. Legacy is gemaakt door de uit Ivoorkust afkomstige Nadia Beugré,
het is haar ode aan vrouwen die vechten en vochten voor de rechten, vrijheid en waardigheid van hun volk en van henzelf. Iets waarvoor ze doorzettingsvermogen nodig hadden en risico’s namen.

Tijdens de inleiding is uitgelegd dat het hier om het werk van een zwarte vrouw gaat en dat feminisme voor haar iets anders kan betekenen dan voor blanke vrouwen. En dat het enige decorstuk, een grote berg beha’s, vermoedelijk weinig te maken heeft met de westerse acties in de jaren zestig waarbij vrouwen demonstratief hun beha’s uittrokken en soms verbrandden. Wat de betekenis dan wel is kun je zelf bedenken als halverwege de voorstelling alle beha’s opgehesen worden en als een kleurrijke lichtfilter boven ons komen te hangen en Beugré, gehuld in een jurk van beha’s, een indrukwekkende rituele dans uitvoert. Misschien vertegenwoordigen de beha’s de niet-aanwezige vrouwen? Mogelijk ook is er een nog diepere betekenis die ik vanwege het cultuurverschil niet ken. Aan het eind van de voorstelling worden er op ontroerende wijze trotse verhalen verteld over voormoeders; soms blijkt dat het licht schijnend door de beha’s een bepaald belangrijk gezicht op een naakte rug vormt.

Al kijkend naar de groep rennende vrouwen groeien mijn bewondering en ontroering. Zij hijgen en zweten en moeten ondersteund worden of ondersteunen zelf, maar ze stoppen niet, ze blijven doorgaan. Ze trekken hun kleren uit, ook hun beha’s en blijven rennen, terwijl ze ons aan blijven kijken. Het is prachtig, zij zijn prachtig. De tranen rollen over mijn wangen.

Later volgt er een fascinerend, intiem en rauw dansduet tussen Beugré en een andere danser, Hanna Hedman, beiden nog steeds met ontbloot bovenlijf. Vroeger werden zwarte vrouwen altijd zo getoond, voor hen was dat normaal, voor ons, kolonialen, een bewijs van hun inferioriteit. Het is adembenemend dat Beugré juist deze vorm kiest voor haar stuk. Deze vrouwen zijn niet bezig met slachtofferschap en miskenning, dat staat alleen maar in de weg. Ze gebruiken hun kracht die daar nog meer van groeit. Schitterend.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

De magie van de werkelijkheid

recensie: Kompagnie Kistemaker - Missie Márquez

Theater maken van het vuistdikke boek honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Márquez. Een magisch-realistisch werk dat vier generaties beschrijft waarin het merendeel van de personages José Arcadio Buendia heet. Enkel om het te kunnen lezen houd je als lezer een stamboom bij de hand. Daar theater van maken lijkt gekkenwerk, een onmogelijke missie. Karlijn Kistemaker doet het nu al drie jaar in Missie Márquez.

Karlijn Kistemaker erfde op haar vierde de rechten van het boek Honderd jaar eenzaamheid. Haar oudoom Kees van den Broek vertaalde het boek Honderd jaar eenzaamheid, Ze las het boek pas op haar 23e, na het lezen besloot ze, naar eigen zeggen in een moment van ‘ongekende melancholie’, er theater van te maken. Inmiddels zijn we drie jaar verder en in deel 7, 8 en 9 beland, maar met de jaren wordt Kistemakers missie niet gemakkelijker.

The struggle is real

Meerdere keren loopt Kompagnie Kistemaker de subsidie mis en als slot op de som raakt Kistemaker de royalty’s van het boek kwijt door een nieuwe vertaling. Gelukkig is de kracht van Kistemaker iedere tegenslag naar zich toe te trekken en van de werkelijkheid fictie maken. Zo voelt in Missie Márquez alsof elke speling van het lot een geplande wending is. Elke tegenslag wordt een komisch intermezzo.

Samen met haar vertrouwde kompanen, acteurs Simon Heijmans, Sophie Höppener en bandleider Chris Koopman, duikt ze net als in de eerste delen het boek in en verslindt Kistemaker trouw 54 pagina’s per deel. Voor de delen 7, 8 en 9 wordt ze bijgestaan door een nieuw gezicht: Freek den Hartogh. Hij is een aanwinst voor de groep, een sterk en muzikaal acteur die zelfs bij een valse gitaar nog zuiver weet te zingen.

Kistemaker vertelt poëtisch en creëert een wonderlijke wereld. Het publiek waarvan het merendeel noch het boek noch eerdere delen kent, hangt drie uur geboeid aan haar lippen. Ondanks haar welbespraaktheid behoudt ze een onbevangenheid waarmee ze het publiek inpakt. De delen zijn net als de voorgaande een combinatie van fragmenten uit het boek van Márquez en Kistemakers zoektocht hoe die verhalen op toneel te brengen. Missie Márquez wordt daardoor meer dan een vertaling van het boek: het geeft een komisch inzicht in de mechanismen van de theaterwereld.

Op een groot filmdoek worden beelden van de reis die de Kompagnie in Colombia maakten getoond. De filmbeelden zijn echt, maar voelen in de kleurrijke zelfgecreëerde wereld van Kistemaker juist kunstmatig. Ze bereiken een hoogtepunt als Heijmans in de rol van Cameraman de beelden zelf op de hak neemt: ‘Lange lens! Lange lens! Drone shot!’

Een parodie

Kompagnie Kistemaker parodieert in Missie Márquez de werkelijkheid en zet hem zo naar eigen hand. Zo verschijnt de nieuw vertaler van het boek Marja Aparte (wiens naam verdacht veel lijkt op nieuwe vertaalster Mariolein Sabarte) steeds als schurk met een boel donder en bliksem op het toneel. De sketches zijn op het kluchtige af, in slechte pruiken imiteren de spelers mensen die ze in hun zoektocht ontmoeten. Gelukkig laten ze zichzelf daarbij nooit buiten schot. Het plezier is van de gezichten af te lezen. Bij een idiote sketch met Chris Koopman als boze punker, kunnen de acteurs hun lach niet inhouden. Het publiek evenmin.

In de voorstelling lijken Kistemakers strubbelingen onlosmakelijk verbonden met die van de personages in Márquez’ boek. Kistemaker vereenzelvigd zich met de stugge kolonel Buendia en ook haar andere kompanen beginnen op magisch realistische wijze met andere personages te versmelten. Kistemaker trekt creatieve paralellen tussen haar werkelijkheid en het boek. Ze doen ongeforceerd aan, alsof de zoektocht van de acteurs en Márquez’ personages organisch in elkaar verweven. Vaak zegt Kistemaker vol ongeloof: “Dit is dus echt gebeurd” en in Missie Márquez blijkt de werkelijkheid vaak net zo magisch als de fictie.

Reageer op dit artikel

Theater / Reportage
special: Holland Festival 2018

Holland Festival: de eerste week

Op het Holland Festival zette Emilia Nova een VR-bril op en ontving een staande ovatie. Devi Smits werd geconfronteerd met de treurigheid van slechte seks en raakte overspoeld met informatie bij End Credits. Jeroen ondervond dat Tolstojs Anna Karenina prima met disco samengaat en Helena van Troje gespeeld kan worden door een man.

9 juni: Compagnie par Terre/Anne Nguyen – KATA

Foto: Homard Payette

Met een virtual reality-bril op sta ik midden in een opwindende 3D film tussen de dansers van Compagnie par Terre en ontvang een ovationeel applaus van het ons omringende publiek. Het is de spannendste van alle, door choreografe Anne Nguyen ontwikkelde, ingenieuze dansinstallaties die je op weg naar de schouwburgzaal tegenkomt.

Nguyen is een in Frankrijk geboren en getogen Vietnamese. Een autodidact die verliefd werd op capoeira en breakdance. In Kata zijn invloeden van capoeira te zien, maar voor Nguyen is breakdance het belangrijkst. Ze ziet het als een vechtsport die van haar dansers samoerai maakt die door middel van de bewegingen zichzelf verbeteren en in harmonie trachten te komen met hun omgeving. De dansers dragen niet de bekende hiphopoutfit met sneakers en dreads, maar zijn gekleed in simpele Oosters aandoende broeken en jasjes. Ook haar muziekkeus is anders dan we kennen van hiphop. De prachtige soundscape bestaande uit, onder andere Japanse, percussie geeft de voorstelling een bijzondere, meditatieve kwaliteit.

Het begin is een adembenemende solo waarin de danser zelfs het jeugdige uitgelaten deel van het publiek stil krijgt met zijn kunst. Eén van de knapste en ook grappigste momenten is een slide die hij op zijn hoofd uitvoert. De belangrijkste elementen van de voorstelling zijn hier al zichtbaar: kracht, ongelooflijk goed dansen, rustig contact met het publiek, sterke persoonlijkheid, humor en mysterie.

Later volgen andere solo’s, duetten en ensemble moves. Er zijn zeven mannen en één vrouw. De vrouw onderscheidt zich nauwelijks totdat ze een fantastische solo danst: vloeiend, razendsnel, ongelooflijk knap en ik me afvraag hoe het kan dat ze me niet eerder is opgevallen. Dat is een bewuste keus van Nguyen: in het begin is de vrouw één van de boys, later gebruikt ze specifiek vrouwelijke bewegingen die soms door de mannen geïmiteerd worden, wat mooi en geestig is. Er zijn trouwens vaker grappige moves, zoals in een dans die gebaseerd is op videogames.

Kata is een schitterende voorstelling die, in ieder geval bij mij, veel losmaakt qua fantasie en associaties. De dansers gaan schijngevechten aan met elkaar, met imaginaire tegenstanders en vooral met zichzelf en tonen ons wat ze in huis hebben aan fysieke en mentale power. Ze laten zien dat we onze kracht in eigen hand hebben. Nguyen zegt: vind datgene waardoor je empowered wordt en beoefen dat. Voor haar en haar dansers is dat breakdance. (EN)

9 juni: Deutsches Schauspielhaus Hamburg – Anna Karenina

Foto: Matthias Horn

Anna Karenina, is dat niet dat enorme boek van Tolstoj? Over die dame die een gedoemde affaire heeft met een officier en – spoiler– voor een trein springt? Met een klein leger aan personages en diepe overpeinzingen over de zin van het leven? Jazeker. Maak daar maar eens een compact theaterstuk van. Het Deutsches Schauspielhaus Hamburg is het gelukt, en doet iets dat nog knapper is. Anna Karenina – Allerdings mit Anderem Tekst und Auch Anderer Melodie is buitengewoon komisch geworden. Een onwaarschijnlijke mix tussen hoge en lage cultuur.

In Tolstojs magnum opus volgen we de ongelukkig getrouwde Anna Karenina, die verliefd wordt op de jonge graaf Vronski. Als gevolg verliest ze haar gezin en haar positie in de Russische elite. Regisseursduo Clemens Sienknecht en Barbara Bürk laten ons een radiostudio zien. Daar wordt Radio Karenina gemaakt: een hoorspel, compleet met jingles, reclameblokjes en een catalogus aan foute pophits uit de jaren ’70 en ’80. De acteurs zijn tevens zangers en muzikanten. Ze zijn overwegend mannen van middelbare leeftijd, maar dat weerhoudt hen er niet van om alle rollen te spelen. Zo wordt de jonge prinses Kitty Shcherbatsky door Sienknecht zelf gespeeld. De afwijzing voor Vronski is de aanleiding voor een lange medley van popsongs waar het woord love in voorkomt. Vronski – gekleed in glinsterend discopak – maakt zijn entree met Fresh van Kool & The Gang en heeft alleen maar oog voor de even retro-hippe Anna. Hoe fouter, hoe beter in deze Anna Karenina.

Waar zit de kracht van deze voorstelling? Na afloop heb ik niet het gevoel dat Siensknecht en Bürk me iets nieuws proberen te vertellen over Anna Karenina. Het gaat veel meer over de sacrale aura die over het werk van Tolstoj heen hangt, en de manier waarop dat onderuit wordt gehaald. Het lezen van Anna Karenina wordt nog steeds gezien als een teken van eruditie. Door het te ensceneren als camp kunnen we lachen om de pretenties van hoge kunst. En dat werkt als een trein. (JvW)

10 juni: National Changgeuk Company of Korea – Trojan Women

Theater overstijgt culturen, disciplines en tijdperken, stelt regisseur Ong Keng Sen. Die visie is merkbaar in Trojan Women, een Griekse tragedie in de stijl van Koreaanse opera. Het verhaal over de gevallen vrouwen van Troje is duizenden jaren oud en geschreven in een ander continent, maar is toch van toepassing op het Korea van nu.

Trojan Women– of Trojaanse Vrouwen – is een van de bekendere tragedies van Euripides. Het vindt plaats na de val van de Trojaanse muur, en verhaalt over de vrouwen die hun noodlot afwachten. Hecuba, de vrouw van wijlen koning Priamus, voert de vrouwen aan en zingt over de gruwelen die Troje heeft meegemaakt. Dan komen verschillende prominente vrouwen aan het woord, en horen we hoe het hen na de Trojaanse oorlog verloopt. Cassandra, de helderziende dochter van Hekabe, kent haar eigen toekomst al. Ze weet dat ze in Griekenland vermoordt zal worden. Andromache wordt overgeleverd aan de zoon van Achilles, de man die haar man Hektor heeft gedood. Haar baby wordt door de Grieken van de stadsmuren gegooid. Helena, de vrouw die door Paris werd geschaakt en de Trojaanse oorlog aanwakkerde, weet haar oud-geliefde Menelaos om haar vinger te winden, en blijft gespaard.

Keng Sen liet zich inspireren door changgeuk, een Koreaans muziektheatergenre. Het zorgt voor een enscenering die gestileerd en bijzonder expressief is. Het lijden van de Trojaanse vrouwen wordt met volle kracht uitgeschreeuwd- en gezongen. En met goede reden: het verhaal van de vrouwen die als buit aan de Grieken worden gegeven verwijst naar de Koreaanse vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘troostmeisjes’ aan Japan werden verhandeld. Toch breekt de hevigheid van de vorm de voorstelling uiteindelijk op. Het opkomen en afgaan van personages die hun lijdensweg bezingen wordt op den duur te repetitief, waardoor de impact van hun verhalen minder hard aankomt. Een verrassende wending komt in de vorm van Helena, die gespeeld wordt door een mannelijke acteur. De queering van Helena onderstreept volgens Keng Sen haar positie als outsider: noch trouw aan de Grieken, noch aan de Trojanen. Het positioneert een genderqueer personage als een onbenoembare – en daardoor bedreigende – Ander. De keuze die Keng Sen hier maakt is interessant, maar ook problematisch. (JvW)

11 juni: Steve McQueen – End Credits

Op twee schermen tegenover elkaar opgesteld, glijden kilometers aan teksten voorbij. Bepaalde woorden komen vaak terug ‘communism’, ‘confidential.’ Heel vaak zijn hele lappen tekst met een zwarte markeerstift doorgestreept. Dit is het FBI-dossier van burgerrechtenactivist en artiest Paul Robeson, die jarenlang geschaduwd is door de beroemde Amerikaanse politieorganisatie.

De FBI bespioneerde Paul Robeson (1898–1976) in de jaren ’40 en ’50 van de vorige eeuw jarenlang, omdat hij iets teveel sympathie toonde voor Stalin en zijn Sovjet-Unie – een land waar Robeson voor het eerst in zijn leven niet geconfronteerd werd met racisme. En dan was Robeson ook nog eens een zwarte burgerrechtenactivist. Reden genoeg voor de FBI om Robeson op een zwarte lijst van staatsgevaarlijke individuen te plaatsen. Jarenlang werd zijn doen en laten minutieus vastgelegd. De feestjes die hij bezocht, de tijdschriften die hij las en de toespraken die hij gaf: FBI-agenten noteerden het allemaal.
Regisseur en kunstenaar Steve McQueen (bekend van onder meer Shame en 12 Years a Slave) toont in de video-installatie End Credits dit paranoïde dossier. De dossiertekst glijdt over twee schermen op eenzelfde wijze als de aftiteling van een film. Uit audioboxen klinken de stemmen van acteurs die het dossier voorlezen. Alleen al de overweldigende hoeveelheid aan materiaal getuigt van de staat van hysterie waarin de politiedienst zich moet hebben begeven.

McQueen heeft er echter voor gekozen om de inhoud van het FBI-dossier vrijwel onleesbaar te maken. De tekst glijdt te snel over het scherm om het bij te kunnen houden. Ook loopt de voorgelezen tekst niet synchroon met wat je te lezen krijgt. Eenieder die het dossier probeert te volgen, wordt daardoor al vrij snel murw geslagen door een overdaad aan informatie. Daarmee voorkomt McQueen dat End Credits een voyeuristisch project wordt. Dat is ergens te begrijpen; wanneer het dossier leesbaar aan het publiek gepresenteerd zou worden, zou dat in zekere zin het bestaan ervan rechtvaardigen. Maar deze artistieke keuze maakt het onrecht wat Robeson is aangedaan ook erg abstract. Doordat het niet te volgen is, verliest de tekst zijn betekenis. Woord na woord, zin na zin glijdt voorbij in een onophoudelijke woordenstroom die al vrij snel verandert in een zwarte waas voor je ogen. Dat heb je – net als de aftiteling van een film – toch wel snel gezien. (DS)

13 juni: Calixto Bieito, Heath Quartet – The String Quartet’s Guide to Sex and Anxiety

Foto: Robert Day

Een van de verdrietigste momenten – en theatrale hoogtepunten – in The String Quartet’s Guide to Sex and Anxiety, is de voordracht van het korte verhaal To Kill a Child, van de Zweedse schrijver Stig Dagerman. Een kind overlijdt door een aanrijding, een moeder blijft rouwend achter. Het is een intense performance van actrice Cathy Tyson, die zowel treurig als troostrijk is.
In The String Quartet’s Guide to Sex and Anxiety verkent de Spaanse regisseur Calixto Bieito de emotionele manifestatie van depressie en melancholica. Hiervoor heeft Bieito geput uit het beste wat de literatuur wat dat betreft te bieden heeft. Zo zijn onder andere Michel Houellebecq, W.H. Auden en Søren Kierkegaard van inspiratie geweest. En ook het klassieke werk uit 1621 The Anatomy of Melancholy van Robert Burton komt nadrukkelijk voorbij. Deze teksten zijn samengesmolten tot een tragikomisch theatraal essay over verdriet.

Naast rouwverwerking komt ook neurose, verslaving en – bovenal – de treurigheid van slechte seks aan bod. Dat seksualiteit en verdriet vaak hand in hand gaan, is zo ongeveer de centrale these van Houellebecqs gehele oeuvre. En die stelling wordt in The String Quartet overgenomen. Seks is de ultieme vorm van menselijk contact, maar wanneer de ander niet meer wordt bereikt slaat seks gemakkelijk om in het tegendeel: niets zo troosteloos als seks met mensen waar je eigenlijk al heel lang op bent uitgekeken. Actrice Mairead McKinley verbeeldt deze thematiek aan de hand van het werk van Houellebecq, met een pijnlijke maar ook geestige monoloog over haar onzekerheid ten aanzien van haar orale vaardigheden.
Dergelijke slaapkamertragedies worden afgewisseld met muziek van het Britse strijkkwartet Heath Quartet. Eerst vooral dissonant van aard, daarmee synchroon lopend met de angstaanvallen van de personages. Later, wanneer Beethoven wordt ingezet, biedt het Heath Quartet vooral troost en gemoedsrust. De helende kracht van muziek weet ook de personages op het toneel weer tot kalmte te manen. Zo laat regisseur Bieito muziek, literatuur en theater samenkomen in een prachtige bezinning op melancholie, verdriet en depressie. (DS)

13 juni: Les Hommes Approximatifs – SAIGON

Foto: Jean Louis Fernandez

‘Ik wilde dat onze voorstellingen geluiden over de hele wereld laten horen, en ik vond dat bepaalde stemmen ontbreken,’ aldus regisseur Caroline Guiela Nguyen in een interview over SAIGON, haar voorstelling over de gedeelde geschiedenis van Frankrijk en Vietnam. Twee jaar lang verzamelde ze verhalen van Vietnamese vluchtelingen en hun (klein)kinderen, en verwerkte het in een aangrijpende mozaïekvertelling.

SAIGON wisselt af tussen 1956, toen Frankrijk zich terugtrok uit Vietnam, en 1996, het jaar waarin gevluchte Vietnamezen hun thuisland weer mochten bezoeken. In twee cafés – een in Parijs en een in Saigon – volgen we de verhalen van drie personages. In Saigon neemt de zanger Hao afscheid van zijn geliefde, en belooft naar haar terug te keren. Veertig jaar komt de inmiddels bejaarde Hao terug. Zijn geliefde ziet hij nooit meer. Het meisje Linh droomt van een nieuw leven in Parijs met haar Franse soldaat Eduard. Eenmaal daar komt ze bedrogen uit, als blijkt dat haar man een straatarme fantast is. In Saigon wacht Marie Antoinette tegen beter weten in op bericht van haar zoon, die jaren geleden opgeroepen werd om tegen de nazi’s te vechten. In 1996 viert ze nog steeds zijn verjaardag, al weet ze inmiddels dat hij is omgekomen in een bombardement.

Als we de oude Marie, Linh en Hao voor het eerst zien, kunnen we nog niet vermoeden wat voor trauma’s er onder de oppervlakte schuilen. Er wordt wat gepraat, er wordt gezongen, Marie geeft een feestje. Drie uur later zien we ze in een ander daglicht: ze hebben geleerd om de tranen in te houden, maar de tranen zijn er altijd. En als de tranen er zijn, dan komen ze hard binnen. De amateurspelers die Nguyen heeft gevraagd zijn de troef van SAIGON. Met name Anh Tran Nghia als de uitbundige Marie is een schot in de roos. De emoties voelen zo oprecht aan, dat de climaxen in de voorstelling nergens melodramatisch worden. (JvW)

Reageer op dit artikel