Tag Archief van: museum

Kunst / Expo binnenland

Jan Toorop, een bezield kunstenaar

recensie: De werelden van Jan Toorop
Jan Toorop - Zelfportret met rode baret (1881)Jeanne van Rutten

De term slaoliestijl, de platte benaming voor art nouveau, is onlosmakelijk verbonden met Jan Toorop (1858–1928). Dit vanwege het door hem gemaakte affiche in opdracht van de Nederlandse Oliefabriek ter promotie van Delftsche Slaolie in 1894. Dit werk van Toorop is weliswaar het meest algemeen bekend, maar doet hem geen recht. De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop in Singer Laren laat zien hoe veelzijdig en vooruitstrevend de kunstenaar was. Hij werd in zijn tijd in Nederland gezien als de meest geavanceerde kunstenaar en bouwde internationale faam op.

Jan Toorop werd geboren op Java en op tienjarige leeftijd voor zijn opleiding naar Nederland gestuurd. Hij zou zijn ouders en geboorteland niet meer terugzien. Dat klinkt wrang. Zijn verbondenheid met Indië liet hem echter niet los. Hij omarmde zijn Javaanse en Chinese achtergrond. Op zijn vroegst bekende zelfportretten in olieverf en aquarellen met taferelen uit het toenmalige Indië zijn batik Javaanse gewaden te zien. Ze laten ook zien hoe getalenteerd Toorop al op jonge leeftijd was. Zijn Zelfportret met rode baret uit 1881 en het zelfportret in zijn atelier uit 1883 tonen een indringend kijkende, zelfbewuste jongeman. Iemand die weet wat hij wil.

Aanvankelijk studeerde Toorop na de lagere school en HBS aan de Polytechnische School in Delft. Hij maakte een overstap naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, maar koos vervolgens al snel voor de Académie Royale des Beaux-Arts in Brussel. Hier maakte hij kennis met de vernieuwingen in de schilderkunst.

Vernieuwingen

Op de academie in Brussel ervoer Toorop de heersende doctrine als te beperkend. Hij ging eropuit om zich verder te ontwikkelen en sloot zich aan bij Les XX (Les Vingt), een groep van twintig vernieuwingsgezinde kunstenaars die in opstand kwam tegen de traditionele kunstbeoefening van die tijd. Via hen leerde Toorop het werk kennen van onder andere Henri de Toulouse-Lautrec, Auguste Rodin, Paul Cézanne, Georges Seurat en Vincent van Gogh.

Van Gogh liet zijn invloed op de kunstenaar gelden. In 1891 schilderde Toorop Vloed, een visser die zijn boot door een ruwe zee aan wal trekt. De kleurkeuze en de stijl tonen onmiskenbaar de invloed van de destijds verguisde schilder. Toorop organiseerde in 1892 bij de Haagse Kunstkring met 91 schilderijen de eerste, spraakmakende overzichtstentoonstelling van Van Gogh. Het werd het keerpunt voor diens erkenning.

Jan Toorop - Le Marronnier (1888)

Jan Toorop – Le Marronnier (1889)

Onder de indruk van het werk van Seurat legde Toorop zich toe op het pointillisme. Niet fijnmazig zoals Seurat, maar in stippen en strepen van verschillende grootte en dikte. Le Marronnier (1889) toont een vredig landschap met een kastanjeboom langs een brede vaart. Opvallend is het gebruik van de kleur roze in een landschap dat in werkelijkheid niet roze is.

Ook liet Toorop zich inspireren om met een paletmes te werken in plaats van de schilderskwast. Een techniek die bij uitstek geschikt is om de beweeglijkheid van de zee uit te beelden. Dat blijkt met Brisants de la mer du Nord (De branding van de Noordzee) uit 1888. De grijze, hoog opzwepende golven met schuimkoppen zijn herkenbaar: dat is de Noordzee.

De tentoonstelling getuigt ervan dat Toorop experimenteerde met veel technieken en stijlen. Hij maakte werk in olieverf en tekende met houtskool, krijt en potlood. Ook de onderwerpkeuze waaiert breed uiteen. Zijn sociaal engagement blijkt uit zijn sombere tekeningen en schilderijen over armoede. Er zijn romantisch ogende taferelen met vrouwenfiguren in pasteltinten. En hij ontwierp tegeltableaus, reclames, boekomslagen en gebrandschilderde ramen.

Symbolisme en katholicisme

Jan Toorop - De Sphinx (1892-1897)

Jan Toorop – De Sphinx (1892-1897)

Uiteindelijk legde Toorop zich toe op het symbolisme vanuit zijn verbondenheid met het spirituele en mystieke en ontwikkelde zijn eigen stijl. Met de herinneringen aan zijn jeugd hield hij zich onder andere bezig met verschijningen van geesten, morbiditeit en symbolen. De Sphinx (1892-1897, hij heeft er vijf jaar aan gewerkt) is uitgevoerd in krijt en potlood en laat een minimaal gebruik van kleur zien. De figuren met langgerekte armen en een typische stand van de handen lijken te refereren aan wajangpoppen. Kenmerkend voor het symbolisme is het horizontale en verticale lijnenspel. Op de tentoonstelling zijn meerdere voorbeelden van dergelijk, fantasierijk werk van hem te zien. Het doet fantasierijk aan.

Het symbolisme bereikte zijn hoogtepunt tijdens het fin de siècle, de periode tussen het einde van de negentiende eeuw (ongeveer 1890) en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Toorop vestigde in deze periode zijn naam als de meest moderne Nederlandse kunstenaar. Zijn werk maakte een overrompelende indruk. Toorop exposeerde in het buitenland, tot aan New York, en bij de Wiener Secession. De Wiener Secession, met als een van de grondleggers Gustav Klimt, was een kunstenaarsvereniging die zich, net zoals Les XX en de Haagse Kunstkring, verzette tegen academisch conservatisme. Toorop wordt gezien als van cruciale invloed op Klimt. Klimts werk verwijst er zonder enige twijfel naar.

Jan Toorop - De Pelgrim (1921)

Jan Toorop – De Pelgrim (1921)

Een groeiende interesse voor het katholicisme maakte dat Toorop sterk gelovig werd en zich liet dopen. Daarmee deden de religie en haar symboliek entree in zijn werk. De tekening De Pelgrim (1921) in krijt en houtskool is indrukwekkend. Niet alleen vanwege de grootte, maar ook door de krachtige lijnen waarmee de bedevaartganger is getekend. In dit verband is het pièce de résistance van de tentoonstelling zijn kruiswegstaties, een indringende verbeelding van de lijdensweg van Jezus Christus in veertien tekeningen.

Domburg

Toorop bracht menig zomer vele maanden door in Domburg, aangetrokken door de charme van het dorp en wat het ‘Zeeuwse licht’ wordt genoemd. Het kan niet onvermeld blijven dat hij oprichter en drijvende kracht was van de kunstenaarskolonie die daar resideerde. In diens voetspoor, onder de indruk en invloed van het werk van Toorop, kwamen ook Piet Mondriaan en Jan Sluijters naar Domburg. Zo hebben ze elkaar ontmoet.

Ten slotte

De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop heeft veel te bieden. Het is al met al een imponerend overzicht van hoe gedreven de schilder was in het zich losmaken van de traditionele kunstbeoefening en welke weg hij heeft afgelegd om een eigen stijl te ontwikkelen. Naast het werk van Toorop is ook werk te zien van kunstenaars die hem beïnvloedden en die hij op zijn beurt beïnvloedde. In de catalogus van de tentoonstelling staan verdere voorbeelden. In de bijbehorende tekst wordt nauwkeurig het leven van de kunstenaar en diens ontwikkeling beschreven.

Kunst / Expo binnenland

Jan Toorop, een bezield kunstenaar

recensie: De werelden van Jan Toorop
Jan Toorop - Zelfportret met rode baret (1881)Jeanne van Rutten

De term slaoliestijl, de platte benaming voor art nouveau, is onlosmakelijk verbonden met Jan Toorop (1858–1928). Dit vanwege het door hem gemaakte affiche in opdracht van de Nederlandse Oliefabriek ter promotie van Delftsche Slaolie in 1894. Dit werk van Toorop is weliswaar het meest algemeen bekend, maar doet hem geen recht. De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop in Singer Laren laat zien hoe veelzijdig en vooruitstrevend de kunstenaar was. Hij werd in zijn tijd in Nederland gezien als de meest geavanceerde kunstenaar en bouwde internationale faam op.

Jan Toorop werd geboren op Java en op tienjarige leeftijd voor zijn opleiding naar Nederland gestuurd. Hij zou zijn ouders en geboorteland niet meer terugzien. Dat klinkt wrang. Zijn verbondenheid met Indië liet hem echter niet los. Hij omarmde zijn Javaanse en Chinese achtergrond. Op zijn vroegst bekende zelfportretten in olieverf en aquarellen met taferelen uit het toenmalige Indië zijn batik Javaanse gewaden te zien. Ze laten ook zien hoe getalenteerd Toorop al op jonge leeftijd was. Zijn Zelfportret met rode baret uit 1881 en het zelfportret in zijn atelier uit 1883 tonen een indringend kijkende, zelfbewuste jongeman. Iemand die weet wat hij wil.

Aanvankelijk studeerde Toorop na de lagere school en HBS aan de Polytechnische School in Delft. Hij maakte een overstap naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, maar koos vervolgens al snel voor de Académie Royale des Beaux-Arts in Brussel. Hier maakte hij kennis met de vernieuwingen in de schilderkunst.

Vernieuwingen

Op de academie in Brussel ervoer Toorop de heersende doctrine als te beperkend. Hij ging eropuit om zich verder te ontwikkelen en sloot zich aan bij Les XX (Les Vingt), een groep van twintig vernieuwingsgezinde kunstenaars die in opstand kwam tegen de traditionele kunstbeoefening van die tijd. Via hen leerde Toorop het werk kennen van onder andere Henri de Toulouse-Lautrec, Auguste Rodin, Paul Cézanne, Georges Seurat en Vincent van Gogh.

Van Gogh liet zijn invloed op de kunstenaar gelden. In 1891 schilderde Toorop Vloed, een visser die zijn boot door een ruwe zee aan wal trekt. De kleurkeuze en de stijl tonen onmiskenbaar de invloed van de destijds verguisde schilder. Toorop organiseerde in 1892 bij de Haagse Kunstkring met 91 schilderijen de eerste, spraakmakende overzichtstentoonstelling van Van Gogh. Het werd het keerpunt voor diens erkenning.

Jan Toorop - Le Marronnier (1888)

Jan Toorop – Le Marronnier (1889)

Onder de indruk van het werk van Seurat legde Toorop zich toe op het pointillisme. Niet fijnmazig zoals Seurat, maar in stippen en strepen van verschillende grootte en dikte. Le Marronnier (1889) toont een vredig landschap met een kastanjeboom langs een brede vaart. Opvallend is het gebruik van de kleur roze in een landschap dat in werkelijkheid niet roze is.

Ook liet Toorop zich inspireren om met een paletmes te werken in plaats van de schilderskwast. Een techniek die bij uitstek geschikt is om de beweeglijkheid van de zee uit te beelden. Dat blijkt met Brisants de la mer du Nord (De branding van de Noordzee) uit 1888. De grijze, hoog opzwepende golven met schuimkoppen zijn herkenbaar: dat is de Noordzee.

De tentoonstelling getuigt ervan dat Toorop experimenteerde met veel technieken en stijlen. Hij maakte werk in olieverf en tekende met houtskool, krijt en potlood. Ook de onderwerpkeuze waaiert breed uiteen. Zijn sociaal engagement blijkt uit zijn sombere tekeningen en schilderijen over armoede. Er zijn romantisch ogende taferelen met vrouwenfiguren in pasteltinten. En hij ontwierp tegeltableaus, reclames, boekomslagen en gebrandschilderde ramen.

Symbolisme en katholicisme

Jan Toorop - De Sphinx (1892-1897)

Jan Toorop – De Sphinx (1892-1897)

Uiteindelijk legde Toorop zich toe op het symbolisme vanuit zijn verbondenheid met het spirituele en mystieke en ontwikkelde zijn eigen stijl. Met de herinneringen aan zijn jeugd hield hij zich onder andere bezig met verschijningen van geesten, morbiditeit en symbolen. De Sphinx (1892-1897, hij heeft er vijf jaar aan gewerkt) is uitgevoerd in krijt en potlood en laat een minimaal gebruik van kleur zien. De figuren met langgerekte armen en een typische stand van de handen lijken te refereren aan wajangpoppen. Kenmerkend voor het symbolisme is het horizontale en verticale lijnenspel. Op de tentoonstelling zijn meerdere voorbeelden van dergelijk, fantasierijk werk van hem te zien. Het doet fantasierijk aan.

Het symbolisme bereikte zijn hoogtepunt tijdens het fin de siècle, de periode tussen het einde van de negentiende eeuw (ongeveer 1890) en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Toorop vestigde in deze periode zijn naam als de meest moderne Nederlandse kunstenaar. Zijn werk maakte een overrompelende indruk. Toorop exposeerde in het buitenland, tot aan New York, en bij de Wiener Secession. De Wiener Secession, met als een van de grondleggers Gustav Klimt, was een kunstenaarsvereniging die zich, net zoals Les XX en de Haagse Kunstkring, verzette tegen academisch conservatisme. Toorop wordt gezien als van cruciale invloed op Klimt. Klimts werk verwijst er zonder enige twijfel naar.

Jan Toorop - De Pelgrim (1921)

Jan Toorop – De Pelgrim (1921)

Een groeiende interesse voor het katholicisme maakte dat Toorop sterk gelovig werd en zich liet dopen. Daarmee deden de religie en haar symboliek entree in zijn werk. De tekening De Pelgrim (1921) in krijt en houtskool is indrukwekkend. Niet alleen vanwege de grootte, maar ook door de krachtige lijnen waarmee de bedevaartganger is getekend. In dit verband is het pièce de résistance van de tentoonstelling zijn kruiswegstaties, een indringende verbeelding van de lijdensweg van Jezus Christus in veertien tekeningen.

Domburg

Toorop bracht menig zomer vele maanden door in Domburg, aangetrokken door de charme van het dorp en wat het ‘Zeeuwse licht’ wordt genoemd. Het kan niet onvermeld blijven dat hij oprichter en drijvende kracht was van de kunstenaarskolonie die daar resideerde. In diens voetspoor, onder de indruk en invloed van het werk van Toorop, kwamen ook Piet Mondriaan en Jan Sluijters naar Domburg. Zo hebben ze elkaar ontmoet.

Ten slotte

De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop heeft veel te bieden. Het is al met al een imponerend overzicht van hoe gedreven de schilder was in het zich losmaken van de traditionele kunstbeoefening en welke weg hij heeft afgelegd om een eigen stijl te ontwikkelen. Naast het werk van Toorop is ook werk te zien van kunstenaars die hem beïnvloedden en die hij op zijn beurt beïnvloedde. In de catalogus van de tentoonstelling staan verdere voorbeelden. In de bijbehorende tekst wordt nauwkeurig het leven van de kunstenaar en diens ontwikkeling beschreven.

Kunst / Expo binnenland

Spel van lijnen en cirkels

recensie: De weg van het Penseel op papier en linnen – Anneke Schat
01 OnrustvlindersE*D.SIGN (Ester van Leuveren)

In de informatieve krant bij de tentoonstelling De weg van het Penseel op papier en linnen van Anneke Schat (1942-2024) in Museum Lunteren lezen we ‘dat Anneke zowel links- als rechtshandig’ was. Dat verklaart veel.

04 Vlinderen voor de Stèle

Anneke Schat, Vlinderen voor de Stèle

Neem het evenwicht in haar oeuvre: edelsmeedkunst, werk in staal en op papier of linnen. Evenwicht tussen gevoel en ratio, lege vlakken en zwarte inkt, orde en regelmaat. Telkens uitgaand van vormen uit de natuur. Op de grens van realisme en abstractie, met de nadruk op het laatste. Voorbeelden van zulke grenswerken zijn Monkeys on a string (1989), Heimwee naar het regenwoud (1996) en de vele vlinders. Leuk is dat kinderen op de tentoonstelling worden uitgenodigd om met vlindervormen aan de slag te gaan.

Anneke Schat-Portegijs

Anneke Schat is vooral als edelsmid bekend geworden, waarbij ze (nog zo’n kenmerk) van buiten naar binnen werkte, wat volgens een bijschrift staat voor optimisme. Net als het gebruik van de kleur geel.

Anneke Schat werd in 1942 in Amsterdam geboren. Zij kreeg haar opleiding aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (thans Gerrit Rietveld Academie). Hier volgde ze lessen bij Karel Niehorster (edelsmid) en Carel Kneulman (beeldhouwer). Deze opleiding rondde ze in 1964 af. In 1976 kwam zij op het spoor van de Japanse kalligrafie en nam les bij sensei (leraar) Hideko Satori (Tokio).
In 1980 verhuisde Schat naar het Gelderse Ede, pal bij Lunteren. Daar bereidde ze tal van tentoonstellingen voor, zoals in Laren, Amstelveen en Den Haag. In 2024 overleed zij.

05 Schaatsen in het regenwoud

Anneke Schat, Schaatsen in het regenwoud

Museum Lunteren

Op de benedenverdieping van de nieuwe vleugel van Museum Lunteren en in de Schatzaal op de eerste verdieping is haar werk te zien. Beneden zijn in twee vitrines onder meer zilveren miniaturen geëxposeerd. Boven onder andere foto’s van sieraden en van de Gouden Televizier-Ringen, die zij van 1975 tot 2020 ontwierp. In 2020 kwam zij tot een standaardvorm die bestaat uit drie delen van een cirkel, waarvan er eentje naar buiten keert.

Het accent van deze expositie ligt echter op Schats studie van de Japanse kalligrafie, inclusief enkele voorstudies voor haar werk op papier en linnen (Penseelstreken voor de Piramidaal, 1984). Ze werkte bijvoorbeeld met Chinese inkt (Samengebalde energie/Zon, wind en water, 2000), op Oeigoers Daphne-papier en met Schmincke-pigment.

03 Wilde cirkel

Anneke Schat, Wilde cirkel

Eigen beeldtaal en verwantschappen

In al haar kunst heeft zij een prachtige, herkenbare eigen beeldtaal ontwikkeld. Soms vermoed je een zekere verwantschap met het werk van bijvoorbeeld Sam Middleton (1927-2015) en Robert Zandvliet (1970). Middleton maakte net als Schat (Onrustige vlinder, 1991 en Zandoogjes, 1991) veelvuldig gebruik van cirkels. Middleton heeft overigens ook in Japan gewoond en daar ongetwijfeld kennisgemaakt met de Japanse kalligrafie die Schat zo boeide.
De kunstenares heeft met Zandvliet de verfstreektechniek en kleurschakeringen gemeen, onder meer in enkele grotere werken (120 x 100 cm) die in Lunteren worden getoond.

De eerdergenoemde krant bij deze expositie spreekt van ‘een unieke tentoonstelling (internationale allure)’. Los van het wat ronkende taalgebruik is het zeker een expositie die een tripje naar het Gelderse Lunteren meer dan de moeite waard maakt.

Kunst / Expo binnenland

Art She Crafted: tentoonstelling van vergeten vrouwen verdient een vervolg

recensie: Art She Crafted - Wereldmuseum Rotterdam
Vaas Shipibo gemeenschap Peru - Art She Crafted RotterdamTessa Vallinga

Bij binnenkomst in Art She Crafted in het Wereldmuseum Rotterdam is er geen inleiding in woorden, maar in aantallen. Op een curvevormige wand verschijnen in snel tempo portretten van vrouwen. Elke paar seconden een nieuw gezicht, een nieuwe naam. Kunstenares Frida Kahlo (1907-1954) komt voorbij, maar ook Susanna Groeneweg (1875-1940) – het eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer – en de Egyptische farao Hatsjepsoet (ca. 1507-1458 v.Chr.). Het tempo ligt te hoog om ze allemaal te onthouden. En dat is precies de boodschap: dit zijn er al veel, maar het zijn er nog veel meer.

Via een QR-code ontvouwt zich een digitaal archief met korte biografieën van vrouwen van invloed op kunst en cultuur. Niet altijd als maker, maar ook als opdrachtgever, beschermer, handelaar of kennisdrager. Dankzij hun positie binnen politiek, religie of economie konden zij artistieke productie mogelijk maken en vormgeven. Dat veel van deze namen nauwelijks bekend zijn, is geen toeval, maar het gevolg van hoe geschiedenis is opgeschreven. Die geschiedschrijving, zo maakt Art She Crafted duidelijk, kreeg in de negentiende eeuw vaste vorm. In die periode werd het idee van het mannelijke ‘genie’ gecanoniseerd. Vrouwen verdwenen uit beeld of werden gereduceerd tot rollen: muze, moeder, heilige of ‘vrouw van’. Niet omdat zij geen invloed hadden, maar omdat hun invloed niet paste binnen het dominante narratief. De tentoonstelling positioneert zich nadrukkelijk als correctie op die vertekening, en geeft belangrijke vrouwelijke makers van vandaag de dag een plek in de spotlight.

Vrouwen geven visuele kennis door

De ruimtelijke vormgeving ondersteunt dat streven. Je beweegt je door een soort zachte tunnel, waarin vitrages de wanden vormen en de chronologie bewust losgelaten is. Er zijn slechts twee globale categorieën: ‘Vrouwen uit de geschiedenis’ en ‘Vrouwen van nu’. Binnen die indeling lopen tijd, plaats en discipline door elkaar. Een geografische of hiërarchische ordening ontbreekt, en dat is een kracht. De vormgeving voorkomt zo de totstandkoming van een nieuwe canon en benadrukt verbanden over tijd en cultuur heen.

Zo vertelt een beschilderde aardewerken vaas uit de Shipibo-Conibo-cultuur in Peru over de centrale rol van vrouwen in het doorgeven van visuele kennis binnen gemeenschappen. Even verderop tonen videowerken van de Iraans-Amerikaanse kunstenaar Shirin Neshat hoe fotografie en kalligrafie kunnen worden ingezet om de positie van vrouwen in Iran te bevragen. De kunstwerken in de tentoonstelling staan niet in dienst van een lineair verhaal, maar resoneren thematisch met elkaar.

Ook anonieme objecten krijgen nadrukkelijk ruimte. Een Chileense arpillera, een textielcollage gemaakt van reststoffen, toont het dagelijkse leven onder de dictatuur van Augusto Pinochet. Armoede en onderdrukking zijn zichtbaar in huiselijke scènes. Het werk is niet gesigneerd, waarschijnlijk omdat het in het geheim werd vervaardigd. Juist die anonimiteit onderstreept de politieke lading ervan. Maaksterschap wordt hier niet opgevat als individuele roem, maar als noodzaak.

Vrouwelijke makers waren geen uitzondering

De tentoonstelling kaart halverwege een breder historisch kantelpunt aan. De late negentiende en vroege twintigste eeuw brengen wereldwijd nieuwe mogelijkheden door industrialisatie, fotografie, design en mode. Vrouwen treden zichtbaarder naar voren en claimen ruimte binnen disciplines die tot dan toe als ‘toegepast’ of ondergeschikt werden gezien. De Italiaans-Franse modeontwerper Elsa Schiaparelli is daarvan een bekend voorbeeld. Haar werk laat zien hoe mode zich kon ontwikkelen tot een volwaardige avant-gardistische kunstvorm. Tegelijkertijd maakt de tentoonstelling duidelijk dat zij geen uitzondering was, maar onderdeel van een bredere beweging vrouwelijke makers.

Een nieuwe renaissance

In de laatste zaal, uitgevoerd in warm okergeel, verschuift de focus naar hedendaagse makers. Werk van gevestigde namen, zoals de Iers-Britse ontwerper Simone Rocha, wordt getoond naast dat van jongere of minder institutioneel verankerde kunstenaars, zoals de Palestijnse schilder Malak Mattar, die haar werk onder meer via Etsy verkoopt. Het contrast is groot, maar niet ongemakkelijk. Het benadrukt dat zichtbaarheid, marktwaarde en artistieke relevantie niet samenvallen. De tentoonstelling concludeert dat deze vrouwen aan de vooravond staan van een nieuwe renaissance. Een waarin collectiviteit, ambacht en culturele uitwisseling centraal staan.

Art She Crafted eindigt met de stelling dat vrouwelijke invloed geen uitzondering was, maar een constante kracht in de vorming van kunst en cultuur. Die conclusie wordt overtuigend onderbouwd, zonder te vervallen in simplificatie of activistische retoriek. Het enige echte bezwaar tegen de tentoonstelling is haar omvang. De verhalen zijn rijk, de objecten gelaagd, maar de context blijft soms noodgedwongen beknopt. Juist daardoor wekt de tentoonstelling de wens naar meer verdieping. En dat is, in dit geval, een teken van succes.

Kunst / Expo binnenland

Pracht, praal en propaganda

recensie: Remco Beckers - Bourgondiërs in Limburg
Campagnebeeld basis liggend zonder© Limburgs Museum

Drie hertogen, drie karakters, één tentoonstelling. De expositie Bourgondiërs in Limburg in het Limburgs Museum in Venlo draait om ‘pracht, praal en propaganda’ – zoals een tekst in de eerste nis stelt. Of, volgens een reclamespotje op radio en tv, om ‘intrige, macht en feesten’. Daar lusten veel mensen wel pap van, blijkt uit de rijen voor de kassa’s.

Die pracht, praal en propaganda slaan op Filips de Goede (1396-1467). Hij is de eerste van de drie hertogen die voorbijkomen: Filips de Goede, Karel de Stoute (1433-1477) en Maria de Rijke (1457-1482).

Gordijn om nis – © Limburgs Museum

Filips de Goede en zijn Banket van de Fazant

Van Filips de Goede hangt er een portret naar Rogier Van der Weyden. Daaronder ligt een vliesketting van prinses Beatrix. Filips de Goede was namelijk de stichter van de Orde van het Gulden Vlies. Prinses Beatrix werd in 1985 tijdens een staatsbezoek aan Spanje met deze orde onderscheiden.

Opvallend is een gordijn om een van de volgende nissen. Het gordijn is duidelijk geïnspireerd op zo’n vliesketting en munten uit de Bourgondische tijd. Complimenten voor Lies Willers, de ontwerper van de tentoonstelling. Hetzelfde geldt voor het grafisch ontwerp van Studio Berry Stok en de props van Sindy Buissink op de bankettafel.

Het gordijn hangt om de tafel die het beroemde Banket van de Fazant (1454) in Lille verbeeldt. Er liggen bijvoorbeeld wafels op, maar dan zonder het wapen van Filips de Goede zoals hij het graag zag. Om de hoek hangt zo’n wafelijzer met zijn wapen.

Reliekhouder Karel de Stoute – © Trésor de Liège

Karel de Stoute: tussen harnas en reliek

Na Filips de Goede komt krijgsheer Karel de Stoute aan de macht. Niet voor niets is er een zaal met harnassen en wapenborden om dit te benadrukken. Ook hangt er van hem een portret (ca. 1500), mét Gulden Vliesketting.

Maar Karel de Stoute was behalve krijgslustig ook vroom. Voor het eerst in Nederland is hier een reliekhouder (1467-1471) van hem te zien, gemaakt door Gérard Loyet. Deze houder met St. Lambertus is fraai uitgelicht in een donkere nis met banken. Daarop kun je als bezoeker gaan zitten om de uitvoerige audiotour te beluisteren.

Maria de Rijke en de Limburgse identiteit

Het laatste deel van de tentoonstelling is erg boeiend. Daarin staat Maria de Rijke centraal. Zij was, in tegenstelling tot haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk, geliefd bij het volk. Haar verhaal is kort, want ze overleed al op 25-jarige leeftijd. Al is ze opgenomen in de Canon van Nederland, mede omdat ze na Karel de Stoute door het zogenaamde Groot Privilege de rust deed weerkeren. Zo legde ze de basis voor de Nederlandse staatsinrichting. Maximiliaan schafte overigens na haar dood het Groot Privilege weer af.

Maria van Bourgondië, Niklas Reiser, ca 1500, Kunsthistorisches Museum Wien, Gemäldegalerie – © KHM-Museumsverband

Maar de aandacht in deze zaal gaat vooral uit naar de zoektocht naar een eigen ‘Limburgse identiteit’ in de schone kunsten. Een van de interessantste onderdelen van de door Remco Beckers samengestelde expositie. In wezen gaat het om een mix van Brabantse, Gelderse en Luikse invloeden. Die uiten zich in gedrongen figuren, ovale gezichten en gestileerd haar. De voorbeelden die worden getoond, zoals De boom van Jesse (ca. 1500), laten dit duidelijk zien.

Bart Van Loo heeft het er in zijn boek Stoute schoenen al over dat de wieg van de Nederlandse schilderkunst in Gelre stond (Nijmegen met de gebroeders Van Lymborch). Dit breidde zich uit naar Zutphen, de Veluwe, Noord- en Midden-Limburg (Roermond) en naar wat later het hertogdom Kleef werd. Van Loo is met zijn boeken over de Bourgondiërs de grote inspiratiebron voor deze tentoonstelling.

In diezelfde zaal komt ook de positie van vrouwen aan bod, een thema dat na de vroege dood van Maria de Rijke (1482) aan het eind van de Bourgondische tijd meer aandacht kreeg. De tentoonstelling besteedt onder meer aandacht aan de begijnen en het dagelijks leven. Want dat was er na(ast) alle pracht, praal en propaganda natuurlijk ook. Ook in Bourgondisch Limburg.

Een grote, evenwichtig samengestelde tentoonstelling met topstukken die de Bourgondische tijd tot leven brengen – sommige voor het eerst in Nederland te zien.

Kunst / Expo binnenland

Dialoog tussen twee meesters

recensie: Eugène Brands en Gabriel Lester - Mysterious Universe
VBVD-MysteriousUniverse-Zaaloverzicht-DSC06873© Arabella Coebergh

In het boekje bij Mysterious Universe, samengesteld door Eliane Odding voor museum van Bommel van Dam in Venlo, staan drie woorden waar alles om draait: leegte, stilte en verwondering. Precies die begrippen vormen ook de kern van het werk van Eugène Brands (1913-2002), geëxposeerd in een prachtige zetting van Gabriel Lester (1972), die soms aan het hemelgewelf doet denken.

Dat idee wordt bevestigd in de twee filmportretten over beide kunstenaars, die aan het begin worden vertoond. Lester zorgt ervoor dat de gouaches, schilderijen, tekeningen, collages en assemblages van Brands optimaal tot hun recht komen – op een fraaie, originele manier. In één zaal hangen de kunstwerken zelfs los in de ruimte.

Leegte/ruimte

Het woord ‘leegte’ laat zich ook vertalen als ‘ruimte’: zowel in de titel van de tentoonstelling (ontleend aan enkele gouaches van Brands uit een privécollectie) als de ruimte waarnaar Lester in het filmportret van Simone de Vries (Hollandse meesters in de 21e eeuw) zegt te zoeken.

Beiden willen voorbij de concrete, materiële wereld denken. Daarom zijn de verfstreken van Brands ook zo (ver)dun(d) opgebracht – luchtig en immaterieel. Hij werkt lang niet altijd met contouren, Zelfportret (1994) daargelaten. De kleuren zijn meestal teer, met uitzondering van de rode accenten op bijvoorbeeld Red Sock: Mankind Surrounded by the Deep Darkness of the Universe (1996), of in een rood servet of een rode deksel op een van zijn collages en assemblages.

Stilte

Vallende maan – © Minted Media

Met name in de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen Eugène Brands in Zandvoort woonde, komt de stilte van de omgeving van de duinen en de zee duidelijk tot uitdrukking in zijn werk. Hij keerde zich dan ook al snel af van de kunst van de CoBrA-beweging, waartoe hij in 1949 wordt gerekend, na een door Willem Sandberg georganiseerde groepstentoonstelling met Appel, Constant en Corneille in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Brands richtte zich liever op de schilderijen van Paul Klee en Marc Chagall. Op Vallende maan (1951) zien we bijvoorbeeld de voor Klee zo kenmerkende pijl terug. Het enige wat nog aan CoBrA doet denken, is de invloed van kindertekeningen, tot in het Huis bij nacht II (1994) aan toe. Brands werkte toen in een atelier aan de grens van Nunspeet. Het Noord-Veluws Museum organiseerde overigens in 2023 ook een grote tentoonstelling met werk van Brands.

Verwondering

Meeting – © Minted Media

Voor zowel Brands als Lester is de ruimte, het universum, een mysterie. De letter M op een gouache uit 1973 verwijst daarnaar: mysterie, magie, materie, Melkweg. Het museum in Venlo verwacht dat dit thema anno 2025 veel bezoekers zal aanspreken, ook jongeren. Hoe dan ook: de expositie is een totaalervaring die vooral op gevoelsniveau raakt. Of, zoals een vrijwilligster bij de ingang zegt: ‘Het is niet wetenschappelijk!’ Nee – twee meesters gaan hier op poëtische wijze met elkaar in gesprek, zoals de twee figuurtjes onder een boom in het maanlicht op Brands’ Meeting (1954). Voeg je als bezoeker bij dat gesprek en verwonder je. In stilte.

Kunst / Expo binnenland

Een getalenteerd gezin in de zeventiende eeuw

recensie: Museum de Fundatie - Thuis bij Ter Borch
Moses ter Borch als tweejarig kind – Gesina ter Borch, ca. 1667Jeanne van Rutten

Gerard ter Borch de Oude was kunstenaar totdat hij ging trouwen en de verantwoordelijkheid kreeg zijn gezin te onderhouden. Hij veranderde rigoureus van beroep en werd een goed beloonde belastingfunctionaris. Ter Borch gaf vervolgens les aan vijf van zijn meest getalenteerde kinderen: Gerard, Anna, Gesina, Harmen en Moses. De tentoonstelling Thuis bij Ter Borch in Museum de Fundatie in Zwolle toont het veelzijdige en indrukwekkende resultaat.

Dat de kinderen Ter Borch talent hadden, blijkt al op jonge leeftijd. Er is een pentekening van Gerard de Jonge – de oudste zoon – die hij op zevenjarige leeftijd maakte: een paard met ruiter op de rug gezien. Harmen is negen jaar als hij een rij van negen mannen en vrouwen afbeeldt die met een stevige storm worstelen. Ze leunen tegen de wind of worden erdoor voortgedreven, de mantels en rokken wapperen alle kanten op. Het getuigt van een scherp observatievermogen en het vermogen dit realistisch op papier te krijgen. En Moses is pas vijftien als hij met rood krijt een aantal jonge mannen tekent. De gezichten, de plooien in de kleding, de schaduwwerking: het maakt indruk.

Alles wat los en vast zit

De kinderen trokken eropuit in Zwolle en omgeving, toen een woelige stad die van kwesties aan elkaar hing: pestepidemieën, de Tachtigjarige Oorlog en religieuze twisten die hoog opliepen. De variëteit aan onderwerpen blijkt groot. De kinderen tekenden zo ongeveer alles wat er te zien was, zoals werklieden, ijstaferelen, soldaten, mensen die hun behoefte op straat doen, spelende kinderen en taferelen op het platteland. Verder maakten ze portretten van zichzelf en elkaar. Werkten samen. Kopieerden elkaars werk. En legden het huiselijk leven vast. Het lijkt een gelukkig gezin.

Kind tekenend of schrijvend – Harmen ter Borch, 1649. Foto: Jeanne van Rutten.

De schetsen en tekeningen zijn bescheiden tot zeer bescheiden van formaat. Het nodigt uit tot aandachtige bestudering. En wat daarbij vooral opvalt – naast het talent – zijn de ernst en het enthousiasme.

Gesina ter Borch

Het is aan Gesina ter Borch te danken dat de familiecollectie, bestaande uit albums, schetsboeken, documenten en bijna zevenhonderd losse tekeningen, in stand bleef. De verzameling werd in de familie doorgegeven totdat het Rijksmuseum deze in 1886 aankocht.
Het werk van Gesina is qua sfeer en techniek te onderscheiden van dat van haar broers. Ze schilderde met name aquarellen in heldere kleuren. Opvallend hoe fris die nog zijn. In een vitrine ligt haar poëzieboek opengeslagen; te lezen is een gedicht met onderaan de pagina een afbeelding ter illustratie, een herder die voor een herderin knielt. Het is een kloek boek. Het overige werk dat van haar te zien is, getuigt onder andere van fantasie en een zekere hang naar idyllische taferelen. Ook zijn er portretten ter nagedachtenis aan haar jongere broer Moses. Hij werd marinier en stierf in 1667 aan zijn verwondingen tijdens de beruchte Tocht naar Chatham. Moses werd tweeëntwintig jaar, toen Gesina inmiddels zesendertig was.
Gesina poseerde overigens regelmatig voor haar broer Gerard en is hier in Zwolle op diverse schilderijen te zien.

Gerard ter Borch de Jonge

Uiteindelijk is het de oudste zoon die in de voetsporen van zijn vader trad. Al vroeg maakte hij een reeks stadsgezichten van Zwolle en legde de verdedigingswerken vast: de stadsmuren, poorten en bolwerken. Het werk is nu een belangrijke referentie voor restauratiewerkzaamheden in de stad. Nogal wat anders dan de romantiek van de ruïnes zoals zijn vader die in Rome verbeeldde, een werk dat ook te zien is.
Gerard ter Borch de Jonge heeft grote faam verworven in binnen- en buitenland. Hij werd bekend door onder andere genrestukken, portretten en het huiselijk leven van de gegoede burgerij. Zijn manier van stoffen schilderen werd alom geprezen. Op de tentoonstelling is te zien hoe hij zilverkleurige japonnen van door hem geschilderde vrouwen tot leven brengt. Je zou kunnen zeggen dat het bijna zeer aan de ogen doet. Alsof het zonlicht in de stof reflecteert.
Zijn schilderijen bekijkend is het onmiskenbaar een Hollandse meester uit de zeventiende eeuw. Ook is er een samen met Gesina gemaakt olieverfportret van broer Moses te zien. Beiden misten hem.

Ruiter op de rug gezien - Gerard ter Borch, ca. 1633-1634

Ruiter op de rug gezien – Gerard ter Borch, ca. 1633-1634. Foto: Jeanne van Rutten.

Een contrast met wat van Gerard de Jonge op de tentoonstelling wordt getoond, is een geheel ander werk van hem: een ruiter op de rug gezien, waarvan twee variaties zijn. Het ziet er dramatisch uit. Maar het laat ook zien hoe hij zich heeft ontwikkeld sinds zijn zevende jaar, zijn losse schets in inkt met hetzelfde onderwerp. Frappant hoe hij dit toen met een paar losse streken wist te verbeelden.

Al met al geeft Thuis bij Ter Borch een interessant beeld van het leven in de zeventiende eeuw en maakt de tentoonstelling indruk vanwege het talent van deze kunstenaarsfamilie.

Kunst / Expo binnenland

Een spiegel voorgehouden

recensie: Fiona Tan – Monomania
Fiona Tan, RijksmuseumRijksmuseum persbeelden

De tentoonstelling Monomania van Fiona Tan (1966) in de zuidvleugel van het Rijksmuseum Amsterdam begint met het olieverfschilderij Portret van een kleptomaan van de negentiende-eeuwse Fransman Théodore Géricault, een bruikleen uit het Museum voor Schone Kunsten Gent. Hiermee begon ook Tans zoektocht naar wat monomania is, hoe het in beeld wordt gebracht en wat voor indruk dit op de beschouwer maakt.

Monomania is volgens het begeleidende boekje dat de zaalteksten vervangt ‘een vorm van gedeeltelijke krankzinnigheid en [wordt] beschreven als één enkele ziekmakende obsessie in een verder gezonde geest. Rond 1850 staat monomania synoniem voor emotionele “waanzin”.’

Fiona Tan. Foto: Andreas Langfeld.

Dat is ook de tijd die centraal staat in Tans jarenlange zoektocht naar het begin van de psychiatrie en in de twee jaar voorbereiding voor deze tentoonstelling. Tan is de eerste kunstenaar die van het Rijksmuseum Amsterdam carte blanche krijgt voor een tentoonstelling. Wat meer is ‘dan cureren’, zei ze fijntjes tijdens de perspresentatie. In de catalogus eindigt zij met de constatering dat ze, nog eens kijkend naar het gezicht van de zogeheten kleptomaan van Géricault, uiteindelijk medeleven en empathie voelt en in hem een medemens herkent.

Associëren en verbanden leggen

Edvard Munch (eigenhandig gesigneerd), Staand naakt met rood haar, 1902, Rijksmuseum. inv.no. RP-P-1953 -888

De tentoonstelling roept ons op om dat ook te gaan voelen en onze eigen associaties en verbanden te leggen tussen de kunstwerken. Kunstwerken en gebruiksvoorwerpen die merendeels afkomstig zijn uit verschillende depots van het Rijksmuseum, naast enkele bruiklenen en eigen werk van Fiona Tan, en die verdeeld zijn over tien zalen. Doeken, boeken, beelden, foto’s en nog veel meer met aan het einde een grote video-installatie, Janine’s Room (2025), die alles op drie schermen lijkt samen te vatten. Janine verwijst naar Janine Dakyns, die wordt genoemd in de roman The Rings of Saturn van W.G. Sebald, een schrijver die Tan heeft geïnspireerd in haar werk. Sebald schrijft onder meer: ‘In een zandkorrel in de zoom van Emma Bovary’s winterjurk, zei Janine, zag Flaubert de hele Sahara. Voor hem woog elk stofje zo zwaar als het Atlasgebergte.’

Opvallend is dat de fraai verzorgde en origineel vormgegeven catalogus (een design van Irma Boom, net als het begeleidende boekje) niet begint met Géricault, maar met een afbeelding van een spiegel in de Queen Anne style (Noord-Nederland). Je zou deze, samen met twee andere werken waar de spiegel naast hangt, als de uitgangspunten van Tans werkwijze kunnen zien. Die twee andere stukken zijn Ophélie van Odilon Redon en Zonde van Edvard Munch. Ze staan als het ware respectievelijk symbool voor de drie aandachtspunten die Tan aanhield bij zowel haar twee jaar durende onderzoek als de keuze van de kunst- en andere werken: wetenschap – kunst – representatie.

Wetenschap, kunst, representatie

Wetenschap manifesteert zich hier in de vorm van een geoxideerde spiegel, vergelijkbaar met de tien spiegels die kunstenaar Germaine Kruip toonde op een tentoonstelling in de Amsterdamse Oude Kerk (2015-2016). Door die oxidatie kun je jezelf niet in de spiegel zien: ‘An image of absence’ noemt Tan het in een essay in de catalogus. Redon en Munch vertegenwoordigen niet alleen kunst (respectievelijk olieverf en pastel op papier en een lithografie), maar ook representatie. Ophelia staat voor wat tijdens een congres over haar (in Arnhem, 2009) hysterie en melancholie werd genoemd, twee zogenaamd typisch vrouwelijke aandoeningen. Tan schrijft, wederom in de catalogus, dat een mysterieuze ziekte als hysterie door de Franse psychiater Jean-Etienne Dominique Esquirol (1772-1840) werd gelabeld als een psychische in plaats van een eerder neurologische aandoening om zo ‘zijn onderzoeksveld te vergroten en zijn vak te legitimeren’. De achtergrond van Zonde van Munch (Staand naakt met rood haar) zou kunnen worden gezocht in de associatie die binnen met name het christendom soms wordt gelegd tussen seksualiteit en zonde. De vrouw heeft lang rood haar, zoals ook Maria Magdalena vaak met lang rood haar wordt afgebeeld. Maria Magdalena ging ten onrechte de geschiedenis in als prostituee. Fiona Tan zoekt de achtergrond van de vrouw binnen het kader van ‘Waanvoorstellingen’.

Odilon Redon (eigenhandig gesigneerd), Ophélie, la cape bleue sur les eaux (Ophelia, de blauwe nonnenkap in het water), 1900 – 1905, Rijksmuseum, Inv.no. SK-A-4840.

Het zijn zomaar enkele voorbeelden uit een overweldigende tentoonstelling die je, soms letterlijk, een spiegel voorhoudt, zoals in de zaal met zes digitale installaties (De criminele klasse). Je moet er moeite voor doen om de persoonlijke herinneringen, associaties en verbanden die Tan legt te kunnen volgen en je wordt uitgenodigd er ook voor jezelf naar op zoek te gaan. Als dat lukt, krijg je er zóveel voor terug, dat er een paar dagen in je hoofd niets meer bij lijkt te kunnen. Een effect dat misschien niet eens zo ver van de bedoeling van deze expositie afligt. Even opgesloten zitten in je hoofd, zoals de vissen in de Goudviskom met drie schepen (Bohemen), ook te zien in de tentoonstelling. Ge(s)laagd dus. En meer dan dat.

Kunst / Expo binnenland

Dappere bevragingen

recensie: Good Mom/Bad Mom – Centraal Museum Utrecht
Zaaloverzicht tentoonstellingIngrid Looijmans (communicatie en pr van deze tentoonstelling)

In het Centraal Museum is momenteel de tentoonstelling Good Mom/Bad Mom – De moedermythe ontrafeld te zien. De tentoonstelling is een van de eerste en omvangrijkste exposities over moederschap in de kunst in Nederland tot nu toe. Good Mom/Bad Mom neemt de bezoeker mee langs verschillende representaties van het moederschap door de eeuwen heen. Van schilderkunst, films tot installaties.

Moederschap is een onderwerp waar ieders leven mee verbonden is. Toch toont deze breed opgezette tentoonstelling – gecureerd door Heske ten Cate, directeur van Nest, en Laurie Cluitmans, conservator hedendaagse kunst van het Centraal Museum – ons dat de representatie van het moederschap en het zorg dragen niet zonder stigma in beeld komt. Als deze al in beeld komt.

Hardnekkige stigma’s

Zaaloverzicht tentoonstelling

Foto: Natacha Libbert

Maria, in onze cultuur misschien wel dé representatie van de oermoeder, steekt van wal. De tentoonstelling laat zien dat ze in vroegere tijden, vaak door mannelijke kunstenaars, als zachte, passief zorgende vrouw werd uitgebeeld. Een idealistisch beeld waarin het zorg dragen als ‘makkelijk’ en instinctief wordt gerepresenteerd. Dit archetype van Maria en het beeld van de zichzelf wegcijferende moeder als goede moeder blijken hardnekkig. Veel vrouwelijke kunstenaars met kinderen hebben geleden onder dergelijke vooroordelen. Vele van hen beëindigden dan ook hun carrière als er kinderen kwamen.

De kunstenaar Charley Toorop was een uitzondering vertelt de tentoonstelling ons. Hoewel ze te maken kreeg met felle kritiek, koos ze actief voor het kunstenaarschap. Met haar schilderij Zelfportret met drie kinderen (1922) zette ze haar kinderen en zichzelf neer als sterke personen. De kinderen staan besluitvaardig, haast trots, om hun schilderende moeder heen.

Een stigma waar vooral kunstenaars die moeder zijn geworden nog altijd mee te maken krijgen, is dat thema’s als het krijgen en hebben van kinderen als truttig of niet artistiek worden gezien. Kinderen krijgen was eigenlijk not done als vrouwelijke kunstenaar. Het werk van Femmy Otten (Zonder naam, 2016) laat echter een diepgeworteld gevoel van levenscreatie zien. De doorzichtige baby zweeft kwetsbaar boven de handen van de persoon. Kwetsbaar, maar met een zekere kracht door zijn bestaan te midden van de angstaanjagendheid van het proces ‘leven’.

Perspectief verschuivingen

Een sterke kant van de tentoonstelling is dat deze ons laat kennismaken met perspectieven die normaliter weinig ruimte krijgen. Ingrijpende momenten uit de geschiedenis komen naar voren, zoals in het heftige en sterke vierluik van de Zuid-Afrikaanse Buhlebezwe Siwani over vrouwen die als slaafgemaakten kinderen moesten baren ten behoeve van de slavernij. De vier filmfragmenten, met titels in de Zuid-Afrikaanse taal isiZulu – Elinye ibele, Ulishiyele bani ibele futhi, Ibele lesithathu en Iusizi ibele (2025) – verwijzen elk op een andere manier naar een gangbaar gezegde in Zuid-Afrika. Iedere titel is een variatie op ‘voor wie heb je de borst verlaten?’ als verwijzing naar ‘wie is je jongere broer of zus?’. De rechter twee schermen tonen moeders van wie de kinderen afgenomen zijn. De titels maken dit werk op deze manier extra schrijnend. De linker twee schermen tonen moeders die wel de kans hebben om hun kinderen bij zich te hebben, wat het gemis vergroot. Het vierluik is een aangrijpend werk dat de kijker laat reflecteren op de verschrikkingen die deze zwarte moeders moesten doorstaan in de koloniale tijd.

Aan het eind van de tentoonstelling staat een verrassende installatie. Emma Talbots Mama Earth (2025), bestaande uit een doekeninstallatie en animaties, laat ons nadenken over de rol van onze eigen moeder. Hoe praten en denken we over haar? De jonge moeder wordt vaak al weggezet als minderwaardig, maar over de plek van de oude ‘voltooide’ moeder horen we eigenlijk niets meer. Het is een belangrijk statement en een passende afsluiting van de tentoonstelling. Wat is de moeder, de vrouw, de zorgdrager wanneer de kinderen volwassen zijn? Kan zij zichzelf nog vinden wanneer de maatschappij haar niet (meer) ziet?

Catalogus

Bij de tentoonstelling is een catalogus gemaakt in samenwerking met Nest. Mothering Myths. An ABC of Art, Birth and Care is samengesteld door Heske ten Cate en Laurie Cluitmans en vormgegeven door Bart de Baets. De catalogus is een sterke aanvulling en een werk op zichzelf. De publicatie is met opzet gefragmenteerd, zodat deze aansluit bij de sporadische momenten van tijd over hebben binnen het moederschap. Ook juist voor niet-moeders levert deze catalogus de nodige realisatiemomenten op door de bijzondere bijdragen van uiteenlopende auteurs. Door de toevoeging van vele stemmen in het boek sluit de catalogus feilloos aan op de meerstemmigheid van de tentoonstelling.

Cluitmans en Ten Cate hebben een tentoonstelling gecreëerd vanuit meerstemmigheid. Dat maakt de representatie genuanceerd en diepgaand. Ze tonen met de omvangrijke tentoonstelling aan dat het onderwerp moederschap nog steeds controversieel is binnen de kunstwereld. Er valt nog veel over moederschap in de kunst te zeggen, te bespreken en te denken. En bovenal: te erkennen.

Kunst / Expo binnenland

Niet alle wegen leiden naar Rome

recensie: Zoeken naar zingeving - Kröller-Müller Museum
Small-KM 107.018 Pierre Puvis de Chavannes, La Madeleine au désert (Méditation), 1869Marjon Gemmeke

Op de middelbare school was een van de klassieke leerboeken Spoorzoeken in de bonte wereld van geloven en denken. Het boek beschrijft de hoofdstromingen in de religie in de meest ruime zin van het woord en gaat dieper in op de grote religies.

De associatie komt op wanneer je door de tentoonstelling Zoeken naar zingeving in het Kröller-Müller Museum loopt. Niet alleen vanwege de vergelijkbare titels van het boek en de expositie, maar ook omdat beide qua inhoud overeenkomsten vertonen. Al zijn er natuurlijk ook verschillen.

In het boek zijn aan het begin – zoals het wordt genoemd – ‘heerbanen’ uitgelicht: hindoeïsme, boeddhisme, andere Chinese godsdiensten (waaronder confucianisme, taoïsme), jodendom, islam en christendom. Daarna komen ‘primaire wegen’ zoals rooms-katholicisme, protestantisme en lutheranisme en even verderop ‘tertiaire wegen’ zoals spiritisme en theosofie.
In de tentoonstelling komen ze ook allemaal aan de orde, maar dan gerelateerd aan de zoektocht van Helene Kröller-Müller (1869-1939) naar zingeving als de drijvende kracht achter haar verzameling kunstwerken. ‘Haar eindbestemming is’ – volgens het persbericht:

‘een museum als ‘een centrum voor geestelijk leven’, geplaatst in de rust van de natuur.’

Kunstenaars apart

Er is voor gekozen om de diverse kunstwerken uit de verzameling van Helene Kröller-Müller per kunstenaar te tonen, aangevuld met latere aankopen in haar geest, met werk van James Lee Byars, Nam June Paik en Shirazeh Houshiary. In die opzet wringt de schoen. Er worden op deze manier namelijk twee sporen gevolgd: aan de ene kant Helene Kröller-Müllers zoektocht naar andere vormen van spiritualiteit en zingeving dan ze tijdens haar lutherse opvoeding in Duitsland had meegekregen, en de ontwikkeling van de kunst vanaf voornamelijk het realisme vanaf 1860 tot het eindpunt daarvan met Moeder en kind van Bart van der Leck aan de andere kant.
Eigenlijk is er ook nog een derde spoor: de vraag om te proberen je te verplaatsen in de beweegredenen van Kröller-Müllers aankopen en in de werken die je ziet. Tweezitbankjes in kleine houten ruimtes nodigen hiertoe uit. Een uitgangspunt dat is ingegeven door een zinsnede uit 1909 van Helene Kröller-Müller aan het begin van de tentoonstelling:

‘Als je je eens zult kunnen verplaatsen in het gemoed van iemand, die zóó citroenen heeft kunnen zien en ons vertolken…’

Dit slaat op Mand met citroenen en fles van Vincent van Gogh, geplaatst naast een Christuskop uit de dertiende eeuw die Kröller-Müller als spinoziste Spinoza-Jezus noemde.

Small-Zaaloverzicht Zoeken naar zingeving- Overview Searching for Meaning, photo_ Marjon Gemmeke

© Marjon Gemmeke

Heerbanen en aftakkingen daarvan

Dat verplaatsen gaat misschien makkelijker als een soortgelijke volgorde zoals in Spoorzoeken, het boek, was aangehouden. Dan krijg je de ‘heerbanen’ hindoeïsme (Theo van Doesburgs Danseressen), boeddhisme (Odilon Redons Le Sacré Coeur (Le Boudha), Zen for Film van Nam June Paik en James Lee Byars’ The Path of Luck, de Chinese traditie (zogenaamde filosofenstenen), jodendom (Ossip Zadkines beeld Rebecca), islam (werk van Houshiary met een maansikkel) en christendom dat wordt onderverdeeld in de ‘primaire weg’ met rooms-katholicisme (Anrea Mantegna) en protestantisme (Saenredam).
Op de ‘tertiaire weg’ zouden we tenslotte werk tegenkomen van de theosoof Mondriaan (Compositie 10 in zwart wit, dat in het aankoopboek Kerststemming wordt genoemd).
Natuurlijk vallen niet alle kunstenaars in dergelijke hokjes te stoppen. Soms vallen ze in meerdere onder te brengen, zoals Jan Toorop of in een overkoepelende mystiek, zoals de Vlaming George Minne.

Zelf spoorzoeken

Of de zeven vraaggesprekken die de filosoof en schrijver Desanne van Brederode voerde en als audiotour vallen te beluisteren daarbij nu behulpzaam kunnen zijn, is nog maar de vraag. Ze kunnen (rationeel) namelijk ook in de weg zitten. Want om La Madeleine au désert (Méditation) van Pierre Puvis de Chavannes nu een collage te noemen, gaat wat ver. De mooiste zin is misschien dat je het mysterie het mysterie moet laten. Zelf spoorzoeken, kijken, ervaren en interpreteren.

Kunst / Reportage
special: Open Monumentendag 2024
OLYMPUS DIGITAL CAMERAP. Leeflang

Onderweg!

Amsterdam kent het Groote Museum bij ARTIS, maar baas boven baas: ons land kent ook het Grootste Museum van Nederland: kerken, synagogen, tempels en moskeeën die openstaan voor elke geïnteresseerde. Daarvan zijn er ook veel op Open Monumentendag, 14 en 15 september 2024.

Eerst iets over het Grootste Museum van Nederland. Het initiatief daartoe werd genomen door Museum Catharijneconvent in Utrecht. In 2016 publiceerde het museum het boek Kerkinterieurs in Nederland. Met het uiterlijk van een salontafelboek, maar inhoudelijk verrassend door honderd kerkinterieurs, gefotografeerd door Arjan Bronkhorst. Deze gebouwen worden ook besproken. Daarbij komen aspecten langs als: de geschiedenis, architectuur en kunstwerken die een bezoeker kan aantreffen.

Maranathakerk in Deventer

Nog steeds worden er nieuwe gebouwen aan de oorspronkelijke lijst toegevoegd. Het meest recente is de Maranathakerk in Deventer, een protestantse kerk en ontmoetingsplek voor de Molukse gemeenschap in de Oranjebuurt, de oorspronkelijk Molukse wijk. Het is een gebouw uit 1991-1992 van niemand minder dan het architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck. Aldo van Eyck had al eerder, in 1963-1969 een kerk ontworpen, zijn eerste: de Pastoor van Arskerk in Den Haag, dat gelijkenis vertoont met een nooit gerealiseerde protestantse kerk, Wheels of Heaven in de geboorteplaats van Aldo van Eyck, Driebergen. Het ontwerp van de kerk in Deventer dateert uit 1983-1985 en is daarmee dus zo’n twintig jaar jonger. Dat gebouw werd in 1992 in gebruik genomen.
De rooms-katholieke kerk in Den Haag is geïnspireerd door kerken in Zuid-Europa, met reminiscenties aan een boven- en benedenkerk en werd ontworpen in samenspraak met de bekende Benedictijner monnik en architect Dom Hans van der Laan.
De kerk in Deventer is ontstaan in samenwerking met de gemeenschap in Deventer. Het bouwwerk ademt een andere sfeer dan die in Den Haag. Hier is de inspiratie de blauwe lucht en het water van de Molukken. Het heeft geen toren, wel pilaren die doen denken aan een Moluks dorpshuis op palen (baileo). Opvallend is het kunstwerk Flying Lines van Iene Ambar.

Iene Ambars Flying Lines

Iene Ambar kwam in 1972 uit Indonesië naar Europa (Duitsland) en woont en werkt thans in de Amsterdamse Jordaan. Het golvende lijnenspel dat zij voor de Maranathakerk in Deventer ontwierp, is uitgevoerd in parelmoer schelpen van de Molukken die zijn aangebracht op blauwe banen op de muren die van donker naar licht verlopen.
Hoewel de naam Iene Ambar bij het grote publiek niet zo bekend is, is zij een gerenommeerde en veelzijdige kunstenares. Verschillende musea hebben werk van haar in hun collectie. Zo is het Joods Historisch Museum in Amsterdam in het bezit van twee opvallende, in ijzer uitgevoerde chanoekia’s (negenarmige kandelaars) van haar hand.
De Maranathakerk en haar lijnenspel zijn tijdens de Open Monumentendag op zaterdag 14 september te bezichtigen. Ook de Pastoor van Arskerk in Den Haag is overigens geopend.

Open Monumentendag en Kunst op Stations

De slogan van de Open Monumentendag 2024 is: ‘Onderweg!’ Het gaat – zo lezen we op de website – ‘over de invloed die reizen, vervoer en communicatie hebben gehad en nog steeds hebben’ en ‘ook over plaatsen van aankomst en vertrek, over (reis)verhalen, emigratie, toerisme, ontdekkingsreizen en verbeelding, niet alleen toen, maar ook nu’.
Wat daar mooi op aansluit, is het tweede thema van deze special: Kunst op Stations. En laat nu ook Deventer deel uitmaken van dit in 2001 ontstane initiatief van de directies van NS en ProRail om een onafhankelijk adviserende orgaan op te richten: het Bureau Spoorbouwmeesters. Zij adviseren onder leiding van Spoorbouwmeester Marianne Loof over ontwerp en vormgeving van het spoor.

Het huidige station in Deventer is ontworpen door een vrij onbekende architect: Henri Menalda van Schouwenburg. Opvallend is dat de voorgevel asymmetrisch is met een hoger en een lager deel. In het hogere deel zit het eigenlijke station. Het lagere gedeelte is voor opslag en dergelijke. In tegenstelling tot de Maranathakerk in Deventer, heeft het station van de Hanzestad wél een toren; een kleine aan de zijgevel.

Dit zijn maar een paar voorbeelden als smaakmakers om eens te kijken of er binnen het Grootste Museum van Nederland, Open Monumentendag en/of Kunst op Stations wat te vinden is om te gaan bekijken. Al dan niet in relatie tot elkaar, zoals in het Groote Museum ARTIS de natuur wordt belicht.