Tag Archief van: museum

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Kunst / Expo binnenland

Steve McQueen: bevlogen en confronterend

recensie: Atlas - Steve McQueen
Bounty, 47 foto’s van bloemen op het eiland GrenadaJeanne van Rutten

Kunstenaar en filmmaker Steve McQueen (1969) verkreeg internationale faam door zijn met Oscars bekroonde speelfilm 12 Years a Slave. Voor Nederland geldt in het bijzonder zijn documentaire De bezette stad, een vier uur durende reis, gefilmd in een setting van hedendaagse straattaferelen over het oorlogsverleden van Amsterdam. Ook buiten de filmwereld geniet McQueen een grote erkenning. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke hedendaagse kunstenaars en ontvangt dit jaar de Erasmusprijs. In De Pont in Tilburg is momenteel Atlas, de eerste solotentoonstelling van McQueen in Nederland, te zien.

De tentoonstelling bestaat uit vier werken met elk een eigen verhaal: Bounty, Atlas, Untitled en Sunshine State. Het is aan te bevelen het daaraan voorafgaande videoportret van de kunstenaar, In His Own Words, te bekijken. Daarin vertelt McQueen wat zijn gedachten en overwegingen zijn bij de tentoongestelde werken. Het gaat namelijk niet alleen om wat waarneembaar is, maar vooral om de diepere en bredere betekenis.

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal. Foto: Jeanne van Rutten

Bounty (2024) is een verzameling van 47 door McQueen gemaakte kleurenfoto’s van tropische bloemen op het Caraïbische eiland Grenada. De foto’s hangen in een strakke horizontale lijn in een grote, hoge en verder lege zaal. Het zouden de illustraties kunnen zijn voor een fotoboek over exotische planten. De hibiscus is mooi als altijd, net zoals de orchideeën en de bougainville. Maar daar gaat het de kunstenaar niet om. De verzameling vormt de achtergrond van de dramatische en mensonterende geschiedenis van de Caraïben. Te beginnen met het vermoorden van de oorspronkelijke bewoners door de Spanjaarden. Gevolgd door scheepsladingen vol met Afrikaanse, zwarte gevangenen: mannen, vrouwen en kinderen om – als ze de overtocht al overleefden – tewerkgesteld te worden als slaven. De bloemen zullen ook gezien en geroken zijn door kolonisten, de overheersers, zoals Engelsen, Nederlanders en Fransen. Terwijl de tragedies elkaar opvolgden, bleef de natuur in al haar pracht bestaan.

Het eindeloze heelal

De installatie Atlas, genoemd naar de titaan die de wereld draagt, werd in opdracht van De Pont ontwikkeld. In een schemerachtige ruimte hangen vier monitoren. Op de schermen bewegen witte vierkanten in schijnbaar willekeurige patronen. McQueen vertelt dat hij bij de ontwikkeling van de installatie moest denken aan de grove pixels van de eerste computergames. De bewegingen op het scherm zijn echter geen game, maar de bewegingen in de kosmos. Om deze in beeld te brengen, is gebruikgemaakt van de data die verzameld zijn door de GAIA-ruimtesonde van de European Space Agency. De sonde legt continu de positie, beweging en helderheid van meer dan een miljard sterren vast. De kunstenaar wil de bezoeker niet belasten met de verwerking van de eindeloze hoeveelheid data, maar met wat het zichtbaar oplevert, namelijk de gewaarwording dat het heelal continu en oneindig in beweging is. Het kan bijvoorbeeld de verwondering opleveren dat het licht van al lang uitgedoofde sterren de aarde nog steeds bereikt. En de vraag of de mens, in de hier ervaren nietigheid van zichzelf, het heelal ooit zal kunnen doorgronden.

Een duister geluid

Sunshine State, blackface – scene

Sunshine State. Foto: Jeanne van Rutten

Het is bijna een claustrofobische ervaring om door een donker gangetje naar een donkere ruimte te lopen. Er is, nadat je ogen enigszins zijn gewend aan het donker, ook nog eens niets te zien. Wel te horen. Een minutenlang ongemakkelijk, hard geluid. Untitled is wat je hoort als iemand verbeten op een boksbal mept. Je hoort hoe de bokshandschoenen op het leer afketsen en het gehijg en gekreun van de bokser. De kunstenaar geeft geen andere betekenis aan de installatie dan dat de bezoeker de confrontatie aangaat met wat het met je doet. Zoals dat het een volledig, onbeheerste uiting van agressie zou kunnen zijn. Om angstig van te worden. Maar het kan natuurlijk ook onmacht zijn die even onbeheerst wordt afgereageerd. Ook iets wat niet geruststelt. Het ligt in ieder geval niet voor de hand te denken dat het hier een bokser betreft die aan het trainen is.

Niet zo zonnig

De vader van McQueen werd geboren op Grenada en vertrok in de jaren vijftig als seizoensarbeider naar Florida om sinaasappels te plukken. Pas aan het eind van zijn leven vertelde hij aan zijn zoon hoe hij een racistisch geweldsincident bijna met de dood moest bekopen. Het leverde hem een levenslang trauma op. De kunstenaar was geschokt, zijn vader had er altijd over gezwegen. Met Sunshine State worden het racisme, de stereotypering en de geschiedenis van zijn vader verbeeld. McQueen zegt in In His Own Words dat hij er jaren over heeft gedaan de filmrechten van The Jazz Singer, de eerste gesproken film met Al Jolson in de hoofdrol, te verwerven. Dat lukte niet. Toen de rechten vrijkwamen door verjaring, kon de kunstenaar zijn idee eindelijk verder uitwerken. Al Jolson trad op met een blackface; theaters waren voor zwarte artiesten verboden terrein. In de beelden die nu te zien zijn, wordt de huid van Al Jolson onzichtbaar als hij zich schminkt, tot iemand die niet bestaat. De commentaarstem verhaalt over de vader van McQueen. De film wordt op twee schermen vertoond, dezelfde scènes, fragmentarisch, de een net even wat anders dan de ander. In zwart-wit en in negatief. Door herhalingen wordt het verhaal extra kracht bijgezet. Verder zijn er beelden van een allesverzengende zon en hoe verschroeiend deze kan werken.

Verwondering

McQueen zegt verwonderd te zijn dat typisch Amerikaanse symbolen zoals Al Jolson, Mickey Mouse en Michael Jackson alle drie zwart-witte handschoenen dragen. Hij is er nog niet uit. Een opmerking die laat zien dat er veel is wat hem bezighoudt, en dat is precies wat deze tentoonstelling duidelijk maakt. Het is fascinerend zijn denkproces te volgen en te ontdekken hoe dit heeft geleid tot het tentoongestelde werk.

Kunst / Expo binnenland

Voor- en achteruit

recensie: Toen ik de zon en de maan tegelijk zag - Tina Farifteh
Tina Farifteh - Toen ik de zon en de maan tegelijk zagTina Farifteh

In de installatie Toen ik de zon en de maan tegelijk zag rijdt een personenauto op een donker landweggetje dan weer vooruit en dan weer achteruit. De auto is als een januskop die beurtelings voor- en dan weer achterwaarts kijkt. Net als het leven van de Iraans-Nederlandse kunstenares Tina Farifteh. Zij maakte deze installatie die is aangekocht door en valt te zien in het Fries Museum in Leeuwarden.

De installatie met video en lichtkunst van Tina Farifteh is een gecomprimeerde (24 minuten durende) versie van oorspronkelijk een etmaal lange reis (24 uur en 24 minuten) langs de Friese zeedijk, waar de horizon de enige grens is. Oorspronkelijk werd Toen ik de zon en de maan tegelijk zag in samenwerking met Prospektor gemaakt voor BredaPhoto.

Tina Farifteh, installatieoverzichten van Toen ik de zon en de maan tegelijk zag, 2024. In samenwerking met Studio Boris Acket. Met dank aan BredaPhoto, Mondriaan Fonds, Stichting Oog op de Natuur, Stichting Forhanna en Amarte Fonds. Collectie Fries Museum, aangekocht met steun van Provincie Fryslân en het Mondriaan Fonds. © 2025 Prospektor. Foto's: Ruben van Vliet.

Tina Farifteh. Collectie Fries Museum © 2025 Prospektor. Foto: Ruben van Vliet.

Het achteruitrijden van de auto staat symbool voor niet meer terug kunnen naar Fariftehs geboortegrond, naar een land in oorlog. En het vooruitrijden voor vooruitkijken, voor haar integratie in Sexbierum (Friesland). Hierover gaat ook de schitterende, driedelige televisiedocumentaire Tina in Sexbierum. De zon en de maan staan symbool voor de warme Oriënt en het killere Westen.

De titel doet denken aan die van de debuutroman van de Surinaamse schrijver Xillan Macrooy: Mensen als zonnen en mensen als manen (uitg. Blauw Gras). Het is al met al een hoopvolle titel: er is voor Farifteh weliswaar een deur dichtgeslagen, maar een raam met een uitzicht opengegaan waardoor zowel de zon als de maan vallen te zien.

Inzoomen en uitzoomen

De kunstenares wordt in 1982 in Teheran geboren en woont vanaf haar dertiende in het kader van gezinshereniging in Nederland. Ze studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar ze in 2021 afstudeert in fotografie. Sindsdien wint ze met haar foto’s en films vele prijzen, waaronder de Zilveren Camera in de categorie Storytelling (2024). Farifteh strijkt in Sexbierum neer nadat ze de huur in Amsterdam niet meer op kan brengen.

Tina Farifteh - Toen ik de zon en de maan tegelijk zag

Foto: Aron Weidenaar.

De installatie vertoont in zekere zin gelijkenissen met de film die ze in het kader van Document Nederland maakte en die in het Amsterdamse Rijksmuseum (2025) te zien was, maar de twee verschillen wezenlijk van elkaar. Waar het in Document Nederland over ‘ons’ gaat – over hoe wij ons verhouden tot vluchteling B. die vastzit op Schiphol – vertrekt deze installatie bij Farifteh zelf en bij haar komst naar en integratieproces in Sexbierum. De film voor Document Nederland wil onderzoeken (een woord dat Farifteh zelf ook gebruikt in een interview in het televisieprogramma Buitenhof), waar haar installatie juist emoties en ideeën wil overbrengen.

Emoties en ideeën over de (on)mogelijkheid om je in te leven in de pijn van een ander en er voor elkaar te zijn. Over samenleven zonder de verschillen glad te strijken. De documentaire Document Nederland zoomt in (zelfs letterlijk: louter op de ogen van B.), de installatie zoomt uit. Over de Friese akkers, modder, smalle weggetjes, wolkenluchten en de zee.

Het verhaal van ontheemding en onthechting van Farifteh (maar ook van vluchteling B.) zoomt tevens uit in de zin dat het universeel is en eigenlijk door iedereen zou moeten worden gezien en gehoord. Juist nu. De muziek van Eddy Steeneken, Freedom van Homayoun Shajarian & Seventh Soul, en Tehran van Roody sluiten naadloos op het verhaal en de beelden aan. Ze gaan niet samen, maar blijven in hun eigenheid staan. Zo zou het moeten zijn.

Tina Farifteh

Foto: Tina Farifteh.

Kunst / Expo binnenland

Jan Toorop, een bezield kunstenaar

recensie: De werelden van Jan Toorop
Jan Toorop - Zelfportret met rode baret (1881)Jeanne van Rutten

De term slaoliestijl, de platte benaming voor art nouveau, is onlosmakelijk verbonden met Jan Toorop (1858–1928). Dit vanwege het door hem gemaakte affiche in opdracht van de Nederlandse Oliefabriek ter promotie van Delftsche Slaolie in 1894. Dit werk van Toorop is weliswaar het meest algemeen bekend, maar doet hem geen recht. De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop in Singer Laren laat zien hoe veelzijdig en vooruitstrevend de kunstenaar was. Hij werd in zijn tijd in Nederland gezien als de meest geavanceerde kunstenaar en bouwde internationale faam op.

Jan Toorop werd geboren op Java en op tienjarige leeftijd voor zijn opleiding naar Nederland gestuurd. Hij zou zijn ouders en geboorteland niet meer terugzien. Dat klinkt wrang. Zijn verbondenheid met Indië liet hem echter niet los. Hij omarmde zijn Javaanse en Chinese achtergrond. Op zijn vroegst bekende zelfportretten in olieverf en aquarellen met taferelen uit het toenmalige Indië zijn batik Javaanse gewaden te zien. Ze laten ook zien hoe getalenteerd Toorop al op jonge leeftijd was. Zijn Zelfportret met rode baret uit 1881 en het zelfportret in zijn atelier uit 1883 tonen een indringend kijkende, zelfbewuste jongeman. Iemand die weet wat hij wil.

Aanvankelijk studeerde Toorop na de lagere school en HBS aan de Polytechnische School in Delft. Hij maakte een overstap naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, maar koos vervolgens al snel voor de Académie Royale des Beaux-Arts in Brussel. Hier maakte hij kennis met de vernieuwingen in de schilderkunst.

Vernieuwingen

Op de academie in Brussel ervoer Toorop de heersende doctrine als te beperkend. Hij ging eropuit om zich verder te ontwikkelen en sloot zich aan bij Les XX (Les Vingt), een groep van twintig vernieuwingsgezinde kunstenaars die in opstand kwam tegen de traditionele kunstbeoefening van die tijd. Via hen leerde Toorop het werk kennen van onder andere Henri de Toulouse-Lautrec, Auguste Rodin, Paul Cézanne, Georges Seurat en Vincent van Gogh.

Van Gogh liet zijn invloed op de kunstenaar gelden. In 1891 schilderde Toorop Vloed, een visser die zijn boot door een ruwe zee aan wal trekt. De kleurkeuze en de stijl tonen onmiskenbaar de invloed van de destijds verguisde schilder. Toorop organiseerde in 1892 bij de Haagse Kunstkring met 91 schilderijen de eerste, spraakmakende overzichtstentoonstelling van Van Gogh. Het werd het keerpunt voor diens erkenning.

Jan Toorop - Le Marronnier (1888)

Jan Toorop – Le Marronnier (1889)

Onder de indruk van het werk van Seurat legde Toorop zich toe op het pointillisme. Niet fijnmazig zoals Seurat, maar in stippen en strepen van verschillende grootte en dikte. Le Marronnier (1889) toont een vredig landschap met een kastanjeboom langs een brede vaart. Opvallend is het gebruik van de kleur roze in een landschap dat in werkelijkheid niet roze is.

Ook liet Toorop zich inspireren om met een paletmes te werken in plaats van de schilderskwast. Een techniek die bij uitstek geschikt is om de beweeglijkheid van de zee uit te beelden. Dat blijkt met Brisants de la mer du Nord (De branding van de Noordzee) uit 1888. De grijze, hoog opzwepende golven met schuimkoppen zijn herkenbaar: dat is de Noordzee.

De tentoonstelling getuigt ervan dat Toorop experimenteerde met veel technieken en stijlen. Hij maakte werk in olieverf en tekende met houtskool, krijt en potlood. Ook de onderwerpkeuze waaiert breed uiteen. Zijn sociaal engagement blijkt uit zijn sombere tekeningen en schilderijen over armoede. Er zijn romantisch ogende taferelen met vrouwenfiguren in pasteltinten. En hij ontwierp tegeltableaus, reclames, boekomslagen en gebrandschilderde ramen.

Symbolisme en katholicisme

Jan Toorop - De Sphinx (1892-1897)

Jan Toorop – De Sphinx (1892-1897)

Uiteindelijk legde Toorop zich toe op het symbolisme vanuit zijn verbondenheid met het spirituele en mystieke en ontwikkelde zijn eigen stijl. Met de herinneringen aan zijn jeugd hield hij zich onder andere bezig met verschijningen van geesten, morbiditeit en symbolen. De Sphinx (1892-1897, hij heeft er vijf jaar aan gewerkt) is uitgevoerd in krijt en potlood en laat een minimaal gebruik van kleur zien. De figuren met langgerekte armen en een typische stand van de handen lijken te refereren aan wajangpoppen. Kenmerkend voor het symbolisme is het horizontale en verticale lijnenspel. Op de tentoonstelling zijn meerdere voorbeelden van dergelijk, fantasierijk werk van hem te zien. Het doet fantasierijk aan.

Het symbolisme bereikte zijn hoogtepunt tijdens het fin de siècle, de periode tussen het einde van de negentiende eeuw (ongeveer 1890) en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Toorop vestigde in deze periode zijn naam als de meest moderne Nederlandse kunstenaar. Zijn werk maakte een overrompelende indruk. Toorop exposeerde in het buitenland, tot aan New York, en bij de Wiener Secession. De Wiener Secession, met als een van de grondleggers Gustav Klimt, was een kunstenaarsvereniging die zich, net zoals Les XX en de Haagse Kunstkring, verzette tegen academisch conservatisme. Toorop wordt gezien als van cruciale invloed op Klimt. Klimts werk verwijst er zonder enige twijfel naar.

Jan Toorop - De Pelgrim (1921)

Jan Toorop – De Pelgrim (1921)

Een groeiende interesse voor het katholicisme maakte dat Toorop sterk gelovig werd en zich liet dopen. Daarmee deden de religie en haar symboliek entree in zijn werk. De tekening De Pelgrim (1921) in krijt en houtskool is indrukwekkend. Niet alleen vanwege de grootte, maar ook door de krachtige lijnen waarmee de bedevaartganger is getekend. In dit verband is het pièce de résistance van de tentoonstelling zijn kruiswegstaties, een indringende verbeelding van de lijdensweg van Jezus Christus in veertien tekeningen.

Domburg

Toorop bracht menig zomer vele maanden door in Domburg, aangetrokken door de charme van het dorp en wat het ‘Zeeuwse licht’ wordt genoemd. Het kan niet onvermeld blijven dat hij oprichter en drijvende kracht was van de kunstenaarskolonie die daar resideerde. In diens voetspoor, onder de indruk en invloed van het werk van Toorop, kwamen ook Piet Mondriaan en Jan Sluijters naar Domburg. Zo hebben ze elkaar ontmoet.

Ten slotte

De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop heeft veel te bieden. Het is al met al een imponerend overzicht van hoe gedreven de schilder was in het zich losmaken van de traditionele kunstbeoefening en welke weg hij heeft afgelegd om een eigen stijl te ontwikkelen. Naast het werk van Toorop is ook werk te zien van kunstenaars die hem beïnvloedden en die hij op zijn beurt beïnvloedde. In de catalogus van de tentoonstelling staan verdere voorbeelden. In de bijbehorende tekst wordt nauwkeurig het leven van de kunstenaar en diens ontwikkeling beschreven.

Kunst / Expo binnenland

Spel van lijnen en cirkels

recensie: De weg van het Penseel op papier en linnen – Anneke Schat
01 OnrustvlindersE*D.SIGN (Ester van Leuveren)

In de informatieve krant bij de tentoonstelling De weg van het Penseel op papier en linnen van Anneke Schat (1942-2024) in Museum Lunteren lezen we ‘dat Anneke zowel links- als rechtshandig’ was. Dat verklaart veel.

04 Vlinderen voor de Stèle

Anneke Schat, Vlinderen voor de Stèle

Neem het evenwicht in haar oeuvre: edelsmeedkunst, werk in staal en op papier of linnen. Evenwicht tussen gevoel en ratio, lege vlakken en zwarte inkt, orde en regelmaat. Telkens uitgaand van vormen uit de natuur. Op de grens van realisme en abstractie, met de nadruk op het laatste. Voorbeelden van zulke grenswerken zijn Monkeys on a string (1989), Heimwee naar het regenwoud (1996) en de vele vlinders. Leuk is dat kinderen op de tentoonstelling worden uitgenodigd om met vlindervormen aan de slag te gaan.

Anneke Schat-Portegijs

Anneke Schat is vooral als edelsmid bekend geworden, waarbij ze (nog zo’n kenmerk) van buiten naar binnen werkte, wat volgens een bijschrift staat voor optimisme. Net als het gebruik van de kleur geel.

Anneke Schat werd in 1942 in Amsterdam geboren. Zij kreeg haar opleiding aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (thans Gerrit Rietveld Academie). Hier volgde ze lessen bij Karel Niehorster (edelsmid) en Carel Kneulman (beeldhouwer). Deze opleiding rondde ze in 1964 af. In 1976 kwam zij op het spoor van de Japanse kalligrafie en nam les bij sensei (leraar) Hideko Satori (Tokio).
In 1980 verhuisde Schat naar het Gelderse Ede, pal bij Lunteren. Daar bereidde ze tal van tentoonstellingen voor, zoals in Laren, Amstelveen en Den Haag. In 2024 overleed zij.

05 Schaatsen in het regenwoud

Anneke Schat, Schaatsen in het regenwoud

Museum Lunteren

Op de benedenverdieping van de nieuwe vleugel van Museum Lunteren en in de Schatzaal op de eerste verdieping is haar werk te zien. Beneden zijn in twee vitrines onder meer zilveren miniaturen geëxposeerd. Boven onder andere foto’s van sieraden en van de Gouden Televizier-Ringen, die zij van 1975 tot 2020 ontwierp. In 2020 kwam zij tot een standaardvorm die bestaat uit drie delen van een cirkel, waarvan er eentje naar buiten keert.

Het accent van deze expositie ligt echter op Schats studie van de Japanse kalligrafie, inclusief enkele voorstudies voor haar werk op papier en linnen (Penseelstreken voor de Piramidaal, 1984). Ze werkte bijvoorbeeld met Chinese inkt (Samengebalde energie/Zon, wind en water, 2000), op Oeigoers Daphne-papier en met Schmincke-pigment.

03 Wilde cirkel

Anneke Schat, Wilde cirkel

Eigen beeldtaal en verwantschappen

In al haar kunst heeft zij een prachtige, herkenbare eigen beeldtaal ontwikkeld. Soms vermoed je een zekere verwantschap met het werk van bijvoorbeeld Sam Middleton (1927-2015) en Robert Zandvliet (1970). Middleton maakte net als Schat (Onrustige vlinder, 1991 en Zandoogjes, 1991) veelvuldig gebruik van cirkels. Middleton heeft overigens ook in Japan gewoond en daar ongetwijfeld kennisgemaakt met de Japanse kalligrafie die Schat zo boeide.
De kunstenares heeft met Zandvliet de verfstreektechniek en kleurschakeringen gemeen, onder meer in enkele grotere werken (120 x 100 cm) die in Lunteren worden getoond.

De eerdergenoemde krant bij deze expositie spreekt van ‘een unieke tentoonstelling (internationale allure)’. Los van het wat ronkende taalgebruik is het zeker een expositie die een tripje naar het Gelderse Lunteren meer dan de moeite waard maakt.

Kunst / Expo binnenland

Art She Crafted: tentoonstelling van vergeten vrouwen verdient een vervolg

recensie: Art She Crafted - Wereldmuseum Rotterdam
Vaas Shipibo gemeenschap Peru - Art She Crafted RotterdamTessa Vallinga

Bij binnenkomst in Art She Crafted in het Wereldmuseum Rotterdam is er geen inleiding in woorden, maar in aantallen. Op een curvevormige wand verschijnen in snel tempo portretten van vrouwen. Elke paar seconden een nieuw gezicht, een nieuwe naam. Kunstenares Frida Kahlo (1907-1954) komt voorbij, maar ook Susanna Groeneweg (1875-1940) – het eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer – en de Egyptische farao Hatsjepsoet (ca. 1507-1458 v.Chr.). Het tempo ligt te hoog om ze allemaal te onthouden. En dat is precies de boodschap: dit zijn er al veel, maar het zijn er nog veel meer.

Via een QR-code ontvouwt zich een digitaal archief met korte biografieën van vrouwen van invloed op kunst en cultuur. Niet altijd als maker, maar ook als opdrachtgever, beschermer, handelaar of kennisdrager. Dankzij hun positie binnen politiek, religie of economie konden zij artistieke productie mogelijk maken en vormgeven. Dat veel van deze namen nauwelijks bekend zijn, is geen toeval, maar het gevolg van hoe geschiedenis is opgeschreven. Die geschiedschrijving, zo maakt Art She Crafted duidelijk, kreeg in de negentiende eeuw vaste vorm. In die periode werd het idee van het mannelijke ‘genie’ gecanoniseerd. Vrouwen verdwenen uit beeld of werden gereduceerd tot rollen: muze, moeder, heilige of ‘vrouw van’. Niet omdat zij geen invloed hadden, maar omdat hun invloed niet paste binnen het dominante narratief. De tentoonstelling positioneert zich nadrukkelijk als correctie op die vertekening, en geeft belangrijke vrouwelijke makers van vandaag de dag een plek in de spotlight.

Vrouwen geven visuele kennis door

De ruimtelijke vormgeving ondersteunt dat streven. Je beweegt je door een soort zachte tunnel, waarin vitrages de wanden vormen en de chronologie bewust losgelaten is. Er zijn slechts twee globale categorieën: ‘Vrouwen uit de geschiedenis’ en ‘Vrouwen van nu’. Binnen die indeling lopen tijd, plaats en discipline door elkaar. Een geografische of hiërarchische ordening ontbreekt, en dat is een kracht. De vormgeving voorkomt zo de totstandkoming van een nieuwe canon en benadrukt verbanden over tijd en cultuur heen.

Zo vertelt een beschilderde aardewerken vaas uit de Shipibo-Conibo-cultuur in Peru over de centrale rol van vrouwen in het doorgeven van visuele kennis binnen gemeenschappen. Even verderop tonen videowerken van de Iraans-Amerikaanse kunstenaar Shirin Neshat hoe fotografie en kalligrafie kunnen worden ingezet om de positie van vrouwen in Iran te bevragen. De kunstwerken in de tentoonstelling staan niet in dienst van een lineair verhaal, maar resoneren thematisch met elkaar.

Ook anonieme objecten krijgen nadrukkelijk ruimte. Een Chileense arpillera, een textielcollage gemaakt van reststoffen, toont het dagelijkse leven onder de dictatuur van Augusto Pinochet. Armoede en onderdrukking zijn zichtbaar in huiselijke scènes. Het werk is niet gesigneerd, waarschijnlijk omdat het in het geheim werd vervaardigd. Juist die anonimiteit onderstreept de politieke lading ervan. Maaksterschap wordt hier niet opgevat als individuele roem, maar als noodzaak.

Vrouwelijke makers waren geen uitzondering

De tentoonstelling kaart halverwege een breder historisch kantelpunt aan. De late negentiende en vroege twintigste eeuw brengen wereldwijd nieuwe mogelijkheden door industrialisatie, fotografie, design en mode. Vrouwen treden zichtbaarder naar voren en claimen ruimte binnen disciplines die tot dan toe als ‘toegepast’ of ondergeschikt werden gezien. De Italiaans-Franse modeontwerper Elsa Schiaparelli is daarvan een bekend voorbeeld. Haar werk laat zien hoe mode zich kon ontwikkelen tot een volwaardige avant-gardistische kunstvorm. Tegelijkertijd maakt de tentoonstelling duidelijk dat zij geen uitzondering was, maar onderdeel van een bredere beweging vrouwelijke makers.

Een nieuwe renaissance

In de laatste zaal, uitgevoerd in warm okergeel, verschuift de focus naar hedendaagse makers. Werk van gevestigde namen, zoals de Iers-Britse ontwerper Simone Rocha, wordt getoond naast dat van jongere of minder institutioneel verankerde kunstenaars, zoals de Palestijnse schilder Malak Mattar, die haar werk onder meer via Etsy verkoopt. Het contrast is groot, maar niet ongemakkelijk. Het benadrukt dat zichtbaarheid, marktwaarde en artistieke relevantie niet samenvallen. De tentoonstelling concludeert dat deze vrouwen aan de vooravond staan van een nieuwe renaissance. Een waarin collectiviteit, ambacht en culturele uitwisseling centraal staan.

Art She Crafted eindigt met de stelling dat vrouwelijke invloed geen uitzondering was, maar een constante kracht in de vorming van kunst en cultuur. Die conclusie wordt overtuigend onderbouwd, zonder te vervallen in simplificatie of activistische retoriek. Het enige echte bezwaar tegen de tentoonstelling is haar omvang. De verhalen zijn rijk, de objecten gelaagd, maar de context blijft soms noodgedwongen beknopt. Juist daardoor wekt de tentoonstelling de wens naar meer verdieping. En dat is, in dit geval, een teken van succes.

Kunst / Expo binnenland

Pracht, praal en propaganda

recensie: Remco Beckers - Bourgondiërs in Limburg
Campagnebeeld basis liggend zonder© Limburgs Museum

Drie hertogen, drie karakters, één tentoonstelling. De expositie Bourgondiërs in Limburg in het Limburgs Museum in Venlo draait om ‘pracht, praal en propaganda’ – zoals een tekst in de eerste nis stelt. Of, volgens een reclamespotje op radio en tv, om ‘intrige, macht en feesten’. Daar lusten veel mensen wel pap van, blijkt uit de rijen voor de kassa’s.

Die pracht, praal en propaganda slaan op Filips de Goede (1396-1467). Hij is de eerste van de drie hertogen die voorbijkomen: Filips de Goede, Karel de Stoute (1433-1477) en Maria de Rijke (1457-1482).

Gordijn om nis – © Limburgs Museum

Filips de Goede en zijn Banket van de Fazant

Van Filips de Goede hangt er een portret naar Rogier Van der Weyden. Daaronder ligt een vliesketting van prinses Beatrix. Filips de Goede was namelijk de stichter van de Orde van het Gulden Vlies. Prinses Beatrix werd in 1985 tijdens een staatsbezoek aan Spanje met deze orde onderscheiden.

Opvallend is een gordijn om een van de volgende nissen. Het gordijn is duidelijk geïnspireerd op zo’n vliesketting en munten uit de Bourgondische tijd. Complimenten voor Lies Willers, de ontwerper van de tentoonstelling. Hetzelfde geldt voor het grafisch ontwerp van Studio Berry Stok en de props van Sindy Buissink op de bankettafel.

Het gordijn hangt om de tafel die het beroemde Banket van de Fazant (1454) in Lille verbeeldt. Er liggen bijvoorbeeld wafels op, maar dan zonder het wapen van Filips de Goede zoals hij het graag zag. Om de hoek hangt zo’n wafelijzer met zijn wapen.

Reliekhouder Karel de Stoute – © Trésor de Liège

Karel de Stoute: tussen harnas en reliek

Na Filips de Goede komt krijgsheer Karel de Stoute aan de macht. Niet voor niets is er een zaal met harnassen en wapenborden om dit te benadrukken. Ook hangt er van hem een portret (ca. 1500), mét Gulden Vliesketting.

Maar Karel de Stoute was behalve krijgslustig ook vroom. Voor het eerst in Nederland is hier een reliekhouder (1467-1471) van hem te zien, gemaakt door Gérard Loyet. Deze houder met St. Lambertus is fraai uitgelicht in een donkere nis met banken. Daarop kun je als bezoeker gaan zitten om de uitvoerige audiotour te beluisteren.

Maria de Rijke en de Limburgse identiteit

Het laatste deel van de tentoonstelling is erg boeiend. Daarin staat Maria de Rijke centraal. Zij was, in tegenstelling tot haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk, geliefd bij het volk. Haar verhaal is kort, want ze overleed al op 25-jarige leeftijd. Al is ze opgenomen in de Canon van Nederland, mede omdat ze na Karel de Stoute door het zogenaamde Groot Privilege de rust deed weerkeren. Zo legde ze de basis voor de Nederlandse staatsinrichting. Maximiliaan schafte overigens na haar dood het Groot Privilege weer af.

Maria van Bourgondië, Niklas Reiser, ca 1500, Kunsthistorisches Museum Wien, Gemäldegalerie – © KHM-Museumsverband

Maar de aandacht in deze zaal gaat vooral uit naar de zoektocht naar een eigen ‘Limburgse identiteit’ in de schone kunsten. Een van de interessantste onderdelen van de door Remco Beckers samengestelde expositie. In wezen gaat het om een mix van Brabantse, Gelderse en Luikse invloeden. Die uiten zich in gedrongen figuren, ovale gezichten en gestileerd haar. De voorbeelden die worden getoond, zoals De boom van Jesse (ca. 1500), laten dit duidelijk zien.

Bart Van Loo heeft het er in zijn boek Stoute schoenen al over dat de wieg van de Nederlandse schilderkunst in Gelre stond (Nijmegen met de gebroeders Van Lymborch). Dit breidde zich uit naar Zutphen, de Veluwe, Noord- en Midden-Limburg (Roermond) en naar wat later het hertogdom Kleef werd. Van Loo is met zijn boeken over de Bourgondiërs de grote inspiratiebron voor deze tentoonstelling.

In diezelfde zaal komt ook de positie van vrouwen aan bod, een thema dat na de vroege dood van Maria de Rijke (1482) aan het eind van de Bourgondische tijd meer aandacht kreeg. De tentoonstelling besteedt onder meer aandacht aan de begijnen en het dagelijks leven. Want dat was er na(ast) alle pracht, praal en propaganda natuurlijk ook. Ook in Bourgondisch Limburg.

Een grote, evenwichtig samengestelde tentoonstelling met topstukken die de Bourgondische tijd tot leven brengen – sommige voor het eerst in Nederland te zien.

Kunst / Expo binnenland

Dialoog tussen twee meesters

recensie: Eugène Brands en Gabriel Lester - Mysterious Universe
VBVD-MysteriousUniverse-Zaaloverzicht-DSC06873© Arabella Coebergh

In het boekje bij Mysterious Universe, samengesteld door Eliane Odding voor museum van Bommel van Dam in Venlo, staan drie woorden waar alles om draait: leegte, stilte en verwondering. Precies die begrippen vormen ook de kern van het werk van Eugène Brands (1913-2002), geëxposeerd in een prachtige zetting van Gabriel Lester (1972), die soms aan het hemelgewelf doet denken.

Dat idee wordt bevestigd in de twee filmportretten over beide kunstenaars, die aan het begin worden vertoond. Lester zorgt ervoor dat de gouaches, schilderijen, tekeningen, collages en assemblages van Brands optimaal tot hun recht komen – op een fraaie, originele manier. In één zaal hangen de kunstwerken zelfs los in de ruimte.

Leegte/ruimte

Het woord ‘leegte’ laat zich ook vertalen als ‘ruimte’: zowel in de titel van de tentoonstelling (ontleend aan enkele gouaches van Brands uit een privécollectie) als de ruimte waarnaar Lester in het filmportret van Simone de Vries (Hollandse meesters in de 21e eeuw) zegt te zoeken.

Beiden willen voorbij de concrete, materiële wereld denken. Daarom zijn de verfstreken van Brands ook zo (ver)dun(d) opgebracht – luchtig en immaterieel. Hij werkt lang niet altijd met contouren, Zelfportret (1994) daargelaten. De kleuren zijn meestal teer, met uitzondering van de rode accenten op bijvoorbeeld Red Sock: Mankind Surrounded by the Deep Darkness of the Universe (1996), of in een rood servet of een rode deksel op een van zijn collages en assemblages.

Stilte

Vallende maan – © Minted Media

Met name in de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen Eugène Brands in Zandvoort woonde, komt de stilte van de omgeving van de duinen en de zee duidelijk tot uitdrukking in zijn werk. Hij keerde zich dan ook al snel af van de kunst van de CoBrA-beweging, waartoe hij in 1949 wordt gerekend, na een door Willem Sandberg georganiseerde groepstentoonstelling met Appel, Constant en Corneille in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Brands richtte zich liever op de schilderijen van Paul Klee en Marc Chagall. Op Vallende maan (1951) zien we bijvoorbeeld de voor Klee zo kenmerkende pijl terug. Het enige wat nog aan CoBrA doet denken, is de invloed van kindertekeningen, tot in het Huis bij nacht II (1994) aan toe. Brands werkte toen in een atelier aan de grens van Nunspeet. Het Noord-Veluws Museum organiseerde overigens in 2023 ook een grote tentoonstelling met werk van Brands.

Verwondering

Meeting – © Minted Media

Voor zowel Brands als Lester is de ruimte, het universum, een mysterie. De letter M op een gouache uit 1973 verwijst daarnaar: mysterie, magie, materie, Melkweg. Het museum in Venlo verwacht dat dit thema anno 2025 veel bezoekers zal aanspreken, ook jongeren. Hoe dan ook: de expositie is een totaalervaring die vooral op gevoelsniveau raakt. Of, zoals een vrijwilligster bij de ingang zegt: ‘Het is niet wetenschappelijk!’ Nee – twee meesters gaan hier op poëtische wijze met elkaar in gesprek, zoals de twee figuurtjes onder een boom in het maanlicht op Brands’ Meeting (1954). Voeg je als bezoeker bij dat gesprek en verwonder je. In stilte.

Kunst / Expo binnenland

Een getalenteerd gezin in de zeventiende eeuw

recensie: Museum de Fundatie - Thuis bij Ter Borch
Moses ter Borch als tweejarig kind – Gesina ter Borch, ca. 1667Jeanne van Rutten

Gerard ter Borch de Oude was kunstenaar totdat hij ging trouwen en de verantwoordelijkheid kreeg zijn gezin te onderhouden. Hij veranderde rigoureus van beroep en werd een goed beloonde belastingfunctionaris. Ter Borch gaf vervolgens les aan vijf van zijn meest getalenteerde kinderen: Gerard, Anna, Gesina, Harmen en Moses. De tentoonstelling Thuis bij Ter Borch in Museum de Fundatie in Zwolle toont het veelzijdige en indrukwekkende resultaat.

Dat de kinderen Ter Borch talent hadden, blijkt al op jonge leeftijd. Er is een pentekening van Gerard de Jonge – de oudste zoon – die hij op zevenjarige leeftijd maakte: een paard met ruiter op de rug gezien. Harmen is negen jaar als hij een rij van negen mannen en vrouwen afbeeldt die met een stevige storm worstelen. Ze leunen tegen de wind of worden erdoor voortgedreven, de mantels en rokken wapperen alle kanten op. Het getuigt van een scherp observatievermogen en het vermogen dit realistisch op papier te krijgen. En Moses is pas vijftien als hij met rood krijt een aantal jonge mannen tekent. De gezichten, de plooien in de kleding, de schaduwwerking: het maakt indruk.

Alles wat los en vast zit

De kinderen trokken eropuit in Zwolle en omgeving, toen een woelige stad die van kwesties aan elkaar hing: pestepidemieën, de Tachtigjarige Oorlog en religieuze twisten die hoog opliepen. De variëteit aan onderwerpen blijkt groot. De kinderen tekenden zo ongeveer alles wat er te zien was, zoals werklieden, ijstaferelen, soldaten, mensen die hun behoefte op straat doen, spelende kinderen en taferelen op het platteland. Verder maakten ze portretten van zichzelf en elkaar. Werkten samen. Kopieerden elkaars werk. En legden het huiselijk leven vast. Het lijkt een gelukkig gezin.

Kind tekenend of schrijvend – Harmen ter Borch, 1649. Foto: Jeanne van Rutten.

De schetsen en tekeningen zijn bescheiden tot zeer bescheiden van formaat. Het nodigt uit tot aandachtige bestudering. En wat daarbij vooral opvalt – naast het talent – zijn de ernst en het enthousiasme.

Gesina ter Borch

Het is aan Gesina ter Borch te danken dat de familiecollectie, bestaande uit albums, schetsboeken, documenten en bijna zevenhonderd losse tekeningen, in stand bleef. De verzameling werd in de familie doorgegeven totdat het Rijksmuseum deze in 1886 aankocht.
Het werk van Gesina is qua sfeer en techniek te onderscheiden van dat van haar broers. Ze schilderde met name aquarellen in heldere kleuren. Opvallend hoe fris die nog zijn. In een vitrine ligt haar poëzieboek opengeslagen; te lezen is een gedicht met onderaan de pagina een afbeelding ter illustratie, een herder die voor een herderin knielt. Het is een kloek boek. Het overige werk dat van haar te zien is, getuigt onder andere van fantasie en een zekere hang naar idyllische taferelen. Ook zijn er portretten ter nagedachtenis aan haar jongere broer Moses. Hij werd marinier en stierf in 1667 aan zijn verwondingen tijdens de beruchte Tocht naar Chatham. Moses werd tweeëntwintig jaar, toen Gesina inmiddels zesendertig was.
Gesina poseerde overigens regelmatig voor haar broer Gerard en is hier in Zwolle op diverse schilderijen te zien.

Gerard ter Borch de Jonge

Uiteindelijk is het de oudste zoon die in de voetsporen van zijn vader trad. Al vroeg maakte hij een reeks stadsgezichten van Zwolle en legde de verdedigingswerken vast: de stadsmuren, poorten en bolwerken. Het werk is nu een belangrijke referentie voor restauratiewerkzaamheden in de stad. Nogal wat anders dan de romantiek van de ruïnes zoals zijn vader die in Rome verbeeldde, een werk dat ook te zien is.
Gerard ter Borch de Jonge heeft grote faam verworven in binnen- en buitenland. Hij werd bekend door onder andere genrestukken, portretten en het huiselijk leven van de gegoede burgerij. Zijn manier van stoffen schilderen werd alom geprezen. Op de tentoonstelling is te zien hoe hij zilverkleurige japonnen van door hem geschilderde vrouwen tot leven brengt. Je zou kunnen zeggen dat het bijna zeer aan de ogen doet. Alsof het zonlicht in de stof reflecteert.
Zijn schilderijen bekijkend is het onmiskenbaar een Hollandse meester uit de zeventiende eeuw. Ook is er een samen met Gesina gemaakt olieverfportret van broer Moses te zien. Beiden misten hem.

Ruiter op de rug gezien - Gerard ter Borch, ca. 1633-1634

Ruiter op de rug gezien – Gerard ter Borch, ca. 1633-1634. Foto: Jeanne van Rutten.

Een contrast met wat van Gerard de Jonge op de tentoonstelling wordt getoond, is een geheel ander werk van hem: een ruiter op de rug gezien, waarvan twee variaties zijn. Het ziet er dramatisch uit. Maar het laat ook zien hoe hij zich heeft ontwikkeld sinds zijn zevende jaar, zijn losse schets in inkt met hetzelfde onderwerp. Frappant hoe hij dit toen met een paar losse streken wist te verbeelden.

Al met al geeft Thuis bij Ter Borch een interessant beeld van het leven in de zeventiende eeuw en maakt de tentoonstelling indruk vanwege het talent van deze kunstenaarsfamilie.

Kunst / Expo binnenland

Een spiegel voorgehouden

recensie: Fiona Tan – Monomania
Fiona Tan, RijksmuseumRijksmuseum persbeelden

De tentoonstelling Monomania van Fiona Tan (1966) in de zuidvleugel van het Rijksmuseum Amsterdam begint met het olieverfschilderij Portret van een kleptomaan van de negentiende-eeuwse Fransman Théodore Géricault, een bruikleen uit het Museum voor Schone Kunsten Gent. Hiermee begon ook Tans zoektocht naar wat monomania is, hoe het in beeld wordt gebracht en wat voor indruk dit op de beschouwer maakt.

Monomania is volgens het begeleidende boekje dat de zaalteksten vervangt ‘een vorm van gedeeltelijke krankzinnigheid en [wordt] beschreven als één enkele ziekmakende obsessie in een verder gezonde geest. Rond 1850 staat monomania synoniem voor emotionele “waanzin”.’

Fiona Tan. Foto: Andreas Langfeld.

Dat is ook de tijd die centraal staat in Tans jarenlange zoektocht naar het begin van de psychiatrie en in de twee jaar voorbereiding voor deze tentoonstelling. Tan is de eerste kunstenaar die van het Rijksmuseum Amsterdam carte blanche krijgt voor een tentoonstelling. Wat meer is ‘dan cureren’, zei ze fijntjes tijdens de perspresentatie. In de catalogus eindigt zij met de constatering dat ze, nog eens kijkend naar het gezicht van de zogeheten kleptomaan van Géricault, uiteindelijk medeleven en empathie voelt en in hem een medemens herkent.

Associëren en verbanden leggen

Edvard Munch (eigenhandig gesigneerd), Staand naakt met rood haar, 1902, Rijksmuseum. inv.no. RP-P-1953 -888

De tentoonstelling roept ons op om dat ook te gaan voelen en onze eigen associaties en verbanden te leggen tussen de kunstwerken. Kunstwerken en gebruiksvoorwerpen die merendeels afkomstig zijn uit verschillende depots van het Rijksmuseum, naast enkele bruiklenen en eigen werk van Fiona Tan, en die verdeeld zijn over tien zalen. Doeken, boeken, beelden, foto’s en nog veel meer met aan het einde een grote video-installatie, Janine’s Room (2025), die alles op drie schermen lijkt samen te vatten. Janine verwijst naar Janine Dakyns, die wordt genoemd in de roman The Rings of Saturn van W.G. Sebald, een schrijver die Tan heeft geïnspireerd in haar werk. Sebald schrijft onder meer: ‘In een zandkorrel in de zoom van Emma Bovary’s winterjurk, zei Janine, zag Flaubert de hele Sahara. Voor hem woog elk stofje zo zwaar als het Atlasgebergte.’

Opvallend is dat de fraai verzorgde en origineel vormgegeven catalogus (een design van Irma Boom, net als het begeleidende boekje) niet begint met Géricault, maar met een afbeelding van een spiegel in de Queen Anne style (Noord-Nederland). Je zou deze, samen met twee andere werken waar de spiegel naast hangt, als de uitgangspunten van Tans werkwijze kunnen zien. Die twee andere stukken zijn Ophélie van Odilon Redon en Zonde van Edvard Munch. Ze staan als het ware respectievelijk symbool voor de drie aandachtspunten die Tan aanhield bij zowel haar twee jaar durende onderzoek als de keuze van de kunst- en andere werken: wetenschap – kunst – representatie.

Wetenschap, kunst, representatie

Wetenschap manifesteert zich hier in de vorm van een geoxideerde spiegel, vergelijkbaar met de tien spiegels die kunstenaar Germaine Kruip toonde op een tentoonstelling in de Amsterdamse Oude Kerk (2015-2016). Door die oxidatie kun je jezelf niet in de spiegel zien: ‘An image of absence’ noemt Tan het in een essay in de catalogus. Redon en Munch vertegenwoordigen niet alleen kunst (respectievelijk olieverf en pastel op papier en een lithografie), maar ook representatie. Ophelia staat voor wat tijdens een congres over haar (in Arnhem, 2009) hysterie en melancholie werd genoemd, twee zogenaamd typisch vrouwelijke aandoeningen. Tan schrijft, wederom in de catalogus, dat een mysterieuze ziekte als hysterie door de Franse psychiater Jean-Etienne Dominique Esquirol (1772-1840) werd gelabeld als een psychische in plaats van een eerder neurologische aandoening om zo ‘zijn onderzoeksveld te vergroten en zijn vak te legitimeren’. De achtergrond van Zonde van Munch (Staand naakt met rood haar) zou kunnen worden gezocht in de associatie die binnen met name het christendom soms wordt gelegd tussen seksualiteit en zonde. De vrouw heeft lang rood haar, zoals ook Maria Magdalena vaak met lang rood haar wordt afgebeeld. Maria Magdalena ging ten onrechte de geschiedenis in als prostituee. Fiona Tan zoekt de achtergrond van de vrouw binnen het kader van ‘Waanvoorstellingen’.

Odilon Redon (eigenhandig gesigneerd), Ophélie, la cape bleue sur les eaux (Ophelia, de blauwe nonnenkap in het water), 1900 – 1905, Rijksmuseum, Inv.no. SK-A-4840.

Het zijn zomaar enkele voorbeelden uit een overweldigende tentoonstelling die je, soms letterlijk, een spiegel voorhoudt, zoals in de zaal met zes digitale installaties (De criminele klasse). Je moet er moeite voor doen om de persoonlijke herinneringen, associaties en verbanden die Tan legt te kunnen volgen en je wordt uitgenodigd er ook voor jezelf naar op zoek te gaan. Als dat lukt, krijg je er zóveel voor terug, dat er een paar dagen in je hoofd niets meer bij lijkt te kunnen. Een effect dat misschien niet eens zo ver van de bedoeling van deze expositie afligt. Even opgesloten zitten in je hoofd, zoals de vissen in de Goudviskom met drie schepen (Bohemen), ook te zien in de tentoonstelling. Ge(s)laagd dus. En meer dan dat.