Tag Archief van: boeken

Boeken / Fictie

Een kleurrijke schets van een duistere tijd

recensie: Meester van de trommels – José Eduardo Agualusa
Omslag Meester van de trommelsbol.com

In Meester van de trommels beschrijft José Eduardo Agualusa de geschiedenis van een natie en de geschiedenis van een familie. Het is een kleurrijke schets van een reeks grauwe gebeurtenissen – een interessant contrast.

Jan Pinto beleeft roerige tijden in Angola. Hij wordt door de ene diplomaat, dan weer door de andere koning betrokken bij conflicten die zich voltrekken tussen de Portugese kolonisten en de inheemse bevolking in het Angolese binnenland. Ondertussen onderhoudt hij een romantische relatie met Lucrécia Van-Dunem, die hij op de boot vanuit Lissabon naar Luanda ontmoet en bij wiens familie hij overnacht tijdens zijn verblijf in de Angolese hoofdstad. Naast de politieke intriges treedt ook de liefde als thema op de voorgrond – een klassieke, ouderwetse liefde in net zo’n pure vorm als Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera.

Weinig houvast

Jans politieke en militaire bemoeienis in Angola brengt hem met veel Angolese en Portugese bewindslieden in contact en maakt dat hij bij een groot aantal gewapende conflicten betrokken raakt. De avonturen waarin Jan Pinto zich stort, en de vele reizen die hij daarvoor maakt, zijn niet altijd even goed bij te houden voor de lezer. Dat komt doordat Meester van de trommels vrijwel geen houvast biedt voor lezers met weinig parate kennis over de betrekkingen tussen de Portugezen en Angolezen in Angola in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Een raamvertelling

In de eerste hoofdstukken van Meester van de trommels is de verteltrant redelijk objectief. Wanneer het verhaal echter wordt onderbroken door een commentaar waarin de samenstelling van het Portugese koloniale leger in Angola wordt toegelicht, wordt duidelijk dat het vertelperspectief niet dat van een neutrale, boven het verhaal zwevende alwetende verteller is. De lezer leert al snel dat het verhaal in feite een geschiedkundige reconstructie is, die wordt opgetekend door de kleindochter van hoofdpersoon Jan Pinto. Deze kleindochter-verteller, Leila, baseert haar reconstructie grotendeels op informatie die zij leest in de dagboeken van haar oudtante Irene Van-Dunem, de zus van Lucrécia. Zij voorziet de informatie in de dagboekfragmenten regelmatig van haar eigen commentaar: zij geeft graag historische context of haar persoonlijke visie op de gebeurtenissen. Tussen die commentaren door rapporteert Leila echter over het algemeen zo droog over de geschiedenis van haar grootvader, dat zij als verteller volkomen op de achtergrond treedt en de lezer haar perspectief uit het oog verliest. Toch zijn het Leila’s commentaren die de lezer eraan blijven herinneren dat de verteller een personage is in haar eigen verhaal.

Door dit in zichzelf grijpende personale vertelperspectief krijgt de lezer de indruk dat Leila zelf een bepaald belang heeft bij het vertellen van het verhaal. Maar doordat enkele wezenlijke vragen onbeantwoord blijven (we leren bijvoorbeeld niet wat voor Leila de aanleiding was om de geschiedenis van haar grootvader uit te pluizen, hoe ze aan de dagboeken is gekomen en hoe haar eigen verstandhouding met de personages eruitziet), blijft het voor de lezer nogal wazig wat dat belang precies is. Gaat het Leila om het schetsen van een beeld van de conflicten op het Angolese grondgebied aan het begin en in het midden van de twintigste eeuw? Om de bovennatuurlijke rol die de trommels spelen in de oorlogvoering van de inheemse bevolking? Om het optekenen van de geschiedenis van de familie Pinto, inclusief de liefde tussen Jan en Lucrécia? Of is het Leila te doen om het vertellen van haar eigen verhaal? Leila relateert in de laatste hoofdstukken immers ook een en ander over haar eigen beslommeringen ten tijde van het schrijven. Deze drie thema’s maken de hoofdonderdelen van het verhaal uit, maar worden nauwelijks met elkaar verweven, waardoor zij elkaar blijven beconcurreren om de voorgrond van het narratief.

Magische details

De personages in Meester van de trommels hebben talloze wonderlijke verhalen te vertellen. Zo blijkt dat de moeder van Lucrécia en Irene over het onverklaarbare talent bezat om, door slechts over de buik te strijken, aan te voelen of een zwangere vrouw van een jongen of een meisje zou bevallen. De bovennatuurlijke aard van veel van die subverhalen geeft het boek een bepaalde magisch-realistische kwinkslag, die wordt geconsolideerd door de magische trommels. De trommels lopen als een rode draad door het hele verhaal: bij het horen van bepaalde ritmes van die trommels wordt de luisteraar in een gruwelijke trance gebracht. Het koninkrijk Bailundo zet de trommels in wanneer zijn territorium wordt bedreigd door de Portugese kolonisten, en vele jaren later gebruikt Leila, die dj is, de ritmes van die trommels in haar muziek.

In Meester van de trommels zijn de bewoners van Angola, en specifiek de inheemse bewoners van het Angolese binnenland, degenen die het leven aldaar het beste begrijpen: zij hebben een gepaste eerbied voor de omgeving en voor de magische elementen. Zij nemen die bovennatuurlijke elementen aan als wonderlijke, maar voldongen feiten van het leven en gebruiken ze handig bij het verdedigen van hun leefomgeving als dat nodig is. De Angolezen steken kleurrijk en bewonderenswaardig af tegen de Portugezen, die zich alleen maar bezighouden met imperialisme en oorlogsvoering en die stuk voor stuk als nogal schandelijke, bespottelijke karikaturen worden neergezet.

De hoofdstukken in Meester van de trommels zijn los van elkaar subliem, maar vormen geen duidelijk, bevredigend geheel, en specifiek de rol van Leila is wat onnauwkeurig uitgewerkt. De literaire kwaliteit van Meester van de trommels schuilt dan ook voornamelijk in de bewonderenswaardige magische details en anekdotes die door de personages worden verteld en in de ingenieuze manier waarop dit boek de verhouding tussen de Portugezen en de Angolezen weergeeft.

Boeken / Fictie

Een kleurrijke schets van een duistere tijd

recensie: Meester van de trommels – José Eduardo Agualusa
Omslag Meester van de trommelsbol.com

In Meester van de trommels beschrijft José Eduardo Agualusa de geschiedenis van een natie en de geschiedenis van een familie. Het is een kleurrijke schets van een reeks grauwe gebeurtenissen – een interessant contrast.

Jan Pinto beleeft roerige tijden in Angola. Hij wordt door de ene diplomaat, dan weer door de andere koning betrokken bij conflicten die zich voltrekken tussen de Portugese kolonisten en de inheemse bevolking in het Angolese binnenland. Ondertussen onderhoudt hij een romantische relatie met Lucrécia Van-Dunem, die hij op de boot vanuit Lissabon naar Luanda ontmoet en bij wiens familie hij overnacht tijdens zijn verblijf in de Angolese hoofdstad. Naast de politieke intriges treedt ook de liefde als thema op de voorgrond – een klassieke, ouderwetse liefde in net zo’n pure vorm als Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera.

Weinig houvast

Jans politieke en militaire bemoeienis in Angola brengt hem met veel Angolese en Portugese bewindslieden in contact en maakt dat hij bij een groot aantal gewapende conflicten betrokken raakt. De avonturen waarin Jan Pinto zich stort, en de vele reizen die hij daarvoor maakt, zijn niet altijd even goed bij te houden voor de lezer. Dat komt doordat Meester van de trommels vrijwel geen houvast biedt voor lezers met weinig parate kennis over de betrekkingen tussen de Portugezen en Angolezen in Angola in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Een raamvertelling

In de eerste hoofdstukken van Meester van de trommels is de verteltrant redelijk objectief. Wanneer het verhaal echter wordt onderbroken door een commentaar waarin de samenstelling van het Portugese koloniale leger in Angola wordt toegelicht, wordt duidelijk dat het vertelperspectief niet dat van een neutrale, boven het verhaal zwevende alwetende verteller is. De lezer leert al snel dat het verhaal in feite een geschiedkundige reconstructie is, die wordt opgetekend door de kleindochter van hoofdpersoon Jan Pinto. Deze kleindochter-verteller, Leila, baseert haar reconstructie grotendeels op informatie die zij leest in de dagboeken van haar oudtante Irene Van-Dunem, de zus van Lucrécia. Zij voorziet de informatie in de dagboekfragmenten regelmatig van haar eigen commentaar: zij geeft graag historische context of haar persoonlijke visie op de gebeurtenissen. Tussen die commentaren door rapporteert Leila echter over het algemeen zo droog over de geschiedenis van haar grootvader, dat zij als verteller volkomen op de achtergrond treedt en de lezer haar perspectief uit het oog verliest. Toch zijn het Leila’s commentaren die de lezer eraan blijven herinneren dat de verteller een personage is in haar eigen verhaal.

Door dit in zichzelf grijpende personale vertelperspectief krijgt de lezer de indruk dat Leila zelf een bepaald belang heeft bij het vertellen van het verhaal. Maar doordat enkele wezenlijke vragen onbeantwoord blijven (we leren bijvoorbeeld niet wat voor Leila de aanleiding was om de geschiedenis van haar grootvader uit te pluizen, hoe ze aan de dagboeken is gekomen en hoe haar eigen verstandhouding met de personages eruitziet), blijft het voor de lezer nogal wazig wat dat belang precies is. Gaat het Leila om het schetsen van een beeld van de conflicten op het Angolese grondgebied aan het begin en in het midden van de twintigste eeuw? Om de bovennatuurlijke rol die de trommels spelen in de oorlogvoering van de inheemse bevolking? Om het optekenen van de geschiedenis van de familie Pinto, inclusief de liefde tussen Jan en Lucrécia? Of is het Leila te doen om het vertellen van haar eigen verhaal? Leila relateert in de laatste hoofdstukken immers ook een en ander over haar eigen beslommeringen ten tijde van het schrijven. Deze drie thema’s maken de hoofdonderdelen van het verhaal uit, maar worden nauwelijks met elkaar verweven, waardoor zij elkaar blijven beconcurreren om de voorgrond van het narratief.

Magische details

De personages in Meester van de trommels hebben talloze wonderlijke verhalen te vertellen. Zo blijkt dat de moeder van Lucrécia en Irene over het onverklaarbare talent bezat om, door slechts over de buik te strijken, aan te voelen of een zwangere vrouw van een jongen of een meisje zou bevallen. De bovennatuurlijke aard van veel van die subverhalen geeft het boek een bepaalde magisch-realistische kwinkslag, die wordt geconsolideerd door de magische trommels. De trommels lopen als een rode draad door het hele verhaal: bij het horen van bepaalde ritmes van die trommels wordt de luisteraar in een gruwelijke trance gebracht. Het koninkrijk Bailundo zet de trommels in wanneer zijn territorium wordt bedreigd door de Portugese kolonisten, en vele jaren later gebruikt Leila, die dj is, de ritmes van die trommels in haar muziek.

In Meester van de trommels zijn de bewoners van Angola, en specifiek de inheemse bewoners van het Angolese binnenland, degenen die het leven aldaar het beste begrijpen: zij hebben een gepaste eerbied voor de omgeving en voor de magische elementen. Zij nemen die bovennatuurlijke elementen aan als wonderlijke, maar voldongen feiten van het leven en gebruiken ze handig bij het verdedigen van hun leefomgeving als dat nodig is. De Angolezen steken kleurrijk en bewonderenswaardig af tegen de Portugezen, die zich alleen maar bezighouden met imperialisme en oorlogsvoering en die stuk voor stuk als nogal schandelijke, bespottelijke karikaturen worden neergezet.

De hoofdstukken in Meester van de trommels zijn los van elkaar subliem, maar vormen geen duidelijk, bevredigend geheel, en specifiek de rol van Leila is wat onnauwkeurig uitgewerkt. De literaire kwaliteit van Meester van de trommels schuilt dan ook voornamelijk in de bewonderenswaardige magische details en anekdotes die door de personages worden verteld en in de ingenieuze manier waarop dit boek de verhouding tussen de Portugezen en de Angolezen weergeeft.

Boeken / Fictie

De gewoonste man en vrouw van Nederland

recensie: BOEKENWEEKGESCHENK 2026 - Piaggio – Hendrik Groen
geschenk - postperskit

Hij is niet te missen: Hendrik Groen (pseudoniem van Peter de Smet). Tijdens de Boekenweek 2026 krijg je bij besteding van € 17,50 aan Nederlandstalige boeken zijn boekje Piaggio (een Italiaans autootje met drie wielen) cadeau. En vanaf zondag 8 maart 2026 valt op NPO 1 de verfilming van zijn roman Rust en Vreugd te volgen.

Helemaal zonder slag of stoot gaat de keuze van de auteur van het Boekenweekgeschenk nooit. Dit keer zou het volgens Joost Oomen zelfs een ramp zijn. Waarom? Het doel van de Boekenweek is het promoten van het Nederlandstalige boek en van de boekhandel en bibliotheek. De week viert het lezen in het algemeen, niet in het bijzonder dat van ‘kunst, echte originele, nieuwe perspectieven biedende kunst’ (Oomen). En dat mist Oomen: originaliteit en vernieuwing.

Groen sluit aan bij het thema van deze Boekenweek: ‘Mijn generatie’. Zijn boekje gaat over Marieke Bollegraaf (58) uit Almere. Ja, ze heeft een dochter. Maar geen man en daar moet verandering in komen. Ze heeft een date met de onverwacht verlaten en werkloos geworden Anton Struik (61), de broer van haar buurvrouw Lidy (50). Hij was filiaalmanager van een schoenenwinkel die failliet ging. En – zoals hij zelf zegt – ‘een enorm saaie lul’.

Toch gaan Anton en Marieke samen met een Piaggio op stap. ‘Van Italië over de Alpen naar Nederland.’ Marieke is zelfs een beetje jaloers op Anton, die er zo van kan genieten, ‘maar vindt dat tegelijkertijd heel flauw van zichzelf’. Zelf duikt ze bij elke haarspeldbocht steeds dieper in een plastic tas om over te geven. Samen zijn ze ‘de gewoonste man en vrouw van Nederland’. En dat is ook wel eens leuk om over te lezen, toch? ‘Nieuwe perspectieven biedende kunst’ komt een andere keer wel weer. De boog kan niet altijd gespannen staan.

Boeken / Non-fictie

Een heel specifiek soort irritatie

recensie: BOEKENWEEKESSAY 2026 - Ik zou uw dochter kunnen zijn – Doortje Smithuijsen
Thema-uitgave - postperskit

Als een boek, net als bij de speelvloer bij een toneelstuk, een vierde wand zou kennen, dan heeft de filosofe en journaliste Doortje Smithuijsen (1992) hem bij wijze van spreken in haar essay Ik zou uw dochter kunnen zijn doorbroken. Of liever gezegd: met grof geweld neergehaald. Het essay is een uitgave van de Boekenweek 2026, die als thema ‘Mijn generatie’ heeft.

In het eerste van de zes hoofdstukken richt ze het woord direct tot ‘de zestigplussers, de zeventigers, een enkele tachtiger die zich nog hartstikke eind vijftig voelt’ – niet haar generatie overigens. Ze zegt netjes u, dat wel. Smithuijsen spreidt alle sjablonen en vooroordelen die ze kent uit. In soms niet al te fraai Nederlands, zoals: ‘Lang verhaal kort en om maar meteen met de deur in huis te vallen’. En met een openingszin als: ‘Wie wil weten hoe entitlement eruitziet, kan het best op een regenachtige zaterdagmiddag rond een uur of half vier naar een arthousebioscoop in de Randstad’. Spreektaal of even kijken of u oplet?

Zoals ze ‘de’ (!) zestigplussers en zeventigers (de babyboomers) denkt te kennen, meent ze omgekeerd eigenlijk ook dat wij de mensen van haar leeftijd (de millennials) kennen: ‘U kent mij niet, tegelijk kent u mij wel – u kent mij zoals u alle mensen van mijn leeftijd denkt te kennen’. Onder dat kennen verstaat ze ‘een heel specifiek soort irritatie’. Het woord ‘entitlement’ (aanspraak, voordelen) zegt al genoeg: oudjes maken aanspraak op iets, willen ergens voordeel uit halen. Soms herkenbaar, soms helemaal ook niet.

Iemand als Teun Toebes moest het allemaal eens horen. Deze generatiegenoot van Smithuijsen woont en werkt met ouderen en schrijft daarover. De woorden ‘onderhuids zeer voelbare concurrentiestrijd’ en ‘tomeloze onuitstaanbaarheid’ zou hij wellicht vervangen door ‘samenleven’ en ‘genegenheid en begrip’. Daar hebben we denk ik meer aan dan alles zo tegenover elkaar zetten.

Het gaat bij Smithuijsen over ‘kinderen die hun ouders uitmaken voor verwende, rentenierende boomers en ouders die zich afvragen hoe hun eigen tot op het bot verwende kroost alsnog zo verongelijkt uit heeft kunnen vallen’. Toe maar. Ondertussen zijn beide leeftijdscategorieën ontevreden en jaloers op elkaar; ‘intergenerationele jaloezie’ noemt de auteur dat. Hoe clichématig wil je het hebben, al beschouwt de auteur het essay zelf ‘een beetje als een sketch’. Ook dat is toneel. Met evenzoveel typetjes. Maar om dat genre goed te kunnen vormgeven, zijn toch andere vaardigheden nodig. En die mist Smithuijsen een beetje. Ze blijft hangen in sjablonen.

 

Boeken
special: Gedichten Boekenweek 2026
Photo by Bidder Karim on Unsplash

Zijn als een kind

Een bekende musicus vertelde onlangs dat zij tijdens haar studie een stuk voorspeelde waarop haar docent zei dat ze wel erg goed naar Mr. X had geluisterd. Op haar vraag of dit dan niet mocht, antwoordde hij dat daar op zich niets tegen was, als ze het dan maar wel béter deed.

Dit doet denken aan het gedicht Het meisje van Hanny Michaelis (1949), dat als Boekenweekgedicht 2026 ter inspiratie dient voor drie dichters uit verschillende generaties: Ingmar Heytze, Dean Bowen en Babs Schutte. Zij hertaalden het klassieke sonnet van Michaelis, dat oorspronkelijk bestaat uit tweemaal vier regels en tweemaal drie regels.

De dichteres vroeg zich af of ze na jaren nog steeds het kind van weleer is: speels, argeloos en onbevangen in de voorjaarswind? De o’s en a’s rijgen zich aaneen en geven het gedicht zowel een lichte (speelse, zonnige) toon van een kind als de weemoedige aard (wolken, wind en vuur) van een vrouw die het pad van deze gevoelens heeft afgelegd. Het kan niet anders of je leest er de donkerte van de Tweede Wereldoorlog in.

Ingmar Heytze: Pretty Vacant

De eerste dichter, de 56-jarige performer en columnist Ingmar Heytze, benadrukt in zijn versie de melancholie van het oorspronkelijke gedicht. Ook hij kijkt terug op zijn kindertijd in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij houdt het bij viermaal drie regels (terzetten). De boodschap van zijn generatie is: erbij staan en ernaar kijken. Je verstoppen omdat het je tijd wel zal duren en toch dingen ondernemen, zoals gedichten maken.

Dean Bowen: .the kids are not alright

De volgende dichter en performer, de 41-jarige Dean Bowen, waaiert van de drie dichters het meest uit in lange regels. Hoewel ze, als je gaat tellen, wel degelijk de vorm van een sonnet hebben: tweemaal vier en tweemaal drie regels met een chute (kantelpunt) voor de laatste twee strofes. De sprookjes zijn bij hem spoken en slapeloze nachten geworden, de lente van Michaelis zijn Arabische lentes die ‘ons overwoekerd & gehavend achter[lieten]’. Knap is dat hij niet alleen de klassieke sonnetvorm, maar net als Heytze ook de o’s en a’s van het origineel behoudt.

Babs Schutte: De sprong

De laatste en jongste van de drie dichters is de 26-jarige Babs Schutte, performer, tekstschrijver en producer. Ook zij vangt het kind van Michaelis in haar gedicht De sprong. Ze heeft haar droom (kunnen leven van muziek maken) waar kunnen maken. Ze behoort tot de generatie die vooral doet. Het sprookjesboek is weliswaar gesloten, maar de dromen blijven, ook al zijn er zorgen. Let op: ook zij laat de o’s en a’s van Michaelis terugkomen in haar viermaal vier regels!

Alle drie de dichters hebben goed naar het gedicht van Hanny Michaelis gekeken. Of ze het beter deden, is niet de vraag. Wél hebben zij het thema naar onze tijd getrokken en het vanuit hun leefwereld uitgewerkt. En hoe!

Boeken / Fictie

Moord is bijzaak

recensie: Het onmogelijke fortuin – Richard Osman
Het onmogelijke fortuinbol.com

Na een zijsprong met de start van de reeks Voor al uw moordzaken én de verschijning van de verfilming van De moordclub (op donderdag) keert Richard Osman terug naar zijn bekendste personages. Het onmogelijke fortuin is alweer het vijfde deel in De moordclub (op donderdag)-reeks, waarin de hoogbejaarde speurneuzen zich ditmaal begeven in de wereld van cryptomunten, huurmoordenaars en autobommen.

Met De moordclub (op donderdag)-reeks geeft Osman het detectivegenre een eigen draai. Geen excentrieke rechercheurs, maar ouderen met een uit de hand gelopen hobby staan centraal. Dat is niet zomaar een gimmick: de boeken gaan juist over ouder worden, over onderschat worden ondanks een leven vol ervaring, over vriendschap, familiebanden en eenzaamheid. Osman weet deze thema’s licht te houden met humor en charme, zonder ze te bagatelliseren. Door de reeks heen zien we hoe de personages en hun onderlinge relaties zich blijven ontwikkelen. Bovendien werkt in dit vijfde deel een grote gebeurtenis uit het vierde deel van de reeks, De laatste duivel die sterft, nadrukkelijk door.

Tussen bitcoins en autobommen

De welbekende clubleden Elizabeth, Joyce, Ron en Ibrahim treffen we op de bruiloft van Joyce’ dochter Joanna. Tussen het feestgedruis door wordt Elizabeth aangesproken door Nick Silver, een man die ervan overtuigd is dat iemand hem wil vermoorden. Hij heeft een autobom onder zijn wagen gevonden en denkt dat dit alles te maken heeft met een gigantisch bitcoinvermogen waar hij over beschikt. Wanneer Silver vervolgens spoorloos verdwijnt, maar wél verdachte berichten blijft sturen naar de bruidegom, is het nieuwe mysterie geboren. Toch blijkt al snel dat Het onmogelijke fortuin vooral níét draait om dat mysterie – en precies dat maakt dit boek zo geslaagd voor lezers die de eerdere delen kennen. Hoewel het verhaal op zichzelf te lezen is, mis je zonder voorkennis veel onderlinge grapjes, emotionele ontwikkelingen en betekenisvolle details. In een reeks waarin het leven naast moord en doodslag centraal staat, zijn juist die lagen onmisbaar.

Moord is slechts bijzaak

Hoewel ook dit deel weer een vernuftig opgebouwd mysterie bevat, lees je deze reeks niet voor de spanning rondom de antiek-oplichterijen, drugsdeals en spionagepraktijken. Je leest haar voor de personages. Het onmogelijke fortuin valt daarbij extra op, omdat het verhaal nog nadrukkelijker ruimte maakt voor alles náást het raadsel. Meer dan eens leren we over de levens van de clubleden, zeker nu er nieuwe perspectieven zijn toegevoegd, zoals die van Joyce’ dochter en Rons kleinzoon. Ook Connie krijgt eindelijk meer ruimte en laat zowaar verdere karakterontwikkeling zien. Waar Ron eerder soms wat naar de achtergrond leek te verdwijnen, krijgen hij, zijn kinderen en zijn kernprincipes hier meer aandacht – al is de aanleiding minder prettig. Met de introductie van nieuwe personages treden thema’s als rouw en eenzaamheid nog sterker op de voorgrond. Zoals Joyce in haar dagboek opmerkt: je hebt het nieuws, en je hebt het leven. Dit boek gaat dan ook niet echt over bommen en bitcoins, maar over eenzame mannen met te veel kattenbeeldjes en moedige vrouwen in lastige situaties.

Osmans superkracht is zijn humor en schrijfstijl, en waar die in de verfilming grotendeels ontbraken, keren ze in Het onmogelijke fortuin gelukkig volledig terug: heerlijk droog, scherp en bovenal herkenbaar Brits. Tegelijkertijd schuwt hij emoties niet en weet hij de ups en downs van het ouder worden raak te verwoorden, met een lach en een traan. Opvallend zijn deze keer de grappen die subtiel verwijzen naar de verfilming – zoals Ron die iedereen naar diens favoriete James Bond acteur vraagt. Die van hem is vanzelfsprekend de knappe acteur Pierce Brosnan, die geheel toevallig de rol van Ron op zich neemt in de verfilming. Deze knipogen werken het beste voor de lezers die zich al langer in de wereld van Coopers Chase begeven.

Het onmogelijke fortuin bewijst dat Osman zijn succesformule nog altijd beheerst: humor, charme, een goed doordacht mysterie, maar vooral oog voor het echte leven. Wie de eerdere delen heeft gelezen, krijgt hier een rijk en emotioneel vervolg voorgeschoteld en loopt zelfs de kans dat dit deel uitgroeit tot de favoriet van deze boekenreeks.

Boeken / Fictie

Een Joël Dicker voor iedereen

recensie: Het rampzalige bezoek aan de dierentuin
Afbeelding recensie Het rampzalige bezoek aan de dierentuinPexels

Het is een uniek boek tussen de dikke pillen waarmee schrijver Joël Dicker menig lezershart wist te veroveren: de nieuwste roman Het rampzalige bezoek aan de dierentuin presenteert zich terecht als ‘een nieuwe pageturner voor alle leeftijden’. Hoewel klein van stuk, biedt dit boek een groots verhaal over het reilen en zeilen op een school voor speciale kinderen, waarin de onbedoeld geestige opmerkingen van deze jonge helden je zullen ontroeren.

De proloog maakt de lezer meteen hongerig. Hongerig naar informatie, hongerig naar de sappige details en vooral hongerig naar het einde van het boek. De ik-verteller van het boek, Joséphine geheten, maakt meteen kenbaar dat er iets grotesks heeft plaatsgevonden in het verleden. Gedreven door haar schrijversambities is Joséphine op latere leeftijd in de pen geklommen om het grootse mysterie te delen met haar lezers. Jaren geleden, tijdens een schoolbezoek aan een dierentuin, is er blijkbaar iets voorgevallen wat te classificeren valt als een ‘ramp’. De lezer weet op de eerste pagina van het boek nog niet dat het bezoek aan de dierentuin de kers op de taart is na alle rampen die zich voor die uiteindelijke ramp voordoen. Het tweede tot en met het eenentwintigste hoofdstuk verhalen ieder over een catastrofe van beperkte omvang.

Er is niet veel voor nodig om het iedere keer weer zover te laten komen. Neem een pittoresk schooltje voor zes speciale kinderen (Joséphine, Otto, Artie, Thomas, Giovanni en Yoshi), een te geduldige en lieve juf (juffrouw Jennings) en een grote overstroming. Waar zou dit in resulteren? Nou, bijvoorbeeld in het volgende. De overstroming maakt het schoolgebouw van de zes erg nieuwsgierige scholieren dusdanig onbruikbaar dat diezelfde kids nu ondergebracht worden op een ‘normale’ school met een alleraardigste directeur.

True crime

Ondanks hun unieke aard (van dwangneuroses tot hypochondrie tot autisme), vormen de zes bijzondere kinderen het doelwit van pesterijen op deze nieuwe school. Ze weten goed van zich af te slaan – in de meest letterlijke betekenis van dat woord. Met een vader die karateleraar is, weet Thomas de meest rake klappen uit te delen. Zoals aan de gemene Balthazar, die later in het boek een belangrijke handlanger blijkt te zijn in de zoektocht van ‘de zes’ naar antwoorden op de prangende vraag: ‘Wie heeft hun school laten overstromen?’. Ook de oma van Giovanni, die iets te veel politieseries heeft gekeken, helpt hen graag met hun onderzoek. Al puffend aan haar sigaretten neemt ze dagelijks de nieuwste ontwikkelingen door met haar kleinzoon en zijn vriendjes. En met succes: hun leven verandert stilaan in een echte detectiveserie met een uitkomst die niemand had kunnen voorspellen.

Een manusje-van-alles

Hoe zo’n verhaal op je overkomt? Als een spannende jeugdthriller misschien, of een ietwat te kinderlijk ingerichte misdaadroman? Wellicht iets van beide? Dat zou goed kunnen, aangezien het de voornaamste wens was van Dicker om een boek te publiceren dat ieder lezerspubliek dient. Na twaalf jaar schrijverij besloot Dicker een boek te vervaardigen dat alle lezers – groot en klein – met elkaar kunnen delen. Juist door te kiezen voor kinderen met een zekere hoogbegaafdheid worden thema’s als inclusiviteit en democratie niet geschuwd. Het leidt zelfs tot een van de meest grappige passages die ooit in een all-age-boek (of liever: crossover- of multidoelgroepenboek) zijn aangetroffen. In een recalcitrante bui besluiten de zes speurneuzen om de kritische schoolouders voor eens en altijd de mond te snoeren in een hilarisch toneelstuk. Ook de ontzettend eigenzinnige en bijdehante uitspraken van de zes kinderen leiden continu tot humorvolle misopvattingen.

In zijn opzet is Dicker zeker geslaagd: het smalle boekje biedt een ongekend (doch kortstondig) leesplezier voor jonge en (iets) oude(re) lezers. Hoewel het zeer vermakelijk is, is het nu ook weer geen boek dat je lang bij zal blijven. Het is zeker goed geschreven, maar de literair-stilistische kant van dit boek verdient bij lange na niet zoveel lof als zijn voorgangers, zoals de debuutroman De waarheid over de zaak Harry Quebert. Het idee achter dit specifieke boek verdient echter natuurlijk op zichzelf een dikke pluim.

Boeken / Non-fictie

Monumentale gids waarin het vertelplezier soms verdwaalt

recensie: Stoute Schoenen - Bart Van Loo
cover Stoute SchoenenBol.com

Met de historische wervelwind De Bourgondiërs scoorde Bart Van Loo onverwacht een monsterhit: maar liefst 400.000 exemplaren gingen over de toonbank (waarvan 130.000 in vertaling). De verwachtingen rond de opvolger waren dan ook hooggespannen. Lost Stoute Schoenen die in? Absoluut, zij het met een kleine kanttekening.

Nog los van de inhoudelijke kwaliteit van het boek kan je alleen maar tonnen respect hebben voor het werk dat Bart Van Loo verzette voor Stoute Schoenen. Baseerde hij zich voor De Bourgondiërs voornamelijk op kronieken, dan dook hij nu in tientallen archieven, bezocht hij tal van musea en hun collecties, dwaalde hij langs en door historische panden en ruïnes, en doorkruiste hij zo goed als het volledige Bourgondische hertogdom van weleer, in het spoor van hun kleurrijke en spraakmakende gezaghebbers. Het resultaat van ruim vijf jaar werk? Een 800 pagina’s tellend monument voor de Bourgondische aartsvaders, tjokvol historische feiten en inzichten, weetjes, reisimpressies, beschrijvingen van kunstwerken en wat nog meer. Een schatkamer van papier, een grabbelton vol anekdotiek en wetenswaardigheden, verrijkt met heldere, kleurrijke foto’s van Geert Van de Velde, die Van Loo op zijn tochten vergezelde.

Rouwstoet achterna

Kortom, als werkstuk en uitgave is dit sowieso ongezien. Maar is het ook lezenswaardig? Absoluut. Het opzet? Bart Van Loo gaat in de landen van herwaarts (de Lage Landen) en derwaarts over (Bourgondië), zoals de regio’s onder hertog Filips de Goede werden genoemd, op zoek naar zichtbare sporen van Bourgondische aanwezigheid. Met als handige corridor tussen de twee regio’s – en het onbetwistbare hoogtepunt van het boek – de rouwstoet voor ‘aartsvader’ Filips de Stoute, die Van Loo reconstrueert door die na te reizen. Een rouwstoet – of beter: repatriëring avant la lettre – die startte in Halle (bij Brussel) en na ettelijke weken eindigde in het kartuizerklooster van Champmol in Bourgondië, waar de graaf werd bijgezet. Onderweg vallen heel wat fijne passages te lezen, niet zelden doorspekt met milde humor:

‘Het is in dit decor dat Filips zijn allerlaatste nacht doorbracht in Kortrijk. De rekeningen van het kapittel leren dat de kapelaans van de hertog tijdens de nachtwake ter verpozing wijn te drinken kregen en dat hiervoor 40 schellingen werden betaald. Daar staan we dan met onze blik vanuit de eenentwintigste eeuw: alcohol nuttigen bij een lijk in een katholiek gebedshuis tijdens het opdreunen van Latijnse psalmen en rozenkransen.’

Ook fijn zijn de historische bespiegelingen die Van Loo als smaakmakers doorheen de tekst strooit. Zoals wanneer hij vaststelt dat destijds een monument verplaatst moest worden om stadsuitbreiding mogelijk te maken:

‘Zo gaat dat met geschiedenis, dingen worden verhuisd en veranderd naargelang het uitkomt. Met wat geluk wordt het een keer opgeschreven en pas daarna vergeten.’

Kreunend onder een berg

Waarom dan die ‘maar’ van in de inleiding? Omdat Van Loo’s vertelkunst bij momenten wat kreunt onder die berg historisch materiaal. Wie Van Loo aan het werk zag op het podium of het voorrecht had hem te interviewen, weet dat vertelplezier en energie zijn handelsmerk vormen, wat hij wonderwel wist te vertalen naar de pagina’s van De Bourgondiërs. Dat is in Stoute Schoenen veel minder het geval. Is dat een verwijt? Geenszins. Maar het belemmert bij momenten wel de leesvaart.

Bij momenten dreigt ook wat moeheid na een zoveelste bombardement van (onbekende) locaties en namen, waarbij je soms gedesoriënteerd geraakt in tijd en ruimte – hoe goed Van Loo ook zijn best doet je bij de hand en bij de les te houden. Persoonlijk hielden wij daarom meer van De Bourgondiërs, dat vloeiend en verhalend was en waarin de vertelkunst van de meester écht tot zijn recht kwam. Stoute Schoenen is geen familie- of dynastieke kroniek, maar eerder een literaire reisgids – en een Trotter of Time to Momo lees je ook niet in één ruk uit, al doet die vergelijking uiteraard oneer aan het titanenwerk en de schrijfvaardigheid van Van Loo. Op de pagina’s waar hij zijn energieke stijl wel de vrije teugels geeft – een bespiegeling over zijn dochter in een kathedraal, de voor kippenvel zorgende laatste pagina’s waarin hij terugkeert naar het begin – besef je dat hier zijn echte kracht schuilt. Maar nogmaals, de wat moeizamere vaart is nu eenmaal eigen aan het opzet en het bronmateriaal. Want om zelf terug te keren naar het begin: je kan alleen maar tonnen respect hebben voor het werk dat Bart Van Loo verzette. Hij heeft het ondernomen.

Boeken / Fictie

I couldn’t help but wonder: boek of doek?

recensie: Sex and the City - Candace Bushnell
Omslag Sex and the Cityomslag

Een beetje kenner herkent aan de titel al om welke serie het gaat. Hoofdpersoon Carrie Bradshaw kondigt een quasi-filosofisch vraagstuk over een ‘first world problem’ aan in de televisieserie Sex and the City. Onbekender is dat deze serie gebaseerd is op het gelijknamige boek van Candace Bushnell, dat amper tweehonderd pagina’s telt en uitgroeide tot een serie die wel bijna vijftig uur aan kijkplezier biedt. Nu er na dertig jaar echt een einde komt aan SATC, is het tijd om de balans op te maken: werkt het boek of het doek beter?

Bushnell publiceerde haar gebundelde columns in 1996, waarop vervolgens een serie van zes seizoenen, twee films en twee spin-offseizoenen gebaseerd werden. Ze werd zelf geboren in Glastonbury en verhuisde op 19-jarige leeftijd naar ’the Big Apple’. In veel interviews beweert ze dat het fictieve personage Carrie Bradshaw en veel anekdotes uit zowel het boek als de serie autobiografisch zijn. Welke overeenkomsten en verschillen zijn er in het boek en de serie?

Doek

We volgen typische problemen van dertigers-vrouwen in Manhattan, New York. In de alom bekende introtune pronken de Twin Towers nog trots en waggelt hoofdpersoon Carrie Bradshaw in een tutu. Deze blonde krullenbol is een charmante en overmatig dramatische hoofdpersoon. Naast haar staan de roodharige Miranda als cynische workaholic, de naïeve brunette Charlotte, die wacht op haar prins op het witte paard, en ten slotte de bombshell Samantha, die menig man om haar vinger windt en er altijd uitziet om door een ringetje te halen.

Rondom de millenniumwisseling domineerden deze vier vrouwen zes seizoenen lang het beeldscherm. Een hoog gehalte aan humor, herkenbaarheid (ondanks hun peperdure levensstijl) en drang naar onafhankelijkheid maakten het succes van deze serie. De serie blijft duidelijk fictief: met de inkomsten uit een wekelijkse column worden een hip appartement in de Upper East Side en meer dan honderd paar Manolo Blahnik-schoenen betaald. Daarnaast is uitgenodigd worden op alle hippe restaurantopeningen én op een dagelijkse basis worden uitgevraagd door knappe baseballspelers en andere gewilde mannelijke vrijgezellen van 35+ natuurlijk dagelijkse kost. Was het al benoemd dat iedereen maatje 32 heeft zonder te sporten of te diëten? Het blijven de 90’s.

Boek

Zoals de naam van de bundel al doet vermoeden, speelt seks, of in ieder geval het veroveren van een knappe man met geld, een grote rol in de korte verhalen.
Het geschreven verhaal is een stuk meer versnipperd dan dat op het doek, waarschijnlijk omdat het boek een verzameling van columns bevat. Het overgrote deel van deze columns betreft anekdotes van rijke ‘socialites’. Over het algemeen is er door dit gebrek aan samenhang weinig te zeggen over karakterontwikkeling. Carrie speelt in de eerste helft van het boek hooguit een bijrol. Pas later in het boek wordt er meer vanuit haar perspectief geschreven, met name over de grillige relatie die ze met Mr Big heeft. In het boek neemt ze een nonchalante, onverschillige houding aan, waar zij in de serie juist bekendstaat als (zelf)obsessief en egocentrisch. Opvallend is verder dat Carrie een zeer duidelijk alcohol- en drugsprobleem onder de leden heeft, terwijl dat geen significante rol speelt in de serie.

Charlotte en Miranda worden beiden een of twee keer genoemd, en vervullen een verwaarloosbare en onherkenbare rol in het boek. Charlotte wordt beschreven als een seksverslaafde Britse vrouw, terwijl zij in de serie juist een preutse, naïeve New Yorkse is. Miranda wordt neergezet als een drugsverslaafde ‘cable executive’ (wat dat ook mag zijn), waar zij in de serie een hardwerkende, nuchtere advocate is. Samantha komt gedurende het hele verhaal iets frequenter voor, maar (helaas) niet zo kenmerkend als in de serie. In het boek is Samantha veel minder uitgesproken feministisch en seksueel revolutionair dan in de serie, waarin juist haar personage sterk bijdraagt aan de populariteit ervan.

Hetzelfde geldt voor de kenmerkende en iconische 90’s-mode in de serie; deze neemt een veel minder grote plaats in het boek in. Logisch, gezien het visuele effect van een serie. Ook het perspectief is verschillend. In het boek worden de scènes vanuit de derde persoon beschreven, terwijl de serie wordt verteld vanuit het perspectief van Carrie. Carrie’s introspectie wordt door middel van intermezzo’s en voice-overs in de serie duidelijker blootgelegd, wat zorgt voor drama en emotie. In het boek leer je de innerlijke strijd van Carrie minder goed kennen. Zinnen als ‘I couldn’t help but wonder if he ever really loved me’ of ‘The moment he looked at me I turned into stone’ komen daarin niet voor. Dit maakt Carrie in het boek een (relatief) nonchalant en nuchter personage.

Ondanks het verschil in medium en plot, heeft de serie wel degelijk elementen en scènes uit het boek overgenomen. Bijvoorbeeld wanneer Mr Big tijdens een wankel moment in de relatie een weekend buiten de stad heeft gepland met Carrie, en zij uit principe besluit niet mee te gaan. Dit betekent in het boek een scheur in hun al doodbloedende relatie. In de serie is deze scène een dramatisch en abrupt einde van hun liefdesverhaal in een van de eerste seizoenen.

Boek of doek?

Ondanks scherpe en vermakelijke anekdotes ontbreekt er in het boek een samenhangend plot, gelaagdheid en karaktergroei. De verhalen zijn wellicht beter tot hun recht gekomen in hun originele vorm als losse columns dan gebundeld in een boek. Het boek geeft een heel andere sfeer en context dan de serie; het is dus zeker niet overbodig om het boek te lezen als je de serie al gezien hebt. Wel doet het boek af aan de iconische serie. De mode, de scènes in New York en de ruimte voor karakterontwikkeling van alle vier de vrouwen missen in het boek. Daarnaast geeft de serie meer hoop, zelfvertrouwen, ontspanning en inspiratie. Het boek krijgt drie van de vijf sterren. De serie krijgt er overtuigend vijf!

Boeken / Fictie

Perec als maatschappijcriticus

recensie: De dingen – Georges Perec
vienna_boekenkastPixabay

Het eerste hoofdstuk van De dingen is Perec ten voeten uit: het boek opent met een ietwat oeverloos aandoende, nauwgezette beschrijving van een ouderwets-elitair ingericht appartement. Maar wat volgt is een opmerkelijk goed te volgen narratief dat in een heldere chronologie en zonder al te veel digressies wordt gepresenteerd.

Het is pas na het stilleven van de openingspassage – die leest als de beschrijving van een filmdecor en de manier waarop een camera dat decor zou moeten filmen – dat de protagonisten van het boek, Sylvie en Jérôme, worden geïntroduceerd. Bij het vertellen van het verhaal van deze personages lijkt Perec het principe show, don’t tell te hebben omgekeerd: De dingen bevat maar weinig afgebakende scènes, en bestaat hoofdzakelijk uit een aaneenschakeling van diepgaande analyses van de beweegredenen van Sylvie en Jérôme en van de patronen en gewoontes die hun leven kenmerken.

Het tell, don’t show dat Perec als uitgangspunt voor deze korte roman heeft gekozen, zorgt ervoor dat – zoals Manet van Montfrans in haar nawoord bij De dingen ook noemt – Sylvie en Jérôme in deze roman in feite niet waarlijk als personages fungeren. Zij staan eerder symbool voor de generatie die in de jaren ’60 voor het eerst in aanraking kwam met de consumptiemaatschappij. Ook al was Perec er niet bepaald door gecharmeerd, het feit dat hij naar aanleiding van de publicatie van De dingen tot socioloog van de consumptiemaatschappij werd gebombardeerd, heeft hij toch echt grotendeels aan zijn eigen keuze voor deze metapsychologische verteltrant te danken.

Symbool van een generatie

En inderdaad is er een meer romanachtige versie van De dingen denkbaar, waarin Sylvie en Jérôme als individuen meer uitgewerkt zouden zijn, waarin wij meer leren over hun achtergrond en de eigenaardigheden van hun relatie en waarin meer directe rede zou zijn gebruikt. Het boek was dan eerder opgevat als een vertelling met een maatschappijkritische ondertoon. Het is voor de geïnteresseerde lezer misschien de moeite waard om te onderzoeken of meer recente boeken zoals De perfecties van Vincenzo Latronico – waarvoor De dingen als inspiratiebron diende – of The Anthropologists van Ayşegül Savaş misschien niet waarlijke roman-manifestaties van De dingen zijn.

Doordat het boek niet in scènes is opgebouwd, komen Sylvie en Jérôme als karakters niet helemaal tot leven en voelt de tekst vrij analytisch aan. Maar toch is het vertelperspectief effectief. De analyses die Perec presenteert worden met grote regelmaat geïllustreerd aan de hand van pijnlijk concrete details die de tragiek en de noodlottigheid van het materialistische doolhof waarin de twee zich bevinden voor de lezer voelbaar maken. De lezer krijgt het gevoel met de neus op de feiten van de kapitalistische samenleving te worden gedrukt.

Het zijn die ludieke details waar Perec de lezer voortdurend op trakteert, die maken dat De dingen absoluut geen grote droge hap is. Zij zorgen ervoor dat het boek, als schets van een meerjarige psychosociale ontwikkeling van een individu dat tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort, toch uitermate levendig aanvoelt.

De dingen: een debuut als warming-up voor later werk

Het boek leest dus zeker niet als een sociologisch onderzoeksrapport. Sterker nog, De dingen is misschien wel een perfect boek voor wie behoefte heeft aan een inleiding tot het werk van Georges Perec: het verhaal is uniform qua perspectief, wordt in een redelijk zuivere chronologische volgorde verteld, en de metapsychologische analyses zijn toegankelijk geschreven. Het boek kent geen lange uitweidingen, geen labyrintische fractale effecten, geen enigmatische perspectiefwisselingen en geen ingewikkelde syntactische constructies. Kortom, de elementen die gemeenplaatsen zijn in veel van Perecs latere werk en die een groot deel van zijn oeuvre wat ontoegankelijk van aard maken. En toch bevat De dingen de aandacht voor sprekende details en onmiskenbare blijken van vertelplezier die voor Perec zo kenmerkend zijn.

De dingen heeft de kiemen van de typische, ingewikkelde Perec-stijl in zich die in latere boeken tot volle bloei zouden komen. Maar in dit boek lijkt Perec zich op dat vlak nog enigszins in te houden. Het boek is daarmee een toegankelijke instapper voor wie het werk van Perec beter wil leren kennen. Wie al is ingewijd in de wereld van deze fascinerende schrijver en een bewondering koestert voor de literaire vrijheid die Perec zich in zijn andere boeken zo duidelijk permitteert, zal De dingen misschien niet roemen als Perecs belangrijkste literaire verdienste. Het boek is immers wat ‘gewoontjes’ en redelijk conformistisch in vergelijking met zijn andere werk. Maar De dingen is wel een van de weinige boeken waarin Perec zich relatief onverholen maatschappijkritisch uitlaat. En dat is dan wel weer bijzonder.

Boeken / Fictie

Perfecte cadeautjes

recensie: Drie boekjes in de serie Van Oorschot Terloops
mamuka-jimshiashvili-jwxYvMCYMA0-unsplashMamuka Jimshiashvili voor Unsplash

Ruim drie jaar geleden schonken we op deze website al eens aandacht aan ‘de kostelijke serie boekjes Van Oorschot Terloops’. De serie is nog steeds alive and kicking. De boekjes met wandelingen, geschreven door bekende schrijvers, passen zó in binnenzak of tas. En in de zak met cadeautjes van de Kerstman.

Recent verschenen weer drie titels: De zakdoekjesboom van Hans Hagen, De duivelsberg van Daan Borrel en ten slotte Het kind en ik van Otto de Kat. Respectievelijk spelend aan de rand van het Gooi (bij ’s-Graveland), de 17de etappe van het Pieterpad bewandelend en zich bewegend rond Slot Loevestein. Alle drie voorin traditiegetrouw voorzien van een plattegrondje van het gebied, zodat je de wandelingen eventueel na zou kunnen lopen. Maar ook vanuit de leunstoel is het genieten geblazen.

De duivelsberg

Om te beginnen de wandeling van de schrijfster Daan Borrel (°1990), die in 2025 debuteerde met de roman De dragers. Deze stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2025. We beginnen ermee, omdat de auteur ook ingaat op het fenomeen ‘wandelen’.

Ze haalt Henry David Thoreau (Walking, 1851) aan. Hij beveelt aan te wandelen ‘in de geest van het eeuwige avontuur’. Dan ben je ‘een vrij man’, qua geest en lichaam. Wandelen in de wilde natuur. Vrouwen wandelen volgens Borrel op een andere manier: om te overleven ‘en voor hun water hele afstanden (…) naar een waterput (…) om eenmaal daar belaagd of ontvoerd te worden’. Of zoals Maria, de moeder van Jezus, zij ging ver te voet. Een kleine toespeling op het feit dat Daan Borrel tijdens een wandeling met haar moeder ontdekt dat ze zwanger is. Ze lopen door. Voor de lol. De titel van het boekje slaat op het pannenkoekenrestaurant waar ze uitrusten.

Door haar zwangerschap wandelt ze nog wel, ‘veel rondom het huis, en soms ook verder weg, toch bereikte ik niet meer dat vrije gevoel (…), die contemplatie, spirituele esthetische ervaring’. Toen Sadie, de dochter van Daan en Jelte, wat groter werd, moest ze ‘alleen een nieuwe vorm van vrijheid (…) ontdekken, één in afhankelijkheid’. En dat doet ze. Die zoektocht beschrijft ze subtiel en fijnzinnig.

De zakdoekjesboom

Meer dan een generatie ouder dan Daan Borrel is dichter en schrijver Hans Hagen (°1955). Hij weeft door zijn verhaal ook gedichten, zoals ‘kruidje’:

ze zeggen dat zelfs planten
lief kunnen hebben
het kruidje-roer-mij-niet bijvoorbeeld
de blaadjes vouwen zich samen
als je ze aanraakt
kruidje doet alsof hij dood is
tot je opnieuw aait
en weer
dan houdt hij zijn blaadjes wijd open
geen angst of pijn
aai meer

Hagen begint zijn wandeling bij zijn geboortehuis op Groenlust bij ’s-Graveland. Degene die de wandeling na wil lopen, kan bij de ingang van landgoed Gooilust beginnen, even verderop in het boek. De auteur haalt herinneringen op waaraan hij twijfelt. Net als Borrel, omdat haar moeder zich dezelfde belevenissen soms anders herinnert. ‘Ik weet bijvoorbeeld’, schrijft Hagen, ‘heel zeker dat een van de kalkoenen van (…) buren twee koppen had. Eentje van achteren en eentje van voren (…). Zelf gezien. Of zelf verzonnen?’

De auteur is duidelijk geïnteresseerd in de geschiedenis van de omgeving waar hij is geboren en nu wandelt. Die geschiedenis gaat terug op de families Corver Hooft, Six en Blauw. Hagen verweeft deze geschiedenis telkens met herinneringen aan zijn jeugd. Hoe hij zijn vriendjes onder het verhoogde terras van Blauw doorjoeg. Zoals bij Borrel telkens beelden bovenkomen van een wandeling met onder anderen haar moeder, die ze later overdoet. Hagen betrekt ook meer familieleden in zijn verhaal, dat daarom soms wat te veel uitwaaiert in het pendelen tussen vroeger en nu, de wandeling en de natuur.
De titel van het boekje slaat op de Davidia involucrata, de vaantjes- of zakdoekjesboom, die rond mei in bloei staat. ‘Dan hangen er rijen lichte zakdoekjes aan de takken, teer als vlindervleugels. Een klein wit doekje boven, een groter doekje onder als bloem.’

Het kind en ik

De titel van het boekje van Otto de Kat ten slotte is ontleend aan het gelijknamige gedicht van Martinus Nijhoff, dat voorin is afgedrukt. Telkens neemt de auteur – pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt (°1946), schrijver en onder meer ook oprichter van uitgeverij Balans – één of meer regels ervan om zijn verhaal aan op te hangen. Voor- en achteruit denkend in de tijd.

Het verhaal gaat terug tot de jongensjaren van de auteur, die zou gaan studeren, theologie met bijvak Nederlands, zoals de ik-figuur bij Nijhoff zou gaan vissen. De Kat maakt ‘een wak in het verleden’. Zijn stijl is even poëtisch als die van de dichter.
De Kat start zijn wandeling bij Brakel. Zijn vader ‘loopt met passen uit de eeuwigheid’ op hem af. Weer is het – net als bij Hagen – juni, en ‘er zijn tere kleuren groen’. Het doel van de wandeling is Slot Loevestein, ‘dwars door het Munnikenland, langs meertjes vol waterlelies en kuifeenden’.

Wandelen doen alle drie de auteurs door de natuur. Het is alleen eerder autorijden op zijn vijftiende, zonder leraar, dat De Kat vrijheid geeft, ‘losgezongen van de wereld’. Zijn fantasie gaat met hem op de loop. Hij denkt ‘aan Tempeliers en Geuzen en Spanjolen (…) en Cisterciënzers’, zoals jongens op die leeftijd doen.

De manier waarop De Kat geschiedenis en fantasie verweeft met het heden en wat er in het echt bestaat, is vloeiender en evenwichtiger dan de manier waarop Hagen dat doet. Poëtischer van taal ook. ‘Terug, telkens terug, in de tijd zeker, het gebied strekt zich uit in zijn eigen verleden. Heeft het landschap een geheugen? Ja, hier wordt het bewezen, het hele Munnikenland ademt achteruit.’

Het is natuurlijk wat je als lezer aanspreekt, of degene die je een of meer boekjes cadeau zou willen doen. Daar kun je je (kerst)cadeautje(s) op uitzoeken. Voor elck wat wils. Vol verlangen zien we uit naar de komende delen in deze prachtige serie!

  • Daan Borrel, De duivelsberg
    Een wandeling
    64 pagina’s
    ISBN 9789028252103
  • Hans Hagen, De zakdoekjesboom
    Een wandeling
    88 pagina’s
    ISBN 9789028251373
  • Otto de Kat, Het kind en ik
    Een wandeling
    64 pagina’s
    ISBN 9789028253049