Tag Archief van: boeken

Boeken / Non-fictie

Terug naar de geschiedenisles

recensie: Europese geschiedenis voor beginners – Jacob F. Field
Europese geschiedenis voor beginnersBol.com

Wie heimwee heeft naar de geschiedenislessen op de middelbare school, kan met Jacob F. Field terug naar die tijd. In Europese geschiedenis voor beginners neemt Field de lezer mee naar alle onderwerpen die toen werden besproken.

Iedereen kent de vaste onderwerpen uit de geschiedenislessen nog: de 80-jarige Oorlog, de Grieken en de Romeinen en natuurlijk de ontdekkingsreizen. In Europese geschiedenis voor beginners neemt Jacob Field je in vogelvlucht mee door de gebeurtenissen die ons continent hebben gevormd tot hetgeen dat het nu is. Het begint in de bronstijd en eindigt in het nu. Het is alsof je weer even op de schoolbanken zit.

Vogelvlucht

Door in het kort de geschiedenis van Europa te bespreken, creëert Field een compleet overzicht. Alle hoogtepunten komen aan bod, van de rol die de Grieken en de Romeinen speelden in de ontwikkeling van het continent tot de Brexit. Voor iedereen die zoekt naar een boek dat de bekendste gebeurtenissen van het Europese vasteland bespreekt, stop vooral met zoeken. Je hebt het gevonden!

De diepte in

Wat Europese geschiedenis voor beginners extra goed maakt, is dat het onderwerpen nuanceert door extra informatie te geven in blokjes. Voor een leek geeft dit verduidelijking bij de onderwerpen, terwijl het voor de doorwinterde geschiedlezer een toevoeging biedt.

Wie het geschiedeniscurriculum op de middelbare school van meerdere landen met elkaar zou vergelijken, ziet dat in elk land ongeveer dezelfde onderwerpen worden behandeld, zoals de Franse Revolutie, de oudheid en de wereldoorlogen. Field haalt dezelfde onderwerpen aan in zijn boek, waardoor dit werk als een sterke gids kan worden gezien voor iedereen die meer wil weten over de historische vorming van het Europese continent.

Perspectief

Het is onder historici een logische vraag om te stellen wanneer er naar geschiedkundig werk wordt gekeken: tot welk perspectief moet het werk zich verhouden?
Bij een boek zoals Europese geschiedenis voor beginners kunnen er meerdere problemen ontstaan. De een zou kunnen beargumenteren dat het werk van Field te eurocentrisch is: er wordt zo veel op Europa gefocust dat de rol van andere continenten in de ontwikkeling van Europa buiten beschouwing wordt gelaten. Anderzijds zou er, voor de beste weergave van de Europese geschiedenis, gezegd kunnen worden dat deze continenten juist buiten beschouwing moeten blijven.
In dat opzicht doet dit boek precies wat het moet. Het heet niet voor niets Europese geschiedenis voor beginners. Aangezien het werk leesbaar moet zijn voor iedereen die de Europese geschiedenis wil begrijpen, focust Field zich enkel op Europese gebeurtenissen. Hij doet dit niet op een eurocentrische manier. Soms legt hij een link naar andere gebeurtenissen op andere continenten, maar hij behoudt de focus op Europa. Zo kan het gezien worden als een neutraal boek, waarbij de focus op het Europese perspectief ligt. Field heeft zijn werk ontzettend goed gedaan.

Boeken / Non-fictie

Terug naar de geschiedenisles

recensie: Europese geschiedenis voor beginners – Jacob F. Field
Europese geschiedenis voor beginnersBol.com

Wie heimwee heeft naar de geschiedenislessen op de middelbare school, kan met Jacob F. Field terug naar die tijd. In Europese geschiedenis voor beginners neemt Field de lezer mee naar alle onderwerpen die toen werden besproken.

Iedereen kent de vaste onderwerpen uit de geschiedenislessen nog: de 80-jarige Oorlog, de Grieken en de Romeinen en natuurlijk de ontdekkingsreizen. In Europese geschiedenis voor beginners neemt Jacob Field je in vogelvlucht mee door de gebeurtenissen die ons continent hebben gevormd tot hetgeen dat het nu is. Het begint in de bronstijd en eindigt in het nu. Het is alsof je weer even op de schoolbanken zit.

Vogelvlucht

Door in het kort de geschiedenis van Europa te bespreken, creëert Field een compleet overzicht. Alle hoogtepunten komen aan bod, van de rol die de Grieken en de Romeinen speelden in de ontwikkeling van het continent tot de Brexit. Voor iedereen die zoekt naar een boek dat de bekendste gebeurtenissen van het Europese vasteland bespreekt, stop vooral met zoeken. Je hebt het gevonden!

De diepte in

Wat Europese geschiedenis voor beginners extra goed maakt, is dat het onderwerpen nuanceert door extra informatie te geven in blokjes. Voor een leek geeft dit verduidelijking bij de onderwerpen, terwijl het voor de doorwinterde geschiedlezer een toevoeging biedt.

Wie het geschiedeniscurriculum op de middelbare school van meerdere landen met elkaar zou vergelijken, ziet dat in elk land ongeveer dezelfde onderwerpen worden behandeld, zoals de Franse Revolutie, de oudheid en de wereldoorlogen. Field haalt dezelfde onderwerpen aan in zijn boek, waardoor dit werk als een sterke gids kan worden gezien voor iedereen die meer wil weten over de historische vorming van het Europese continent.

Perspectief

Het is onder historici een logische vraag om te stellen wanneer er naar geschiedkundig werk wordt gekeken: tot welk perspectief moet het werk zich verhouden?
Bij een boek zoals Europese geschiedenis voor beginners kunnen er meerdere problemen ontstaan. De een zou kunnen beargumenteren dat het werk van Field te eurocentrisch is: er wordt zo veel op Europa gefocust dat de rol van andere continenten in de ontwikkeling van Europa buiten beschouwing wordt gelaten. Anderzijds zou er, voor de beste weergave van de Europese geschiedenis, gezegd kunnen worden dat deze continenten juist buiten beschouwing moeten blijven.
In dat opzicht doet dit boek precies wat het moet. Het heet niet voor niets Europese geschiedenis voor beginners. Aangezien het werk leesbaar moet zijn voor iedereen die de Europese geschiedenis wil begrijpen, focust Field zich enkel op Europese gebeurtenissen. Hij doet dit niet op een eurocentrische manier. Soms legt hij een link naar andere gebeurtenissen op andere continenten, maar hij behoudt de focus op Europa. Zo kan het gezien worden als een neutraal boek, waarbij de focus op het Europese perspectief ligt. Field heeft zijn werk ontzettend goed gedaan.

Boeken / Fictie

Parallellen, parallellen, parallellen

recensie: Moeder atoomhart – Agustín Fernández Mallo
Cover moeder atoomhartStandaard boekhandel

Moeder atoomhart is waarschijnlijk het persoonlijkste werk van Agustín Fernández Mallo dat tot dusverre in het Nederlands is vertaald. In dit boek lezen we over het leven en overlijden van de vader van de schrijver, en over het rouwproces van laatstgenoemde. Moeder atoomhart is bovendien het verslag van een zoektocht: Fernández Mallo zoekt naar wie zijn vader eigenlijk was, hoe hij zich zelf tot de man verhield en naar een manier, naar een liefst fysiek artefact, om de herinnering aan zijn vader te laten voortleven.

Uit de Nocilla-trilogie en uit de Trilogie van de oorlog bleek al dat Agustín Fernández Mallo een voorliefde heeft voor opmerkelijke parallellen in de tijd, toevallige verbanden en herhalingen van bepaalde specifieke gebeurtenissen. Ook Moeder atoomhart wemelt van dezelfde soort schijnbaar willekeurige overeenkomsten. Soms zijn dergelijke parallellen heel concreet. Zo komt de schrijver tijdens een reis door de Verenigde Staten ergens in het Midden-Westen oog in oog te staan met een Hereford-koe, precies zoals een koe recht in de camera van zijn vader keek toen die decennia eerder een vergelijkbare reis maakte.

Metonymische verbindingen

Soms echter is de parallel indirecter, meer metonymisch van aard. Zo vertelt Fernández Mallo hoe hij eens met zijn vader een vliegende schotel zag in de lucht boven Galicië. Het object kon worden geïdentificeerd als een ufo, omdat het een zogenaamde niet-ballistische beweging maakte: het bewoog zich niet volgens ‘de natuurlijke baan die dingen in de lucht beschrijven’.

Een paar pagina’s later beschrijft hij hoe hij zijn vader, die hij eerst slechts aanschouwde vanuit hun affectieve band van vader en zoon, na een zeker incident een paar maanden voor diens dood kon beschouwen met een emotionele afstand die de schrijver ‘paradoxaal genoeg juist dichter bij [mijn vaders] verleden en zijn drijfveren in het leven zou brengen’. Oftewel: zijn vader heeft plotseling de ballistische baan van de emotionele verbintenis in overdrachtelijke zin onderbroken. Fernández Mallo heeft het op een bepaald punt over een ervaring die ‘op metaforische wijze vertaald’ wordt in iets anders. Inderdaad lijkt metaforisch vertalen een uitstekende beschrijving voor een literair motief dat Fernández Mallo keer op keer aanwendt.

Betekenisvolle synchroniciteit

De parallellen die zo centraal staan in het werk van Fernández Mallo kunnen misschien best worden aangeduid met wat Carl Gustav Jung de ‘betekenisvolle synchroniciteit’ noemde. Inderdaad lijken dergelijke coïncidenties voor Fernández Mallo betekenisvol te zijn; zij stellen voor de schrijver meer voor dan verwaarloosbare en insignificante manifestaties van het toeval. Hoewel Fernández Mallo’s voorliefde voor opmerkelijke verbanden, die uit een groter deel van zijn oeuvre blijkt, op zich al een bewonderenswaardige literaire verdienste uitmaakt, dient die in Moeder atoomhart bovendien nog een ander doel: in dit boek is de zoektocht naar betekenis in structuur verwant aan een zoektocht naar betekenis achter de dood van zijn vader.

Een persoonlijk document

Het boek bevat een aantal ontroerende mijmeringen over het verschijnsel ‘dood’, waarin de schrijver zich, meer dan in zijn andere boeken, van zijn menselijke, emotionele kant laat zien. Die meer persoonlijke passages slaan des te meer aan, omdat zij tamelijk scherp afsteken tegen de wat killere en intellectuele ‘schrijver als kunstenaar’ die naar voren komt uit de synchroniciteiten, die Fernández Mallo maar blijft benoemen.

De passages over de dood en over het leven zijn soms wat hermetisch. Maar zij zijn goed gedoseerd, waardoor hun ondoordringbaarheid niet storend wordt en juist bijdraagt aan het gevoel een echt persoonlijk document te lezen: ieder mens ervaart de dood immers op een heel eigen manier. Fernández Mallo benoemt wat er mooi en wat er treurig was aan de relatie die hij met zijn vader had, en stelt op liefdevolle wijze herinneringen aan zijn vader op schrift. Ook is hij openhartig over zijn eigen schrijfproces: hij vertelt over zijn inspiratiebronnen en schrijft over de relatie tussen de dood in het algemeen, het sterven van zijn vader en het schrijven van fictie.

Schrijven om te leven

Agustín Fernández Mallo behoort – in elk geval samen met György Konrád en mogelijk met nog meer – tot een groepje van schrijvers uit wiens memoires pas écht duidelijk wordt hoezeer zij zich thuis voelen in het schrijven. In die memoires wordt immers het literaire bedrijf ingezet om de eigen levenservaringen te verwerken. Het lijkt niet overdreven om te stellen dat, om die reden, memoires zoals die van Fernández Mallo aantonen hoezeer het schrijven voor de auteur is verbonden met het gezond houden van de geest en daarmee met het voortbestaan van de schrijver zelf.

Al met al is Moeder atoomhart door de voor iedereen bekende thematiek van de dood en door het relatief lage aantal pagina’s goed toegankelijk voor lezers die niet zijn ingewijd in het literaire universum van Agustín Fernández Mallo. Voor wie deze auteur al wel beter kent, biedt Moeder atoomhart een welkome herbeleving van de literaire fascinaties van deze bijzondere Spaanse schrijver, en een goede gelegenheid om de schrijver los van zijn kunstenaarschap wat beter te leren kennen.

Film
special: Odyssee – Homerus
Filmstill The OdysseyUniversal Studios. All Rights Reserved. (via Filmdepot)

‘Hoe het leven de dood overwint’

Van het Griekse epos Odyssee van Homerus zijn al heel wat hervertellingen gemaakt. Na de film The Return (2024) zijn er ook daarna heel wat verschenen. Recent zijn dat een bewerking in taal en tekeningen door Barry Powell en Joanna Lisowiec en een film in IMAX 70mm, geschreven en geregisseerd door Christopher Nolan en in beelden gevangen door Hoyte van Hoytema.

Een hervertelling is wat anders dan een vertaling, maar de basisvragen voor de verteller, vertaler en filmmaker zijn dezelfde: hoe dicht blijf je bij de brontekst, hoeveel sfeer roep je op, wat zet je extra aan, wat laat je eventueel weg? We kunnen het Homerus niet meer vragen, maar je maakt als herverteller en filmmaker je eigen afwegingen en interpretatie: iets meer van dit, iets minder van dat. Vragen als hoe dicht je bij het oorspronkelijke taaleigen en metrum blijft, laat je primair aan vertalers over.

Powell, Lisowiec en Nolan

Barry Powell is auteur van onder meer Classical Myth en specialist in het werk van Homerus (ca. 820 voor Chr.). Hij heeft zowel de Ilias als de Odyssee vertaald. Joanna Lisowiec is bekend door de verschillende kinderboeken die ze illustreerde, maar ook van de Meditaties van Marcus Aurelius, die net als De geïllustreerde Odyssee bij Noordboek is uitgegeven.
Christopher Nolan is een bekende naam in de filmwereld, dus de verwachtingen waren hoog gespannen. Maar eerst het boek van Powell en Lisowiec.

Het tijdloze epos herverteldOmslag De geïllustreerde Odyssee

In de inleiding van Powells geïllustreerde hervertelling geeft de bewerker al veel prijs over zijn interpretatie van het verhaal van Homerus. ‘De hoofdlijn’, schrijft hij, ‘bestaat uit een oud verhaal over hoe het leven de dood overwint.’ Odysseus staat voor het leven, de monsters en de zee staan voor de dood. De Odyssee ‘schetst (…) een moreel universum waarin gerechtigheid heerst’. Het leed van de mens is het gevolg van eigen keuzes (hoe modern is dat!) en niet van het noodlot. ‘De vrijers hebben domweg geen respect voor de goden of de morele orde. Dat is hun eigen beslissing. En daarom moeten ze sterven.’

Het begin van Powells hervertelling zal veel gymnasiasten bekend voorkomen:

O Muze, laat mij het verhaal zingen
van Odysseus, man van vindingrijkheid,
moed en wijsheid, en van zijn epische reis
naar huis vanuit Troje!

Moesten gymnasiasten niet, om het metrum in de vingers te krijgen, dit uit het hoofd leren en hardop reciteren? Bij een andere hervertelling, van Stephen Fry (Thomas Rap, 2024), ontbreekt dit iconische begin. Hij vertelt het verhaal op een toegankelijke manier, waar Powell poëtischer is. Iets meer belerend ook dan Fry. Neem bijvoorbeeld een opmerking als: ‘De meeste mensen zijn snel boos, heb ik ondervonden.’ Daar staan de vele dichterlijke beelden tegenover, zoals die over de dood: ‘De pezen klemmen het vlees niet langer op de botten en de ziel vlucht weg als een droom.’
Zelfs Powells fantasie is gebaseerd op wat op grond van gegevens wordt verondersteld. Odysseus heeft, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘krachtige handen’. Even verderop lezen we dat onze held een goede discuswerper was, wat weer anticipeert op een later, doorslaggevend moment met een speer en een boog in het verhaal.

Ook de tekeningen zijn fantasievol, hoewel duidelijk gebaseerd op de ‘realiteit’. Zo is er een amfoor in zwartfigurige stijl met een roodbruine achtergrondkleur. Wie iets van de Griekse kunstgeschiedenis weet, herkent de oud-Griekse stijl. De stijl van de tekeningen doet soms ook denken aan die van negentiende-eeuwse litho’s of aan de Japanse kunstenaar Katsushika Hokusai uit dezelfde eeuw.

Penelope, Odysseus’ vrouw, wordt afgeschilderd als een vrouw die weet wat ze wil. Ze wil haar man terug en met list en bedrog de vrijers die op haar azen van zich afhouden. Eumaios, de dienaar van de hoofdfiguur, wil haar met veel omhaal van woorden van een plan afbrengen. Ze gaat er niet op in en blijft bij haar standpunt. Zo standvastig komt ze ook over op de grotendeels uit panelen bestaande, kleine tentoonstelling Tegendraads in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden: ‘van gelijke roem als Odysseus’ (nog t/m 9 augustus 2026 te zien).

Het tijdloze epos verfilmd

Laten we vervolgens bekijken in hoeverre de observaties bij het boek van Powell en Lisowiec van toepassing zijn op Nolans verfilming van de Odyssee. Een kijkervaring van bijna drie uur, die omvloog.

Ook de film begint met een lofzang, ditmaal op de Griekse beschaving. De film eindigt met een indrukwekkende epiloog waarin de teloorgang van die beschaving wordt genoemd en die te wijten zou zijn aan een man. Dat betrekt Odysseus op zichzelf, maar je mag er ook een toespeling op de man met het oranje haar in zien. Toch biedt de epiloog ook hoop. De zon gaat weliswaar telkens weer onder, maar komt ook weer op. Een beeld dat door heel Homerus’ Odyssee en aan het begin en eind van de film wordt gebruikt, zoals Powell het beeld van het leven dat de dood overwint bezigt.

Het morele universum dat Nolan schildert, is dat van wat de Wet van Zeus wordt genoemd: de code uit de Griekse mythologie die stelt dat vreemdelingen als gasten moeten worden behandeld. Een code die in de Odyssee dikwijls wordt geschonden, maar waar in de film telkens op wordt gewezen. De scène met de vrijers, die geen respect voor welke morele orde dan ook hebben, is in de film wel erg spectaculair en duurt wat aan de lange kant. Andere passages uit het boek zijn juist ingedikt en er zijn ook scènes aan toegevoegd, zoals de oorlog in Troje, die in de Odyssee wel het startpunt is, maar verder geen rol van betekenis meer speelt.

Odysseus benadrukt dat het verhaal moet worden gezongen. In die zin speelt muziek in de film een grote rol. De muziek is gecomponeerd door de Zweed Ludwig Göransson. Het is muziek die in het verlengde ligt van realistische klanken; bijvoorbeeld wanneer de boog wordt gespannen en de speer wegvliegt. Net zoals Powell aan het begin en aan het eind de kracht waarmee Odysseus de boog spant benadrukt. In beide gevallen, aan het begin en aan het eind, is de muziek hetzelfde, zodat je van een Wagneriaans leitmotiv kunt spreken. Iets soortgelijks, waarbij de muziek aansluit op in de werkelijkheid voorkomende geluiden, gebeurt wanneer de schapen in de grot van de cycloop (gespeeld door Bill Irwin) worden getoond.

Net als Powell (‘De meeste mensen zijn snel boos’) is ook Nolan op z’n tijd aan de uitleggerige kant. Met name Helena van Troje (een dubbelrol van de zwarte actrice Lupita Nyong’o, die ook Klytaimnestra speelt) lijdt aan dit euvel wanneer ze aan haar man Menelaos een en ander zit uit te leggen.
De vrouwen bij Nolan zijn overigens allemaal sterke vrouwen, die staan voor hun mening. Ook Penelope, maar het blijft een beetje bij een aanzet. Ze is zeker niet ‘van gelijke roem als Odysseus’, zoals ze in de tentoonstelling in Leiden wordt neergezet.

Ook de details in de film zijn aan de ‘realiteit’ ontleend, net als de muziek. Al zijn de amforen die in het paleis van Odysseus staan zeldzame, niet-gedecoreerde exemplaren, in tegenstelling tot die op de tekeningen van Joanna Lisowiec. Ook in de aanloop naar de film werd in artikelen op zulke afwijkende details gewezen, al wist Nolan die opmerkingen telkens te pareren.

Het is al met al te hopen dat het filmspektakel en meer dan dat, bezoekers nieuwsgierig maakt naar het verhaal van Homerus waarop het is gebaseerd. Als ze het niet al kennen natuurlijk. Daarbij is de geïllustreerde hervertelling van Barry Powell en Joanna Lisowiec een fijne gids. Je hoeft er geen Grieks voor te kennen of weet te hebben van kunststijlen. Pak het op en geniet ervan, ook los van elkaar.

De geïllustreerde Odyssee. Het tijdloze epos herverteld
Bewerker: Barry Powell

Illustraties: Joanna Lisowiec
Uitgever: Noordboek
Prijs: € 29,90
Bladzijden: 256
ISBN: 9789464714814
Beoordeling: 4,5 sterren

The Odyssey
Script en regie: Christopher Nolan

Jaar: 2026
Distributeur: Universal Pictures
imdb: https://www.imdb.com/title/tt33764258/
Beoordeling: 4,5 sterren

Boeken / Fictie

Over bier en Bach

recensie: HERSCHT 07769 - László Krasznahorkai
HERSCHT 07769 -László Krasznahorkaibol.com

De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur moest van de stichter Alfred Nobel berusten op ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’. Mogelijk en in het kader van de huidige tijden is deze inhoudelijke meetlat – naast alle andere literaire kwaliteiten die meespelen – een interessante invalshoek. De toekenning van de prijs in 2025 aan de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd door de jury gemotiveerd als het ‘meeslepende visionaire oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’.

De roman HERSCHT 07769 van László Krasznahorkai verscheen in 2023 op de Nederlandse markt. De Nobelprijs is in tegenstelling tot veel andere literatuurprijzen niet de bekroning van één werk, maar van alle werken. HERSCHT 07769 – hoewel in de ogen van diverse critici niet zijn allersterkste werk – is een meesterlijke roman en een waardige pars pro toto voor het imponerende oeuvre van deze veelvuldig bekroonde en bejubelde schrijver.

Homo homini lupus

‘Hoop is een vergissing.’ Met deze openingszin wordt de toon in HERSCHT 07769 verpletterend gezet. Florian, de enigmatische protagonist van dit duistere verhaal, is werknemer bij de eigenaar van een schoonmaakbedrijfje met de omineuze naam ALLES WIRD REIN. Deze man, bijgenaamd de Boss, is tevens leider van het peloton, een lokaal zeer dubieus politiek collectief. Florian is door zijn onbehouwen werkgever uit een weeshuis naar het fictieve en op het oog vredige stadje Kana in Oost-Thüringen gehaald. Geheel onverwacht wordt het stadje verrast door een aantal mysterieuze en verontrustende gebeurtenissen. Tot grote ergernis van de Boss en gealarmeerde burgers verschijnen er op diverse gebouwen, die op enige wijze verbonden zijn met de componist Johann Sebastian Bach, half afgewerkte graffiti in de vorm van wolvenkoppen en de dreigende boodschap ‘Wir kommen…’. Het schoonmaakbedrijfje vaart er wel bij, echter de Boss wordt razend om de heiligschennis van zijn idool. Een andere bedreiging die de gehele bevolking van Kana angst aanjaagt, is de plotselinge en nooit eerder voorgevallen komst van wolven die er niet voor terugdeinzen bewoners aan te vallen.

Het universum Kana: een geniale orkestratie

Kana is een conservatieve gemeenschap van Kleinbürger die niet voor niets gesitueerd is in Thüringen. Deze Duitse deelstaat speelde een belangrijke rol in de groei en verspreiding van het nationaalsocialisme en het antisemitisme vanaf eind jaren twintig van de vorige eeuw. Het is berucht om de vernietigingskampen van het nazistisch regime die daar gevestigd waren. Tegenwoordig is de extreemrechtse beweging wederom zeer sterk vertegenwoordigd in de regio.

In het beeld dat geschetst wordt van Kana blijkt zijn bevolking door de eeuwen heen tot in het DNA verankerd met obsolete gebruiken en tradities. We zien dat de burgers uit alle sociale lagen van deze kleine gemeenschap – hoewel sommigen met schaamte – gehecht zijn aan hun varkenslever, bier, bockworst en triviale festiviteiten. De mislukkingen uit het verleden leiden niet tot nieuwe inzichten.

Aan de hand van Florian, die met zijn open en onschuldige karakter contact legt met bewoners van allerlei aard, componeert het meesterlijke genie Krasznahorkai met bachiaanse contrapunt en dissonantie een helse microkosmos in één ademloze, en de gehele roman durende, meanderende zin. Het poëtisch en ritmisch proza waar – schijnbaar achteloos en ongeordend – hoofdstuktitels hun weg dwars door de lopende tekst vinden, geeft extra meerwaarde aan het nihilistische verhaal van chaos, destructie en betekenisloosheid. Tegelijkertijd creëert het ook virtuoos de onderstroom van een ander verhaal. Florian, wellicht een strijdende Übermensch zoals Nietzsche voor ogen had, een mens die zich bevrijdt van de christelijke moraal, kleinburgerlijke tradities en laf kuddegedrag, zal uiteindelijk ervaren dat men – geheel in de visie van Arthur Schopenhauer waar Nietzsche in Also sprach Zaratusthra afstand van poogde te nemen – via kunst, mededogen en ascetisme de troosteloze realiteit kan ontstijgen.

Boeken / Non-fictie

De spiegel van onze welvaart

recensie: Lang zal ik lekker leven – Peter Kanne
Lang zal ik lekker levenbol.com

Nederlanders hebben het internationaal gezien he-le-maal voor elkaar. We zijn niet alleen een van de meest welvarende volkeren ter wereld, maar ook nog eens een van de gelukkigste én gezondste. Waar we ook in uitblinken? Klagen, klagen en nog eens klagen. Het maatschappelijk onbehagen is groot en we vervallen liever in collectief gemopper dan dat we onze zegeningen tellen. Hoe kan het dat een land dat zo floreert, zichzelf opscheept met zo’n gitzwart toekomstbeeld?

In zijn actuele boek Lang zal ik lekker leven houdt opinieonderzoeker Peter Kanne (bekend van Ipsos I&O) de Nederlandse burger een even fascinerende als confronterende spiegel voor. Hij fileert onze ‘ik-verslaving’ en legt bloot hoe onze diepgewortelde genotzucht de basis van onze eigen samenleving ondermijnt.

De paradox van de gelukkige consument

Natuurlijk is de prikkelende titel van het boek ironisch bedoeld. ‘Lang zal ik lekker leven’ is niet slechts een zinspeling op het bekende verjaardagsliedje ‘Lang zal ik leven’, maar is inmiddels ook de open en bloot verkondigde lijfspreuk van menig Nederlander. Kanne schetst het beeld van een samenleving die is doorgeslagen in consumentisme en hedonisme. We willen overal direct van genieten zonder de daadwerkelijke prijs ervoor te betalen. Goedkope vliegtickets winnen het van onze vliegschaamte en ieder klein hebbedingetje willen we enkel en alleen voor een schrikbarende dumpprijs in handen krijgen. Maar hoe zit het dan met onze ecologische voetafdruk? Tja, de meeste Nederlanders kijken niet of nooit achterom, zich niet realiserend welke diepe sporen ze achterlaten met hun onverzadigbare hebzucht. We beschouwen onze extreme welvaart en vrijheid niet langer als een privilege dat onderhouden moet worden, maar als een vanzelfsprekend basisrecht.

Het probleem is volgens Kanne dat dit consumptieve gedrag een verslaving is geworden die ons in de tang houdt. De ‘ik-cultuur’ viert hoogtij. We zijn bovengemiddeld optimistisch over ons eigen leven en onze directe omgeving, maar tegelijkertijd diep pessimistisch over de toekomst van het land en de wereld. In plaats van in actie te komen, trekken we ons massaal terug in onze eigen, comfortabele bubbel. We eisen een perfect functionerende overheid en zorgeloos genot, maar weigeren daar als individu de prijs voor te betalen.

Harde data in plaats van oude koeien

De aanklacht tegen het individualisme en de consumptiemaatschappij is op zichzelf niet nieuw. Critici zouden het boek daardoor makkelijk kunnen wegzetten als ‘een oude koe uit de sloot’. Daarmee zou Kannes werk schromelijk tekort worden gedaan. Het grote fundament en de absolute kracht van Lang zal ik lekker leven ligt in de achtergrond van de auteur. Als senior onderzoeksadviseur bij Ipsos I&O bouwt Kanne zijn betoog niet op morele verontwaardiging of onderbuikgevoelens, maar op een berg aan harde data, opiniepeilingen en wetenschappelijk onderzoek. Dat maakt dat je Kanne meteen gelooft.

Per hoofdstuk ontleedt hij objectief wat de Nederlander daadwerkelijk doet, denkt en laat. Hij toont aan hoe het huidige economische en sociale systeem onze genotzucht in stand houdt, en hoe gretig de burger dat accepteert. De manier waarop Kanne deze gigantische hoeveelheid complexe data structureert en vertaalt naar een vlot, helder en uiterst leesbaar verhaal is bewonderenswaardig. Hij beschikt over een scherpe, humoristische pen die de bittere maatschappelijke realiteit nergens loodzwaar maakt.

Tegelijkertijd verwordt het boek hier en daar ietwat ‘taai’. De hoeveelheid getallen die voorbijkomt, doet je zo nu en dan duizelen. In principe lijkt het soms net een uit de hand gelopen scriptie of een wel erg dik wetenschappelijk artikel.

De crisis van de weerbaarheid

Een centraal en verontrustend thema in het boek is het verlies van onze collectieve weerbaarheid. Wie is er vandaag de dag nog bereid om offers te brengen? De meeste post-babyboomers kennen het concept ‘oorlog’, ‘armoede’ of een andere hoedanigheid van een crisis niet meer. Het is een ‘ver-van-hun-bedshow’ en alleen via sociale media kunnen ze hier een glimpse van zien. Je zou kunnen stellen dat we inmiddels moreel failliet zijn en een stelletje luilakken geworden zijn.

Dit heeft grote gevolgen voor urgente dossiers zoals de klimaatcrisis, de woningmarkt en de houdbaarheid van de democratie. Kanne waarschuwt dat deze extreme focus op het individu zich onherroepelijk tegen ons zal keren. Wanneer de overheid of het systeem hapert, ontbreekt het ons aan de nodige zelfredzaamheid om de klappen op te vangen. Het boek functioneert hierdoor als een dringend moreel appel: we moeten afkicken van de ‘ik-verslaving’ en de transitie maken naar een hernieuwd ‘wij-gevoel’.

Broodnodig: een kritische blik

Lang zal ik lekker leven is een buitengewoon boeiende schets van het hedendaagse Nederland. Peter Kanne is erin geslaagd een boek te schrijven dat zowel schuurt als amuseert. Het is zeker niet Kannes doel om Nederlanders te bekritiseren en een morele les te leren. Nee, dit boek is eerder het middel om zijn landgenoten tot inkeer te brengen (met alle goede intenties vandien).

Het boek is een absolute must-read voor beleidsmakers, politici (het werd niet voor niets direct overhandigd aan politieke kopstukken in Den Haag) en iedereen die geïnteresseerd is in de psychologie van de Nederlandse burger. Kanne dwingt de lezer om kritisch naar de eigen rol in de samenleving te kijken. Het boek daagt ons uit om de koffietafelgesprekken te staken en de fundamentele vraag te stellen: durven we nog te kiezen voor solidariteit, of blijven we slaapwandelend genieten tot de bubbel barst?

Boeken / Fictie

Zoektocht naar samenhang maar mist verbinding

recensie: Een woord voor - Eva Meijer
Een woord voorbol.com

Recensie, bespreking, essay, verslag. Voor deze tekst bestaan er genoeg woorden om uit te kiezen. Maar tekst zelf? Of boek? Een woord voor brengt ons een dystopisch beeld van wat er gebeurt met een samenleving, met een mens, als de taal verdwijnt waarin we ons uitdrukken.

De eerste paar woorden die verloren gaan geven nog niet veel reuring. Zo wordt het verdwijnen van het woord ‘archaïsch’ bijvoorbeeld alleen opgemerkt door een classicus en een archeoloog. Het woord ‘ekster’ is echter al snel een bron van speculatie op social media. ‘Hadden we geen term voor deze zwart-witte praatgrage vogels?’ vraagt Uma (dichteres en een van de hoofdpersonages in het verhaal) zich af. De kleur ‘geel’ brengt de eerste tekenen van verdeeldheid in de samenleving. ‘Zon’ wordt door een groot deel van Nederland als vervanger gekozen, maar daar kan niet iedereen zich in vinden. Alkmaar en Gouda kiezen, gezien hun achtergrond, begrijpelijkerwijs voor ‘kaas’. Noord- en Oost-Nederland gaan hierin mee. Zeeland kiest voor ‘stro’, en Limburg voor ‘kanarie’. Meijer geeft er, samen met een scène van een FvD-politicus die pleit voor het oer-Hollandse ‘kaas’ in plaats van de ‘import-zon’, ook een politieke connotatie aan. Taal is universeel, maar taal is ook persoonlijk, ambigu en kan verbinden, maar ook verdelen.

Taalvirtuoos

Eva Meijer laat door het hele boek heen zien dat ze een woordkunstenaar pur sang is. Het spelen met stijlfiguren, poëtische strofen en een voelbare strijd met woordverlies worden gecombineerd met fascinerende etymologische achtergrondkennis. Bij elk verdwenen woord (lettercluster als vervanger) refereert Meijer aan de oorsprong, het gebruik en de zichtbare liefde voor taal.

Een prachtig voorbeeld:

Er was een (niet-lettercluster) voor mij.
Zelf. Niet-jij. Niet-ander.
Alleen, geen-wij.
Geen-jullie, geen-zij.
Er was voor mij van mij.
Was-mij. Zijn wij, is, … ben.
Besta. Is. Was.
Eerste persoon enkelvoud.
Hoofdpersoon, eigen leven, zoals jij maar dan van mij.
Welk zelf is nog van zichzelf? Alleen. I.

Het is een emotioneel geladen ode, een zoektocht en een liefdesverklaring.

De plank misslaan

Een mooi Nederlands gezegde, en toepasbaar op enkele invalshoeken in het verhaal. Er wordt in de eerste plaats veel nadruk gelegd op non-binariteit in de vorm van het personage Mik. Uma, de romantische interesse van Mik, vraagt al snel naar Miks gewenste aanspreekvorm, waarna door het hele verhaal een aaneenschakeling van huns en hens volgt.

Hoe een lezer ook over deze thema’s denkt, taalkundig gezien is het gebruik van meervoudige voornaamwoorden voor een individu discutabel te noemen. En als het belang wordt benadrukt van iemands voorkeur hierin, dan strookt het dat Meijer voor de rest van de personages dit ongevraagd invult.

Een tweede punt van kritiek kun je zetten bij de rol van de politiek in het verhaal. De regering, die, net als in het echte leven, steeds verder wordt verrechtst, lijkt al snel aan te sturen op een volledige transitie naar het Engels als primaire voertaal. Onder andere de voordeligheid in het bedrijfsleven wordt hier als bijkomend argument gebruikt. Ook hier ontbreekt wederom de logica. Het gebruik van het Nederlands op universiteiten staat onder druk, een veranderende terminologie bij politiek beladen thema’s en zogeheten sensitivity-readers die bijvoorbeeld de boeken van Roald Dahl onder handen hebben genomen, zijn voorbeelden van tendensen die je eerder kan labelen aan de linkerkant van het spectrum.

Het is jammer dat Eva Meijer een aanvankelijk interessante premisse met deze wendingen een te belerend, kosmopolitisch laagje geeft. Een woord voor is poëtisch, uniek, maar te politiek geladen om lang bij stil te blijven staan. Jammer, zonde, helaas, alas.

Boeken / Fictie

Een bestseller die zijn naam nog steeds waarmaakt

recensie: Herman Koch – Het diner
Het dinerbol.com

Het werd in 33 talen vertaald, uitgegeven in 37 landen en wordt in november 2026 gratis weggegeven aan het publiek. Tijdens de 21e editie van ‘Heel Nederland Leest’ is Het diner van Herman Koch het centrale boek, wat betekent dat heel Nederland het opnieuw zal lezen.

Dat op deze manier ook nieuwe generaties kennismaken met een meesterwerk uit de jaren 00 van deze eeuw kan enkel worden toegejuicht. Wanneer en waar je dit verhaal ook leest, het blijft even sterk. Wie niet oplet, denkt dat aan de oppervlakte van het verhaal een diner plaatsvindt. De diepgang laat geheel iets anders zien.

Het verhaal

Het verhaal dat in Het diner wordt verteld, is dat van vier ouders, die met elkaar hebben afgesproken in een restaurant. Ze praten niet direct over het probleem, maar door flashbacks leer je over hetgeen dat ze niet willen benoemen, maar juist moeten benoemen. Hun kinderen hebben een misdaad gepleegd en ze zullen als ouders daar toch iets mee moeten doen. De vaders, twee verschillende persoonlijkheden maar ook broers van elkaar, hebben beiden een andere visie op het omgaan met de situatie. De een wil het stilhouden, terwijl de ander, de mogelijke nieuwe minister-president, weet dat dit soort geheimen hem de kop kunnen kosten…

Vijf delen

Het boek is opgedeeld in meerdere delen, zoals de gangen van een diner. Koch schotelt de lezer een aperitief, voorgerecht, hoofdgerecht, nagerecht en digestief voor, met op het einde zelfs een fooi in de vorm van een epiloog. Deze verdeling laat zien dat Koch zich erg heeft beziggehouden met de diepere essentie van zijn verhaal. Niet alleen laat hij de karakters in deze delen genieten van de specifieke gangen die zij opgediend horen te krijgen tijdens het diner, maar ook bouwt hij de spanning en verhaallijn op zoals een hongerige gast wacht op diens hoofdgerecht. In het aperitief maakt de lezer kennis met de hoofdrolspelers, om tijdens het voorgerecht nog in de waan gelaten te worden dat je als lezer over de schouder meekijkt van een werkelijk diner. Je proeft hier al van de spanningen die spelen tussen de broers en hun mogelijke thuissituaties, om vervolgens te beseffen dat er een addertje onder het gras zit. Iets is niet in orde. Je wil het hoofdgerecht om daarachter te komen.

Een voormalig leraar

Het verhaal van Het diner wordt verteld door de ogen van de voormalige geschiedenisdocent Paul Lohman. Na een inzinking op zijn werk is hij thuis komen te zitten en is hij erachter gekomen dat een erfelijk gen zijn huidige gedrag veroorzaakt. Tegen de achtergrond van de vraag of zijn ouders hem hadden laten weghalen met de kennis van nu, vertelt hij het verhaal met een vorm van scepsis. Hij is sceptisch over zijn broer, over het handelen van iedereen aan de tafel, maar vraagt zich ook af of wat met hem aan de hand is invloed heeft gehad op de acties van zijn zoon. Het is door deze gecompliceerde blik dat de diepgang van het eigenlijke diner, ‘de echte problemen’, komt bovendrijven.
Dit brengt je als lezer aan het twijfelen: kijk je nu door de ogen van het hoofdpersonage, of ben je zelf aan de andere personages aan het twijfelen? Twijfel je zelf aan de motieven van de personages, of ben je mee aan het gaan in de sceptische blik van Paul?

Een hoogstandje

Een verhaal als Het diner kan niet anders dan een hoogstandje worden genoemd, en daarmee een bestseller die zijn naam nog steeds waarmaakt. Er zijn niet veel auteurs die deze diepe lagen in een verhaal kunnen creëren en daarmee de lezer aan het twijfelen brengen over wat hij aan het lezen is. Door het verhaal heen ben je als lezer aan het twijfelen. Heb je zelf een mening gevormd over de personages, of word je louter meegesleept in de visie van de hoofdpersoon? De thema’s die hierdoor worden aangesneden, zoals morele dilemma’s, erfelijkheid, de rol van geweld en de rol van ouders in de opvoeding, maken het verhaal een wijze les voor velen. Het kan alleen maar aangemoedigd worden dat Het diner in november voor velen extra toegankelijk zal zijn om te lezen. Op deze manier maakt ook een nieuwe generatie kennis met de diepgang en gecompliceerde lessen die Het diner ons geeft.

Boeken / Non-fictie

Als woorden swingen

recensie: Jazzportretten – Haruki Murakami

Het is geen geheim dat de Japanse meesterverteller Haruki Murakami een diepgaande, bijna obsessieve liefde koestert voor muziek. Wie zijn romans leest – van Norwegian Wood tot De moord op Commendatore – hoort op de achtergrond altijd wel een vinylplaat kraken. Maar nergens wordt zijn passie zo tastbaar, intiem en aanstekelijk als in Jazzportretten. Dit boek is geen gortdroge encyclopedie van de jazzgeschiedenis. Nee, het is een hoogstpersoonlijke, melancholische en ritmische ontdekkingsreis door de platenkast van een van ’s werelds meest geliefde auteurs.

Samen met de sfeervolle, minimalistische portretten van illustrator Makoto Wada vormt dit werk een prachtig samenspel tussen beeld, woord en klank. Murakami nodigt de lezer uit om naast hem op de bank te gaan zitten, een glas whisky in te schenken en simpelweg te luisteren.

Een visueel en literair platenkabinet

De opzet van Jazzportretten is even elegant als eenvoudig. Het boek is opgebouwd uit korte essays, elk gewijd aan een specifieke jazzmuzikant. Grote iconen zoals Miles Davis, John Coltrane, Billie Holiday en Thelonious Monk passeren de revue, maar Murakami maakt ook ruimte voor de minder bekende helden van het genre, zoals Jack Teagarden, Hoagy Carmichael, Teddy Wilson, Jimmy Rushing en Shelly Manne.

Bij elk essay hoort een handgeschilderd portret van Makoto Wada. De stijl van Wada – gekenmerkt door zachte lijnen en een vleugje retro – vangt perfect de essentie van de muzikanten. De illustraties en de teksten versterken elkaar: waar Wada de visuele toon zet, vult Murakami de ruimte met anekdotes, persoonlijke herinneringen en poëtische bespiegelingen.

De soundtrack van een schrijversleven

Wat deze bundel zo fascinerend maakt, is de autobiografische ondertoon. Voordat Murakami doorbrak als schrijver, runde hij jarenlang een jazzbar genaamd Peter Cat in Tokio. Jazz is voor hem niet zomaar een hobby; het is het fundament van zijn creatieve identiteit. In Jazzportretten legt hij subtiel de link tussen het ritme van de jazz en zijn eigen schrijfstijl. Hij laat zien dat een goede zin, net als een goede solo, moet ademen, improviseren en swingen.

Zijn essay over Billie Holiday is misschien wel het emotionele hoogtepunt van de bundel. Murakami reflecteert op het tragische leven van de zangeres en hoe ze haar pijn transformeerde in pure, rauwe kunst. Het is hier dat Murakami’s gave als empathisch waarnemer schittert: hij luistert niet alleen naar de muziek; hij luistert naar de ziel van de artiest.

Toegankelijk en lyrisch

De schrijfstijl in Jazzportretten is typisch Murakami: bedrieglijk eenvoudig, melancholisch, trefzeker en doorspekt met alledaagse magie. Hij vermijdt pretentieus jargon. Je hoeft geen musicoloog te zijn om van dit boek te genieten. De kracht ligt in de metaforen. Murakami slaagt erin om de abstracte ervaring van het luisteren naar muziek om te zetten in concrete, tastbare beelden. Een saxofoonsolo wordt een briesje dat door een open raam waait; een drumritme wordt de hartslag van een slapende stad.

De Nederlandse vertaling – door Luk Van Haute – verdient hierbij een compliment. Het lome, ietwat laconieke maar altijd gloedvolle ritme van Murakami’s oorspronkelijke proza blijft in de vertaling prachtig overeind. De tekst swingt op zijn eigen bescheiden manier.

Fragmentarisch genieten

Als er één punt van kritiek moet worden gegeven, dan is het dat het boek door zijn opzet fragmentarisch is. Omdat de essays oorspronkelijk als losse columns zijn geschreven, ontbreekt een doorlopende verhaallijn. Wie achter elkaar doorleest, kan een zekere herhaling in structuur ervaren (introductie van de muzikant, een specifieke elpee, een persoonlijke anekdote, een conclusie). Oftewel: ‘het bekende liedje’.

Jazzportretten is dan ook geen boek om in één ruk uit te lezen. Het is een salontafelboek in de beste zin van het woord: een werk dat je erbij pakt om telkens één of twee portretten te consumeren, bij voorkeur met de besproken muziek zachtjes op de achtergrond. Dan pas komen de woorden van Murakami écht tot leven.

Een must have voor de zintuigen

Jazzportretten is een teder, visueel prachtig en diep muzikaal boek. Het biedt een unieke inkijk in de geest van Haruki Murakami en viert tegelijkertijd de tijdloze genialiteit van de jazzpioniers. Het is een ode aan de analoge wereld, aan vinyl, aan imperfectie en aan de troost die muziek kan bieden.

Voor de diehard Murakami-fan is dit boek een onmisbaar puzzelstukje om het ritme van zijn romans beter te begrijpen. Voor de jazzliefhebber is het een feest van herkenning, en voor de leek is het de ultieme, laagdrempelige gids om een legendarisch genre te ontdekken. Jazzportretten laat je niet alleen met andere ogen naar kunst kijken, maar vooral met andere oren naar de wereld luisteren. Een absolute aanrader.

Boeken / Non-fictie

Quasi als Antigone

recensie: Een apart soort moed – Jan Oegema
Cover Een apart soort moedBol.com

Etty Hillesum blijft boeien. Ze ‘leeft in en voor haar zinnen, bij haar is close reading niet zelden de ingang tot soul reading’, schrijft Jan Oegema over haar in Een apart soort moed. Het boek vraagt, met andere woorden, om nauwkeurig lezen en jezelf afvragen wat je als lezer zo in haar werk aanspreekt.

De ziel van Hillesum is ‘die van het wachten, voelen, verstillen, overgeven’. Dat is de taal die de letterkundige Oegema hanteert in wat hij ‘een combinatie van studie en essay’ noemt. Het is een boek met een wat andere insteek: ‘Hillesum als tragische persoonlijkheid, quasi als een figuur uit een Griekse mythe, in de ban gerakend van een lotsbestemming’. Laten we de gedachtegang van Oegema volgen, die begint met wat hij drie improvisaties noemt.

Drie improvisaties

De Joods-Nederlandse Etty Hillesum komt uit een gezin waar de klassieke cultuur hoog in het vaandel stond. Haar vader was leraar Grieks en Latijn en had een voorkeur voor de stoïcijnen, ‘wier levensfilosofie hem meer doet dan die van de rabbi’s uit zijn jeugd’. Die voorkeur deelt zijn dochter overigens niet met hem, hoewel de oude Grieken wel tot haar bagage behoren.

In het begin van het boek duidt Oegema een zinnelijke dans van Hillesum te midden van vrienden op een avond in maart 1942 als een dans van een ‘bijna-bacchante’. Gezien deze Griekse achtergrond is het des te opvallender dat de auteur in de tweede improvisatie de volgende regels niet Platoons uitlegt, terwijl de ideeënleer van Plato ervan afdruipt:

werkelijkheid achter
deze zichtbare werkelijkheid
en daar weer een werkelijkheid achter

Het begrip ‘werkelijkheid’ legt Oegema echter uit aan de hand van de Zweedse filosofe Jonna Bornemark en in het verlengde van Hillesums onvoldragen zwangerschap. Ook hier dus weer – net als bij de dans – als iets lichamelijks, wat een rode draad in dit boek is. De ‘bijzondere afslag’ die ze volgens Oegema neemt, duidt hij in de derde improvisatie als een die de richting opgaat van een ‘christelijke of Joodse bodhisattva’.

Antigone

Na deze aanloop en een hoofdstuk over Julius Spier, Hillesums leermeester en minnaar, komt in het derde hoofdstuk Antigone aan bod. Ze wordt ingekaderd als een vrouw die naar avontuur zoekt, zoals bijvoorbeeld Bas Jan Ader, die in zijn zeilbootje verdwijnt van de aarde.

Sophocles legt zijn personage Antigone de woorden in de mond dat ze kiest voor de dood. Oegema noemt verschillende filosofen en schrijvers die zich met Antigone hebben beziggehouden, zoals Racine, Shelley, Hegel en Ger Groot. In dat rijtje ontbreekt Martha Nussbaum, terwijl juist zij in haar boek De breekbaarheid van het goede een diepere kijk op het toneelstuk biedt, waarna je zelf de verbinding met het leven van Hillesum kunt leggen.

Eerst Oegema. Hij legt de nadruk op het feit dat Hillesum niet wil onderduiken en op haar doodsaanvaarding. Wat de Griekse tragedie betreft verwijst hij naar het begrip moira (voorbeschikking, noodlot) en de overeenkomsten met Antigone, die voorts zouden liggen in onverbiddelijkheid en een zekere wildheid.

Antigone wil volgens Nussbaum ‘het vooruitzicht van (…) spanningen afwenden met een vereenvoudiging in de structuur van (…) betrokkenheid en liefde’. Dit is ook Hillesum niet vreemd. Zij wil in de trein naar Auschwitz bijvoorbeeld niet in dezelfde wagon zitten als haar ouders en broer Mischa, omdat ze bang is te breken. Overigens moet hierbij worden aangetekend dat Kreon – Antigone’s oom – in het toneelstuk bloedbanden wil vervangen door vriendschapsbanden, wat gezien Hillesums vele vriendschappen misschien ook niet eens zo ver naast de waarheid is.

Met deze uitweiding over Nussbaums kijk op Antigone wordt alleen maar aangegeven hoe moeilijk en complex de vergelijking tussen haar en Hillesum is. En dat Oegema daar meer langs scheert, terwijl hij Hillesum zelf wel diep weet te peilen.

Moed

In het laatste deel van het boek gaat de schrijver dieper in op het centrale thema van zijn boek: moed. Oegema hoopt dat Hillesums moed ons nu (zoals in de ondertitel staat) kan inspireren. Het is volgens hem beter om voor jezelf te verwoorden waar je moedig in wilt zijn dan een positief of negatief oordeel te vellen over Hillesums overgave aan het noodlot.

Wat de auteur met dit boek aan de lezer biedt, is een verdieping van veel al bestaande literatuur over Etty Hillesum. Hij voegt inzichten toe, associeert, legt verbanden die je kunt volgen en die soms ook wat vergezocht of dun zijn, zoals met betrekking tot respectievelijk Bornemark en Antigone. Erudiet, dat zeker, zoals we hem van eerdere boeken over onder meer Rilke en Lucebert kennen. Al vraag je je af of dit boek niet aan kracht had kunnen winnen als hij had gekozen tussen studie (uitgebreid) en essay (beknopt).

De stroom met boeken en andere uitingen over Hillesum is hiermee overigens nog niet ten einde. Vanaf 6 juni 2026 zendt de NTR bijvoorbeeld een zesdelige televisieserie uit over haar dagboeken. ‘Ik heb mezelf nog’ luidt de slotfase van de trailer treffend.

Boeken / Fictie

Eerder cosy dan crime

recensie: Moord in therapie – Philippa Perry, vertaald door Thijs van Nimwegen en Arjaan van Nimwegen
Philippa Perry - Moord in therapieBol.com

De Britse Philippa Perry is psychotherapeute, maar vooral bekend als bestsellerauteur en tv- en radiopersoonlijkheid. Met haar nieuwste boek Moord in therapie, dat op 7 mei 2026 verscheen, waagt ze zich voor het eerst aan fictie. Dit cosy crime-mysterie draait om een psychotherapeute die een verdachte dood onderzoekt. Dat klinkt als een veelbelovende combinatie van psychologische inzichten en een intrigerend mysterie, maar weet Perry die belofte ook waar te maken?

Het verhaal volgt psychotherapeute Patricia Phillips, die woont en werkt in Sussex Downs, vlak bij de enorme kliffen van Seven Sisters. Wanneer de politie voor haar deur staat, blijkt dat haar cliënt Henry Clayton, met wie ze die middag een eerste fysieke afspraak zou hebben, dood is aangetroffen onderaan de kliffen. Volgens de agenten gaat het om zelfmoord, maar Patricia heeft daar haar twijfels bij. Samen met haar excentrieke buurman Prichard en bevriende advocate Sue besluit ze zelf op onderzoek uit te gaan. Wat volgt is een cosy crime-mysterie: een klassieke whodunit, meestal opgelost door eigenzinnige (amateur)speurders, met weinig bloederige details, bijzondere locaties en een flinke dosis humor.

Te veel toevalligheden, weinig psychologische diepgang

Het uitgangspunt van Moord in therapie heeft veel potentie. Juist een genre dat draait om mysterie biedt ruimte voor psychologische diepgang en complexe motieven. Toch kiest Perry verrassend weinig voor die invalshoek. Er zijn zeker momenten waarop haar achtergrond als therapeut naar voren komt, bijvoorbeeld in gesprekken met Patricia’s mentor of gesprekken over de opvoeding van haar dochter. Deze momenten tellen als de sterkere passages uit het boek, maar ze hebben geen invloed op het mysterie zelf. Patricia lost de zaak namelijk niet op dankzij scherpe analyses of bijzondere inzichten. Belangrijke aanwijzingen komen vooral toevallig op haar pad, dankzij haar eigenwijze doorzettingsvermogen of door andermans vaardigheden met sociale media. Het idee van een therapeut als detective wordt dan ook niet ten volle benut.

Het helpt bovendien niet dat het verhaal volledig vanuit Patricia’s perspectief wordt verteld. Extra perspectieven, zeker die van intrigerende personages zoals Prichard, Sue of zakenvrouw Dorna, hadden meer spanning of diepgang kunnen toevoegen. Iets wat in andere, sterkere cosy crime boeken doorgaans goed wordt benut.

Geforceerde knipoog naar vervolg

Ook het mysterie zelf overtuigt niet echt. Het aantal serieuze verdachten blijft beperkt en het onderzoek kabbelt lange tijd voort zonder echte spanningsopbouw of verrassende ontwikkelingen. Wanneer het plot in de laatste pagina’s ineens versnelt, voelt dat eerder abrupt dan slim opgebouwd.

Daarnaast hangen belangrijke delen van het verhaal af van flinke onwaarschijnlijkheden. De manier waarop zowel de politie als Patricia omgaan met vertrouwelijkheid is daar een voorbeeld van, net als de weinig geloofwaardige werkwijze van de lokale politie. Dat Patricia op de laatste pagina vervolgens wordt benaderd om te helpen bij een volgende zaak – duidelijk een opzet voor een eventueel vervolgboek – voelt daardoor eerder geforceerd dan verdiend.

Vermakelijke scènes aan de Britse kust

Voor de crime hoef je het boek niet te lezen, maar dat compenseert Perry met een flinke dosis cosy. Het dagelijkse leven in Sussex Downs en bij Seven Sisters wordt met zichtbaar plezier beschreven. Patricia’s dagelijkse zwemtochten in zee, de lokale boeken- en schilderclubs en Prichards bizarre experimenten met zelfgestookte drank geven het dorp volop sfeer. Ook de sociale spanningen binnen de kleine dorpsgemeenschap, van roddels in groepsapps tot rivaliteit bij een schilderwedstrijd, leveren de nodige humor. Zeker dankzij de sociaal onhandige Patricia, die verre van een vanzelfsprekend sympathieke hoofdpersoon is. Ze houdt zich het liefst afzijdig van alle dorpse beslommeringen, maar werpt zich vanwege haar onderzoek toch steeds opnieuw in ongemakkelijke sociale situaties. Dat leidt geregeld tot licht absurde, maar vermakelijke scènes.

Toch slaat Perry soms door in haar hang naar herkenbare details. Bepaalde elementen keren zo vaak terug dat ze als irritant kunnen worden ervaren, bijvoorbeeld de veelvuldige verwijzingen naar een ‘avocadobadkamer’. Ook bij de hoeveelheden alcohol die Patricia en Prichard drinken, kun je als lezer je vraagtekens zetten.

Detectiveverhaal schiet tekort

Wie nieuw is binnen het genre cosy crime kan beter ergens anders beginnen. Auteurs zoals Jesse Sutanto en Richard Osman laten zien hoe warmte, scherpe humor en een slim mysterie succesvol gecombineerd kunnen worden. Hun amateurdetectives voegen daadwerkelijk iets toe aan een onderzoek, waardoor het logisch voelt wanneer de politie hun hulp inschakelt.

Moord in therapie leest vlot weg en de dorpse perikelen zijn geregeld vermakelijk, maar als detectiveverhaal schiet het tekort. Lezers die vooral op zoek zijn naar cosy sfeer zullen zich hier prima mee vermaken. Maar wie hoopt op een sterk mysterie met psychologische diepgang zal verder moeten zoeken dan deze psychotherapeut-detective.