Tag Archief van: boeken

Boeken / Fictie

Perec als maatschappijcriticus

recensie: De dingen – Georges Perec
vienna_boekenkastPixabay

Het eerste hoofdstuk van De dingen is Perec ten voeten uit: het boek opent met een ietwat oeverloos aandoende, nauwgezette beschrijving van een ouderwets-elitair ingericht appartement. Maar wat volgt is een opmerkelijk goed te volgen narratief dat in een heldere chronologie en zonder al te veel digressies wordt gepresenteerd.

Het is pas na het stilleven van de openingspassage – die leest als de beschrijving van een filmdecor en de manier waarop een camera dat decor zou moeten filmen – dat de protagonisten van het boek, Sylvie en Jérôme, worden geïntroduceerd. Bij het vertellen van het verhaal van deze personages lijkt Perec het principe show, don’t tell te hebben omgekeerd: De dingen bevat maar weinig afgebakende scènes, en bestaat hoofdzakelijk uit een aaneenschakeling van diepgaande analyses van de beweegredenen van Sylvie en Jérôme en van de patronen en gewoontes die hun leven kenmerken.

Het tell, don’t show dat Perec als uitgangspunt voor deze korte roman heeft gekozen, zorgt ervoor dat – zoals Manet van Montfrans in haar nawoord bij De dingen ook noemt – Sylvie en Jérôme in deze roman in feite niet waarlijk als personages fungeren. Zij staan eerder symbool voor de generatie die in de jaren ’60 voor het eerst in aanraking kwam met de consumptiemaatschappij. Ook al was Perec er niet bepaald door gecharmeerd, het feit dat hij naar aanleiding van de publicatie van De dingen tot socioloog van de consumptiemaatschappij werd gebombardeerd, heeft hij toch echt grotendeels aan zijn eigen keuze voor deze metapsychologische verteltrant te danken.

Symbool van een generatie

En inderdaad is er een meer romanachtige versie van De dingen denkbaar, waarin Sylvie en Jérôme als individuen meer uitgewerkt zouden zijn, waarin wij meer leren over hun achtergrond en de eigenaardigheden van hun relatie en waarin meer directe rede zou zijn gebruikt. Het boek was dan eerder opgevat als een vertelling met een maatschappijkritische ondertoon. Het is voor de geïnteresseerde lezer misschien de moeite waard om te onderzoeken of meer recente boeken zoals De perfecties van Vincenzo Latronico – waarvoor De dingen als inspiratiebron diende – of The Anthropologists van Ayşegül Savaş misschien niet waarlijke roman-manifestaties van De dingen zijn.

Doordat het boek niet in scènes is opgebouwd, komen Sylvie en Jérôme als karakters niet helemaal tot leven en voelt de tekst vrij analytisch aan. Maar toch is het vertelperspectief effectief. De analyses die Perec presenteert worden met grote regelmaat geïllustreerd aan de hand van pijnlijk concrete details die de tragiek en de noodlottigheid van het materialistische doolhof waarin de twee zich bevinden voor de lezer voelbaar maken. De lezer krijgt het gevoel met de neus op de feiten van de kapitalistische samenleving te worden gedrukt.

Het zijn die ludieke details waar Perec de lezer voortdurend op trakteert, die maken dat De dingen absoluut geen grote droge hap is. Zij zorgen ervoor dat het boek, als schets van een meerjarige psychosociale ontwikkeling van een individu dat tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort, toch uitermate levendig aanvoelt.

De dingen: een debuut als warming-up voor later werk

Het boek leest dus zeker niet als een sociologisch onderzoeksrapport. Sterker nog, De dingen is misschien wel een perfect boek voor wie behoefte heeft aan een inleiding tot het werk van Georges Perec: het verhaal is uniform qua perspectief, wordt in een redelijk zuivere chronologische volgorde verteld, en de metapsychologische analyses zijn toegankelijk geschreven. Het boek kent geen lange uitweidingen, geen labyrintische fractale effecten, geen enigmatische perspectiefwisselingen en geen ingewikkelde syntactische constructies. Kortom, de elementen die gemeenplaatsen zijn in veel van Perecs latere werk en die een groot deel van zijn oeuvre wat ontoegankelijk van aard maken. En toch bevat De dingen de aandacht voor sprekende details en onmiskenbare blijken van vertelplezier die voor Perec zo kenmerkend zijn.

De dingen heeft de kiemen van de typische, ingewikkelde Perec-stijl in zich die in latere boeken tot volle bloei zouden komen. Maar in dit boek lijkt Perec zich op dat vlak nog enigszins in te houden. Het boek is daarmee een toegankelijke instapper voor wie het werk van Perec beter wil leren kennen. Wie al is ingewijd in de wereld van deze fascinerende schrijver en een bewondering koestert voor de literaire vrijheid die Perec zich in zijn andere boeken zo duidelijk permitteert, zal De dingen misschien niet roemen als Perecs belangrijkste literaire verdienste. Het boek is immers wat ‘gewoontjes’ en redelijk conformistisch in vergelijking met zijn andere werk. Maar De dingen is wel een van de weinige boeken waarin Perec zich relatief onverholen maatschappijkritisch uitlaat. En dat is dan wel weer bijzonder.

Boeken / Fictie

Perec als maatschappijcriticus

recensie: De dingen – Georges Perec
vienna_boekenkastPixabay

Het eerste hoofdstuk van De dingen is Perec ten voeten uit: het boek opent met een ietwat oeverloos aandoende, nauwgezette beschrijving van een ouderwets-elitair ingericht appartement. Maar wat volgt is een opmerkelijk goed te volgen narratief dat in een heldere chronologie en zonder al te veel digressies wordt gepresenteerd.

Het is pas na het stilleven van de openingspassage – die leest als de beschrijving van een filmdecor en de manier waarop een camera dat decor zou moeten filmen – dat de protagonisten van het boek, Sylvie en Jérôme, worden geïntroduceerd. Bij het vertellen van het verhaal van deze personages lijkt Perec het principe show, don’t tell te hebben omgekeerd: De dingen bevat maar weinig afgebakende scènes, en bestaat hoofdzakelijk uit een aaneenschakeling van diepgaande analyses van de beweegredenen van Sylvie en Jérôme en van de patronen en gewoontes die hun leven kenmerken.

Het tell, don’t show dat Perec als uitgangspunt voor deze korte roman heeft gekozen, zorgt ervoor dat – zoals Manet van Montfrans in haar nawoord bij De dingen ook noemt – Sylvie en Jérôme in deze roman in feite niet waarlijk als personages fungeren. Zij staan eerder symbool voor de generatie die in de jaren ’60 voor het eerst in aanraking kwam met de consumptiemaatschappij. Ook al was Perec er niet bepaald door gecharmeerd, het feit dat hij naar aanleiding van de publicatie van De dingen tot socioloog van de consumptiemaatschappij werd gebombardeerd, heeft hij toch echt grotendeels aan zijn eigen keuze voor deze metapsychologische verteltrant te danken.

Symbool van een generatie

En inderdaad is er een meer romanachtige versie van De dingen denkbaar, waarin Sylvie en Jérôme als individuen meer uitgewerkt zouden zijn, waarin wij meer leren over hun achtergrond en de eigenaardigheden van hun relatie en waarin meer directe rede zou zijn gebruikt. Het boek was dan eerder opgevat als een vertelling met een maatschappijkritische ondertoon. Het is voor de geïnteresseerde lezer misschien de moeite waard om te onderzoeken of meer recente boeken zoals De perfecties van Vincenzo Latronico – waarvoor De dingen als inspiratiebron diende – of The Anthropologists van Ayşegül Savaş misschien niet waarlijke roman-manifestaties van De dingen zijn.

Doordat het boek niet in scènes is opgebouwd, komen Sylvie en Jérôme als karakters niet helemaal tot leven en voelt de tekst vrij analytisch aan. Maar toch is het vertelperspectief effectief. De analyses die Perec presenteert worden met grote regelmaat geïllustreerd aan de hand van pijnlijk concrete details die de tragiek en de noodlottigheid van het materialistische doolhof waarin de twee zich bevinden voor de lezer voelbaar maken. De lezer krijgt het gevoel met de neus op de feiten van de kapitalistische samenleving te worden gedrukt.

Het zijn die ludieke details waar Perec de lezer voortdurend op trakteert, die maken dat De dingen absoluut geen grote droge hap is. Zij zorgen ervoor dat het boek, als schets van een meerjarige psychosociale ontwikkeling van een individu dat tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort, toch uitermate levendig aanvoelt.

De dingen: een debuut als warming-up voor later werk

Het boek leest dus zeker niet als een sociologisch onderzoeksrapport. Sterker nog, De dingen is misschien wel een perfect boek voor wie behoefte heeft aan een inleiding tot het werk van Georges Perec: het verhaal is uniform qua perspectief, wordt in een redelijk zuivere chronologische volgorde verteld, en de metapsychologische analyses zijn toegankelijk geschreven. Het boek kent geen lange uitweidingen, geen labyrintische fractale effecten, geen enigmatische perspectiefwisselingen en geen ingewikkelde syntactische constructies. Kortom, de elementen die gemeenplaatsen zijn in veel van Perecs latere werk en die een groot deel van zijn oeuvre wat ontoegankelijk van aard maken. En toch bevat De dingen de aandacht voor sprekende details en onmiskenbare blijken van vertelplezier die voor Perec zo kenmerkend zijn.

De dingen heeft de kiemen van de typische, ingewikkelde Perec-stijl in zich die in latere boeken tot volle bloei zouden komen. Maar in dit boek lijkt Perec zich op dat vlak nog enigszins in te houden. Het boek is daarmee een toegankelijke instapper voor wie het werk van Perec beter wil leren kennen. Wie al is ingewijd in de wereld van deze fascinerende schrijver en een bewondering koestert voor de literaire vrijheid die Perec zich in zijn andere boeken zo duidelijk permitteert, zal De dingen misschien niet roemen als Perecs belangrijkste literaire verdienste. Het boek is immers wat ‘gewoontjes’ en redelijk conformistisch in vergelijking met zijn andere werk. Maar De dingen is wel een van de weinige boeken waarin Perec zich relatief onverholen maatschappijkritisch uitlaat. En dat is dan wel weer bijzonder.

Boeken / Fictie

Perfecte cadeautjes

recensie: Drie boekjes in de serie Van Oorschot Terloops
mamuka-jimshiashvili-jwxYvMCYMA0-unsplashMamuka Jimshiashvili voor Unsplash

Ruim drie jaar geleden schonken we op deze website al eens aandacht aan ‘de kostelijke serie boekjes Van Oorschot Terloops’. De serie is nog steeds alive and kicking. De boekjes met wandelingen, geschreven door bekende schrijvers, passen zó in binnenzak of tas. En in de zak met cadeautjes van de Kerstman.

Recent verschenen weer drie titels: De zakdoekjesboom van Hans Hagen, De duivelsberg van Daan Borrel en ten slotte Het kind en ik van Otto de Kat. Respectievelijk spelend aan de rand van het Gooi (bij ’s-Graveland), de 17de etappe van het Pieterpad bewandelend en zich bewegend rond Slot Loevestein. Alle drie voorin traditiegetrouw voorzien van een plattegrondje van het gebied, zodat je de wandelingen eventueel na zou kunnen lopen. Maar ook vanuit de leunstoel is het genieten geblazen.

De duivelsberg

Om te beginnen de wandeling van de schrijfster Daan Borrel (°1990), die in 2025 debuteerde met de roman De dragers. Deze stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2025. We beginnen ermee, omdat de auteur ook ingaat op het fenomeen ‘wandelen’.

Ze haalt Henry David Thoreau (Walking, 1851) aan. Hij beveelt aan te wandelen ‘in de geest van het eeuwige avontuur’. Dan ben je ‘een vrij man’, qua geest en lichaam. Wandelen in de wilde natuur. Vrouwen wandelen volgens Borrel op een andere manier: om te overleven ‘en voor hun water hele afstanden (…) naar een waterput (…) om eenmaal daar belaagd of ontvoerd te worden’. Of zoals Maria, de moeder van Jezus, zij ging ver te voet. Een kleine toespeling op het feit dat Daan Borrel tijdens een wandeling met haar moeder ontdekt dat ze zwanger is. Ze lopen door. Voor de lol. De titel van het boekje slaat op het pannenkoekenrestaurant waar ze uitrusten.

Door haar zwangerschap wandelt ze nog wel, ‘veel rondom het huis, en soms ook verder weg, toch bereikte ik niet meer dat vrije gevoel (…), die contemplatie, spirituele esthetische ervaring’. Toen Sadie, de dochter van Daan en Jelte, wat groter werd, moest ze ‘alleen een nieuwe vorm van vrijheid (…) ontdekken, één in afhankelijkheid’. En dat doet ze. Die zoektocht beschrijft ze subtiel en fijnzinnig.

De zakdoekjesboom

Meer dan een generatie ouder dan Daan Borrel is dichter en schrijver Hans Hagen (°1955). Hij weeft door zijn verhaal ook gedichten, zoals ‘kruidje’:

ze zeggen dat zelfs planten
lief kunnen hebben
het kruidje-roer-mij-niet bijvoorbeeld
de blaadjes vouwen zich samen
als je ze aanraakt
kruidje doet alsof hij dood is
tot je opnieuw aait
en weer
dan houdt hij zijn blaadjes wijd open
geen angst of pijn
aai meer

Hagen begint zijn wandeling bij zijn geboortehuis op Groenlust bij ’s-Graveland. Degene die de wandeling na wil lopen, kan bij de ingang van landgoed Gooilust beginnen, even verderop in het boek. De auteur haalt herinneringen op waaraan hij twijfelt. Net als Borrel, omdat haar moeder zich dezelfde belevenissen soms anders herinnert. ‘Ik weet bijvoorbeeld’, schrijft Hagen, ‘heel zeker dat een van de kalkoenen van (…) buren twee koppen had. Eentje van achteren en eentje van voren (…). Zelf gezien. Of zelf verzonnen?’

De auteur is duidelijk geïnteresseerd in de geschiedenis van de omgeving waar hij is geboren en nu wandelt. Die geschiedenis gaat terug op de families Corver Hooft, Six en Blauw. Hagen verweeft deze geschiedenis telkens met herinneringen aan zijn jeugd. Hoe hij zijn vriendjes onder het verhoogde terras van Blauw doorjoeg. Zoals bij Borrel telkens beelden bovenkomen van een wandeling met onder anderen haar moeder, die ze later overdoet. Hagen betrekt ook meer familieleden in zijn verhaal, dat daarom soms wat te veel uitwaaiert in het pendelen tussen vroeger en nu, de wandeling en de natuur.
De titel van het boekje slaat op de Davidia involucrata, de vaantjes- of zakdoekjesboom, die rond mei in bloei staat. ‘Dan hangen er rijen lichte zakdoekjes aan de takken, teer als vlindervleugels. Een klein wit doekje boven, een groter doekje onder als bloem.’

Het kind en ik

De titel van het boekje van Otto de Kat ten slotte is ontleend aan het gelijknamige gedicht van Martinus Nijhoff, dat voorin is afgedrukt. Telkens neemt de auteur – pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt (°1946), schrijver en onder meer ook oprichter van uitgeverij Balans – één of meer regels ervan om zijn verhaal aan op te hangen. Voor- en achteruit denkend in de tijd.

Het verhaal gaat terug tot de jongensjaren van de auteur, die zou gaan studeren, theologie met bijvak Nederlands, zoals de ik-figuur bij Nijhoff zou gaan vissen. De Kat maakt ‘een wak in het verleden’. Zijn stijl is even poëtisch als die van de dichter.
De Kat start zijn wandeling bij Brakel. Zijn vader ‘loopt met passen uit de eeuwigheid’ op hem af. Weer is het – net als bij Hagen – juni, en ‘er zijn tere kleuren groen’. Het doel van de wandeling is Slot Loevestein, ‘dwars door het Munnikenland, langs meertjes vol waterlelies en kuifeenden’.

Wandelen doen alle drie de auteurs door de natuur. Het is alleen eerder autorijden op zijn vijftiende, zonder leraar, dat De Kat vrijheid geeft, ‘losgezongen van de wereld’. Zijn fantasie gaat met hem op de loop. Hij denkt ‘aan Tempeliers en Geuzen en Spanjolen (…) en Cisterciënzers’, zoals jongens op die leeftijd doen.

De manier waarop De Kat geschiedenis en fantasie verweeft met het heden en wat er in het echt bestaat, is vloeiender en evenwichtiger dan de manier waarop Hagen dat doet. Poëtischer van taal ook. ‘Terug, telkens terug, in de tijd zeker, het gebied strekt zich uit in zijn eigen verleden. Heeft het landschap een geheugen? Ja, hier wordt het bewezen, het hele Munnikenland ademt achteruit.’

Het is natuurlijk wat je als lezer aanspreekt, of degene die je een of meer boekjes cadeau zou willen doen. Daar kun je je (kerst)cadeautje(s) op uitzoeken. Voor elck wat wils. Vol verlangen zien we uit naar de komende delen in deze prachtige serie!

  • Daan Borrel, De duivelsberg
    Een wandeling
    64 pagina’s
    ISBN 9789028252103
  • Hans Hagen, De zakdoekjesboom
    Een wandeling
    88 pagina’s
    ISBN 9789028251373
  • Otto de Kat, Het kind en ik
    Een wandeling
    64 pagina’s
    ISBN 9789028253049
Boeken / Fictie

Origineel uitgangspunt, veel plotlijnen

recensie: Tandenjager - Auke Hulst
Kaft TandenjagerBol.com

Voor de hoofdpersoon van Tandenjager, gezegend met een knap uiterlijk maar een gebit in slechte staat, worden ‘mooie tanden’ een drijfveer. Het verhaal speelt zich af in de tijd waarin de tandheelkunde zich begint te ontwikkelen, en dat vormt het decor voor zijn ambitie: hogerop komen.

In de kern gaat het verhaal over een arme jongeman, levend rond 1800, die rijk wil worden in de tijd dat tandbederf de norm was. Hij wordt tandenjager: iemand die tanden uit de mond van gestorven soldaten haalt om ze te verkopen. Die tanden worden verwerkt in kunstgebitten voor welgestelde burgers.
De jongen noemt zichzelf ‘Vos’ en is vastberaden te stijgen op de sociale ladder. Wanneer hij een gaaf gebit vindt, laat hij dat implanteren door een tandarts. Zijn nieuwe tanden, in combinatie met zijn aantrekkelijke uiterlijk en rijke woordenschat, openen deuren naar een wereld die tot dan toe voor hem gesloten bleef. Op het lichaam van de soldaat, de voormalige eigenaar van de tanden, vindt ‘Vos’ brieven, gericht aan de markiezin Margaux. Daardoor raakt hij geobsedeerd door deze vrouw en ziet hij een kans om door haar een plek te verwerven tussen de adel. Er ontstaat een broeierige en verboden verliefdheid tussen Vos en Margaux. Het basisidee – een tandenjager als sociale klimmer – is fascinerend en sterk gevonden. Toch raakt dit uitgangspunt ondergesneeuwd door de vele stilistische en thematische zijwegen die de auteur inslaat.

Overspoeld door de sfeer

De roman is bewust overdadig in taalgebruik. De schrijver bedient zich van een ouderwets, cultuurhistorisch register en doorspekt de tekst met Franse en Engelse uitdrukkingen. Dat draagt bij aan de historische sfeer, maar vraagt ook het nodige van de lezer. Wie moeite heeft met vreemde talen, zal hier afhaken.
Om de romantische tijdsgeest op te roepen, vloeien de zinnen over van zintuiglijke en emotionele metaforen. Denk aan passages als: ‘de muziek van haar vocabulaire verleende haar beweringen het soortelijk gewicht van sterren’ of ‘vogelkreten die het midden houden tussen jammerklacht en uitjouwen’. Dat is mooi, maar soms ook verwarrend.
Daarnaast zijn er uitgebreide beschrijvingen van de omgeving, zoals: ‘Buiten: karren beladen met kolen die meer rook dan warmte zouden geven, voorlieden die opdrachten schreeuwden, bestrating die vuursteen werd onder ijzeren wielen, het flemen van de zelfverklaarde volgelingen van Venus, (…).’
Daarbij worden historische gebeurtenissen toegevoegd. Het remt allemaal de vaart van het verhaal dat je verwacht: de tandenjager op zoek naar aanzien en liefde.

Bijzondere opbouw

Soms raak je als lezer de draad kwijt. Niet altijd is duidelijk waar je je in het verhaal bevindt, of waarom een heel hoofdstuk nodig is. De spanningsboog verslapt daardoor, en dat gaat ten koste van de aandacht voor de hoofdpersonen: Vos en Margaux.
Margaux krijgt pas in het laatste hoofdstuk een achtergrond en geschiedenis, terwijl zij zo’n centrale rol speelt. Dat maakt het geheel onevenwichtig.

Alleen voor de zeer belezen lezer

Tandenjager biedt veel extra informatie: over filosofie, historische context, literatuur. De auteur weeft citaten en verwijzingen naar beroemde schrijvers door gedachten en dialogen heen. Grote thema’s als geloof, natuur, liefde en racisme komen aan bod, met als constante ondertoon een afwisseling tussen lust en walging – vaak verpakt in ongemakkelijke seksscènes.
Dat past bij de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, en bij hoe er toen gedacht werd. Toch schuurt het, zeker wanneer de man-vrouwdynamiek in seks zo nadrukkelijk en stereotiep wordt neergezet. In een moderne roman voelt dat als een polariserende keuze.

Tandenjager is een ambitieus boek dat de lezer niet spaart. Het originele uitgangspunt, een sociale klimmer en zijn verboden liefde, komt niet goed uit de verf doordat het verhaal te vaak en te uitgebreid afdwaalt naar zijwegen. De roman vergt concentratie, geduld en een ruime literaire bagage. Dit is een boek voor iemand die het leuk vindt om studerend te lezen. Het vampiermotief is een passende invalshoek, maar wordt te weinig in het verhaal verweven. De historische feiten overtroeven deze sfeer. Tegelijkertijd is het een roman die past bij de tijd waarin het zich afspeelt, vol met romantische melancholie en verlangen naar onbereikbaar geluk.

Boeken / Fictie

Spanning, liefde en sensatie

recensie: Atmosphere - Taylor Jenkins Reid
Atmosphere - Taylor Jenkins ReidAmbo|Anthos Uitgevers

Homoseksualiteit was in de jaren tachtig al enige tijd geen taboe meer in het progressieve deel van de Amerikaanse samenleving. Maar in conservatieve kringen en in de militaire organisaties leidde het onherroepelijk tot sociale uitsluiting, verbanning en ontslag uit de militaire gelederen. In de historische liefdesroman Atmosphere wordt de lezer meegenomen naar de eighties en het professionele leven, de emoties en de coming-out van de astronaut en NASA-medewerker Joan.

De standaard liefdesroman kenmerkt zich door twee mensen die voor elkaar bestemd zijn en die – voordat zij een romantische relatie kunnen ontwikkelen – gehinderd worden door een serie obstakels. Unfaire rivalen, heersende sociale conventies, misverstanden tussen de aspirant-geliefden en onoplosbare familievetes staan onvermijdelijk in de weg.

Na de uiteindelijke overwinning van alle dramatische en complexe hindernissen kan het romantische paar zich eindelijk verenigen en het lange en gelukkige leven veroveren. In Atmosphere zijn alle benodigde juicy ingrediënten ruimschoots aanwezig.

Historische context

De NASA-omgeving en het historische tijdperk waarin de eerste ruimtevaartreizen werden uitgevoerd, geven een extra dimensie aan de romance van Joan en Vanessa. De vrouwen zijn niet alleen pioniers van de ruimtevaart, zij behoren ook nog eens tot de eerste groep vrouwen die tot de NASA toegelaten zijn. Niet alleen moeten ze flinke ladingen wantrouwen en seksistische opmerkingen van hun mannelijke collega’s verdragen, maar ook vechten en slikken om dezelfde carrièrekansen te krijgen. Daarnaast maakt het schrijnende taboe en verbod op homoseksuele relaties het onmogelijk hun romance openlijk te beleven, laat staan te legaliseren. Het pionierschap van Joan en Vanessa bestaat zonder meer ook uit het moedige openbreken van de verstikkende conservatieve heteronorm in de toenmalige samenleving.

Een kwestie van stijl

‘In de literatuur geeft, zodra zij belangrijke kwesties aan de orde stelt, de stijl de doorslag, niet de netto-uitkomst van het engagement.’ Aldus de uitspraak van literatuurcriticus Michaël Zeeman.

De woordkeuze, de directheid, het niet erg hoge stilistische en literair-kwalitatieve gehalte maken onder andere dat Atmosphere in de categorie ontspanningslectuur valt. Dit verklaart misschien ook een niet al te mooie, misschien wat gehaaste vertaling. Is dit werk daarom minder lezenswaardig? Het antwoord daarop luidt hartgrondig ‘nee’. In de eerste plaats omdat ontspanningslectuur wel degelijk de maatschappij in beweging kan zetten en ook gedegen achtergrond, geschiedenis en context kan verstrekken. Atmosphere geeft een goede inkijk in het zware pionierstraject naar sociale en legale acceptatie van vrouwen in het algemeen en lesbische vrouwen in het bijzonder. Het lijkt volkomen misplaatst en hautain – ook gezien de tijden – om vandaag de dag cultuur elitair in ‘laag’ en ‘hoog’ in te delen. Alleen al vanwege deze relevantie verdient deze roman de nodige aandacht.

Al met al is Atmosphere een verhaal met actie, spanning, liefde en avontuur over het prille moment waarop verandering werd verkregen door de moed en de opofferingen van vrouwen als Joan en Vanessa.

Boeken / Fictie

Koch wint (weer) literair terrein

recensie: Luchtplaats – Herman Koch
Luchtplaats – Herman KochUitgeverij Ambo|Anthos (boekcover openbaar)

He’s back!’ zou je kunnen uitroepen na het lezen van de nieuwste roman van Herman Koch. De o zo gevierde romancier die jaren terug pageturner na pageturner wist af te leveren, kon het lezerspubliek met een van zijn laatste romans (Het koninklijk huis) minder bekoren. Het frisse concept van Luchtplaats, over de driehoeksverhouding tussen een geslaagde schrijver, diens vrouw die werkzaam is bij de recherche en een schrijvende crimineel, is er een die getuigt van de kracht van originaliteit.

Inmiddels weet je gewoon waar Koch mee op de proppen komt. Zo zijn er genoeg verstoorde relaties aan te treffen in zijn romans en thrillers. Vaak betreft het families die naar de buitenwereld de schone schijn ophouden, maar duidelijk emotioneel failliet zijn. De personages van Koch gaan vrijwel altijd gebukt onder pijnlijke geheimen. Zodra je doorhebt dat een personage zich heeft gehuld in leugens en verraad, is het gewoon wachten op de gigantische clash die daarop zal volgen. Bovendien is Koch er niet de auteur naar om mededogen te tonen richting zijn personages. Menig karakter krijgt – zelfs als het al spreekwoordelijk op de grond naar adem snakt – nog een flinke trap na.

Familie stuk

In deze misdaadroman heeft Koch toch wel een verkwikkend idee geopenbaard: de hoofdpersoon is niemand minder dan een delinquent met schrijverstalent. Nu is het daadwerkelijk zo dat er schrijflessen plaatsvinden in gevangenissen en dat zelfs heuse schrijfgroepen geleid en ondersteund worden door ‘echte’ schrijvers. Niet alleen verhoogt dat vaardigheden als lezen en schrijven, het is ook nog eens een nieuwe vorm van creatieve therapie.

In Kochs nieuwe boek zijn er eigenlijk twee schrijvers: de gevestigde schrijver Simon Hanson en Derek L., een nogal moordzuchtige misdadiger. Koch doet ons bijna geloven dat het om een daadwerkelijke aspirant-schrijver in de bajes gaat, want op de titelpagina van het boek (voorafgaand aan hoofdstuk één) staat: ‘Veel leesplezier, je Derek L.’ Simon ontmoet deze boef tijdens een leesclub die een meisje van de bibliotheek heeft opgezet. Hij raakt meteen begeesterd door Dereks knap geschreven verhalen, waarvan er één met kop en schouders bovenuit steekt: het verhaal ‘Luchtplaats’. Simon, die min of meer lijkt mee te willen liften op Dereks succes, wil het verhaal laten publiceren. En dat niet alleen: hij staat erop dat Derek L. het in eigen persoon middels een boekpresentatie komt aanprijzen. En waar zal hij slapen? Juist, ‘gewoon’ bij de schrijver en zijn gezin thuis.

Oud zeer, nieuw zeer

Dat het plan van Simon niet helemaal uitpakt als gewenst, is meteen zonneklaar vanaf de eerste pagina van het boek. In lange overpeinzingen probeert hij zijn idee goed te praten, maar je weet dat er iets voor zal vallen in die drie dagen dat Derek L. – weliswaar met de nodige enkelband om en bewakers op de loer – met ‘weekendverlof’ gaat om zijn boek te promoten. Een andere zeer betrokkene is Hanna, de vrouw van Simon, met wie hij twee zoons heeft. Met een vrouw die werkt als rechercheur bij de Dienst Landelijke Recherche, een zeer deskundig paar extra ogen, is de veiligheid van alles en iedereen gegarandeerd, toch? Nou, tenzij diezelfde vrouw toevallig al eens meerdere keren in haar leven in contact is gekomen met die zeer doortrapte en intelligente crimineel met een licht ontvlambaar karakter. En dan mag ze ook nog eens voor hem de gastvrouw uit gaan hangen.

Roofdier versus prooi

Al lezend in zijn nieuwe werk, ziet de lezer Koch bijna voor zich: met een scherpe visie en met vingers die sneller typen dan zijn brein kan draaien. Je hoort gewoon hoe zich een tirade afspeelt in Kochs hoofd en dat deze nu snel een weg moet vinden naar het (digitale) schrijfblok. Het is moeilijk om Koch te onderscheiden van Simon – om te beseffen dat de gedachtegangen die je leest niet van Koch afkomstig zijn. Of het nu gaat om het grondig verafschuwen van tatoeages of van het te veel plaats en tijd innemen van auteurs bij boekpresentaties. Waar houdt Kochs eigen visie op en begint die van zijn hoofdpersoon? Niet alleen Simons gedachten nemen we waar: we focaliseren om de beurt vanuit Derek L., Simon en Hanna. Vanuit wiens perspectief je ook leest, je hebt het gevoel dat je iedere keer Koch zelf hoort spreken.

Opvallend genoeg zijn Derek en Simon eender in hun gedachten: beiden gebruiken dezelfde beeldspraak van roofdier versus prooi om te beschrijven hoe een opgefokte moordenaar omgaat met eenieder die iets té nieuwsgierig is naar het geketende beest. Uiteindelijk is er maar één waarheid, waar noch roofdier noch prooi aan kan ontkomen: in ons allen zit een beest. Geeft Koch hier een inkijkje in zijn eigen, negatief gestemde mensbeeld?

Koch of Simon?

Daar waar Derek en Simon de mensen om zich heen hekelen, heeft Hanna het vooral lastig met haar eigen lichamelijke verval. Waartoe dienen alle zelfkritische overpeinzingen van Hanna? Ze vindt dat ze er als ‘oudere’ vrouw niet meer toe doet, terwijl de mannen vroeger in bosjes voor haar neervielen. En dan komt er nóg een man bij in haar toch al door mannen bestierde huishouden: een crimineel met wie ze een verleden blijkt te delen. Terwijl ze blijft miepen over haar verloren ‘glans’, lijkt haar echtgenoot steeds meer te willen afrekenen – in zijn geval in figuurlijke zin – met de mensen om hen heen. In zijn hoofd kan hij immers doen en laten wat hij wil. Zo zegt Simon:

‘In het ene na het andere boek leefde ik mijn duisterste fantasieën uit. Een vervelende buurman ruimde ik uit de weg. Als ik de buurman de volgende dag tegenkwam op straat, groette ik hem vriendelijk – vriendelijker dan anders. Ik wist immers dat hij al dood en begraven was. Dat er een voortijdig einde aan zijn zinloze bestaan was gekomen. Daar was niets duisters aan. Het voelde als een opluchting, ik had er vrede mee dat deze mensen in het echt gewoon bleven voortbestaan, zolang ik ze in mijn boeken een kogel door het hoofd kon jagen of ze op andere wijze behulpzaam kon zijn bij het betreden van een andere wereld waarin ik geen last meer van ze zou hebben.’

In strijd met iedereen

Is het gek om in het bovenstaande de schrijversfilosofie van Koch zelf te horen? Met humor sabelt hij iedereen neer. Zo ook schrijvers die ‘menen dat ze met een boek zonder punten en komma’s, zonder hoofdletters en alinea’s, vernieuwend proza schrijven’. Oef, is dat een sneer naar schrijver Lucas Rijneveld? En over docenten heeft Koch ook zijn ongezouten mening klaarstaan. Die kwam al duidelijk naar voren in de roman Red ons, Maria Montanelli en is nu weer onmiskenbaar aanwezig. Een docent van Simons zoon tikt hem namelijk erg hard op de vingers, nadat laatstgenoemde heeft gespiekt tijdens een toets: uitsluiting van deelname aan het eindexamen.

Grappig is het trouwens wel te noemen dat Hanna Simon erop wijst dat hij bepaalde elementen telkens laat terugkomen, zoals zo’n paternalistische docent:

‘Maar wat je echt niet meer moet doen dat zijn die leraren. Ik bedoel die leraar. In elk boek zit er wel een. Daarmee laat je jezelf te veel in de kaart kijken. Lezers kunnen daarop afknappen. Is hij daar nou nog steeds niet overheen? zullen ze denken.’

De herhaling ziet Hanna als iets slechts, maar Simon niet. Een paar regels voor dit citaat vraagt hij zich nog af: ‘Mezelf herhalen? Maar wie kan ik anders herhalen dan mezelf?’ Misschien geeft Koch hier – via Simon – heel eerlijk door dat hij wéét dat hij zichzelf herhaalt. Het voelt ergens ook als een pleidooi voor het gebruik van schrijvers als personages. Wat heerlijk moet het toch zijn om te kunnen zeggen waar het op staat en je gekste visualisaties te ventileren via de figuren die afkomstig zijn uit je eigen gecreëerde schimmenrijk. Het roept ergens een gelijkenis op met Max Havelaar van Multatuli (het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker): ook daarin is sprake van een romanticus avant la lettre die iedereen verbaal uit de pan veegt en zijn ideeën over onder andere de literatuur en de maatschappij kan delen via verschillende vertelinstanties.

En verdient Luchtplaats dan ook, net als Max Havelaar, een plekje in de Nederlandse canon? Nou, iedere lezer die het niet te snel te gortig wordt allemaal en goed om kan gaan met een roast van een gehele maatschappij, zou zeggen van wel. Koch is met dit boek weer op het goede pad gekomen. Hij laat zien dat de kracht toch schuilt in herhaling, maar dat je altijd iets nieuws, iets vernuftigs en onverwachts moet toevoegen aan je nieuwste boek. Luchtplaats is een goed uitgewerkt concept waar menig schrijver een moord voor zou doen.

Boeken / Fictie

Spannend en vol verwondering

recensie: Ingrid de Vries – De violist
Omslag De violistomslag van bol.com

Wie de roman De violist in handen krijgt, denkt niet meteen aan een boek dat spanning in zich zal hebben. Toch weet Ingrid de Vries een spannend element in het boek te leggen. Naast een verhaal van een jongeman die gegrepen wordt door het vioolspel staat een vriendschap centraal die abrupt verbroken lijkt te worden, tot een zoektocht na jaren de vrienden weer bijeenbrengt in een bijzondere setting.

De schrijfstijl van De Vries nodigt uit om lekker door te lezen. De honderddrieënzestig pagina’s flitsen snel door je vingers, omdat deze schrijfster je weet te boeien en je als lezer weet te binden aan het papier.

De basis van het verhaal

Laurens is visser en werkt vooral ’s nachts op de vissersboot om de vangst binnen te halen. Ruig werk van een zeebonk. Zijn wereld speelt zich vooral af op de visserskotter, maar dat verandert als hij op een dag muziek hoort die hem roert. Hij belt aan bij het huis waar de muziek vandaan komt, uit nieuwsgierigheid naar wat hij zojuist gehoord heeft in de straat waar hij liep.

Er is een moment in 1964 waarop Guido en Laurens voor het eerst kennis met elkaar maken. Laurens staat, bevangen door de klanken van het vioolspel, op de stoep van Guido’s huis. Hij heeft dan nog geen idee dat het vioolspel was dat hij vlak daarvoor hoorde, en vraagt Guido waar de muziek vandaan kwam. Op dat moment maakt Laurens kennis met het instrument. Laurens is nog maar een tiener. Ze spreken met elkaar over de muziek die op zee te horen is in het gekrijs van de meeuwen en alles wat er verder te horen is op een visserskotter, maar ook over de vioolklanken die Laurens naar het huis hadden gelokt.

Studeren naast het ruwe werk op zee

Na de kennismaking ontstaat er al snel een soort vriendschap, maar vooral een relatie tussen een leermeester en zijn leergierige leerling. Laurens besteedt al zijn vrije uren aan het leren bespelen van de viool als Guido hem lessen aanbiedt. De ruwe bolster, blanke pit Laurens is een voorbeeldige leerling, die vooral een enorme toewijding aan de dag legt om het vioolspel machtig te worden.

Als hij zo goed wordt dat hij in 1967 wordt toegelaten op het conservatorium, gaat Laurens geheel zijn eigen weg. Hij keert, zoals we lezen in het eerste hoofdstuk van het boek, nog wel een keer terug naar het huis van Guido, maar belt niet aan en vertrekt zonder zijn leermeester nog gesproken te hebben. Vele tientallen jaren zien Guido en Laurens elkaar niet. Ieder leeft zijn eigen leven. Toch gaat er regelmatig wat kriebelen in het hoofd van Guido. Hij mist Laurens en wil op zoek naar hem. Hij gaat op onderzoek uit om te ontdekken waar hij is gebleven en hoe het hem vergaan is.

Weerzien

Het duurt tot 2015 dat Guido en Laurens elkaar weerzien. Dat gebeurt onder bijzondere omstandigheden die pas tot een blije gebeurtenis leiden als ze samen een zigeunerstukje strijken. Dat is het moment dat de twee mannen elkaar na lange tijd met plezier in de ogen kijken en opnieuw opgaan in het vioolspel. De lange jaren die ertussen zaten lijken volledig vergeten.

De Vries weet de lezer te boeien vanaf het prille begin tot de allerlaatste alinea in dit wonderlijke en vooral heel boeiende verhaal, dat afsluit met een heel bijzonder weerzien onder bijzondere omstandigheden. De Vries weet hier zowel spanning, passie, vriendschap en liefde met elkaar te verbinden in een persoonlijk lijden.

De taal van De Vries is helder. Het verhaal is boeiend, de personages zijn glashelder en de menselijke emotie wordt voelbaar verwoord. De viool is een boek dat nog lang zal naklinken als je het al lang uit hebt. Als lezer word je in verwondering achtergelaten terwijl je de emotie van de laatste bladzijden duidelijk voelt.

Boeken / Non-fictie

Minnaressen, musici en makkers

recensie: Jacqueline Oskamp - Groots is de liefde
Groots is de liefde. Biografie van Louis Andriessen (1939-2021)Bol.com

Recensente en journaliste Jacqueline Oskamp, die al eerder over muziek publiceerde, begint haar biografie over de componist Louis Andriessen (1939-2021) met het vermelden dat de levens van de grote artistieke dynastie Andriessen van verhalen aan elkaar hangen. De vraag die dit oproept is: schreven zij, schreef Louis dan ook verhalende muziek?

Het antwoord is: nee, eigenlijk niet; het zegt meer iets over het feit dat Oskamp dicht op haar bron(nen) zat. Ze kende de componist en kreeg toegang tot diens privéarchief dat is ondergebracht bij de Paul Sacher Stiftung in Basel, waar veel archieven van groten uit de muziekgeschiedenis liggen.

Een groot componist en docent

Want dat is zeker: Louis Andriessen is ongetwijfeld de grootste Nederlandse componist van de laatste tijd. Raak schrijft Oskamp dat hij ‘een kind van zijn tijd is, maar nog meer een kind van zijn ouders’: de componist en organist Hendrik Andriessen en de pianiste Tine Anschütz. Dat idee ontvouwt zich in de loop van het boek en wie Louis’ late orgelcompositie Mach’s mit mir, Gott (2016) – dat in het register niet wordt genoemd – kent, kan dit alleen maar beamen: hij bewonderde zijn vader mateloos, en omgekeerd verwenden zijn vader en moeder – en zijn zusters niet te na gesproken – hem zeer.

Louis krijgt zijn eerste pianolessen van zijn moeder en zijn vader is zijn eerste compositieleraar, terwijl Jurriaan, zijn oudere broer, als vraagbaak dient bij Louis’ eerste composities. De invloed van hun vader wordt beschreven in een mooie vergelijking die Oskamp uit de mond van neef Wim Witteman optekent: ‘Oom Hen was natuurlijk organist, dus op zeker moment komt dat pedaal erbij. Dat uitgestelde moment doet me altijd sterk denken aan het moment dat bij Louis de basgitaar erin komt.’

In de zestiger jaren van de vorige eeuw laat Andriessen zich door Jaap Spek ook inwijden tot de elektronische muziek, wat niet wegneemt dat later niet hijzelf maar zijn oud-leerlingen Anke Brouwer en Michel van der Aa de elektronische inlassen en respectievelijk de opera Writing to Vermeer en La Commedia schrijven.

Ontwikkeling

De ontwikkeling van Louis Andriessens karakter wordt duidelijk geschetst. Dat wil zeggen dat hij in zijn studietijd in Nederland in de woorden van collega Peter Schat een ‘uitbuiter [is]; hij buit zijn leven en dat van anderen uit’. Woorden die een kwarteeuw later door zijn vrouw Jeanette Yanikian worden beaamd. In zijn studietijd bij Luciano Berio in Italië zet hij echter ‘net als zijn vader graag zijn relaties in voor anderen’.

Oskamp schrijft geen hagiografie. Verschillende keren komt ze afkeurend terug op het antisemitisme dat behoort tot de rooms-katholieke familie Andriessen, van vader op zoon. Volgens Schat (in een interview met Bibeb in Vrij Nederland) was ‘Hendrik Andriessen een dorpspastoor, maar ja, met de muziek die erbij hoort’. Louis probeerde tegenover zijn vader Schat te verdedigen, want aan ruzie had hij een broertje dood. Om zijn agressie af te reageren, gaat hij ‘stompen op de piano’; ‘Haagse hakken’ wordt dat in muziekkringen genoemd.

Andriessen is lang zoekend geweest naar een eigen stijl, ‘van de parodie naar de wereld van het politiek engagement’ zoals Oskamp het omschrijft. De invloed van de minimal music of repetitieve muziek uit de Verenigde Staten die in de compositie De Volharding voor het gelijknamige collectief hoorbaar is, werkt als ‘breekijzer waarmee Andriessen de wereld van het Concertgebouw achter zich laat en de deur opent naar alternatieve podia en nieuwe toehoorders’.

Internationale doorbraak

Om overigens in 1976 weer in het Concertgebouw terug te keren met De Staat, het werk dat Andriessens internationale doorbraak betekent. Ook als docent in Amerika (1985-1996). Omgekeerd komen veel compositiestudenten naar Amsterdam om les bij hem te nemen. Andriessen heeft het druk met reizen, interviews, lesgeven en – schrijft Oskamp droog – ‘afspraken met minnaressen, musici en makkers’. Ook nadat hij met Jeanette Yanikian is getrouwd.

De auteur citeert veel uit gesprekken en recensies en verbindt daar vaak een eigen conclusie aan. Toch kun je je afvragen of de ‘mystieke ader’ die sinds TAO en Writing to Vermeer (1999) zichtbaar werd niet al eerder vloeide. Bijvoorbeeld in de Symfonie voor losse snaren (1978). De mysticus in de persoon van Thomas a Kempis komt terug in het opdrachtstuk Mysteriën voor het Koninklijk Concertgebouworkest. De titel van deze biografie is overigens ook ontleend aan Thomas a Kempis, en wel aan De imitatione Christi. Zelf heeft Andriessen eens benadrukt dat ook het dagelijks leven hem heeft gevormd. Oskamp noemt dit een ‘hang naar dialectiek: een contaminatie van het verhevene en het dagelijkse’. Aan dit begrip hangt ze veel op, zodat het construerend werkt. Dat er enkele schoonheidsfoutjes in zijn geslopen, is na zo’n monsterklus niet vreemd.

Oskamp is er namelijk zeer wel in geslaagd het leven en werk van Louis Andriessen goed, evenwichtig verdeeld en onderbouwd weer te geven. Zelfs zó, dat het moeilijk is het rijk geïllustreerde boek opzij te leggen. En dat wil wat zeggen voor een biografie!

Film / Films

Whodunnit mist de ziel van het boek

recensie: Chris Columbus – The Thursday Murder Club
The Thursday Murder Club (2025)Giles Keyte, Netflix

Een verhaal gebaseerd op een internationale bestseller, een topcast met geliefde acteurs als Helen Mirren, David Tennant en Pierce Brosnan én een flink budget: in theorie heeft de verfilming van Richard Osmans The Thursday Murder Club (2025) alle ingrediënten voor een groot succes. Maar weet de praktijk die verwachtingen waar te maken, of zullen we ook hier zeggen dat het boek beter was?

Laten we maar gelijk starten met het antwoord op die vraag: ja, het boek was beter. Het verhaal van de film volgt grofweg het eerste deel van de Thursday Murder Club-reeks. Gesitueerd in het prachtige Coopers Chase, een seniorengemeenschap met een erg luxe locatie en een verscheidenheid aan gezelschappen en activiteiten, volgen we één zeer exclusief clubje dat zichzelf The Thursday Murder Club noemt. Aanvankelijk bestaande uit voormalig MI6-agent Elizabeth (Helen Mirren), gepensioneerd vakbondsleider Ron (Pierce Brosnan) en gepensioneerd psychiater Ibrahim (Ben Kingsley), wordt de club algauw uitgebreid met oud-verpleegkundige Joyce (Celia Imrie), wier medische expertise goed van pas komt. Elke donderdag buigen ze zich over cold cases, tot er een echte moord plaatsvindt binnen hun sociale kringen. Aannemer Tony Curran, mede-eigenaar van Coopers Chase, wordt dood aangetroffen. Dit opent de weg voor mede-eigenaar Ian Ventham (David Tennant) om de inwoners van Coopers Chase eruit te zetten en het gebouw om te bouwen tot een stel luxeappartementen. Reden genoeg voor onze favoriete vier bejaarden om zich tegen de zaak aan te bemoeien en de politie – ongevraagd – te ondersteunen bij het ontrafelen van het mysterie. Dat ze de zaak weten op te lossen zal je niet verbazen, maar de focus ligt op de manier waarop ze dat voor elkaar krijgen. Het viertal weet het stereotype ‘oud en bejaard’ in hun voordeel te gebruiken en laat keer op keer blijken dat je hen niet moet onderschatten.

Net zo charmant, maar minder krachtig

Het klonk zo veelbelovend toen bekend werd gemaakt dat Netflix een alom geliefde boekenserie ging verfilmen! Met zoveel humor, plotwendingen en een flinke dosis knusheid – en oké, ook de nodige kneuterigheid – leek The Thursday Murder Club bij uitstek geschikt voor een miniserie. Zeker gezien Netflix al eerder een andere favoriet, A Good Girl’s Guide to Murder, tot een vermakelijke miniserie had weten om te toveren.

Dat aanvankelijke enthousiasme sloeg gauw om in verbazing toen bleek dat het niet ging om een serie, maar om een film. Het verhaal lijkt namelijk te rijk om in een schamele twee uur verteld te worden, en na het zien van deze film is die angst alleen maar bevestigd. Belangrijke en mooie verhaallijnen zijn gesneuveld, inclusief veel van de spitsvondigheid, warmte en gelaagdheid die het boek juist zo uniek en vermakelijk maakten. In de boeken draait het niet alleen om de moorden die opgelost worden, maar juist ook om thema’s rondom ouder worden, ziekte, afscheid nemen en de waarde van iemands ervaringen en expertise. De film toont er een afgezwakte versie van: de charme blijft, maar is een stuk minder krachtig.

Kill your darlings

Voor de film is duidelijk gekozen om de nadruk te leggen op de whodunnit. We volgen slimme acties en spannende gebeurtenissen die lijken op te bouwen naar een Poirot-achtig eindmoment, maar dat moment komt uiteindelijk nooit echt. In het boek ontbreekt zo’n moment ook, maar dat draagt juist bij aan de boodschap; het laat zien dat sommige mysteries geen ‘spannende puzzel’ zijn, maar trieste verhalen die onderdeel zijn van iemands leven, waarin een dader niet per se een kwaadwillige slechterik is. Die gelaagdheid en boodschap komen minder goed over in de film. De film heeft een geringe opbouw en er volgen wel heel veel ‘toevallige’ ontdekkingen elkaar op, zeker richting het gehaaste einde. Daardoor voelt de ontknoping afgeraffeld en vlak. Veel van de oorspronkelijke bochten en verhaallijnen zijn afgesneden – juist daarvoor had een serie meer ruimte geboden. Bij deze film werd het principe ‘kill your darlings’ te enthousiast toegepast: er sneuvelen geen personages uit het verhaal, maar juist het verhaal zelf.

Plezier spat van het scherm af

Fragment uit The Thursday Murder Club

© Giles Keyte, Netflix

Als we stoppen met vergelijken, is er in The Thursday Murder Club gelukkig best veel te genieten. De setting is prachtig – wie wil er na deze filmbeelden níét in Coopers Chase wonen? – en de cast heeft zichtbaar plezier. Pierce Brosnan en Tom Ellis zijn een heerlijk vader-zoon duo, Jonathan Pryce ontroert als de lieve, dementerende Stephen en Henry Lloyd-Hughes overtuigt als de intimiderende maar goedhartige klusser Bogdan. De mix van spannende, serieuze en soms ronduit bizarre situaties – van aquarobics tot naaktschilderlessen en een soort Sterren Dansen op het IJs – houdt het geheel luchtig en vermakelijk.

Kortom: het boek was beter, maar dat maakt de film niet slecht. Verwacht geen ingewikkelde puzzel met briljante plotwendingen, maar een gezellig, warm moordmysterie met een vleugje Britse ironie. En met deel vijf van de boekenreeks net uitgebracht (september 2025) smaakt de film zeker naar meer; al blijft het een raadsel hoe Netflix verdergaat, nu sommige personages in de film een ander lot treffen dan in de boeken.

De naaister en de wind
Boeken / Fictie

Een literaire wervelwind

recensie: César Aira – De naaister en de wind
De naaister en de wind

De naaister en de wind – een van César Aira’s meer nadrukkelijk surrealistische werken – laat zich op geen enkele manier voorspellen. Deze roman past, zowel wat vorm als wat inhoud betreft, naadloos in het oeuvre van deze auteur, die de lezer wel vaker op het verkeerde been zet.

Bij het verschijnen van de Nederlandse vertaling van De haas in 2023 bleek al dat je bij Aira nooit weet wat voor kapsones hij in zijn verhalen voor je in petto heeft. Met zijn roman De naaister en de wind – uit 1994, maar nu voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen – is die stelling onderschreven, met een kleine aantekening: de wervelwind-achtige vertelstijl, schijnbaar uitgetekend op een sterk filosofische blauwdruk, is in al zijn romans terug te vinden. Ook blijkt uit al zijn boeken zonder meer dat Aira lak heeft aan welke literaire, genre-gebonden conventie dan ook.

In De naaister en de wind gaat naaister annex huisvrouw Delia op zoek naar haar zoon Omar, die volgens haar per ongeluk is ontvoerd naar het verre zuiden van Patagonië. Zodra haar man, Ramón, hoort dat zijn vrouw aldus de hielen heeft gelicht, reist hij haar in een kleine truck achterna. Onder nogal verwonderlijke omstandigheden komen Delia en Ramón, en nog enkele andere van hun dorpsgenoten, op de pampa terecht – het uitgestrekte, kale zuiden van Zuid-Amerika. Daar wervelen hun wegen, geholpen door de wind – die ook als personage fungeert – op groteske wijze om elkaar heen.

Transformatie als motief

Transformatie is een terugkerend motief in De naaister en de wind: een autootje verandert in een vlinder, de wind wordt een personage, een fossiel verandert in een rijtuig. Maar misschien wel de belangrijkste gedaanteverwisseling is die van Aira in zijn jeugdvriend, Omar, aan het begin van het boek. Na enkele autobiografische overpeinzingen, waarin Aira uiteenzet wat voor verhaal hij wil schrijven en waarin hij zich laat meevoeren door zijn herinneringen, denkt hij terug aan een onschuldig spelletje verstoppertje met zijn buurjongen in de oplegger van een vrachtwagen en verwisselt zichzelf met de ander: het is niet langer Aira die in de oplegger zit, maar Omar. Die truc slaat aan: Aira heeft zijn verhaal gevonden, en steekt van wal. De vrachtwagen vertrekt, neemt per abuis Omar mee, en Delia reist hem achterna.

Een surreëel verhaal – of toch niet?

Verderop in de tekst nemen de verhaallijnen tamelijk surrealistische wendingen; zo verdwaalt Delia op den duur in een grimmige truck zo groot als een appartementencomplex en komt op een bizarre wijze het ultieme monster van de pampa ter wereld. In het bekende interview De geur van guave beweert Gabriel García Márquez dat hij nooit ook maar iets uit zijn magisch-realistische romans heeft hoeven verzinnen: de Zuid-Amerikaanse werkelijkheid had hem zogenaamd al het materiaal verschaft dat hij nodig had om zijn boeken en verhalen te schrijven. Met die bewering in het achterhoofd zou je je kunnen afvragen of het wel terecht is om de surrealistische elementen in De naaister en de wind af te schrijven als jolige verzinsels van de hand van de schrijver. Wat als zij meer zijn dan pure fantasie? Wat voor waarheid dragen zij in zich?

Een fascinatie voor de pampa

De lezer krijgt de indruk dat de surrealistische verteltrant dient om de ervaring van het bestaan in Patagonië weer te geven. Dat komt door de nadruk die in het verhaal wordt gelegd op het landschap en de weersverschijnselen die uniek zijn voor zuidelijk Argentinië. Zou het kunnen dat Patagonië een landstreek is die zich niet door middel van realistische, voorstelbare scenario’s laat omschrijven, en dat Aira in het surrealisme de enig mogelijke vorm heeft gevonden om die omgeving voor niet-ingewijden voelbaar te maken? Met andere woorden: komt het surrealistische beeld van de pampa dat Aira schetst misschien juist strikt overeen met hoe het daadwerkelijk voelt om daar te zijn?

De fascinatie die Aira in zijn boeken voor de pampa aan den dag legt – ook in De haas en in Een episode uit het leven van een landschapsschilder speelde Patagonië een onmisbare rol – werkt aanstekelijk. De lezer krijgt zin om Patagonië met eigen ogen te bekijken, al was het maar om te beoordelen hoeveel van Aira’s romans er daadwerkelijk verzonnen is en hoeveel niet.

Van verhaal naar beschouwing en terug

De openingspassage – de nostalgische mijmering waarin Aira zichzelf verwisselt met zijn jeugdvriend Omar – is redelijk goed te interpreteren in het licht van het narratief dat erop volgt: zodra niet langer Aira, maar Omar in de vrachtwagen zit, worden Omar en zijn ouders automatisch de hoofdpersonages van het verhaal. Die verwisseling zet de verschillende verhaallijnen die zich op de pampa afspelen in gang. De overgang tussen autobiografie en narratief is hier helder en soepel, en Aira weet op ingenieuze wijze de focus te verleggen van het metanarratieve naar het narratieve niveau.

De openingspassage is de eerste in een reeks vergelijkbare beschouwingen die in de loop van de tekst het verhaal over Delia blijven onderbreken. Maar de meeste van deze filosofische intermissies hebben – in tegenstelling tot de eerste – zo goed als geen duidbare, inhoudelijke verbinding met het narratief over Delia. Dat komt doordat de meeste van deze digressies een nogal serieuze toon kennen, en soms wat al te filosofisch, idiosyncratisch en onnavolgbaar zijn.

Wat betreft stijl en perspectief zijn de digressies nogal ver verwijderd van het verhaal van Delia, dat een logische chronologie kent en bovendien op een luchtige en lachwekkende wijze wordt verteld. Deze twee literaire ‘ingrediënten’ zijn dus soms, door de grote verschillen ertussen, lastig met elkaar in verbinding te brengen. En dat terwijl er snel en regelmatig tussen deze twee elementen wordt geschakeld, waardoor juist de indruk wordt gewekt dat een dergelijke inhoudelijke verbinding wel degelijk bestaat.

En dat is spijtig. Als de lezer de rest van de metanarratieve onderbrekingen – net zoals de eerste – goed had kunnen plaatsen in het licht van het narratief over Delia, dan hadden die onderbrekingen op geslaagde wijze extra diepte aan de tekst kunnen geven.

Niet Aira’s meest toegankelijke werk

Voor de lezer die zich graag laat vermaken door een surrealistisch en absurdistisch plot is De naaister en de wind absoluut de moeite waard. Voor die lezer zullen echter de tamelijk ondoordringbare filosofische bespiegelingen aanvoelen als onnodige complexiteiten, die toegankelijkere boeken met een surrealistische verteltrant achterwege laten. Aira-liefhebbers daarentegen kunnen ook deze bespiegelingen waarderen. Voor hen is De naaister en de wind eerst en vooral een aangenaam warm bad in Aira’s literaire universum.

Boeken / Fictie

Engelse geschiedenis, magisch herschreven

recensie: Lang leve Jane - Cynthia Hand, Brodi Ashton en Jodi Meadows
Lang leve Janebol.com

Lady Jane Grey (1537-1554) is een tiener die negen dagen koningin van Engeland was en daarna werd onthoofd. Geschiedenis is niet ieders lievelingsvak, maar een hervertelling ervan kan verrassend leuk zijn.

Dat bewijzen de drie schrijfsters van Lang leve Jane. Ze maken twee dingen duidelijk: Lady Jane Grey verdient een beter verhaal én geschiedenis mag je met humor, fantasie en hart herschrijven.

Humor in de vertelstem

De vertelstem is brutaal en zelfbewust. De schrijfsters spreken de lezer rechtstreeks aan, bijvoorbeeld met ‘Hé, hallo! Wij zijn het, de vertellers buurvrouw, buurvrouw en buurvrouw.’ In een interview vertelt de vertaalster dat in het Engels ‘Hey, there! It ’s us, your friendly Neighborhood narrators’ een knipoog is naar Spider-Man. In de Nederlandse vertaling geeft ze hier een creatieve draai aan door naar de televisieserie Buurman & Buurman (1984-heden) te verwijzen.

Televisieserie

In 2024 werd het boek bewerkt tot een televisieserie, een mooie aanvulling. De weelderige kostuums en sets passen bij een fantasiewereld van de Tudor-dynastie. De serie (IMDb rating: 7,4/10) is te bekijken op Prime Video.

Spoiler, Lady Jane sterft niet

Lang leve Jane mag je hier letterlijk nemen; in het verhaal leeft ze verder. De schrijfsters gebruiken haar tragische geschiedenis als uitgangspunt voor een fantasierijke, luchtige en humorvolle vertelling. De speelse toon maakt het, toch wel dikke, boek toegankelijk en inspireert om meer te lezen over deze persoon.

Geschiedenis gemengd met magie

Het boek is geschreven voor Young Adults en valt onder het genre cozy fantasy met een historisch randje. Toch spreekt het ook oudere lezers aan. Voor een schoolbibliotheek is het misschien te dik, maar voor de enthousiaste lezer is er goed nieuws; er zijn meer boeken van dezelfde schrijfster-combinatie in een vergelijkbare stijl. De volgende roman verschijnt dit jaar in het Nederlands, opnieuw vertaald door Mariella Manfré.

Over de makers

Het schrijvers-trio Hand, Ashton en Meadows ontmoette elkaar in 2012 en schrijft sindsdien samen de ‘Lady Janies’-boeken, in het Nederlands soepel vertaald door Mariella Manfré.

De boekomslag en het schutblad werden geïllustreerd door Sophie Pluim, waarmee de Nederlandse hardcover-editie (2023) een mooie, sfeervolle extra laag krijgt. Ze heeft zich laten inspireren door middeleeuwse handschriften.

Rommelige geschiedenis toegestaan

Soms is de beste manier om geschiedenis te begrijpen door er lekker mee te rommelen, en daar heeft dit boek de perfecte formule voor gevonden. Drie schrijfsters hebben samen die arme tiener een verhaal met magie gegeven.