Tag Archief van: boeken

Boeken / Non-fictie

Quasi als Antigone

recensie: Een apart soort moed – Jan Oegema
Cover Een apart soort moedBol.com

Etty Hillesum blijft boeien. Ze ‘leeft in en voor haar zinnen, bij haar is close reading niet zelden de ingang tot soul reading’, schrijft Jan Oegema over haar in Een apart soort moed. Het boek vraagt, met andere woorden, om nauwkeurig lezen en jezelf afvragen wat je als lezer zo in haar werk aanspreekt.

De ziel van Hillesum is ‘die van het wachten, voelen, verstillen, overgeven’. Dat is de taal die de letterkundige Oegema hanteert in wat hij ‘een combinatie van studie en essay’ noemt. Het is een boek met een wat andere insteek: ‘Hillesum als tragische persoonlijkheid, quasi als een figuur uit een Griekse mythe, in de ban gerakend van een lotsbestemming’. Laten we de gedachtegang van Oegema volgen, die begint met wat hij drie improvisaties noemt.

Drie improvisaties

De Joods-Nederlandse Etty Hillesum komt uit een gezin waar de klassieke cultuur hoog in het vaandel stond. Haar vader was leraar Grieks en Latijn en had een voorkeur voor de stoïcijnen, ‘wier levensfilosofie hem meer doet dan die van de rabbi’s uit zijn jeugd’. Die voorkeur deelt zijn dochter overigens niet met hem, hoewel de oude Grieken wel tot haar bagage behoren.

In het begin van het boek duidt Oegema een zinnelijke dans van Hillesum te midden van vrienden op een avond in maart 1942 als een dans van een ‘bijna-bacchante’. Gezien deze Griekse achtergrond is het des te opvallender dat de auteur in de tweede improvisatie de volgende regels niet Platoons uitlegt, terwijl de ideeënleer van Plato ervan afdruipt:

werkelijkheid achter
deze zichtbare werkelijkheid
en daar weer een werkelijkheid achter

Het begrip ‘werkelijkheid’ legt Oegema echter uit aan de hand van de Zweedse filosofe Jonna Bornemark en in het verlengde van Hillesums onvoldragen zwangerschap. Ook hier dus weer – net als bij de dans – als iets lichamelijks, wat een rode draad in dit boek is. De ‘bijzondere afslag’ die ze volgens Oegema neemt, duidt hij in de derde improvisatie als een die de richting opgaat van een ‘christelijke of Joodse bodhisattva’.

Antigone

Na deze aanloop en een hoofdstuk over Julius Spier, Hillesums leermeester en minnaar, komt in het derde hoofdstuk Antigone aan bod. Ze wordt ingekaderd als een vrouw die naar avontuur zoekt, zoals bijvoorbeeld Bas Jan Ader, die in zijn zeilbootje verdwijnt van de aarde.

Sophocles legt zijn personage Antigone de woorden in de mond dat ze kiest voor de dood. Oegema noemt verschillende filosofen en schrijvers die zich met Antigone hebben beziggehouden, zoals Racine, Shelley, Hegel en Ger Groot. In dat rijtje ontbreekt Martha Nussbaum, terwijl juist zij in haar boek De breekbaarheid van het goede een diepere kijk op het toneelstuk biedt, waarna je zelf de verbinding met het leven van Hillesum kunt leggen.

Eerst Oegema. Hij legt de nadruk op het feit dat Hillesum niet wil onderduiken en op haar doodsaanvaarding. Wat de Griekse tragedie betreft verwijst hij naar het begrip moira (voorbeschikking, noodlot) en de overeenkomsten met Antigone, die voorts zouden liggen in onverbiddelijkheid en een zekere wildheid.

Antigone wil volgens Nussbaum ‘het vooruitzicht van (…) spanningen afwenden met een vereenvoudiging in de structuur van (…) betrokkenheid en liefde’. Dit is ook Hillesum niet vreemd. Zij wil in de trein naar Auschwitz bijvoorbeeld niet in dezelfde wagon zitten als haar ouders en broer Mischa, omdat ze bang is te breken. Overigens moet hierbij worden aangetekend dat Kreon – Antigone’s oom – in het toneelstuk bloedbanden wil vervangen door vriendschapsbanden, wat gezien Hillesums vele vriendschappen misschien ook niet eens zo ver naast de waarheid is.

Met deze uitweiding over Nussbaums kijk op Antigone wordt alleen maar aangegeven hoe moeilijk en complex de vergelijking tussen haar en Hillesum is. En dat Oegema daar meer langs scheert, terwijl hij Hillesum zelf wel diep weet te peilen.

Moed

In het laatste deel van het boek gaat de schrijver dieper in op het centrale thema van zijn boek: moed. Oegema hoopt dat Hillesums moed ons nu (zoals in de ondertitel staat) kan inspireren. Het is volgens hem beter om voor jezelf te verwoorden waar je moedig in wilt zijn dan een positief of negatief oordeel te vellen over Hillesums overgave aan het noodlot.

Wat de auteur met dit boek aan de lezer biedt, is een verdieping van veel al bestaande literatuur over Etty Hillesum. Hij voegt inzichten toe, associeert, legt verbanden die je kunt volgen en die soms ook wat vergezocht of dun zijn, zoals met betrekking tot respectievelijk Bornemark en Antigone. Erudiet, dat zeker, zoals we hem van eerdere boeken over onder meer Rilke en Lucebert kennen. Al vraag je je af of dit boek niet aan kracht had kunnen winnen als hij had gekozen tussen studie (uitgebreid) en essay (beknopt).

De stroom met boeken en andere uitingen over Hillesum is hiermee overigens nog niet ten einde. Vanaf 6 juni 2026 zendt de NTR bijvoorbeeld een zesdelige televisieserie uit over haar dagboeken. ‘Ik heb mezelf nog’ luidt de slotfase van de trailer treffend.

Boeken / Non-fictie

Quasi als Antigone

recensie: Een apart soort moed – Jan Oegema
Cover Een apart soort moedBol.com

Etty Hillesum blijft boeien. Ze ‘leeft in en voor haar zinnen, bij haar is close reading niet zelden de ingang tot soul reading’, schrijft Jan Oegema over haar in Een apart soort moed. Het boek vraagt, met andere woorden, om nauwkeurig lezen en jezelf afvragen wat je als lezer zo in haar werk aanspreekt.

De ziel van Hillesum is ‘die van het wachten, voelen, verstillen, overgeven’. Dat is de taal die de letterkundige Oegema hanteert in wat hij ‘een combinatie van studie en essay’ noemt. Het is een boek met een wat andere insteek: ‘Hillesum als tragische persoonlijkheid, quasi als een figuur uit een Griekse mythe, in de ban gerakend van een lotsbestemming’. Laten we de gedachtegang van Oegema volgen, die begint met wat hij drie improvisaties noemt.

Drie improvisaties

De Joods-Nederlandse Etty Hillesum komt uit een gezin waar de klassieke cultuur hoog in het vaandel stond. Haar vader was leraar Grieks en Latijn en had een voorkeur voor de stoïcijnen, ‘wier levensfilosofie hem meer doet dan die van de rabbi’s uit zijn jeugd’. Die voorkeur deelt zijn dochter overigens niet met hem, hoewel de oude Grieken wel tot haar bagage behoren.

In het begin van het boek duidt Oegema een zinnelijke dans van Hillesum te midden van vrienden op een avond in maart 1942 als een dans van een ‘bijna-bacchante’. Gezien deze Griekse achtergrond is het des te opvallender dat de auteur in de tweede improvisatie de volgende regels niet Platoons uitlegt, terwijl de ideeënleer van Plato ervan afdruipt:

werkelijkheid achter
deze zichtbare werkelijkheid
en daar weer een werkelijkheid achter

Het begrip ‘werkelijkheid’ legt Oegema echter uit aan de hand van de Zweedse filosofe Jonna Bornemark en in het verlengde van Hillesums onvoldragen zwangerschap. Ook hier dus weer – net als bij de dans – als iets lichamelijks, wat een rode draad in dit boek is. De ‘bijzondere afslag’ die ze volgens Oegema neemt, duidt hij in de derde improvisatie als een die de richting opgaat van een ‘christelijke of Joodse bodhisattva’.

Antigone

Na deze aanloop en een hoofdstuk over Julius Spier, Hillesums leermeester en minnaar, komt in het derde hoofdstuk Antigone aan bod. Ze wordt ingekaderd als een vrouw die naar avontuur zoekt, zoals bijvoorbeeld Bas Jan Ader, die in zijn zeilbootje verdwijnt van de aarde.

Sophocles legt zijn personage Antigone de woorden in de mond dat ze kiest voor de dood. Oegema noemt verschillende filosofen en schrijvers die zich met Antigone hebben beziggehouden, zoals Racine, Shelley, Hegel en Ger Groot. In dat rijtje ontbreekt Martha Nussbaum, terwijl juist zij in haar boek De breekbaarheid van het goede een diepere kijk op het toneelstuk biedt, waarna je zelf de verbinding met het leven van Hillesum kunt leggen.

Eerst Oegema. Hij legt de nadruk op het feit dat Hillesum niet wil onderduiken en op haar doodsaanvaarding. Wat de Griekse tragedie betreft verwijst hij naar het begrip moira (voorbeschikking, noodlot) en de overeenkomsten met Antigone, die voorts zouden liggen in onverbiddelijkheid en een zekere wildheid.

Antigone wil volgens Nussbaum ‘het vooruitzicht van (…) spanningen afwenden met een vereenvoudiging in de structuur van (…) betrokkenheid en liefde’. Dit is ook Hillesum niet vreemd. Zij wil in de trein naar Auschwitz bijvoorbeeld niet in dezelfde wagon zitten als haar ouders en broer Mischa, omdat ze bang is te breken. Overigens moet hierbij worden aangetekend dat Kreon – Antigone’s oom – in het toneelstuk bloedbanden wil vervangen door vriendschapsbanden, wat gezien Hillesums vele vriendschappen misschien ook niet eens zo ver naast de waarheid is.

Met deze uitweiding over Nussbaums kijk op Antigone wordt alleen maar aangegeven hoe moeilijk en complex de vergelijking tussen haar en Hillesum is. En dat Oegema daar meer langs scheert, terwijl hij Hillesum zelf wel diep weet te peilen.

Moed

In het laatste deel van het boek gaat de schrijver dieper in op het centrale thema van zijn boek: moed. Oegema hoopt dat Hillesums moed ons nu (zoals in de ondertitel staat) kan inspireren. Het is volgens hem beter om voor jezelf te verwoorden waar je moedig in wilt zijn dan een positief of negatief oordeel te vellen over Hillesums overgave aan het noodlot.

Wat de auteur met dit boek aan de lezer biedt, is een verdieping van veel al bestaande literatuur over Etty Hillesum. Hij voegt inzichten toe, associeert, legt verbanden die je kunt volgen en die soms ook wat vergezocht of dun zijn, zoals met betrekking tot respectievelijk Bornemark en Antigone. Erudiet, dat zeker, zoals we hem van eerdere boeken over onder meer Rilke en Lucebert kennen. Al vraag je je af of dit boek niet aan kracht had kunnen winnen als hij had gekozen tussen studie (uitgebreid) en essay (beknopt).

De stroom met boeken en andere uitingen over Hillesum is hiermee overigens nog niet ten einde. Vanaf 6 juni 2026 zendt de NTR bijvoorbeeld een zesdelige televisieserie uit over haar dagboeken. ‘Ik heb mezelf nog’ luidt de slotfase van de trailer treffend.

Boeken / Fictie

Eerder cosy dan crime

recensie: Moord in therapie – Philippa Perry, vertaald door Thijs van Nimwegen en Arjaan van Nimwegen
Philippa Perry - Moord in therapieBol.com

De Britse Philippa Perry is psychotherapeute, maar vooral bekend als bestsellerauteur en tv- en radiopersoonlijkheid. Met haar nieuwste boek Moord in therapie, dat op 7 mei 2026 verscheen, waagt ze zich voor het eerst aan fictie. Dit cosy crime-mysterie draait om een psychotherapeute die een verdachte dood onderzoekt. Dat klinkt als een veelbelovende combinatie van psychologische inzichten en een intrigerend mysterie, maar weet Perry die belofte ook waar te maken?

Het verhaal volgt psychotherapeute Patricia Phillips, die woont en werkt in Sussex Downs, vlak bij de enorme kliffen van Seven Sisters. Wanneer de politie voor haar deur staat, blijkt dat haar cliënt Henry Clayton, met wie ze die middag een eerste fysieke afspraak zou hebben, dood is aangetroffen onderaan de kliffen. Volgens de agenten gaat het om zelfmoord, maar Patricia heeft daar haar twijfels bij. Samen met haar excentrieke buurman Prichard en bevriende advocate Sue besluit ze zelf op onderzoek uit te gaan. Wat volgt is een cosy crime-mysterie: een klassieke whodunit, meestal opgelost door eigenzinnige (amateur)speurders, met weinig bloederige details, bijzondere locaties en een flinke dosis humor.

Te veel toevalligheden, weinig psychologische diepgang

Het uitgangspunt van Moord in therapie heeft veel potentie. Juist een genre dat draait om mysterie biedt ruimte voor psychologische diepgang en complexe motieven. Toch kiest Perry verrassend weinig voor die invalshoek. Er zijn zeker momenten waarop haar achtergrond als therapeut naar voren komt, bijvoorbeeld in gesprekken met Patricia’s mentor of gesprekken over de opvoeding van haar dochter. Deze momenten tellen als de sterkere passages uit het boek, maar ze hebben geen invloed op het mysterie zelf. Patricia lost de zaak namelijk niet op dankzij scherpe analyses of bijzondere inzichten. Belangrijke aanwijzingen komen vooral toevallig op haar pad, dankzij haar eigenwijze doorzettingsvermogen of door andermans vaardigheden met sociale media. Het idee van een therapeut als detective wordt dan ook niet ten volle benut.

Het helpt bovendien niet dat het verhaal volledig vanuit Patricia’s perspectief wordt verteld. Extra perspectieven, zeker die van intrigerende personages zoals Prichard, Sue of zakenvrouw Dorna, hadden meer spanning of diepgang kunnen toevoegen. Iets wat in andere, sterkere cosy crime boeken doorgaans goed wordt benut.

Geforceerde knipoog naar vervolg

Ook het mysterie zelf overtuigt niet echt. Het aantal serieuze verdachten blijft beperkt en het onderzoek kabbelt lange tijd voort zonder echte spanningsopbouw of verrassende ontwikkelingen. Wanneer het plot in de laatste pagina’s ineens versnelt, voelt dat eerder abrupt dan slim opgebouwd.

Daarnaast hangen belangrijke delen van het verhaal af van flinke onwaarschijnlijkheden. De manier waarop zowel de politie als Patricia omgaan met vertrouwelijkheid is daar een voorbeeld van, net als de weinig geloofwaardige werkwijze van de lokale politie. Dat Patricia op de laatste pagina vervolgens wordt benaderd om te helpen bij een volgende zaak – duidelijk een opzet voor een eventueel vervolgboek – voelt daardoor eerder geforceerd dan verdiend.

Vermakelijke scènes aan de Britse kust

Voor de crime hoef je het boek niet te lezen, maar dat compenseert Perry met een flinke dosis cosy. Het dagelijkse leven in Sussex Downs en bij Seven Sisters wordt met zichtbaar plezier beschreven. Patricia’s dagelijkse zwemtochten in zee, de lokale boeken- en schilderclubs en Prichards bizarre experimenten met zelfgestookte drank geven het dorp volop sfeer. Ook de sociale spanningen binnen de kleine dorpsgemeenschap, van roddels in groepsapps tot rivaliteit bij een schilderwedstrijd, leveren de nodige humor. Zeker dankzij de sociaal onhandige Patricia, die verre van een vanzelfsprekend sympathieke hoofdpersoon is. Ze houdt zich het liefst afzijdig van alle dorpse beslommeringen, maar werpt zich vanwege haar onderzoek toch steeds opnieuw in ongemakkelijke sociale situaties. Dat leidt geregeld tot licht absurde, maar vermakelijke scènes.

Toch slaat Perry soms door in haar hang naar herkenbare details. Bepaalde elementen keren zo vaak terug dat ze als irritant kunnen worden ervaren, bijvoorbeeld de veelvuldige verwijzingen naar een ‘avocadobadkamer’. Ook bij de hoeveelheden alcohol die Patricia en Prichard drinken, kun je als lezer je vraagtekens zetten.

Detectiveverhaal schiet tekort

Wie nieuw is binnen het genre cosy crime kan beter ergens anders beginnen. Auteurs zoals Jesse Sutanto en Richard Osman laten zien hoe warmte, scherpe humor en een slim mysterie succesvol gecombineerd kunnen worden. Hun amateurdetectives voegen daadwerkelijk iets toe aan een onderzoek, waardoor het logisch voelt wanneer de politie hun hulp inschakelt.

Moord in therapie leest vlot weg en de dorpse perikelen zijn geregeld vermakelijk, maar als detectiveverhaal schiet het tekort. Lezers die vooral op zoek zijn naar cosy sfeer zullen zich hier prima mee vermaken. Maar wie hoopt op een sterk mysterie met psychologische diepgang zal verder moeten zoeken dan deze psychotherapeut-detective.

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

Boeken / Fictie

Een kleurrijke schets van een duistere tijd

recensie: Meester van de trommels – José Eduardo Agualusa
Omslag Meester van de trommelsbol.com

In Meester van de trommels beschrijft José Eduardo Agualusa de geschiedenis van een natie en de geschiedenis van een familie. Het is een kleurrijke schets van een reeks grauwe gebeurtenissen – een interessant contrast.

Jan Pinto beleeft roerige tijden in Angola. Hij wordt door de ene diplomaat, dan weer door de andere koning betrokken bij conflicten die zich voltrekken tussen de Portugese kolonisten en de inheemse bevolking in het Angolese binnenland. Ondertussen onderhoudt hij een romantische relatie met Lucrécia Van-Dunem, die hij op de boot vanuit Lissabon naar Luanda ontmoet en bij wiens familie hij overnacht tijdens zijn verblijf in de Angolese hoofdstad. Naast de politieke intriges treedt ook de liefde als thema op de voorgrond – een klassieke, ouderwetse liefde in net zo’n pure vorm als Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera.

Weinig houvast

Jans politieke en militaire bemoeienis in Angola brengt hem met veel Angolese en Portugese bewindslieden in contact en maakt dat hij bij een groot aantal gewapende conflicten betrokken raakt. De avonturen waarin Jan Pinto zich stort, en de vele reizen die hij daarvoor maakt, zijn niet altijd even goed bij te houden voor de lezer. Dat komt doordat Meester van de trommels vrijwel geen houvast biedt voor lezers met weinig parate kennis over de betrekkingen tussen de Portugezen en Angolezen in Angola in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Een raamvertelling

In de eerste hoofdstukken van Meester van de trommels is de verteltrant redelijk objectief. Wanneer het verhaal echter wordt onderbroken door een commentaar waarin de samenstelling van het Portugese koloniale leger in Angola wordt toegelicht, wordt duidelijk dat het vertelperspectief niet dat van een neutrale, boven het verhaal zwevende alwetende verteller is. De lezer leert al snel dat het verhaal in feite een geschiedkundige reconstructie is, die wordt opgetekend door de kleindochter van hoofdpersoon Jan Pinto. Deze kleindochter-verteller, Leila, baseert haar reconstructie grotendeels op informatie die zij leest in de dagboeken van haar oudtante Irene Van-Dunem, de zus van Lucrécia. Zij voorziet de informatie in de dagboekfragmenten regelmatig van haar eigen commentaar: zij geeft graag historische context of haar persoonlijke visie op de gebeurtenissen. Tussen die commentaren door rapporteert Leila echter over het algemeen zo droog over de geschiedenis van haar grootvader, dat zij als verteller volkomen op de achtergrond treedt en de lezer haar perspectief uit het oog verliest. Toch zijn het Leila’s commentaren die de lezer eraan blijven herinneren dat de verteller een personage is in haar eigen verhaal.

Door dit in zichzelf grijpende personale vertelperspectief krijgt de lezer de indruk dat Leila zelf een bepaald belang heeft bij het vertellen van het verhaal. Maar doordat enkele wezenlijke vragen onbeantwoord blijven (we leren bijvoorbeeld niet wat voor Leila de aanleiding was om de geschiedenis van haar grootvader uit te pluizen, hoe ze aan de dagboeken is gekomen en hoe haar eigen verstandhouding met de personages eruitziet), blijft het voor de lezer nogal wazig wat dat belang precies is. Gaat het Leila om het schetsen van een beeld van de conflicten op het Angolese grondgebied aan het begin en in het midden van de twintigste eeuw? Om de bovennatuurlijke rol die de trommels spelen in de oorlogvoering van de inheemse bevolking? Om het optekenen van de geschiedenis van de familie Pinto, inclusief de liefde tussen Jan en Lucrécia? Of is het Leila te doen om het vertellen van haar eigen verhaal? Leila relateert in de laatste hoofdstukken immers ook een en ander over haar eigen beslommeringen ten tijde van het schrijven. Deze drie thema’s maken de hoofdonderdelen van het verhaal uit, maar worden nauwelijks met elkaar verweven, waardoor zij elkaar blijven beconcurreren om de voorgrond van het narratief.

Magische details

De personages in Meester van de trommels hebben talloze wonderlijke verhalen te vertellen. Zo blijkt dat de moeder van Lucrécia en Irene over het onverklaarbare talent bezat om, door slechts over de buik te strijken, aan te voelen of een zwangere vrouw van een jongen of een meisje zou bevallen. De bovennatuurlijke aard van veel van die subverhalen geeft het boek een bepaalde magisch-realistische kwinkslag, die wordt geconsolideerd door de magische trommels. De trommels lopen als een rode draad door het hele verhaal: bij het horen van bepaalde ritmes van die trommels wordt de luisteraar in een gruwelijke trance gebracht. Het koninkrijk Bailundo zet de trommels in wanneer zijn territorium wordt bedreigd door de Portugese kolonisten, en vele jaren later gebruikt Leila, die dj is, de ritmes van die trommels in haar muziek.

In Meester van de trommels zijn de bewoners van Angola, en specifiek de inheemse bewoners van het Angolese binnenland, degenen die het leven aldaar het beste begrijpen: zij hebben een gepaste eerbied voor de omgeving en voor de magische elementen. Zij nemen die bovennatuurlijke elementen aan als wonderlijke, maar voldongen feiten van het leven en gebruiken ze handig bij het verdedigen van hun leefomgeving als dat nodig is. De Angolezen steken kleurrijk en bewonderenswaardig af tegen de Portugezen, die zich alleen maar bezighouden met imperialisme en oorlogsvoering en die stuk voor stuk als nogal schandelijke, bespottelijke karikaturen worden neergezet.

De hoofdstukken in Meester van de trommels zijn los van elkaar subliem, maar vormen geen duidelijk, bevredigend geheel, en specifiek de rol van Leila is wat onnauwkeurig uitgewerkt. De literaire kwaliteit van Meester van de trommels schuilt dan ook voornamelijk in de bewonderenswaardige magische details en anekdotes die door de personages worden verteld en in de ingenieuze manier waarop dit boek de verhouding tussen de Portugezen en de Angolezen weergeeft.

Boeken / Fictie

De gewoonste man en vrouw van Nederland

recensie: BOEKENWEEKGESCHENK 2026 - Piaggio – Hendrik Groen
geschenk - postperskit

Hij is niet te missen: Hendrik Groen (pseudoniem van Peter de Smet). Tijdens de Boekenweek 2026 krijg je bij besteding van € 17,50 aan Nederlandstalige boeken zijn boekje Piaggio (een Italiaans autootje met drie wielen) cadeau. En vanaf zondag 8 maart 2026 valt op NPO 1 de verfilming van zijn roman Rust en Vreugd te volgen.

Helemaal zonder slag of stoot gaat de keuze van de auteur van het Boekenweekgeschenk nooit. Dit keer zou het volgens Joost Oomen zelfs een ramp zijn. Waarom? Het doel van de Boekenweek is het promoten van het Nederlandstalige boek en van de boekhandel en bibliotheek. De week viert het lezen in het algemeen, niet in het bijzonder dat van ‘kunst, echte originele, nieuwe perspectieven biedende kunst’ (Oomen). En dat mist Oomen: originaliteit en vernieuwing.

Groen sluit aan bij het thema van deze Boekenweek: ‘Mijn generatie’. Zijn boekje gaat over Marieke Bollegraaf (58) uit Almere. Ja, ze heeft een dochter. Maar geen man en daar moet verandering in komen. Ze heeft een date met de onverwacht verlaten en werkloos geworden Anton Struik (61), de broer van haar buurvrouw Lidy (50). Hij was filiaalmanager van een schoenenwinkel die failliet ging. En – zoals hij zelf zegt – ‘een enorm saaie lul’.

Toch gaan Anton en Marieke samen met een Piaggio op stap. ‘Van Italië over de Alpen naar Nederland.’ Marieke is zelfs een beetje jaloers op Anton, die er zo van kan genieten, ‘maar vindt dat tegelijkertijd heel flauw van zichzelf’. Zelf duikt ze bij elke haarspeldbocht steeds dieper in een plastic tas om over te geven. Samen zijn ze ‘de gewoonste man en vrouw van Nederland’. En dat is ook wel eens leuk om over te lezen, toch? ‘Nieuwe perspectieven biedende kunst’ komt een andere keer wel weer. De boog kan niet altijd gespannen staan.

Boeken / Non-fictie

Een heel specifiek soort irritatie

recensie: BOEKENWEEKESSAY 2026 - Ik zou uw dochter kunnen zijn – Doortje Smithuijsen
Thema-uitgave - postperskit

Als een boek, net als bij de speelvloer bij een toneelstuk, een vierde wand zou kennen, dan heeft de filosofe en journaliste Doortje Smithuijsen (1992) hem bij wijze van spreken in haar essay Ik zou uw dochter kunnen zijn doorbroken. Of liever gezegd: met grof geweld neergehaald. Het essay is een uitgave van de Boekenweek 2026, die als thema ‘Mijn generatie’ heeft.

In het eerste van de zes hoofdstukken richt ze het woord direct tot ‘de zestigplussers, de zeventigers, een enkele tachtiger die zich nog hartstikke eind vijftig voelt’ – niet haar generatie overigens. Ze zegt netjes u, dat wel. Smithuijsen spreidt alle sjablonen en vooroordelen die ze kent uit. In soms niet al te fraai Nederlands, zoals: ‘Lang verhaal kort en om maar meteen met de deur in huis te vallen’. En met een openingszin als: ‘Wie wil weten hoe entitlement eruitziet, kan het best op een regenachtige zaterdagmiddag rond een uur of half vier naar een arthousebioscoop in de Randstad’. Spreektaal of even kijken of u oplet?

Zoals ze ‘de’ (!) zestigplussers en zeventigers (de babyboomers) denkt te kennen, meent ze omgekeerd eigenlijk ook dat wij de mensen van haar leeftijd (de millennials) kennen: ‘U kent mij niet, tegelijk kent u mij wel – u kent mij zoals u alle mensen van mijn leeftijd denkt te kennen’. Onder dat kennen verstaat ze ‘een heel specifiek soort irritatie’. Het woord ‘entitlement’ (aanspraak, voordelen) zegt al genoeg: oudjes maken aanspraak op iets, willen ergens voordeel uit halen. Soms herkenbaar, soms helemaal ook niet.

Iemand als Teun Toebes moest het allemaal eens horen. Deze generatiegenoot van Smithuijsen woont en werkt met ouderen en schrijft daarover. De woorden ‘onderhuids zeer voelbare concurrentiestrijd’ en ‘tomeloze onuitstaanbaarheid’ zou hij wellicht vervangen door ‘samenleven’ en ‘genegenheid en begrip’. Daar hebben we denk ik meer aan dan alles zo tegenover elkaar zetten.

Het gaat bij Smithuijsen over ‘kinderen die hun ouders uitmaken voor verwende, rentenierende boomers en ouders die zich afvragen hoe hun eigen tot op het bot verwende kroost alsnog zo verongelijkt uit heeft kunnen vallen’. Toe maar. Ondertussen zijn beide leeftijdscategorieën ontevreden en jaloers op elkaar; ‘intergenerationele jaloezie’ noemt de auteur dat. Hoe clichématig wil je het hebben, al beschouwt de auteur het essay zelf ‘een beetje als een sketch’. Ook dat is toneel. Met evenzoveel typetjes. Maar om dat genre goed te kunnen vormgeven, zijn toch andere vaardigheden nodig. En die mist Smithuijsen een beetje. Ze blijft hangen in sjablonen.

 

Boeken
special: Gedichten Boekenweek 2026
Photo by Bidder Karim on Unsplash

Zijn als een kind

Een bekende musicus vertelde onlangs dat zij tijdens haar studie een stuk voorspeelde waarop haar docent zei dat ze wel erg goed naar Mr. X had geluisterd. Op haar vraag of dit dan niet mocht, antwoordde hij dat daar op zich niets tegen was, als ze het dan maar wel béter deed.

Dit doet denken aan het gedicht Het meisje van Hanny Michaelis (1949), dat als Boekenweekgedicht 2026 ter inspiratie dient voor drie dichters uit verschillende generaties: Ingmar Heytze, Dean Bowen en Babs Schutte. Zij hertaalden het klassieke sonnet van Michaelis, dat oorspronkelijk bestaat uit tweemaal vier regels en tweemaal drie regels.

De dichteres vroeg zich af of ze na jaren nog steeds het kind van weleer is: speels, argeloos en onbevangen in de voorjaarswind? De o’s en a’s rijgen zich aaneen en geven het gedicht zowel een lichte (speelse, zonnige) toon van een kind als de weemoedige aard (wolken, wind en vuur) van een vrouw die het pad van deze gevoelens heeft afgelegd. Het kan niet anders of je leest er de donkerte van de Tweede Wereldoorlog in.

Ingmar Heytze: Pretty Vacant

De eerste dichter, de 56-jarige performer en columnist Ingmar Heytze, benadrukt in zijn versie de melancholie van het oorspronkelijke gedicht. Ook hij kijkt terug op zijn kindertijd in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij houdt het bij viermaal drie regels (terzetten). De boodschap van zijn generatie is: erbij staan en ernaar kijken. Je verstoppen omdat het je tijd wel zal duren en toch dingen ondernemen, zoals gedichten maken.

Dean Bowen: .the kids are not alright

De volgende dichter en performer, de 41-jarige Dean Bowen, waaiert van de drie dichters het meest uit in lange regels. Hoewel ze, als je gaat tellen, wel degelijk de vorm van een sonnet hebben: tweemaal vier en tweemaal drie regels met een chute (kantelpunt) voor de laatste twee strofes. De sprookjes zijn bij hem spoken en slapeloze nachten geworden, de lente van Michaelis zijn Arabische lentes die ‘ons overwoekerd & gehavend achter[lieten]’. Knap is dat hij niet alleen de klassieke sonnetvorm, maar net als Heytze ook de o’s en a’s van het origineel behoudt.

Babs Schutte: De sprong

De laatste en jongste van de drie dichters is de 26-jarige Babs Schutte, performer, tekstschrijver en producer. Ook zij vangt het kind van Michaelis in haar gedicht De sprong. Ze heeft haar droom (kunnen leven van muziek maken) waar kunnen maken. Ze behoort tot de generatie die vooral doet. Het sprookjesboek is weliswaar gesloten, maar de dromen blijven, ook al zijn er zorgen. Let op: ook zij laat de o’s en a’s van Michaelis terugkomen in haar viermaal vier regels!

Alle drie de dichters hebben goed naar het gedicht van Hanny Michaelis gekeken. Of ze het beter deden, is niet de vraag. Wél hebben zij het thema naar onze tijd getrokken en het vanuit hun leefwereld uitgewerkt. En hoe!

Boeken / Fictie

Moord is bijzaak

recensie: Het onmogelijke fortuin – Richard Osman
Het onmogelijke fortuinbol.com

Na een zijsprong met de start van de reeks Voor al uw moordzaken én de verschijning van de verfilming van De moordclub (op donderdag) keert Richard Osman terug naar zijn bekendste personages. Het onmogelijke fortuin is alweer het vijfde deel in De moordclub (op donderdag)-reeks, waarin de hoogbejaarde speurneuzen zich ditmaal begeven in de wereld van cryptomunten, huurmoordenaars en autobommen.

Met De moordclub (op donderdag)-reeks geeft Osman het detectivegenre een eigen draai. Geen excentrieke rechercheurs, maar ouderen met een uit de hand gelopen hobby staan centraal. Dat is niet zomaar een gimmick: de boeken gaan juist over ouder worden, over onderschat worden ondanks een leven vol ervaring, over vriendschap, familiebanden en eenzaamheid. Osman weet deze thema’s licht te houden met humor en charme, zonder ze te bagatelliseren. Door de reeks heen zien we hoe de personages en hun onderlinge relaties zich blijven ontwikkelen. Bovendien werkt in dit vijfde deel een grote gebeurtenis uit het vierde deel van de reeks, De laatste duivel die sterft, nadrukkelijk door.

Tussen bitcoins en autobommen

De welbekende clubleden Elizabeth, Joyce, Ron en Ibrahim treffen we op de bruiloft van Joyce’ dochter Joanna. Tussen het feestgedruis door wordt Elizabeth aangesproken door Nick Silver, een man die ervan overtuigd is dat iemand hem wil vermoorden. Hij heeft een autobom onder zijn wagen gevonden en denkt dat dit alles te maken heeft met een gigantisch bitcoinvermogen waar hij over beschikt. Wanneer Silver vervolgens spoorloos verdwijnt, maar wél verdachte berichten blijft sturen naar de bruidegom, is het nieuwe mysterie geboren. Toch blijkt al snel dat Het onmogelijke fortuin vooral níét draait om dat mysterie – en precies dat maakt dit boek zo geslaagd voor lezers die de eerdere delen kennen. Hoewel het verhaal op zichzelf te lezen is, mis je zonder voorkennis veel onderlinge grapjes, emotionele ontwikkelingen en betekenisvolle details. In een reeks waarin het leven naast moord en doodslag centraal staat, zijn juist die lagen onmisbaar.

Moord is slechts bijzaak

Hoewel ook dit deel weer een vernuftig opgebouwd mysterie bevat, lees je deze reeks niet voor de spanning rondom de antiek-oplichterijen, drugsdeals en spionagepraktijken. Je leest haar voor de personages. Het onmogelijke fortuin valt daarbij extra op, omdat het verhaal nog nadrukkelijker ruimte maakt voor alles náást het raadsel. Meer dan eens leren we over de levens van de clubleden, zeker nu er nieuwe perspectieven zijn toegevoegd, zoals die van Joyce’ dochter en Rons kleinzoon. Ook Connie krijgt eindelijk meer ruimte en laat zowaar verdere karakterontwikkeling zien. Waar Ron eerder soms wat naar de achtergrond leek te verdwijnen, krijgen hij, zijn kinderen en zijn kernprincipes hier meer aandacht – al is de aanleiding minder prettig. Met de introductie van nieuwe personages treden thema’s als rouw en eenzaamheid nog sterker op de voorgrond. Zoals Joyce in haar dagboek opmerkt: je hebt het nieuws, en je hebt het leven. Dit boek gaat dan ook niet echt over bommen en bitcoins, maar over eenzame mannen met te veel kattenbeeldjes en moedige vrouwen in lastige situaties.

Osmans superkracht is zijn humor en schrijfstijl, en waar die in de verfilming grotendeels ontbraken, keren ze in Het onmogelijke fortuin gelukkig volledig terug: heerlijk droog, scherp en bovenal herkenbaar Brits. Tegelijkertijd schuwt hij emoties niet en weet hij de ups en downs van het ouder worden raak te verwoorden, met een lach en een traan. Opvallend zijn deze keer de grappen die subtiel verwijzen naar de verfilming – zoals Ron die iedereen naar diens favoriete James Bond acteur vraagt. Die van hem is vanzelfsprekend de knappe acteur Pierce Brosnan, die geheel toevallig de rol van Ron op zich neemt in de verfilming. Deze knipogen werken het beste voor de lezers die zich al langer in de wereld van Coopers Chase begeven.

Het onmogelijke fortuin bewijst dat Osman zijn succesformule nog altijd beheerst: humor, charme, een goed doordacht mysterie, maar vooral oog voor het echte leven. Wie de eerdere delen heeft gelezen, krijgt hier een rijk en emotioneel vervolg voorgeschoteld en loopt zelfs de kans dat dit deel uitgroeit tot de favoriet van deze boekenreeks.

Boeken / Fictie

Een Joël Dicker voor iedereen

recensie: Het rampzalige bezoek aan de dierentuin
Afbeelding recensie Het rampzalige bezoek aan de dierentuinPexels

Het is een uniek boek tussen de dikke pillen waarmee schrijver Joël Dicker menig lezershart wist te veroveren: de nieuwste roman Het rampzalige bezoek aan de dierentuin presenteert zich terecht als ‘een nieuwe pageturner voor alle leeftijden’. Hoewel klein van stuk, biedt dit boek een groots verhaal over het reilen en zeilen op een school voor speciale kinderen, waarin de onbedoeld geestige opmerkingen van deze jonge helden je zullen ontroeren.

De proloog maakt de lezer meteen hongerig. Hongerig naar informatie, hongerig naar de sappige details en vooral hongerig naar het einde van het boek. De ik-verteller van het boek, Joséphine geheten, maakt meteen kenbaar dat er iets grotesks heeft plaatsgevonden in het verleden. Gedreven door haar schrijversambities is Joséphine op latere leeftijd in de pen geklommen om het grootse mysterie te delen met haar lezers. Jaren geleden, tijdens een schoolbezoek aan een dierentuin, is er blijkbaar iets voorgevallen wat te classificeren valt als een ‘ramp’. De lezer weet op de eerste pagina van het boek nog niet dat het bezoek aan de dierentuin de kers op de taart is na alle rampen die zich voor die uiteindelijke ramp voordoen. Het tweede tot en met het eenentwintigste hoofdstuk verhalen ieder over een catastrofe van beperkte omvang.

Er is niet veel voor nodig om het iedere keer weer zover te laten komen. Neem een pittoresk schooltje voor zes speciale kinderen (Joséphine, Otto, Artie, Thomas, Giovanni en Yoshi), een te geduldige en lieve juf (juffrouw Jennings) en een grote overstroming. Waar zou dit in resulteren? Nou, bijvoorbeeld in het volgende. De overstroming maakt het schoolgebouw van de zes erg nieuwsgierige scholieren dusdanig onbruikbaar dat diezelfde kids nu ondergebracht worden op een ‘normale’ school met een alleraardigste directeur.

True crime

Ondanks hun unieke aard (van dwangneuroses tot hypochondrie tot autisme), vormen de zes bijzondere kinderen het doelwit van pesterijen op deze nieuwe school. Ze weten goed van zich af te slaan – in de meest letterlijke betekenis van dat woord. Met een vader die karateleraar is, weet Thomas de meest rake klappen uit te delen. Zoals aan de gemene Balthazar, die later in het boek een belangrijke handlanger blijkt te zijn in de zoektocht van ‘de zes’ naar antwoorden op de prangende vraag: ‘Wie heeft hun school laten overstromen?’. Ook de oma van Giovanni, die iets te veel politieseries heeft gekeken, helpt hen graag met hun onderzoek. Al puffend aan haar sigaretten neemt ze dagelijks de nieuwste ontwikkelingen door met haar kleinzoon en zijn vriendjes. En met succes: hun leven verandert stilaan in een echte detectiveserie met een uitkomst die niemand had kunnen voorspellen.

Een manusje-van-alles

Hoe zo’n verhaal op je overkomt? Als een spannende jeugdthriller misschien, of een ietwat te kinderlijk ingerichte misdaadroman? Wellicht iets van beide? Dat zou goed kunnen, aangezien het de voornaamste wens was van Dicker om een boek te publiceren dat ieder lezerspubliek dient. Na twaalf jaar schrijverij besloot Dicker een boek te vervaardigen dat alle lezers – groot en klein – met elkaar kunnen delen. Juist door te kiezen voor kinderen met een zekere hoogbegaafdheid worden thema’s als inclusiviteit en democratie niet geschuwd. Het leidt zelfs tot een van de meest grappige passages die ooit in een all-age-boek (of liever: crossover- of multidoelgroepenboek) zijn aangetroffen. In een recalcitrante bui besluiten de zes speurneuzen om de kritische schoolouders voor eens en altijd de mond te snoeren in een hilarisch toneelstuk. Ook de ontzettend eigenzinnige en bijdehante uitspraken van de zes kinderen leiden continu tot humorvolle misopvattingen.

In zijn opzet is Dicker zeker geslaagd: het smalle boekje biedt een ongekend (doch kortstondig) leesplezier voor jonge en (iets) oude(re) lezers. Hoewel het zeer vermakelijk is, is het nu ook weer geen boek dat je lang bij zal blijven. Het is zeker goed geschreven, maar de literair-stilistische kant van dit boek verdient bij lange na niet zoveel lof als zijn voorgangers, zoals de debuutroman De waarheid over de zaak Harry Quebert. Het idee achter dit specifieke boek verdient echter natuurlijk op zichzelf een dikke pluim.

Boeken / Non-fictie

Monumentale gids waarin het vertelplezier soms verdwaalt

recensie: Stoute Schoenen - Bart Van Loo
cover Stoute SchoenenBol.com

Met de historische wervelwind De Bourgondiërs scoorde Bart Van Loo onverwacht een monsterhit: maar liefst 400.000 exemplaren gingen over de toonbank (waarvan 130.000 in vertaling). De verwachtingen rond de opvolger waren dan ook hooggespannen. Lost Stoute Schoenen die in? Absoluut, zij het met een kleine kanttekening.

Nog los van de inhoudelijke kwaliteit van het boek kan je alleen maar tonnen respect hebben voor het werk dat Bart Van Loo verzette voor Stoute Schoenen. Baseerde hij zich voor De Bourgondiërs voornamelijk op kronieken, dan dook hij nu in tientallen archieven, bezocht hij tal van musea en hun collecties, dwaalde hij langs en door historische panden en ruïnes, en doorkruiste hij zo goed als het volledige Bourgondische hertogdom van weleer, in het spoor van hun kleurrijke en spraakmakende gezaghebbers. Het resultaat van ruim vijf jaar werk? Een 800 pagina’s tellend monument voor de Bourgondische aartsvaders, tjokvol historische feiten en inzichten, weetjes, reisimpressies, beschrijvingen van kunstwerken en wat nog meer. Een schatkamer van papier, een grabbelton vol anekdotiek en wetenswaardigheden, verrijkt met heldere, kleurrijke foto’s van Geert Van de Velde, die Van Loo op zijn tochten vergezelde.

Rouwstoet achterna

Kortom, als werkstuk en uitgave is dit sowieso ongezien. Maar is het ook lezenswaardig? Absoluut. Het opzet? Bart Van Loo gaat in de landen van herwaarts (de Lage Landen) en derwaarts over (Bourgondië), zoals de regio’s onder hertog Filips de Goede werden genoemd, op zoek naar zichtbare sporen van Bourgondische aanwezigheid. Met als handige corridor tussen de twee regio’s – en het onbetwistbare hoogtepunt van het boek – de rouwstoet voor ‘aartsvader’ Filips de Stoute, die Van Loo reconstrueert door die na te reizen. Een rouwstoet – of beter: repatriëring avant la lettre – die startte in Halle (bij Brussel) en na ettelijke weken eindigde in het kartuizerklooster van Champmol in Bourgondië, waar de graaf werd bijgezet. Onderweg vallen heel wat fijne passages te lezen, niet zelden doorspekt met milde humor:

‘Het is in dit decor dat Filips zijn allerlaatste nacht doorbracht in Kortrijk. De rekeningen van het kapittel leren dat de kapelaans van de hertog tijdens de nachtwake ter verpozing wijn te drinken kregen en dat hiervoor 40 schellingen werden betaald. Daar staan we dan met onze blik vanuit de eenentwintigste eeuw: alcohol nuttigen bij een lijk in een katholiek gebedshuis tijdens het opdreunen van Latijnse psalmen en rozenkransen.’

Ook fijn zijn de historische bespiegelingen die Van Loo als smaakmakers doorheen de tekst strooit. Zoals wanneer hij vaststelt dat destijds een monument verplaatst moest worden om stadsuitbreiding mogelijk te maken:

‘Zo gaat dat met geschiedenis, dingen worden verhuisd en veranderd naargelang het uitkomt. Met wat geluk wordt het een keer opgeschreven en pas daarna vergeten.’

Kreunend onder een berg

Waarom dan die ‘maar’ van in de inleiding? Omdat Van Loo’s vertelkunst bij momenten wat kreunt onder die berg historisch materiaal. Wie Van Loo aan het werk zag op het podium of het voorrecht had hem te interviewen, weet dat vertelplezier en energie zijn handelsmerk vormen, wat hij wonderwel wist te vertalen naar de pagina’s van De Bourgondiërs. Dat is in Stoute Schoenen veel minder het geval. Is dat een verwijt? Geenszins. Maar het belemmert bij momenten wel de leesvaart.

Bij momenten dreigt ook wat moeheid na een zoveelste bombardement van (onbekende) locaties en namen, waarbij je soms gedesoriënteerd geraakt in tijd en ruimte – hoe goed Van Loo ook zijn best doet je bij de hand en bij de les te houden. Persoonlijk hielden wij daarom meer van De Bourgondiërs, dat vloeiend en verhalend was en waarin de vertelkunst van de meester écht tot zijn recht kwam. Stoute Schoenen is geen familie- of dynastieke kroniek, maar eerder een literaire reisgids – en een Trotter of Time to Momo lees je ook niet in één ruk uit, al doet die vergelijking uiteraard oneer aan het titanenwerk en de schrijfvaardigheid van Van Loo. Op de pagina’s waar hij zijn energieke stijl wel de vrije teugels geeft – een bespiegeling over zijn dochter in een kathedraal, de voor kippenvel zorgende laatste pagina’s waarin hij terugkeert naar het begin – besef je dat hier zijn echte kracht schuilt. Maar nogmaals, de wat moeizamere vaart is nu eenmaal eigen aan het opzet en het bronmateriaal. Want om zelf terug te keren naar het begin: je kan alleen maar tonnen respect hebben voor het werk dat Bart Van Loo verzette. Hij heeft het ondernomen.