Berichten

Boeken / Non-fictie

Vol overgave

recensie: Sue Prideaux - Ik ben dynamiet

De veelgeprezen Nietzsche-biografie Ik ben dynamiet van Sue Prideaux is nu vertaald in het Nederlands. Dit werk is alles wat een Nietzsche liefhebber zich wensen kan: een prachtige kijk in het persoonlijke leven van Nietzsche, naadloos vervlochten met een uitgebreide uiteenzetting van zijn denken en werken.

Friedrich Nietzsche is één van de bekendste filosofen van de 19e eeuw. Bij het grote publiek staat hij bekend als de filosoof met de hamer, omdat hij alles wat filosofen vóór hem hebben bedacht aan diggelen slaat. Vanuit dat niets bouwt hij zijn filosofie opnieuw op. Een filosofie die helemaal niet pessimistisch of negatief tegenover het leven staat (ook zo staat hij bij het grote publiek bekend), maar waar juist zoveel levensliefde vanaf spat dat het alles wat dat leven inperkt verafschuwt.

Even Nietzsche zijn

Ik ben dynamiet is veel meer dan een biografie. Het is een volledige inleiding op alles wat met Nietzsche te maken heeft, op zijn volledige levensloop, al zijn relaties, alle plekken waar hij tijd heeft doorgebracht, alle gedachten die hij op die plekken deelde met anderen en alle boeken, geschriften en brieven die hij schreef gedurende zijn leven. Maar het grootste verschil met andere biografieën is dat Ik ben dynamiet leest alsof Nietzsche het boek zélf heeft geschreven. En eigenlijk gaat het zelfs nog verder, het is alsof je door het boek te lezen in zijn hoofd kruipt. Alsof je even Nietzsche wordt, zijn gedachten ziet alsof het je eigen gedachten zijn.

Sue Prideaux heeft met Ik ben dynamiet een meesterwerk geschreven dat niet snel geëvenaard zal worden. Ze ontdoet Nietzsche van alle valse beschuldigen aan zijn adres (dat hij antisemiet zou zijn, dat hij vrouwen zou haten, dat hij nationalistisch zou zijn), van alle valse vooroordelen (dat hij alleen maar alles kapot sloeg en zelf niks nieuws bedacht) en geeft hem weer de ruimte om te zijn wie hij was: een menselijk genie, geplaagd door lichamelijke ongemakken, emoties en onbeschrijfelijk diepe en revolutionaire gedachten.

Professor Nietzsche

Nietzsche leefde met grote snelheid. Wellicht had dat te maken met het sterven van zijn vader op jonge leeftijd, wat Friedrich in één klap dé man van het gezin maakte. Zowel zijn moeder als zijn zus keken tegen hem op en zagen in hem hun heil voor de toekomst. Toen Nietzsche student filologie en pas 24 jaar oud was kreeg hij in Bazel de leerstoel filologie aangeboden. Om professor te worden moet je eerst de doctorsgraad behaald hebben, maar ze wilden in Bazel zo graag dat Nietzsche het ambt zou bekleden dat ze hem deze graad cadeau gaven. Dit aanbod was uitzonderlijk en komt voort uit het enthousiasme van één van zijn docenten, die Nietzsche voordroeg. Nietzsche werd de jongste professor ooit aan de universiteit van Bazel. Er stond wel iets tegenover: Nietzsche moest zijn Pruisische nationaliteit opgeven om te voorkomen dat hij opgeroepen zou worden voor dienstplicht. Dit deed hij, maar de Zwitserse nationaliteit kreeg hij nooit, hij bleef dus zijn verdere leven stateloos (iets wat hem als ‘kosmopoliet’ en zelfbenoemd Europees burger niet zou deren).

Wagner en muziek

Een belangrijk element in Nietzsches leven en dus ook in Ik ben dynamiet is zijn vriendschap met Richard Wagner. Nietzsche bracht nagenoeg al zijn vrije tijd door in Tribschen, het huis van Wagner en zijn vrouw Cosima aan het Vierwoudstrekenmeer in Luzern. Keer op keer keert de lezer samen met Nietzsche (of eigenlijk: als Nietzsche) terug naar Tribschen. Wagner en Nietzsche waren beiden groot fan van Schopenhauer, die met zijn pessimistische filosofie een welkom alternatief was voor het christelijke conservatieve gedachtegoed van Immanuel Kant en Pruissen. Hun gedeelde liefde voor muziek sloot naadloos aan op het denken van Schopenhauer, die de muziek de enige kunst noemde die ‘bij machte was de waarheid over het wezen van het bestaan zelf te onthullen’. Zingend en filosoferend beklommen ze regelmatig samen de berg Pilatus. De ontwikkeling van Nietzsche van filoloog tot filosoof gaat stapsgewijs en hand in hand met het uit elkaar groeien van de goede vrienden.

Nietzsche als filosoof

Prideaux laat zien hoe Nietzsche als filosoof door zijn boeken en standpunten steeds meer mensen tegen zich in het harnas jaagt, waaronder zijn zuster Elisabeth (bijnaam: lama). Zijn moeder en zus – en ook de jonge Friedrich zelf trouwens – hadden altijd gedacht dat Nietzsche dominee zou worden, net als zijn vader. Toen Nietzsche openlijk kritiek begon te uiten op het christelijke geloof namen zij dat hem niet in dank af. Ondanks dat bleef zijn moeder hem zijn hele leven trouw en hielp hem waar nodig, voor zover dat kon als alleenstaande vrouw.

De relatie met zijn zus verliep anders. Ook hier neemt Prideaux je mee in het leven van Nietzsche alsof je het zelf beleeft. Als kind zijn broer en zus dol op elkaar maar deze relatie verbrokkelt stukje bij beetje wanneer Nietzsche steeds meer van zijn filosofie ontwikkelt. Elizabeth wordt openlijk nationaalsocialist en begint samen met haar man een kolonie in Zuid-Amerika. Broer en zus breken met elkaar. Ondanks dat weet Elizabeth als ze weer terug is de voogdij over haar broer te krijgen wanneer deze geestesziek wordt. Terwijl hij nog leeft richt ze een Nietzsche-archief op. Alle teksten die haar in een kwaad daglicht zetten vernietigt ze, passages uit boeken waar ze niet achter staat schrapt ze. Wanneer de geesteszieke Nietzsche op een bovenkamertje zijn laatste dagen uitzit laat ze geïnteresseerden betalen om hem te zien.

Nietzsche misbruikt

Prideaux eindigt Ik ben dynamiet met een duidelijke en erg pijnlijke afrekening met diegenen die Nietzsche het meest hebben misbruikt: zijn zus en de nazi’s. Elisabeth Nietzsche zorgde ervoor dat een stuk van Mussolini werd opgevoerd in Weimar en een jaar later ontmoette zij Adolf Hitler (toen al kanselier) die haar een bos rode rozen gaf. Het Nietzsche-archief kwam in handen van de nazi’s ‘die bij de formulering van de filosofie van hun partij een beroep deden op Nietzsche’.

Een andere bekende naam die de ‘meest vergiftigende invloed op de manipulatie van Nietzsches ideeën’ had was Oswald Spengler. Spengler gebruikte Nietzsches woorden zoals Übermensch zo dat ze strookten met zijn nationaalsocialistische idee van het sociaal-darwinisme: de misbruikte evolutietheorie van Darwin die goedkeurde dat grote groepen ‘ondergeschikten’ niet zouden voortleven in het belang van de soort. Met het sociaal-darwinisme werd de Endlösung van een zogenaamd wetenschappelijk en dus ‘rechtvaardig’ sausje voorzien. Het feit dat veel mensen vandaag de dag Nietzsches Übermensch nog altijd verbinden aan de verwerpelijke filosofie van nazi-Duitsland toont hoe succesvol de manipulatie en het misbruik van Nietzsches filosofie is geweest. Het feit dat Oswald Spengler vandaag de dag door sommigen (zoals aanhangers van de alt-right beweging) gezien wordt als een onterecht opzijgeschoven denker is alarmerend.

Ik ben dynamiet

Nietzsche leefde snel en greep elk moment dat hij niet geplaagd werd door pijnen of slechtziendheid aan om te schrijven. Hij reisde heel Europa door naar plekken waar hij kon werken en naar mensen met wie hij kon filosoferen. In Ik ben dynamiet spat de gedrevenheid van de bladzijden. De verandering in schrijfstijl van stijfjes en langdradig naar korte aforismen is als lezer volkomen logisch en duidelijk te volgen. Hij leek haastig om zijn gedachten zo duidelijk mogelijk op papier te willen knallen, alsof hij wist wat in het verschiet lag. Het zo veel mis geïnterpreteerde amor fati waar Nietzsche bekend om staat geeft blijk van deze levenslust. Het zou Nietzsche maken tot een nihilist die het leven verafschuwd. Wat bedoelde hij er dan mee? Van niks te willen dat het anders is, een volledige omarming van het leven.

Ook het steeds slechter worden van zijn lichamelijke gezondheid die hand in hand lijkt te gaan met de steeds grotere ontwikkeling van zijn geest ontvouwt als een tragische maar logische levensrichting voor deze fascinerende filosoof. ‘Ik ben geen mens, ik ben dynamiet!’ lijkt hij haast te roepen in Ecce homo. Nietzsche geloofde dat hij de mensheid kon bevrijden van haar kortzichtigheid en onderdrukkende moraliteit. En dat zou niet zonder herrie gaan, maar met een knal zoals van ontploffend dynamiet!

Sue Prideaux heeft met Ik ben dynamiet een meesterwerk geschreven. Een aanrader voor iedereen, zonder uitzondering. Ontzettend leerzaam, intrigerend, meeslepend en vermakelijk. Een van de mooiste boeken die ik ooit heb gelezen.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Vol overgave

recensie: Sue Prideaux - Ik ben dynamiet

De veelgeprezen Nietzsche-biografie Ik ben dynamiet van Sue Prideaux is nu vertaald in het Nederlands. Dit werk is alles wat een Nietzsche liefhebber zich wensen kan: een prachtige kijk in het persoonlijke leven van Nietzsche, naadloos vervlochten met een uitgebreide uiteenzetting van zijn denken en werken.

Friedrich Nietzsche is één van de bekendste filosofen van de 19e eeuw. Bij het grote publiek staat hij bekend als de filosoof met de hamer, omdat hij alles wat filosofen vóór hem hebben bedacht aan diggelen slaat. Vanuit dat niets bouwt hij zijn filosofie opnieuw op. Een filosofie die helemaal niet pessimistisch of negatief tegenover het leven staat (ook zo staat hij bij het grote publiek bekend), maar waar juist zoveel levensliefde vanaf spat dat het alles wat dat leven inperkt verafschuwt.

Even Nietzsche zijn

Ik ben dynamiet is veel meer dan een biografie. Het is een volledige inleiding op alles wat met Nietzsche te maken heeft, op zijn volledige levensloop, al zijn relaties, alle plekken waar hij tijd heeft doorgebracht, alle gedachten die hij op die plekken deelde met anderen en alle boeken, geschriften en brieven die hij schreef gedurende zijn leven. Maar het grootste verschil met andere biografieën is dat Ik ben dynamiet leest alsof Nietzsche het boek zélf heeft geschreven. En eigenlijk gaat het zelfs nog verder, het is alsof je door het boek te lezen in zijn hoofd kruipt. Alsof je even Nietzsche wordt, zijn gedachten ziet alsof het je eigen gedachten zijn.

Sue Prideaux heeft met Ik ben dynamiet een meesterwerk geschreven dat niet snel geëvenaard zal worden. Ze ontdoet Nietzsche van alle valse beschuldigen aan zijn adres (dat hij antisemiet zou zijn, dat hij vrouwen zou haten, dat hij nationalistisch zou zijn), van alle valse vooroordelen (dat hij alleen maar alles kapot sloeg en zelf niks nieuws bedacht) en geeft hem weer de ruimte om te zijn wie hij was: een menselijk genie, geplaagd door lichamelijke ongemakken, emoties en onbeschrijfelijk diepe en revolutionaire gedachten.

Professor Nietzsche

Nietzsche leefde met grote snelheid. Wellicht had dat te maken met het sterven van zijn vader op jonge leeftijd, wat Friedrich in één klap dé man van het gezin maakte. Zowel zijn moeder als zijn zus keken tegen hem op en zagen in hem hun heil voor de toekomst. Toen Nietzsche student filologie en pas 24 jaar oud was kreeg hij in Bazel de leerstoel filologie aangeboden. Om professor te worden moet je eerst de doctorsgraad behaald hebben, maar ze wilden in Bazel zo graag dat Nietzsche het ambt zou bekleden dat ze hem deze graad cadeau gaven. Dit aanbod was uitzonderlijk en komt voort uit het enthousiasme van één van zijn docenten, die Nietzsche voordroeg. Nietzsche werd de jongste professor ooit aan de universiteit van Bazel. Er stond wel iets tegenover: Nietzsche moest zijn Pruisische nationaliteit opgeven om te voorkomen dat hij opgeroepen zou worden voor dienstplicht. Dit deed hij, maar de Zwitserse nationaliteit kreeg hij nooit, hij bleef dus zijn verdere leven stateloos (iets wat hem als ‘kosmopoliet’ en zelfbenoemd Europees burger niet zou deren).

Wagner en muziek

Een belangrijk element in Nietzsches leven en dus ook in Ik ben dynamiet is zijn vriendschap met Richard Wagner. Nietzsche bracht nagenoeg al zijn vrije tijd door in Tribschen, het huis van Wagner en zijn vrouw Cosima aan het Vierwoudstrekenmeer in Luzern. Keer op keer keert de lezer samen met Nietzsche (of eigenlijk: als Nietzsche) terug naar Tribschen. Wagner en Nietzsche waren beiden groot fan van Schopenhauer, die met zijn pessimistische filosofie een welkom alternatief was voor het christelijke conservatieve gedachtegoed van Immanuel Kant en Pruissen. Hun gedeelde liefde voor muziek sloot naadloos aan op het denken van Schopenhauer, die de muziek de enige kunst noemde die ‘bij machte was de waarheid over het wezen van het bestaan zelf te onthullen’. Zingend en filosoferend beklommen ze regelmatig samen de berg Pilatus. De ontwikkeling van Nietzsche van filoloog tot filosoof gaat stapsgewijs en hand in hand met het uit elkaar groeien van de goede vrienden.

Nietzsche als filosoof

Prideaux laat zien hoe Nietzsche als filosoof door zijn boeken en standpunten steeds meer mensen tegen zich in het harnas jaagt, waaronder zijn zuster Elisabeth (bijnaam: lama). Zijn moeder en zus – en ook de jonge Friedrich zelf trouwens – hadden altijd gedacht dat Nietzsche dominee zou worden, net als zijn vader. Toen Nietzsche openlijk kritiek begon te uiten op het christelijke geloof namen zij dat hem niet in dank af. Ondanks dat bleef zijn moeder hem zijn hele leven trouw en hielp hem waar nodig, voor zover dat kon als alleenstaande vrouw.

De relatie met zijn zus verliep anders. Ook hier neemt Prideaux je mee in het leven van Nietzsche alsof je het zelf beleeft. Als kind zijn broer en zus dol op elkaar maar deze relatie verbrokkelt stukje bij beetje wanneer Nietzsche steeds meer van zijn filosofie ontwikkelt. Elizabeth wordt openlijk nationaalsocialist en begint samen met haar man een kolonie in Zuid-Amerika. Broer en zus breken met elkaar. Ondanks dat weet Elizabeth als ze weer terug is de voogdij over haar broer te krijgen wanneer deze geestesziek wordt. Terwijl hij nog leeft richt ze een Nietzsche-archief op. Alle teksten die haar in een kwaad daglicht zetten vernietigt ze, passages uit boeken waar ze niet achter staat schrapt ze. Wanneer de geesteszieke Nietzsche op een bovenkamertje zijn laatste dagen uitzit laat ze geïnteresseerden betalen om hem te zien.

Nietzsche misbruikt

Prideaux eindigt Ik ben dynamiet met een duidelijke en erg pijnlijke afrekening met diegenen die Nietzsche het meest hebben misbruikt: zijn zus en de nazi’s. Elisabeth Nietzsche zorgde ervoor dat een stuk van Mussolini werd opgevoerd in Weimar en een jaar later ontmoette zij Adolf Hitler (toen al kanselier) die haar een bos rode rozen gaf. Het Nietzsche-archief kwam in handen van de nazi’s ‘die bij de formulering van de filosofie van hun partij een beroep deden op Nietzsche’.

Een andere bekende naam die de ‘meest vergiftigende invloed op de manipulatie van Nietzsches ideeën’ had was Oswald Spengler. Spengler gebruikte Nietzsches woorden zoals Übermensch zo dat ze strookten met zijn nationaalsocialistische idee van het sociaal-darwinisme: de misbruikte evolutietheorie van Darwin die goedkeurde dat grote groepen ‘ondergeschikten’ niet zouden voortleven in het belang van de soort. Met het sociaal-darwinisme werd de Endlösung van een zogenaamd wetenschappelijk en dus ‘rechtvaardig’ sausje voorzien. Het feit dat veel mensen vandaag de dag Nietzsches Übermensch nog altijd verbinden aan de verwerpelijke filosofie van nazi-Duitsland toont hoe succesvol de manipulatie en het misbruik van Nietzsches filosofie is geweest. Het feit dat Oswald Spengler vandaag de dag door sommigen (zoals aanhangers van de alt-right beweging) gezien wordt als een onterecht opzijgeschoven denker is alarmerend.

Ik ben dynamiet

Nietzsche leefde snel en greep elk moment dat hij niet geplaagd werd door pijnen of slechtziendheid aan om te schrijven. Hij reisde heel Europa door naar plekken waar hij kon werken en naar mensen met wie hij kon filosoferen. In Ik ben dynamiet spat de gedrevenheid van de bladzijden. De verandering in schrijfstijl van stijfjes en langdradig naar korte aforismen is als lezer volkomen logisch en duidelijk te volgen. Hij leek haastig om zijn gedachten zo duidelijk mogelijk op papier te willen knallen, alsof hij wist wat in het verschiet lag. Het zo veel mis geïnterpreteerde amor fati waar Nietzsche bekend om staat geeft blijk van deze levenslust. Het zou Nietzsche maken tot een nihilist die het leven verafschuwd. Wat bedoelde hij er dan mee? Van niks te willen dat het anders is, een volledige omarming van het leven.

Ook het steeds slechter worden van zijn lichamelijke gezondheid die hand in hand lijkt te gaan met de steeds grotere ontwikkeling van zijn geest ontvouwt als een tragische maar logische levensrichting voor deze fascinerende filosoof. ‘Ik ben geen mens, ik ben dynamiet!’ lijkt hij haast te roepen in Ecce homo. Nietzsche geloofde dat hij de mensheid kon bevrijden van haar kortzichtigheid en onderdrukkende moraliteit. En dat zou niet zonder herrie gaan, maar met een knal zoals van ontploffend dynamiet!

Sue Prideaux heeft met Ik ben dynamiet een meesterwerk geschreven. Een aanrader voor iedereen, zonder uitzondering. Ontzettend leerzaam, intrigerend, meeslepend en vermakelijk. Een van de mooiste boeken die ik ooit heb gelezen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Een ode aan het leven

recensie: Hockney – Van Gogh: The Joy of Nature

‘Sun or Fun?’ Dat was de vraag van een cursusleider voorafgaand aan de grote Hockney-tentoonstelling in Londen in 2017. Haar antwoord luidde: geen van beide. Eigenlijk zou het antwoord moeten luiden, zeker nadat je de grote Hockney-Van Gogh-tentoonstelling in Amsterdam hebt gezien: Joy. Dáár gaat het om.

De oogst, Vincent van Gogh (1853 – 1890), Arles, juni 1888, olieverf op doek, 73.4 cm x 91.8 cm, Credits: Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting

Of preciezer gezegd om ‘The Joy of Nature’, zoals de tentoonstelling met werk van David Hockney (1937) en Vincent van Gogh (1853-1890) in het Amsterdamse Van Gogh Museum heet. Beide schilders vonden vreugde in de natuur. Kijk maar naar Van Goghs De oogst (1888) en Hockneys Woldgate Vista (2005). Allebei knalgele schilderijen. Van die kleur kijken we bij Hockney niet op, maar dat was in de tijd van Van Gogh wel anders. Volgens de film At Eternity’s Gate, die momenteel draait, schilderde Van Gogh het zonlicht om niet te hoeven nadenken. Maar ook omdat hij Gods nabijheid ervoer in de natuur. Hockney schildert het zonlicht omdat hij vreugde in het leven schept. Ook hij kwam op de natuur uit, toen hij in de jaren negentig van de vorige eeuw even niet meer wist welke kant hij op moest. In Los Angeles, waar hij sinds 1964 woont, was hem nooit zo opgevallen hoe mooi zijn geboortestreek Yorkshire (Engeland) eigenlijk is, met de wisseling van de seizoenen.

David Hockney, “The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011 (twenty eleven)”, Oil on 32 canvases (36 x 48″ each), 144 x 384″ overall, © David Hockney, Photo Credit: Richard Schmidt

De kunst afkijken

Niet dat de donkere, sombere Van Gogh op deze tentoonstelling afwezig is. Kreupelhout (1889) hangt er bijvoorbeeld, ook en vooral omdat het ritmische patroon ervan terugkomt op de gigantische binnenkomer van de expositie: het 3,65 x 9,70 meter grote The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011 (twenty eleven) van Hockney. Het hangt door de grootte laag bij de grond, met als neveneffect dat je zó het landschap in lijkt te kunnen stappen. Toch is dit apart, want hoezeer ook geïnspireerd door Yorkshire, het komt er niet letterlijk in terug; het schilderij is een fantasielandschap waar je in stapt. En ook nog eens eentje waar met het perspectief is gespeeld. Net zoals Van Gogh, onder invloed van Japanse prenten, deed in zijn Tuin van de inrichting Saint-Paul (‘Het vallen van de bladeren’) (1889). Het heeft een plat perspectief, zonder veel diepte. Hockney keek de kunst bij Van Gogh af.

David Hockney paintning “May Blossom on the Roman Road” 2009, © David Hockney, Photo credit: Jean-Pierre Gonçalves de Lima

Vreugde van licht en kleur

Het perspectief mag dan plat of onrealistisch zijn, het is wél een natuur die spreekt. Net zoals één van de meidoorns op Hockneys Bloeiende meidoorns langs de Romeinse weg (2009) een mensenfiguur lijkt die het uitroept en met de armen omhoog, de vreugde van licht en kleur lijkt te willen bezingen. In die zin is het een tegenhanger van De schreeuw (1893) Edvard Munch. De lucht op dit doek is weer à la Van Goghs Zelfportret met grijze vilthoed (1887), dat niet op deze expositie te zien is, maar in de vaste collectie.

Naast de spaarzame Van Goghs (het podium is voornamelijk aan Hockney gegund), zijn er ook nog drie tekeningen van Vincent te zien, die door hun fragiele staat zelden worden getoond. Van Hockney zijn naast de schilderijen ook (waterverf)tekeningen, iPad-tekeningen en een grote collage te zien. Én een overweldigend vierluik te midden van de als een coulissenlandschap opgebouwde tentoonstelling: The Four Seasons (2010-2011), een weergave van Woldgate Woods (2006). Je kunt er naar blijven kijken. Net als naar de prachtige foto van Hockney die Rineke Dijkstra in 2018 van hem maakte.

In de laatste zaal hangen enkele schilderijen van Hockney die weinig of niets meer met Van Gogh te maken hebben, alsof ze tegen de bezoekers willen zeggen: ‘Staar je niet blind op die vergelijkingen – geniet ook gewoon van ons!’ Deze grootse tentoonstelling biedt er alle gelegenheid toe. Het is een ode aan het leven die de mens hoopvol stemt.

Afbeelding bovenaan: David Hockney, ‘Bloeiende meidoorns langs de Romeinse weg’, 2009, olieverf op 8 doeken, © David Hockney, Foto: Richard Schmidt

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Zoeken naar Rembrandt

recensie: Alle Rembrandts

Wie dezer dagen onvoorbereid het Rijksmuseum bezoekt wacht een teleurstelling. De tentoonstelling Alle Rembrandts is namelijk alleen toegankelijk voor wie een tijdslot heeft gereserveerd. Ook de titel is overdreven: de tentoonstelling laat niet alle Rembrandts zien, maar alleen die het Rijksmuseum altijd al had. De eerste indruk is dan ook van een nogal gehypet evenement, een goedkope marketingtruc van het Rijksmuseum.

Als het echter gelukt is binnen te komen blijkt niets minder waar. Alle Rembrandts is een mooi vormgegeven tentoonstelling die met tweeëntwintig schilderijen, zestig tekeningen en ruim driehonderd etsen een uniek beeld geeft van de geniale kunstenaar die Rembrandt was.

Zelfportret met de onderarm leunend op een stenen dorpel, 1639

Rembrandt de BN’er

Het Rijksmuseum wil met deze tentoonstelling vooral een  beeld geven van de mens Rembrandt. Dat is lastig, want over zijn leven is vrij weinig en over zijn persoonlijkheid vrijwel niets bekend. Dat Rembrandt een gewoon mens was is minder bijzonder dan zijn buitengewone talent als kunstenaar. Gewone mensen zijn er genoeg en daarvoor staat niemand in de rij. Voor het genie Rembrandt is dat wel de moeite waard. Toch lijkt het in dit Rembrandtjaar vooral te gaan om de man. Zo zijn er tentoonstellingen over Rembrandt als minnaar in Leeuwarden, als netwerker in het Rembrandthuis. Zelfs de stem van Rembrandt is gereconstrueerd. Zo weten we nu dat hij schilderij uitsprak als skilderai.

Jonge vrouw (Saskia?) zittend bij een raam, ca. 1638

Rembrandt werd al in de 19de eeuw, toen zijn verering als grootste Nederlandse schilder begon, voorgesteld als familieman en overal in zijn werk werden zijn naasten herkend. Zo werd de oude vrouw die een geliefd model was, niet alleen van Rembrandt, maar ook van Jan Lievens en Gerard Dou, gebombardeerd tot Rembrandts moeder. Die aanduiding is jaren geleden wegens gebrek aan bewijs al van de tekstbordjes verdwenen, maar keert nu voorzichtig terug in het Rijksmuseum. Steeds wordt op de bordjes gesuggereerd dat het wel eens zijn ouders of zijn vrouw zouden kunnen zijn die model zouden hebben gestaan, zonder dat daar bewijs voor is.

Rembrandt de kunstenaar

De prachtige vormgeving van Irma Boom, met wanden in koningsblauw en grijs, schept de perfecte sfeer voor optimale concentratie, ondanks de vele medebezoekers. Dat is nodig want al in de eerste zaal zijn de meeste werken niet veel groter dan een postzegel. Hier zien we meteen de kunstenaar aan het werk alsof we over zijn schouder in de spiegel kijken. Op tientallen zelfportretjes kijkt hij verbaasd, grimast, fronst, lacht of heeft hij zich verkleed. Het zijn geen selfies, het gaat niet om de man, maar het zijn studies in het weergeven van emoties en onderzoek naar het effect van licht en schaduw.

De drie kruisen, 1653

De tentoonstelling waaiert dan uit: via zogenaamde tronies en allerlei figuren uit de buurt, naar portretten, stadsgezichten en landschappen. De tentoonstelling eindigt met Rembrandt als verhalenverteller. Mythologische en vooral Bijbelse scènes laten zien hoe hij steeds exact het goede moment uit een verhaal koos om de grootste emotionele zeggingskracht te bereiken.
De grootste schoonheid bereikte Rembrandt door met scherpe blik de lelijkheid te kiezen als motief. Bedelaars zijn interessanter dan mooie jonge mensen, een half ingestorte schuur een beter onderwerp dan een paleis. Door het grote aantal werken wordt ook de onvermoeibare experimenteerlust van Rembrandt goed zichtbaar. Van sommige etsen zijn meerdere versies te zien, in andere heeft hij de Rembrandteske schaduwwerking zover doorgevoerd dat een vrijwel geheel zwarte prent overbleef.

Alle Rembrandts is een eenmalige en niet te missen tentoonstelling die een uniek en vrijwel compleet beeld geeft van Rembrandt als kunstenaar. Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits zei in NRC: ’Het doel van Alle Rembrandts is om de mens achter de kunstenaar te laten zien’. Of dat gelukt is is de vraag. Gelukkig laat de tentoonstelling vooral de genialiteit en de reikwijdte van Rembrandts kunstenaarschap zien. En daar gaat het tenslotte om.

 

Reageer op dit artikel

Bezoekers bij de Vorkurs van Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.
Kunst / Expo binnenland

De blijvende invloed van Bauhaus

recensie: Nederland Bauhaus: Pioniers van een nieuwe wereld
Bezoekers bij de Vorkurs van Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

Zoals haast elke hippe tentoonstelling in modern museumland begint ook Nederland <-> Bauhaus: Pioniers van een nieuwe wereld met een onderdompelende ervaring. Zelf ervaren blijkt echter niet alleen populair in de eenentwintigste eeuw (met zijn overprikkelde millennials en hun korte spanningsbogen). Nee, ook in 1919 was ervaring hot.

Bij de oprichting van het Bauhaus, een kunstopleiding in Duitsland tussen 1919 en 1933, geloofde een groep vooruitstrevende creatievelingen dat studenten optimaal leerden als zij al het voorgaande vergaten en simpelweg ervoeren. Alleen door een ‘Vorkurs’ waarin niet kennis, maar juist de ontdekking centraal stond konden zij onbevooroordeeld creëren.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

En zo begint ook de bezoeker met een gesimuleerde ‘Vorkurs’ zijn reis door het museum. In de eerste drie zalen ligt de focus op de ervaring van kleuren, materialen en vormen. Er is een lichtgevende driehoek die van kleur verandert als je hem aanraakt. Er is een tafel waar je scala aan materialen voelt. Ook zijn er houten figuren die je van een plat vlak de diepte in kunt toveren. De ‘Vorkurs’ veroorzaakt veel speelplezier.

Na deze ervaring komt toch ook de klassieke informatie. De introductiefilm legt de relatie tussen Bauhaus en Nederland bloot. Kernfiguren komen aan bod en er wordt ingegaan op de communicatiemiddelen tijdens het interbellum. De film biedt een overzichtelijke introductie op het ogenschijnlijk chaotische vervolg van de tentoonstelling.

Hart van de tentoonstelling

Het hart van Nederland Bauhaus bevindt zich in de ruime Bodonzaal. Bij binnenkomst overvalt een wirwar van vitrines, kriskras geplaatste wanden met schilderijen, vloertekeningen en uithangborden je. Tekst op de wand maakt het helderder: de tentoonstellingen is opgedeeld in 26 ‘knooppunten’. Drie knooppunten staan centraal: Bauhaus I, – II, en – III.

Bauhaus I gaat over de begindagen van de opleiding. Eromheen vind je voorlopers. Dat is soms verrassend, want hoewel de strakke lijnen en primaire kleuren een belangrijke rol zouden gaan spelen, was bij de start vooral het ambachtswerk belangrijk. Dat zie je bijvoorbeeld terug in het glas in loodraam de Geboorte van Christus uit 1911/12 van Johan Thorn Prikker. Hier is ook relatief veel werk uit de eigen collectie van Boijmans te zien, waaronder het topstuk Lyrisches (1911) van Wassily Kandinsky.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

In Bauhaus II verliest het ambacht de centrale positie en verschuift de aandacht naar de relatie tussen kunst en techniek. Hier staan veel bureaulampen en gestroomlijnde buisstoelen. Grappig is dat je dit soort interieur ook nu nog regelmatig tegenkomt. Ook opvallend is een filmpje van een aan Bauhaus gelieerd ballet (Triadisches Ballett van Oskar Schlemmer) waarin een danseresje in geometrisch gevormd kostuum ronddanst.

In Bauhaus III wordt tot slot de groeiende aandacht voor architectuur en stedenbouw benadrukt en benoemd dat de opleiding er twee richtingen bijkreeg: fotografie en reclameontwerpen. In dit gedeelte van de tentoonstelling vind je een hoop affiches en posters. Hoewel de ontwerpen nog steeds aantrekkelijk zijn, zijn de onderwerpen veranderd. Zo zie je aanlokkelijk gepresenteerde plaatjes van sigaretten.

De rest van de knooppunten zijn, hoewel ze misschien minder centraal staan, niet minder interessant. In een tentoonstelling over het Bauhaus in Nederland kunnen de banden tussen de opleiding en de Nederlandse De Stijl natuurlijk niet ontbreken. Er zijn werken van Mondriaan opgesteld en we zien een aantal Rietveld meubels.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

Bezoekers bij Nederland-Bauhaus in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Februari 2019. Foto: Aad Hoogendoorn.

Kracht en zwakte

Eigenlijk wordt elk aspect van het Bauhaus, elke verbinding en elke afgeleide belicht en daarin schuilt zowel de kracht als de zwakte van de tentoonstelling. Nederland Bauhaus maakt de bezoekers bewust van de enorme verspreiding van het Bauhaus gedachtegoed en de esthetiek zonder daarin kunstmatig te definiëren. Het toont herkenbare objecten en beelden en slaat zo een verbinding tussen toen en nu en de ‘Vorkurs’ is een ware vondst die je meteen meesleept.

Tegelijkertijd is het door de chaotische opstelling in het hoofdgedeelte soms moeilijk een rode draad te ontwaren en is een uitleg van de vormentaal en principes van het Bauhaus beperkt. Verder is de informatie ruim voldoende. Hoewel de makers van de tentoonstelling adviseren om een tablet met extra informatie mee te nemen is dat eigenlijk niet nodig.

Toch blijft Bauhaus je bij. Hopelijk is de herinnering nog zeven jaar helder, want dat is hoe lang Boijmans Van Beuningen de deuren sluit voor een grootschalige verbouwing. We zullen dit kunstwalhalla missen.

Reageer op dit artikel

Erwin Olaf, Palm Springs, The Kite, 2018. © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery
Kunst / Reportage
special: Erwin Olaf – I Am
Erwin Olaf, Palm Springs, The Kite, 2018. © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Overdonderende dubbeltentoonstelling

Het Gemeentemuseum en het Fotomuseum in Den Haag brengen een eerbetoon aan de Nederlandse fotograaf Erwin Olaf (1959), die dit jaar zestig jaar wordt. De overzichtstentoonstelling is opgesplitst in twee delen. Het Fotomuseum toont werk uit zijn beginjaren (1980-2000) en het Gemeentemuseum vanaf 2000 tot 2018.

“Wat ik het liefst wil laten zien, is een perfecte wereld met een barst erin. Ik wil het beeld verleidelijk genoeg maken om mensen mijn verhalen in te trekken, en dan een klap uitdelen.”

Erwin Olaf, Chessmen, XVII, 1988 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Erwin Olaf, Chessmen, XVII, 1988 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Dit zijn woorden van Erwin Olaf zelf. En als bezoeker zul je dat zelf ervaren. Zijn portretten, scenes, installaties en filmpjes hebben allemaal een diepere betekenis, die voor iedereen anders kan zijn. Dat is zo intrigerend in zijn werk. Zijn werken vertellen verhalen en roepen daarmee veel vragen op. Je kunt je eigen verhaal erbij verzinnen of het ‘verklarende’ bordje naast de foto lezen. De foto’s zijn perfect; alles is tot in het kleinste detail geënsceneerd.

De beginjaren

Als Olaf tweeëntwintig jaar is maakt hij zijn eerste studio opnames. Op de School van Journalistiek in Utrecht kiest hij fotograferen, omdat hij dat leuker vindt dan schrijven. Hij is geïnteresseerd in mensen, maar ook in de schilderkunst, met name het effect van licht en donker. In zijn serie Ladies Hats (1985-94) is zijn bewondering voor Rembrandt overduidelijk. Olaf begeeft zich in het uitgaansleven van Amsterdam. Hij is zelf homoseksueel en fotografeert het theatrale van het nachtleven.

Een paar jaar na zijn afstuderen maakt hij in opdracht de serie Chessmen (1987-88). Hij kiest als uitgangspunt het schaakspel met tweeëndertig foto’s. Inhoudelijk kiest hij voor macht en onderdrukking in een sadomasochistische entourage. De foto’s in het Fotomuseum zijn voor een groot deel in zwart-wit en gemaakt met een Hasselblatt camera. Naast de foto’s van Olaf zelf, heeft hij ook een galerij ingericht voor zijn inspiratiebronnen zoals: Man Ray, Robert Mapplethorpe Tineke Dijkstra en Hans van Manen. Maar Olaf blijft zichzelf ontwikkelen; van analoog werkende fotojournalist naar digitale beeldmaker en verhalenverteller.

Erwin Olaf, Keyhole #6. 2012 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery.

Erwin Olaf, Keyhole #6. 2012 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery.

De meester

De digitale fotografie heeft Olaf veel meer ruimte gegeven. Hij kan zijn foto’s naar eigen idee op esthetisch, politiek en sociaal maatschappelijk niveau manipuleren en vormgeven. Ook integreert hij zijn foto’s in bewegende beelden en installaties, zoals Keyhole (2012-13), waarbij je als toeschouwer door twee sleutelgaten kunt kijken en je afvragen wat zich daar nu daadwerkelijk afspeelt.

Rond 2012 besluit Olaf een drieluik te maken over de steden Berlijn, Shanghai en Palm Springs. Het is zijn meest recente werk. Hij geeft door middel van zijn intrigerende foto’s zijn visie over de mensen op deze plaatsen.

Berlijn, 2012

Het Interbellum is een periode waar Olaf door wordt gefascineerd. In het Berlijn van de jaren twintig zijn de mensen euforisch na de Eerste Wereldoorlog, maar er is ook een teloorgang te zien van waarden. Het schilderij Der Salon I, 1921 van Otto Dix is zijn uitgangspunt voor de foto Clärchen’s Ballroom, Mitte. Hij ziet ook een strijd tussen oud en jong en vindt dat het kind in de Westerse samenleving steeds meer macht krijgt. Hij fotografeert dan ook kinderen die macht uitstralen op een allesbehalve prettige manier. De foto Portrait 05 toont een jong meisje met blonde vlechten geheel gekleed in perfect zwart leer en zwarte rijglaarzen. Zij zit op een veel te hoge stoel en kijkt met een strakke verkilde blik de ruimte in. Op de foto Masonic Lodge, Dahlem, zie je een blank jongetje in een zwart pak, met leren handschoenen aan, wijzen naar een prachtige donkere man. Deze draagt alleen een soort badpak dat behangen is met onderscheidingen. Hij staat op een karretje met vier wielen en ziet eruit alsof jij een pop is.

Erwin Olaf, Berlin, Freimaurer Loge Dahlem, 22nd of April, 2012, 2012 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Erwin Olaf, Berlin, Freimaurer Loge Dahlem, 22nd of April, 2012, 2012 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Midden in de zaal staat een carrousel. Je ziet een geknielde en geblinddoekte clown, die er triest uitziet. Daaromheen draaien kinderpoppen zonder hoofd met allerlei verschillende kostuumpjes aan in de rondte terwijl ze een liedje zingen. Je krijgt er een onbehaaglijk gevoel bij.

Shanghai, 2017 en Palm Springs, 2018

Terwijl Shanghai de stad van de toekomst zou moeten zijn volgens Olaf, portretteert hij een aantal jonge vrouwen in bewegende beelden (Shanghai). Ondanks het feit dat hun uiterlijk perfect is, is hun gemoedstoestand vreselijk triest. Ze lijken te smeken om hen te verlossen van hun verborgen eenzaamheid. Deze serie spreekt boekdelen! Alles wat zo mooi lijkt, is fake!

Hoewel Palm Springs een in de woestijn gelegen stad in Californië creëren de mensen daar hun eigen paradijzen. Olaf stelt in zijn verhalende foto’s de vraag of ze daar gelukkig zijn. Op de foto At the Pool, zie je op de voorgrond een gezette dame die naar een jong knap meisje aan de rand van het zwembad kijkt. Wat is hun relatie? Beide zien er niet echt gelukkig uit. Olaf geeft een hint met het boek Lolita van Vladimir Nabokov dat open op de terrastafel ligt.

Erwin Olaf, Shanghai, Huai Hai 116, Portrait #2, 2017 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Erwin Olaf, Shanghai, Huai Hai 116, Portrait #2, 2017 © Erwin Olaf. Courtesy Flatland Gallery

Op de foto The Kite zie je aan de ene kant een donkere vrouw en een klein halfbloed meisje. Ze staan op een ruw terrein, waar ze aan het picknicken zijn. De vlieger van het meisje (de vlag van de VS) is aan de andere kant, in een park met windmolens in een verdorde boom gekomen en gescheurd. Ook hier vraag je je af wat er aan de hand is.

Aanrader

Dit is met recht een overdonderende tentoonstelling. Het vele werk dat is te zien laat aan de ene kant zijn technische ontwikkeling zien, maar ook zijn kracht om zichzelf steeds te vernieuwen. Bovendien weet hij de toeschouwer steeds te aan te zetten om zijn eigen fantasie te gebruiken. Terugkijkend op zijn werk komt er eigenlijk maar een overkoepelend thema ter sprake: vrijheid en hoe die vrijheid op allerlei manieren wordt onderdrukt of beperkt. Zelfs zijn foto’s van de Koninklijke familie dragen dit gevoel uit.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

In gesprek met een nette nazi

recensie: Bo Tarenskeen - SPEER

In SPEER vervolgt Bo Tarenskeen zijn onderzoek naar het kwaad. Nadat hij eerder al voorstellingen maakte over Adolf Eichmann, Henry Kissinger en Martin Heidegger, staat in SPEER Hitlers hofarchitect Albert Speer centraal.

Speers architectuur was de bouwkundige uitdrukking van de nationaalsocialistische totalitaire ideologie. En de uitdrukking van Hitlers megalomanie: alles moest groot, groter, grootst. Speer ontwierp gebouwen waarin het individu moest verdwijnen om te transformeren tot een bewonderend subject, of liever nog: een bewonderende massa. Speers bouwprojecten strookten niet alleen met Hitlers esthetische voorkeuren, hij wist ze ook buitengewoon snel en efficiënt te realiseren – wat hem  in de tweede helft van de Tweede Wereldoorlog de ministerspost voor bewapening opleverde. In die functie wist hij een allang verloren oorlog nog jaren te rekken, met miljoenen doden tot gevolg.

Interview

Voor zijn aandeel in de oorlog heeft Speer twintig jaar in de gevangenis gezeten. Dat zijn straf zo laag uitviel, heeft er mee te maken dat hij zijn rechters kon overtuigen dat hij geen hartstochtelijke nazi was. Eerder een ambitieuze, maar naïeve kunstenaar en getalenteerd manager die per ongeluk in een schurkenkabinet verzeild was geraakt. Verder nam hij als een van de weinige nazi-kopstukken verantwoordelijkheid voor de oorlogsmisdaden van het Derde Rijk, maar beweerde hij ook van de Holocaust niets af geweten te hebben. Zo creëerde hij de mythe van een ‘nette nazi.’ Een mythe die na zijn dood overigens hard onderuit gehaald is. Onder meer in een recente biografie van historicus Magnus Brechtken

In SPEER wordt Albert Speer (Bo Tarenskeen) in een naoorlogse setting geïnterviewd door een architectuur-critica (Laura Mentink). Haar outfit refereert naar het Bauhaus, de door haar geprefereerde architectuurstijl waarin alles draait om functionaliteit en dienstbaarheid aan mensen – het tegenovergestelde van alles waar Speer voor staat. Achter hen doemt het nooit gerealiseerde Pantheon van wereldhoofdstad ‘Germania’ op, verreweg het meest megalomane project waar Hitler en Speer zich voor enthousiasmeerden: een koepel vier keer zo groot als zijn inspiratiebron in Rome. Verder is het decor kaal, het lichtplan simpel en het spel bedachtzaam.

De menselijke maat

In die rust ontstaat een gesprek over architectuur en wat architectuur voor mensen kan of moet betekenen. Staat het in dienst van de mensen of dient het de mensen op te voeden? Moet de menselijke maat aangehouden worden of dien je daar juist ver bovenuit te stijgen? En, hoewel veel implicieter, in hoeverre kan architectuur leiden tot kwaadaardigheid? Tarenskeen zet met overtuiging een bedachtzame en gecultiveerde Speer neer die erbij blijft dat hij geen boze schurk was. Hij noemt zichzelf ‘extreem neutraal.’ Goed gekozen woorden omdat Speer hiermee impliciet toegeeft wel degelijk een extremist te zijn geweest.

Minder overtuigend is Mentink als het personage van de interviewende architectuur-critica. Haar speelstijl is weifelend en zoekend, misschien om daarmee te contrasteren tegen de zelfverzekerde Speer – maar het werkt niet goed. Het irriteert zelfs een beetje, omdat het onduidelijk blijft hoe dit personage zich verhoudt tot de architect naast haar. Wat wil ze van deze man? Die onduidelijkheid wordt verder gevoed door enkele merkwaardige regie-keuzes. Ergens op de helft van het stuk loopt de interviewer plotseling van het toneel af en laat haar gast alleen. Waarom? En even later komt ze weer net zo plotseling terug en gaat pardoes op de grond liggen. In een minimale setting zoals die van SPEER zijn dit soort momenten drastische breuklijnen waarvan je verwacht dat ze betekenis hebben. Die betekenis blijft echter uit, waardoor een gevoel van willekeurigheid ontstaat.

De Bijlmer

Dat neemt niet weg dat SPEER wel een aantal interessante ideeën uitwerkt. Zo wordt er gewezen op de ironie dat weinig van Speers grote bouwwerken die het duizendjarige rijk moesten overleven, tegenwoordig nog overeind staan. En juist een ander icoon uit de nazi-architectuur, dat nooit bedoeld was om gezien te worden, laat staan indruk te maken, wordt heden ten dage door honderdduizenden mensen per jaar bezocht: Auschwitz.

Ook wordt er  meerdere malen een link gelegd met de Bijlmer. De Amsterdamse wijk waar de architectuur-critica is opgegroeid en warme herinneringen aan koestert. Ze sympathiseert met de filosofie waarop de Bijlmer is gebouwd. Een filosofie waarin de mens centraal staat, wat in de praktijk betekent: veel rust, groen en autowegen die door de lucht zweven zodat er op de grond alle ruimte is voor bewoners. Wederom het tegendeel van Speer. Althans op eerste gezicht, want net zo goed haalt ze troost uit het bekijken van de eentonige en identieke flats tegenover de hare. In elke flat beziet ze weer tientallen ruiten, en achter elke ruit speelt zich telkens één leven af. Een leven dat gereduceerd is tot een vierkant en waar zijzelf niets mee te maken heeft. Zo lijkt de menselijke maat ook in de Bijlmer even ver weg.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Bondig over Bruegel

recensie: Nils Büttner - Bruegel. De Schilder van Boeren en Heiligen

Pieter Bruegel de Oude wordt terecht één van de allergrootste schilders genoemd: De Boerenbruiloft, De Kinderspelen, De Ekster op de Galg … Het zijn maar enkele van zijn meesterwerken die tot het collectieve geheugen behoren. Bruegel. De Schilder van Boeren en Heiligen, van hoogleraar middeleeuwse en moderne kunstgeschiedenis Nils Büttner, is een fijne kennismaking, zij het voor een onbestemde doelgroep.

Wie zoals ondergetekende het genoegen had om de in alle opzichten unieke Bruegel-expositie in Wenen te zien, waar 30 van zijn 40 schilderijen en heel wat tekeningen te zien waren, kan er niet onderuit: de man was een genie. Als geen ander slaagde hij erin het leven van alledag te koppelen aan inzichten in de kleinmenselijkheid, of het vrome (vastende mensen) samen af te beelden met het scabreuze (schijtende mensen). Hij perfectioneerde landschapskunst en is tot op vandaag onovertroffen in het schilderen van winterse taferelen, die je als toeschouwer de koude doet voelen. Met Jagers in de Sneeuw als beroemdste voorbeeld.

Bruegel en Bosch

Bruegel wordt wel eens weggezet als epigoon van Jeroen Bosch, die hem net voorging en tijdens zijn leven al een legende was. En de auteur van Bruegel. De Schilder van Boeren en Heiligen geeft toe dat schilderijen als Dulle Griet en De Val van de Opstandige Engelen inderdaad rijkelijk putten uit de esthetiek van de meester uit ’s-Hertogenbosch – sommige van zijn tekeningen werden zelfs met ‘Bosch’ ondertekend om ze waardevoller te maken. Maar Bruegel was geen kopiist, hij doet veel meer met Bosch volgens het principe van de aemulatio: je bestaande esthetische verdiensten eigen maken en die vervolgens verbeteren.

Bruegel voor dummies?

Is Bruegel. De Schilder van Boeren en Heiligen, gelet op de bescheiden afmetingen en omvang (175 pagina’s), de ideale Bruegel for dummies? Nee, daarvoor gaat de auteur te vaak dieper in op specifieke werken om hun betekenis te duiden en – op een vaak erg technische manier – toe te lichten. Bovendien zijn de biografische details wat te gestoffeerd met namen van kunstverzamelaars en schilders die bij ‘dummies’ geen belletje zullen doen rinkelen.

Anderzijds is het geen aanwinst voor Bruegel-aficionada: daarvoor vertelt het boekje niets nieuws en levert het geen bijkomende inzichten. Daarmee valt het werk van Nils Büttner eigenlijk tussen twee stoelen: voor wie is Bruegel. De Schilder van Boeren en Heiligen eigenlijk bedoeld? Mijn gok: voor lezers zoals ik, die geïnteresseerd zijn in kunst(geschiedenis) en gefascineerd door Bruegel, maar er niet genoeg van afweten en dus van de inzichten van Büttner smullen. En het dus ook bijvoorbeeld jammer vinden dat bepaalde anekdotes – zoals het feit dat vrijende koppeltjes en erecties op Bruegels schilderijen werden gecensureerd om ze braver te maken – niet aan bod komen. Nog een klein minpuntje: de kleurkatern in het midden met tientallen van zijn schilderijen is weliswaar fraai vormgegeven, maar veel te klein om de werken adequaat te consumeren. Bruegel is een fijn boekje voor een kleine doelgroep, en meer moet dat soms niet zijn.

PS. Voor de liefhebbers: de auteur maakte gelijkaardige biografische werken over Rembrandt, Rubens en Bosch.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

De ongrijpbare moleculen van de liefde

recensie: Theater Rotterdam - Heisenberg

Met een regisseur als Johan Simons en acteurs als Hans Croiset en Elsie de Brauw zou je van Heisenberg een topvoorstelling verwachten. De voorstelling mag weliswaar gebaseerd zijn op natuurkundige wetten, de chemie tussen de personages ontbreekt.

Wie bij het stuk getiteld Heisenberg verwacht dat het om de serie Breaking Bad zal gaan en Hans Croiset een soort Walter White wordt, zal wellicht bedrogen thuiskomen. De voorstelling van Theater Rotterdam is namelijk licht gebaseerd op die andere beroemde Heisenberg: de natuurkundige en grondlegger van de kwantummechanica. Met die onzekerheidstheorie heeft Heisenberg laten zien dat er twee aspecten van de werkelijkheid zijn die niet tegelijkertijd waargenomen kunnen worden. Volgens hem kon je bij een elementair deeltje maar twee vragen stellen: ‘Wat is de locatie?’ óf ‘Wat is de beweging?’

Liefde in een tijd van moleculen

Toch wordt de voorstelling geen theatercollege over de natuurkunde. In Heisenberg (geschreven door de Britse toneelschrijver Simon Stephens) wordt de onzekerheidstheorie aan de liefde tussen een oude man en jonge vrouw gekoppeld. Al in de openingsscène brengt regisseur Johan Simons die natuurkundige symboliek naar voren. De 75-jarige Alex luistert op een bankje naar muziek. Hij zit weliswaar stil, maar is al luisterend op zoek naar beweging. Of zoals hij het later zelf zegt: Hij wil ‘verrast worden door de ruimte tussen de noten’.

Nou, verrast wordt hij zeker. Uit het niets kust de 42-jarige Georgie (Elsie de Brauw) hem in zijn nek. Ze verontschuldigt zich meteen, dringt zich lichtelijk aan hem op door over haar overleden man te beginnen, hun huwelijksreis, haar baan als serveerster, om vervolgens op te biechten dat ze het allemaal heeft verzonnen.

Hiermee is de toon gezet. De dialogen hebben een hoog absurdistisch, impulsief gehalte. Zo maakt Georgie een manische, ongrijpbare indruk door Alex op het ene moment te liefkozen en het andere moment– vanuit het niets – te beledigen en af te stoten. Ze springt soms van de hak op de tak,  bijvoorbeeld wanneer zij Alex in een restaurant vertelt dat ze haar zoon al jaren  niet heeft gezien. Eerst zegt ze hoeveel ze van hem houdt, daarna dat ze hem wel op zijn bek zou willen slaan en ze sluit af met: ‘Het brood is lekker’.

Ongrijpbaar is ze niet alleen in haar taal, maar ook fysiek. Waar Alex  (in termen van Heisenberg) een molecuul in rustpositie is, is Georgie een molecuul dat continu beweegt. Ze gaat over het podium van hot naar her, met als gevolg dat noch Alex noch het publiek haar mimiek kan zien.  En daarmee ook niet kan zien hoe ze bij een bepaalde uitspraak kijkt. Hiermee wordt haar ongrijpbaarheid alleen maar groter. Het is misschien juist Georgies ongrijpbaarheid waar Alex naar op zoek is. En vice versa. Stukje bij beetje blijkt dat Georgie stiekem op zoek is naar rust en vastigheid.

Aantrekken en afstoten

Net als in eerder werk als Songs from far away, behandelt Simon Stephens in Heisenberg de onmacht om toenadering tot de ander te kunnen vinden. Waar in Songs from far away de hoofdpersoon met behulp van dagboekfragmenten toenadering zoekt tot zijn overleden broer (in Heisenberg speelt het dagboek ook een interessante rol), is de relatie tussen Alex en Georgie een spel van aantrekken en afstoten. Telkens wanneer de een toenadering tot de ander zoekt en er een moment van rust lijkt te ontstaan, geeft de ander weer een absurdistische draai aan het gesprek om weer beweging te veroorzaken. En waarom? Het heeft vast met Heisenbergs onzekerheidstheorie te maken, maar erg effectief is het niet. De eerste paar minuten is dat grappig en prikkelend, maar als het na een half uur nog steeds zo absurdistisch blijft, wordt het verhaal even relatief als de natuurkundige theorie. In combinatie met het kale decor (Marc Warning) doet het nogal klinisch aan. Op den duur hoop je dat het stuk toch wat meer gewicht en lading krijgt.

Lang leve de plottwist

Gelukkig gebeurt dat halverwege met een interessante plottwist, waarna de vraag opdoemt hoe oprecht beide personages tegenover elkaar zijn. Vanaf dit moment lijken de acteurs ook iets beter uit de voeten te kunnen met hun personage. Toegegeven, met acteurs als Croiset en De Brauw verwacht je een topcast, maar door al die impulsiviteit en beweeglijkheid is er, voornamelijk voor Croiset, weinig ruimte om echt gestalte aan de problematiek van het personage te geven. Pas na die plottwist zet Croiset een kwetsbare man neer, die op zoek is naar liefde en spanning in zijn verstilde leven. Vanaf dat moment is De Brauw evenmin eenzijdig impulsief, maar toont ze de pijn van een vrouw die niet weet wat ze met haar leven aan moet. De vraag is alleen of het publiek dan nog betrokken genoeg is.

Zo komen de personages, die twee moleculen, op het einde toch tot elkaar. Alhoewel… Net wanneer ze eindelijk toenadering tot elkaar hebben gevonden, gaat het licht uit. Daarmee begint en eindigt de voorstelling met Heisenbergs theorie:  Je kunt nooit het geheel waarnemen, maar enkel de afzonderlijke delen los van elkaar.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Klassieker herleeft

recensie: Geschiedenis van de seksualiteit - Michel Foucault

Geschiedenis van de seksualiteit van de Franse filosoof Michel Foucault wordt nieuw leven ingeblazen met een mooie heruitgave door uitgeverij Boom.

Tussen 1976 en 1984 publiceerde Foucault de drie delen van zijn Geschiedenis van de seksualiteit. Het vierde en laatste deel zou pas lang na zijn dood verschijnen. De werken blijven fascineren en zijn inhoudelijk nog erg actueel. In deze nieuwe uitgave zijn de eerste drie delen van Geschiedenis van de seksualiteit voor het eerst samengevoegd in één bundel. Vertaalster Jeanne Holierhoek heeft het hele werk opnieuw vertaald, waardoor het werk ook in taalkundig opzicht goed in de moderne tijd past.

Machtsspel

Foucault is als filosoof met name bekend door zijn denken over macht. Ook Geschiedenis van de seksualiteit gaat over macht. De auteur geeft een analyse van de omgang met seksualiteit in de hedendaagse maatschappij, de middeleeuwen en de oudheid. Op die manier zet hij vraagtekens bij de manier waarop wij nu naar seksualiteit kijken. Het heersende paradigma is dat wij onszelf bevrijd hebben van een onderdrukking. Vroeger was de seksualiteit onvrij, stelt Foucault. Je mocht er niet over praten en was gebonden aan geldende normen.

Bevrijding

Volgens Foucault is het paradigma waarin wij nú zitten evengoed onderdrukkend. Niet omdat het ons iets verbiedt, maar juist omdat het ons iets gebiedt, namelijk het voortdurend praten over onze seksualiteit. Iedereen wordt aangemoedigd om in de openbaarheid te brengen wie hij is en welke seksuele geaardheid bij die persoon hoort. Maar juist dat vastleggen van seksualiteit in hokjes als ‘homo’ of ‘transgender’ verkleint onze vrijheid, stelt Foucault. Er is dus nog veel meer winst in de vorm van vrijheid te behalen als we ons niet laten dwingen tot het publiekelijk maken van een bepaalde keuze, maar juist door het niet-kiezen en niet-delen. Foucault zou dus kritiek hebben op de hedendaagse gender-discussie, omdat de mensen die zichzelf in deze discussie denken te bevrijden, zichzelf tegelijkertijd opnieuw vastleggen. Dit is een belangrijk onderwerp in het denken van de filosoof, die zelf als homoseksueel de betekenis van dit label veelvuldig heeft onderzocht in zijn teksten.

Actueel

Foucault zet in Geschiedenis van de seksualiteit dus vraagtekens bij de wat hij noemt ‘bekenteniscultuur’, waarin iedereen continu de drang voelt over zijn of haar seksualiteit te praten en deze te categoriseren. Volgens de filosoof is deze behoefte direct terug te herleiden tot het christendom, waarin de gelovige door een bekentenis bij de priester vergeven kan worden voor zijn zonden. In de huidige tijd waarin er veel aandacht is voor LHBT-vraagstukken is Geschiedenis van de seksualiteit nog altijd even actueel als toen Foucault het schreef. Ook in onze tijd doet het feminisme opnieuw stof opwaaien en het kan bijzonder interessant zijn dit met Foucault in de hand te beschouwen. Foucault graaft dieper dan veel mensen die dit debat overschreeuwen en aan de oppervlakte blijven. Via zijn denken wordt het misschien mogelijk om uit het bestaande paradigma te ontsnappen en met een andere kijk onszelf te bezien.

De nieuwe uitgave van Geschiedenis van de seksualiteit is erg de moeite waard en mag uiteraard niet ontbreken in de boekenkast van een filosofieliefhebber.

Reageer op dit artikel

Ann Veronica Janssens, Gaufrette Sequence no. 2, 2018, courtesy de kunstenaar; foto Peter Cox
Kunst / Expo binnenland

Een visueel spel met de waarneming

recensie: Ann Veronica Janssens in De Pont
Ann Veronica Janssens, Gaufrette Sequence no. 2, 2018, courtesy de kunstenaar; foto Peter Cox

Het werk van Ann Veronica Janssens (Folkestone, 1956) in museum De Pont in Tilburg biedt een intrigerend visueel schouwspel. Maar dit is zeker niet het enige wat Janssens de beschouwer te bieden heeft.

Ann Veronica Janssens, Untitled (White Glitter), 2016-doorlopend, courtesy de kunstenaar en Alfonso Artiaco Gallery, Napels; foto Ben Westoby

Ann Veronica Janssens, Untitled (White Glitter), 2016-doorlopend, courtesy de kunstenaar en Alfonso Artiaco Gallery, Napels; foto Ben Westoby

Een deel van de museumvloer ligt bezaaid met glitters die willekeurig lijken te zijn uitgestrooid. Wanneer je erlangs loopt, zorgt de reflectie van het licht op de kleine deeltjes voor een prachtig kleurenspel van goud-, blauw- en groentinten. Het standpunt van de beschouwer is dus zeer bepalend voor de receptie van dit werk; iets dat in meerdere werken van Janssens het geval is.

Een individuele ervaring

Voor Gaufrette Sequence no. 2 (2018) heeft Janssens glazen platen tegen een wand gezet. Tussen elk van de twee platen bevindt zich een iriserend kleurfilter. Daardoor zijn er andere kleuren waar te nemen als de kijker van plaats verandert. Ook in Acapulco Kiss (2011-2018) is de actie van de beschouwer belangrijk voor de waarneming van het werk. Het bestaat uit een glazen ‘aquarium’, gevuld met water, paraffine-olie en alcohol. Door reflectie en breking van licht ontstaan in het oppervlak verschillende kleuren en beelden. Als je om de glazen box heen loopt, krijg je telkens een ander beeld te zien.

Janssens speelt op deze manier met de individuele ervaring van de museumbezoeker. Als kunstenaar wil ze datgene aanbieden wat de toeschouwer nodig heeft om zijn eigen ervaring te kunnen bepalen. Janssens zegt hierover: ‘Niets is mooier dan de eigen perceptie van een persoon. Ik probeer de grenzen daarvan op te zoeken.’

Ann Veronica Janssens, Untitled (Light Beam), 2002, courtesy de kunstenaar; foto Philippe De Gobert

Ann Veronica Janssens, Untitled (Light Beam), 2002, courtesy de kunstenaar; foto Philippe De Gobert

Het onzichtbare zichtbaar

Volgens de tekst die het museum bij de tentoonstelling vermeldt, creëert Janssens beelden die het onzichtbare zichtbaar maken. De basismaterialen hiervoor zijn licht, kleur en ruimte. Haar werk speelt met de zintuiglijke waarneming van de toeschouwer, en vraagt ook om een actieve houding. Het spanningsveld tussen zichtbaar en onzichtbaar, of misschien nog wel meer tussen tastbaar en ontastbaar, wordt in Untitled (Light Beam) (2002) duidelijk. Een kleine donkere ruimte wordt met een krachtige lichtbundel diagonaal in tweeën verdeeld. Hoewel er geen sprake is van een daadwerkelijke grens zorgt de lichtbundel wel degelijk voor een radicale visuele tweedeling.

Gedesoriënteerd in het museum

De mistinstallatie in het midden van de museumruimte lijkt het klapstuk van de tentoonstelling: er staat een rij bezoekers te wachten om naar binnen te mogen. In de ruimte vol mist, verlicht door zacht gekleurde lichtbundels in blauw- en oranje tinten raak je als bezoeker al snel de oriëntatie volledig kwijt. Voorzichtig schuifel je door de ruimte, op de tast verkennend waar de wanden zich bevinden. Soms doemt onverwacht een andere museumbezoeker op uit de mist. Het maakt de mistruimte zonder twijfel een leuke ervaring. De bevraging van de eigen waarneming, wat Janssens met dit werk wil bewerkstelligen, komt in deze installatie echter minder sterk naar voren dan in haar andere werken.

Ann Veronica Janssens, Blue, purple and orange, 2018, courtesy de kunstenaar en Esther Schipper, Berlijn; foto Andrea Rossetti

Ann Veronica Janssens, Blue, purple and orange, 2018, courtesy de kunstenaar en Esther Schipper, Berlijn; foto Andrea Rossetti

De staande glasplaten en de glitters op de vloer roepen sterk op om nog een keer te kijken en de vraag te stellen wat we nu werkelijk ervaren en zien. De mistruimte is wellicht een wat te letterlijke vertroebeling van het zicht, waardoor de vraag zich minder opdringt.

Een uitnodiging tot verwondering

Ann Veronica Janssens zorgt ervoor dat je als museumbezoeker niet passief kunt consumeren. Haar werken lenen zich niet voor een vluchtige blik, maar dagen uit om dichtbij te komen, lang en intensief te kijken, en verschillende standpunten in te nemen. Janssens’ beeldtaal is niet complex en hoogdravend, haar werken zijn visueel aantrekkelijk en spreken tot de verbeelding. Maar ze doen meer dan dat: ze nodigen doeltreffend uit tot verwondering over alledaagse verschijnselen als licht, kleur, mist en reflectie.

Reageer op dit artikel