Tag Archief van: landscape

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

Boeken / Fictie

De gewoonste man en vrouw van Nederland

recensie: BOEKENWEEKGESCHENK 2026 - Piaggio – Hendrik Groen
geschenk - postperskit

Hij is niet te missen: Hendrik Groen (pseudoniem van Peter de Smet). Tijdens de Boekenweek 2026 krijg je bij besteding van € 17,50 aan Nederlandstalige boeken zijn boekje Piaggio (een Italiaans autootje met drie wielen) cadeau. En vanaf zondag 8 maart 2026 valt op NPO 1 de verfilming van zijn roman Rust en Vreugd te volgen.

Helemaal zonder slag of stoot gaat de keuze van de auteur van het Boekenweekgeschenk nooit. Dit keer zou het volgens Joost Oomen zelfs een ramp zijn. Waarom? Het doel van de Boekenweek is het promoten van het Nederlandstalige boek en van de boekhandel en bibliotheek. De week viert het lezen in het algemeen, niet in het bijzonder dat van ‘kunst, echte originele, nieuwe perspectieven biedende kunst’ (Oomen). En dat mist Oomen: originaliteit en vernieuwing.

Groen sluit aan bij het thema van deze Boekenweek: ‘Mijn generatie’. Zijn boekje gaat over Marieke Bollegraaf (58) uit Almere. Ja, ze heeft een dochter. Maar geen man en daar moet verandering in komen. Ze heeft een date met de onverwacht verlaten en werkloos geworden Anton Struik (61), de broer van haar buurvrouw Lidy (50). Hij was filiaalmanager van een schoenenwinkel die failliet ging. En – zoals hij zelf zegt – ‘een enorm saaie lul’.

Toch gaan Anton en Marieke samen met een Piaggio op stap. ‘Van Italië over de Alpen naar Nederland.’ Marieke is zelfs een beetje jaloers op Anton, die er zo van kan genieten, ‘maar vindt dat tegelijkertijd heel flauw van zichzelf’. Zelf duikt ze bij elke haarspeldbocht steeds dieper in een plastic tas om over te geven. Samen zijn ze ‘de gewoonste man en vrouw van Nederland’. En dat is ook wel eens leuk om over te lezen, toch? ‘Nieuwe perspectieven biedende kunst’ komt een andere keer wel weer. De boog kan niet altijd gespannen staan.

Boeken / Non-fictie

Een heel specifiek soort irritatie

recensie: BOEKENWEEKESSAY 2026 - Ik zou uw dochter kunnen zijn – Doortje Smithuijsen
Thema-uitgave - postperskit

Als een boek, net als bij de speelvloer bij een toneelstuk, een vierde wand zou kennen, dan heeft de filosofe en journaliste Doortje Smithuijsen (1992) hem bij wijze van spreken in haar essay Ik zou uw dochter kunnen zijn doorbroken. Of liever gezegd: met grof geweld neergehaald. Het essay is een uitgave van de Boekenweek 2026, die als thema ‘Mijn generatie’ heeft.

In het eerste van de zes hoofdstukken richt ze het woord direct tot ‘de zestigplussers, de zeventigers, een enkele tachtiger die zich nog hartstikke eind vijftig voelt’ – niet haar generatie overigens. Ze zegt netjes u, dat wel. Smithuijsen spreidt alle sjablonen en vooroordelen die ze kent uit. In soms niet al te fraai Nederlands, zoals: ‘Lang verhaal kort en om maar meteen met de deur in huis te vallen’. En met een openingszin als: ‘Wie wil weten hoe entitlement eruitziet, kan het best op een regenachtige zaterdagmiddag rond een uur of half vier naar een arthousebioscoop in de Randstad’. Spreektaal of even kijken of u oplet?

Zoals ze ‘de’ (!) zestigplussers en zeventigers (de babyboomers) denkt te kennen, meent ze omgekeerd eigenlijk ook dat wij de mensen van haar leeftijd (de millennials) kennen: ‘U kent mij niet, tegelijk kent u mij wel – u kent mij zoals u alle mensen van mijn leeftijd denkt te kennen’. Onder dat kennen verstaat ze ‘een heel specifiek soort irritatie’. Het woord ‘entitlement’ (aanspraak, voordelen) zegt al genoeg: oudjes maken aanspraak op iets, willen ergens voordeel uit halen. Soms herkenbaar, soms helemaal ook niet.

Iemand als Teun Toebes moest het allemaal eens horen. Deze generatiegenoot van Smithuijsen woont en werkt met ouderen en schrijft daarover. De woorden ‘onderhuids zeer voelbare concurrentiestrijd’ en ‘tomeloze onuitstaanbaarheid’ zou hij wellicht vervangen door ‘samenleven’ en ‘genegenheid en begrip’. Daar hebben we denk ik meer aan dan alles zo tegenover elkaar zetten.

Het gaat bij Smithuijsen over ‘kinderen die hun ouders uitmaken voor verwende, rentenierende boomers en ouders die zich afvragen hoe hun eigen tot op het bot verwende kroost alsnog zo verongelijkt uit heeft kunnen vallen’. Toe maar. Ondertussen zijn beide leeftijdscategorieën ontevreden en jaloers op elkaar; ‘intergenerationele jaloezie’ noemt de auteur dat. Hoe clichématig wil je het hebben, al beschouwt de auteur het essay zelf ‘een beetje als een sketch’. Ook dat is toneel. Met evenzoveel typetjes. Maar om dat genre goed te kunnen vormgeven, zijn toch andere vaardigheden nodig. En die mist Smithuijsen een beetje. Ze blijft hangen in sjablonen.

 

Boeken
special: Gedichten Boekenweek 2026
Photo by Bidder Karim on Unsplash

Zijn als een kind

Een bekende musicus vertelde onlangs dat zij tijdens haar studie een stuk voorspeelde waarop haar docent zei dat ze wel erg goed naar Mr. X had geluisterd. Op haar vraag of dit dan niet mocht, antwoordde hij dat daar op zich niets tegen was, als ze het dan maar wel béter deed.

Dit doet denken aan het gedicht Het meisje van Hanny Michaelis (1949), dat als Boekenweekgedicht 2026 ter inspiratie dient voor drie dichters uit verschillende generaties: Ingmar Heytze, Dean Bowen en Babs Schutte. Zij hertaalden het klassieke sonnet van Michaelis, dat oorspronkelijk bestaat uit tweemaal vier regels en tweemaal drie regels.

De dichteres vroeg zich af of ze na jaren nog steeds het kind van weleer is: speels, argeloos en onbevangen in de voorjaarswind? De o’s en a’s rijgen zich aaneen en geven het gedicht zowel een lichte (speelse, zonnige) toon van een kind als de weemoedige aard (wolken, wind en vuur) van een vrouw die het pad van deze gevoelens heeft afgelegd. Het kan niet anders of je leest er de donkerte van de Tweede Wereldoorlog in.

Ingmar Heytze: Pretty Vacant

De eerste dichter, de 56-jarige performer en columnist Ingmar Heytze, benadrukt in zijn versie de melancholie van het oorspronkelijke gedicht. Ook hij kijkt terug op zijn kindertijd in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij houdt het bij viermaal drie regels (terzetten). De boodschap van zijn generatie is: erbij staan en ernaar kijken. Je verstoppen omdat het je tijd wel zal duren en toch dingen ondernemen, zoals gedichten maken.

Dean Bowen: .the kids are not alright

De volgende dichter en performer, de 41-jarige Dean Bowen, waaiert van de drie dichters het meest uit in lange regels. Hoewel ze, als je gaat tellen, wel degelijk de vorm van een sonnet hebben: tweemaal vier en tweemaal drie regels met een chute (kantelpunt) voor de laatste twee strofes. De sprookjes zijn bij hem spoken en slapeloze nachten geworden, de lente van Michaelis zijn Arabische lentes die ‘ons overwoekerd & gehavend achter[lieten]’. Knap is dat hij niet alleen de klassieke sonnetvorm, maar net als Heytze ook de o’s en a’s van het origineel behoudt.

Babs Schutte: De sprong

De laatste en jongste van de drie dichters is de 26-jarige Babs Schutte, performer, tekstschrijver en producer. Ook zij vangt het kind van Michaelis in haar gedicht De sprong. Ze heeft haar droom (kunnen leven van muziek maken) waar kunnen maken. Ze behoort tot de generatie die vooral doet. Het sprookjesboek is weliswaar gesloten, maar de dromen blijven, ook al zijn er zorgen. Let op: ook zij laat de o’s en a’s van Michaelis terugkomen in haar viermaal vier regels!

Alle drie de dichters hebben goed naar het gedicht van Hanny Michaelis gekeken. Of ze het beter deden, is niet de vraag. Wél hebben zij het thema naar onze tijd getrokken en het vanuit hun leefwereld uitgewerkt. En hoe!

Boeken / Non-fictie

Word een betere eter

recensie: Etenstijd! Hapklare culinaire zaken - Yvette van Boven en Teun van de Keuken

Kookboekenschrijver Yvette van Boven en culinair journalist Teun van de Keuken bundelden hun krachten al in de podcast Etenstijd!. Nu is ook een gelijknamige publicatie verschenen, waarin de twee doen waar ze goed in zijn: keuvelen over eten.

Het handzame gidsje voert de lezer langs allerhande eet- en kookgerelateerde zaken, van specifieke ingrediënten als daslook, seitan en linzen tot fenomenen als de snelkookpan, guilty pleasures en keukenkastfossielen (waarover later meer). Sommige onderwerpen zijn vooral herkenbaar en van andere hoofdstukken steek je wat nieuws op. Wat alle thema’s gemeen hebben is dat ze lekker weglezen.

Geordende willekeur

Etenstijd! leest als een bundeling columns. Alle onderwerpen zijn netjes alfabetisch geordend, maar de auteurs nodigen expliciet uit om het boekje kriskras te lezen. Onder elk stukje staan verwijzingen naar andere lemma’s, waardoor de lezer een eigen pad uit kan stippelen. Zo kom je bijvoorbeeld van bonen naar de voorraadkast naar vakantiewaar naar keukenkastfossielen.

Zo’n fossiel kan de vorm aannemen van onder meer een onaangeroerde ijsmachine, slowcooker of broodbakmachine. Vaak vol goede bedoelingen aangeschaft, maar al gauw verbannen naar de achterste krochten van de keukenkastjes. Yvettes en Teuns advies: krijg eerst de basis van het koken onder de knie met een paar pannen, een goed mes en een houten plank. En weet welke apparaten ‘eigenlijk niet nodig’ zijn.

Recepten ondergeschikt

Natuurlijk mogen recepten niet ontbreken, al spelen ze echt een bijrol en gaat het vooral om basisrecepten. Dus geen hele maaltijden, maar zaken als zanddeegbodem, pizzadeeg en cashewroom. De bundel bevat ook handige overzichten van bijvoorbeeld goede kookwebsites, tips om voedselverspilling tegen te gaan en een seizoensgroentekalender.

Kortom, Etenstijd! is een goedgevuld gidsje dat zeker in de smaak valt bij eetfreaks – de door Van Boven en Van de Keuken gemunte term die overigens een goed alternatief voor het wat uitgekauwde foodie vormt. Yvette en Teun zijn het niet over alles eens en dat maakt dat ze nooit uitgepraat raken over eten, koken en alle aanverwante zaken.

Film / Films

IJzersterke krachtmeting in beeldschone bergen

recensie: Alpha (2024) – Jan-Willem van Ewijk
Alpha_st_1_jpg_sd-lowFilmdepot

De relatie tussen een vader en een zoon leidt niet zelden tot generatieconflicten. In de film Alpha van regisseur Jan-Willem van Ewijk staan de verhoudingen duidelijk al langer op scherp. Bij ontstentenis van de echtgenote annex moeder worden de messen onvermijdelijk extra geslepen.

Al op de eerste dag van zijn bezoek aan zijn zoon in Zwitserland toont vader Gijs zich een negatieve eikel. Hij heeft kritiek op alles wat zoon Rein heeft en doet. ‘Dus hier heb je je verstopt’, is pa’s neerbuigende reactie op het sobere appartementje dat snowboardinstructeur Rein bewoont in een wintersportresort. Reins favoriete diner vindt pa ruk, zijn baantje als snowboardinstructeur is beneden zijn stand, zoon moet musicus worden.

Autobiografische elementen

Vader en zoon worden gespeeld door Gijs Scholten van Aschat en zoon Reinout Scholten van Aschat, hun personages heten ‘Gijs’ en ‘Rein’.
Ze speelden al eerder allebei in Zee van tijd (2022) van regisseur Theu Boermans. Alleen speelden ze in die film niet samen of tegelijkertijd, omdat ze hetzelfde personage neerzetten: Reinout als jonge man, Gijs als diezelfde man maar dan ouder.
De goede verstaander herkent in de personages in Alpha veel autobiografische elementen van de spelers, zoals het grapje dat Gijs in Nederland een beroemde acteur is, dat Rein veel bezig is met muziek, en dat beiden houden van wintersport.

Etterbak

Alpha is een expliciete krachtmeting tussen een vader en een zoon. Twee koppige, eigenwijze alfamannetjes, al is de vader een pedante, betweterige etterbak en de zoon een innemende, zachtaardige allemansvriend. Vader overschreeuwt zijn zoon. Vader wil tegelijkertijd de autoritaire nestor zijn én gelijkwaardig aan de vrienden van Rein; en dan wil vader ook nog het recht hebben zo nodig om hulp te vragen omdat hij oud is.
Het karakter van Rein is minder gelaagd, wat zijn drijfveren zijn blijft goeddeels in de schaduw. Beiden jongleren met het gegeven dat leven en dood dicht bij elkaar liggen.

Acteerduels

Deze film is onvermijdelijk een wedstrijdje hard-acteren tussen Gijs en Reinout Scholten van Aschat. Het is een genot naar hun acteerduels te kijken. De spelers krijgen van regisseur Van Ewijk veel ruimte om in hun tekstbehandeling te versnellen of juist rustig de tijd te nemen, waardoor dialogen uiterst naturel overkomen. Dat komt de geloofwaardigheid van de – fictieve – familieverhouding en die van de plot (scenario: Jan-Willem van Ewijk) ten goede.
Natuurlijk vindt de ultieme krachtmeting plaats op een besneeuwde bergtop, waar vader zich groothoudt op een plek waarop zoon volledig op zijn gemak is.

Beeldschoon

De fotografie is beeldschoon. De film is niet gedraaid in Zwitserland, maar in de bergen van Slovenië. Die vormen een zeer fotogeniek decor, waarin afdalingen op snowboard of ski’s fraai in beeld kunnen worden gebracht (fotografie: Douwe Hennink, NSC). De soundscape van voornamelijk elektronische muziek (componist: Ella van der Woude) onderstreept de sereniteit van dat kalme maar krachtige landschap. Beeld en geluid ondersteunen zo effectief de toppen en dalen in de krachtmeting tussen vader en zoon.

Lang

Jammer is dat Alpha met een duur van honderd minuten echt te lang is. Dat komt onder andere door de nogal erg trage wending aan het einde van de vertelling. Maar het komt zeker ook door de ‘mooifilmerij’. Het is verleidelijk besneeuwde toppen uitgebreid te filmen, met het zonlicht erop, of met laaghangende nevel ertussen. Maar al die fraaie plaatjes nemen wel errug veel tijd in beslag.
Die elementen halen helaas een beetje van de glans weg van het pareltje dat Alpha overigens wel degelijk is.

 

Alpha draait vanaf 13 februari 2025 in de bioscopen.

Theater / Voorstelling

ISH is uniek in het Nederlandse theaterlandschap

recensie: Hiphop Circus (12+) – ISH Dance Collective

Op het eerste gezicht ademen sfeer, decor en kostuums in het theater inderdaad circus. Maar Hiphop Circus van ISH Dance Collective is veel meer dan circus alleen. Het is een visueel aantrekkelijke, virtuoze show waarin dans, acrobatiek en muziek samensmelten tot een wervelend spektakel.

Op het podium staat een rood-wit gestreept decor vol cirkelvormige elementen, met als kers op de taart een puntdak: we zien hier een circustent. Maar het circus is voornamelijk een kapstok voor deze acrobatische hiphopvoorstelling.

Clowns

Vijf mannen en drie vrouwen brengen beurtelings, in duetten, met zijn drieën of met zijn allen een reeks van kortere of langere acts. We herkennen daarin de circusdirecteur aan zijn zwarte hoge hoed en zijn rode pandjesjas. De clowns aan hun witte schmink. De acrobaten aan hun strakke  pakjes.

Uniek

ISH Dance Collective heeft inmiddels een stevig repertoire opgebouwd waarin ze zonder terughoudendheid de gekste vormen van bewegingstheater combineren. Doorgaans zijn hun voorstellingen geënt op allerlei urban sports en straatkunsten, zoals freerunning (over richeltjes balanceren en van uitsteeksel naar uitsteeksel springen), skaten, breakdance, acrobatiek en hiphop, in combinatie met ballet en spel. Het is een genre dat in het Nederlands theaterlandschap eigenlijk uniek is. Dat ze dit zeer verdienstelijk brengen, moge blijken uit de uitdrukkelijke erkenning die oprichter, choreograaf, regisseur en artistiek leider Marco Gerris inmiddels krijgt: Gerris ontving in 2020 de Cultuurfonds Prijs en in 2024 ‘de Zwaan’ voor Meest Indrukwekkende Dansproductie 2024.

Voor Hiphop Circus gunt Gerris de eer van het bedenken van acts en dansen aan zijn internationale groep medewerkers, en tekent hij zelf vooral voor de regie en de productie. Verbindend element is de muziek van DJ Irie Weergang Bove. Met twee draaitafels zorgt die gedurende de hele voorstelling live voor muziek.

Pole artist

Er zijn veel sketches waarin acrobatiek wordt gecombineerd met hiphop. Deze acts verwijzen nog het meeste naar het ‘normale’ circus. Het is jammer dat veel van de acrokunsten  niet helemaal strak worden uitgevoerd, maar vermakelijk zijn ze wel.

Er zijn artiesten vanuit allerlei disciplines. Er is een sterke pole artist (Clara Köpf) die letterlijk tegen een verticaal staande paal oploopt en er met alleen biceps en tenen aan blijft hangen. Dansers Stasy Petite en Louis Swanepoel dagen elkaar uit en vechten ingenieuze machtspelletjes uit. Freerunners Siebe van de Spijker en Matt McCreary voeren op het podium het soort halsbrekende toeren uit waarop ISH als serieuze groep in het Nederlandse theater het alleenrecht heeft.

Breakdancer Oscar Starink hoort tot de top in dit genre, zijn bijdrage aan deze urban sports-voorstelling is onontbeerlijk. Acrobaat Marilou Verschelden maakt van haar act met een ‘German Wheel’ – zo’n manshoge dubbele cirkel waarin je kunt hangen – een fraai spektakel.

Concurreren

Spelers dagen elkaar uit. Ze concurreren en werken samen. Er zijn dance battles en harmonieuze duetten. Twee jongens vechten om een meisje. Acrobaten strijden om een plekje op een schuine helling. Een dansende acrobaat glibbert over een stukje decor dat een huiskamertje voorstelt alsof hij van elastiek is.

foto: Michel Schnater

Hiphop Circus is visueel sterk. Er zijn veel geestige vondsten, zoals een vrouw die zich opmaakt voor een spiegel zonder glas, zodat ze in feite niet in de spiegel, maar het publiek in kijkt. Het ingenieuze blauwe, paarse, witte licht is sfeervol en functioneel. En op het moment dat het decor moet worden verbouwd, dient de DJ als pauzeact.

Zo brengt ISH Dance Collective het circus naar het theater, en het theater naar het circus. Het is een feest om naar te kijken.

 

Regie en productie: Marco Gerris, ISH Dance Collective
Choreografie: Dansers (o.l.v. Marco Gerris)
Acrobatiek: Ange Viaud, Marilou Verschelden
B-boy: Oscar Starink
Freerunning: Siebe van de Spijker, Matt McCreary
Dans: Stasy Petite, Louis Swanepoel
Paaldans: Clara Köpf
DJ: Irie Weergang Bove
Decor en kostuums: Dieuweke van Reij
Licht: Mike den Ottolander, Laurens Schoonheim
Compositie: Rik Ronner, Irie Weergang 
Geluid: Jan Willem Crul
Fotografie: Michel Schnater

Film / Films

Pijn verspreid over generaties

recensie: A Real Pain - Jesse Eisenberg
Twee mannen© The Walt Disney Company,

Voor veel acteurs die lange tijd voor de camera staan lijkt de regisseursstoel vroeg of laat onvermijdelijk; zo ook voor Jesse Eisenberg, onder andere bekend als Mark Zuckerberg in The Social Network. Na een wisselvallig ontvangen regiedebuut probeert hij het opnieuw met A Real Pain – een succes.

Het is een ongebruikelijk decor voor een komedie: twee neven reizen met een groep door Polen en bezoeken voormalige concentratiekampen om, ter ere van hun overleden oma, hun familiegeschiedenis te ontdekken. Beiden zijn Joods, maar hun persoonlijkheden verschillen als dag en nacht; Jesse Eisenberg speelt de introverte, neurotische neef David die leeft van structuur en controle, terwijl Kieran Culkin de show steelt als zijn tegenpool Benji: een chaotische, impulsieve orkaan die elke confrontatie moeiteloos aangaat.

Net als in zijn eerdere regiewerk voor het theater, richt Eisenberg zich vooral op de personages en minder op het plot. David worstelt met een dwang- (OCD) en een angststoornis, terwijl Benji duidelijk kampt met onbehandelde mentale problemen die hij hardnekkig ontkent. Deze persoonlijke worstelingen worden in de film tegenover een veel groter, collectief trauma geplaatst: de verschrikkingen van de vernietigingskampen in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Authentieke personages

Vanaf het eerste moment weet Culkins personage Benji je te irriteren, te intrigeren en zelfs te vermoeien, en precies dáár ligt de kracht van zijn rol. Zijn personage is extravagant en openhartig, maar tegelijkertijd vals, egoïstisch en soms ronduit onuitstaanbaar. Het is een gedurfde keuze om een onsympathiek karakter te gebruiken in een film die zo sterk leunt op de dynamiek tussen de personages. Eisenberg is zich hier echter volledig van bewust en neemt de tijd om dit ongemak te verkennen, waarbij hij zowel de grenzen van het personage als het geduld van de kijker opzoekt. Voor wie bereid is dit ongemak te doorstaan, biedt de film echter een beloning: Culkins personage toont barsten in zijn façade, waardoor langzaamaan een kwetsbare kern zichtbaar wordt. Dit werpt niet alleen nieuw licht op zijn karakter, maar ook op hoe zijn gedrag de groepsdynamiek verstoort én vormgeeft.

Indrukwekkend is de toon van de film: Eisenberg balanceert constant tussen warm, gruwelijk, grappig en ellendig. Het zijn de stille momenten waarin de chemie tussen Culkin en Eisenberg het sterkst voelbaar is en de momenten waarop Culkins personage Benji – ondanks zijn tekortkomingen – weet te verbinden. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk tijdens een scéne op het dak van een hotel waar ze samen terugblikken op hun jeugd en hun relatie; een chaoot en een neuroot, beiden met hun eigen kracht en kwetsbaarheid. De karakters zijn niet zwart-wit, zoals vaak het geval is in vergelijkbare films. Er is echte nuance in de personages, wat de grootste kracht is van A Real Pain.

Messcherp

De kern van de film is de pijn verspreid over generaties: de pijn van hun oma tijdens de tweede wereldoorlog, in perspectief gezet met de pijn van nu. Hoe de film de zwaarte van dit onderlinge lijden in beeld brengt is bewonderenswaardig: respectvol, maar ook met een zachte toon, waardoor het niet alleen voelbaar maar verrassend herkenbaar wordt voor verschillende generaties met elk hun eigen vorm van pijn.

Met A Real Pain bewijst Jesse Eisenberg dat hij groeit in zijn rol als regisseur. De film slaagt erin om iets bijzonders te vangen: een messcherpe tragikomedie die zowel weet te raken als aan het lachen te maken. De chemie tussen Eisenberg en Culkin, het zorgvuldig uitgewerkte scenario en de respectvolle omgang met het historische thema maken van deze tragikomedie een bijzonder werk.

Film / Films

We zijn allemaal in ‘The Room Next Door’

recensie: The Room Next Door - Pedro Almodóvar
twee vrouwen aan tafel©Filmdepot

The Room Next Door is de eerste Engelstalige film van Spaanse regisseur Pedro Almodóvar. Het is een intiem drama waarin de kracht van vriendschap centraal staat. Twee vrouwen die heel anders tegen sterfelijkheid aankijken, maar door elkaar veranderen.

Ingrid (Julianne Moore) en Martha (Tilda Swinton) zijn elkaar uit het oog verloren, maar als Ingrid hoort dat Martha ziek is vinden ze meteen weer de connectie die hen vroeger bond. Martha’s gezondheid gaat achteruit en dan vraagt ze Ingrid om haar te steunen bij een zelfgekozen einde. Ze wil graag dat Ingrid in de kamer ernaast is om niet alleen te zijn, maar ook omdat ze op die manier de politie kan vertellen dat ze van niets wist.

Mooi in beeld gebracht

Oscar-winnende regisseur Pedro Almodóvar (Todo Sobre Mi Madre) brengt het verhaal schitterend in beeld; niet alleen zijn de locaties ijzersterk uitgekozen, ook de cinematografie is prachtig. Het huis in de bossen waar de dames verblijven heeft veel grote ramen, doorzichtig en transparant. Dit past bij de glasharde eerlijkheid van Ingrid en Martha. Er is een shot van Ingrid die achter Martha op het bed gaat liggen waardoor je de twee gezichten in een close-up ziet. Naast dat het beeld krachtig is, zegt het ook veel: twee vrouwen die uiteindelijk op één lijn komen, ondanks hun initiële verschillen.

Beide actrices spelen de sterren van de hemel. Vooral Julianne Moore, die een groot deel van de film alleen maar luistert en dus vooral met haar mimiek moet acteren. Tilda Swinton – die de rol van de zieke Martha speelt – vertelt haar verhaal ingetogen en met waardigheid.

twee vrouwen voor raam

Pedro Almodóvar sausje

Typisch voor regisseur Pedro Almodóvar is een verhaal met krachtige vrouwenfiguren. Dit komt onder andere doordat Almodóvar zelf opgegroeid is tussen krachtige vrouwen omdat zijn vader vaak afwezig was. Ook zijn Almodóvar’s films doorspekt met felle, primaire kleuren in zowel de kostuums als de objecten. De regisseur houdt ervan om door middel van kleuren de gevoelens van personages of motieven in het plot uit te beelden. In deze film komt dat bijvoorbeeld terug in de kleur van de ligstoelen van het vakantiehuis: Ingrid ligt steeds op de rode stoel (angst en liefde) en Martha op de groene stoel (acceptatie en veiligheid).

Tilda Swinton vertelde in een interview met Deadline Hollywood hoe Almodóvar is als regisseur: Pedro werkt ongelofelijk snel. Per scène kregen we niet meer dan twee takes. Als we een derde wilden, dan moesten we daar goede argumenten voor hebben. Ook lijkt het alsof Pedro de film al heeft gezien en ons dagelijks komt vertellen hoe de film eruitziet – niet hoe het zou kunnen worden – maar specifiek hoe hij is.

Mooie boodschap

De film is een aanmoediging om niet weg te kijken, het is een boodschap van empathie. Want we zijn allemaal in de kamer naast elkaar, maar ook in de ruimte naast Oekraïne, Gaza en Syrië. Hiermee brengt Almodóvar ook een politieke boodschap: kijk niet weg van elkaar, toon respect en luister naar elkaar.

De film is aangrijpend, ontroerend en indringend omdat we allemaal vroeg of laat op het punt komen dat we afscheid moeten nemen. Je gunt het iedereen om dat op deze manier te doen; met iemand in de kamer naast je.

The Room Next Door kreeg terecht de Gouden Leeuw voor Beste Film op het Filmfestival in Venetië.

 

Sinds 19 december te zien in bioscopen in Nederland.

Muziek / Interview
special: Interview met musical director Bart van Poppel

Tien jaar Analogues, ongekuist

Op 28 december geven The Analogues hun allerlaatste optreden. In de Ziggo Dome kun je dan nog één keer genieten van hun magistrale uitvoering van het latere Beatles-repertoire – in dit geval van de albums Let It Be en Abbey Road. Ondergetekende had het grote genoegen om met de musical director van de band, Bart van Poppel, terug te blikken op tien jaar Analogues. En ja, ook een klein beetje vooruit!

In 2014 was het onvoorstelbaar dat het unieke project van de Analogues, het integraal spelen van alle albums van de Beatles uit de studiojaren, zo groot zou worden. Bart van Poppel zag het totaal niet aankomen en vertelt dat de plannen in eerste instantie ook vrij bescheiden waren.

‘De eerste keer dat Fred Gehring – initiator, financier en drummer van de band, red. – met het idee kwam, was geloof ik in 2010. Hij was geïnspireerd door een knappe coverband die hij in Amerika had gezien, de Fab Faux, en wilde heel graag zelf nog een stapje verder gaan en latere albums van de Beatles van voor tot achter live spelen voor publiek. Eerlijk gezegd zag ik dat toen niet zo voor me, het kwartje viel nog niet. Maar op de een of andere manier bleef het wel in mijn hoofd zitten. Omdat ik er de daaropvolgende jaren niks meer over hoorde – Fred had het erg druk als CEO van Tommy Hilfiger – heb ik er zelfs een keer een mailtje aan gewijd. Wilde hij er nog iets mee? Ik kreeg toen een vrij vaag antwoord terug, “het zat nog in het vat” of zoiets. Maar eind 2013 kwam er dan toch een verlossend telefoontje: “Het gaat gebeuren”. Nou, dat hebben we geweten.’

Wat waren jullie vroegste stappen en plannen precies?

Bart van Poppel

‘Thuis heb ik toen eerst eens met de computer een demo van ‘I am the Walrus’ gemaakt. Ondanks dat het allemaal digitaal was, met nepstrijkers en mechanische drum en zo, kwam die opname aardig in de buurt van het origineel. Hij klonk echt goed, ook qua sfeer, ik weet nog dat Fred diep onder de indruk was. Samen met een gemeenschappelijke vriend die keyboards speelde en Jac Bico, die ik al honderd jaar kende en er meteen bij wilde, hebben we daarop wat gejamd in een keldertje. Ook dat smaakte zeker naar meer, en de volgende stap was dus dat we een serie audities hielden om een complete band bij elkaar te krijgen. Jan van der Meij, die we meteen als ‘de McCartney’ zagen, kwam er zo bij. En nog iets later Diederik Nomden, die kende ik ook al een tijdje.’

Als musical director had Bart de schone taak om alle arrangementen uit te pluizen en te bedenken hoe het allemaal uitgevoerd moest worden. ‘Dat was een enorme klus, er waren nog geen partituren van de albums beschikbaar. In eerste instantie heb ik toen ook onderzocht of we misschien samples konden gebruiken voor bepaalde partijen. Met hulp van een ware toetsenwizard keek ik bijvoorbeeld hoe we violen met keyboards konden doen. Maar uiteindelijk liep dat op niks uit, het was voor ons geen optie om het zo uit te voeren. Dus ik weer met Fred praten. Zouden we er toch niet een paar strijkers bij halen? Ja, dat moest dan maar. Maar met twee violen was het eigenlijk ook nog niks. Een cello erbij misschien? Waarom eigenlijk geen kwartet? En dan konden we natuurlijk ook niet zonder echte blazers. Enfin, al vrij snel is het toen helemaal uit de hand gaan lopen. Dat was dus niet iets wat we vooraf al bedacht hadden, die enorme moloch is vanzelf ontstaan.’

De wens om alles zo exact mogelijk te spelen, compleet en tot in de allerkleinste details, betekende ook dat Bart op zoek moest naar precies net zulke instrumenten en apparatuur als de Beatles zelf hadden gebruikt tijdens het opnemen. Een verhaal op zich natuurlijk, maar er moeten keuzes worden gemaakt in dit interview.

De schaal van jullie optredens werd steeds groter. Welke factoren hebben daarbij een rol gespeeld?

‘Ons debuut vond plaats in People’s Place. Dat was een personeelsruimte in het gebouw van Tommy Hilfiger in Amsterdam, die ’s avonds wel fungeerde als club. We speelden daar Magical Mystery Tour, voor zo’n driehonderd, vierhonderd man. Freds echte idee ging eigenlijk nauwelijks verder dan dat we daar een beperkt aantal optredens zouden doen, een paar albums zouden uitvoeren. En ook toen we er een clubtour aan vastplakten, hadden we nog geen plannen om er lang mee door te gaan.’

‘Het grappige is dat Felix Maginn, die toen nog niet in de band zat maar al wel bij ons eerste optreden was, de aanzet heeft gegeven om eens wat groter te denken. Hij had zelf, met zijn band Mook, net een theatertour gedaan en vond echt dat wij ook de theaters in moesten. Onze eerste reactie was: “Alsjeblieft zeg! Zullen we meteen naar het bejaardenhuis gaan?” Wij wilden gewoon lekker in clubs spelen, dat vinden we nog steeds heel erg leuk. Maar al gauw realiseerden wij ons ook dat we daar geen toekomst meer hadden. Mede gezien alle kosten – er moest steeds flink wat geld bij – was dat niet realistisch. En dus besloten we alsnog om toch maar de theaters in te gaan.’

‘Op eigen houtje trokken we daar al wel wat meer publiek, maar toen kwam De Wereld Draait Door… Dat is echt een groot kantelpunt geweest voor ons. Meteen verkochten we Carré helemaal uit. De tv-publiciteit had een sneeuwbaleffect dat ons compleet overviel. Opeens trokken we overal volle theaters, en dan zit je daar ook helemaal goed natuurlijk. Het was in onze beleving toen niet meer te stuiten, eerst in Nederland en vervolgens ook nog eens in landen om ons heen.’

Ook over de grens bleken mensen laaiend enthousiast over jullie benadering en uitvoering van de latere Beatles-muziek. Hoe was touren in het buitenland?

‘We ontdekten al vrij snel dat het in feite overal kon, in elk land. Eerst in Duitsland, daarna in Engeland… Achteraf lijkt dat wel gemakkelijk gezegd, maar ik weet nog dat we de eerste keer met knikkende knieën de Noordzee overstaken. We hadden toen een optreden in Norwich, in 2016 geloof ik, op een soort festival. Wie waren wij om daar als buitenlanders even de muziek van hun legendarische Beatles uit te voeren? Haha, ja, een Dutch invasion in het hol van de leeuw. Maar ook de Engelsen zagen het helemaal zitten. Toen we wat later het Palladium twee keer uitverkochten en prachtige reviews in de Engelse pers kregen, wisten we zeker dat het echt overal werkte.’

‘De mogelijkheden leken misschien onbegrensd, maar vergis je niet. In de grotere steden kan het wel, maar bij een uitgebreide tour moet er heel veel geld bij. Alleen al de aanloopkosten voor zoiets zijn erg hoog. Ook nog naar een ander continent? Hoe wil je dat doen? Je hebt eerst een, twee jaar publiciteit nodig, dat kost bakken met geld. En dan met twee grote vrachtwagens de weg op, 35 mensen mee, voor wie we elke keer hotels moeten regelen. We zouden in het buitenland graag nog blijven spelen, maar dat is op deze manier gewoon te kostbaar gebleken.’

‘Voor onszelf hebben we alles eigenlijk al bereikt. Optreden in Liverpool; een live-opname in de Abbey Road Studios; concerten in Parijs, eerst in Olympia en later drie keer in een uitverkocht Salle Pleyel: wat wil je nog meer?’

Jullie zijn ook in nauw contact gekomen met mensen als geluidstechnicus Geoff Emerick en Beatles-autoriteit/biograaf Mark Lewisohn. Die hebben zich zeer lovend over jullie uitgelaten…

‘Ja, dat zijn ook wel heel bijzondere ervaringen. Ik heb hier in de studio in Haarlem met Geoff gezeten – Emerick heeft met de Beatles samengewerkt aan een aantal van hun iconische albums, red. – en hij was euforisch over onze uitvoering van de platen. Dat was rond ons eerste optreden in de Ziggo Dome, waar hij ook bij was. Hij is toen even in Amsterdam gebleven, we hebben samen wat dingen ondernomen, en hij wilde heel graag betrokken worden en blijven bij onze verdere plannen. Hij zou zelfs meewerken aan onze eigen plaat. Helaas is hij vrij snel daarna overleden, in 2018, dus dat is er niet meer van gekomen. Maar ja, dat we zoiets mochten meemaken.’

‘En dat Mark Lewisohn ons helemaal omarmt is natuurlijk ook fantastisch. Hij heeft al een paar keer  een inleiding gehouden voor of tijdens een optreden van ons, bij het laatste concert in de Ziggo Dome zal hij dat ook weer doen. Voor ons is hij de grote biograaf. Mark is op en top historicus, die schrijft alles op wat er gebeurd is en wil geen dingen wegpoetsen. Zelfs als dat betekent dat het tussen Apple en hem niet meer zo botert en zijn toegang tot de archieven is ingetrokken. Hij heeft iets geschreven, ik meen over producer George Martin, wat in slechte aarde is gevallen. Je hebt toch de indruk dat verhalen rond de Beatles vaak wat worden gekuist. Daarom is de release van de oorspronkelijke Let It Be-film waarschijnlijk ook zo lang tegengehouden.’

Een mooi bruggetje naar jullie laatste optreden, waar ook Let It Be integraal wordt uitgevoerd. Wat vind jij van dat album? En doen jullie de oorspronkelijke versie, die van producer Phil Spector?

‘Jazeker, Let It Be is Let It Be, daar hoefden we niet over na te denken. Ik vind de uitvoering van bijvoorbeeld ‘The Long and Winding Road’, met alle toegevoegde toeters en bellen, persoonlijk ook prachtig. Het is echt een mooi album. Eigenlijk hebben we er nooit zoveel aandacht aan besteed, omdat het toch een beetje een samengeraapt zootje is. Live-opnamen van het dakconcert; nummers uit de studio waarvan sommige nauwelijks en andere weer heel sterk bewerkt zijn; halve snippers van liedjes… Het gaat alle kanten op. Op zich zijn het allemaal geweldige nummers, maar er zit totaal geen coherentie in het album. Al zie je dat wel vaker bij de Beatles.’

‘Het is ook een heel fijn album om te spelen, merken we. Op Let It Be rocken ze er weer eens lekker op los. Sommige dingen kostten ons overigens wel wat hoofdbrekens. Met Diederik, die zich gaandeweg ook steeds meer met de partituren is gaan bezighouden en weer andere dingen hoort dan ik en mij vaak aanvult, heb ik bijvoorbeeld vrij lang gediscussieerd over ‘The Long and Winding Road’. De orkestpartijen die Phil Spector erin had gemixed waren nauwelijks te volgen door zijn befaamde ‘Wall of Sound’. Zelfs met zijn tweeën kwamen we er niet uit, we moesten er tenslotte een expert bij halen om ons verder te helpen.’

‘And in the end… ‘ Wat waren jullie overwegingen om na tien jaar te stoppen met het enorme succesverhaal van de Analogues?

‘Laat ik vooropstellen dat niemand het leuk vindt om ermee op te houden. Persoonlijk zal ik het spelen heel erg gaan missen. We leven er ook allemaal van, het is onze job geworden. Maar de andere kant is, zeker voor Fred en mij, dat het nooit nog beter kan worden, alleen maar minder. We hebben het hoogtepunt al bereikt. De realiteit is bovendien dat we in Nederland een wat ouder publiek hebben, waarvan veel mensen de Analogues al vijf, zes keer of nog vaker hebben gezien. En na zoveel optredens dreigt het ook een beetje routine te worden. Die verwondering van onszelf, én van het publiek, als je deze schitterende muziek voor het eerst live speelt en hoort, die raak je onvermijdelijk wat kwijt. Dus hoe erg het ons ook spijt, we zetten er een streep onder.’

Het grootste compliment dat de Analogues vaak hoorden, is dat de muziek die mensen in deze vorm alleen van de platen kenden, zo fenomenaal tot leven is gebracht. Zelfs ‘Revolution 9’! Bart: ‘Van alle uitdagingen die we tegenkwamen was dat met afstand ook de grootste. Zo’n lang en experimenteel nummer, waar nauwelijks een touw aan vast te knopen valt en dat je op de plaat altijd overslaat; hoe maak je daar toch wat van? We hebben een aantal opties overwogen, zelfs om als een soort Kraftwerkmannetjes met een batterij bandrecorders op het podium te gaan staan. Marcel de Vré, die onze documentaires maakt, kwam uiteindelijk met een heel goed idee. Wat als we er een film bij deden? Fred had ook wel eens gezegd dat hij het nummer zag als een soort soundtrack bij een film die nooit gemaakt is. Toen Marcel ook nog Jaap Drupsteen als maker voorstelde, was ik helemaal om.’

‘Het uitwerken van alle muziek- en geluidsfragmenten was eerlijk gezegd totale idiotenwerk. Omdat Jaap de film al eerder klaar had en op het origineel had gemonteerd moest ik de audio helemaal stap voor stap reproduceren. Maar uiteindelijk hebben we er iets heel bijzonders van gemaakt, en zelfs echt wat toegevoegd aan het werk. Toen ik de film onlangs weer opnieuw zag, was ik er door overdonderd, zo’n piece of art is het. Ook de Beatles zelf zouden waarschijnlijk blij zijn geweest met Jaaps animatie.’

Tot besluit dan: gloort er voor jullie en voor fans misschien toch nog iets van een vervolg?

‘In 2025 zal ik zelf nog druk bezig zijn met het zo goed mogelijk nakijken, documenteren en archiveren van alles, de partituren, de audio, de instrumenten en apparatuur. Mogelijk maken we een handboek over hoe je de studio-albums live kan uitvoeren volgens de expertise van de Analogues. En dan heb ik nog niet eens gehad over ons eigen project, het verder gaan met eigen muziek. Stilzitten zullen we zeker niet.’

‘Denken we toch ook aan een soort van vervolgproject met live uitgevoerde Beatles-albums? Ja, we hebben inderdaad een idee om daar nog iets mee te doen, iets nieuws. Het is te vroeg om er wat concreets over te vertellen, het enige wat ik wil zeggen is dat er in elk geval niet meer getourd zal worden en dat het geen project onder de naam van de Analogues zal zijn. Er moet nog een hoop worden uitgezocht. Maar het is wel een serieus plan. Laten we het daar bij houden, nu.’