Berichten

nescio-titaantjes
Boeken / Fictie

Gemankeerde hemelbestormers

recensie: Nescio - De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje
nescio-titaantjes

Honderd jaar geleden debuteerde Nescio met zijn verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Voor uitgeverij Nijgh en Van Ditmar genoeg reden om deze melancholische en tegelijkertijd hoogst ambitieuze teksten opnieuw, en in een prachtig klein boekje, uit te geven.

Nescio’s zwaarmoedige drie-eenheid – soms ook aangevuld met de prozabundel Mene Tekel uit 1935 – is met regelmaat uitgegeven en heeft veel cosmetische opschoning van het taalgebruik beleefd. Deze 44ste druk grijpt terug op de allereerste versie van Nescio. Een moedig besluit van de uitgever dat de lezer geheel in oorspronkelijke sferen brengt. Nu wordt de fameuze beginregel van De uitvreter met nog meer nadruk uitgesproken: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Of wat te denken van de verfijnde poëzie in deze omschrijving:

Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink koudje wind en het water liep met witte koppen.

Dramatisch en heroïsch

Die uitvreter, Japi genaamd, is een klaplopende filosoof die bij iedereen met wie hij enige bekendheid heeft aanloopt en aanschuift. Hij weet zich te verbinden aan de schilder Bavink en komt zo in diens vriendengroep terecht. Iedereen verbaast zich over het gemak waarmee Japi zich toegang verschaft, een verbazing die door de verteller soms als ergernis wordt ervaren, maar toch ook een vorm van ontzag teweeg brengt. Hij maakt driedubbel gebruik van alles wat hem aangeboden wordt en geeft zijn quasi-revolutionaire en nihilistische levensbeschouwingen in retour. Maar ook Japi wordt in het harnas gedwongen door zijn ‘ouwe heer’ en moet zich nuttig maken in een geestdodende kantoorbaan. Met een even dramatisch als heroïsch einde als gevolg: ‘Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt’.

In Titaantjes voert Nescio opnieuw een deel van de hierboven beschreven vriendengroep op, te beginnen met alweer zo’n legendarische opening: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’. Ze komen samen op een zolderkamertje of in de vrije natuur en zijn van plan de hele – kapitalistische – wereldorde naar hun hand te zetten. Alles tegen de ‘gewichtige heeren (…) die denken dat zij ‘t aardig ver in de wereld hebben gebracht’. Maar het blijft bij opgewonden samenkomsten vol ambitieuze toekomstbeelden, waartussen ook de nodige verliefdheden de aandacht opeisen. Als de verteller na jaren zijn oude vrienden weer opzoekt, blijkt de ene na de andere Titaan gevallen te zijn voor het werkende burgermanschap. Zijn aanvankelijke verontwaardiging gaat al snel over in berusting: ‘En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?’

Op de literatuurlijst

Nog zo’n hemelbestormer wordt gepresenteerd in Dichtertje, maar dan op het poëtische vlak. Het dichtertje wordt door Nescio gevolgd door de ogen van een neerkijkende God die af en toe wordt verwisseld met een onruststokende Duivel. Briljant gedaan door de schrijver, die hiermee de dubbele moraal van deze dichter glashelder weet te treffen. Zijn drijfveer ‘een groot dichter te zijn en dan te vallen’ is meer gebaseerd op het lijden van de kunstenaar dan op de kunst zelf. Ondertussen is iedere moeite hem te veel en wordt hij volledig in beslag genomen door de gebondenheid van zijn huwelijk en de verstikkende omgang met zijn schoonfamilie. ‘De mooiste meisjes loopen altijd aan den overkant van de gracht’ is zijn ontevreden vaststelling, terwijl hij alles aanpakt om onder zijn dichterschap én onder zijn huwelijkse trouw uit te komen. Dat leidt tot een van de allermooiste Nesciaanse regels, het dichtertje als echtbreker en vreemdganger:

Toen vielen ze samen peilloos diep door ‘t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.

Dat Nescio van grote waarde blijft in het Nederlandse literatuurlandschap staat als een paal boven water. Zijn onopgesmukte taalgebruik en tijdloze thema’s – de ambitie van jonge geesten en de zoektocht naar vrijheid – passen nog goed op de literatuurlijst van iedere middelbare scholier. Met een beetje besef van de toenmalige tijdgeest moet Nescio ook voor hen fijn zijn om te lezen: kort en krachtig, met een flinke scheut tragische romantiek.

Reageer op dit artikel

nescio-titaantjes
Boeken / Fictie

Gemankeerde hemelbestormers

recensie: Nescio - De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje
nescio-titaantjes

Honderd jaar geleden debuteerde Nescio met zijn verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Voor uitgeverij Nijgh en Van Ditmar genoeg reden om deze melancholische en tegelijkertijd hoogst ambitieuze teksten opnieuw, en in een prachtig klein boekje, uit te geven.

Nescio’s zwaarmoedige drie-eenheid – soms ook aangevuld met de prozabundel Mene Tekel uit 1935 – is met regelmaat uitgegeven en heeft veel cosmetische opschoning van het taalgebruik beleefd. Deze 44ste druk grijpt terug op de allereerste versie van Nescio. Een moedig besluit van de uitgever dat de lezer geheel in oorspronkelijke sferen brengt. Nu wordt de fameuze beginregel van De uitvreter met nog meer nadruk uitgesproken: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Of wat te denken van de verfijnde poëzie in deze omschrijving:

Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink koudje wind en het water liep met witte koppen.

Dramatisch en heroïsch

Die uitvreter, Japi genaamd, is een klaplopende filosoof die bij iedereen met wie hij enige bekendheid heeft aanloopt en aanschuift. Hij weet zich te verbinden aan de schilder Bavink en komt zo in diens vriendengroep terecht. Iedereen verbaast zich over het gemak waarmee Japi zich toegang verschaft, een verbazing die door de verteller soms als ergernis wordt ervaren, maar toch ook een vorm van ontzag teweeg brengt. Hij maakt driedubbel gebruik van alles wat hem aangeboden wordt en geeft zijn quasi-revolutionaire en nihilistische levensbeschouwingen in retour. Maar ook Japi wordt in het harnas gedwongen door zijn ‘ouwe heer’ en moet zich nuttig maken in een geestdodende kantoorbaan. Met een even dramatisch als heroïsch einde als gevolg: ‘Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt’.

In Titaantjes voert Nescio opnieuw een deel van de hierboven beschreven vriendengroep op, te beginnen met alweer zo’n legendarische opening: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’. Ze komen samen op een zolderkamertje of in de vrije natuur en zijn van plan de hele – kapitalistische – wereldorde naar hun hand te zetten. Alles tegen de ‘gewichtige heeren (…) die denken dat zij ‘t aardig ver in de wereld hebben gebracht’. Maar het blijft bij opgewonden samenkomsten vol ambitieuze toekomstbeelden, waartussen ook de nodige verliefdheden de aandacht opeisen. Als de verteller na jaren zijn oude vrienden weer opzoekt, blijkt de ene na de andere Titaan gevallen te zijn voor het werkende burgermanschap. Zijn aanvankelijke verontwaardiging gaat al snel over in berusting: ‘En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?’

Op de literatuurlijst

Nog zo’n hemelbestormer wordt gepresenteerd in Dichtertje, maar dan op het poëtische vlak. Het dichtertje wordt door Nescio gevolgd door de ogen van een neerkijkende God die af en toe wordt verwisseld met een onruststokende Duivel. Briljant gedaan door de schrijver, die hiermee de dubbele moraal van deze dichter glashelder weet te treffen. Zijn drijfveer ‘een groot dichter te zijn en dan te vallen’ is meer gebaseerd op het lijden van de kunstenaar dan op de kunst zelf. Ondertussen is iedere moeite hem te veel en wordt hij volledig in beslag genomen door de gebondenheid van zijn huwelijk en de verstikkende omgang met zijn schoonfamilie. ‘De mooiste meisjes loopen altijd aan den overkant van de gracht’ is zijn ontevreden vaststelling, terwijl hij alles aanpakt om onder zijn dichterschap én onder zijn huwelijkse trouw uit te komen. Dat leidt tot een van de allermooiste Nesciaanse regels, het dichtertje als echtbreker en vreemdganger:

Toen vielen ze samen peilloos diep door ‘t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.

Dat Nescio van grote waarde blijft in het Nederlandse literatuurlandschap staat als een paal boven water. Zijn onopgesmukte taalgebruik en tijdloze thema’s – de ambitie van jonge geesten en de zoektocht naar vrijheid – passen nog goed op de literatuurlijst van iedere middelbare scholier. Met een beetje besef van de toenmalige tijdgeest moet Nescio ook voor hen fijn zijn om te lezen: kort en krachtig, met een flinke scheut tragische romantiek.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Ratio en risico

recensie: Robert D. Kaplan - De terugkeer van de wereld van Marco Polo

De vermaarde analist van de Amerikaanse buitenlandpolitiek Robert D. Kaplan bundelt in De terugkeer van de wereld van Marco Polo een aantal van zijn bekendste essays en artikelen. Hij neemt je aan de hand om samen – als ware het een potje Risk – een wandeling te maken over de wereldkaart.

Kaplan schrijft als vooraanstaand politiek auteur voor tal van kranten, schreef achttien boeken en was van 2009 tot 2011 adviseur in de denktank (Defense Policy Board) van het Pentagon. Als we ergens informatie van binnenuit de Amerikaanse politiek kunnen krijgen is het dus bij hem.

Ratio boven emotie

Eén ding staat als een paal boven water: Kaplan is een rationalist in hart en nieren. Volgens hem kunnen we de politieke situatie van de wereld louter op een zinnige manier bekijken met onze ratio en werkt onze emotie alleen maar vertroebelend. ‘Bedenkt dat emoties, hoe terecht ze ook zijn, de vijand van de analyse kunnen zijn.’ Zo gaat Kaplan dan ook te werk in al zijn artikelen. Landen en groepen mensen hebben bepaalde belangen én emoties. Wanneer we deze kennen is het appeltje eitje om te voorspellen wat ze willen en van wie. Net zoals bij een spelletje Risk zit ook de wereldpolitiek minder ingewikkeld in elkaar dan je zou denken. Kaplan laat zien hoe simpel én ingewikkeld dit tegelijkertijd is. Simpel is om te zien hoe en waarom mensen dingen doen, veel ingewikkelder is om dit gedrag een andere richting op te sturen.

Grote vraagstukken

Hoewel Kaplan als analist in dienst trad van het Pentagon blijven zijn stukken die van een vrije denker. Hij is nergens pro-Amerikaans, in die zin dat hij Amerika ziet als het beloofde land of iets dergelijks. Hij is eerder vaak kritisch op zijn eigen land, omdat dit volgens hem veel verkeerde keuzes maakt en zo een deel van zijn macht op het wereldtoneel verliest. Kaplan schrijft over ontzettend complexe zaken, maar wel op zo’n manier dat ook iemand met een algemene kennis over de wereldgeschiedenis en politiek het verhaal – meestal – kan volgen. Hier en daar moet je wel dingen opzoeken om beter te begrijpen waar Kaplan het over heeft. Het moge duidelijk zijn dat de auteur een bijzonder helder beeld heeft van hoe de wereld van nu in elkaar zit, hoe we hier zijn aanbeland en waar we naar op weg zijn. Dat maakt het erg interessant om zijn essays te lezen, want voor de meeste mensen zijn dit nu juist de onderwerpen die te groot zijn om überhaupt nog over na te kunnen denken.

Kille analyse

De nadruk op ratio en het wantrouwen jegens de emotie maakt in de meeste redeneringen wel veel zaken duidelijk, maar voelt wat vreemd. Soms moet je je over de afstandelijke manier waarop Kaplan over landen spreekt heen zetten. Natuurlijk, de wereldpolitiek is één groot spel met veel geëmotioneerde spelers. Maar die spelers als dusdanig neerzetten én aan de kant schuiven als een niet-rationeel onderdeel van een groter geheel, kan soms te ver gaan om nog prettig te voelen. Maar goed, dat is dan misschien ook precies de reden dan Kaplan zo’n befaamde politiek analist is; dát hij de wereld op deze manier kan bezien. Interessant is het sowieso, en leerzaam. Kaplan is kundig en komt met veel nieuwe informatie en boeiende zienswijzen. Deze bundeling essays schept helderheid in een complexe zaak die op veel manieren benaderd kan worden.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Schiedams Gebrand

recensie: Edgar Tytgat - Vlaamse meester

Volgens Vlaamse onderzoekers vertelt Edgar Tytgat (1879-1957) sprookjes. Maar de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam, die eerder in M – Museum Leuven te zien was en waar twee jaar voorbereidend onderzoek aan vooraf is gegaan, laat zien dat zijn werk ook de rafelranden van de maatschappij toont.

Neem alleen al de ondertitel van de catalogus, Herinnering aan een geliefd venster. Na de val uit een draaimolen, was dit venster voor het kind Edgar lange tijd diens enige uitzicht op de buitenwereld. Die buitenwereld was niet eenduidig, bleek later. En dat uitzicht leidde ook naar binnen, naar een fantasiewereld.
Ook kunsthistorisch was Tytgat wars van eenduidigheid, van ismen, al doet zijn eerste schilderij (Fantasie, marionetten en landschap uit 1912) nog zo sterk aan Ensor denken en zijn laatste (De dichter vindt zijn muze terug, 1956) aan Charlie Chaplin, die ook al te zien was op Tytgat en de wassenbeelden (1927). En dat is niet vreemd – beiden combineerden een wat kinderlijke stijl met de donkere kanten van de mens en het leven.

Edgard Tytgat, De vioolspeler, 1929, Mu.ZEE Oostende. Fotograaf Guy Braeckman

En natuurlijk herken je ook meteen het kinderlijke van de naïeve schilderkunst en het verhalende van Chagall; het museum afficheert Tytgat als de ‘Chagall van Vlaanderen’. Tytgat heeft Chagall overigens gekend. En inderdaad: de boom op Het mirakel van de heilige Dominicus (1942) lijkt op een bos bloemen op een schilderij van Chagall, maar de context is een geheel andere. De vioolspeler die veelvuldig door zowel Chagall als Tytgat wordt afgebeeld, is bij Tytgat bijvoorbeeld eerder een symbool voor verleiding.

Edgard-Tytgat-Inspiratie-1926-The-Phoebus-Foundation-Antwerpen

Dichotomie

Wat bijvoorbeeld niet over het hoofd kan en mag worden gezien, is de zelfspot en humor die Tytgat ook eigen zijn. Dat blijkt uit het doek Inspiratie (1926) dat een prominente plaats op de tentoonstelling kreeg. Hierop heeft Tytgat zijn vrouw Maria De Mesmaeker (‘Maria mon coeur’, zoals hij haar noemde) afgebeeld, die op een wolk, vergezeld door twee engeltjes, door het raam (!) komt binnenzeilen. Of is ze eerder uit het vliegtuig op de achtergrond gesprongen?

Die dichotomie, van het sprookjesachtige, paradijselijke en het dreigende, de rampspoed, komt op verschillende schilderijen terug. Bijvoorbeeld op Voorspel van een gebroken liefde (1932) waarop de paraplu symbool staat voor wat komen gaat. Een paraplu die, net als de viool, vaker voor komt bij Tytgat, zelfs op een schilderij van Jozef en Maria: Jozef met paraplu en Maria op klompen. Maar dat past geheel in de lijn van de Vlaamse schilderkunst, waar Bijbelse taferelen al vanaf de Vlaamse primitieven in het hier-en-nu werden geplaatst.

Edgard Tytgat, Le miracle de Saint Dominique, 1942, prive collectie. Fotografie Dieter Daemen

Traditie

Tytgat past in die traditie, meer dan in de moderne schilderkunst van zijn eigen tijd; een Picasso-achtig gezicht als op Boom van goed en kwaad (1946) is een zeldzaamheid.
Dat wil niet zeggen, dat hij soms geen opvallende draai aan een in de traditionele uiting wist te geven. Neem Het op zwier gaan van de drie heren (1938), een drieluik dat wel een heel andere lading kreeg dan een Bijbels tafereel … Ook al kan hier worden toegevoegd, dat er op de linker luiken vaak mensen uit de tijd waarin het drieluik ontstond opduiken.

Edgard Tytgat, Euphrasie poseert voor de eerste maal, 1941, copyright Dieter Daemen

Scabreus, dat was zijn werk tenslotte ook. Dat blijkt uit de aquarellen Huit dames et un monastaire, een boek dat hij in 1941-1947 maakte en waarvan de bladen in een vitrine liggen. En wat je er ook verder van vindt, kunsthistorisch, inhoudelijk: een van de topstukken is het Monetachtige Euphrasie poseerde voor de eerste maal (1941), een dun geschilderd, schitterend doek dat de mooie en omvangrijke expositie in Schiedam afsluit. Negentieneenenveertig? Ja, de tentoonstelling – de eerste grote overzichtstentoonstelling van Tytgat in Nederland – is thematisch en niet chronologisch opgebouwd, en dat geeft prachtige doorkijkjes. Je zou het ‘Schiedams Gebrand’ kunnen noemen, als de koffie in het museumcafé – dank zij de voorliefde van museumdirecteur Deirdre Carasso kwam deze door de Vlaamse conservatoren Peter Carpreau en Gust Van den Berghe samengestelde tentoonstelling naar Nederland. En dat is mooi.

 

 

Reageer op dit artikel

Kunst / Reportage
special: Rendez-vous met Frans Hals

TRADITIE EN TOEKOMST

Het Frans Hals Museum in Haarlem is wat dwars: op de bewegwijzering in de stad en op het logo staat het woord ‘Museum’ op z’n kop. Beide helften (Frans Hals en Museum) hebben een andere kleur. Dat wijst naar het feit dat het Frans Hals Museum en Museum De Hallen zijn gefuseerd en verder gaan als één museum met twee vestigingen: HOF (Groot Heiligland) en HAL (Grote Markt). In beide is momenteel een op elkaar aansluitende ‘fusiontentoonstelling’ te zien.

Fusiontentoonstelling

Dat wil zeggen dat er twee ‘soorten’ kunst  te zien zijn, die met elkaar in gesprek gaan: van oude meesters en hedendaagse kunstenaars. ‘Nieuwe interpretaties van bestaande kunstwerken’ van onder meer ‘huismeester’ Frans Hals, zegt directeur Ann Demeester op de inleidende video in de vestiging die nu HOF heet. Anders kijken, meer zien – dat is haar boodschap met deze tentoonstelling die ze trans-historisch noemt.

Meer dan dertig kunstenaars en kunsthistorici zijn ‘gekoppeld’, zoals we dat ook van tentoonstellingen in het Bijbels Museum in het Amsterdamse Cromhouthuis kennen van theologen en kunstenaars. Kunsthistorici en theologen kijken op een meer subjectieve manier naar collecties. Dat is een manier van kijken, die kunsthandelaar en kunsthistoricus Jan Six onlangs ook benoemde, wat terloops en zachtjes, maar toch. Hij deed dat toen hij het aan Rembrandt toegeschreven Portret van een jongeman (tot en met 15 juni a.s. in de Amsterdamse Hermitage) aan het publiek toonde.

HOF

Six wees daarbij op de manier waarop het gezicht van de jongeman op hem overkomt, de Tsjechisch-Nederlandse kunstenaar Tomas Rajlich kijkt naar wat het groen/geel op de zijluiken van een altaarstuk van de Meester van Alkmaar met hem doet en zet het om op zijn doek dat ernaast hangt. Daarmee zijn het schilderen zelf en de materie van de verf tot thema geworden, net als bij het zwart van Hals’ Regenten van het Oudemannenhuis op Ad Reinhardts overweldigende Abstract painting. Kijk en zoek de verschillen!

Prachtig zijn de acht foto’s van de Canadese Nana Katchadourian, die werden gekozen door kunsthistoricus en schrijfster Gerdien Verschoor. Zij hangen tegenover Hals’ Portret van een vrouw met handschoenen. Via een koptelefoon, die overal op beide tentoonstellingen zijn te vinden, hoor je een mooi verhaal van Verschoor, als was ze Maurizio Canari XXIII, een handschoenenmaker in Venetië. Het gaat over ‘handschoenen die een vrouw voortbrengen (…). Zwijgende handschoenen’. Kijken is zo ook onthaasten.

Soms komt de overeenkomst gezocht over, maar dan weer heel subtiel: de Bulgaarse kunstenaar Nedko Solakov hing bijvoorbeeld het echtpaar Vos van Joh. Corn. Verspronck alleen maar met de rug in plaats van het gezicht naar elkaar en voegde met viltstift een tekst eronder toe.

Jasper Hagenaar: Compositie nr 2 (naar Frans Hals)

Een enkele keer is de overeenkomst gevonden in het formaat, de vorm en ordening van een doek, zoals Jasper Hagenaar de schutterstukken van Hals én het stilleven met witte schaal en citroen van Kees Verwey tot uitgangspunt nam, wat leidde tot prachtige werken. Wie Hagenaar, en overigens alle kunstenaars zijn, daar kom je, als je het al niet weet, niet achter – de werken lijken voor zichzelf te moeten spreken.

Frans Hals, portret van Cornelia Vooght, 1631

Wat intellectualistisch tenslotte zijn wat HOF betreft de bijdragen van curator Norbert Middelkoop en schrijver/fotograaf Hans Aarsman. Middelkoop ging na welke Amsterdamse schilderijen Hals geïnspireerd zouden kunnen hebben voor zijn groepsportretten van de regentessen van het St. Elisabeths Gasthuis, tegenover HOF. Aarsman keek samen met Roy Villevoye naar allerlei uitingen van mogelijke ziekten op oude schilderijen. Zo duidden zij de rood/paarse verkleuring op een portret van Cornelia Vooght als het gevolg van huiselijk geweld. Zo wordt de tentoonstelling in HOF opeens ook weer tijdgebonden, passend in de tijd van #metoo.

HAL

Koos Breukel: Armand, Amsterdam 2015

In HAL, wat voorheen De Hallen op de Grote Markt heette, gaat de expositie min of meer op dezelfde voet verder, met dit verschil dat er geen originele doeken te zien zijn. De fotograaf Koos Breukel ensceneerde ontmoetingen tussen foto’s van hemzelf en reproducties van portretten van Hals. De donkere achtergrond, de eenvoudige lichtwerking en de aandacht voor huid en ogen van een persoon hebben de foto’s gemeen met Hals. Ook hier geldt: soms raak, soms wat gezocht.

Het gaat in HAL over zaken als toeschrijvingen, wat gezien de discussie over het eerder genoemde portret van Rembrandt actueel is. In een van de podcasts die als gezegd ook hier te vinden zijn, wordt ingegaan op een kopie van een zelfportret van Hals, dat rond 1750 geschilderd werd. Gesteld wordt dat het origineel nog wel eens zou kunnen opduiken, maar dat we tot zolang dit niet het geval is ons toch best iets daarbij kunnen voorstellen op de binnenkant van de ogen.

De Vlaamse kunstenaar Pieter Vermeersch richtte zich niet op kleurvlakken van in dit geval Hals, zoals Rajlich deed, maar op een détail: het puntje wit (de final touch) die op elke Hals voor komt. Hij bracht het in zijn Untitled aan als een puntje olieverf op marmer, een fascinerend werk.

Het trans-historische waar Ann Demeester het op de inleidende video over had, speelt een rol in Arnoud Hollemans Hommage, een film waarin een fictief museum valt te zien met oude- en moderne kunst, westerse- en niet-westerse kunst. Ook hier gaat het om kijken en nog eens kijken, maar ook om bekeken worden, waarbij Hollemans’ aandacht voor de huid van de voet van een van de bezoekers aan Hals’ aandacht voor de menselijke huid doet denken.

En zoals HOF aan het eind de focus leek te verleggen naar de #metoo-discussie, zo lijkt HAL op te roepen om de context van een en ander bij jezelf te zoeken. Bij het werk Tissues, tissues die werden gebruikt bij de restauratie van regentenportretten van Hals, legt de zaaltekst een associatie met de lijkwade van Turijn, terwijl ik aan de Dode Zeerollen moest denken en een bezoeker verwees naar de dichtgeplakte pagina’s van het Dagboek van Anne Frank die weer tevoorschijn zijn getoverd.

Over context gesproken: zo verbeeldde Kerry James Marshall uit Alabama een naakt, in de veronderstelling dat Hals dat geschilderd zou kunnen hebben: Nude (Spotlight). Iets waarvan John Berger meende dat hij dit nooit heeft gedaan. Niet des Hals, met het theatrale, harde licht dat rechtstreeks is gericht op de zwarte vrouw op een hagelwit laken. Maar die donkere achtergrond – ja dat is wel weer Hals.

Verbeelding en verbeelding, in de dubbele betekenis van het woord, dat vind je op deze experimentele dubbelexpositie waar soms nog wat naar het format wordt gezocht, maar waar ook veel werk van kunstenaars van naam valt te zien dat klinkt als een klok. Kijk en kijk nog eens, onthaast en wees dwars. Dan zie je inderdaad meer.

 

 

 

Reageer op dit artikel

Julian_Barnes_Enige_verhaal_Atlas_Contact
Boeken / Fictie

Het absolutisme van de liefde

recensie: Julian Barnes - Het enige verhaal
Julian_Barnes_Enige_verhaal_Atlas_Contact

Als er iemand is die de finesses in menselijke verhoudingen weet bloot te leggen, is het Julian Barnes. En dat in prachtige literatuur, waarmee hij keer op keer zijn lezerspubliek weet te overrompelen. In Het enige verhaal neemt Barnes ons mee in de onvoorwaardelijke liefde.

Een jonge man, negentien jaar oud, wordt verliefd op een dertig jaar oudere vrouw. Plaats van handeling: een slaperig gehucht onder de rook van Londen, in de jaren zestig van de vorige eeuw. Paul verliest zichzelf op de tennisbaan in de aantrekkelijke en vrijgevochten Susan. Hij leeft nog in de invloedssfeer van zijn zorgzame ouders, zij is vastgelopen in een gangbaar huwelijk met een overheersende man en twee puberende dochters.

Tot zover de feiten. Wat volgt is een uitvoerig relaas over een volstrekt authentieke liefdesgeschiedenis. Verteld door Paul, die op hoge leeftijd terugkijkt op deze bepalende periode uit zijn jonge leven. Julian Barnes doet zich voor als een eigentijdse archeoloog: laag voor laag neemt hij de aarde weg op zoek naar de beginselen én de overblijfselen van een oprechte liefde. En daar slaagt hij goed in, zijn vondsten zijn ontdekkingen die hij verwoordt in een proza dat zowel intens is als een zekere afstandelijkheid in zich heeft.

Drie vertelvormen

De geliefden vinden moeizaam hun weg in de bekrompenheid van het Engelse dorpsleven. Ze ontwikkelen een manier van omgang die voor buitenstaanders moet lijken op een zakelijke of vriendschappelijke verhouding. Susan is doortastend maar tegelijkertijd voorzichtig. Haar hevige gevoelens voor Paul worden wat afgevlakt door de vele ballen die ze in de lucht dient te houden als echtgenote en moeder. Paul is onbezonnen romantisch, heeft een glasheldere toekomst voor ogen en is vooral bezig zich te verzetten tegen het volwassen (lees: ouderlijke) establishment.

Barnes heeft een magistrale aanpak gehanteerd. Hij laat Paul het eerste gedeelte van Het enige verhaal, als de liefde in ontwikkeling is, geheel in de ik-vorm vertellen. Alsof we in Pauls hoofd zitten en zijn hartstochtelijke gedachtestroom vanaf het eerste moment mee kunnen voelen. Alles moet wijken voor de ultieme liefde, Paul neemt met minder geen genoegen. In het tweede deel zijn de geliefden samen gaan wonen in een huurhuis in Londen en begint de verhouding een andere vorm aan te nemen. De schrijver kiest hier gaandeweg voor de tweede persoon enkelvoud en laat Paul naar zichzelf kijken in de wat meer beschouwende jij-vorm. Het tekent de afstand die in de relatie sluipt, maar verwoordt tegelijkertijd de vasthoudendheid van Paul om nog steeds met Susan de hemel te bestormen. De optredende ruis wordt weggeredeneerd in de verwachting dat alles alleen maar beter zal worden.

Lijden en redden

Het derde en laatste deel van Het enige verhaal wordt hoofdzakelijk in de derde persoon geschreven. Barnes presenteert een uitgebreid retrospectief over de teloorgang van de verhouding. Niet van de liefde, die blijft voor Paul overeind staan. Als Susan steeds verder wegdrijft in de alcohol en haar overtuiging – én haar geheugen – langzamerhand verliest, probeert hij te redden wat er te redden valt. Dat is wat hijzelf het absolutisme van de liefde noemt: ondanks alles geen verwijdering, geen afsluiting. ‘De dood is de enige vorm van afsluiting waarin ik geloof, en de wond blijft open tot dat dichtslaan van de deur.’

Opvallend is dat de schrijver geen enkele gepassioneerdheid tussen de geliefden laat zien. Er wordt wat gezoend en omhelsd, met hier en daar een vage toespeling op seks, maar geen onstuimige scènes waar de vonken van af vliegen. Dat duwt de lezer al snel in de richting van het dramatische einde dat Barnes vanaf het begin voor ogen heeft. Het lijden van de jonge Paul wordt door hem op een doortimmerde, haast wetenschappelijke manier op papier gezet. De vaste overtuiging dat deze liefde tot in eeuwigheid zal duren wordt langzaam ondermijnd door de rauwe werkelijkheid van het bestaan. En dan is het maar de vraag of de terugblik van Paul werkelijk het enige verhaal is.

Reageer op dit artikel

Rineke Dijkstra - Vondelpark 2005
Kunst / Expo binnenland

Oog in oog met de tijd

recensie: Rineke Dijkstra - overzichtstentoonstelling
Rineke Dijkstra - Vondelpark 2005

Na een indrukwekkend 25-jarig jubileum in 2017 trekt De Pont opnieuw de aandacht met een retrospectief van de Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra. Met deze overzichtstentoonstelling geeft het museum een gedegen, breed overzicht van haar werk.

Rineke Dijkstra is zo bekend dat ze bijna geen uitleg behoeft. Althans, dat is de insteek van het museum. Zoals we gewend zijn van De Pont zijn de zalen gevuld met kunst, maar blijft de bemiddeling beperkt tot enkele wandteksten. Bij binnenkomst is het daarom even zoeken naar het begin van de tentoonstelling, want deze deelt deels de ruimte met de eigen collectie. Het portret van een jong meisje net voorbij de kassa blijkt de start. Ze staat frontaal afgebeeld op een leeg strand, haar houding is afwachtend. Door de flits komt ze een beetje los van de achtergrond. Met indringende blik kijkt ze je aan. ‘Schiet eens op,’ lijkt ze te willen zeggen, ‘waar wachten jullie nog op?’ Het is een van de strandportretten waarmee de fotografe 20 jaar geleden internationaal doorbrak tijdens de Biënnale van Venetië.

Oog in oog

Rineke_Dijkstra-De-Pont_Tilburg

Rineke Dijkstra, Kolobrzeg, Poland, July 26, 1992.
Courtesy the Artist and Marian Goodman Gallery, New York, Paris and London; Galerie Max Hetzler, Berlin and Paris and Jan Mot, Bruxelles.

De eerste zaal van de tentoonstelling is gevuld met soortgelijke portretten, die ons net als het meisje van het begin bijna allemaal strak aankijken. Die specifieke, afwachtende blik zien we in deze zaal vaker terug, want Dijkstra werkt heel bewust met een trage, analoge, platencamera. Maar hoewel ze langzaam te werk gaat, weet ze toch altijd precies het juiste moment te vangen. Tijd is hier ook een meespelend element voor de kijker, want hoe langer je kijkt naar de schuchtere tieners, hoe meer vragen deze bij je oproepen. Wat is er hier eigenlijk precies te zien? Wat gaat er in de geportretteerde kinderen om?

De pubers zijn bewust vastgelegd met zo min mogelijk informatie om hen heen. Dankzij welbekende portretten uit de schilderkunst zijn we gewend om er allerlei tekens en attributen in tegen te komen die ons iets vertellen over de identiteit van de geportretteerde. Het ontbreken hiervan zorgt voor spanning: je zoekt naar herkenning, maar je weet te weinig. De betekenis van deze beelden ligt daarom helemaal bij de kijker: je bepaalt zelf wat je erin ziet.

Verderop draait Dijkstra dit concept om: in de portretten van broers en zussen die ze in hun eigen huis fotografeerde, is het juist de achtergrond die betekenis geeft aan de foto’s. Het zijn stuk voor stuk portretten van kinderen in volwassen ruimtes. In soms kille, decadente huiskamers laat de fotografe zien hoe de omgeving onze interpretatie van het beeld bepaalt, maar ook hoe bepalend ieders omgeving is voor diens ontwikkeling.

Tijd en transformatie

Rineke_Dijkstra_de_pont_Tilburg

Rineke Dijkstra, Sasha and Marianna, Kingisepp, Russia, November 2, 2014.
Courtesy the Artist and Marian Goodman Gallery, New York, Paris and London; Galerie Max Hetzler, Berlin and Paris and Jan Mot, Bruxelles.

De tentoonstelling gaat door in de nieuwbouw van het museum. Hier hangen bijvoorbeeld de recente drieluiken waarin de fotografe een drietal jonge vrouwen op verschillende momenten in hun leven heeft vastgelegd. Toch zijn het de vroege series die de meeste aandacht opeisen, want hierin zien we pas echt hoe de tijd het unieke vermogen heeft om ons te transformeren. In de lange serie over de uit Bosnië gevluchte Almerisa wordt zichtbaar hoe zij van klein meisje opgroeit tot zelfverzekerde vrouw en uiteindelijk ook zelf kinderen krijgt. Met deze reeks portretten laat Dijkstra iets zien dat normaal niet zichtbaar is: het verstrijken van de tijd.

Met deze tentoonstelling presenteert De Pont een volwaardig overzicht van de carrière van een fotografe met het unieke talent om je oog in oog met het vluchtige verstrijken van de tijd te laten staan. Haar portretten bevinden zich op de flinterdunne grens tussen het persoonlijke en het universele. De absolute focus die het museum op de kunstwerken legt en niet op de informatie eromheen, houdt misschien geen rekening met de behoeftes van verschillende soorten bezoekers, maar dit is bij deze tentoonstelling geen enkel probleem. De beelden spreken hierdoor wel echt voor zichzelf. Zo is er niets dat afleidt van de indringende foto’s in deze tentoonstelling.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Identiteit in lichaamstaal

recensie: Identity Unraveled

Alle menselijke waarden houden verband met identiteit. En identiteit is vervolgens weer gelinkt aan een allesbepalende lichamelijkheid. In de beeldende kunst wordt doorlopend gezocht naar uitdrukkingsvormen om die verbintenis te visualiseren. De mens is het meest dankbare onderwerp, maar blijkt niet voor één gat te vangen te zijn.

De jonge expositieruimte Salon Salon, in het Rotterdamse Industriegebouw, toont in haar tweede tentoonstelling – Identity Unraveled – een reeks kunstwerken die stuk voor stuk een bijzondere ‘condition humaine’ laten zien. De verstilde atmosfeer houdt het midden tussen een gemankeerde schoonheid en een macabere freakshow. In de perfectie van de geselecteerde werken, de uitgekiende composities én de totale inrichting van de tentoonstelling is duidelijk de vormgevende hand van de initiatiefnemers (ontwerpbureau Studio Beige) te herkennen. De som der delen draagt bij aan een kijkervaring die op zijn minst avontuurlijk is te noemen. Een avontuur in vervormde menselijkheid.

Zachtaardig en afschrikwekkend

Salon Salon - Schilte-Portielje-

Schilte & Portielje, 11-B1 (2011), courtesy of the artist & Kahmann Gallery Amsterdam

Een groot deel van de open galerieruimte wordt ingenomen door Nu Couché van Madeleine Berkhemer (foto boven). Een bizar spinnenweb, ter plekke geconstrueerd uit stukgetrokken panty’s, lijkt te zweven onder het plafond, maar is op veel plaatsen vastgeknoopt aan alle uitsteeksels die maar voorhanden waren. Het geheel is tot een letterlijk spanningsveld uiteengetrokken, in het centrum bijeengehouden door een aantal spiegelbollen. Zachtaardig en afschrikwekkend tegelijk: in de context van deze tentoonstelling is dit de verbeelding van een seksualiteit die bij vrijwel alle andere kunstwerken juist in het verborgene blijft. Materiaal, constructie en uitvoering vormen een prachtige metafoor voor het fragiele spel van aantrekken en afstoten in menselijke verhoudingen.

Dat verborgene is overal voelbaar in deze show. Onder Berkhemers transparante hemel ligt een wereld die de geslotenheid heeft omarmd. Schilte & Portielje tonen hun duistere samengestelde personages; gefragmenteerde vrouwfiguren die in onderdelen tot leven zijn gekomen in grote fotocomposities. Hier worden verhalen verteld die niet voor de openbaarheid zijn bestemd. De raadselachtige uitstraling heeft iets van een sprookje, ondersteund door de ijzige verstilling van het perfect gemonteerde beeld. Op de rug gezien missen deze ‘wezens’ een gezichtsuitdrukking, een herkenbare emotie, wat de wonderlijke sfeer alleen nog maar verhoogt.

Geknevelde geheimzinnigheid

salon salon - Van Beek

Ruth van Beek, Untitled #2 (de Moeders) (2014), courtesy of the artist & The Ravestijn Gallery Amsterdam

Ook de Duitse kunstenaar Frank Rheinboldt stelt zijn werken samen tot uiteindelijk een nieuwe creatie ontstaat. De gebruikte fotografie is slechts grondstof voor verdere verwerking; bestaande beelden worden in onderdelen gescheiden en op doordachte wijze opnieuw tot leven gewekt. Er wordt geschoven en gedraaid, gelijmd en met nietjes samengebracht. Rheinboldt is een virtuoos schepper van een geconstrueerde menselijkheid: op zoek naar de uiterste grenzen tussen abstractie en herkenbaarheid, maar altijd doordrongen van de kracht van de uiteindelijke compositie.

In de teruggetrokken wereld van Ruth van Beek is geen plaats voor een uitgebalanceerde vlakverdeling. De gelaagde beelden zijn centraal opgebouwd, met een kenmerkende stofuitdrukking maar verder als volledig onherkenbare vorm. Door de opvallende aaibaarheid en het subtiele kleurgebruik lijken de werken op het eerste gezicht toegankelijk te zijn. Toch is er sprake van een mysterieus achterliggend gebeuren, iets wat onzichtbaar dient te blijven. Hier en daar bevestigt de kunstenaar die verwachting door een klein detail in de kantlijn te tonen. Het is die simpele handreiking die de kunst van Ruth van Beek zo bijzonder maakt, eenvoud en fijngevoeligheid met de suspence van een verborgen achtergrond.

In tegenstelling tot wat de titel Identity Unraveled weergeeft, heeft deze opmerkelijke expositie niets van doen met het ontrafelen of onthullen van een verborgen identiteit. De werken tonen juist allemaal een gemaskeerde uitdrukking van de menselijke verschijning, die door vrijwel alle deelnemende kunstenaars wordt vertaald in een vervormde, haast geknevelde geheimzinnigheid. En niets is de mens vreemd: seksualiteit ligt dan vanzelfsprekend op de loer. Niet als lieflijke samensmelting van lichamen, maar juist als verontrustende beweging in het duister van onze rijke verbeelding.

Reageer op dit artikel

Valentine
Muziek / Interview
special: Interview Robby Valentine
Valentine

Robby Valentine over gevoel, tegenslag, inspiratie en optreden.

We zitten in de thuisstudio van Robby Valentine. Een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk met de familieauto voor de deur. Beneden leert zijn dochter van zes breien. In een vitrinekast staan beeldjes van Queen en aan de muur hangt een iconische gitaar met het Love Symbol van Prince “Ken je ‘Let it go’ van de film Frozen,” vraag ik en hij lacht.

Robby: “Eigenlijk is het uit nood geboren dat ik zelf opneem. In Wisseloord was ik drieduizend gulden per dag kwijt, dat telt flink door als je er een maand zit. Ik had thuis met 16 sporen demo’s gemaakt die beter klonken. Toen dacht ik: dit ga ik niet meer doen. Voor mijn derde plaat had ik in 1995 een goede deal in Japan en ben ik direct mooie spullen gaan kopen. In basis staat hier nog dezelfde studio. Die mengtafel valt wel bijna uit elkaar van ellende, ik ben blij dat hij het tot het laatste nummer van de nieuwe plaat heeft volgehouden.”

“Ik voel me meer mezelf dan in een joggingoutfit”

Robby Valentine Fotosessie The Alliance

Foto: Hans van Eijsden

Het contrast tussen de uitstraling van Robby Valentine op het podium (waarbij windkanonnen, lange haren en make-up een grote rol spelen) en de eerder wat introverte man die voor me zit, is groot. Ik vraag me af of hij zich anders voelt als hij de kleding van Valentine aandoet: “Ik voel me eigenlijk meer mezelf als ik met de muziek bezig ben, dan als ik bijvoorbeeld in mijn joggingoutfit op straat loop. Dat vind ik veel minder ik.”

Het valt me op dat Robby Valentine zich in bijna alles laat leiden door zijn gevoel. Of hij het nu heeft over de keuze voor de school voor zijn dochter of als hij praat hoe hij inspiratie krijgt voor zijn muziek. Het gezin woonde in Almere: “Ik was geen zwever, en daar ben ik het een beetje geworden. Als je inspiratie zoekt dan roep je het goddelijke aan, maar het leek wel of dat daar helemaal was afgesloten.”

“Je bent hartstikke bezorgd. Dan keer je naar binnen.”

De inspiratie kwam na de verhuizing naar West-Friesland waar het noodlot toesloeg. Zijn ene oog was al aangetast door glaucoom waardoor hij door een koker kijkt. Zijn andere oog kreeg met een aantal infecties te maken waardoor er littekenweefsel ontstond en hij enkel licht en donker kan onderscheiden. “Ik heb er aan moeten wennen, autorijden kan niet meer. Ik prijs me gelukkig dat ik in ieder geval nog wat kan zien. Voordeel is wel, de jaren ervoor kwam er geen fatsoenlijk idee uit. Tijdens die oogontsteking lag ik de hele dag op bed en was ik ook echt ziek. Je probeert je koest te houden, maar eigenlijk ben je hartstikke bezorgd. Dan keer je naar binnen en ineens had ik de helft van de nieuwe plaat in mijn hoofd zitten.”

Hoewel hij met enige regelmaat een platendeal krijgt en daarmee ook zijn platen regulier op de markt verschijnen, is Valentine volledig onafhankelijk in zijn werk. Hij neemt zijn platen in eigen beheer op en brengt ze zelf uit. “Ik sluit nooit compromissen. Ik wil muziek maken zoals ik voel dat het moet zijn, totaal niet berekenend. Maar bij platenmaatschappijen, was er altijd wel iets. Het begon met mijn imago. Daar moest over geouwehoerd worden, dat was een continue strijd. Ik werd er erg ongelukkig van. Ik denk ook dat grote bedrijven waar ook ter wereld het tegenovergestelde zijn van creatieve geesten. Je werk wordt dan business. Hoe kan je als creatief en artistiek persoon in godsnaam een product zijn? Je ziet ook veel wereldsterren waarvan ik me afvraag of ze in de greep van de commercie gelukkig zijn. Ze worden helemaal uitgewrongen.“

“Gaaf gevoel als iedereen meeblèrd”

Voor die nieuwe plaat The Alliance loopt een succesvolle crowdfundingcampagne en langzaam licht Valentine tipjes van de sluier op. “Heel veel nummers hebben een hoog meezinggehalte. Er zitten veel unisono-koren in, waardoor ik met die nummers een eenheid kan worden met het publiek. Bij het nummer ‘Black Rain’ vind ik het zo’n gaaf gevoel als iedereen meeblèrd. Dat vind ik het mooiste aan muziek, dat je een eenheid wordt met het publiek.”

Robby Valentine Fotosessie The Alliance

Foto: Hans van Eijsden

Valentine (inmiddels 49) lijkt met de nieuwe plaat meer dan ooit voor een eigen weg te kiezen waarbij hij melodieën met Turkse invloeden heeft toegevoegd. “Vroeger was ik beledigd als ze constant zeiden dat het te veel op Queen leek, terwijl Queen eigenlijk weer op The Sweet lijkt. Nu denk ik: ik vind het mooi, flikker op, ik maak gewoon wat ik mooi vind.”

Ondanks dat hij een perfectionist in de studio is, houdt hij het meest van optreden. “Het moment dat je alles gemixt hebt en het precies is zoals je het wilde, dat is het mooiste gevoel. Maar dat duurt maar even en daarna wordt het gevoel alleen maar minder. Er gaat niets op tegen het gevoel om met de band te spelen. Ik wil het dan wel zo goed mogelijk spelen, zoals het op de plaat klinkt. Met mijn huidige band kan dat. Ik stuur ze de nummers op en ze repeteren thuis. Gelukkig zijn ze nog meer perfectionistisch dan ik. Meestal hoeven we niet te repeteren en is een soundcheck genoeg.“

Tot slot vraag ik hem wat er van hem was geworden hij geen muzikant zou zijn. Hij lacht: “Toevallig keek ik net naar een interview met Prince waarin hem dezelfde vraag werd gesteld en hij gaf hetzelfde antwoord. Omdat ik niets anders leuk vind heb ik alles op alles gezet om muzikant te worden. Bij hem is het goed gelukt, en ach, ik kan er ook nog altijd van leven.”

 

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Compromisloos pleidooi van vier sterke vrouwen

recensie: ROSE stories / Daria Bukvić - Melk en Dadels

Ze zijn Nederlands, ze zijn Marokkaans, maar bovenal vier unieke mensen. Soumaya Ahouaoui, Kyra Bououargane, Fadua el Akchaoui en Khadija el Kharraz Alami laten zich door niets of niemand in hokjes stoppen. Met humor, liefde en woede vertellen ze over hun leven in twee culturen.

Melk en Dadels is van origine een kookboek. Een kijkje in de keukens van 20 Marokkaanse moeders, die hun favoriete recepten bespreken met hun kinderen. Zij, de moeders, behoren tot de eerste generatie die een nieuw leven in Nederland hebben opgebouwd. Hun dochters en zonen zijn groot geworden met de Nederlandse én Marokkaanse cultuur, in een land dat hen nog steeds reduceert tot stereotype. In de handen van schrijver Tofik Dibi en regisseuse Daria Bukvić wordt Melk en Dadels het relaas van de dochters: vier sterke vrouwen die het podium claimen om hun eigen verhaal te vertellen.

Supermarokkaan

Ahouaoui, Bououargane, El Akchaoui en el Kharraz Alami hebben de energie van een cabaretier. In sneltreinvaart leren ze ons over de verschillende soorten Marokkanen. Zo is er de Gucci-gang Marokkaan met de nodige bling bling, de insjallah-Marokkaan, de verkaaste Marokkaan en zelfs de onopvallende Marokkaan die letterlijk verdwijnt in het decor. Als er iets gedaan wordt wat not done is – een Mac-menu dat niet halal is, een voorzichtige flirt met een jongen – verschijnt Supermarokkaan die als streng geweten de actrices op het rechte pad houdt.

Whitesplaining

Keer op keer volgt er een bulderlach uit de zaal. Aan alles voel je dat hier een gevoelige snaar wordt geraakt. Ik bevind me in een overwegend Marokkaans publiek, en voel de herkenning en opluchting. Niet alleen bij de passages over de Marokkaanse cultuur en gewoontes, maar ook bij de uitsluiting in de Nederlandse cultuur die de vier vrouwen ervaren hebben. El Akchaoui vertelt over de talloze figuren in haar jeugd die haar racistisch behandeld hebben. Een passage waar discriminatie wordt aangekaart, wordt direct neergesabeld met de gebruikelijke verweren: de dader maakt van zichzelf een slachtoffer, en van het slachtoffer een zeurpiet. Als el Kharraz Alami als actrice in een DWDD-achtig programma verschijnt, wordt ze onmiddellijk geframed. Een Marokkaanse vrouw die de hoofdrol speelt in een film, wat een prestatie! Maar waarom toch die felle reactie op de presentator, vraagt de tafeldame zich af. Op treffende wijze steekt Bukvić de draak met whitesplaining in de Nederlandse media.

Patriarchale druk

Daarnaast worden de pijlen gericht op de patriarchale druk waar de performers mee te maken hebben. Zo vertellen ze ons over de mannen in hun leven die hen zonder scrupules ‘hoer’ hebben genoemd, en de vernederende impact die dat woord op hen heeft gehad. Als Ahouaoui herhaalt hoe mooi de liefde in de Marokkaanse gemeenschap is, blijkt dat de ware liefde wel erg benauwd is. Homoseksuelen, transgenders en mensen met een ander geloof of een andere afkomst vallen allemaal af. Daar moeten de andere actrices niets van hebben, en beginnen elkaar uit protest te zoenen. Ze bepalen zelf wel wie ze liefhebben.

Rechtse hoek

Soumaya Ahouaoui, Kyra Bououargane, Fadua el Akchaoui en Khadija el Kharraz Alami zijn meer dan een optelsom van hun Nederlandse- en Marokkaanse identiteit. Ze zijn gevormd door hun dubbele afkomst, maar bepalen zelf wat ze wel of niet met hun leven doen. Dat is uiteindelijk het belangrijkste inzicht dat Melk en Dadels geeft. Daria Bukvić weet deze voorstelling precies de energie te geven die het nodig heeft: het is een feestje, maar wel een die een rechtse hoek uitdeelt als je het niet verwacht. Dan staat Bououargane of el Kharraz Alami op en geeft een vurig pleidooi om hen in alle facetten te zien. Om hen niet alleen als Nederlander of Marokkaan te zien, maar als unieke mensen.

Reageer op dit artikel

Cristina Branco @ TivoliVredenburg
Muziek / Concert

De bijtijdse Fado van Cristina Branco

recensie: Cristiana Branco @ Tivoli Vredenburg te Utrecht
Cristina Branco @ TivoliVredenburg

Cristina Branco sluit haar Nederlandse tournee af met een topoptreden in Tivoli Vredenburg, Utrecht. Deze tour bracht haar vanaf 5 april in totaal naar elf zalen in ons land met een kleine onderbreking op 14 april voor een optreden in Antwerpen.

De Portugese zangeres beleefde haar hoogtijdagen toen ze haar album met teksten van Slauerhoff in 2000 uitbracht. Haar fanschare is haar ook achttien jaar later niet vergeten en heeft haar evenmin in de steek gelaten. Sommige zalen zijn wellicht wat kleiner geworden.

Uitleg

Cristina Branco 2

Fado is normaal gesproken een uiterst traditioneel genre waarin vaak oudere liederen vertolkt worden. Bij Cristina kunnen we op haar nieuwste album Branco  ook spreken van vernieuwing. Ze werkt op haar vijftiende album samen met songschrijvers die voor fado-begrippen jong zijn, maar hebben in Portugal wel hun sporen verdiend. Veel van deze nieuwe liedjes van het album worden tijdens het concert ten gehore gebracht. Het is een concert waar Branco in dezelfde bezetting speelt als op het album. Op Portugese gitaar horen we Bernardo Couto, op akoestische bas Bernardo Moreira en op toetsen Luis Figueiredo. Volgens de toelichting van Branco ademen deze drie mannen als het ware mee met de zang van de zangeres. Ze zijn een echt team, legt ze uit.

Het concert kent geen voorprogramma. Voordat het optreden om kwart over acht begint, wordt ons verteld dat het om half tien zal eindigen. Ons staat dus zo’n vijfenzeventig minuten kwaliteitsmuziek te wachten. Branco licht tijdens het concert een aantal liederen toe. Dat is fijn voor degenen die de taal niet machtig zijn. Ze vertelt dat de albumtitel Branco niet simpelweg haar achternaam is, maar dat het woord branco in het Portugees blank/wit betekent. In haar ogen is blank/wit licht een samensmelting van alle kleuren licht. Die samenstelling is daarmee ook een weergave van de diversiteit van haar fans die nu de zalen weer vult.

Niet alleen trieste liedjes

Het concert wordt geopend door de drie begeleiders die met voetgestamp, getik en getap – waarbij alleen de voeten begelicht worden – het eerste lied ‘Perto’ inzetten. Na de inzet van Branco wordt dit gevolgd door ‘Às vezes dou por mim’. Na deze eerste paar wat oudere liederen wordt het openingsnummer van het nieuwe album gespeeld. ‘Este corpo’ krijgt tijdens dit concert een schitterende uitvoering.

Cristina Branco 1Als Cristina Branco een ding helder maakt, is het wel dat Fado niet alleen uit trieste liedjes bestaat. Integendeel, het zijn soms zelfs vrolijke liedjes. Zoals veel nummers gaan ze vaak over de liefde. En in de liefde gaat het ook niet altijd goed, wat weergegeven wordt in Fado. Dit laat ze zien bij de uitleg van ‘Aula de nacaao’, waarbij ze speelgoedeendjes gebruikt om een verhaal te vertellen van aanvankelijk gelukkige eendjes die gaan scheiden, omdat er een ander in het spel is. Een speciaal moment is weggelegd voor een lied waarin een compleet spectrum van oerwoudgeluiden nagebootst wordt met kloppen, tikken en vogelgeluiden door haar begeleiders. Zo wordt een bijzondere sfeer geschapen.

Om één klassieker kan Branco niet heen en dat is een lied van Amalia Rodriguez. Ze vertolkt haar versie van ‘Agua e mel’ met verve. Op het moment dat ze haar toegift wil inzetten roept iemand uit het publiek om een heel oud liedje, het eerste liedje dat speciaal voor Branco werd geschreven. Ze geeft gehoor aan dit verzoek en breidt zo haar setlist uit met een extra lied. Na ruim negentig minuten zonder pauze komt er uiteindelijk toch een wervelend einde aan een fantastisch concert dat nog zeker blijft naklinken in je hoofd.

Reageer op dit artikel