Berichten

Theater / Voorstelling

Huize Usher kraakt nog niet

recensie: Opera2Day - The Fall of the House of Usher

Alsof regisseur Serge van Veggel zelf niet helemaal gelooft dat Philip Glass’ opera The Fall of the House of Usher op zichzelf sterk genoeg is, vult hij het werk in de OPERA2DAY-voorstelling Opera Melancholica aan met een uitvoerige introductie. Dat pakt niet in het voordeel van de opera uit: de vrolijke relativering ondermijnt de dramatiek van de voorstelling.

Het huis Usher staat op het punt van instorten, letterlijk en figuurlijk. Het eens zo beroemde geslacht Usher, waarvan Roderick en Madeline de laatste telgen zijn, gaat ten onder aan de eigen melancholie. Die zwaarmoedigheid heeft zich geëxternaliseerd: ook het grote landhuis gaat ten onder aan zijn eigen gewicht. Kort gezegd is dit het plot van het verhaal The Fall of the House of Usher van Edgar Allan Poe, een van de beroemdste korte verhalen uit de Amerikaanse literatuur. Veel van Poe’s stijlkenmerken komen erin samen. Zo worden mensen levend begraven, is de locatie een personage op zich en rest uiteindelijk de vraag wie er nou werkelijk aan waanbeelden lijdt: Roderick Usher of de verteller zelf. Philip Glass zette het verhaal in 1988 op muziek en deze opera dient op zijn beurt als basis voor de voorstelling Opera Melancholica van OPERA2DAY, geregisseerd door oprichter Serge van Veggel.

Ontoereikend idioom

Geluid speelt een belangrijke rol in Poe’s werk en dit maakt zijn oeuvre ideaal om te verklanken. Philip Glass is echter nogal stijlvast en wijkt op geen moment af van zijn geijkte idioom van gebroken akkoorden en wisselende patronen. Voor sommige momenten van het verhaal komt dit goed van pas: Roderick Usher kan geen andere klanken meer verdragen dan die van snaarinstrumenten en speelt daarom gitaar. Ook klinkt er een mierzoete speeldoos, waardoor Usher vervuld wordt van weemoed. Maar juist het zuchten en steunen van het huis, het waaien van de wind en het gedonder, dat zijn elementen die moeilijk zijn te vangen in Glass’ klankwereld. Hierdoor voelt de wereld rondom huize Usher gedistantieerd aan.

Los van de kritiek op de compositie zelf, is de uitvoering goed. De drie solisten (waarvan een in de orkestbak) zingen met een ingetogen dramatiek. Het New European Ensemble, onder leiding van Carlo Boccadore (hij was bij de première van deze opera) weten de muziek van Glass overtuigend over te brengen. Het podiumbeeld is mooi, met een enorme schedel en een vloer met opspattend water, al zou er in het middendeel iets meer mogen gebeuren. Madeline, gechoreografeerd door Ed Wubbe, danst op de vulkaan en benadrukt zo het verval van het geslacht Usher. Toch komt dit alles niet aan. Dat ligt niet alleen aan de muziek, maar voor een groot deel aan de omlijsting.

Relativering

Glass’ opera is relatief kort en blijkbaar voelde Van Veggel de noodzaak om deze daarom aan te vullen met een uitgebreid voorprogramma. Bij binnenkomst van het theater wordt al muziek van Glass gespeeld en spreken scholieren hun gedachten uit over het fenomeen melancholie. Vervolgens neemt een man in doktersjas (Rene M. Broeders) het woord: we zijn hier in het anatomisch theater van de menselijke psyche.

Weldra zullen wij het brein van Roderick Usher ontleden in een folie a mille, een gedeelde psychische stoornis tussen Usher en het publiek. De dokter legt het een en ander uit over melancholie, ooit beschouwd als een overschot aan zwarte gal en volgens Freud iemands verdriet over een verlies in zichzelf.

Voor aanvang van de voorstelling heeft een groep co-assistenten enquêtes afgenomen onder het publiek, met vragen als ‘wanneer hebt u voor het laatst gehuild?’ De dokter neemt de antwoorden op luchtige wijze met het publiek door, wat zowel wat gelach als irritatie over de meligheid opwekt. Niet alleen brengt deze (betrekkelijk lange) introductie het publiek niet in de stemming voor de gothic tale van Poe en Glass. Een inhoudelijk probleem is dat de psychotische aard van Poe’s korte verhaal wordt gereduceerd tot huis-tuin-en-keukenweemoed. Waarschijnlijk wil Van Veggel benadrukken dat wij allemaal iets van Roderick Usher (of de verteller) in ons hebben, maar juist door de nuchtere relativering

Voordat je een huis geloofwaardig kunt laten instorten, moet je het eerst geloofwaardig opbouwen. Edgar Allan Poe is hier een meester in en Philip Glass weet de waanzin van de duistere romanticus tot op zekere hoogte ook goed te verklanken. OPERA2DAY heeft het juiste talent in huis om de opera tot zijn recht te laten komen, maar maait het gras voor de eigen voeten weg door Ushers/Poe’s metafysische waanzin voor aanvang van de daadwerkelijke opera al te ondermijnen.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Huize Usher kraakt nog niet

recensie: Opera2Day - The Fall of the House of Usher

Alsof regisseur Serge van Veggel zelf niet helemaal gelooft dat Philip Glass’ opera The Fall of the House of Usher op zichzelf sterk genoeg is, vult hij het werk in de OPERA2DAY-voorstelling Opera Melancholica aan met een uitvoerige introductie. Dat pakt niet in het voordeel van de opera uit: de vrolijke relativering ondermijnt de dramatiek van de voorstelling.

Het huis Usher staat op het punt van instorten, letterlijk en figuurlijk. Het eens zo beroemde geslacht Usher, waarvan Roderick en Madeline de laatste telgen zijn, gaat ten onder aan de eigen melancholie. Die zwaarmoedigheid heeft zich geëxternaliseerd: ook het grote landhuis gaat ten onder aan zijn eigen gewicht. Kort gezegd is dit het plot van het verhaal The Fall of the House of Usher van Edgar Allan Poe, een van de beroemdste korte verhalen uit de Amerikaanse literatuur. Veel van Poe’s stijlkenmerken komen erin samen. Zo worden mensen levend begraven, is de locatie een personage op zich en rest uiteindelijk de vraag wie er nou werkelijk aan waanbeelden lijdt: Roderick Usher of de verteller zelf. Philip Glass zette het verhaal in 1988 op muziek en deze opera dient op zijn beurt als basis voor de voorstelling Opera Melancholica van OPERA2DAY, geregisseerd door oprichter Serge van Veggel.

Ontoereikend idioom

Geluid speelt een belangrijke rol in Poe’s werk en dit maakt zijn oeuvre ideaal om te verklanken. Philip Glass is echter nogal stijlvast en wijkt op geen moment af van zijn geijkte idioom van gebroken akkoorden en wisselende patronen. Voor sommige momenten van het verhaal komt dit goed van pas: Roderick Usher kan geen andere klanken meer verdragen dan die van snaarinstrumenten en speelt daarom gitaar. Ook klinkt er een mierzoete speeldoos, waardoor Usher vervuld wordt van weemoed. Maar juist het zuchten en steunen van het huis, het waaien van de wind en het gedonder, dat zijn elementen die moeilijk zijn te vangen in Glass’ klankwereld. Hierdoor voelt de wereld rondom huize Usher gedistantieerd aan.

Los van de kritiek op de compositie zelf, is de uitvoering goed. De drie solisten (waarvan een in de orkestbak) zingen met een ingetogen dramatiek. Het New European Ensemble, onder leiding van Carlo Boccadore (hij was bij de première van deze opera) weten de muziek van Glass overtuigend over te brengen. Het podiumbeeld is mooi, met een enorme schedel en een vloer met opspattend water, al zou er in het middendeel iets meer mogen gebeuren. Madeline, gechoreografeerd door Ed Wubbe, danst op de vulkaan en benadrukt zo het verval van het geslacht Usher. Toch komt dit alles niet aan. Dat ligt niet alleen aan de muziek, maar voor een groot deel aan de omlijsting.

Relativering

Glass’ opera is relatief kort en blijkbaar voelde Van Veggel de noodzaak om deze daarom aan te vullen met een uitgebreid voorprogramma. Bij binnenkomst van het theater wordt al muziek van Glass gespeeld en spreken scholieren hun gedachten uit over het fenomeen melancholie. Vervolgens neemt een man in doktersjas (Rene M. Broeders) het woord: we zijn hier in het anatomisch theater van de menselijke psyche.

Weldra zullen wij het brein van Roderick Usher ontleden in een folie a mille, een gedeelde psychische stoornis tussen Usher en het publiek. De dokter legt het een en ander uit over melancholie, ooit beschouwd als een overschot aan zwarte gal en volgens Freud iemands verdriet over een verlies in zichzelf.

Voor aanvang van de voorstelling heeft een groep co-assistenten enquêtes afgenomen onder het publiek, met vragen als ‘wanneer hebt u voor het laatst gehuild?’ De dokter neemt de antwoorden op luchtige wijze met het publiek door, wat zowel wat gelach als irritatie over de meligheid opwekt. Niet alleen brengt deze (betrekkelijk lange) introductie het publiek niet in de stemming voor de gothic tale van Poe en Glass. Een inhoudelijk probleem is dat de psychotische aard van Poe’s korte verhaal wordt gereduceerd tot huis-tuin-en-keukenweemoed. Waarschijnlijk wil Van Veggel benadrukken dat wij allemaal iets van Roderick Usher (of de verteller) in ons hebben, maar juist door de nuchtere relativering

Voordat je een huis geloofwaardig kunt laten instorten, moet je het eerst geloofwaardig opbouwen. Edgar Allan Poe is hier een meester in en Philip Glass weet de waanzin van de duistere romanticus tot op zekere hoogte ook goed te verklanken. OPERA2DAY heeft het juiste talent in huis om de opera tot zijn recht te laten komen, maar maait het gras voor de eigen voeten weg door Ushers/Poe’s metafysische waanzin voor aanvang van de daadwerkelijke opera al te ondermijnen.

Reageer op dit artikel

Muziek / Concert

Legende O’Sullivan bezoekt eenmalig Eindhoven

recensie: Gilbert O'Sullivan @ Muziekgebouw Eindhoven

Het enige concert dat Gilbert O’Sullivan in Nederland dit jaar gaf was in het Muziekgebouw Eindhoven. Dit was direct ook de eerste keer dat O’Sullivan optrad in de lichtstad. En dat terwijl hij, zo vertelde hij, in de jaren zeventig een vriendinnetje had in deze stad.

De nagenoeg uitverkochte grote zaal herbergt een grote hoeveelheid nostalgische liefhebbers. Toch is het goed om waar te nemen dat ook jonge liefhebbers zich laten zien en niet alleen aan de zijde van hun ouders.

Rijk hitrepertoire met verrassingen

Natuurlijk kan het haast niet missen of Gilbert O’Sullivan bedient zich van zijn rijke hitrepertoire, dat zich voornamelijk afspeelde in het begin van de jaren zeventig. We horen hem liedjes als ‘We Will’, ‘Ooh Wakka Doo Wakka Day’ en ‘No Matter How I Try’ vertolken. O’Sullivan laat zich op deze tournee uitsluitend door gitarist Bill Shanley begeleiden. Medebezoekers, die hem eerder met band zagen, vertelden dat O’Sullivan nu beter tot zijn recht komt. Jammer genoeg begeleidt de zanger zichzelf op een elektronische piano in plaats van een grote akoestische piano of vleugel. Door de elektronische toevoegingen aan sommige liedjes uit het verleden kan hij blijkbaar niet zonder de elektronica. Het geluid klinkt af toe wat scherp en zou met een akoestisch instrument en een vintage microfoon meer diepte hebben gekregen. Een volgend concert aan een concertvleugel zou een fraaie dimensie zijn!

Gilbert O’Sullivan heeft inmiddels het vieren van zijn vijftigjarige artiestenbestaan achter de rug. Zo’n twee jaar geleden verraste hij met een zeer goed ontvangen album dat door critici bijna net zo goed beoordeeld werd als zijn debuut uit 1971. Dat eerste album herbergde direct zijn meest bekende en gelouterde liedje: ‘Nothing Rhymed’, dat ook deze avond niet zal ontbreken. O’Sullivan speelt deze song als afsluiter van zijn eerste set. Voor het zover is laat O’Sullivan ons misschien wel het mooiste moment van de avond beleven als hij een albumtrack speelt. ‘Miss My Love Today’ is zomaar een heel bijzonder moment van de avond. Onverwacht is dit hoogtepunt geen single, maar een bijzondere live-uitvoering van een wonderschoon luisterliedje van zijn album Southpaw, dat in 1977 verscheen.

Ontvlamde afsluiter

Na de pauze is het wachten op hits zoals ‘Clair’, dat op single karakteristiek startte met een fluitende zanger; iets wat live niet wordt gedaan. We horen ‘Alone Again (Naturally)’ en ‘Matrimony’. Wat opvalt is dat O’Sullivan heel netjes binnen de lijntjes kleurt. Nergens lijkt hij te willen afwijken van de originele liedjes. Dit voelt als een gemis, ondanks het feit dat de zanger zichtbaar gemotiveerd speelt en zingt. Het plezier in het spel is er zeker, al lijkt de zang soms minder goed gearticuleerd dan we zouden willen. Gitarist Shanley laat zich van beste kant horen op zijn verjaardag. Zodra dat laatste bekend is zingt het publiek Happy Birthday. De verhalen van O’Sullivan, die zijn liedjes larderen, zijn regelmatig vermakelijk, zoals het optreden in Australië waar het publiek al na de eerste set huiswaarts ging met een brede smile op het gezicht. Ze hadden niet in de gaten dat er nog een tweede set zou volgen. Toch raakt O’Sullivan een aantal keren de draad in zijn eigen verhaal kwijt en vraagt hij Shanley het aan te vullen.

Het vuur waar lang op gewacht is, ontvlamt als Gilbert O’Sullivan het slotnummer inzet. ‘Get Down’ van het album I’m a writer, not a fighter vlamt van het podium en de twee muzikanten weten er franjes aan te verbinden, waardoor dit het meest uitbundige lied van de avond wordt. Dit soort vuurwerk had ook in de rest van de set niet misstaan. Toch gaan we niet alleen door het slot met een voldaan gevoel huiswaarts, waarbij de liedjes van deze meester van de modulatie nog lang in ons hoofd naklinken!

 

Reageer op dit artikel

Muziek / Album / Concert

De adembenemende en tijdloze folk op Molten Rock

recensie: VanWyck @ Tiengemeten / Molten Rock

VanWyck is voor de fijnproevers onder de folkliefhebbers inmiddels geen onbekende meer. Met haar nieuwste album Molten Rock onder de arm speelde ze in een uitverkochte zaal op Tiengemeten.

De herberg op Tiengemeten is een bijzondere plek om een concert te geven. Intiem mag de locatie zeker genoemd worden. Met een maximale capaciteit van rond de honderd bezoekers is het alleen beschikbaar voor vroege beslissers. Lastminute is alles vol.

VanWyck’s opgenomen werk

De fijnproevers die er vroeg bij waren kennen VanWyck (alias Christine Oele) al vanaf 2015, toen ze met haar project A Song A Week iedere week een liedje via het internet de wereld in stuurde. De twaalf liedjes kunnen gezien worden als het debuut van deze zangeres. Het eerste liedje uit dat dozijn vinden we overigens in een andere uitvoering terug op haar nieuwste album. Het duurde tot 2017/2018 totdat er een cd verscheen. De beschikbare cd vermeldt 2017, maar velen ontdekten de release pas een jaar later. Haar nieuwe album Molten Rock verscheen slechts ruim een week voor dit eerste winterconcert op Tiengemeten en heeft direct de aandacht getrokken van de pers. Niemand kan onder de kwaliteit van VanWyck uit.

De liedjes van Oele en haar band zijn deze keer organisch ontstaan in de studio. Geen lang denkwerk, maar na het schrijven met de band in de studio laten gebeuren. De productie is wederom in handen van bassist – maar ook duizendpoot – Ryer Zwart. Ondanks de groepsplaat is het toch vooral een album van Christine Oele. De teksten van de liedjes herbergen waarnemingen, gevoelens en beelden die spreken. Deze teksten zijn onlosmakelijk verbonden met de zeggingskracht van de liedjes. Wie het boekje bij de cd leest, ontwaart in alle teksten dik gedrukte delen. Dit zijn, zo laat VanWyck weten, bijzondere frasen, waarvan je zelf mag ontdekken waarom ze speciaal zijn. Wie bijvoorbeeld luistert naar ‘Be It To The End’ en de tekst leest wordt in de eerste strofe gewezen op “He lifts me” als bijzondere tekst.

Tiengemeten VanWyck live

VanWyck speelt met haar band een intieme, ingetogen en beeldende set. Oele wordt begeleid door Reyer Zwart op bas, Sander Donkers op elektrische gitaar, Rowin Tetero op drums en Marjolein van de Klauw voor de achtergrondzang. Dit is dezelfde band als op Molten Rock. De herberg op Tiengemeten zit tot het randje gevuld met liefhebbers die de boottocht namen naar het snel in mist gehulde eiland Tiengemeten. Een mist, die in dit geval symbool mag staan voor de wollige warmte van de muziek van VanWyck. De kou van buiten is niet het enige element dat ons bindt aan de wamte van de herberg.

Het concert opent met ‘Lead Me On’, dat al langer dienst doet op het reperoire van VanWyck. Het opvallende ‘Carolina’s Anatomy’, dat de beat van de bezongen drummachine in zich heeft, is op het album nadrukkelijker afwijkend dan in de live-uitvoering, wat een aangename aanpassing is. Een van de meest opvallende liedjes is ‘My Sweetheart’, dat ontstond in een droom en op haar vorige album terechtkwam. Op Molten Rock vinden we het vervolg: ‘Be It To The End’. Dat VanWyck ook licht kan rocken horen we in ‘Rock Carver’, dat redelijk stevig doch beheerst de aandacht vraagt. Het is één van de drie composities op het album met ‘Rock’ in de titel.’Bring It On Right’ graaft tegen het einde van de show dieper in de gevoelsbeleving.

‘The Rock Steady Creeper’ is de officiëel aangekondigde afsluiter van het optreden. Het publiek vraagt al voordat het lied wordt ingezet om meer. De betekenis van het lied verraadt ze niet, maar ze verwijst door naar de drummer die de betekenis kent.De eerste toegift is niet alleen voor het publiek maar ook voor de band een verrassing: ‘Bring Me To An Island’ is een bijzonder nummer, dat speciaal voor deze locatie door Oele uit haar verleden wordt opgediept. Met daarna nog een extra nummer wordt een zeer aangenaam concert in ons geheugen gegrift. Wie de herinnering wil koesteren, doet er goed aan Molten Rock huiswaarts te nemen en door herhaald afspelen lang en breed te laten groeien.

 

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Internationaal geklasseerde Nederpop

recensie: Nederpop update – volume 8: JP de Klerk, Leonie Meijer & Glorious Wolf

Wat heeft de zeer uiteenlopende muziek van deze achtste editie Nederpop update gemeen? De enorm grote klasse die aandacht vraagt van de liefhebber. Wat velen soms niet weten is dat muziek uit ons eigen land vaak ook in het buitenland de aandacht trekt. Soms is dat zelfs meer dan in ons eigen land. We gaan van de rock van JP de Klerk naar zachte luisterliedjes van Leonie Meijer om vervolgens ons onder te dompelen in progrock van Glorious Wolf.

JP de Klerk – Rock & Roll Principal

De Zeeuwse singer-songwriter JP de Klerk waagde zo’n twee jaar geleden de sprong naar een solocarrière. Zijn album Old Church Road kreeg behoorlijk wat aandacht. Nu, twee jaar later, is zijn tweede album verschenen onder de welluidende titel Rock & Roll Principal, een verwijzing naar zijn werkzame en zijn muzikale leven. Als teamleider op een school speelt hij in zijn vrije tijd een fijn stukje rock & roll. Shane Alexander reikte hem de titel van dit album aan tijdens het mixen van het vorige album bij hun samenwerking in Los Angeles.

Het album opent met een heerlijk gedreven liedje ‘Top of the World’, wat een tikje verwijst naar de foto op de hoes waarop de zanger op het dak in rock-houding is gefotografeerd. De liedjes van De Klerk zijn stuk voor stuk van een hoog niveau. Zijn stem heeft een heerlijk ruw randje en zijn dochter verzorgt de achtergrondzang. De begeleiding is meer dan in orde met gitaar, mandoline, harmonica, pedalsteel, bas en drums. Op een van de songs speelt zelfs een strijkkwartet mee. Dat tilt ‘Light of my Life’ natuurlijk boven alle andere liedjes van het album uit. De gevoelige snaar weet De Kerk ook regelmatig te raken. Luister bijvoorbeeld naar ‘Fragile Paradise’ die samen met de eerdergenoemde compositie met strijkers het predicaat rockballad afdwingen. Het album trekt in een soort sneltreinvaart aan je voorbij, waarbij je alleen maar honger krijgt naar nog veel meer van dit soort heerlijke gedreven rockmuziek. Het verdient de aandacht van rock-minnend Nederland.

 

Leonie Meijer – Perfect Solitude

De eerste onbevangen luisterbeurt van de EP Perfect Solitude van Leonie Meijer onderga ik onwetend van haar verleden. Fraai klinkt de stem bij de opening ‘Without You’. Tijdens ‘What Happened Since’, als de stevige drum invalt, schieten mijn gedachten naar Eivor. In het afsluitend titelnummer rijst het ontzag als het naar het einde aanzwelt tot een machtig slot. Wat achterblijft is de vraag: waarom maar een EP met slechts zes liedjes? Bij navraag blijkt het deel één te zijn van een tweeluik of meer. Deel twee zal volgend jaar verschijnen.

Dan ontstaat mijn nieuwsgierigheid naar wie deze Leonie Meijer dan wel is. Duikend in haar historie komen we haar tegen bij de Grote Prijs van Nederland en bij The Voice of Holland. Haar single uit 2010 ‘Lost in Yesterday’ haalde de TOP40. De twee volgende jaren stond ze bij De Toppers in de ArenA. In 2013 verscheen een Nederlandstalig album Los. In 2014 maakt ze het nummer ‘Make Me Stay’ met The Prophet. Een heel gevarieerd verleden zoals we zien. Met deze EP maakt Meijer indruk en lijkt ze voorlopig haar weg gevonden te hebben in de muziekwereld. Deze EP draagt een hoge mate van kwaliteit, die haar prachtige stem recht doet en maakt ons nieuwsgierig naar het vervolg. We zien daar dan ook reikhalzend naar uit en ook naar een live-ervaring.

 

Glorious Wolf – Zodiac

Zodiac is niet het eerste album van Glorious Wolf, maar wel het eerste album met zang. Achter deze band gaat de multi-instrumentalist Ruud Dielen schuil. Hij speelde en componeerde vrijwel alles op dit werkje zelf en nam het op in zijn studio. ‘Constellations’ opent het album in een ruim elf minuten durende blauwdruk van wat Glorious Wolf ons te bieden heeft! Het geluid van Glorious Wolf is geschroefd op het fundament dat Pink Floyd bouwde. Het is geen kopie, maar een extensie gebaseerd op de ingrediënten van de Roger-Waters-periode van Pink Floyd. Dit alles mooi uitgesponnen met machtig gitaarwerk en een fijne zangstem, die past bij de vergelijking. Het saxofoonwerk herinnert aan de mooiste momenten van Floyd.

Op ‘Close to the New World’ neemt de band wat afstand van de idolen met Zuid-Amerikaanse gitaarklanken en zang die dichter naar Peter Gabriel kruipt. Wel met stevig gitaargeweld en dito rockgeluid dat me weer richting een vergelijking met Kaipa slingert. Ruud Dielen kent zijn klassiekers en bouwt daar zijn eigen Progrock-tempel mee. Het zou mij niets verbazen als deze muziek elders op de wereld ook wordt opgepakt, wanneer Glorious Wolf door de juiste mensen gehoord wordt. Dat verdient deze muziek zonder meer.

Reageer op dit artikel

Kunst / Achtergrond
special: Special: De Toorop Dynastie – Drie kunstenaarsgeneraties en Edgar Fernhout – Licht in kleur

INVLOED, VERWANTSCHAP EN EIGENHEID

Meteen aan het begin van de tentoonstelling De Toorop Dynastie in het Stedelijk Museum Alkmaar krijgt de bezoeker als het ware een opdracht mee: ‘Zijn de overeenkomsten tussen Jan Toorop, Charley Toorop en Edgar Fernhout groter dan de verschillen?’ Een opdracht die ook opgaat voor de expositie Licht in kleur met werk van Fernhout in Museum Kranenburgh in Bergen.

In het begin van de expositie in Alkmaar wordt stilgestaan bij de tentoonstelling Drie generaties die in 1937 was georganiseerd door de Haagse Kunsthandel Nieuwenhuizen Segaar. Ook hier stonden de drie generaties centraal. Op het gelijknamige portret heeft Charley (1891-1955), dochter van Jan (1858-1928) en moeder van Edgar (1912-1974) de wenkbrauwen van haar zoon extra aangezet, zodat ze op die van vader Jan lijken. Een statement van samensteller Marjan van Heteren: let vooral op de overeenkomsten?

Zaaloverzicht Stedelijk Museum Alkmaar met schilderijen van Edgar Fernhout. Foto: Roel Backaert

Verschillende stijlen

Natuurlijk zijn er ook verschillen, en die worden niet verdoezeld: het realisme en symbolisme van Jan Toorop, het expressionisme en de Nieuwe Zakelijkheid van Charley Toorop en de invloed daarvan op Edgar Fernhout. Kijk bijvoorbeeld eerst naar de overeenkomsten tussen het portret dat Fernhout in 1929 maakte met het zelfportret van zijn moeder uit dezelfde tijd: invloed en verwantschap qua stijl en thematiek, maar daarna ook naar de eigenheid van beide portretten. Zonder meer.
Het is met name dát en de stijlontwikkelingen die de drie kunstenaars doormaakten, die op deze fraaie, overzichtelijke tentoonstelling centraal staan, geplaatst in de context van hun tijd. De expositie houdt op met het late werk van Fernhout.

Bruggetje

Impressie tentoonstelling Edgar Fernhout – Licht in kleur in Museum Kranenburgh (Bergen). Foto: Aad Hoogendoorn.

Museum Kranenburgh gaat daar verder, maar eigenlijk zou je, alvorens de zalen op de begane grond met het late werk van Fernhout te bekijken, als bruggetje eerst een kijkje in het souterrain moeten nemen. Daar is de tentoonstelling Onder Vrienden – De Bergense school in kaart te zien. Hier hangt namelijk een prachtig portret van Charley Toorop door Matthieu Wiegman (1915): een zakelijke dame. Dat was zij ook, zakelijk en sturend.
Zou dat Rudi Fuchs, de samensteller van de expositie Licht in Kleur er mede toe hebben aangezet om in het begeleidende boekje te concluderen dat de zoon ‘pas na het overlijden van zijn moeder (…) zijn eigen stijl vond en koos voor abstractie, met de natuur rond Bergen als onuitputtelijke bron van inspiratie’? Een uitspraak die de nadruk legt op de verschillen en een psychologische duiding daaraan geeft.

Atmosferisch abstract

Impressie tentoonstelling Edgar Fernhout – Licht in kleur in Museum Kranenburgh (Bergen). Foto: Aad Hoogendoorn.

Je zou de keuze van Fuchs, bestaande uit schilderijen van Fernhout uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, kunnen scharen onder de overkoepelende term ‘atmosferisch abstract’.
De zaal op de begane grond begint met Zee uit 1959, dat Fernhout vier jaar na de dood van zijn moeder schilderde en dat duidelijk verwant is aan Jan Toorops De zee (1887) in Alkmaar.

Mooi zijn de doorkijkjes die worden geboden: van Fernhouts laatste schilderij naar dit eerste en van Lichte Nacht (1970) naar Nacht (1971).
Het zijn niet alleen atmosferische werken, maar ook heel voorstelbare en invoelbare schilderijen. Met name het werk van Fernhout dat na de Tweede Wereldoorlog ontstond, was immers expressiever dan zijn eerdere werk. Op Strenge vorst (1973) zie je het ijs, hoor je het kraken en voel je de kou er vanaf komen.
Zee en Strenge vorst – je zou het met wat fantasie een voortzetting met eigentijdse middelen kunnen noemen van de atmosferische effecten die zo kenmerkend zijn voor een Nederlandse schilder als Matthijs Maris. Dat komt misschien dichterbij dan een psychologische duiding zoals Fuchs die gaf. Hoe je het ook wendt of keert, je kunt Fernhout echter ook zien als een schilder in de Nederlandse traditie, met alle overeenkomsten van dien.

De drie generaties, Charley Toorop, Museum Boijmans van Beuningen, Maskerkop Jan Toorop, John Rädecker, Museum Boijmans van Beuningen. Foto: Roel Backaert

Het verhaal gaat verder

Een schilder die eveneens wolkenluchten en de rimpelingen van het water schildert, is Esther Tieleman (1976). Op de begane grond is een zaal met een serie schilderijen van haar ingericht. Op een tekstbord staat te lezen dat zij met de jaren steeds abstracter werk maakt. Is dit niet ‘gewoon’ een gangbare ontwikkeling? Zowel in haar werk als in dat van Fernhout en heel veel andere kunstenaars? Een doorgaande lijn dus in plaats van een breuk na de dood van zijn moeder. Een andere manier van ernaar kijken, maar op z’n minst even gerechtvaardigd. Alkmaar bewijst dat, zodat het antwoord op de vraag die daar wordt gesteld, eigenlijk luidt: ja, de overeenkomsten zijn, alle eigenheden natuurlijk in acht nemend, uiteindelijk groter dan de verschillen.

Reageer op dit artikel

Iris Kensmil Biennale Arte 2019
Kunst / Reportage
special: Biënnale Arte Venetië 2019
Iris Kensmil Biennale Arte 2019

Hokjes slechten

Curator Ralph Rugoff, directeur van de Hayward Gallery in Londen, gaf de 58ste Biënnale Arte in Venetië een overkoepelende titel mee: May You Live In Interesting Times. Onder deze titel liggen verschillende thema’s, zoals klimaatverandering, genderfluïditeit en dekolonisatie. Ze duiken overal op, vormen zo een statement en geven coherentie aan het geheel, zoals onder meer te zien is op de twee hoofdlocaties van de Biënnale: de Giardini en de Arsenale.

Giardini

Mondo Cane, Jos De Gruyter en Harald Thijs, Belgisch paviljoen.

In het stadspark Giardini bevinden zich de landenpaviljoens. Meteen bij binnenkomst staan de paviljoens van België (het oudste paviljoen) en Nederland broederlijk naast elkaar, hoewel ze inhoudelijk hemelsbreed van elkaar verschillen. De Belgische inzending, Mondo Cane (Hondenwereld) en de Nederlandse, The Measurement of Presence, vallen namelijk respectievelijk speels en cerebraal te noemen. Jos De Gruyter en Harald Thijs, twee kunstenaars die nauw samenwerken, hebben Vlaamse figuren (poppen) tot leven gewekt: Flap en Flop, de Rattenvrouw, De Zot, enzovoort. Ze kregen bezoek van hun landgenoot psychiater Dirk De Wachter, maar twee Vlaamse dames meenden, ten onrechte, dat dit een fake figuur was en bij de expositie behoorde…

Iris Kensmil Nederlands Paviljoen Biennale Arte 2019

Iris Kensmil, Nederlands Paviljoen.

Remy Jungerman en Iris Kensmil hebben namens Nederland De Stijl als uitgangspunt genomen, in combinatie met hun eigen achtergrond, zoals de kabra tafra (offertafel) uit de winti-traditie laat zien. Eigenlijk vormt het feit dat werk van de in 2017 overleden kunstenaar Stanley Brouwn ontbreekt ook een statement; zijn weduwe wenste niet dat hij in het hokje van de zwarte kunst zou worden gedrukt en zag van deelname af.

In het Zwitserse en Russische paviljoen wordt een genderfluïde persoon getoond, om naar het volgende thema over te springen. Zwitserland toont een video van een danser met een bikini, Rusland liet zich voor een grote installatie inspireren door Rembrandts doek De verloren zoon in de Hermitage. De vader heeft op dit schilderij een mannen- en een vrouwenhand. De zoon in het Russische werk is niet – zoals op het doek – geknield, maar staand weergegeven en lijkt op een beeld van Donatello; we zijn immers in Italië. De muziek is gebaseerd op het werk van Wagner, die nauwe banden had met Venetië. Zo kun je óók grenzen overschrijden.

Arsenale

Zanele Muholi

Zanele Muholi, hoofdtentoonstelling Arsenale.

Voor de voormalige marinewerf Arsenale stelde Rugoff de hoofdtentoonstelling samen. De kunstenaars die in de Giardini exposeerden, komen hier terug. De kunstwerken zelf dragen soms een boodschap uit rond de genoemde thema’s (klimaatverandering, gender en dekolonisatie), maar zijn soms ook ‘gewoon’ mooi.

Neem de grote foto’s van Zanele Muholi, die op enkele plaatsen in het gebouw terugkomen en zowel getuigen van humor als van een fraaie gestrengheid. Bij binnenkomst zie je links en rechts een zwarte vrouw van wie het haar ofwel uit gevlochten touw bestaat ofwel uit pannensponsjes; de boodschap is duidelijk en gaat nog steeds op: degenen die het restaurant schoon hielden waren voornamelijk zwarte mensen.

De klimaatverandering komt bijvoorbeeld terug in het ecologische tableau Biologizing the Machine (tentacular trouble) van de Zuid-Koreaan Anicka Yi: het water van het verzakkende Venetië, met daarboven een soort lampions waarin insecten rondvliegen.

Satellieten

Sean Scully Jacobsladder

Sean Scully, Jacobsladder.

Prachtige ‘gesprekken’ gaan de kleinere satelliettentoonstellingen aan met al aanwezige kunst in een bepaald gebouw. Frappant is bijvoorbeeld de ‘gouden’ installatie The Death of James Lee Byars in de Santa Maria della Visitazione en de gouden achtergrond van de stèle van doge Marcantonio Memmo (1612-1615) in de Basilica San Giorgio Maggiore. Te raak om toevallig te zijn, zou je denken. Eerder een voorbeeld van afspraken over de eeuwen heen.

In de laatstgenoemde kerk staat de Jacobsladder van Sean Scully: een omhoog torende stapeling van gekleurde lagen die wel heel erg veel weg heeft van de horizontalen van het werk zonder titel van Donald Judd in het Stedelijk Museum Amsterdam. In dit geval een voorbeeld van een universele, minimalistische taal.

Geheime tip

In het Conservatorium van Venetië tenslotte is de satelliettentoonstelling The Spark is You te zien, met werk van hedendaagse Iraanse kunstenaars. Eén ervan is Navid Nuur, die in Den Haag woont en werkt. Op de binnenplaats staat zijn drieluik The Tuners, drie schilderijen waarop hij doodles aanbracht, zoals mensen dat doen wanneer ze een pen uitproberen. Het lijken lijnen die alleen of samen aan het wandelen zijn geslagen, hoewel er een zekere ordening en ritme in zit. Ze hebben wat weg van talige tekens of een grafische partituur, wat toepasselijk is met alle toonladders en flarden muziek op de achtergrond. Het triptiek verdient meer aandacht dan het tot nu toe kreeg. Het slecht vele hokjes, zoals veel kunstwerken op deze geslaagde editie van de Biënnale ieder op hun eigen manier doen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Een blik in de Biblebelt

recensie: Recensie: Bij ons in de Biblebelt, Museum Catharijne Convent

In de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt opent een vrij gesloten gemeenschap in Nederland de deuren naar de buitenwereld. Herkenbaar voor wie de ‘refowereld’ van dichtbij kent, en verhelderend voor wie er in deze tentoonstelling voor het eerst dichtbij komt.

Campagnebeeld Bij ons in de Biblebelt, foto Sjaak Verboom, ontwerp Fabrique (zonder tekst)

Een respectvolle benadering

Een leven waarin de bijbel je leidraad is, waar je op zondag twee keer naar de kerk gaat en het Reformatorisch Dagblad op de deurmat valt. Het zijn voor reformatorische christenen op de Biblebelt vanzelfsprekendheden. Hoewel de reformatorische zuil van buitenaf misschien een eenheid lijkt, schuilen er veel verschillen in opvattingen, keuzes en uitingsvormen. Een genuanceerd beeld dat recht doet aan deze gemeenschap in zijn volle breedte kan deze tentoonstelling dan ook niet bieden zonder afbreuk te doen aan het scheppen van een helder en begrijpelijk beeld. Bij ons in de Biblebelt benadert de reformatorische wereld echter respectvol en open, en probeert daarbij stereotypering te vermijden.

De overeenkomsten binnen de gemeenschap worden benadrukt, maar daarbij wordt niet voorbijgegaan aan de verschillen. Zo komen in een reeks video-interviews diverse ‘refo’s’ aan het woord over uiteenlopende onderwerpen als media, vrije tijd en politiek. Zij vertegenwoordigen allen de reformatorische wereld, maar delen niet op alle punten exact dezelfde mening. De tentoonstelling laat hiermee zien dat de ‘refowereld’, ook wel bekend als de ‘zwarte-kousen-gemeenschap’ , kleurrijker is dan men misschien op voorhand zou denken. Dit geldt niet enkel voor hun kleding maar ook voor de diversiteit in de keuzes die gemaakt worden en de verantwoording daarvan. De subcultuur wordt dichtbij gebracht en persoonlijk benaderd.

Uit de serie Zaterdag/zondag, foto Sjaak Verboom

De Biblebelt en de tijdgeest

De tentoonstelling schetst een beeld van de historie van de reformatorische zuil in Nederland, van diverse belangrijke figuren in deze geschiedenis en van reformatorische kerkverbanden. Dat laatste is een complex onderwerp, en één waar de tentoonstelling dan ook niet te diep op ingaat: niet de verschillen worden benadrukt, maar dat wat de diverse kerken bindt. De focus van de tentoonstelling ligt vooral op thema’s die een rol spelen binnen de ‘refowereld’ van nu: welke keuzes maken ‘refo’s’ binnen de Biblebelt? Waarin onderscheiden zij zich fundamenteel van de mensen die zij rekenen tot ‘de buitenwereld’? Welke gevaren neemt de huidige tijdgeest met zich mee voor het overeind blijven van de reformatorische normen en waarden?

Met reformatorische scholen, vakantieparken, studentenverenigingen en een eigen krant slaagt ‘de zuil’ er grotendeels in om een eigen wereld te creëren, waarin andere waarden gelden dan in de rest van de maatschappij. Maatschappelijke ontwikkelingen dringen echter ook door in de reformatorische wereld. De tentoonstelling brengt de wijze waarop reformatorische christenen met deze ontwikkelingen omgaan in beeld. De komst van internet en social media is hiervan een voorbeeld.

Gereformeerde Gemeente, Lisse, foto Henk Visscher, Reformatorisch Dagblad

De ophef aangaande het niet vaccineren van kinderen door veel ouders op de Biblebelt en de recentere opschudding rondom de Nashville-verklaring komen eveneens aan de orde. Toch wordt niet gefocust op dergelijke negatieve opspraak. De aandacht gaat vooral naar de reformatorische christenen, hun levensstijl en de verantwoording van hun keuzes. Ook is er ruimte voor beeldende kunst: verschillende kunstenaars van de reformatorische kunstenaarsvereniging KORF tonen hun beeldend werk.

Diverse thema’s die in de tentoonstelling slechts zijdelings aan de orde komen, zoals homoseksualiteit, man-vrouw verhoudingen en het verlaten van de reformatorische gemeenschap, worden in lezingen rondom de tentoonstelling verder uitgediept. Zo komen ook Franca Treur en Jan Siebelink aan het woord in een lezing. Beide auteurs zijn in een streng christelijk gezin opgegroeid, maar zijn inmiddels uit dit milieu gestapt. Het is een bewuste keuze van de curator Tanja Kootte om het verlaten van de reformatorische wereld niet te benadrukken in de tentoonstelling. De keerzijde die de gemeenschap kent, zoals de beklemming die ermee gepaard kan gaan, en de gevolgen van het maken van een andere keuze, zitten er op een meer subtiele manier in verweven.

Het doel van de tentoonstelling is dat bezoekers zelf een beeld kunnen vormen van deze groep christenen in Nederland. Bij ons in de Biblebelt geeft een eerlijke, persoonlijke inkijk in de ‘refowereld’, die de kijker uitdaagt om verder te denken dan stereotypen en vooroordelen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Een esthetische speeltuin met maatschappijkritiek

recensie: Recensie: I´m Your Mirror ǀ Joana Vasconcelos

Een kakofonie aan geluid, licht en beweging, felle kleuren en immense kunstwerken. Als je op zoek bent naar de rust en sereniteit kun je tot 17 november 2019 beter rechtsomkeert maken op de tweede verdieping van de Kunsthal. Daar vind je tot die tijd het retrospectief I’m Your Mirror van de Portugese kunstenares Joana Vasconcelos.

Call Center, 2014–2016, Photo credit: © FMGB Guggenheim Bilbao Museoa, 2018. Photo: Erika Ede © Joana Vasconcelos

Meer dan Popsterren

De titel van de tentoonstelling is een eerbetoon aan de Duitse zangeres Nico. Toch refereert de tentoonstelling aan veel meer dan aan popsterren uit de vorige eeuw. I’m Your Mirror snijdt hedendaagse thema’s aan, heeft een feministische invalshoek, becommentarieert verschillende kunststromingen en verwijst naar Portugese volkscultuur. Verspreid door de ruimte staan grote werken die vaak maatschappijkritiek in zich dragen. Door het slimme gebruik van tussenwanden krijgt elk werk voldoende ruimte in de Kunsthal.

Onsubtiele kritiek

De kritiek in Vasconcelos’ kunst is vaker niet dan wel subtiel. Zo zijn in het werk Call Center (2014-2016), zwarte telefoons in de vorm van een klassiek pistool geplaatst. Snel is de associatie met communicatie als bedreiging gemaakt. Ook twee pumps volledig opgebouwd uit pannen (Marilyn, 2011) is makkelijk te verbinden met de positie van de vrouw in de patriarchale samenleving. Misschien wel iets te makkelijk. Want juist in een tijd waarin de traditionele rol van de vrouw zo sterk onder vuur ligt en er voortdurend kanttekeningen worden geplaatst bij moderne communicatiemiddelen valt van de kunst een gelaagder, origineler en misschien zelfs genuanceerder perspectief te verwachten.

Marilyn (Ap), 2011, Photo credit: © FMGB Guggenheim Bilbao Museoa, 2018. Photo: Erika Ede© Joana Vasconcelos

Subtielere kritiek

Zo’n perspectief komt mogelijk duidelijker naar voren uit een overwegend optimistischer werk als A Todo o Vapor (vermelho/verde/amarelo) (2012, 2013, 2014). Drie strijkijzermachines voeren een grappige choreografie uit. Het tekstbordje leest: ‘Als toeschouwer voel je je getuige van de dagdromen van een verveelde huisvrouw.’ En stelt ook: ‘Tegelijkertijd is het ook een herbevestiging van de vrouw als kunstenaar’ die strijkijzers dus niet gebruikt voor het huishouden maar er ingenieuze sculpturen mee maakt.

Burka, 2002, Photo credit: Luís Vasconcelos /Courtesy Unidade Infinita Projectos © Joana Vasconcelos

Ook Burka (2002) zou je kunnen classificeren als een werk met een tegenstelling. Op de grond ligt een soort pop, gesluierd, maar met een hoop kleurige rokken zichtbaar. Haar hoofd is aan een hijskraan bevestigd en langzaam wordt ze opgetakeld. Nadat je haar spookachtige vorm even kan bestuderen, valt ze met een harde klap op de grond. Het werk schijnt een commentaar op de vrouw in boerka, gevangen in een beknellend systeem, gedwongen om als een spook door het leven te gaan. Toch kun je in de vrolijke rokken ook een kleurig individu herkennen. Niet het systeem, maar de mens daarin staat dan centraal.

Speeltuin en ontmoetingsplek

Omdat je bij een werk als Burka meer moeite doet om een betekenis te ontrafelen, en je er langer mee bezig bent, versterkt dit de indruk die zo’n werk achterlaat. Maar ook als je de werken niet probeert te begrijpen, heb je een plezierige tijd in deze zaal. I’m Your Mirror is een esthetische speeltuin en ontmoetingsplek. Vooral Ponto de Encontro (2000), eigenlijk gewoon een speeltoestel verhuld als kunst, trekt veel bezoekers, waaronder een hoop kinderen. Deze tentoonstelling is sowieso geschikt voor kinderen en rennende kleuters voegen toe aan de levendigheid. Naar I’m Your Mirror ga je dan ook niet voor je rust.

Reageer op dit artikel

Boeken / Fictie

Echo’s uit het verleden

recensie: Colson Whitehead - De jongens van Nickel

Colson Whitehead werd bekend bij het grote publiek met zijn vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Hierin vertelt hij over een slaaf die ontsnapt naar het Noorden van de Verenigde Staten. In zijn nieuwe roman De jongens van Nickel beschrijft hij dezelfde thematiek in een andere tijdsperiode. Het is een aangrijpende, urgente roman over een racistisch Amerika.

De jongens van Nickel is een bijzondere vertelling over Elwood, een intelligente Afro-Amerikaanse jongen die door domme pech in de tuchtschool Nickel belandt. Het is een verschrikkelijke plek, de term ‘tuchtschool’ blijkt een eufemisme voor ‘gevangenis’ te zijn. De zwarte jongens krijgen er nauwelijks onderwijs en krijgen extreme lijfstraffen te verduren. In de school klinken de echo’s uit het slavernijverleden in de manier waarop de blanke mannen de school runnen: “de zonen hielden de oude gebruiken in ere”.

Het verhaal wordt verteld door een alwetende verteller, wat afstand biedt om het verhaal als lezer aan te kunnen en waardoor het verhaal het particuliere ontstijgt. Dit is niet het verhaal van één jongen maar het verhaal over een racistisch systeem. De vraag wie die verteller dan precies is resulteert bovendien in een prachtige plottwist op het einde van het verhaal.

Woorden van hoop

De situatie voor Elwood lijkt ontzettend uitzichtloos. Zijn toekomst was veelbelovend – hij presteerde goed op school en was toegelaten tot een hogeschool – tot hij in de hel van Nickel terechtkomt. Hier krijgt hij les op basisschoolniveau en ontdekt hij hoe verrot de maatschappij eigenlijk is. Hij is altijd naïef geweest omtrent sociale codes. Als kind hing hij vaak rond in een hotel, en de afwassers daagden hem uit wie het beste kon afwassen. Dit leidde ertoe dat Elwood de gehele afwas deed. Deze zelfde naïviteit zorgt ervoor dat hij op Nickel in de problemen komt en kennismaakt met het ‘witte huis’, de plek waar de afranselingen plaatsvinden. Hij wordt dusdanig toegetakeld dat hij een week in de ziekenboeg verblijft, waar hij een vriendschap voor het leven sluit met Turner.

Ondanks alle misère klinkt er toch hoop in het verhaal, via de woorden van Martin Luther King. Elwood kreeg ooit van zijn oma een lp met een van zijn speeches, en zijn woorden bieden hem steun in de periode dat hij op Nickel verblijft. Ook heeft hij een aantal protesten bijgewoond voordat hij gevangen raakte. Hij weet dat er verzet plaatsvindt tegen de racistische wetten in zijn land. Elwood weigert daarom om zich neer te leggen bij zijn realiteit. Wanneer hij zich stilhoudt dan kan hij overleven, maar om te léven moet hij iets doen. Het verzet biedt hem menselijkheid:

“De wereld had hem zijn hele leven lang haar wetten toegefluisterd en hij had geweigerd om te luisteren, omdat hij in plaats daarvan iets van een hogere orde had gehoord.”

Hij verzint een plan om de school in diskrediet te brengen en kan daarbij de hulp van zijn nieuwe vriend goed gebruiken.

Licht aan het einde van de tunnel

Het verhaal speelt zich af in de jaren 60 van de vorige eeuw maar is helaas nog altijd actueel. De apartheid is dan wel officieel afgeschaft in de VS, maar zit zo diep ingebakken in de mensen dat de praktijk nog altijd racistisch is. Het boek van Whitehead komt daarom als geroepen. Het toont verzet tegen een hardnekkig racisme en de slotscène biedt zelfs een sprankje hoop.

In het nawoord is te lezen dat een school als Nickel echt heeft bestaan. Archeologische vondsten tonen de, vaak hevig toegedane, lichamen van de scholieren. Jongens over wie werd gezegd dat ze waren weggelopen. Met De jongens van Nickel toont Whitehead een inktzwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis, een bladzijde die helaas behoort tot een nog zwarter boek.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Niet wegkijken maar hoop houden

recensie: Jelmer Mommers - Hoe gaan we dit uitleggen

In Hoe gaan we dit uitleggen poogt Jelmer Mommers op een toegankelijke, urgente en realistische wijze de staat van het klimaat weer te geven. Toegankelijk in haar taalgebruik, urgent in het feit dat het bijna te laat is om nog wat te doen en realistisch in wat we kunnen doen en wat er reeds gebeurt.

Terwijl Hoe gaan we dit uitleggen net uitgelezen op mijn salontafel ligt is het buiten 37 graden. De wind voelt aan als een föhn en er wachten ons nog een paar zeer hete dagen. Sterker nog, het 75 jaar oude hitte-record ging eraan, om de dag daarna ook het nieuwe record verbroken te zien worden. De afgelopen jaren werd de aarde, nou ja, in ieder geval Nederland, steeds wat warmer. De ondertitel klopt dus alvast. Hoe staat het met de inhoud van dit boek?

Wegkijken of hoop houden

Jelmer zegt in het voorwoord dit boek te schrijven voor zijn vriend Tom. Tom is een jongeman (auteur Mommers is zelf 32) die de hoop op verandering opgegeven heeft. Hij kijkt weg. Geen vertrouwen in overheid, bedrijfsleven en zijn medemensen, want zelfs goed op de hoogte is het een helse klus om CO2 neutraal te leven. Mommers begrijpt en deelt soms dezelfde wanhoop, doch kijkt hij niet weg, maar zoekt naar een antwoord, een alternatief op deze somber makende situatie. Mommers koestert tevens hoop en zal dat later in zijn boek ook onder de aandacht brengen. Maar eerst krijgen we een opsomming van hoe het nu met de aarde en ons klimaat gesteld staat. Wat staat ons in de toekomst te wachten en hoe redden we ons uit deze mogelijke apocalyps?

Laat of te laat

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk stelt in zijn analyses over de klimaatverandering en de staat van de aarde dat we in termen van ‘laat’ en niet in termen van ‘te laat’ moeten denken. In het westerse denken lijkt een voorliefde voor eschatologie te zijn. Dat is een mooi woord voor einde-der-tijds-denken. Mommers spreekt vanuit het ‘laat’ denken. Echter, wanneer hij in het eerste deel de geschiedenis van onze huidige problemen induikt, voel je je gegrepen door de wanhoop die vriend Tom reeds uitsprak. Wanneer de feiten worden opgesomd, zoals de bevolkingsexplosie, toename van broeikasgassen, de afname van regenwouden, het verzuren van oceanen en de teloorgang van onze harige, schubbige, geleedpotige, verige en andere medebewoners, dan boort de ernst je laatste sprankje hoop alsnog de grond in. Hoe gaat Mommers ons hiervandaan nog een sluier met hoop oplichten? Onder andere door een ander verhaal aan te bieden. Vorig jaar kwam George Monbiot met een soortgelijk idee, diens boek Uit de puinhopen is daar het resultaat van.

Mogelijke werelden

Mommers beschrijft dan twee toekomstscenario’s. Eén waarbij we de boel op z’n beloop laten en één waarbij we ‘groene’ keuzes maken. We zitten dan al ruimschoots in deel twee en vooralsnog bood het boek weinig overtuiging om nog enigszins hoopvol te worden. Dat verandert vooral met zijn tweede toekomstscenario waarin de Great Turn heeft plaatsgevonden en een herbebossing onderdeel van de oplossing bleek.

Onze hoop krijgt verdere ruggensteun in deel drie, waar onder andere de urgenda klimaatzaak aan bod komt en welke precedenten dit voor de toekomst kan hebben. Ook geeft Mommers kleine keuzes aan, die relatief gemakkelijk uit te voeren zijn. Stap over naar een groene bank, groene energieleverancier, eet eens wat minder vlees, ga eens met de trein in plaats van het vliegtuig op pad. Laten we hopen dat het inderdaad allemaal nog niet te laat is, al deed de zomer vooralsnog denken van wel.

Tot slot

Tot slot nog iets over de stijl en de teneur van dit boek. De stijl is vlot en vooral gericht op jongere mensen. Het taalgebruik is gemakkelijk, wat het boek toegankelijk maakt voor een grote groep geïnteresseerden. Tegelijkertijd doet de vlotte stijl afbreuk aan de ernst van het onderwerp. De gedoseerde boosheid die in Monbiots Uit de puinhopen te lezen viel, past beter bij de urgentie die dit onderwerp verdient. Ook zijn de oplossingen veelal vanuit een economisch oogpunt aangedragen. De vele voorbeelden leveren niet alleen nu, maar zeker in de toekomst economisch meer voorspoed dan voortgaan op de fossiele, huidige weg. Dat maakt de boodschap als zovele: ‘it’s the economy, stupid’. Er moeten, zeker wanneer je kracht in het scheppen van een alternatieve toekomst ligt, andere motieven naast de economische geplaatst worden. Zodat de hoop ook kan wortelen in een ethisch (hoe te handelen), esthetisch (hoe ons leven opnieuw vorm te geven) en netwerk (alles is met alles verbonden) denken. Wellicht komt dat in zijn volgende boek?

Reageer op dit artikel