Berichten

Boeken / Fictie

Echo’s uit het verleden

recensie: Colson Whitehead - De jongens van Nickel

Colson Whitehead werd bekend bij het grote publiek met zijn vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Hierin vertelt hij over een slaaf die ontsnapt naar het Noorden van de Verenigde Staten. In zijn nieuwe roman De jongens van Nickel beschrijft hij dezelfde thematiek in een andere tijdsperiode. Het is een aangrijpende, urgente roman over een racistisch Amerika.

De jongens van Nickel is een bijzondere vertelling over Elwood, een intelligente Afro-Amerikaanse jongen die door domme pech in de tuchtschool Nickel belandt. Het is een verschrikkelijke plek, de term ‘tuchtschool’ blijkt een eufemisme voor ‘gevangenis’ te zijn. De zwarte jongens krijgen er nauwelijks onderwijs en krijgen extreme lijfstraffen te verduren. In de school klinken de echo’s uit het slavernijverleden in de manier waarop de blanke mannen de school runnen: “de zonen hielden de oude gebruiken in ere”.

Het verhaal wordt verteld door een alwetende verteller, wat afstand biedt om het verhaal als lezer aan te kunnen en waardoor het verhaal het particuliere ontstijgt. Dit is niet het verhaal van één jongen maar het verhaal over een racistisch systeem. De vraag wie die verteller dan precies is resulteert bovendien in een prachtige plottwist op het einde van het verhaal.

Woorden van hoop

De situatie voor Elwood lijkt ontzettend uitzichtloos. Zijn toekomst was veelbelovend – hij presteerde goed op school en was toegelaten tot een hogeschool – tot hij in de hel van Nickel terechtkomt. Hier krijgt hij les op basisschoolniveau en ontdekt hij hoe verrot de maatschappij eigenlijk is. Hij is altijd naïef geweest omtrent sociale codes. Als kind hing hij vaak rond in een hotel, en de afwassers daagden hem uit wie het beste kon afwassen. Dit leidde ertoe dat Elwood de gehele afwas deed. Deze zelfde naïviteit zorgt ervoor dat hij op Nickel in de problemen komt en kennismaakt met het ‘witte huis’, de plek waar de afranselingen plaatsvinden. Hij wordt dusdanig toegetakeld dat hij een week in de ziekenboeg verblijft, waar hij een vriendschap voor het leven sluit met Turner.

Ondanks alle misère klinkt er toch hoop in het verhaal, via de woorden van Martin Luther King. Elwood kreeg ooit van zijn oma een lp met een van zijn speeches, en zijn woorden bieden hem steun in de periode dat hij op Nickel verblijft. Ook heeft hij een aantal protesten bijgewoond voordat hij gevangen raakte. Hij weet dat er verzet plaatsvindt tegen de racistische wetten in zijn land. Elwood weigert daarom om zich neer te leggen bij zijn realiteit. Wanneer hij zich stilhoudt dan kan hij overleven, maar om te léven moet hij iets doen. Het verzet biedt hem menselijkheid:

“De wereld had hem zijn hele leven lang haar wetten toegefluisterd en hij had geweigerd om te luisteren, omdat hij in plaats daarvan iets van een hogere orde had gehoord.”

Hij verzint een plan om de school in diskrediet te brengen en kan daarbij de hulp van zijn nieuwe vriend goed gebruiken.

Licht aan het einde van de tunnel

Het verhaal speelt zich af in de jaren 60 van de vorige eeuw maar is helaas nog altijd actueel. De apartheid is dan wel officieel afgeschaft in de VS, maar zit zo diep ingebakken in de mensen dat de praktijk nog altijd racistisch is. Het boek van Whitehead komt daarom als geroepen. Het toont verzet tegen een hardnekkig racisme en de slotscène biedt zelfs een sprankje hoop.

In het nawoord is te lezen dat een school als Nickel echt heeft bestaan. Archeologische vondsten tonen de, vaak hevig toegedane, lichamen van de scholieren. Jongens over wie werd gezegd dat ze waren weggelopen. Met De jongens van Nickel toont Whitehead een inktzwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis, een bladzijde die helaas behoort tot een nog zwarter boek.

Boeken / Fictie

Echo’s uit het verleden

recensie: Colson Whitehead - De jongens van Nickel

Colson Whitehead werd bekend bij het grote publiek met zijn vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Hierin vertelt hij over een slaaf die ontsnapt naar het Noorden van de Verenigde Staten. In zijn nieuwe roman De jongens van Nickel beschrijft hij dezelfde thematiek in een andere tijdsperiode. Het is een aangrijpende, urgente roman over een racistisch Amerika.

De jongens van Nickel is een bijzondere vertelling over Elwood, een intelligente Afro-Amerikaanse jongen die door domme pech in de tuchtschool Nickel belandt. Het is een verschrikkelijke plek, de term ‘tuchtschool’ blijkt een eufemisme voor ‘gevangenis’ te zijn. De zwarte jongens krijgen er nauwelijks onderwijs en krijgen extreme lijfstraffen te verduren. In de school klinken de echo’s uit het slavernijverleden in de manier waarop de blanke mannen de school runnen: “de zonen hielden de oude gebruiken in ere”.

Het verhaal wordt verteld door een alwetende verteller, wat afstand biedt om het verhaal als lezer aan te kunnen en waardoor het verhaal het particuliere ontstijgt. Dit is niet het verhaal van één jongen maar het verhaal over een racistisch systeem. De vraag wie die verteller dan precies is resulteert bovendien in een prachtige plottwist op het einde van het verhaal.

Woorden van hoop

De situatie voor Elwood lijkt ontzettend uitzichtloos. Zijn toekomst was veelbelovend – hij presteerde goed op school en was toegelaten tot een hogeschool – tot hij in de hel van Nickel terechtkomt. Hier krijgt hij les op basisschoolniveau en ontdekt hij hoe verrot de maatschappij eigenlijk is. Hij is altijd naïef geweest omtrent sociale codes. Als kind hing hij vaak rond in een hotel, en de afwassers daagden hem uit wie het beste kon afwassen. Dit leidde ertoe dat Elwood de gehele afwas deed. Deze zelfde naïviteit zorgt ervoor dat hij op Nickel in de problemen komt en kennismaakt met het ‘witte huis’, de plek waar de afranselingen plaatsvinden. Hij wordt dusdanig toegetakeld dat hij een week in de ziekenboeg verblijft, waar hij een vriendschap voor het leven sluit met Turner.

Ondanks alle misère klinkt er toch hoop in het verhaal, via de woorden van Martin Luther King. Elwood kreeg ooit van zijn oma een lp met een van zijn speeches, en zijn woorden bieden hem steun in de periode dat hij op Nickel verblijft. Ook heeft hij een aantal protesten bijgewoond voordat hij gevangen raakte. Hij weet dat er verzet plaatsvindt tegen de racistische wetten in zijn land. Elwood weigert daarom om zich neer te leggen bij zijn realiteit. Wanneer hij zich stilhoudt dan kan hij overleven, maar om te léven moet hij iets doen. Het verzet biedt hem menselijkheid:

“De wereld had hem zijn hele leven lang haar wetten toegefluisterd en hij had geweigerd om te luisteren, omdat hij in plaats daarvan iets van een hogere orde had gehoord.”

Hij verzint een plan om de school in diskrediet te brengen en kan daarbij de hulp van zijn nieuwe vriend goed gebruiken.

Licht aan het einde van de tunnel

Het verhaal speelt zich af in de jaren 60 van de vorige eeuw maar is helaas nog altijd actueel. De apartheid is dan wel officieel afgeschaft in de VS, maar zit zo diep ingebakken in de mensen dat de praktijk nog altijd racistisch is. Het boek van Whitehead komt daarom als geroepen. Het toont verzet tegen een hardnekkig racisme en de slotscène biedt zelfs een sprankje hoop.

In het nawoord is te lezen dat een school als Nickel echt heeft bestaan. Archeologische vondsten tonen de, vaak hevig toegedane, lichamen van de scholieren. Jongens over wie werd gezegd dat ze waren weggelopen. Met De jongens van Nickel toont Whitehead een inktzwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis, een bladzijde die helaas behoort tot een nog zwarter boek.

Boeken / Non-fictie

Niet wegkijken maar hoop houden

recensie: Jelmer Mommers - Hoe gaan we dit uitleggen

In Hoe gaan we dit uitleggen poogt Jelmer Mommers op een toegankelijke, urgente en realistische wijze de staat van het klimaat weer te geven. Toegankelijk in haar taalgebruik, urgent in het feit dat het bijna te laat is om nog wat te doen en realistisch in wat we kunnen doen en wat er reeds gebeurt.

Terwijl Hoe gaan we dit uitleggen net uitgelezen op mijn salontafel ligt is het buiten 37 graden. De wind voelt aan als een föhn en er wachten ons nog een paar zeer hete dagen. Sterker nog, het 75 jaar oude hitte-record ging eraan, om de dag daarna ook het nieuwe record verbroken te zien worden. De afgelopen jaren werd de aarde, nou ja, in ieder geval Nederland, steeds wat warmer. De ondertitel klopt dus alvast. Hoe staat het met de inhoud van dit boek?

Wegkijken of hoop houden

Jelmer zegt in het voorwoord dit boek te schrijven voor zijn vriend Tom. Tom is een jongeman (auteur Mommers is zelf 32) die de hoop op verandering opgegeven heeft. Hij kijkt weg. Geen vertrouwen in overheid, bedrijfsleven en zijn medemensen, want zelfs goed op de hoogte is het een helse klus om CO2 neutraal te leven. Mommers begrijpt en deelt soms dezelfde wanhoop, doch kijkt hij niet weg, maar zoekt naar een antwoord, een alternatief op deze somber makende situatie. Mommers koestert tevens hoop en zal dat later in zijn boek ook onder de aandacht brengen. Maar eerst krijgen we een opsomming van hoe het nu met de aarde en ons klimaat gesteld staat. Wat staat ons in de toekomst te wachten en hoe redden we ons uit deze mogelijke apocalyps?

Laat of te laat

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk stelt in zijn analyses over de klimaatverandering en de staat van de aarde dat we in termen van ‘laat’ en niet in termen van ‘te laat’ moeten denken. In het westerse denken lijkt een voorliefde voor eschatologie te zijn. Dat is een mooi woord voor einde-der-tijds-denken. Mommers spreekt vanuit het ‘laat’ denken. Echter, wanneer hij in het eerste deel de geschiedenis van onze huidige problemen induikt, voel je je gegrepen door de wanhoop die vriend Tom reeds uitsprak. Wanneer de feiten worden opgesomd, zoals de bevolkingsexplosie, toename van broeikasgassen, de afname van regenwouden, het verzuren van oceanen en de teloorgang van onze harige, schubbige, geleedpotige, verige en andere medebewoners, dan boort de ernst je laatste sprankje hoop alsnog de grond in. Hoe gaat Mommers ons hiervandaan nog een sluier met hoop oplichten? Onder andere door een ander verhaal aan te bieden. Vorig jaar kwam George Monbiot met een soortgelijk idee, diens boek Uit de puinhopen is daar het resultaat van.

Mogelijke werelden

Mommers beschrijft dan twee toekomstscenario’s. Eén waarbij we de boel op z’n beloop laten en één waarbij we ‘groene’ keuzes maken. We zitten dan al ruimschoots in deel twee en vooralsnog bood het boek weinig overtuiging om nog enigszins hoopvol te worden. Dat verandert vooral met zijn tweede toekomstscenario waarin de Great Turn heeft plaatsgevonden en een herbebossing onderdeel van de oplossing bleek.

Onze hoop krijgt verdere ruggensteun in deel drie, waar onder andere de urgenda klimaatzaak aan bod komt en welke precedenten dit voor de toekomst kan hebben. Ook geeft Mommers kleine keuzes aan, die relatief gemakkelijk uit te voeren zijn. Stap over naar een groene bank, groene energieleverancier, eet eens wat minder vlees, ga eens met de trein in plaats van het vliegtuig op pad. Laten we hopen dat het inderdaad allemaal nog niet te laat is, al deed de zomer vooralsnog denken van wel.

Tot slot

Tot slot nog iets over de stijl en de teneur van dit boek. De stijl is vlot en vooral gericht op jongere mensen. Het taalgebruik is gemakkelijk, wat het boek toegankelijk maakt voor een grote groep geïnteresseerden. Tegelijkertijd doet de vlotte stijl afbreuk aan de ernst van het onderwerp. De gedoseerde boosheid die in Monbiots Uit de puinhopen te lezen viel, past beter bij de urgentie die dit onderwerp verdient. Ook zijn de oplossingen veelal vanuit een economisch oogpunt aangedragen. De vele voorbeelden leveren niet alleen nu, maar zeker in de toekomst economisch meer voorspoed dan voortgaan op de fossiele, huidige weg. Dat maakt de boodschap als zovele: ‘it’s the economy, stupid’. Er moeten, zeker wanneer je kracht in het scheppen van een alternatieve toekomst ligt, andere motieven naast de economische geplaatst worden. Zodat de hoop ook kan wortelen in een ethisch (hoe te handelen), esthetisch (hoe ons leven opnieuw vorm te geven) en netwerk (alles is met alles verbonden) denken. Wellicht komt dat in zijn volgende boek?

Boeken / Non-fictie

De (terecht?) verborgen geschiedenis

recensie: Marcel Hulspas - Uit de diepten van de hel

Twee auteurs die in hun recente boeken focussen op het Romeinse rijk na de echte bloeitijd van de keizers – ruwweg vanaf 200 na Christus – beklagen het feit dat dit een in de literatuur onderbelichte periode is. Maar na deze lectuur moeten we misschien gewoon toegeven dat dit terecht is? Uit de Diepten van de Hel is namelijk een – weliswaar goed geschreven – kluwen van namen en functies waarin een kat haar jongen niet meer terugvindt.

Tot pakweg 200 was de keizertijd en het Romeinse Rijk een echt boeiende periode: de keizers zelf waren larger than life, met Marcus Aurelius kwam er zowaar een ware filosoof-poëet op de troon, de stad Rome was op zijn mooist en ergens in een kleine provincie van het rijk ontpopte een verwaarloosbare joodse sekte zich tot een machtige nieuwe religie. De tweede eeuw na Christus werd door sommige bevlogen auteurs zelfs als “de gelukkigste tijd van de mensheid” genoemd. Maar vanaf dan ging het snel bergaf: (soldaten)keizers volgden elkaar in ijltempo op, het rijk raakte in verval en het West-Romeinse Rijk bezweek in 476 finaal onder de invallen van de ‘barbaren’. Het Westen ging de donkere middeleeuwen binnen, het Oosten wist zich nog tot 1453 te behouden.

De periode waarover Hulsmans schrijft, focust ruwweg op de periode 300-800. Hierbinnen vinden christelijke concilies plaats, blijven keizers elkaar razendsnel opvolgen, is er sprake van vier kerkelijke patriarchen, en kent het Romeinse Rijk zelfs een systeem van tetrarchen: twee keizers en twee onderkeizers die gelijktijdig regeren. Dat zorgt voor een overdaad aan namen en machtswissels die je met geen pen ter wereld boeiend houdt, zelfs al schrijft Hulsmans heel vlot. Het boeiendst is hij wanneer hij de opkomst en groeiende invloed van het christendom beschrijft, maar eenmaal die religie zich verliest in theologische details en in conflicten tussen aanhangers van stromingen gebaseerd op die theologische details, verliest Hulsmans mijn aandacht. Wanneer vervolgens de opkomst van de islam en een nieuwe plejade aan namen op de lezer wordt losgelaten, is het helemaal amen en uit. De scope is gewoon veel te breed. Boeiender was dan bijvoorbeeld Eeuwen van Duisternis, dat scherp focuste op de culturele verwoestingen die onverdraagzame terreurmonniken teweegbrachten.

Nogmaals, het boek is vlot geschreven, maar ook hier toch enkele opmerkingen: de voetnoten zijn dringend aan herziening toe, aangezien de doorverwijzingen erin naar andere pagina’s op bijna geen enkel moment klopt. En bij momenten vergeet de schrijver dat hij een historisch-wetenschappelijk verhaal vertelt en heeft hij het plots over ‘de seriously rich Pinianus’. Ook de schrijffouten en grammaticaal onjuiste termen (‘graanleveranties’?) zijn vaak een doorn in het oog. Maar dat de auteur het tijdperk door en door kent en duidelijk heel veel research heeft gedaan, is op elke pagina duidelijk en dwingt respect af. Alleen levert het geen boeiende literatuur op.

Tot slot nog dit: zelden een boekwerk geweten met een titel die zo slecht de lading dekt. Je zou eerder een geschiedenis verwachten van de verbeelding van het hiernamaals, of een foute roman over demonen. Maar een doorwrocht historisch werk de titel Uit de Diepten van de Hel geven? Wat kan dit meer zijn dan misplaatste sensatiezucht?

Kunst / Expo binnenland

Een wereld in etsen

recensie: Rembrandts Wereld in Teylers Museum

Rembrandt vliegt je deze zomer om de oren. Het is dit jaar immers 350 jaar geleden dat Hollands grootste meester stierf en daarmee is het officieel ‘Rembrandtjaar’. Het Teylers Museum geeft hier invulling aan met de prachtige, simpele tentoonstelling Rembrandts Wereld, waarin werk op papier van Rembrandt en zijn omgeving wordt tentoongesteld.

De wereld van Rembrandt

Rembrandt groeide op in Leiden maar verhuisde op vijfentwintigjarige leeftijd naar Amsterdam. Het komt dan ook niet als een verrassing dat zijn ‘wereld’ voor een groot deel uit deze stad bestaat. Amsterdam speelt een gastrol op veel van zijn etsen. Gezicht op Amsterdam vanaf de Kadijk bijvoorbeeld toont een topografisch vrijwel correcte weergave van de stad, met de Montelbaanstoren en de Oudekerktoren als achtergrond bij een landschap vol molens en boerderijen. Rembrandt was echter ook niet bang voor wat artistieke vrijheid. In Landschap met een boerderij en een hooimijt etste hij een zicht op het Huis Kostverloren nabij de Amstel, waarvoor hij met zijn rug naar Amsterdam moest staan. Toch voegde hij links op de achtergrond een panorama van de stad toe.

Boomgroep met vergezicht, 1652, Collectie Teylers Museum

Etskoning

Rembrandt is natuurlijk de koning der etsen en er zijn dan ook zeker een paar pareltjes opgenomen in Rembrandts Wereld. Het campagnebeeld De drie bomen (zie boven), de grootste landschapsets die Rembrandt ooit maakte, is een prachtige combinatie van licht en donker. Drie bomen op een heuvel steken fel af tegen de witte lucht; links op de achtergrond echter komen diep donkere wolken het tafereel binnen. Voor Boomgroep met vergezicht kraste Rembrandt met een etsnaald direct in de koperplaat. Hierdoor heeft het werk een fluweelachtige kwaliteit, die vaker terugkomt in Rembrandts oeuvre. Ook etskoningen maken soms echter wel foutjes, en met de afdruk van Boerderij met witte planken schutting moet Rembrandt niet helemaal tevreden zijn geweest. Aan de linkerkant heeft hij de ets wat bijgeschilderd met grijs penseel. Op latere afdrukken van deze voorstelling is te zien dat hij op die plek meer lijnen heeft geëtst.

Rembrandt van Rijn (1606 – 1669), Hercules Segers (ca. 1589/90 – ca. 1640), Vlucht naar Egypte, Collectie Teylers Museum

Vrienden

Rembrandts Wereld richt zich niet alleen op Rembrandt zelf. Veel bekende namen uit zijn omgeving komen voorbij. Zo zijn er een aantal werken opgenomen van Jan Lievens, Rembrandts jeugdvriend en collega, waarmee hij in Leiden een tijdje een atelier deelde. Ook Jacob en Philips Koninck, beiden leerlingen van Rembrandt, komen uitgebreid aan bod, evenals Abraham Furnerius. Bijzonder is ook de ‘samenwerking’ tussen Rembrandt en Hercules Segers. Rembrandt was groot fan van de oudere Segers, en voor Vlucht naar Egypte gebruikte hij een oude etsplaat van deze kunstenaar. Hij schraapte wat figuren weg en maakte er een religieuze afbeelding van. Ook zijn er zelfs ‘neppe’ Rembrandts te zien. Over twee kleine werkjes in een vitrine wordt verteld dat de achttiende-eeuwse kunstverzamelaar Cornelis Ploos van Amstel ervan overtuigd was dat ze van Rembrandt waren. De stijl en de penseelstreken echter wijzen erop dat de twee werkjes waarschijnlijk achttiende-eeuwse namaak zijn.

Rembrandt maakte in zijn leven zo’n driehonderd schilderijen, tweehonderdnegentig etsen en tweeduizend tekeningen. In het Rembrandtjaar kan de keuze dus wat overweldigen, maar Rembrandts Wereld is een tentoonstelling die je als Rembrandt-liefhebber niet mag missen. Een prachtige weergave van niet alleen de wereld van de schilder, maar ook zijn vaardigheid als etser en landschapskunstenaar.

Muziek / Concert

Legendarisch feestoptreden

recensie: The Beach Boys & Rotterdams Philharmonisch Orkest

Het optreden van The Beach Boys tezamen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest op de rand van Nederland, de Tweede Maasvlakte, mag gerust legendarisch genoemd worden. De iconische Amerikaanse band had dit plan in 2017 samen met Spido-directeur Leo Blok reeds gesmeed.

De Rotterdamse rederij Spido heeft voor haar 100-jarig feestje The Beach Boys naar Rotterdam gehaald en laat ze samen met het Philharmonisch Orkest spelen. De droom van de directeur komt uit na een gesprek met Bruce Johnston tijdens hun optreden twee jaar eerder. Het feest is geen besloten gelegenheid, maar open voor wie een kaartje kan bemachtigen. De drieduizend toeschouwers vergapen zich aan het megapodium op de Tweede Maasvlakte. Grote schermen aan weerszijden geven eenieder detailbeelden. Helaas loopt het beeld niet synchroon met het geluid, een kleine smet op het perfecte optreden en geweldige geluid.

Nog steeds fit

Een halfuurtje later dan aangekondigd wordt het concert gestart. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest opent de show met een medley van hits van de band alvorens de band het podium betreedt. De band opent met een aantal liedjes uit hun begintijd, zeg maar surfmuziek. Tijdens ‘Surfer Girl’ nodigt Mike Love het publiek uit om de flitslampjes van de mobiele telefoon te laten branden en ze als een moderne aansteker te laten mee-wiegen op de muziek. De nadruk ligt tijdens de eerste set op het vroege werk van de band. Mike Love en Bruce Johnston zijn de enige oprichters die de band nog rijk is. Ze zijn nog opvallend fit gezien de hoge leeftijd van eind zeventig. Dat de band nog zo’n honderdvijftig optredens per jaar schrijft zal zeker bijdragen aan de fitte uitstraling van deze hoogbejaarde muzikanten.

De show duurt bijna twee uren met een korte break, waarin het orkest één instrumentaal nummer laat klinken. De heel hoge noten kunnen deze twee heren niet halen, al laat Johnston later in het concert toch een behoorlijk staaltje zang klinken. Verder neemt Brian Eichenberger naast zijn gitaarspel de fraaie hoge noten, die vooral Brian Wilson zong, voor zijn rekening. De zoon van frontman Mike Wilson, Christian Love, geeft een prachtige vertolking van ‘God Only Knows’. Dat nummer werd vroeger gezongen door Carl Wilson die ons een aantal jaren geleden is ontvallen. Christian Love schittert in deze fraaie uitvoering van het iconische lied van de band.

Memorabele momenten

Na de break opent de band met het Mama’s en Papa’s-nummer ‘California Dreaming’ dat ze in de jaren negentig toevoegden aan hun eigen repertoire. De uitvoering die Bruce Johnston staande achter de toetsen geeft van ‘Disney Girls (1957)’ is adembenemend mooi. Johnston haalt aan het slot zelfs de hoge noten van deze song, die origineel op Surf’s Up verscheen in 1971. In het tweede deel kan de band natuurlijk niet om ‘Sloop John B’ heen dat geweldig klinkt met orkest. Het wachten is dan nog op de allerbekendste topfavoriet van de band. Eerst horen we nog ‘Barbara Ann’ alvorens het fantastische ‘Good Vibriations’ wordt ingezet. De orkestrale begeleiding is fabelachtig. De bassen klinken in het middenstuk onheilspellend. Een waar hoogtepunt, dat het slotakkoord blijkt in te luiden van de show.

Het door Mike Love geschreven ‘Kokomo’, een late hit voor de band, mag natuurlijk niet ontbreken, waarna ze definitief afsluiten met ‘Fun, Fun, Fun’ waarop Johnston en Love het bekende dansje van de band doen. Als de laatste noten van dit lied klinken, wordt een groots vuurwerk afgestoken achter het podium ter gelegenheid van het inmiddels Koninklijk onderscheiden rederijbedrijf Spido. Het spelplezier met het Rotterdams Philharmonisch Orkest steekt Love niet onder stoelen of banken. Een diepe buiging voor deze ruim vijftig jaar opererende band!

Theater / Voorstelling

Tryptich kraakt kritische noot niet overtuigend

recensie: Bryce Dressner, Roomful of Teeth, Akso|Schönberg - Triptych (Eyes of One on Another)

De interdisciplinaire performance Tryptich (Eyes of One on Another) levert een interessante herinterpretatie van het werk van Robert Mapplethorpe, maar slaat soms ook de plank mis.

Tryptich is opgedeeld in drie segmenten, te weten X, Y en Z – overeenkomstig de gelijknamige
portfolio’s waarin de Amerikaanse fotograaf Robert Mapplethorpe in de jaren zeventig en tachtig
stillevens van bloemen, zwarte naakte modellen en de homoseksuele BDSM-cultuur van New York
vastlegde. Daarmee creëerde hij een oeuvre dat toentertijd grote controverse veroorzaakte om zijn
expliciete portrettering van seks en fetisjisme, en daarmee een nationaal gevoerde discussie op gang
bracht over zedelijkheid en censuur.

Is Mapplethorpes werk nog steeds zo controversieel? Valt mee, ben je geneigd te denken, gegeven
het feit dat zijn werk groot getoond wordt in de grote zaal van Internationaal Theater Amsterdam
tijdens een sjiek theaterfestival; ook nog voor een veelal grijs publiek. Toch wel, als je bedenkt dat
het explicietste materiaal van BDSM-acts niet getoond wordt. Stijve piemels à la, anale fisting, toch
maar niet.

Tryptich is een technisch vernuftige voorstelling: de foto’s worden geprojecteerd op grote doeken,
waarachter de muzikanten van Asko|Schönberg en de vocalisten van Roomful of Teeth soms
doorschijnen. Laatstgenoemden plaatsen het werk van Mapplethorpe in een tekstuele, soms
poëtische context, met onder meer teksten van Patti Smith, met wie Mapplethorpe een tijd een
relatie had. Soms sluiten de doeken de achtergrond ook geheel af, zodat een enkele performer
(Martell Ruffin) overblijft op het toneel. Had hij dertig jaar eerder geleefd, dan had hij een van de
modellen van Maplethorpe kunnen zijn. Zijn optreden is minimalistisch maar aanwezig, uitdagend
blijft hij de zaal inkijken, zich schijnbaar weinig aantrekkend van de foto’ achter hem.

Ode en kritiek

Tryptich wil zowel een ode brengen aan Mapplethorpe als zijn werk in een kritisch daglicht plaatsen.
Dit doet het met name wanneer zijn Z-portofolio aan de beurt komt, waarin Mapplethorpe zwarte
naakte modellen portretteerde. Hier wordt de ondertitel van de voorstelling van belang: ‘ogen van
de een op de ander.’ Wat is de relatie tussen fotograaf en model? Gaat het hier om een gelijke,
menselijke relatie? Of objectiveert de blik van de fotograaf zijn model? Onderwijl zingt Roomful of
Teeth teksten van onder meer Essex Hemphill, die Mapplethorpe bekritiseerde op het fetisjeren van
zwarte lichamen. Zo wordt Tryptich een voorstelling over machtsrelaties en objectivicatie.

Met de rol van performer Ruffin lijkt Tryptich deze kritiek op Mapplethorpe breder te willen trekken
naar het publiek in de zaal. Ruffin zoekt de confrontatie met het publiek op, kijkt hen minachtend
aan, lacht het publiek zelfs uit. Hier wordt ons iets verweten, zoveel is duidelijk. Maar wat precies?
Zijn wij de objectiverende blik? Doen wij aan fetisjeren? Of wordt juist het publiek nu geobjectiveerd,
als zijnde een koekje van eigen deeg? Als het doel van Tryptich is om dergelijke reflectie te weeg te
brengen, dan is het werk van een outsider als Mapplethorpe, die zich ver buiten de
mainstreamsmaak bevindt, waarschijnlijk niet de goede ingang. Mapplethorpe is niet het Holland
Festival-publiek, het Holland Festival-publiek is niet Mapplethorpe. Impliceren dat dat wel zo is, doet
beiden geen recht aan. Zodoende wordt deze kritische noot niet overtuigend gekraakt.

Boeken / Non-fictie

De wil tot zijn

recensie: René ten Bos - Extinctie

Filosoof René ten Bos neemt met zijn nieuwste (en wederom fenomenale) boek Extinctie afscheid als Denker des Vaderlands.

Extinctie sluit naadloos aan bij twee eerdere boeken van Ten Bos. Dwalen in het antropoceen (2017) gaat over het tijdperk waarin de mens zijn stempel op de aarde drukt. Ten Bos is op zoek naar een begrip van de mens en diens verhouding tot zijn omgeving. Het volk in de grot (2018) gaat over de tegenstelling tussen het volk en de elite en hun relatie met de waarheid. Zijn nieuwe boek Extinctie gaat over de catastrofale tijd waarin wij leven en waarin door de mens veroorzaakte massa-extinctie plaatsvindt. En daarmee is iets opmerkelijks aan de hand: het raakt ons niet.

Onvoorstelbaar

Ten Bos’ heeft een eigen stijl die ontzettend fijn is. Rustig en onderzoekend benadert hij een onderwerp. De filosoof zet geen betoog op en is nergens normatief. In plaats daarvan neemt hij je mee op pad en daagt hij je uit na te denken, anders te denken en kritisch te denken. Extinctie gaat over het onvermogen van de mens om zich te laten raken door de grootschalige extinctie die vandaag de dag plaatsvindt. Zowel dierlijke als menselijke extinctie is iets waartoe wij ons niet kunnen verhouden en dat intrigeert Ten Bos.

Een van de redenen hiervoor is de onmogelijkheid de extinctie te denken. ‘Dat het leven van mensen ten einde komt, misschien zelfs het leven als zodanig, is iets volstrekt onbegrijpelijks.’ Ook de grote verlichtingsfilosoof Immanuel Kant wist dit al. De mens kan het einde van de dingen niet denken. En je verhouden tot iets wat ondenkbaar is, is onmogelijk. Toch gaat Ten Bos op zoek naar een manier waarop we ons kunnen verhouden tot het onvoorstelbare. Want de extinctie vindt plaats, de mens heeft er een rol in en de wereld verandert met grote snelheid.

Verwachtingen

Een van de redenen waarom de mens zich geen zorgen maakt om de extinctie, is omdat hij de verandering niet waarneemt. Deze problematiek in relatie tot de klimaatcrisis wordt ook wel het shifting baseline syndroom genoemd. Ten Bos noemt dit een soort kennisextinctie: de mens past zijn beeld van wat normaal is continu aan en merkt daardoor veranderingen niet snel op. Zo verwachtte iemand 30 jaar geleden bepaalde vogels te zien in het bos die hij nu nooit meer zou zien. De verwachting verandert en daarmee het ‘normale’. Zo kan het dus gebeuren dat de mens zijn omgeving op grote schaal verwoest zonder dat hij door heeft dat er iets aan de hand is.

Van extinctie zijn geen beelden en daardoor is het moeilijk er een relatie mee op te bouwen. Daarnaast kennen wij een groot deel van de uitstervende soorten niet. Bovendien hebben veel mensen het idee dat extinctie iets is wat bij de natuur hoort, op de ijsbeer die geen ijs meer heeft na dan. Er bestaat inderdaad zoiets als natuurlijke (of: achtergrond) extinctie, maar de huidige door de mens veroorzaakte extinctie gaat 45.000 keer zo hard. Dit onzichtbare gebeuren zal zich langzaam aan ons tonen, doordat hele leefgebieden en ecosystemen erdoor uit balans zullen raken.

Zijn en intimiteit

Ten Bos kiest geen richting maar overweegt verschillende manieren om over het onderwerp na te denken. In het tweede deel van Extinctie staat specifiek de extinctie van mensen centraal. Verschillende filosofen en wetenschappers die zich over dit onderwerp hebben gebogen passeren de revue. Zo ook de Duitse filosoof Lütkehaus met zijn aanklacht tegen wat volgens hem het grote axioma is van het westerse denken. Namelijk, het idee dat zijn iets goeds is en niet-zijn iets slechts. Volgens Lütkehaus wordt onze samenleving gekenmerkt door een wil tot zijn. Wellicht dat het ook dáárom zo moeilijk is het niet-zijn te denken.

Ten Bos slaagt er aan het eind van het boek in te laten zien op welke manier extinctie ons tóch kan raken. Als we onze omgeving en de dingen daarin zien als iets waarmee we een intieme relatie hebben, raakt de extinctie ons in onze intiemste zones. Hier gaat ten Bos verder op de filosoof Giorgio Agamben die stelt dat de dingen waar we een intieme relatie mee hebben, dingen zijn die we ons niet kunnen toe-eigenen. Zoals de wereld, onze taal, het lichaam, het landschap en de dieren. Hier vindt de extinctie plaats en dat is dichterbij dan we dachten.

Ten Bos schrijft met Extinctie wederom een prachtige filosofische verhandeling over een uitermate actueel en verontrustend onderwerp dat alle mensen op een bepaalde manier raakt. Zijn meanderende manier van schrijven is ook in zijn nieuwste boek prettig en doet bovendien het onderwerp recht aan. Absolute aanrader.

Kunst / Expo binnenland

‘Das Innere nach Aussen’

recensie: Maria Lassnig –Ways of Being

Wie een idee wil krijgen van het leven van Maria Lassnig (1919-2014), moet een beetje door de zalen van  de grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam heen- en- weer lopen. De bordjes over verschillende periodes hangen verspreid tussen de meer dan  tweehonderd kunstwerken. Van haar werk lukt dat wat makkelijker, als je één en ander op elkaar betrekt.

Zaalopname Maria Lassnig – Ways of Being, 2019, Stedelijk Museum Amsterdam.
Foto: Gert Jan van Rooij

Er is bij de niet chronologisch maar thematisch ingerichte zalen en kabinetten wél een hulpmiddel gebruikt: het onderdeel over haar Parijse jaren heeft bijvoorbeeld roze muren, haar New Yorkse jaren blauwe. Opvallend is, dat op de tekstbordjes de nadruk valt op mensen die Lassnig in respectievelijk Parijs en New York ontmoette, zoals de dichter Paul Celan en beeldhouwster Louise Bourgeois, van wie in de tuinen van het Rijksmuseum in Amsterdam overigens tot en met 3 november a.s. werk valt te zien. Informatief voor de context, dat zeker, hoewel Lassnig goed op eigen benen kan staan.

Körperbewusstsein

Soms doet zo’n ontmoeting er echter wel toe. Neem bijvoorbeeld Lassnigs Spreektralie (1999) waarin tralies het hoofd van een lichaam scheidt: ‘We zijn vreemden voor elkaar’ is de tekstregel van Celan die erbij hangt. Dat heeft niets met een Descartiaanse scheiding tussen lichaam en geest te maken, maar alles met wat Lassnig Körperbewusstsein (lichaamsbewustzijn) noemde: het probleem dat je je hersenen niet kunt voelen op de manier waarop je je benen, buik en borsten voelt. Dit leren we uit de film Iris (1971) over haar buurvrouw en vriendin.

Körperbewusstsein is hét centrale thema in het werk van Maria Lassnig, waarvoor ze in 1948 de term bedacht. Toen had ze haar studie in Wenen (tijdens de Tweede Wereldoorlog) al afgerond en stond op het punt uit te vliegen; van 1960-1968 woonde en werkte ze in Parijs (waar ze dus onder anderen Celan ontmoette). In 1968 verhuisde ze naar New York (waar ze dus onder meer Louise Bourgeois leerde kennen). In New York studeerde ze animatiefilm, waarvan in de tentoonstelling enkele voorbeelden zijn te zien. Haar beroemdste film, Kantate (1992) wordt op groot scherm ook vertoond. In 1980 werd Lassnig hoogleraar aan de Universiteit van Wenen. Daar overleed ze, in 2014.

Maria Lassnig, Dame mit Hirn, ca. 1990-1999. © Maria Lassnig Foundation

Zwevende hersenen

Wat dat lichaamsbewustzijn inhoudt, is duidelijk aan de schilderijen, tekeningen, films en beeldhouwwerken af te lezen: Lassnig beeldde alleen díe delen van meestal haar eigen lichaam af, die ze voelde. Op die manier mist het lichaam vaak een boven- of onderkant, is iets vaag gehouden of zweven de hersenen boven het hoofd. Zowel in vroeg als later werk, in het dierlijke Kopf (1963) en Dame mit Hirn (ca. 1990-1999), of het bronzen beeld Gehirnausschütterung (ca. 1979-1980).
Aan Lassnigs fascinatie voor dieren is een hele zaal gewijd, waarin de verhouding tussen mens en dier (vaak als alter ego) wordt belicht.

Maar er is ook nog iets anders. In een intrigerend zelfportret uit 1971 (Selbstporträt mit Regenschirm) is haar hoofd in cellofaan gewikkeld. Er is dus niet alleen een breuk tussen het gevoel van het hoofd en de rest van het lichaam, maar ook in de communicatie tussen het ik en de buitenwereld, lijkt ze te willen zeggen.
Een buitenwereld die haar werk lang niet altijd begreep. En dat doet, lijkt Glas im schwarzen Kopf (voor 2002) te suggereren, pijn. Immers: ook pijn is Körperbewusstsein.

Maria Lassnig, Selbstporträt mit Regenschirm, 1971. Courtesy Kunstsammlung des Landes Kärnten / MMKK, Klagenfurt. Foto: F. Neumueller. © Maria Lassnig Foundation

Dat neemt niet weg dat de kunst van Maria Lassnig op grote, gerenommeerde tentoonstellingen te zien was. Ze vertegenwoordigde Oostenrijk bijvoorbeeld op de Biënnale in Venetië (1980) en nam deel aan de documenta in Kassel (1982 en 1997).
In 1994 was haar werk ook in het Stedelijk Museum Amsterdam te zien, op Rudi Fuchs’ eerste Couplet-tentoonstelling, Das Innere nach Aussen. Een heel toepasselijke titel, eigenlijk ook voor deze grote, overrompelende overzichtstentoonstelling die nog op initiatief van oud-directeur Beatrix Ruf in samenwerking met het Albertina Museum in Wenen tot stand kwam. Een tentoonstelling om een paar keer naar toe te gaan, wil al dat indrukwekkende werk goed tot je doordringen. Met name het latere werk pakt je bij de lurven.

Theater / Voorstelling

Holland Festival opent met een overdonderende voorstelling over een vergeten geschiedenis

recensie: Holland Festival - Openingsvoorstelling

Met The Head and the Load van William Kentridge opent Holland Festival met een sterke voorstelling die de toon zet voor de rest van het festival.

Afgelopen week ging het Holland Festival weer van start in Amsterdam. Vorig jaar nam Ruth Mackenzie na vier jaar afscheid als artistiek directeur, volgend jaar neemt Emily Ansenk (directeur van de Rotterdamse Kunsthal) het stokje over. Je zou dit jaar dus kunnen spreken van een intermezzo-editie. Het festival experimenteert met zogeheten ‘associate artists’; te weten de Congolese choreograaf Faustin Linyekula en de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. Hun werk zal de komende weken centraal staan op het theaterfestival. Met deze twee Afrikaanse makers als middelpunt kiest het Holland Festival voor een duidelijk politiek accent in de programmering, waarin thema’s als racisme en dekolonisatie nadrukkelijk aan bod komen.

Zo ook in de indrukwekkende openingsvoorstelling The Head and the Load van William Kentridge, die afgelopen dagen in Theater Amsterdam te zien was. Deze muziektheatervoorstelling vertelt het verhaal van de honderdduizenden Afrikaanse zwarte mannen die tijdens de Eerste Wereldoorlog gerekruteerd werden door een van de Europese koloniale grootmachten. Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook Duitsland bezaten tijdens het uitbreken van de Eerste wereldoorlog grote kolonies in Afrika; wat deze Europese oorlog onvermijdelijk naar het Afrikaanse continent bracht. Deze rekruten werden vaak niet zozeer als soldaten, maar als dragers van oorlogsmateriaal ingezet. Want anders dan in Europa kon dit materiaal wegens het ontbreken van spoorlijnen vaak niet per trein vervoerd worden. Het werd daarom op schouders en hoofden verplaatst.

Fragmentarisch

Dit verhaal wordt associatief en fragmentarisch verteld waarbij het uitdrukken van ideeën en gevoelens voorrang geniet boven het vertellen van een conventioneel narratief. Kentridge brengt in deze voorstelling theater, muziek, bewegingskunst en beeldende kunst samen op een podium van vijftig meter breed, waarop gedurende de voorstelling bijna veertig performers actief zijn. Tezamen zetten zij een strak gestructureerde montagevoorstelling neer die vele aspecten aanstipt en soms uitdiept. Het fragmentarische karakter van de voorstelling is soms overdonderend, maar ook gepast, omdat het resoneert met de niet-eenduidige ervaring van oorlog en de niet-rechtlijnige ontwikkeling van politieke geschiedenis.

Indrukwekkend is onder meer de minutenlang durende mars die halverwege de voorstelling wordt ingezet waarin de spelers, als dragers van wapentuig en andere oorlogsgoederen, van de ene kant van het enorme podium naar de andere kant marcheren. Op de eveneens enorme achterwand vermenigvuldigen deze dragers zich in een metershoge schaduwmars. Deze achterwand vervult ook in de verdere voorstelling een belangrijke rol; hierop dansen niet alleen de uitvergrote schaduwen van de spelers, maar worden ook veel tekeningen en animaties geprojecteerd. Zoals landkaarten waarop militaire bewegingen uitgestippeld zijn en vele van de kenmerkende houtskooltekeningen van Kentridge.

Paradox

Ook muzikaal heeft The Head and The Load een fluïde karakter; van opera, naar marsmuziek tot dadaïstische koren. Indrukwekkend is onder meer het gezamenlijk aanheffen van het Britse volkslied God Save the King. In het zingen van dit lied wordt een paradox uitgedrukt die het hart vormt van de voorstelling. Hoewel het misschien tegenintuïtief voelt, zijn oorlogen niet zelden emancipatoire processen, waarin mensen die voorheen als tweederangsburgers werden beschouwd hun plek opeisen in de maatschappij. Kijk bijvoorbeeld naar de vele vrouwen in Nazi-Duitsland en Groot-Brittannië die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, omdat de mannen zich aan het front bevonden, voor het eerst werk buiten het huishouden vonden. In Afrika bleef soortgelijke emancipatie uit. Zwarte mannen werden gevraagd om in gelijkheid te sterven voor Koning of Kaiser, maar daar hield de broederschap ook wel op. Hoewel deze mannen een enorm offer brachten, bleef de zwarte bevolking in koloniale rijken een tweederangspositie behouden.

Dat bewustzijn klinkt door wanneer de regels God Save our Gracious King keer op keer herhaald worden, plechtig maar in vol besef van deze paradoxale ironie.

Zo opent deze editie van Holland Festival met een indrukwekkende productie.

Meer werk van Kentridge is dit festival onder meer te zien in Defence of the less good idea en de gratis te bezoeken 3D-tentoonstelling The Invisible Exibition in Frascati. Verder is in filmmuseum EYE tot september de tentoonstelling William Kentridge – Ten Drawings for Projection te bezoeken waarin verschillende korte houtskoolanimaties van Kentridge te zien zijn.

Boeken / Boeken / Boeken / Non-fictie
recensie: Volker Ullrich - Adolf Hitler: De jaren van ondergang 1939-1945

Führer hield het volk tot het einde in zijn ban

‘Als ooit een mens door successen is gegroeid, maar ook de gave bezat door successen te groeien, dan is het Hitler. De triomfzuil van het geluk verhief zich samen met hem, scherpte zijn blik en de draagwijdte van zijn stem. Pas met zijn successen heeft hij zich als persoonlijkheid ten volle ontplooid.’ Dit schreef Konrad Heiden al in 1937 over Hitler.

Hitler geldt als de belichaming van het kwaad en blijft daarom fascineren. De Duitse historicus Volker Ullrich (1943) komt in het tweede deel van zijn uitmuntend geschreven, maar door kleine zetfoutjes ontsierde biografie Adolf Hitler. De jaren van ondergang 1939-1945 met een aantal ontstellende conclusies.

Daderschap

Zo was de kring van daders van de Holocaust nóg groter dan tot nu toe werd aangenomen. Ullrich komt tot 200.000-250.000 Duitse en Oostenrijkse daders en miljoenen mensen die profijt hadden van de massamoord. Ook Ullrich heeft geen schriftelijk bevel van Hitler gevonden, dat als een soort startschot van het vernietigingsproces gefungeerd zou hebben.

De Jodenvervolging kreeg vorm door een ingewikkelde wisselwerking tussen het centrum in Berlijn en de in de periferie van de bezette gebieden opererende eenheden van de SS, de politie én de Wehrmacht. Ullrich stelt dat de Wehrmacht achter de frontlinie actief met de Einsatzgruppen samenwerkte. De naoorlogse mythe ‘wir haben es nicht gewusst’ was onzin. Iedereen in Duitsland wist van de Jodenvervolging.

Führerbindung

Ullrich reconstrueert nauwgezet Hitlers aandeel in de Endlösung. Steeds laat de auteur zien wanneer, hoe en met welk resultaat Hitler ingreep om het proces te versnellen. In die opzet is Ullrich zonder meer geslaagd. De Duitse historicus Peter Longerich noemde in zijn biografie Hitler (2015) de ongekende machtsmiddelen en handelingsvrijheid van de Führer dé beslissende factoren voor de Holocaust. Ullrich heeft meer oog voor zijn persoonlijkheid en het perspectief van de maatschappelijke geschiedenis van het Derde Rijk. Zonder die achtergrond is de steun voor de dictator niet te begrijpen.

Hitler was een hysterische man zonder empathisch vermogen. Met uitpuilende ogen en het schuim op de lippen kon hij generaals uitkafferen, terwijl zijn stemming enkele seconden later als een blad in de wind kon omslaan. Op de buitenwereld kwam deze borderline-achtige figuur, die altijd precies wist wat hij deed, gek genoeg bijzonder charismatisch over.

Tussen het volk en de leider ontstond een schier onverbrekelijke ‘Führerbindung’. Economische en militaire successen werden aan Hitler toegeschreven, terwijl tegenslagen op het bordje van zijn kliek terechtkwamen. Hitler was de ster aan het firmament om wie alles draaide. Voortdurend wedijverden zijn paladijnen om zijn gunst. Mondeling gegeven ‘Führerbevelen’ werden steevast op de radicaalste wijze geïnterpreteerd en uitgewerkt. Kershaw noemde dat de Führer ‘tegemoet werken’.

Eerste soldaat

Met het trauma van 1918 in zijn achterhoofd, koos Hitler in 1939 voor een vervroegde veroveringsoorlog. Daarbij hanteerde hij telkens een ‘va-banque strategie’. Als een volleerd acteur speelde Hitler verschillende rollen. Na de overwinning op Polen in oktober 1939 volgde een glorieuze intocht. Het ontbijt dat legerleider op het vliegveld had geregeld, weigerde Hitler. ‘Ik eet alleen uit de veldkeuken, staand met mijn soldaten.’

Door de razendsnelle verovering van West-Europa groeide Hitler in zijn rol als militair genie. Historici omschreven Hitler nadien als een dilettant. Destijds waren militairen oprecht onder de indruk van zijn omvangrijke feitenkennis en zijn vermogen om in grotere verbanden te denken.

Het besluit om Brauchitsch te ontslaan en zelf opperbevelhebber te worden was echter een kapitale blunder. Evenals Hitlers idee om een twee-frontenoorlog te riskeren door de Sovjet-Unie aan te vallen alleen om zo Engeland aan de onderhandelingstafel te krijgen. Daarmee onderschatte Hitler volledig de bereidheid van Churchill om alleen de strijd voort te zetten.

Medeplichtig

De vraag waarom de Duitsers de oorlog zo lang vol wisten te houden blijft actueel. Een uitspraak van Hitler uit januari 1940 naar aanleiding van de in Polen begaande misdaden spreekt boekdelen: ‘En hebben we gewonnen, wie vraagt ons dan nog naar de methode. We hebben hoe dan ook al zoveel op ons kerfstok dat we wel moeten winnen, want anders wordt ons hele volk uitgewist.’

Nadat het Duitse offensief in december 1941 voor de buitenwijken van Moskou vastliep, was een kans op een eindzege verkeken. Hitler wist dit als geen ander. Toch hield hij naar buiten toe de schijn van optimisme op. Met het uitroeien van de Joden maakten de nazi’s de Duitse bevolking medeplichtig en werden de laatste schepen verbrand. Volgens Ullrich is het definitieve besluit daartoe ergens halverwege december 1941 genomen.

Frederik de Grote

Na het keren van de oorlogskansen verdween Hitler uit de openbaarheid. Tot ongenoegen van zijn grootste fan, minister van Propaganda Goebbels. Hitler takelde lichamelijk razendsnel af. Niet door zijn vermeende drugsgebruik, zoals Norman Ohler onlangs betoogde. Voortdurende stress en gebrek aan zonlicht door het maandenlange verblijf in zijn ondergrondse ‘grafkamer’, deden de dictator de das om.

Begin 1945 speelde Hitler in de bunker zijn laatste hoofdrol: die van Frederik de Grote. Hij hoopte op net zo’n wonderbaarlijke omslag als in 1762, toen Pruisen door de plotselinge dood van tsarina Elisabeth werd gered. Hitler hield het geloof in een Houdini-achtige ontsnapping levend, terwijl hij heimelijk allang de moed had opgegeven. Zo kreeg het Derde Rijk de Götterdammerung die in een opera van zijn held Wagner niet zou hebben misstaan.