Tag Archief van: Kunst

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Boeken / Non-fictie

Als woorden swingen

recensie: Jazzportretten – Haruki Murakami

Het is geen geheim dat de Japanse meesterverteller Haruki Murakami een diepgaande, bijna obsessieve liefde koestert voor muziek. Wie zijn romans leest – van Norwegian Wood tot De moord op Commendatore – hoort op de achtergrond altijd wel een vinylplaat kraken. Maar nergens wordt zijn passie zo tastbaar, intiem en aanstekelijk als in Jazzportretten. Dit boek is geen gortdroge encyclopedie van de jazzgeschiedenis. Nee, het is een hoogstpersoonlijke, melancholische en ritmische ontdekkingsreis door de platenkast van een van ’s werelds meest geliefde auteurs.

Samen met de sfeervolle, minimalistische portretten van illustrator Makoto Wada vormt dit werk een prachtig samenspel tussen beeld, woord en klank. Murakami nodigt de lezer uit om naast hem op de bank te gaan zitten, een glas whisky in te schenken en simpelweg te luisteren.

Een visueel en literair platenkabinet

De opzet van Jazzportretten is even elegant als eenvoudig. Het boek is opgebouwd uit korte essays, elk gewijd aan een specifieke jazzmuzikant. Grote iconen zoals Miles Davis, John Coltrane, Billie Holiday en Thelonious Monk passeren de revue, maar Murakami maakt ook ruimte voor de minder bekende helden van het genre, zoals Jack Teagarden, Hoagy Carmichael, Teddy Wilson, Jimmy Rushing en Shelly Manne.

Bij elk essay hoort een handgeschilderd portret van Makoto Wada. De stijl van Wada – gekenmerkt door zachte lijnen en een vleugje retro – vangt perfect de essentie van de muzikanten. De illustraties en de teksten versterken elkaar: waar Wada de visuele toon zet, vult Murakami de ruimte met anekdotes, persoonlijke herinneringen en poëtische bespiegelingen.

De soundtrack van een schrijversleven

Wat deze bundel zo fascinerend maakt, is de autobiografische ondertoon. Voordat Murakami doorbrak als schrijver, runde hij jarenlang een jazzbar genaamd Peter Cat in Tokio. Jazz is voor hem niet zomaar een hobby; het is het fundament van zijn creatieve identiteit. In Jazzportretten legt hij subtiel de link tussen het ritme van de jazz en zijn eigen schrijfstijl. Hij laat zien dat een goede zin, net als een goede solo, moet ademen, improviseren en swingen.

Zijn essay over Billie Holiday is misschien wel het emotionele hoogtepunt van de bundel. Murakami reflecteert op het tragische leven van de zangeres en hoe ze haar pijn transformeerde in pure, rauwe kunst. Het is hier dat Murakami’s gave als empathisch waarnemer schittert: hij luistert niet alleen naar de muziek; hij luistert naar de ziel van de artiest.

Toegankelijk en lyrisch

De schrijfstijl in Jazzportretten is typisch Murakami: bedrieglijk eenvoudig, melancholisch, trefzeker en doorspekt met alledaagse magie. Hij vermijdt pretentieus jargon. Je hoeft geen musicoloog te zijn om van dit boek te genieten. De kracht ligt in de metaforen. Murakami slaagt erin om de abstracte ervaring van het luisteren naar muziek om te zetten in concrete, tastbare beelden. Een saxofoonsolo wordt een briesje dat door een open raam waait; een drumritme wordt de hartslag van een slapende stad.

De Nederlandse vertaling – door Luk Van Haute – verdient hierbij een compliment. Het lome, ietwat laconieke maar altijd gloedvolle ritme van Murakami’s oorspronkelijke proza blijft in de vertaling prachtig overeind. De tekst swingt op zijn eigen bescheiden manier.

Fragmentarisch genieten

Als er één punt van kritiek moet worden gegeven, dan is het dat het boek door zijn opzet fragmentarisch is. Omdat de essays oorspronkelijk als losse columns zijn geschreven, ontbreekt een doorlopende verhaallijn. Wie achter elkaar doorleest, kan een zekere herhaling in structuur ervaren (introductie van de muzikant, een specifieke elpee, een persoonlijke anekdote, een conclusie). Oftewel: ‘het bekende liedje’.

Jazzportretten is dan ook geen boek om in één ruk uit te lezen. Het is een salontafelboek in de beste zin van het woord: een werk dat je erbij pakt om telkens één of twee portretten te consumeren, bij voorkeur met de besproken muziek zachtjes op de achtergrond. Dan pas komen de woorden van Murakami écht tot leven.

Een must have voor de zintuigen

Jazzportretten is een teder, visueel prachtig en diep muzikaal boek. Het biedt een unieke inkijk in de geest van Haruki Murakami en viert tegelijkertijd de tijdloze genialiteit van de jazzpioniers. Het is een ode aan de analoge wereld, aan vinyl, aan imperfectie en aan de troost die muziek kan bieden.

Voor de diehard Murakami-fan is dit boek een onmisbaar puzzelstukje om het ritme van zijn romans beter te begrijpen. Voor de jazzliefhebber is het een feest van herkenning, en voor de leek is het de ultieme, laagdrempelige gids om een legendarisch genre te ontdekken. Jazzportretten laat je niet alleen met andere ogen naar kunst kijken, maar vooral met andere oren naar de wereld luisteren. Een absolute aanrader.

Kunst / Expo binnenland

Steve McQueen: bevlogen en confronterend

recensie: Atlas - Steve McQueen
Bounty, 47 foto’s van bloemen op het eiland GrenadaJeanne van Rutten

Kunstenaar en filmmaker Steve McQueen (1969) verkreeg internationale faam door zijn met Oscars bekroonde speelfilm 12 Years a Slave. Voor Nederland geldt in het bijzonder zijn documentaire De bezette stad, een vier uur durende reis, gefilmd in een setting van hedendaagse straattaferelen over het oorlogsverleden van Amsterdam. Ook buiten de filmwereld geniet McQueen een grote erkenning. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke hedendaagse kunstenaars en ontvangt dit jaar de Erasmusprijs. In De Pont in Tilburg is momenteel Atlas, de eerste solotentoonstelling van McQueen in Nederland, te zien.

De tentoonstelling bestaat uit vier werken met elk een eigen verhaal: Bounty, Atlas, Untitled en Sunshine State. Het is aan te bevelen het daaraan voorafgaande videoportret van de kunstenaar, In His Own Words, te bekijken. Daarin vertelt McQueen wat zijn gedachten en overwegingen zijn bij de tentoongestelde werken. Het gaat namelijk niet alleen om wat waarneembaar is, maar vooral om de diepere en bredere betekenis.

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal. Foto: Jeanne van Rutten

Bounty (2024) is een verzameling van 47 door McQueen gemaakte kleurenfoto’s van tropische bloemen op het Caraïbische eiland Grenada. De foto’s hangen in een strakke horizontale lijn in een grote, hoge en verder lege zaal. Het zouden de illustraties kunnen zijn voor een fotoboek over exotische planten. De hibiscus is mooi als altijd, net zoals de orchideeën en de bougainville. Maar daar gaat het de kunstenaar niet om. De verzameling vormt de achtergrond van de dramatische en mensonterende geschiedenis van de Caraïben. Te beginnen met het vermoorden van de oorspronkelijke bewoners door de Spanjaarden. Gevolgd door scheepsladingen vol met Afrikaanse, zwarte gevangenen: mannen, vrouwen en kinderen om – als ze de overtocht al overleefden – tewerkgesteld te worden als slaven. De bloemen zullen ook gezien en geroken zijn door kolonisten, de overheersers, zoals Engelsen, Nederlanders en Fransen. Terwijl de tragedies elkaar opvolgden, bleef de natuur in al haar pracht bestaan.

Het eindeloze heelal

De installatie Atlas, genoemd naar de titaan die de wereld draagt, werd in opdracht van De Pont ontwikkeld. In een schemerachtige ruimte hangen vier monitoren. Op de schermen bewegen witte vierkanten in schijnbaar willekeurige patronen. McQueen vertelt dat hij bij de ontwikkeling van de installatie moest denken aan de grove pixels van de eerste computergames. De bewegingen op het scherm zijn echter geen game, maar de bewegingen in de kosmos. Om deze in beeld te brengen, is gebruikgemaakt van de data die verzameld zijn door de GAIA-ruimtesonde van de European Space Agency. De sonde legt continu de positie, beweging en helderheid van meer dan een miljard sterren vast. De kunstenaar wil de bezoeker niet belasten met de verwerking van de eindeloze hoeveelheid data, maar met wat het zichtbaar oplevert, namelijk de gewaarwording dat het heelal continu en oneindig in beweging is. Het kan bijvoorbeeld de verwondering opleveren dat het licht van al lang uitgedoofde sterren de aarde nog steeds bereikt. En de vraag of de mens, in de hier ervaren nietigheid van zichzelf, het heelal ooit zal kunnen doorgronden.

Een duister geluid

Sunshine State, blackface – scene

Sunshine State. Foto: Jeanne van Rutten

Het is bijna een claustrofobische ervaring om door een donker gangetje naar een donkere ruimte te lopen. Er is, nadat je ogen enigszins zijn gewend aan het donker, ook nog eens niets te zien. Wel te horen. Een minutenlang ongemakkelijk, hard geluid. Untitled is wat je hoort als iemand verbeten op een boksbal mept. Je hoort hoe de bokshandschoenen op het leer afketsen en het gehijg en gekreun van de bokser. De kunstenaar geeft geen andere betekenis aan de installatie dan dat de bezoeker de confrontatie aangaat met wat het met je doet. Zoals dat het een volledig, onbeheerste uiting van agressie zou kunnen zijn. Om angstig van te worden. Maar het kan natuurlijk ook onmacht zijn die even onbeheerst wordt afgereageerd. Ook iets wat niet geruststelt. Het ligt in ieder geval niet voor de hand te denken dat het hier een bokser betreft die aan het trainen is.

Niet zo zonnig

De vader van McQueen werd geboren op Grenada en vertrok in de jaren vijftig als seizoensarbeider naar Florida om sinaasappels te plukken. Pas aan het eind van zijn leven vertelde hij aan zijn zoon hoe hij een racistisch geweldsincident bijna met de dood moest bekopen. Het leverde hem een levenslang trauma op. De kunstenaar was geschokt, zijn vader had er altijd over gezwegen. Met Sunshine State worden het racisme, de stereotypering en de geschiedenis van zijn vader verbeeld. McQueen zegt in In His Own Words dat hij er jaren over heeft gedaan de filmrechten van The Jazz Singer, de eerste gesproken film met Al Jolson in de hoofdrol, te verwerven. Dat lukte niet. Toen de rechten vrijkwamen door verjaring, kon de kunstenaar zijn idee eindelijk verder uitwerken. Al Jolson trad op met een blackface; theaters waren voor zwarte artiesten verboden terrein. In de beelden die nu te zien zijn, wordt de huid van Al Jolson onzichtbaar als hij zich schminkt, tot iemand die niet bestaat. De commentaarstem verhaalt over de vader van McQueen. De film wordt op twee schermen vertoond, dezelfde scènes, fragmentarisch, de een net even wat anders dan de ander. In zwart-wit en in negatief. Door herhalingen wordt het verhaal extra kracht bijgezet. Verder zijn er beelden van een allesverzengende zon en hoe verschroeiend deze kan werken.

Verwondering

McQueen zegt verwonderd te zijn dat typisch Amerikaanse symbolen zoals Al Jolson, Mickey Mouse en Michael Jackson alle drie zwart-witte handschoenen dragen. Hij is er nog niet uit. Een opmerking die laat zien dat er veel is wat hem bezighoudt, en dat is precies wat deze tentoonstelling duidelijk maakt. Het is fascinerend zijn denkproces te volgen en te ontdekken hoe dit heeft geleid tot het tentoongestelde werk.

Kunst / Expo binnenland

Voor- en achteruit

recensie: Toen ik de zon en de maan tegelijk zag - Tina Farifteh
Tina Farifteh - Toen ik de zon en de maan tegelijk zagTina Farifteh

In de installatie Toen ik de zon en de maan tegelijk zag rijdt een personenauto op een donker landweggetje dan weer vooruit en dan weer achteruit. De auto is als een januskop die beurtelings voor- en dan weer achterwaarts kijkt. Net als het leven van de Iraans-Nederlandse kunstenares Tina Farifteh. Zij maakte deze installatie die is aangekocht door en valt te zien in het Fries Museum in Leeuwarden.

De installatie met video en lichtkunst van Tina Farifteh is een gecomprimeerde (24 minuten durende) versie van oorspronkelijk een etmaal lange reis (24 uur en 24 minuten) langs de Friese zeedijk, waar de horizon de enige grens is. Oorspronkelijk werd Toen ik de zon en de maan tegelijk zag in samenwerking met Prospektor gemaakt voor BredaPhoto.

Tina Farifteh, installatieoverzichten van Toen ik de zon en de maan tegelijk zag, 2024. In samenwerking met Studio Boris Acket. Met dank aan BredaPhoto, Mondriaan Fonds, Stichting Oog op de Natuur, Stichting Forhanna en Amarte Fonds. Collectie Fries Museum, aangekocht met steun van Provincie Fryslân en het Mondriaan Fonds. © 2025 Prospektor. Foto's: Ruben van Vliet.

Tina Farifteh. Collectie Fries Museum © 2025 Prospektor. Foto: Ruben van Vliet.

Het achteruitrijden van de auto staat symbool voor niet meer terug kunnen naar Fariftehs geboortegrond, naar een land in oorlog. En het vooruitrijden voor vooruitkijken, voor haar integratie in Sexbierum (Friesland). Hierover gaat ook de schitterende, driedelige televisiedocumentaire Tina in Sexbierum. De zon en de maan staan symbool voor de warme Oriënt en het killere Westen.

De titel doet denken aan die van de debuutroman van de Surinaamse schrijver Xillan Macrooy: Mensen als zonnen en mensen als manen (uitg. Blauw Gras). Het is al met al een hoopvolle titel: er is voor Farifteh weliswaar een deur dichtgeslagen, maar een raam met een uitzicht opengegaan waardoor zowel de zon als de maan vallen te zien.

Inzoomen en uitzoomen

De kunstenares wordt in 1982 in Teheran geboren en woont vanaf haar dertiende in het kader van gezinshereniging in Nederland. Ze studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar ze in 2021 afstudeert in fotografie. Sindsdien wint ze met haar foto’s en films vele prijzen, waaronder de Zilveren Camera in de categorie Storytelling (2024). Farifteh strijkt in Sexbierum neer nadat ze de huur in Amsterdam niet meer op kan brengen.

Tina Farifteh - Toen ik de zon en de maan tegelijk zag

Foto: Aron Weidenaar.

De installatie vertoont in zekere zin gelijkenissen met de film die ze in het kader van Document Nederland maakte en die in het Amsterdamse Rijksmuseum (2025) te zien was, maar de twee verschillen wezenlijk van elkaar. Waar het in Document Nederland over ‘ons’ gaat – over hoe wij ons verhouden tot vluchteling B. die vastzit op Schiphol – vertrekt deze installatie bij Farifteh zelf en bij haar komst naar en integratieproces in Sexbierum. De film voor Document Nederland wil onderzoeken (een woord dat Farifteh zelf ook gebruikt in een interview in het televisieprogramma Buitenhof), waar haar installatie juist emoties en ideeën wil overbrengen.

Emoties en ideeën over de (on)mogelijkheid om je in te leven in de pijn van een ander en er voor elkaar te zijn. Over samenleven zonder de verschillen glad te strijken. De documentaire Document Nederland zoomt in (zelfs letterlijk: louter op de ogen van B.), de installatie zoomt uit. Over de Friese akkers, modder, smalle weggetjes, wolkenluchten en de zee.

Het verhaal van ontheemding en onthechting van Farifteh (maar ook van vluchteling B.) zoomt tevens uit in de zin dat het universeel is en eigenlijk door iedereen zou moeten worden gezien en gehoord. Juist nu. De muziek van Eddy Steeneken, Freedom van Homayoun Shajarian & Seventh Soul, en Tehran van Roody sluiten naadloos op het verhaal en de beelden aan. Ze gaan niet samen, maar blijven in hun eigenheid staan. Zo zou het moeten zijn.

Tina Farifteh

Foto: Tina Farifteh.

Kunst / Expo binnenland

ÉCHTE MANNEN: Hoe het Stedelijk Museum de manosphere ontmantelt

recensie: Beyond the Manosphere: Masculinities Today – Stedelijk Museum Amsterdam
Marie Mul, Scalp (U), 2021, siliconen en synthetisch haarTessa Vallinga

Wie de drempel van het Stedelijk Museum overstapt voor Beyond the Manosphere: Masculinities Today wordt niet begroet door het geschreeuw van testosteron gedreven influencers, maar door de glans van verval. De tentoonstelling stelt een urgente vraag: wat betekent het om vandaag de dag een man te zijn?

Bij binnenkomst eist een overdaad aan goud direct de aandacht op. Mourning for a World of Rubbish (2020) van John Miller is een vergulde ruïne; een kitscherige obelisk en triomfboog die, in plaats van heldendaden, de rommel van alledag herbergen. Half opgegeten broodjes en weggegooide waterflesjes liggen tussen de goudglans. Het is een krachtig openingsbeeld. Klassieke architecturale elementen, traditioneel gebruikt om de glorieuze prestaties van historische mannen te vieren, liggen in duigen en zijn getransformeerd tot een podium voor het banale. Miller zet direct de toon voor een expositie die de manosphere tot op het bot ontleedt.

Lompe dominantie versus kwetsbaar kaal

De manosphere – een diffuus maar invloedrijk netwerk van online mannengemeenschappen en socialemediafiguren – draait om een hypermannelijk ideaalbeeld waarin traditionele genderrollen worden verheerlijkt en feminisme vaak als bedreiging geldt. Achter retoriek van zelfverbetering en discipline schuilt geregeld een wereldbeeld dat misogynie normaliseert en man-zijn reduceert tot dominantie, controle en status. Juist die digitale beeldvorming fileert het Stedelijk: niet door te moraliseren, maar door de kwetsbaarheden, onzekerheden en spanningen bloot te leggen die onder dit verharde oppervlak schuilgaan.

De kracht van deze tentoonstelling schuilt dan ook in de zorgvuldig gekozen contrasten. Neem de confrontatie tussen het werk van SoiL Thornton en Marlie Mul. Midden in de doorgang van de ene naar de andere tentoonstellingszaal blokkeert Thorntons The “Husband” Chair (SC) (2021) de doorgang. Deze kolossale, chocoladebruine opblaasstoel dient als knipoog naar de passieve wachtplekken voor mannen in Amerikaanse warenhuizen en verbeeldt een lomp soort aanwezigheid.

Lijnrecht daartegenover bolt de siliconen sculptuur van Marlie Mul uit de muur. Het is een kalende hoofdhuid, met chirurgische precisie voorzien van synthetische haren. Het werk is even klinisch als intiem, de kijker wordt gedwongen te staren naar een onzekerheid die mannen doorgaans angstvallig proberen te bedekken. Waar de stoel van Thornton ruimte inneemt, vraagt de hoofdhuid van Mul om tederheid.

Parfumflesjes

Dat er druk achter die mannelijke schoonheidsidealen schuilt, is te zien in de commerciële kant van hedendaagse genderconstructies. Dat laat het werk van Emirhakin zien. Met Sillage (2024) presenteert de kunstenaar een strakke rij parfumflesjes. Namen als Eternally Hot, Bold Guy en Colonial Club lezen als een parodie op het westerse manbeeld. Het werk legt bloot hoe diep de drang naar een ‘geglobaliseerde mannelijkheid’ in onze zintuigen is verankerd. Je ruikt hier niet alleen de marketing, maar ook de druk om te voldoen aan een mal die voor weinigen echt past.

Privé, maar bekeken

Hoe moeilijk het is voor mannen die niet in die mal passen, wordt voelbaar in de olieverfpanelen van Salman Toor. Met een losse toets schildert hij scènes van queer intimiteit en migrantenervaringen. In Waiting kijken we door een deuropening mee naar een privémoment. De toeschouwer van het werk blijft net buiten de grenzen van het intieme moment. Toor slaagt erin om de huiselijke sfeer te laden met een dubbel gevoel. Het is een veilige haven, maar de buitenwereld – en daarmee het oordeel – loert altijd om de hoek.

Wat Beyond the Manosphere zo geslaagd maakt, is de helderheid waarmee dit complexe web is geweven. De begeleidende zaalteksten vermijden onnodig jargon en gidsen de bezoeker kundig langs begrippen die in het publieke debat vaak verzanden in abstracties. De tentoonstelling durft een radicale stelling in te nemen: de ‘echte’ man is misschien wel de man die de angst om zijn mannelijkheid te verliezen, durft los te laten. Het Stedelijk Museum toont een landschap dat even bedreigend als begeerlijk is, maar bovenal menselijk. Zelden voelt een tentoonstelling over een zo beladen onderwerp tegelijk zo scherp, gelaagd en toegankelijk. Beyond the Manosphere is daarmee niet alleen urgent, maar ook verrassend overtuigend: een krachtig pleidooi voor dappere kwetsbaarheid.

Kunst / Expo binnenland

Ode en aanklacht

recensie: Relics – Art Zoo Museum
DSVT-RELICS2026_INSITU-aepyornis_liggend_FLAT-REV-JTim Mintiens Photography

Wat zouden de twaalf duo’s onder de naam ‘Keurmeesters’ in het nieuwe televisieprogramma van AVROTROS vinden van het Art Zoo Museum in Amsterdam, als ze de kans kregen het te bezoeken? Van het museum zelf en de tijdelijke tentoonstelling Relics in het bijzonder?

Salon

Salon ©Tim Mintiens Photography

‘Is dit wel kunst?’ hoor je ze tegen elkaar zeggen. ‘Knap gedaan, dat zeker.’ En: ‘Waar is nu die vreemde eend verstopt?’
Nee, het is kunst van de natuur met het doel dat de bezoekers, jong en oud, zich erover verwonderen. Zich laten overdonderen door de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan. Een beetje romantisch, dat wel. Dat geven de twee kunstenaars die het museum inrichtten en vormgaven toe in het begeleidende filmpje over hoe alles zo is gekomen. Ze weten donders goed dat de natuur ook wreed kan zijn. Twee kunstenaars met één mindset onder het alias Darwin, Sinke & Van Tongeren. Een moderne interpretatie van het concept Wunderkammer, dat is het. Met verschillende lagen.
Sinke komt van origine uit de reclamewereld en Van Tongeren werkte voor Naturalis in Leiden.

Cromhouthuizen

Ze treden in de voetsporen van Darwin en zijn geïnspireerd door Nederlandse en Vlaamse zeventiende-eeuwse kunstenaars en – in de kelder van de Cromhouthuizen – door de zeventiende/achttiende-eeuwse farmaceut Albertus Seba, die onder meer opgezette dieren leverde aan tsaar Peter de Grote.
In de beroemdste zaal van het museum, aan de achterzijde bij de tuin, zit een plafondschildering van niemand minder dan Johan de Wit. Daar is momenteel de eerste tijdelijke tentoonstelling Relics te zien, gemaakt in samenwerking met curator en dinosaurusdeskundige Iacopo Briano. Hier worden enorme dino- en andere fossielen getoond en is een nieuwe invulling gegeven aan de paleontologie, zoals elders in het museum een nieuwe invulling is gegeven aan taxidermie (het opzetten van dieren). Sinke en Van Tongeren omschrijven het als ‘monnikenwerk’. Ze zijn dan ook meer dan tien jaar bezig geweest om deze experience, zoals je het wel kunt noemen, letterlijk en figuurlijk op te zetten.

Goed doordachte experience

T. rex Stan & family

T. rex Stan & family ©Tim Mintiens Photography

Wat opvalt, zowel in deze zaal als in alle andere zalen, is de (nagenoeg) symmetrische opzet van de expositie. Dat is goed doordacht, omdat symmetrie een kenmerk is van de natuur: een dier of plant die in twee delen kan worden verdeeld die elkaar spiegelen of een draaiing aannemen. Neem de schedel van een Mosasaurus, een (70 miljoen jaar oud) waterroofdier dat oppermachtig was. De schedel is getransformeerd tot een moderne sculptuur op een sokkel.

Schoonheid is de primaire laag van deze tijdelijke tentoonstelling. Maar je wordt als bezoeker ook uitgenodigd om te reflecteren over wat je ziet. Neem de 150 ijzeren kooien meteen achter de receptie. De vogels (ara’s en amazonepapegaaien) zitten er niet in, maar óp. Of neem die gorilla van spijkerstof en een nieuwe handtas van T. rex-huid, gekweekt op grond van genetisch materiaal. Voor de duidelijkheid: het heeft niets te maken met bijvoorbeeld Pinkeltje, de dode kat van de Nederlandse conceptuele kunstenares Tinkebell, want hier zijn geen dieren gedood. Ze staan er op het kruispunt tussen natuur, wetenschap en kunst. Als een ode én een aanklacht tegen de falende biodiversiteit waarover je je kunt verwonderen en waarover je kunt reflecteren.

Ook de inscriptie INRI bij de gipsen koppen van Darwin op de begane grond stemt tot nadenken. Oorspronkelijk het acroniem voor Iesus Nazarenus, Rex iudaeorum, mag hier de bezoeker er zelf een invulling aan geven. De tabourets staan uitnodigend klaar.

Na de wat theatrale, grootse en in halfdonker gehulde opstellingen is het een weldaad om in de lichte kelder, bij het eindpunt van de instructieve audiotour (nr. 12), bescheiden maar ‘spectaculaire schelpencollages’ aan het plafond te zien. Om even tot rust te komen en alles te verwerken.
Waar ten slotte die vreemde eend (het gevaarlijkste dier) nu zit verstopt? Dat zou u zelf moeten gaan ontdekken.

Kunst / Expo binnenland

Jan Toorop, een bezield kunstenaar

recensie: De werelden van Jan Toorop
Jan Toorop - Zelfportret met rode baret (1881)Jeanne van Rutten

De term slaoliestijl, de platte benaming voor art nouveau, is onlosmakelijk verbonden met Jan Toorop (1858–1928). Dit vanwege het door hem gemaakte affiche in opdracht van de Nederlandse Oliefabriek ter promotie van Delftsche Slaolie in 1894. Dit werk van Toorop is weliswaar het meest algemeen bekend, maar doet hem geen recht. De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop in Singer Laren laat zien hoe veelzijdig en vooruitstrevend de kunstenaar was. Hij werd in zijn tijd in Nederland gezien als de meest geavanceerde kunstenaar en bouwde internationale faam op.

Jan Toorop werd geboren op Java en op tienjarige leeftijd voor zijn opleiding naar Nederland gestuurd. Hij zou zijn ouders en geboorteland niet meer terugzien. Dat klinkt wrang. Zijn verbondenheid met Indië liet hem echter niet los. Hij omarmde zijn Javaanse en Chinese achtergrond. Op zijn vroegst bekende zelfportretten in olieverf en aquarellen met taferelen uit het toenmalige Indië zijn batik Javaanse gewaden te zien. Ze laten ook zien hoe getalenteerd Toorop al op jonge leeftijd was. Zijn Zelfportret met rode baret uit 1881 en het zelfportret in zijn atelier uit 1883 tonen een indringend kijkende, zelfbewuste jongeman. Iemand die weet wat hij wil.

Aanvankelijk studeerde Toorop na de lagere school en HBS aan de Polytechnische School in Delft. Hij maakte een overstap naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, maar koos vervolgens al snel voor de Académie Royale des Beaux-Arts in Brussel. Hier maakte hij kennis met de vernieuwingen in de schilderkunst.

Vernieuwingen

Op de academie in Brussel ervoer Toorop de heersende doctrine als te beperkend. Hij ging eropuit om zich verder te ontwikkelen en sloot zich aan bij Les XX (Les Vingt), een groep van twintig vernieuwingsgezinde kunstenaars die in opstand kwam tegen de traditionele kunstbeoefening van die tijd. Via hen leerde Toorop het werk kennen van onder andere Henri de Toulouse-Lautrec, Auguste Rodin, Paul Cézanne, Georges Seurat en Vincent van Gogh.

Van Gogh liet zijn invloed op de kunstenaar gelden. In 1891 schilderde Toorop Vloed, een visser die zijn boot door een ruwe zee aan wal trekt. De kleurkeuze en de stijl tonen onmiskenbaar de invloed van de destijds verguisde schilder. Toorop organiseerde in 1892 bij de Haagse Kunstkring met 91 schilderijen de eerste, spraakmakende overzichtstentoonstelling van Van Gogh. Het werd het keerpunt voor diens erkenning.

Jan Toorop - Le Marronnier (1888)

Jan Toorop – Le Marronnier (1889)

Onder de indruk van het werk van Seurat legde Toorop zich toe op het pointillisme. Niet fijnmazig zoals Seurat, maar in stippen en strepen van verschillende grootte en dikte. Le Marronnier (1889) toont een vredig landschap met een kastanjeboom langs een brede vaart. Opvallend is het gebruik van de kleur roze in een landschap dat in werkelijkheid niet roze is.

Ook liet Toorop zich inspireren om met een paletmes te werken in plaats van de schilderskwast. Een techniek die bij uitstek geschikt is om de beweeglijkheid van de zee uit te beelden. Dat blijkt met Brisants de la mer du Nord (De branding van de Noordzee) uit 1888. De grijze, hoog opzwepende golven met schuimkoppen zijn herkenbaar: dat is de Noordzee.

De tentoonstelling getuigt ervan dat Toorop experimenteerde met veel technieken en stijlen. Hij maakte werk in olieverf en tekende met houtskool, krijt en potlood. Ook de onderwerpkeuze waaiert breed uiteen. Zijn sociaal engagement blijkt uit zijn sombere tekeningen en schilderijen over armoede. Er zijn romantisch ogende taferelen met vrouwenfiguren in pasteltinten. En hij ontwierp tegeltableaus, reclames, boekomslagen en gebrandschilderde ramen.

Symbolisme en katholicisme

Jan Toorop - De Sphinx (1892-1897)

Jan Toorop – De Sphinx (1892-1897)

Uiteindelijk legde Toorop zich toe op het symbolisme vanuit zijn verbondenheid met het spirituele en mystieke en ontwikkelde zijn eigen stijl. Met de herinneringen aan zijn jeugd hield hij zich onder andere bezig met verschijningen van geesten, morbiditeit en symbolen. De Sphinx (1892-1897, hij heeft er vijf jaar aan gewerkt) is uitgevoerd in krijt en potlood en laat een minimaal gebruik van kleur zien. De figuren met langgerekte armen en een typische stand van de handen lijken te refereren aan wajangpoppen. Kenmerkend voor het symbolisme is het horizontale en verticale lijnenspel. Op de tentoonstelling zijn meerdere voorbeelden van dergelijk, fantasierijk werk van hem te zien. Het doet fantasierijk aan.

Het symbolisme bereikte zijn hoogtepunt tijdens het fin de siècle, de periode tussen het einde van de negentiende eeuw (ongeveer 1890) en het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Toorop vestigde in deze periode zijn naam als de meest moderne Nederlandse kunstenaar. Zijn werk maakte een overrompelende indruk. Toorop exposeerde in het buitenland, tot aan New York, en bij de Wiener Secession. De Wiener Secession, met als een van de grondleggers Gustav Klimt, was een kunstenaarsvereniging die zich, net zoals Les XX en de Haagse Kunstkring, verzette tegen academisch conservatisme. Toorop wordt gezien als van cruciale invloed op Klimt. Klimts werk verwijst er zonder enige twijfel naar.

Jan Toorop - De Pelgrim (1921)

Jan Toorop – De Pelgrim (1921)

Een groeiende interesse voor het katholicisme maakte dat Toorop sterk gelovig werd en zich liet dopen. Daarmee deden de religie en haar symboliek entree in zijn werk. De tekening De Pelgrim (1921) in krijt en houtskool is indrukwekkend. Niet alleen vanwege de grootte, maar ook door de krachtige lijnen waarmee de bedevaartganger is getekend. In dit verband is het pièce de résistance van de tentoonstelling zijn kruiswegstaties, een indringende verbeelding van de lijdensweg van Jezus Christus in veertien tekeningen.

Domburg

Toorop bracht menig zomer vele maanden door in Domburg, aangetrokken door de charme van het dorp en wat het ‘Zeeuwse licht’ wordt genoemd. Het kan niet onvermeld blijven dat hij oprichter en drijvende kracht was van de kunstenaarskolonie die daar resideerde. In diens voetspoor, onder de indruk en invloed van het werk van Toorop, kwamen ook Piet Mondriaan en Jan Sluijters naar Domburg. Zo hebben ze elkaar ontmoet.

Ten slotte

De tentoonstelling De werelden van Jan Toorop heeft veel te bieden. Het is al met al een imponerend overzicht van hoe gedreven de schilder was in het zich losmaken van de traditionele kunstbeoefening en welke weg hij heeft afgelegd om een eigen stijl te ontwikkelen. Naast het werk van Toorop is ook werk te zien van kunstenaars die hem beïnvloedden en die hij op zijn beurt beïnvloedde. In de catalogus van de tentoonstelling staan verdere voorbeelden. In de bijbehorende tekst wordt nauwkeurig het leven van de kunstenaar en diens ontwikkeling beschreven.

De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370
Kunst / Expo binnenland

Melancholie en verlangen

recensie: Umbild - Jules van Hulst & Wieger Steenhuis
De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370

Les fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) heet de dichtbundel (1857) van Charles Baudelaire. Deze bundel vormt primair het uitgangspunt voor de tentoonstelling Umbild van Jules van Hulst en Wieger Steenhuis in Museum de Fundatie in Zwolle.

De kunstenaars benadrukken gelukkig dat het niet zo eenzijdig is als de titel van Baudelaire doet vermoeden; niet alleen het kwaad komt in de gedichten terug. Het gaat volgens hen namelijk zowel over spleen als over ideaal: het negatieve, zware en melancholische, en het ideaal, het verlangen naar het perfecte. De kenners en liefhebbers weten het: goed en kwaad komen niet alleen in de hele bundel, maar soms zelfs in één gedicht terug, zoals in ‘Duellum’. Dit begint met verlangen en eindigt met de vechtscheiding van dichter Charles en diens vrouw Jeanne.

Jules van Hulst en Wieger Steenhuis

Die dubbelslag kom je in de expositie overal tegen. Van Hulst (Nijmegen, 1984) en Steenhuis (Emmen, 1982) onderzochten een jaar lang in het kader van een mastertraject bij Museum de Fundatie hoe hedendaagse technieken kunnen worden ingezet om bestaande kunstwerken uit de collectie opnieuw te tonen en daarbij diepere lagen aan te boren.
Van Hulst is beeldend kunstenaar die video’s, performances, installaties en poëziefilms maakt. Steenhuis is ontwerper en ontwikkelaar van interactieve installaties en realtime computer graphics waarin wordt uitgegaan van gedeelde ervaringen.

Drie originele kunstwerken

Ascetics.temp

Drempel naar de droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

De drie originele kunstwerken die beide kunstenaars naast Baudelaire tot uitgangspunt namen, worden getoond in een kleine zaal op de begane grond: het bronzen beeld De geknielde van de fontein (1898) van George Minne, het stilleven Bibelots (ca. 1935) van James Ensor en Landschap in Wales (1917) van Valerius De Saedeleer. Alle drie Vlaamse symbolisten, zoals Baudelaire een Franse symbolist was.

De geknielde van de fontein George Minne

Het eerstgenoemde werk komt terug in Ascetics.temp van Van Hulst en Steenhuis. Een installatie waarin de geknielde in het aangeduide water lijkt te kijken. In tegenstelling tot Narcissus, die betoverd was door zijn eigen spiegelbeeld in het water, is deze man naar binnen gekeerd. De installatie is omringd door gordijnen die soms door een ventilator worden aangeblazen en waarop vervolgens een woord wordt geprojecteerd, zoals ‘analogie’, ‘imitatie’, ‘mimesis’. Net als bij het originele beeld op de begane grond kan de bezoeker om de installatie heenlopen.

Schilderij Inwisselbaar

De bezoeker is zowel kijker als de bekekene. Beeld: Peter Tijhuis.

Bibelots James Ensor

De Bibelots van Ensor zijn bij Van Hulst en Steenhuis getransformeerd tot een installatie onder de titel Inwisselbaar. Hierin zijn objecten uit de collectie van Museum de Fundatie samengebracht. Oorspronkelijk zijn het bij Ensor kleine siervoorwerpen die staan voor ijdelheid. Dit thema is ook hier gebleven, want een felle lamp zorgt ervoor dat de schaduw van de waarnemer op een witte muur valt. Zo kijkt de bezoeker dus zelf naar de kunstwerken, maar kan deze op die manier ook door andere bezoekers worden bekeken. Dit is naast Baudelaires spleen en ideaal nog een onderliggend, misschien wat gezocht thema in deze expositie: kijken en bekeken worden.

Landschap in Wales Valerius De Saedeleer

Het prachtige landschap naar De Saedeleer is door Van Hulst en Steenhuis fraai gevangen in hout, staal, monitoren en data-aansturing. Het is een intrigerende installatie, die ze Daily Nocturne noemen, ‘een venster naar een droomwereld’, het ideaal van Baudelaire.
De toeschouwer ziet hoe materialen als hout en staal misschien in tegenspraak zijn met de droomwereld die de kunstenaars willen verbeelden. Maar juist daardoor komt de tweeslag van Baudelaire ook in materie mooi naar voren.

Daily Nocturne

Een venster naar een droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

Het principe van data-aansturing komt terug bij de videomuur Heliotropisme bij het restaurant boven in het museum. Er zijn zonnebloemen te zien die verwelken en weer opbloeien, van spleen naar ideaal. Wanneer er iemand langsloopt, begint ook hier weer fel licht te schijnen dat de passant als de zon langs de negen videopanelen leidt.

Museum de Fundatie biedt met deze tentoonstelling een fraai voorbeeld op het snijvlak van Baudelaire, drie kunstenaars uit het Vlaams/Frans symbolisme en moderne transformaties daarvan, waarbij inventief gebruik is gemaakt van hedendaagse technieken en materialen. Een tweeslag (melancholie en verlangen) om ter plaatse te ervaren!

Kunst / Expo binnenland

Spel van lijnen en cirkels

recensie: De weg van het Penseel op papier en linnen – Anneke Schat
01 OnrustvlindersE*D.SIGN (Ester van Leuveren)

In de informatieve krant bij de tentoonstelling De weg van het Penseel op papier en linnen van Anneke Schat (1942-2024) in Museum Lunteren lezen we ‘dat Anneke zowel links- als rechtshandig’ was. Dat verklaart veel.

04 Vlinderen voor de Stèle

Anneke Schat, Vlinderen voor de Stèle

Neem het evenwicht in haar oeuvre: edelsmeedkunst, werk in staal en op papier of linnen. Evenwicht tussen gevoel en ratio, lege vlakken en zwarte inkt, orde en regelmaat. Telkens uitgaand van vormen uit de natuur. Op de grens van realisme en abstractie, met de nadruk op het laatste. Voorbeelden van zulke grenswerken zijn Monkeys on a string (1989), Heimwee naar het regenwoud (1996) en de vele vlinders. Leuk is dat kinderen op de tentoonstelling worden uitgenodigd om met vlindervormen aan de slag te gaan.

Anneke Schat-Portegijs

Anneke Schat is vooral als edelsmid bekend geworden, waarbij ze (nog zo’n kenmerk) van buiten naar binnen werkte, wat volgens een bijschrift staat voor optimisme. Net als het gebruik van de kleur geel.

Anneke Schat werd in 1942 in Amsterdam geboren. Zij kreeg haar opleiding aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (thans Gerrit Rietveld Academie). Hier volgde ze lessen bij Karel Niehorster (edelsmid) en Carel Kneulman (beeldhouwer). Deze opleiding rondde ze in 1964 af. In 1976 kwam zij op het spoor van de Japanse kalligrafie en nam les bij sensei (leraar) Hideko Satori (Tokio).
In 1980 verhuisde Schat naar het Gelderse Ede, pal bij Lunteren. Daar bereidde ze tal van tentoonstellingen voor, zoals in Laren, Amstelveen en Den Haag. In 2024 overleed zij.

05 Schaatsen in het regenwoud

Anneke Schat, Schaatsen in het regenwoud

Museum Lunteren

Op de benedenverdieping van de nieuwe vleugel van Museum Lunteren en in de Schatzaal op de eerste verdieping is haar werk te zien. Beneden zijn in twee vitrines onder meer zilveren miniaturen geëxposeerd. Boven onder andere foto’s van sieraden en van de Gouden Televizier-Ringen, die zij van 1975 tot 2020 ontwierp. In 2020 kwam zij tot een standaardvorm die bestaat uit drie delen van een cirkel, waarvan er eentje naar buiten keert.

Het accent van deze expositie ligt echter op Schats studie van de Japanse kalligrafie, inclusief enkele voorstudies voor haar werk op papier en linnen (Penseelstreken voor de Piramidaal, 1984). Ze werkte bijvoorbeeld met Chinese inkt (Samengebalde energie/Zon, wind en water, 2000), op Oeigoers Daphne-papier en met Schmincke-pigment.

03 Wilde cirkel

Anneke Schat, Wilde cirkel

Eigen beeldtaal en verwantschappen

In al haar kunst heeft zij een prachtige, herkenbare eigen beeldtaal ontwikkeld. Soms vermoed je een zekere verwantschap met het werk van bijvoorbeeld Sam Middleton (1927-2015) en Robert Zandvliet (1970). Middleton maakte net als Schat (Onrustige vlinder, 1991 en Zandoogjes, 1991) veelvuldig gebruik van cirkels. Middleton heeft overigens ook in Japan gewoond en daar ongetwijfeld kennisgemaakt met de Japanse kalligrafie die Schat zo boeide.
De kunstenares heeft met Zandvliet de verfstreektechniek en kleurschakeringen gemeen, onder meer in enkele grotere werken (120 x 100 cm) die in Lunteren worden getoond.

De eerdergenoemde krant bij deze expositie spreekt van ‘een unieke tentoonstelling (internationale allure)’. Los van het wat ronkende taalgebruik is het zeker een expositie die een tripje naar het Gelderse Lunteren meer dan de moeite waard maakt.

Kunst / Expo binnenland

Art She Crafted: tentoonstelling van vergeten vrouwen verdient een vervolg

recensie: Art She Crafted - Wereldmuseum Rotterdam
Vaas Shipibo gemeenschap Peru - Art She Crafted RotterdamTessa Vallinga

Bij binnenkomst in Art She Crafted in het Wereldmuseum Rotterdam is er geen inleiding in woorden, maar in aantallen. Op een curvevormige wand verschijnen in snel tempo portretten van vrouwen. Elke paar seconden een nieuw gezicht, een nieuwe naam. Kunstenares Frida Kahlo (1907-1954) komt voorbij, maar ook Susanna Groeneweg (1875-1940) – het eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer – en de Egyptische farao Hatsjepsoet (ca. 1507-1458 v.Chr.). Het tempo ligt te hoog om ze allemaal te onthouden. En dat is precies de boodschap: dit zijn er al veel, maar het zijn er nog veel meer.

Via een QR-code ontvouwt zich een digitaal archief met korte biografieën van vrouwen van invloed op kunst en cultuur. Niet altijd als maker, maar ook als opdrachtgever, beschermer, handelaar of kennisdrager. Dankzij hun positie binnen politiek, religie of economie konden zij artistieke productie mogelijk maken en vormgeven. Dat veel van deze namen nauwelijks bekend zijn, is geen toeval, maar het gevolg van hoe geschiedenis is opgeschreven. Die geschiedschrijving, zo maakt Art She Crafted duidelijk, kreeg in de negentiende eeuw vaste vorm. In die periode werd het idee van het mannelijke ‘genie’ gecanoniseerd. Vrouwen verdwenen uit beeld of werden gereduceerd tot rollen: muze, moeder, heilige of ‘vrouw van’. Niet omdat zij geen invloed hadden, maar omdat hun invloed niet paste binnen het dominante narratief. De tentoonstelling positioneert zich nadrukkelijk als correctie op die vertekening, en geeft belangrijke vrouwelijke makers van vandaag de dag een plek in de spotlight.

Vrouwen geven visuele kennis door

De ruimtelijke vormgeving ondersteunt dat streven. Je beweegt je door een soort zachte tunnel, waarin vitrages de wanden vormen en de chronologie bewust losgelaten is. Er zijn slechts twee globale categorieën: ‘Vrouwen uit de geschiedenis’ en ‘Vrouwen van nu’. Binnen die indeling lopen tijd, plaats en discipline door elkaar. Een geografische of hiërarchische ordening ontbreekt, en dat is een kracht. De vormgeving voorkomt zo de totstandkoming van een nieuwe canon en benadrukt verbanden over tijd en cultuur heen.

Zo vertelt een beschilderde aardewerken vaas uit de Shipibo-Conibo-cultuur in Peru over de centrale rol van vrouwen in het doorgeven van visuele kennis binnen gemeenschappen. Even verderop tonen videowerken van de Iraans-Amerikaanse kunstenaar Shirin Neshat hoe fotografie en kalligrafie kunnen worden ingezet om de positie van vrouwen in Iran te bevragen. De kunstwerken in de tentoonstelling staan niet in dienst van een lineair verhaal, maar resoneren thematisch met elkaar.

Ook anonieme objecten krijgen nadrukkelijk ruimte. Een Chileense arpillera, een textielcollage gemaakt van reststoffen, toont het dagelijkse leven onder de dictatuur van Augusto Pinochet. Armoede en onderdrukking zijn zichtbaar in huiselijke scènes. Het werk is niet gesigneerd, waarschijnlijk omdat het in het geheim werd vervaardigd. Juist die anonimiteit onderstreept de politieke lading ervan. Maaksterschap wordt hier niet opgevat als individuele roem, maar als noodzaak.

Vrouwelijke makers waren geen uitzondering

De tentoonstelling kaart halverwege een breder historisch kantelpunt aan. De late negentiende en vroege twintigste eeuw brengen wereldwijd nieuwe mogelijkheden door industrialisatie, fotografie, design en mode. Vrouwen treden zichtbaarder naar voren en claimen ruimte binnen disciplines die tot dan toe als ‘toegepast’ of ondergeschikt werden gezien. De Italiaans-Franse modeontwerper Elsa Schiaparelli is daarvan een bekend voorbeeld. Haar werk laat zien hoe mode zich kon ontwikkelen tot een volwaardige avant-gardistische kunstvorm. Tegelijkertijd maakt de tentoonstelling duidelijk dat zij geen uitzondering was, maar onderdeel van een bredere beweging vrouwelijke makers.

Een nieuwe renaissance

In de laatste zaal, uitgevoerd in warm okergeel, verschuift de focus naar hedendaagse makers. Werk van gevestigde namen, zoals de Iers-Britse ontwerper Simone Rocha, wordt getoond naast dat van jongere of minder institutioneel verankerde kunstenaars, zoals de Palestijnse schilder Malak Mattar, die haar werk onder meer via Etsy verkoopt. Het contrast is groot, maar niet ongemakkelijk. Het benadrukt dat zichtbaarheid, marktwaarde en artistieke relevantie niet samenvallen. De tentoonstelling concludeert dat deze vrouwen aan de vooravond staan van een nieuwe renaissance. Een waarin collectiviteit, ambacht en culturele uitwisseling centraal staan.

Art She Crafted eindigt met de stelling dat vrouwelijke invloed geen uitzondering was, maar een constante kracht in de vorming van kunst en cultuur. Die conclusie wordt overtuigend onderbouwd, zonder te vervallen in simplificatie of activistische retoriek. Het enige echte bezwaar tegen de tentoonstelling is haar omvang. De verhalen zijn rijk, de objecten gelaagd, maar de context blijft soms noodgedwongen beknopt. Juist daardoor wekt de tentoonstelling de wens naar meer verdieping. En dat is, in dit geval, een teken van succes.