Tag Archief van: Kunst

Théodore Rousseau
Kunst / Expo binnenland

Sneeuwbol met een gaatje

recensie: In de ban van de natuur. Tekeningen van Rousseau en Daubigny
Théodore Rousseau

De net geopende expositie met 10 tekeningen van Rousseau en Daubigny is ook een lokkertje om de hele Mesdag Collectie (weer) eens te komen bewonderen. Dat werd op de voorbezichtiging voor de pers eerlijk toegegeven. Groot gelijk hebben ze. Onder de rook, of beter gezegd het carillongeklingel, van het Vredespaleis staat een museum dat gauw je hart verovert. 

Voor het kabinet met de 10 grote tekeningen van Théodore Rousseau (1812-1867) en Charles-François Daubigny (1817-1878) moet je bovenin zijn. Maar snel alle trappen oprennen is zelden een goed idee en zeker niet in De Mesdag Collectie. Het museum huisvest een schat aan werken die door het echtpaar Mesdag zijn verzameld, en deels zelf gemaakt, in de latere decennia van de 19e eeuw. Het zijn allemaal werken uit die periode, van tijdgenoten voor wie Hendrik Willem en Sientje een zwak hadden. Ze verzamelden vooral schilderijen van moderne Franse en Nederlandse kunstenaars (de Haagse School). En ook eigentijds keramiek (Theo Colenbrander) en Japanse objecten. 

Schudden voor gebruik  

Verspreid over enkele verdiepingen hangen fraaie doeken van schilders als Gustave Courbet, Jean-Baptiste Corot, Théodore Rousseau, Anton Mauve, Jozef Israëls, Lourens Alma Tadema en natuurlijk ook de Mesdags zelf. Samen met de andere stukken vormen ze een juweeltje van een collectie, een klein, harmonieus universum op zich waar de tijd geen vat op heeft gekregen. Het heeft iets weg van een prachtige laat 19e-eeuwse sneeuwbol, met alle magie en flonkering die daarbij horen. 

Wanneer die bol weer eens stevig wordt geschud, komen er werken tevoorschijn die een tijdje geen daglicht hebben gezien. Zo bezit het museum een dozijn grote tekeningen van Rousseau en Daubigny. Die zijn kwetsbaar en niet geschikt om continu te exposeren, maar sinds eind juni sieren 10 ervan een speciaal ingericht kabinet op de bovenste verdieping. Rousseau en Daubigny maakten beiden deel uit van de zogeheten School van Barbizon, een kunstenaarskolonie die bekend is geworden door haar realistische landschapschilderijen. Gemeenschappelijke noemer was een breuk met romantiek en classicisme, de ambitie om de natuur zonder opsmuk te ervaren en weer te geven. Het echtpaar Mesdag was zeer gecharmeerd van deze school.  

Nieuwe paden 

Charles-François Daubigny

Charles-François Daubigny, Landschap met kudde schapen bij maanlicht, 1859 (Van Gogh Museum, Amsterdam)

Tijdens de voorbezichtiging werden de 10 tekeningen – 5 van elke kunstenaar – in detail toegelicht. Bij Rousseau valt bijvoorbeeld het sterke realisme op, de nauwkeurige observatie van elke individuele boom. Hij schilderde ze bijna als modellen. De tekeningen van Daubigny zijn weer losser en wijzen ook al meer vooruit naar het impressionisme. Sfeer was voor hem belangrijker dan exacte weergave. Zo lijkt zijn Landschap met kudde schapen bij maanlicht meer op een dromerige schets.

Allebei experimenteerden ze ook volop met materialen en technieken. In de genoemde tekening werkte Daubigny bijvoorbeeld  met houtskool, krijt, waterverf én pen in inkt. Met hun realisme en tekenkundige innovaties bewandelden ze interessante nieuwe paden. Alleen daarom al zijn de tekeningen zeer de moeite waard. Door hun formaat nodigen ze ook uit tot nader onderzoek. Je kunt er eventueel zelfs voorstudies voor schilderijen in zien, waarmee ze prima passen in het geheel van het museum. 

Samenwerking met cabaretiers 

In zekere zin is het museum zelf ook een nieuw pad ingeslagen. Samen met 5 andere musea in Den Haag is De Mesdag Collectie een samenwerking aangegaan met Theater Diligentia. Dit houdt in dat bekende cabaretiers is gevraagd om werken in de musea te voorzien van humoristisch commentaar, te beluisteren via een audiotour. In De Mesdag Collectie is dat commentaar verzorgd door Kiki Schippers. Zij gaf zelf ook een vermakelijk tuinoptreden tijdens de voorbezichtiging van de expositie, inclusief een minutenlange onderbreking door het carillon van het Vredespaleis. In de harde stolp van de sneeuwbol is een 21e-eeuws gaatje geboord. Gelukkig zal het museum niet gauw leeglopen.

 

Afbeelding boven: Théodore Rousseau, De grote eiken van het oude Bas-Bréau, 1857 (De Mesdag Collectie, Den Haag)

Théodore Rousseau
Kunst / Expo binnenland

Sneeuwbol met een gaatje

recensie: In de ban van de natuur. Tekeningen van Rousseau en Daubigny
Théodore Rousseau

De net geopende expositie met 10 tekeningen van Rousseau en Daubigny is ook een lokkertje om de hele Mesdag Collectie (weer) eens te komen bewonderen. Dat werd op de voorbezichtiging voor de pers eerlijk toegegeven. Groot gelijk hebben ze. Onder de rook, of beter gezegd het carillongeklingel, van het Vredespaleis staat een museum dat gauw je hart verovert. 

Voor het kabinet met de 10 grote tekeningen van Théodore Rousseau (1812-1867) en Charles-François Daubigny (1817-1878) moet je bovenin zijn. Maar snel alle trappen oprennen is zelden een goed idee en zeker niet in De Mesdag Collectie. Het museum huisvest een schat aan werken die door het echtpaar Mesdag zijn verzameld, en deels zelf gemaakt, in de latere decennia van de 19e eeuw. Het zijn allemaal werken uit die periode, van tijdgenoten voor wie Hendrik Willem en Sientje een zwak hadden. Ze verzamelden vooral schilderijen van moderne Franse en Nederlandse kunstenaars (de Haagse School). En ook eigentijds keramiek (Theo Colenbrander) en Japanse objecten. 

Schudden voor gebruik  

Verspreid over enkele verdiepingen hangen fraaie doeken van schilders als Gustave Courbet, Jean-Baptiste Corot, Théodore Rousseau, Anton Mauve, Jozef Israëls, Lourens Alma Tadema en natuurlijk ook de Mesdags zelf. Samen met de andere stukken vormen ze een juweeltje van een collectie, een klein, harmonieus universum op zich waar de tijd geen vat op heeft gekregen. Het heeft iets weg van een prachtige laat 19e-eeuwse sneeuwbol, met alle magie en flonkering die daarbij horen. 

Wanneer die bol weer eens stevig wordt geschud, komen er werken tevoorschijn die een tijdje geen daglicht hebben gezien. Zo bezit het museum een dozijn grote tekeningen van Rousseau en Daubigny. Die zijn kwetsbaar en niet geschikt om continu te exposeren, maar sinds eind juni sieren 10 ervan een speciaal ingericht kabinet op de bovenste verdieping. Rousseau en Daubigny maakten beiden deel uit van de zogeheten School van Barbizon, een kunstenaarskolonie die bekend is geworden door haar realistische landschapschilderijen. Gemeenschappelijke noemer was een breuk met romantiek en classicisme, de ambitie om de natuur zonder opsmuk te ervaren en weer te geven. Het echtpaar Mesdag was zeer gecharmeerd van deze school.  

Nieuwe paden 

Charles-François Daubigny

Charles-François Daubigny, Landschap met kudde schapen bij maanlicht, 1859 (Van Gogh Museum, Amsterdam)

Tijdens de voorbezichtiging werden de 10 tekeningen – 5 van elke kunstenaar – in detail toegelicht. Bij Rousseau valt bijvoorbeeld het sterke realisme op, de nauwkeurige observatie van elke individuele boom. Hij schilderde ze bijna als modellen. De tekeningen van Daubigny zijn weer losser en wijzen ook al meer vooruit naar het impressionisme. Sfeer was voor hem belangrijker dan exacte weergave. Zo lijkt zijn Landschap met kudde schapen bij maanlicht meer op een dromerige schets.

Allebei experimenteerden ze ook volop met materialen en technieken. In de genoemde tekening werkte Daubigny bijvoorbeeld  met houtskool, krijt, waterverf én pen in inkt. Met hun realisme en tekenkundige innovaties bewandelden ze interessante nieuwe paden. Alleen daarom al zijn de tekeningen zeer de moeite waard. Door hun formaat nodigen ze ook uit tot nader onderzoek. Je kunt er eventueel zelfs voorstudies voor schilderijen in zien, waarmee ze prima passen in het geheel van het museum. 

Samenwerking met cabaretiers 

In zekere zin is het museum zelf ook een nieuw pad ingeslagen. Samen met 5 andere musea in Den Haag is De Mesdag Collectie een samenwerking aangegaan met Theater Diligentia. Dit houdt in dat bekende cabaretiers is gevraagd om werken in de musea te voorzien van humoristisch commentaar, te beluisteren via een audiotour. In De Mesdag Collectie is dat commentaar verzorgd door Kiki Schippers. Zij gaf zelf ook een vermakelijk tuinoptreden tijdens de voorbezichtiging van de expositie, inclusief een minutenlange onderbreking door het carillon van het Vredespaleis. In de harde stolp van de sneeuwbol is een 21e-eeuws gaatje geboord. Gelukkig zal het museum niet gauw leeglopen.

 

Afbeelding boven: Théodore Rousseau, De grote eiken van het oude Bas-Bréau, 1857 (De Mesdag Collectie, Den Haag)

Muziek

Een geslaagd muziekproject van het Mauritshuis

recensie: Bekijk het Mauritshuis  met je oren
Mauritshuispixabay

Wist je dat het Mauritshuis een eigen platenlabel heeft? Bekende artiesten zoals Merol en Willie Wartaal laten zich voor een nieuw nummer inspireren door een schilderij naar keuze in het Mauritshuis. Het muzieklabel is onderdeel van het project Bekijk het Mauritshuis met je oren. Priya Wannet is razend benieuwd hoe deze verfstreken klinken en duikt meteen in de Mauritshuis-playlist op Spotify.

Spinvis – Parel

Spinvis, de eenmansband van Erik de Jong (1961), verschijnt als eerste bovenaan de lijst. Zijn versie van het Meisje met de Parel (c. 1665) van Johannes Vermeer grijpt direct aan door het bijzondere intro. We horen verkeersgeluiden. Een auto die voorbijrijdt en zachtjes afremt. Vlak voordat De Jong begint met zingen hoor je in de verte de kerkklokken luiden. Het is bijna alsof je zelf onderdeel van het verhaal bent geworden en het meisje elk moment tegen kunt komen. Luisterend naar dit nummer vraag je je af: wie was toch deze mysterieuze jongedame die de Hollandse grootmeester zo intrigeerde? Spinvis zelf omschrijft haar als een vogel: ongrijpbaar en vrij. Het Nederlands Kamerkoor is een mooie toevoeging aan het geheel en geeft het nummer een ietwat plechtige, museale sfeer. Voor fans van Spinvis wederom de bevestiging dat Erik de Jong de koning van unieke en originele liedjes is. We weten misschien niet wie ze is geweest, maar door te luisteren naar dit nummer lijkt het net alsof je haar kent. Kortom een pareltje en absoluut het luisteren waard!

Merol – Slippertje

Het kunstwerk Mars en Venus betrapt door Vulcanus (1601) van Joachim Wtewael valt meteen in de smaak bij Merel Baldé (1991), beter bekend onder haar artiestennaam Merol. Het is sexy en een tikkeltje ondeugend; precies hoe we Merol kennen. Op het schilderij is de Griekse godin Venus te zien die ongegeneerd ligt te vrijen met Mars. Ze lijkt precies te weten wat ze doet en maakt zich niet druk om haar man Vulcanus met wie ze ondertussen getrouwd is. Merol raakt meteen geïnspireerd na het zien van de slippers van Venus die achteloos zijn neergegooid naast het bed. Dit doet haar vermoeden dat Venus moedwillig met Mars het bed is ingedoken. Als een echte woordkunstenaar rijgt ze de woorden aan elkaar en is ze niet bang om direct en expliciet te zijn. Daarmee houdt ze de maatschappij een spiegel voor. Als luisteraar kun je jezelf afvragen of monogame relaties eigenlijk nog wel van deze tijd zijn. Zijn open relaties niet veel interessanter? We leven immers in een maatschappij waarin alles draait om zelfontplooiing. Merol laat met dit nummer horen dat zij buiten geijkte kaders kan en durft te denken. Dit hoor je ook terug in de sound van het nummer. Het refrein is catchy en blijft gegarandeerd de rest van de dag in je hoofd hangen.

Dio – Hoger ft. Gerson Main

Dio, artiestennaam van Diorno Dylyano Braaf (1988), schiet voor de sterren, want het kan hem niet hoog genoeg. De jonge en ambitieuze rapper koos voor twee enorme plafondschilderingen van Ger Lataster als inspiratiebron voor zijn nummer Hoger ft. Gerson Main (2021). De ene plafondschildering is gebaseerd op Icarus die met zijn zelfgemaakte vleugels de zon probeert te bereiken, maar uiteindelijk te hoog vliegt en in zee stort. Hier komt het spreekwoordelijke “Hoogmoed komt voor de val” vandaan. Op de andere plafondschildering komt het thema hoogmoed ook terug. Toen Lataster in 1987 dit plafond schilderde, benauwde het hem dat hij zich omringd wist door grootmeesters als Rembrandt, Vermeer en Rubens. Hoogmoed zou op de loer kunnen liggen. Lataster zag maar één manier om zijn eigen val te voorkomen: hard werken. Met veel felle kleuren en expressie schilderde hij een blauwe werkbroek, werkschoenen en een schep, refererend aan de werkende man. Dio maakt met zijn nummer duidelijk dat hoogmoed, oftewel overdreven zelfvertrouwen, niet altijd iets negatiefs hoeft te zijn. Hij rapt hierover: “Want ik wil niet als ik oud ben moeten denken had ik maar.” Het resultaat is een dromerig, zwevend maar krachtig liedje dat zowel qua sound als qua boodschap prachtig contrasteert met de felle en heldere kleurencompositie van het kunstwerk zelf. Hoogmoed is een bekend thema in de huidige maatschappij en dit nummer zou zeker de jongere generaties kunnen bereiken.

Goldband – Psycho

Met de Haagse groep Goldband reizen we af naar de 90’s, gabbertijd. Op hoge snelheid dendert hun nieuwste festivaltrack Psycho (2022) door je speakers heen. De track begint nog vrij rustig, maar je hoort al snel dat er een woeste storm gaat uitbreken. Richting het refrein barst de ravemelodie los en moet je wel meezingen met de tekst: “Ik ben een psycho, ik word helemaal gek.” Voor deze track lieten de mannen zich inspireren door het schilderij Christus in het voorgeborchte (1597) van Jan Brueghel de Oude en Hans Rottenhammer. Het is een schilderij waarmee ze alle kanten op kunnen. Chaos, licht en donker. Christus in het voorgeborchte heeft het allemaal en dat hoor je terug in de onstuimige beat. Het voorgeborchte of Limbo (Latijn: aan de rand) was in de Rooms-Katholieke Kerk een aanduiding van het verblijf van de zielen die na het sterven niet toegelaten worden tot de hemel en ook niet naar de hel of het vagevuur gezonden worden. Zij wonen aan de rand van de hemel of de hel. Op het schilderij is te zien hoe Jezus Christus afdaalt naar het voorgeborchte om daar Adam en Eva op te halen en naar de hemel te brengen. Het gevoel dat je krijgt bij het schilderij matcht met het gevoel dat het nummer oproept als je het hoort. Goldband is erin geslaagd om het perfecte nummer voor dit schilderij te maken.

Eefje de Visser – Cybele

Van keiharde gabberhouse schakelen we over naar de zoete, dromerige klanken van Cybele (2021). Ook dit lied is gebaseerd op een werk van Jan Brueghel de Oude. Samen met Hendrik van Balen schilderde hij Krans van vruchten rond een voorstelling met Cybele die geschenken ontvangt van personificaties van de vier jaargetijden tussen 1620 en 1622. Cybele was in de mythologie de godin van de vruchtbaarheid, aarde en natuur. Voor haar nummer kruipt Eefje de Visser (1986) in de huid van de 17e-eeuwse gelovige mens en zingt zij Cybele toe om haar te bedanken en om te vragen de aarde vruchtbaar te houden. De verering en weelderige details uit het schilderij komen terug in de welbekende elementen als zwevende vocalen, fonkelende synthesizer sounds en diepe bassen. De sfeer die het schilderij oproept is gelijk aan haar sound en valt hoogstwaarschijnlijk in de smaak bij mensen die op zoek zijn naar een zacht nummer die feminiene kracht uitstraalt.

 

Nog niet genoeg gezien en gehoord? Andere nummers van Bekijk het Mauritshuis met je oren (Harrie Jekkers met Gezicht op Delft, Willie Wartaal met Mootje, The Kik met De ware Jakob en Jett Rebel met Heaven’s Got A Place For You) zijn te beluisteren via de website van het Mauritshuis. Ook zijn alle nummers te vinden op Spotify en YouTube.

 

 

Kunst / Expo binnenland

Hoopvolle maatschappij kritiek

recensie: Mous Lamrabat - Blessings from Mousganistan

De expositie Blessings from Mousganistan, in het fotografiemuseum FOAM,  heeft ondanks de vrolijke kleuren en frivoliteit een kritische ondertoon. De perfect georkestreerde foto’s blinken uit in theatraliteit en vervreemding, er zit een flinke dosis humor in en ze hebben qua techniek soms de kracht en kwaliteit die je ook in modefotografie ziet. Maar er schuilt meer achter deze opgesmukte façade dan wat er aan de oppervlakte zichtbaar is.

Meteen bij binnenkomst krijg je de mededeling dat het tapijt van de entreezaal niet met schoenen betreden mag worden. De zaal is bedekt met vloerbedekking waar een van de werken van Mous Lamrabat (1983) in een patroon te zien is. De focus ligt hiermee meteen op religie: in de moskee mag je wegens respect voor de Almachtige ook alleen zonder schoeisel naar binnen. Op de manshoge foto’s zie je vrome kleding zoals hoofddoekjes, boerka’s en nikab’s. Ook zijn er veel verwijzingen naar de Arabische cultuur en zijn er flink wat modellen van Arabische afkomst. Maar dan word je aan het wankelen gebracht. Het immense houten McDonald’s logo, dat op de grond ligt, en de shirts en logo’s van grote Amerikaanse bedrijven en van Amerikaanse basketbalteams tonen aan dat er meer aan de hand is dan op het eerste gezicht lijkt.

 

Modefotografie

In de volgende zaal staan in het midden drie poppen die nikab’s dragen. De kleding is bedrukt met foto’s van Lamrabat. De bedoeling van de kunstenaar sijpelt in deze zaal langzaam naar binnen. Op de plek waar de uitsparing voor de ogen is, heeft hij LED-schermpjes geplaatst die doen denken aan een reclame-uiting in een etalage van een telefoonwinkel. ‘Free Palestine’ is erin te lezen. Blijkbaar moet je zijn beelden zien als maatschappijkritiek. In deze zaal komt het McDonald’s logo ook weer terug, evenals dat van Nike, en nogmaals zijn er Amerikaanse basketbalshirts te zien. Dit allemaal naast fotowerken met veelal religieuze kledij en vrolijk afgebeelde Afrikanen.

Aangezien Lamrabat een voorliefde heeft voor modefotografie, zijn er gelijkenissen te maken met de Franse modefotograaf Guy Bourdin die indertijd ook de randjes van zijn vakgebied opzocht. Er sluimert kritiek op het Westerse kapitalisme en de schoonheidsidealen die er in die maatschappij aanwezig zijn. In veel van zijn werken flirt Lamrabat met iconografie uit de Amerikaanse popcultuur: we zien smileys, Star Wars, Wu-Tang Clan, Ronald McDonald en comic-personages als de Hulk, Superman, Sponge Bob en Mickey Mouse.

 

Voorbij het platte vlak

Een interessant aspect in het werk van Lambarat is dat hij de grenzen van de fotografie oprekt: hij gaat verder dan het platte vlak en kiest ook voor driedimensionaliteit. Fotografen als Anouk Kruithof en Marleen Sleeuwits gingen hem hierin voor. Vacuümgetrokken portretten rond logo’s van bedrijven, nikab’s, tapijten, gebedsvlaggen en een lenticulaire techniek (zoals de ansichtkaart die verandert naar een 3D object als je de kaart beweegt) tonen aan dat je je als fotograaf niet hoeft te houden aan fotopapier alleen. Het is echter wel de vraag of het nodig is om een vacuümgetrokken foto met een McDonald’s logo te presenteren òp datzelfde McDonald’s logo. Zeker omdat het beeld ergens anders nog een keer terugkomt. Maar bij een foto van een vrouw in een nikab en een Chicago Bulls T-shirt dat vacuümgetrokken is rond basketbalsneakers, werkt het wel weer.

 

Eigen wereld

Lamrabat heeft zijn eigen wereld gecreëerd en heeft het Mousganistan genoemd. Het is een mix van de Arabische- en de Westerse cultuur. Niet zo gek: hij is in Marokko geboren en in België opgegroeid. In zijn stijlvorm lijkt hij vaak als eerste naar het masker of de gezichtsbedekking te grijpen. Ondanks dit uitgummen van identiteiten is er toch een drang naar erkenning voelbaar: ‘Wij doen er ook toe, wij zijn ook mensen.’

In zijn persbericht zegt Lamrabat dat hij hoopt een wereld geschapen te hebben waar iedereen vredig naast elkaar leeft, ongeacht hun afkomst of ambities. Toch valt het op dat er bijna geen andere volkeren dan Afrikanen geportretteerd zijn, los van een wit dikkig kind dat een soort duivelse hoorns op zijn hoofd heeft gebonden. Is het hoopvolle samenleven dan verzandt in het bekritiseren van de ene cultuur om de andere te verheerlijken? Nee, zo ver gaat het niet. Lamrabat is een geëngageerd kunstenaar, dat staat buiten kijf. De humor en de maatschappijkritiek zorgen ervoor dat het een expositie is waarbij je wegloopt met een bitterzoet gevoel. Iets positiefs, want net als alle goede maatschappijkritische kunst geeft het je stof tot nadenken.

 

De tentoonstelling Blessings from Mousganistan is nog te zien tot 16 oktober 2022 in het Foam fotografiemuseum Amsterdam

Kunst / Expo buitenland

Aan de rand van het beeld: de zelfportretten van Vivian Maier

recensie: Bozar Brussel
Bozar BrusselWikimedia commons

De expo ‘Vivian Maier: Het zelfportret en zijn dubbel’ is een bevestiging voor al wie twijfelde aan de therapeutische en emancipatoire kracht van straatfotografie. Het is een herkenbare expo over eenzaamheid en zoeken naar verbinding waarvan je als bezoeker hoopt dat je er nog vaak naar terug kan keren. Helaas is de expo in Bozar tijdelijk, dus haast u nog voor 21 juli naar Brussel. 

De tentoonstelling is opgebouwd rond drie visuele thema’s in de negentig zelfportretten van Vivian Maier. In de eerste zaal wordt getoond hoe Maier zichzelf in haar beelden verwerkt door middel van haar schaduw. Soms vult haar schaduw bijna de volledige achtergrond van de foto. Dan weer bevindt ze zich, heel klein, in de benedenhoek van het beeld, als de verdwaalde duim van een klungelende fotograaf. De bevreemdende proporties en het oningevulde karakter van de fotografe geven de schaduwfoto’s iets van de esthetiek van de Film Noir.  

Vivian Maier

Vivian Maier, Self-Portrait, Chicago, IL, 1956

Eeuwige buitenstaander

Haar beelden zijn veel tegelijk: tijdsdocument, zelfportret, bewijs van haar fascinatie voor haar medemens en heel vaak humoristisch. Een voorbeeld van dat laatste is een foto van een vrouw die met krulspelden in ligt te bruinen op niet minder dan drie handdoeken tegelijk. Het beeld geeft op vrij komische wijze iets van de menselijke ijdelheid en territoriumdrift weer.  

Maier leek met haar zelfportretten geen perfectie te ambiëren; het zijn foto’s waarop onscherpe voorwerpen en mensen voorkomen en waarin het hoofdpersonage (de fotografe) zelden mooi in het midden van het beeldkader staat. Soms moet de toeschouwer zelfs even zoeken voor hij haar vindt in het beeld. 

De tweede en derde zaal focussen respectievelijk op de reflectie (in spiegelende, niet zelden misvormende oppervlakken die ze op straat passeert) en spiegels. De weerspiegeling in haar beelden – bijvoorbeeld in winkelruiten en ramen van kapperszaken – vertolken op visuele wijze het gevoel van een buitenstaander die naar binnen kijkt. 

Het onzichtbare zichtbaar maken

De begeleidende teksten in het museum verwijzen naar Maiers pogingen om het onzichtbare zichtbaar te maken – een interessante interpretatie, zowel op persoonlijk als op socio-economisch vlak (Maier werkte twintig jaar lang als kindermeisje bij een welgestelde familie). Deze benadering van haar werk legt bovendien een paradox bloot. Enerzijds kan men vermoeden dat het in de jaren vijftig en zestig extreem zichtbaar was wanneer iemand op straat foto’s van zichzelf stond te nemen. Tenslotte was de (zelf)portrettering nog lang niet zo alomtegenwoordig als vandaag.  

Anderzijds lijken de mensen rondom de fotografe ongestoord verder te gaan met hun bezigheden, alsof zij er niet is. Een frappant voorbeeld is hoe ze op het strand ongestoord een zonnebadende vrouw in bikini kan fotograferen. Zelf staat ze, als schaduw, met rok en hoed op de foto. Het gemak waarmee haar medemensen Maiers spiedende oog negeerden bevestigt haar spookachtige bestaan.  

De wereld begrijpen via de ander

In de laatste zaal zien we enkele video’s waarin Maier de lens expliciet op anderen richt en zichzelf buiten beeld houdt. Haar camera wijkt in ‘Chicago Street Scenes’ (1965) soms af naar een winkelruit, maar we krijgen haar nooit te zien. Je vraagt je af wat ze probeert te begrijpen, wat ze van die mensen wil leren door hen in al hun ongestoorde alledaagsheid te observeren. 

Naast de video’s hangen in deze laatste zaal ook enkele foto’s van Maier die niet door haar zelf werden genomen. Hoewel ze al eerder experimenteerde met het onzichtbaar maken van haar camera door slim werk met hoeken en spiegels, zien we haar pas hier in haar geheel, vanop een afstand gefotografeerd. Het is dan ook bevreemdend en kwetsbaar om haar in een badpak op een zandstrand te zien zitten, niet langer de regisseur van de foto. Bovendien rijst zo de biografische vraag of deze schijnbaar zeer eenzame vrouw dan toch iemand in haar leven had die ze voldoende vertrouwde om haar op deze manier vast te leggen. 

De selfie: meer eenzaamheid dan zelfobsessie

De zelfportretten en fotografie van Vivian Maier ontroeren: haar pogingen om haar eenzaamheid te doorbreken en door te dringen tot de wereld van de ander zijn misschien wel actueler dan ooit. Ook haar technieken om zichzelf in haar beelden te verwerken, die toentertijd absoluut vernieuwend waren, blijven vandaag overeind. Maier had wellicht niet kunnen bevroeden een voorloper te worden van het universele fenomeen dat de selfie vandaag is. Deze expo daagt uit om dat vermeende narcisme eens in een ander, meer herkenbaar en menselijk daglicht te plaatsen. 

De tentoonstelling in Bozar toont slechts enkele kanten van de veelzijdige fotografe die Vivian Maier was. Dankzij de beperkte selectie en de focus op zwart-wit fotografie komen Maiers zelfportretten bijzonder goed uit de verf. En dan is het nu vooral in spanning afwachten tot er een volgende tentoonstelling van haar werk komt. 

Kunst / Expo binnenland

Heropening: een nieuw museum om trots op te zijn

recensie: Museum Arnhem

Heel Arnhem viert feest, want na een intense verbouwing van bijna vijf jaar opent Museum Arnhem nu eindelijk haar vernieuwde deuren voor publiek. Arnhems meisje en kunstredacteur Priya Wannet greep haar Museumkaart en nam meteen een kijkje. Welke kunstwerken mag je volgens haar écht niet missen?

Dat is nog eens anders binnenkomen. Waar je voorheen bij de entree van Museum Arnhem in een krappe receptie een kaartje moest kopen, sta je nu vrijwel meteen in de open ronde zaal in het hart van de oudbouw. Hier werd vroeger kunst getoond, nu is er het café en de museumwinkel waar je als bezoeker lekker kunt rondneuzen. Het museum heropent met drie nieuwe tentoonstellingen: Tenminste Houdbaar Tot, Van Links Naar Rechts en de educatieve presentatie Met Open Ogen.

 

Tenminste Houdbaar Tot

Serge Attukwei Clottey: Gbor Tsui (2019)

We volgen de menigte kunstliefhebbers en komen terecht bij de tentoonstelling Tenminste Houdbaar Tot. Deze tentoonstelling gaat over klimaatverandering en de relatie van mensen met hun omgeving. Centraal staat de vraag of kunst mensen kan veranderen om anders met de aarde om te gaan. Vooral het werk van de Ghanese kunstenaar Serge Attukwei Clottey (1985) herbergt een belangrijke boodschap. Zijn uit 2019 afkomstige GBOR TSUI (Visitor’s Heart) is een kamervullend ‘reuzengordijn’ dat midden in de zaal hangt. Het drukt de bezoeker met de neus op de feiten rondom de rol van kolonialisme in hedendaagse milieuproblemen. Het goudgele gordijn, dat bij elkaar gehouden wordt door kleine stukjes plastic, verwijst naar het ernstige plasticprobleem in Ghana. Ook andere kunstenaars tonen hoe de klimaat- en milieuproblemen deels het gevolg zijn geweest van koloniale uitbuiting. De Beaded Slave Chain (2021) van Luisa Kuschel verwijst naar de handel in tot slaaf gemaakte mensen en Avantia Damberg laat zien wat de Shellfabriek op Curaçao heeft betekend voor het eiland.

 

Van Links Naar Rechts

Zodra je de zaal van Van Links Naar Rechts binnenkomt word je overweldigd door de hoeveelheid werken. Alle schilderijen zijn met zeer grote precisie geschilderd: het lijken net foto’s. Zo proef je de sfeer van het interbellum uit de vorige eeuw, en word je meegezogen in de recessie van de jaren dertig in Nederland. We zien hardwerkende mensen op het land en in de huizen, versleten textiel en een sobere lichtinval. Maar dat is niet alles wat het publiek te zien krijgt. Ook kunstenaars als Iris Kensmil (1970) krijgen een podium. Kensmil houdt zich vooral bezig met zwarte emancipatie. In haar kunstwerk Protester #1-24 portretteert ze vierentwintig antiracisme-demonstranten. Hun dichtgeplakte monden verwijzen naar de slogan I can’t breathe van de Black Lives Matter-beweging.

Museum Arnhem heeft met Van Links Naar Rechts een prachtige collectie samengesteld waar een aantal vooruitstrevende kunstenaars in de welverdiende spotlights staan.

 

Met Open Ogen

Margriet van Breevoort, The Tourist (2016)

Bij Met Open Ogen word je blik direct gevangen door de mensachtige sculptuur van Margriet van Breevoort: The Tourist (2016). Met grote uitpuilende ogen kijkt het je verwonderd aan. Hoe zou het zijn als we overal waar we komen om ons heen kijken als een toerist? Dat vraagt Van Breevoort (1990) zich met dit werk af. De jonge toerist ziet er op het eerste gezicht heel realistisch uit, als een backpacker die je zomaar op straat tegen zou kunnen komen. Maar als je beter kijkt dan zie je hoe fantasie en werkelijkheid met elkaar versmelten. Zo steken er twee kleine hoorntjes uit het hoofd en klopt de verhouding van de ogen niet. Met de tentoonstelling Met Open Ogen geeft Museum Arnhem een nieuwe impuls aan de educatieve traditie, die door oud-museumdirecteur Pierre Janssen (1926-2007) is gestart. Het gaat niet om de kunst maar eerder om het leren kijken naar bijzondere dingen. De op beleving gerichte presentatie biedt bezoekers een verdiepende kijkervaring en nodigt hen uit om werken op verschillende manieren te ervaren en ervaringen actief met elkaar te delen.

 

Benieuwd naar de rest van het museum? Museum Arnhem is het hele jaar door te bezoeken voor wisselende tentoonstellingen en een vaste moderne kunstcollectie. Stap binnen in de grote glazen koepel en laat je verleiden door al het moois dat het museum je te bieden heeft. Ook de beeldentuin is zeer de moeite waard om een kijkje te nemen en gratis toegankelijk voor iedereen. Met bijzondere sculpturen van Maria Roosen, Louie Cordero, Monika Dahlberg, Henry Moore en nog vele anderen. Museum Arnhem mag zich met recht het nieuwe visitekaartje van de stad noemen.

Kunst / Expo binnenland

Het dagelijks leven kleur geven

recensie: Kleur als Taal
Etel Adnan, 'Zonder titel', 2014, olieverf op doek, 38 x 46 cm. Collection Jean Frémon. © The Estate of Etel Adnan. Courtesy Galerie Lelong & Co., Paris/New YorkThe Estate of Etel Adnan. Courtesy Galerie Lelong & Co., Paris/New York

Ze hangen naast elkaar: een doek Zonder titel van Etel Adnan (1925-2021) uit 1983 en het bekende Veld met irissen bij Arles uit 1888 van Vincent van Gogh (1853-1890). De curator van de tentoonstelling Kleur als Taal, Sara Tas, wil ons zo wijzen op de kleurvlakken die beide schilders neerzetten en de manier waarop ze diagonalen gebruikten. Naast overeenkomsten zijn er echter ook duidelijke verschillen.

Vergeet om te beginnen niet dat Van Gogh in zijn late werk, zoals Veld met irissen bij Arles, veel geel gebruikte. Op een manier die volgens de Vlaamse oogarts Frank Joseph Goes in zijn boek The Eye in History (2013) zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van glaucoom, een oogziekte. Het geel is, ook na restauratie, veel minder uitgesproken dan dat op Adnans Zonder titel dat ernaast hangt en bijna een eeuw later werd gemaakt. Het is de eerste vergelijking die je als bezoeker van de tentoonstelling tegenkomt. Het is een vergelijking die een beetje voor verwarring kan zorgen en je op het verkeerde been dreigt te zetten. Is dat erg? Nee – het is net zoiets als de opmerking ‘Ik kijk even of je wel oplet’. Het zet je op scherp, omdat je als bezoeker vermoedt dat hier iets bijzonders staat te gebeuren.

Etel Adnan, 2016. Courtesy Galerie Lelong. Foto: Fabrice Gibert

Etal Adnan

Etal Adnan werd geboren in Beiroet als dochter van een Grieks-orthodoxe moeder en een Syrisch-Islamitische vader. Ze begon als dichter en schrijver. Vanaf 1949 studeerde ze filosofie aan de Sorbonne in Parijs, waar ze werd gegrepen door het werk van Jean-Paul Sartre. In Parijs zag ze ook voor het eerst schilderijen van Vincent van Gogh. Met name diens zelfportretten maakten grote indruk op haar. Zonder kunstzinnige opleiding begon Adnan toen ze ruim dertig jaar was te schilderen. Ze woonde inmiddels in Californië en was daar tot 1972 docent kunstfilosofie en esthetiek.

Na enkele tussenstops keerde ze in 1980 terug naar Californië. De Mount Tamalpais werd haar belangrijkste thema, op een soortgelijke manier als de Mont Sainte-Victoire dat was voor Paul Cézanne. Pas in 2012 kreeg Adnan ruime erkenning toen Hans-Ulrich Obrist ervoor koos om haar werk tentoon te stellen op de Documenta in Kassel. De tentoonstelling Kleur als Taal is de eerste overzichtstentoonstelling van haar werk in Nederland. Ze heeft weet gehad van het idee, maar de opening niet meer meegemaakt, want ze overleed in 2021.

 

Etel Adnan, 'Mount Tamalpais', 1985, olieverf op doek, 126.5 × 149 cm. © The Estate of Etel Adnan. The Nicolas Ibrahim Sursock Museum, Beirut (schenking van de kunstenaar, 2007)

Etel Adnan, ‘Mount Tamalpais’, 1985, olieverf op doek, 126.5 × 149 cm. © The Estate of Etel Adnan. The Nicolas Ibrahim Sursock Museum, Beirut (schenking van de kunstenaar, 2007)

 

Etel Adnan, 'California #9', 2013, olieverf op doek, 30.5 × 41 cm, © The Estate of Etel Adnan, Museum Voorlinden, Wassenaar

Etel Adnan, ‘California #9’, 2013, olieverf op doek, 30.5 × 41 cm, © The Estate of Etel Adnan, Museum Voorlinden, Wassenaar

 

Er zijn maar liefst 78 werken van Adnan te zien, naast 10 van Vincent van Gogh. Naast schilderijen worden er leporello’s (als een accordeon gevouwen boekjes), drie tapijten, aquarellen en literair werk getoond. De schilderijen voeren de boventoon. Zonnige werken zijn het, in tegenstelling tot haar somberder dichtwerk. Al moet gezegd dat ze dit zelf zag als twee zijden van dezelfde medaille. Vaak is een los ‘hangend’ blokje of bolletje te zien, dat de zon moet voorstellen. Hoewel klein zijn ze niet te missen, net zoals op een andere manier de enorme zon op De zaaier van Van Gogh (1888). Soms is de zon zelfs helemaal niet te zien, maar toch qua sfeer overduidelijk aanwezig, zoals op Zonder titel (2000-2005) op een wand pal bij De zaaier: een rozerode lucht nadat de zon is ondergegaan. Het gaat duidelijk om de natuurbeleving van beide kunstenaars.

Van Gogh en Adnan

Misschien ligt hierin wel de overeenkomst tussen Van Gogh en Adnan. Adnan gaat daarin een stap verder dan haar voorbeeld. Haar schilderijen zijn abstract, maar toch herken je in een serie die ze in Californië maakte niet alleen duidelijk die zon, maar ook de contouren van de bergen, een brug en de vlakken van het landschap en het water. In tegenstelling tot Van Gogh ontbreken op Adnans schilderijen mensen en dieren.

Vincent van Gogh, 'Korenveld', 1888, olieverf op doek, 54 x 65 cm, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Vincent van Gogh, ‘Korenveld’, 1888, olieverf op doek, 54 x 65 cm, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

 

Etel Adnan, 'Zonder titel', 2014, olieverf op doek, 38 x 46 cm. Collection Jean Frémon. © The Estate of Etel Adnan. Courtesy Galerie Lelong & Co., Paris/New York

Etel Adnan, ‘Zonder titel’, 2014, olieverf op doek, 38 x 46 cm. Collection Jean Frémon. © The Estate of Etel Adnan. Courtesy Galerie Lelong & Co., Paris/New York

Grote verrassing

Een grote verrassing volgt in de Sompa Gallery, een verdieping hoger in het museum. In deze kleine zaal hangen over twee wanden verdeeld Adnans kleinere werken. Een rij schilderingen in waterverf op papier op de ene wand en een rij olieverfschilderijen op doek op de wand er tegenover. Adembenemend mooi. En prachtig ingericht, net als de hoofdmoot van de expositie.
Je komt vrolijk en verrijkt uit het museum, en dat was ook Adnans bedoeling met haar werk. Zoals haar partner Simone Fattal het eens verwoordde: ‘They help you live your everyday life’.

 

Kunst / Expo binnenland

Misleiding in Leiden

recensie: Misleiden – Fakes uit kunst en wetenschap
Rog gevouwen in de vorm van een draak, naturalis, Cees de JongeCees de Jonge

Kunst heeft vaak tot doel om te verleiden, maar soms wil ze ook misleiden. In de wetenschap zijn namaak en bedrog evenmin onbekende verschijnselen. De Lakenhal in Leiden brengt ruim twintig objecten uit plaatselijke musea bijeen die bezoekers eeuwenlang op het verkeerde been hebben gezet. Het is een wat willekeurig allegaartje, maar de ‘fakes’ zijn een bezoekje waard.

Leiden kent veel musea en onder hun schatten bevinden zich ook de nodige die het label ‘nep’ verdienen. De Lakenhal heeft uit diverse plaatselijke collecties een kleine expositie van originele fakes opgesteld. Het is geen tentoonstelling met een diepere ‘filosofische’ vraagstelling over de betekenis van misleiding in kunst en wetenschap. Aan de hand van gedetailleerd kritisch onderzoek krijg je wel inzicht in de vaak vermakelijke ontstaansgeschiedenis van bijzondere historische objecten.

Japanse zeemeermin

Een opmerkelijk voorwerp is bijvoorbeeld een Japanse meermin, in elkaar geknutseld met uiteenlopende materialen als vissenhuid, metalen draad, een menselijke schedel en de kaak van een hond. In Japan werden zulke objecten in de 18e eeuw volop geproduceerd en tentoongesteld als goddelijke tempelwezens. De verklaring daarvoor moet worden gezocht in eeuwenoude Japanse mythen over meerminnen. Die zouden over bijzondere (natuur)krachten beschikken en als onderdeel van de maaltijd zelfs onsterfelijkheid kunnen garanderen.

Het in stand houden of versterken van mythen is wel vaker het doel van fakes. Zo is op de expositie ook een ‘Romeinse’ nepbaksteen met inscriptie te bewonderen die de glorieuze broederschap van het Bataafse volk moest uitdragen. In zijn poging het nationale verleden wat aan te dikken, toonde de 16e -eeuwse maker zich al een serieuze kandidaat voor Heel Holland Bakt.

Prozaïsche motieven

Niet zelden blijkt er een vrij prozaïsch motief te schuilen achter het maken of etaleren van fakes. De apotheker die met een draakje op sterk water indruk wil maken op zijn klanten, de steenhouwer die munt wil slaan uit een vervalst Egyptisch reliëf, de schrijver die zijn avontuurlijke jeugd op een half verzonnen eiland bij elkaar fantaseert…

Maar nieuwsgierig maakt het altijd weer, we laten ons nog steeds wel graag een beetje bedriegen toch?

Ook online te zien

Bijzonder is dat je de hele expositie ook online kunt bezoeken, op de website van De Lakenhal. Niemand hoeft het te missen dus.

Boeken / Kunstboek / Non-fictie

Vergezocht, maar toch de moeite waard

recensie: Keith Haring, Muna Tseng & Tseng Kwong Chi: Boundless Minds & Moving Bodies in 80’s New York

Keith Haring. De gemiddelde cadeauwinkel verkoopt minstens een mok, kussen of ansichtkaart met daarop een extreem herkenbaar icoon van de in de jaren tachtig bekend geworden graffitikunstenaar uit New York. Maar wie zijn Muna Tseng en Tseng Kwong Chi (1950-1990)? En wat hebben ze te maken met Keith Haring (1958-1990), afgezien van het feit dat ze alle drie actief waren in New York in de jaren tachtig? Redacteur Rose Heliczer zocht het voor je uit.

Het is lastig om je bij het zien van het boek Keith Haring, Muna Tseng & Tseng Kwong Chi: Boundless Minds & Moving Bodies in 80’s New York, een beeld te vormen van wat je precies in handen hebt. Je zou zomaar kunnen denken aan een diepgravende excursie in de driehoeksverhouding tussen een bekende kunstenaar, een fotograaf en een danser. In werkelijkheid is het boek een enigszins bij elkaar geraapte bundeling van de samenwerkingen van Muna Tseng en Tseng Kwong Chi met Keith Haring. Hoewel in het openingsinterview door de Amerikaanse cultuurcriticus en curator Carlo McCormick beloofd wordt dat we vooral met het wat ondergesneeuwde werk van Muna Tseng (die de artistieke nalatenschap van haar broer beheert sinds zijn overlijden in 1990) gaan kennismaken, is dat niet helemaal waar. Keith Haring krijgt buitenproportioneel veel aandacht, waardoor de kneiterbekende kunstenaar op de voorgrond blijft staan. Zonde, want het werk van zowel Muna, als Kwong Chi is interessant genoeg om op zichzelf te behandelen. Het maakt dat hun samenwerking met Keith Haring enigszins als excuus aanvoelt. Het boek is mooi vormgegeven (de kleuren van de bladzijden!) maar mist de nodige context, waardoor lang niet al het besprokene goed uit de verf komt.

Herinneringen van oude kennissen

Boundless Minds opent met een uitgebreid vraaggesprek tussen Carlo McCormick en danseres en choreografe Muna Tseng, die de interdisciplinaire dansvoorstelling Epochal Songs met Keith Haring maakte. Muna Tseng en McCormick waren beiden actief in de jaren tachtig in New York. In hun gesprek halen ze herinneringen aan deze tijd op. Doordat belangrijke politieke en maatschappelijke thema’s benoemd maar niet geduid worden, voel je je als lezer een buitenstaander. Het was prettig geweest als McCormick zijn stem als interviewer had gebruikt om context te bieden aan de lezer. De positie van Muna Tseng en de Amerikaans-Aziatische gemeenschap in de New Yorkse kunstscene toentertijd wordt wel enigszins belicht.

Harings persoonlijke fotograaf

Na het interview start het boek niet met Muna Tseng, maar met de samenwerking tussen Tseng Kwong Chi en Keith Haring. Auteur Barry Blinderman wijdt hier een alinea aan de serie East meets West, de zelfportretten waarin Tseng Kwong Chi met de zelfontspanner in zijn hand poseert naast toeristische trekpleisters en beroemde mensen. Hij is gekleed in een tweedehands pak uit het regime van Mao, een van de meest gewelddadige dictators van de 20e eeuw. Een gewaagde en interessante fotoserie dus. Toch leest het essay van Blinderman overwegend als een ode aan Keith Haring.

Keith Haring in Subway, 1983, Tseng Kwong Chi

Keith Haring in Subway, 1983, Tseng Kwong Chi, © Muna Tseng Dance Projects, Inc.

Door het hele boek is er meer aandacht voor Tsengs fotografie van Harings streetart in de New Yorkse metrostations. Kwong Chi heeft kunst vastgelegd die anders verloren zou zijn gegaan aan het tijdelijke karakter van graffitikunst. Haring belde Tseng om te vertellen met welke metrolijn hij gereden had. Vervolgens reisde Tseng hem achterna om foto’s te maken van de graffiti die Haring op de stations achterliet. Boundless Minds & Moving Bodies in 80’s New York bevat veel van deze foto’s. Die zijn interessant, maar ook hier mist het boek de nodige context. De foto’s lopen namelijk flink achter op de kwaliteit van onze hedendaagse beeldcultuur, waarin haast iedereen een hoge kwaliteitscamera in zijn broekzak heeft. Tseng Kwong Chi fotografeerde analoog. Hij moest snel zijn, want het was niet toegestaan om zonder vergunning foto’s te maken. Met de techniek van toen was het een stuk lastiger om onder tijdsdruk mooie foto’s te maken zonder daglicht. Zonder duiding van het maakproces van de foto, en de iconische betekenis van Harings werk (de blaffende hond, baby, berg mensen) op de affiches in de metro, blijven er matige, weinig zeggende foto’s over.

Muna Tseng en Keith Haring: Epochal Songs

Danseres en choreografe Muna Tseng maakte in 1982 samen met Keith Haring de interdisciplinaire dansvoorstelling Epochal Songs. De dansvoorstelling, waarvoor Keith Haring de tekeningen maakte, wordt gelukkig wel van toelichting voorzien. De inspiratie voor de voorstelling kwam voort uit gedeelde bezorgdheid over het beleid van Ronald Reagan en de nucleaire wapenwedloop. Tseng danste, Haring observeerde haar en kwam, volledig in lijn met zijn bekende werkmethode, een middagje langs om in één ruk veertig tekeningen te maken. Het werk schetst diverse ontwikkelingen in de evolutie van de mensheid. Van het eerste gebruik van vuur, naar auto’s en televisies, naar de atoombom. Het is het duidelijkste en meest volledige stuk van het boek, dat over het algemeen vooral vraagt om een overkoepelende stem die opheldering geeft over de specifieke beeldtaal en de context waarin het werk is gemaakt. Hierdoor voelt Boundless Minds & Moving Bodies in 80’s New York enigszins aan alsof het vooral voor kenners bedoeld is. Toch is het de moeite waard. Het is een prachtig vormgegeven boek, dat plezierig is om door te kijken op de zaterdagochtend. Het laat je bovendien kennis maken met twee kunstenaars die je anders misschien wel nooit was tegengekomen.

Kunst / Expo binnenland

Ode aan een vergeten held

recensie: Anton de Kom: schrijver, strijder, wegbereider - Nederlands Openluchtmuseum
Installatie kunstenaar Ken DoorsonPriya Wannet

Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem wijdt dit voorjaar een tentoonstelling aan de in Suriname geboren Anton de Kom (1898-1945), antikoloniaal denker, schrijver, dichter, mensenrechtenactivist en verzetsstrijder. Hij publiceerde onder meer in 1934 de aanklacht tegen racisme en uitbuiting Wij slaven van Suriname.

Eerder kreeg Anton de Kom al een ‘venster’ in de Canon van Nederland, de lijst van de belangrijke gebeurtenissen, personen en voorwerpen uit de Nederlandse geschiedenis die ook in Arnhem in beeld gebracht wordt. Samen met de Surinaamse kunstenaar Ken Doorson (Moengo, 1978) maakt het museum nu de expositie Anton de Kom -schrijver, strijder, wegbereider. Het wil De Kom en zijn gedachtegoed aan een breed publiek presenteren aan de hand van een aantal thema’s: de verbinder, de leraar, de aanklager, de strijder en de wegbereider.

Papa de Kom

Wat bij binnenkomst direct opvalt is de grote installatie Papa de Kom van Ken Doorson. Het is een meer dan levensgroot kunstwerk. Op de grond staat een wijde, naar boven taps toelopende koker, behangen met honderden terracotta gezichten. Daarboven zweeft het gezicht van Anton de Kom. Doorson maakte de installatie in samenwerking met studenten van de Nola Hatterman kunstacademie in Paramaribo en jongeren van het Forensisch Centrum voor Adolescenten in Amsterdam en Assen. De koppen symboliseren de vele mensen die Anton de Kom hoop gaf, door te luisteren en hen perspectief te bieden. Ook de maquette van zijn ouderlijk huis trekt de aandacht. Voor wie zijn oor hiertegen te luisteren legt, weerklinken de geheime lezingen van Anton nog steeds.

Voorvechter voor vrijheid

Slavenketting tentoonstelling Anton de Kom

Veel mensen weten niet dat De Kom een belangrijke rol heeft gespeeld in het Nederlands verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij streed met zijn stem en pen. Zo schreef hij artikelen voor communistische kranten en distribueerde hij illegale kranten. Ook zette hij zich met zijn lezingen af tegen het naziregime. Een bijzonder detail dat verwijst naar zijn tijd als leraar zijn de ouderwetse schoolbanken die in de ruimte zijn geplaatst. Deze geven tevens ook aanleiding om met elkaar de dialoog aan te gaan over vrijheid. Door middel van de grote slavenketting die over de vloer loopt, kun je De Koms bewogen leven volgen. In de vitrines liggen de originele manuscripten die speciaal voor deze tentoonstelling door zijn familie De Kom zijn vrijgegeven. Ook is er aan de jonge bezoekers gedacht. Zij kunnen hun lol op met de moderne touchscreens en luisterstations. Met een paar drukken op de knop worden zij het verhaal ingezogen. Daarnaast zie je beelden van de Black Lives Matter demonstraties uit 2020. Hiermee laat het museum zien dat de strijd van De Kom nog altijd actueel is.

Al met al toont het Openluchtmuseum een interessante overzichtstentoonstelling van het leven en gedachtegoed van Anton de Kom. Als bezoeker word je uitgedaagd om vanuit een ander perspectief naar de geschiedenislessen van vroeger te kijken. Een mooie manier om buiten je eigen kaders te treden en tegelijkertijd stil te staan bij uitdagende actuele maatschappelijke thema’s. Een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de vaderlandse geschiedenis. De Kom heeft zich misschien losgemaakt van zijn kettingen, maar in onze huidige samenleving vind je nog altijd veel discriminatie, racisme en ongelijkheid. Daarom moeten anderen zijn strijd voortzetten.

Boeken
special: COBRA 1948-1951 - Willemijn Stokvis

Maskertjes van ongehoorzaamheid

COBRA – The History of a European Avant-Garde Movement ligt afgeprijsd in de Ramsj-bakken van je favoriete boekwinkel. Voor maar twee tientjes haal je deze 416 pagina’s tellende tuintegel van een kunstboek in huis. Maar wat is de Cobra beweging eigenlijk? En heeft de groep nog relevantie in deze tijd? Redacteur Inge Cohen herlas het boek en kwam tot deze conclusie.

Cobra was een opstand van beeldend kunstenaars en dichters tegen het duffe formalisme dat volgens hen heerste in de kunst. De Cobra-leden waren idealisten en maatschappijhervormers, vertrouwend op de spontane creatieve impulsen in ieder mens. Zij keerden zich tegen oorlog, kapitalisme en kleinburgerlijkheid. Ze vierden feest met hun uitbundige kleurgebruik, hun primitieve masker- en dierenmotieven en hun gezamenlijke projecten. Cobra-leden bestreden kunst als investering en ageerden tegen snobistisch vertoon van macht, voorbehouden aan welke heersende klasse dan ook.

Het begon in Denemarken

De Deense schilders Asger Jorn, Egill Jacobsen en Ejler Bille staan aan de wieg van de Cobra-beweging. Zij experimenteerden al voor de Tweede Wereldoorlog met spontane expressie, kleur en vorm. De kunstenaars werden in Parijs geïnspireerd door schilders als Picasso en Kandinski. Egill Jacobsens ‘Orange Object’ uit 1940 laat al veel karakeristieke kenmerken zien van wat acht jaar later de Cobra-beweging zou worden.

Asger Jorn zou aanjager van de groep worden. Onder de Duitse bezetting gaf hij het kunsttijdschrift Helhesten uit. De titel Helhesten, die verwijst naar een driepotige aankondiger van de dood uit de Noorse mythologie, zinspeelt met dit ‘paard van godin Hel’ op de Duitse bezetting. Daarnaast staat het driepotige, mank lopende paard, dat moeite heeft zich van levensonderhoud te voorzien, symbool voor de toestand van de pre-Cobra kunstenaars tijdens de oorlog. Ook geeft het gebruik van het paard uit de Noorse mythologie versterking aan de eigen volksaard van symbolisme. De Denen keerden bij zichzelf naar binnen en gaven op een directe manier uiting aan wat ze daar tegen kwamen. Jorn, wiens werk in het Cobra-museum in Amstelveen hangt maar vooral in het Asger Jorn Museum in het Deense Silkeborg, schilderde archaïsche, soms monsterachtige wezens, grijnzende of gapende maskers en fabeldieren met roofzuchtige klauwen. Vaak met dikke zwarte lijnen geaccentueerd. Afwisselend verwezen deze beelden naar oorlog en destructie en, als tegenkracht, naar het vrije spel van kinderen en naar de vrede en vitaliteit van de naoorlogse Deense samenleving.

Maar in Nederland en België gebeurde er ook wat

De Nederlandse beeldende kunsten en literatuur stonden tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwel stil. Wie geen lid werd van de ‘Kulturkammer’, de door de nazi-bezetters gecontroleerde kunstenaarsbond, kon het vergeten. Je kwam dan niet aan het benodigde materiaal, laat staan aan een expositie om je werk tentoon te stellen. Vlak na de oorlog bleek er een gat tussen vooroorlogse kunst en de moderne tijd, waarin een nieuwe groep kunstenaars inspiratie zocht. Bij gebrek aan binding en sturing vanuit de kunstwereld in het eigen land, ontstond er een grote vrijheid. Men sloeg aan het experimenteren. Eind 1948 ontstond de Experimentele Groep in Holland, met als oprichters Constant Nieuwenhuys, Karel Appel en Corneille. Het tijdschrift dat ze uitbrachten, Reflex genaamd, nam naast hun eigen werk ook werk van de Deense Asger Jorn op. Ondertussen was er in België ook beweging genoeg. Dichter Christian Dotremont richtte Le Surréalisme Révolutionnaire op: een experimentele kunstgroep met een Franse tak.

Oprichting Cobra

Eind 1948 werd er een conferentie in Parijs gehouden. Naast bovengenoemde groepen was ook de Tsjechische groep Czech Ra aanwezig om de avant-gardistische situatie in de landen te bespreken en eventuele samenwerkingen aan te gaan. Tijdens die conferentie brak Christian Dotremont voorgoed de Franse tak van zijn Surrealisme Révolutionnaire af. Ook met Tsjechië wilde het niet erg boteren. In de avond kwamen de heren uit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam bij elkaar in het café. Cobra werd dan toch eindelijk geboren. CO staat voor Copenhagen, BR voor Brussel en A voor Amsterdam.

Rel rond het Stedelijk Museum Amsterdam

In Amsterdam organiseerde Willem Sandberg in november 1949 de eerste expositie van de Cobraleden. De dichters Schierbeek, Kouwenaar, Elburg en Lucebert sloten zich bij de beeldend kunstenaars aan. Gezamenlijk presenteerden zij de catalogus, met een provocerende omslag: uit een wijd geopende mond stak een flinke tong.

De recensenten en het publiek waren razend. ‘Geklad, geklets, geklodder’ en ‘Waanzin tot kunst verhevenstond er in de keurige kranten. Bijna vijfenzeventig jaar later is het moeilijk voor te stellen hoe agressief de sfeer rond de groep was. ‘Geef een aap een kwast en je zal geen verschil zien’, was een veelgehoorde kreet van de gewone burgers. Ondertussen gingen de internationale contacten en de onderlinge samenwerking tussen de groepsleden door. Ook in Frankrijk sloten er uiteindelijk kunstenaars aan.

Willemijn Stokvis heeft in dit boek de kunsthistorische en ideologische lijnen van deze letterlijk kleurrijke groep kunstenaars volledig nagetrokken en in perspectief geplaatst. Deze uitgave in groot formaat met heel goede reproducties vol kleurrijke creatieve impulsen is een aanrader voor iedereen die nu een tegenwicht zoekt voor de machteloze woede en droefenis bij alle nationale en internationale crises.