Steeds beter, steeds mooier
© Hans RoggenIn Preludium, het muziekmagazine van Het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), wordt de documentaire over het orkest van de Frans-Duitse televisiezender ARTE (regisseur Andreas Morell) zuinigjes ‘boeiend’ genoemd, maar het is – op enkele kanttekeningen na – méér dan dat.
De documentaire (2025) is de tweede in een reeks van vier over Famous Orchestras : Orchester der Weltklasse. De andere orkesten zijn: de Berliner, de Wiener Philharmoniker en het Orchestre National de France. Natuurlijk: in de Schatkamer van Beeld en Geluid kun je sinds kort ook het vijfdelige portret van het orkest uit 2008 terugzien. En op de eigen website van het KCO staan de ‘mooiste orkestregistraties’, maar zo’n brede en goed in elkaar gezette documentaire als deze verdient alle aandacht.
Karakteristieke klank
Klaus Mäkelä, de toekomstige chef-dirigent, stelt aan het begin dat de karakteristieke klank van het KCO ligt in warmte en transparantie. ‘Warm, transparant en flexibel’ vult muziekjournalist Hans Haffmans aan. Het heeft alles te maken met de beroemde én moeilijke akoestiek van de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, aldus directievoorzitter Dominik Winterling. Maar ook – moet worden gezegd – met het ideaalbeeld van elke dirigent die voor het orkest staat. Klank is zo’n beetje de rode draad die in deze documentaire naar voren komt. En daarbij mag het volgens Mäkelä duidelijk zijn, dat het vooral gaat om ‘de traditie in onze tijd over te dragen’.
Verschillende dirigenten en componisten
De documentaire gaat terug tot de eerste dirigenten, de beide Willems: Kes en ‘diva’ Mengelberg. Zij zetten de traditie van jonge dirigenten in. Opvallend is de aandacht voor (toen) nieuwe muziek, van bijvoorbeeld Mahler, Schönberg en Stravinsky.
Fascinerend zijn de oude filmfragmenten van Amsterdam, die worden afgewisseld met evenveel fragmenten van repetities en concerten uit dezelfde tijd. Zo zien we het publiek toestromen voor het eerste Mahlerfestival (1920), door een ingang die recent weer is geopend.
Eerste violist Michael Waterman laat partituren en partijen van symfonieën van Mahler zien, met aantekeningen van Willem Mengelberg. Soms op grond van wat de componist tijdens repetities uit de zaal hem toeriep: ‘Niet te langzaam! Niet te langzaam! Niet te langzaam!’ De traditie gaat dus terug tot de bron, de componist zelf. Althoboïste Miriam Pastor Burgos en solofagottist Andrea Cellacchi benadrukken beiden het belang van Mahler voor alle volgende chefdirigenten van het orkest.
Maar laten we daarbij Anton Bruckner niet vergeten, want na Mengelberg zette met name diens opvolger Eduard van Beinum zijn symfonieën op de lessenaar waar ze tot op de dag van vandaag regelmatig staan. Denk daarbij ook aan Bernard Haitink, die op zijn tweeëndertigste chefdirigent werd. Hij gaf de musici een grote vrijheid van spelen. ‘Hij was eerlijk, zonder show en maakte puur muziek’, aldus concertmeester Vesko Eschkenazy.
De eerste niet-Nederlandse dirigent was de Italiaan Riccardo Chailly. Hij had veel aandacht voor precisie en exacte ritmiek. De klank van het orkest werd onder zijn leiding slanker.
Chailly werd opgevolgd door Maris Janssons, een uitzondering op de regel van jonge dirigenten, want hij was al eenenzestig jaar toen hij door het orkest werd gevraagd om hun chefdirigent te worden. Het orkest wilde alles geven waarom hij tijdens concerten vroeg. Veelbetekenend in dit verband is het mooie beeld op het moment dat twee eerste violisten elkaar aankijken op een manier van: ‘Fijn, het is gelukt!’
De volgende dirigent in de rij was Daniele Gatti, wederom een Italiaan. Volgens tweede concertmeester Ursula Schoch was hij ‘wild en vaak ongecontroleerd’ wat niet iedereen kon waarderen en een tweespalt binnen het orkest gaf. Kenmerkend was misschien eerder dat hij het orkest ook lelijk kon laten spelen als de muziek daarom vroeg; muziek die te waar is om mooi te zijn. Na Gatti’s vertrek duurde het volgens Schoch lang voor er weer een eenheid binnen de gelederen kwam.
Nu moet er weer een dirigent komen die aan een mooie klank en technische details gaat werken. Die is gevonden in de Fin Klaus Mäkelä. Hij brengt weer vrijheid in het spel volgens piccolobespeler Vincent Cortvint en moet de speelcultuur van oudsher zowel bewaren als op een hoger plan brengen. Net als Haitink is hij een musicus onder de musici.
Talenten van de toekomst
Omdat de documentaire naar volledigheid lijkt te streven, is er ook kort aandacht voor onder meer de Academie van het Concertgebouworkest en Concertgebouw Orchestra Young. Hierin zitten de talenten van de toekomst. De twee ere-dirigenten, Nikolaus Harnoncourt en Ivan Fischer worden genoemd en er zijn beelden van gastdirigent Barbara Hannigan, die in 2022 bij het orkest debuteerde.
Er komt nog veel meer voorbij, waaronder de tournees die belangrijk zijn voor het orkest. Belangrijk voor de uitstraling, het image en ook voor de teambuilding binnen het orkest. Hetzelfde programma dat op reis wordt meegenomen wordt er door herhaaldelijk spelen in telkens andere, soms qua akoestiek moeilijke zalen, steeds beter op.
Of dit allemaal te veel van het goede is, kan in het midden worden gelaten, omdat het uiteindelijk tot een mooi totaalbeeld van de veelzijdige bezigheden van het orkest leidt. Waarbij veel zo niet alles is gericht op (technisch) steeds beter worden, steeds mooier spelen. En daar ze zijn al zo goed in, individueel én samen…
Gezien op: ARTE
Nog te zien tot: 9 oktober 2026

© Hans Roggen
Bas de Brouwer
© 2025 Searchlight Pictures
Annemieke van der Togt
omslag
omslag
Benjamin van der Veen
Murual
perskit
perskit
Valentine Laout | NewArtsInternational | Publicity | A&R | Video | The Netherlands
Valentine Laout | NewArtsInternational | Publicity | A&R | Video | The Netherlands
Sanne Peper

Pixabay
Bol.com
Bol.com
Ben van Duin
Alba
Alba
Jeroen Hoenselaar
Jaap Reedijk
Leonardo Graterol
Henri Melaanvuo
Marten Root
Marten Root
omslag van bol.com
© Lisa Wibier
© Lisa Wibier

Filmdepot


© Fabian Calis