Berichten

Muziek / Album

Opnieuw op weg naar een Grammy?

recensie: Gregory Porter – All Rise

De ster van Gregory Porter is sinds zijn debuut, zo’n tien jaar geleden met Water, gestaag gestegen. Zijn zesde studioalbum All Rise zal daar alleen maar goed aan doen. De sfeer van zijn nieuwste album is die van behaaglijkheid waar bij de stem van Porter zijn handelsmerk is. Daarnaast is zijn uiterlijk een uit duizenden herkenbare verschijning met zijn kenmerkende hoofddeksel. Alles bij elkaar is Porter een markante persoonlijkheid!

Het zou mij niets verbazen als All Rise in de prijzen gaat vallen wanneer in de VS de Grammy’s worden uitgereikt. Het album is uitgebracht op het legendarische Blue Note label dat garant staat voor hoogwaardige kwaliteit in de jazz.

Spontane feeststemming

Inmiddels heeft Gregory Porter twee Grammy’s op zak. Met All Rise doet hij een gooi naar een derde. Porter heeft een fijne hand van liedjes schrijven en uitvoeren. Zijn muziek kunnen we categoriseren in de hoek van jazz, soul en gospel. Wie op All Rise naar de teksten luistert kan vooral van het laatste genre veel terug horen. Het geloof van Porter is diep verweven in de teksten op het album. Wie oppervlakkig luistert hoort een bevlogen jazz- en soulzanger excelleren op de toppen van zijn kunnen. Al bij de opener ‘Concorde’ grijpt Porter je bij de spreekwoordelijke muzikale lurven en laat je pas los als hij ‘Thank You’ laat klinken. De muziek straalt een grote mate van behaaglijkheid uit. Een warm vuur, gezelligheid en feeststemming komen spontaan opzetten als Porter zijn stembanden laat klinken. Je verdrinkt in de liedjes die allemaal een opbeurende stemming oproepen.

Het album is uitgebracht in een gewone en een deluxe editie. Wie kiest voor het laatste krijgt vijftien liedjes en een prachtige hardcover uitvoering met een fraai boekje vol foto’s en de songteksten. Feitelijk is dat dé manier om een cd te verpakken en de fysieke muziek levendig te houden. Hulde dat de platenmaatschappij hiervoor heeft gekozen.

All Rise een jazz hoogmis?

Het album opent met ‘Concorde’, dat luistert als de beleving van het vliegen in een supersonisch vliegtuig om vervolgens vanaf grote hoogte met enorme snelheid te mijmeren over de aarde daar beneden. De ik-persoon verhaalt dat hij wel heel erg houdt van wat de aarde allemaal te bieden heeft. In dat geval je zou je de Concorde kunnen zien als een metafoor van God.

Dat Gregory Porter zijn religieuze overtuiging duidelijk laat doorklinken doet geen moment af aan de geweldige jazz-benadering van zijn liedjes: een fijne overrompelende orkestratie, die de zanger Porter in het middelpunt stelt. Je ziet hem als het ware voor een groot orkest met tevens veel blazers staan, terwijl hij het publiek toezingt. Maar je kan hem je ook voorstellen in een grote kerk, waar hij iedereen uitbundig toezingt en oproept tot de verering van de Heer. Daar krijgt ook de titel All Rise zijn plaats.

Voor de jazzliefhebber met minder geloofsovertuiging is het album gewoon een heel fijn album, dat op veel momenten muzikale warmte zal geven. Porter zingt over de liefde op een heel uitbundige manier. Als hij ‘Real Truth’ laat klinken zegt hij tegen de ander dat hij zijn ego buiten mag laten en vooral heel open de relatie in mag komen. Zijn zoals je bent, is het allerbelangrijkste in de liefde voor elkaar, maar ook in de liefde van God. Het laat maar weer eens klinken dat liefde universeel is. In de titel ‘Mister Holland’ vraagt Porter natuurlijk in ons land extra aandacht. Het is een liedje dat handelt over gelijkheid op alle niveaus. Het gaat hier ook over openheid naar elkaar toe, zonder vooroordelen over de ander.

Eigenlijk heeft elk liedje op All Rise wel een dubbele betekenis, als je die erin zou willen ontdekken. Wat blijft is dat het album een heel complete en uitzinnige beleving is van een heel warm jazzgeluid. Het is een album ook na vele draaibeurten niet gaan vervelen en steeds weer als een feest van de herkenning gaat worden als je weer luistert. Wat een kracht gaat er van dit nieuwste album uit!

Muziek / Album

Opnieuw op weg naar een Grammy?

recensie: Gregory Porter – All Rise

De ster van Gregory Porter is sinds zijn debuut, zo’n tien jaar geleden met Water, gestaag gestegen. Zijn zesde studioalbum All Rise zal daar alleen maar goed aan doen. De sfeer van zijn nieuwste album is die van behaaglijkheid waar bij de stem van Porter zijn handelsmerk is. Daarnaast is zijn uiterlijk een uit duizenden herkenbare verschijning met zijn kenmerkende hoofddeksel. Alles bij elkaar is Porter een markante persoonlijkheid!

Het zou mij niets verbazen als All Rise in de prijzen gaat vallen wanneer in de VS de Grammy’s worden uitgereikt. Het album is uitgebracht op het legendarische Blue Note label dat garant staat voor hoogwaardige kwaliteit in de jazz.

Spontane feeststemming

Inmiddels heeft Gregory Porter twee Grammy’s op zak. Met All Rise doet hij een gooi naar een derde. Porter heeft een fijne hand van liedjes schrijven en uitvoeren. Zijn muziek kunnen we categoriseren in de hoek van jazz, soul en gospel. Wie op All Rise naar de teksten luistert kan vooral van het laatste genre veel terug horen. Het geloof van Porter is diep verweven in de teksten op het album. Wie oppervlakkig luistert hoort een bevlogen jazz- en soulzanger excelleren op de toppen van zijn kunnen. Al bij de opener ‘Concorde’ grijpt Porter je bij de spreekwoordelijke muzikale lurven en laat je pas los als hij ‘Thank You’ laat klinken. De muziek straalt een grote mate van behaaglijkheid uit. Een warm vuur, gezelligheid en feeststemming komen spontaan opzetten als Porter zijn stembanden laat klinken. Je verdrinkt in de liedjes die allemaal een opbeurende stemming oproepen.

Het album is uitgebracht in een gewone en een deluxe editie. Wie kiest voor het laatste krijgt vijftien liedjes en een prachtige hardcover uitvoering met een fraai boekje vol foto’s en de songteksten. Feitelijk is dat dé manier om een cd te verpakken en de fysieke muziek levendig te houden. Hulde dat de platenmaatschappij hiervoor heeft gekozen.

All Rise een jazz hoogmis?

Het album opent met ‘Concorde’, dat luistert als de beleving van het vliegen in een supersonisch vliegtuig om vervolgens vanaf grote hoogte met enorme snelheid te mijmeren over de aarde daar beneden. De ik-persoon verhaalt dat hij wel heel erg houdt van wat de aarde allemaal te bieden heeft. In dat geval je zou je de Concorde kunnen zien als een metafoor van God.

Dat Gregory Porter zijn religieuze overtuiging duidelijk laat doorklinken doet geen moment af aan de geweldige jazz-benadering van zijn liedjes: een fijne overrompelende orkestratie, die de zanger Porter in het middelpunt stelt. Je ziet hem als het ware voor een groot orkest met tevens veel blazers staan, terwijl hij het publiek toezingt. Maar je kan hem je ook voorstellen in een grote kerk, waar hij iedereen uitbundig toezingt en oproept tot de verering van de Heer. Daar krijgt ook de titel All Rise zijn plaats.

Voor de jazzliefhebber met minder geloofsovertuiging is het album gewoon een heel fijn album, dat op veel momenten muzikale warmte zal geven. Porter zingt over de liefde op een heel uitbundige manier. Als hij ‘Real Truth’ laat klinken zegt hij tegen de ander dat hij zijn ego buiten mag laten en vooral heel open de relatie in mag komen. Zijn zoals je bent, is het allerbelangrijkste in de liefde voor elkaar, maar ook in de liefde van God. Het laat maar weer eens klinken dat liefde universeel is. In de titel ‘Mister Holland’ vraagt Porter natuurlijk in ons land extra aandacht. Het is een liedje dat handelt over gelijkheid op alle niveaus. Het gaat hier ook over openheid naar elkaar toe, zonder vooroordelen over de ander.

Eigenlijk heeft elk liedje op All Rise wel een dubbele betekenis, als je die erin zou willen ontdekken. Wat blijft is dat het album een heel complete en uitzinnige beleving is van een heel warm jazzgeluid. Het is een album ook na vele draaibeurten niet gaan vervelen en steeds weer als een feest van de herkenning gaat worden als je weer luistert. Wat een kracht gaat er van dit nieuwste album uit!

Muziek / Album

De charmante antiheld

recensie: Matt Berninger - Serpentine Prison

Het iconische geluid van Matt Berninger klinkt vertrouwd op zijn eerste soloalbum Serpentine Prison (2020). De modieuze charmeur uit New York blijft zich ook deze keer het meest comfortabel voelen in de rol van antiheld. Is dat nog geloofwaardig als succesvolle frontman van The National?

Het is de droom van veel bands: kunnen leven van muziek, de wereld rondtoeren en werken met de beste producers. In 2017 zag ik The National in de AFAS Live. Ik was een poppetje in het grote publiek; het zoveelste schaduwgezicht waar ze hun nummers voor speelden. Was dat te horen? Misschien. Het optreden was strak, maar er echt inkomen lukte me niet. Teksten als ‘the day I die, the day I die, where will we be’ kunnen thuis indringend klinken, maar gaan toch een beetje wringen als ze uit duizend kelen klinken. Lekker met z’n allen triest zijn in een Nederlandse wereldstad, dacht ik licht spottend.

Het was dus tijd voor een persoonlijke The National-pauze. Ik luisterde een paar jaar nauwelijks naar hun muziek. Tot in 2019 I Am Easy To Find uitkwam en bleef oppoppen in gesprekken. Ik zette het album op en bleef er weken intensief naar luisteren. In de trein, op de bank, overal. Steeds voerde een ander nummer de boventoon en ik was blij met een nieuwe klassieker in mijn luisterrepertoire. Een beetje opgelucht ook dat ik The National weer toeliet en voldaan als ik het woord ‘fear’ op het juiste moment timede in ‘Oblivions’. Ik mocht weer lekker triest zijn, onder de supervisie van Matt Berninger.

De afstand nabij

Toen Matt Berninger een soloalbum aankondigde was ik dan ook blij verrast, maar bij het horen van de eerste single Serpentine Prison kroop het spottende schaduwpoppetje toch langzaam weer omhoog. Een charmeur uit New York die lichtjes flirt met depressie, zei die zuurpruim, met op zijn neus een hippe zwarte bril. Geloof jij het? Ik snoerde de zuurpruim de mond en wachtte nog steeds nieuwsgierig op de albumrelease. Met iets meer reserves, dat wel.

Het album verscheen en het openingsnummer ‘My Eyes Are T-Shirts’ verleidde me makkelijk. De tekst is een grappige vondst: my eyes are t-shirts / they’re so easy to read / I wear ‘em for you / but they’re all about me. De melodie klinkt als een liefkozend wiegenliedje. Berninger gebruikt de lage registers van zijn stem, in praatachtige Cohen-stijl, en vraagt of zijn ‘baby’ terug kan komen om hem op te vrolijken. Dat opvrolijken is op meer nummers nodig blijkt uit de teksten. Berninger is ‘sinking through the floor’, ‘near the bottom’ en ‘burned out’.

Triest zijn in een wereldstad blijft zo ook op Serpentine Prison een doorsijpelend thema, en dat is best begrijpelijk. Wie is niet op zoek naar gezelschap, troost en betekenis in een wereld die zichzelf nog altijd niet kan desinfecteren van eenzaamheid. ‘Yes, I know’, zingt Berninger in het nummer ‘Take Me Out Of Town’, ‘everyone is in this alone’. Iedereen ervaart uiteindelijk de eeuwige individuele lockdown. We voelen ons ‘as far as I can get from you’, zoals Berninger zingt in ‘Distant Axis’. Berninger kent de menselijke tragiek.

Een soulvolle twist

Een opluchting is het dan om het duet ‘Silver Springs’ met Gail Ann Dorsey te horen. Haar stem is, net als op I Am Easy To Find, een prachtige variatie op die van Berninger. Laag, warm en vrouwelijk. Samen roepen ze op om weg te gaan, ‘far from home’. Zoek het avontuur, lijken ze te zeggen, laat het kleinburgerlijke achterwege, want er is meer. Een klassiek tegengeluid – het vieren van de autonome, vrije geest – waarvan het prettig is om eraan herinnerd te worden. De energie van doorgaan, vooruitkijkend naar iets nieuws.

Diezelfde atmosfeer ademt het nummer ‘Loved So Little’, maar dan vooral door de muziek. Met een catchy intonatie, misschien een beetje giftig, bouwt Berninger de spanning op – ‘and now you lean in the door, in your fired-up skin, with your look of freedom’ – om kalm te ontladen met duivelse drums en een sluwe mondharmonica. Het nummer klinkt lekker. Een paar laag schallende blazers, een snode vioolpartij en alles doorrollend als een bijna live klinkende, zwoele jamsessie.

Dat gevoel dat je dicht bij de muziek bent, is opvallend op Serpentine Prison. In ‘Oh Dearie’ lijkt Berninger in je oor te zingen en hoewel de muzikale arrangementen soms best uitbouwen, zoals in ‘All For Nothing’, blijven ze toch iets huiskamerigs behouden. Dat is de verdienste van producer Booker T. Jones die bekendstaat om zijn soulvolle sound. Hij werkte met talloze artiesten, waaronder Otis Redding, Willie Nelson en Bill Withers. Op Serpentine Prison weet hij ook Berningers authentieke stem op een bluesy manier te vangen.

De antiheld

Serpentine Prison is een mooi, sfeervol album. En toch, als ik er na een tijdje weer naar luister, moet ik opnieuw wennen. Ik zie de big city celebrity met zijn benen over elkaar op de albumhoes, smaakvol geschilderd in blauw- en grijstinten, en voel dat artistieke schoonheid op een vreemde manier ook kan afstoten. Dat de showman misschien te veel domineert om echt kwetsbaar te kunnen zijn op een geloofwaardige manier.

Maar dan laat ik me opnieuw meevoeren door de soms warme en soms rasperige baritonstem van deze charismatische New Yorker, die in zijn teksten intussen altijd de antiheld blijft. Bang dat de ander hem zal verlaten, dat hij te veel zal zijn, dat de diepte hem zal aantrekken. Ik hoor in gedachten het publiek van de AFAS Live meezingen op Berningers sombere teksten en voel, dwars door alle subtiele emoties van zijn stem, toch ook weer die lichte weerzin opkomen.

Muziek / Album

Warm vuur van troost

recensie: The War On Drugs - Live Drugs
The War On Drugs in ConcertThe War On Drugs - Matthias Heschl

The War On Drugs schijnt live een hele belevenis te zijn. Die reputatie is deze release vooruitgesneld. Door de COVID-19-pandemie zullen liefhebbers nu wel lang moeten wachten op een optreden, maar gelukkig hebben we met Live Drugs een document van troost in handen.

Het is heerlijk om je bijna vijfenzeventig minuten te kunnen onderdompelen in de muziek van The War On Drugs in een livebewerking van de studiomuziek. Je kunt er diverse draaibeurten aan wijden zonder dat het gaat vervelen. De beleving, bezieling en muzikaliteit is van een hoog niveau.

Live reputatie

Velen zullen de band nog niet live aan het werk hebben gezien en gehoord. Hoog tijd voor een liveregistratie om de pijn van het gemis aan een concert te verzachten. Live Drugs is een verzameling van liedjes, opgenomen tijdens de veertig shows tussen 2014 en 2019, die werden vastgelegd op een harddisk van de bandleider zelf. Zoals hij zelf over het album vertelt, zijn het interpretaties van de eigen muziek van de band en zeker geen kopie van wat ze in de studio hebben gemaakt. Het hoeft immers niet steeds hetzelfde te klinken! En daar zijn we als liefhebbers dus alleen maar blij mee.

Het oorspronkelijke duo Adam Granduciel en Kurt Vile dat The War On Drugs oprichtte, is inmiddels met toetsenist/drummer Charlie Hall, drummer Kyle Lloyd en bassist David Hartley uitgegroeid tot een kwintet. Muzikaal hebben ze met vier albums een belangrijke proeve van bekwaamheid gegeven. Vooral dankzij Lost in The Dream uit 2014 en A Deeper Understanding dat in 2017 verscheen, kan de band terugkijken op lovende kritieken uit heel de wereld.

Componist Adam Granduciel is hofleverancier van het repertoire van de band. Granduciel verzorgt tevens het vocale geluid van de band, al horen we Kurt Vile hier en daar iets toevoegen in de zang. De licht hees-rauwe stem van Granduciel is als een ruwe diamant, die steeds meer gaat schijnen in het geluid van de band, die hem omringt en ondersteunt in de liedjes die we mogen horen en die af en toe opstuwen. Als de mondharmonica klinkt in ‘Eyes to the Wind’ kunnen we een vergelijking met Bob Dylan niet bedwingen, maar de klanken worden overgenomen door een saxofoon om die vergelijking meteen weg te wuiven. Instrumentaal halen de bandleden inspiratie uit de muziek van Sonic Youth en zeker ook Neil Young, maar maken ze er inmiddels een heel eigen stijl van door voornoemde elementen te vermengen.

Omarmen en knuffelen

Velen zullen uitgekeken hebben naar het album Live Drugs. Voor anderen is het eigenlijk gewoon een nieuw album van The War On Drugs, omdat het alweer drie jaar geleden is dat we nieuw werk kregen aangereikt. Het album kent tien nummers, die je stuk voor stuk de hele herfst zullen verwarmen in opmaat naar de winter. Een album om te omarmen en te knuffelen in deze barre tijden van een virus dat ons in de greep houdt. Waar het gevoel bij een liveconcert te zijn zich geleidelijk ontvouwt, spreidt de muziek zich als een warme deken over je heen. Na een inspirerende, vlammende, maar beheerste uitvoering van ‘Accidentally Like A Martyr’, wordt de band voorgesteld en het publiek bedankt, terwijl ‘Eyes to the Wind’ zich langzaam laat opgloeien. Het zijn allemaal ingrediënten voor een beleving, die vraagt om het volume steeds meer op te schroeven en zich te laten meevoeren op de klanken van deze fantastische band.

Bij het laatste nummer, ‘In Reverse’, wordt het publiek opnieuw bedankt alsof we naar één concertregistratie hebben geluisterd. Dat is niet zoals het werkelijk is, maar het voelt wel zo. Want Live Drugs kan zich scharen bij een van de mooiste live albums ooit. Kortom, een heerlijke beleving!

Kunst / Expo binnenland

De Januskop van Constable

recensie: Recensie: John Constable

Het begint allemaal met een rood accent. Schilder John Constable (1776-1837) is in de leer bij William Turner. Constable is bezig met een leerstuk en voegt op ’t laatst nog een figuurtje in rood toe. Turner ziet dit, draait zich om en doet iets soortgelijks op een schilderij van zichzelf. Een actie die Constable steekt en hoog opneemt.

Als je erop gaat letten, zie je heel véél van die rode figuurtjes op de schilderijen van de Engelsman. Tot op een doek dat hij op tweeënvijftigjarige leeftijd maakte aan toe. Toen werd hij eindelijk toegelaten tot de Royal Academy en maakte het grote werk Sluis met passerende boot. Het zou een leuke zoektocht voor kinderen zijn, dwars door de eerste overzichtstentoonstelling van Constable in Nederland, in het Teylers Museum in Haarlem.
Een tentoonstelling die toont, dat Constable méér is dan de landschapsschilder en – tekenaar met die mooie wolkenluchten waar hij bekend door werd.

 

Molen, Haarlem, Landschap

John Constable, Landschap met molens bij Haarlem, 1831.

Ontwikkelingsgang

Niet alleen die rode figuurtjes zijn goed te volgen, maar ook de hele ontwikkeling van de schilder, vanaf zijn leertijd bij Turner, of zelfs daarvoor met een beetje een platgeslagen Gezicht op de pastorie in East Bergholt. Dit is – zoals de meeste werken op deze expositie – afkomstig uit de privécollectie van David Thomson.
De opzet van de tentoonstelling is namelijk chronologisch: in de tentoonstellingszaal en het prentenkabinet, met op de helft aandacht voor de amateur-meteoroloog die Constable ook was. Aandacht die helemaal past binnen de aandachtsgebieden van het Teylers Museum: kunst, natuurhistorie en wetenschap.

Toch is er ook nog een ander verband tussen de kunst in die twee zalen. En dat is dan niet het rode figuurtje op bijvoorbeeld het Landschap met windmolens bij Haarlem naar Jacob Ruysdael, maar de techniek van Constable. Het is een techniek waarbij hij op één werk de verf zowel dik als dun aanbrengt. Soms zó dun, dat je de ondergrond er nog doorheen ziet. Of – bij de tekeningen in het prentenkabinet – een techniek waarbij de kunstenaar afwisselend hard en zacht op een staafje grafiet drukte, zodat hij diepte creëerde. Bij een studie van het hoofd en de schouders van zijn vrouw vervaagde hij het grafiet zelfs zachtjes met zijn vingers, zodat hij ook nog eens ruimte suggereerde.

Op de tentoonstelling vallen ook enkele voorbeelden van de inspiratiebronnen van Constable te zien, zodat vergelijken mogelijk wordt. Maar doordat er tevens aandacht is voor de soms moderne techniek van de romantisch-realistische schilder, zou je haast concluderen dat hij een typisch romantische Januskop heeft: terugkijkend naar voorbeelden uit vorige eeuwen en vooruit kijkend naar de tijd die komt, inclusief meteorologie. Zo toont het Teylers Museum de kunst van John Constable in al zijn facetten en schakeringen. De moeite waard om te bezoeken, en petje af voor de samenstellers, want het moet een tour-de-force zijn geweest om deze eerste overzichtstentoonstelling van Constable in Nederland uitgerekend in coronatijd te realiseren!

 

John Constable. Overzichtstentoonstelling van de Engelse grootmeester van de romantiek

 

Boeken / Fictie

Binets alternatieve wereldgeschiedenis: een gemiste kans

recensie: Laurent Binet - Beschavingen

Wat als de Europeanen die in 1492 voet aan wal zetten in de Nieuwe Wereld verslagen zouden zijn door de Inca’s? En wat als de Inca’s vervolgens de overtocht zouden maken naar Europa en daar zouden zegevieren? Deze alternatieve geschiedenis werkt Laurent Binet uit in zijn nieuwe roman Beschavingen.

De Franse bestsellerauteur Laurent Binet heeft geen hoge pet op van realistische romans die maatschappelijke thema’s behandelen. Hij prefereert in dat geval de werkelijkheid, het journalistiek verslag. Wie fictie schrijft moet volgens hem ook écht iets verzinnen. In Beschavingen pakt hij dat verzinnen groots aan. Hij zet de wereldgeschiedenis op z’n kop: de Inca’s veroveren Europa.

Atawalpa

Het boek bestaat uit vier delen, waarvan de Kronieken van Atawalpa (een Inca-leider) veruit het langste is en de kern van het boek vormt. Maar voor hij tot de kern van het verhaal komt, heeft Binet een aanloop nodig. In het eerste deel laat hij Vikingen diep in de Nieuwe Wereld doordringen waar zij samen met lokale stammen voor nageslacht zorgen. Zij leren de nieuwe bevolking metalen wapens maken en brengen Europese ziektes mee. Hierdoor zal het volk resistent zijn tegen de ziektes als Columbus en zijn mannen enkele eeuwen later Amerika ‘ontdekken’. Het deel leest als een moetje, met een hoog ‘en toen, en toen’-gehalte, maar omdat het vrij vlot geschreven is en nog geen dertig pagina’s behelst, is het prima door te komen.

De komst van Columbus staat centraal in het tweede deel van het boek. In fragmenten uit het dagboek van Columbus lezen we zijn verslag van de ontdekkingsreis en hoe zijn mannen uiteindelijk door de Inca’s in de pan worden gehakt. Columbus slijt zijn dagen in gevangenschap aan het hof, waar hij uiteindelijk sterft. Dit deel leest als een spannende opmaat naar het hoofdverhaal.

Namedropping

Bij het hoofdverhaal aangekomen wordt het geduld van de lezer nog even op de proef gesteld. Het deel begint met een droge vertelling over Atawalpa’s strijd met het leger van zijn broer. Lang verhaal kort: Atawalpa slaat op de vlucht naar de Nieuwe Wereld (Europa).

Wordt het lange wachten beloond? Nee. Want ook het hoofdverhaal ontstijgt het ‘en toen, en toen’-niveau nauwelijks. Binet blijkt geen stilist en de karakters blijven van karton. Dat zou Binet direct vergeven kunnen worden als Beschavingen een interessante ideeënroman zou zijn. Binet stopt er een hoop literaire en historische verwijzingen in en laat veel tijdsbepalende figuren de revue passeren (Luther, More, Erasmus, Machiavelli, Karel V etc.), maar meer dan diepgang suggereren doet het niet. Het blijft allemaal erg vluchtig en oppervlakkig. Namedropping, meer niet. Laat die namen weg en het is niet meer dan een spannend jongensboek dat nooit spannend wil worden.

Knap

Al met al is het boek een gemiste kans. Het is intellectueel gezien een uitdagend idee: het vroegmoderne Europa bekijken door de ogen van de Inca’s. Maar daarvoor blijkt Binet toch een maatje te klein. Een spannend idee van invallende Inca’s tegen de achtergrond van een spannende periode uit de Europese geschiedenis en dan zo’n saai boek schrijven: het is bijna knap.

 

Kunst / Expo binnenland

Politieke en poëtische Arabische verhalen

recensie: Recensie: Trembling Landscapes

Bij de tentoonstelling ‘Trembling Landscapes’ in het Eye Filmmuseum in Amsterdam draait het om een perspectief kiezen en een standpunt innemen in de ruimste zin van het woord. Het standpunt van elf kunstenaars uit de Arabische wereld is veelal dat van bovenaf genomen foto’s, video-en filmbeelden. Een enkele keer lijkt er ook een toekomstperspectief door te schemeren.

Je zou het eerste kunstwerk waar je tegenaan loopt meteen een statement kunnen noemen, de ouverture van wat volgt. Het is The earth is an imperfect ellipsoid van de Egyptische Heba Y. Amin. Het zijn zeven drieluikjes, tezamen eenentwintig zwart-wit pigment prints met daarboven gedeelten uit een tekst van de elfde-eeuwse Andalusische geograaf en historicus Al-Bakri. Amin reisde de routes die in die tekst werden beschreven na en maakte foto’s die allemaal uit het lood zijn. Dat is op zich al symbolisch voor de regio, maar de kunstenares draaide de seksueel geladen tekst om en stelde zichzelf als voyeur op in plaats van de Islamitische schrijver. Zo trekt ze de toeschouwers haar verhaal in.

Trembling Landscapes, Jananne Al Ani, Shadow Sites I Sharjah Biennial 11 (1)

Verhalen

Want op deze tentoonstelling worden (geo)politieke én poëtische verhalen verteld. Wanneer de kunstwerken beide elementen in zich verenigen, zijn ze het sterkst en komen ze binnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Shadow Sites I en II van de in Irak geboren Jananne Al-Ani. Ze observeert en registreert vanuit een sportvliegtuig zogenaamde shadow sites, dat wil zeggen contouren van een locatie met lange schaduwen.
We zien verschillende archeologische opgravingen, maar ook loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog. In Shadow Sites II neem je zelf als het ware het standpunt vanuit een (gevechts)vliegtuig in. De poëtische beelden staan haaks op de vraag die ze oproepen: is het mogelijk om alleen maar een registrerende rol in te nemen? En: is het mogelijk dat een museum een neutrale positie inneemt?

Neem bijvoorbeeld Sewing Borders van de Libanese kunstenaar Mohamad Hafeda. Hij vroeg vluchtelingen die in Beiroet wonen om door middel van stiksels grenzen aan te geven op kaarten van wat Palestina wordt genoemd. Het is goed eerst de film, die de techniek toont, te bekijken en vervolgens pas de kaarten die in vitrines liggen. Dan wordt het nog duidelijker en gaan de beelden wrijven met de realiteit.

Trembling Landscapes, Larissa Sanours, Nation Estate, 1 (1)

Hoop?

De uit Oost-Jeruzalem afkomstige Larissa Sansour tenslotte paart een somber toekomstbeeld aan humor en stelt ons ook een vraag. In haar film Nation estate laat ze een woontoren aan de rand van Jeruzalem zien, richting Bethlehem. Hierin beweegt een vrouw met een rolkoffer zich per lift van beneden naar boven, steeds een verdieping hoger. Onderweg omzeilt ze controlepunten en dergelijke. Ze is zwanger en de vraag doemt op of dit hoop uitdrukt voor een betere toekomst. Op een gegeven moment geeft ze een olijfboompje water, wat associaties oproept met het idee olijfbomen te planten als symbool voor een rechtvaardige vrede in Palestina en Israël. Voor iedereen, inclusief vluchtelingen.

Het zijn beelden die indruk maken en vragen oproepen. Niet in de laatste plaats ook de vraag welke positie je als toeschouwer zélf inneemt. Het is kortom een tentoonstelling die je aan het denken zet en je bij het Arabische verhaal betrekt. Welk perspectief en welke antwoorden je dan ook zelf geneigd bent in te nemen en te geven.

Boeken / Non-fictie

Filosofisch tromgeroffel

recensie: Slavoj Žižek - Pandemie & René ten Bos - De Coronastorm

Door: Wouter en Fenna Kortooms

De coronacrisis vraagt om filosofische duiding. Filosoof/superstar Slavoj Žižek en oud denker des vaderlands René ten Bos proberen die te geven. Een dubbelrecensie van Pandemie en De Coronastorm.

Ten Bos kiest ervoor ten tijde van de wervelstorm van het coronavirus zich niet te beroepen op zekerheden. Hij lijkt zich te willen positioneren als de man met de meeste afstand en het meeste overzicht en hoopt daarmee wellicht als wijste van het legioen filosofen uit de bus te komen. De geschiedenis zal het leren. Minister-president Mark Rutte riep op te stoppen met filosoferen en dat was voor Ten Bos aanleiding dit juist niet te doen. Maar hoe is zijn aanpak en wat heeft hij ons te bieden?

Paniek

Concreet lijkt het virus hem ongenadig hard te raken zonder dat hij dit lijkt te beseffen. De ondertitel van zijn boekje “hoe een virus ons verstand wegvaagde” spreekt daar eigenlijk mogelijk al voor zich. Ten Bos lijkt in blinde paniek zijn boekenkast of het internet te zijn ingestoven om in alfabetische volgorde enige grip op de kwestie corona te verkrijgen. Dit alfabet is dus onze leidraad en gelukkig weet Ten Bos naast alle meer gangbare letters ook de letters C, Q, X, en Y van een paragraafje te voorzien. Oef! Gelukkig maar! Stel je voor dat we daar aangekomen in het duister zouden moeten tasten… Ten Bos geeft overigens aan als reisleider op deze wijze in de voetsporen te treden van een zekere Voltaire, die ook al eens filosofische kennis beknopt van A tot Z heeft weergeven. Ten Bos vergelijkt zich niet met de minste denkers, dat mag hij doen, maar Voltaire rangschikte filosofische kennis alfabetisch, Ten Bos rangschikt echter allerlei weetjes zonder visie of onderling verband alfabetisch en laat ons achter met een fragmentisme van hier tot Tokio of zoals u wilt, wat dichter bij huis: Wuhan. Als lezer van De Coronastorm kun je je niet onttrekken aan het idee dat Ten Bos deze indeling niet vanuit een ideaal heeft gekozen, maar eerder door zijn haast om snel een boek over deze actuele gebeurtenis te publiceren. Filosofen, zo zegt hij, behoren tot de “langslapers” en begonnen pas te filosoferen over de coronacrisis toen de “lijken in Bergamo en Madrid anoniem opgestapeld lagen op plekken die je meestal niet reserveert voor lijken”. De Coronastorm kwam nóg later uit, dus dat zou kunnen verklaren waarom er grote haast achter de publicatie zat.

Angst

Ten Bos lijkt enorm te worstelen met hoe hij om moet gaan met angstgevoelens. Dat is in het geval van corona op zijn zachtst gezegd erg onhandig. Hij lijkt niet goed te doorzien dat angstgevoelens de wezenlijkste evolutionaire schakel zijn in het overleven van onze soort. Ten Bos koestert de rationele afstand of koestert daarboven de verdraaiing in de onderlinge communicatie (ironie, sarcasme, of omkering in het tegendeel) om zich op nog meer afstand te plaatsen, zich mogelijk veilig te wanen en zich in feite onzichtbaar te maken. Hij schrijft: “een filosoof dient te parasiteren en niet te genezen”. Tja, wat zou dan de reden zijn om je te verzetten tegen de uitspraak van Mark Rutte? Vuur met vuur bestrijden? Meeliften op de huidige hype en snel een boekje in elkaar flansen? Plaatst Ten Bos zich niet te ver buiten de realiteit om er nog enig zicht op te kunnen hebben?

Ten Bos’ moeizame relatie met angstgevoelens komt ook tot uitdrukking in het door hem herhaald gebruikte woord “fascisme”. Hij draaft daarbij zelfs een beetje door met de term “coronafascisme”. Ten Bos lijkt graag breed lachend te fietsen met losse handjes onder het motto “kijk mij eens!”. Het gaat hier echter niet om Ten Bos en zijn kunsten… De term schuurt te veel en wordt daarmee ontoegankelijk. Vanzelfsprekend kan een wereldwijd virus zorgen voor een enorme angst. De huidige situatie is ongekend en bijzonder angstwekkend. Dat doodsangst aanleiding kan zijn tot het opschorten van zowat alles wat gebruikelijk was, is een werkelijkheid waarmee de mensheid al honderdduizend jaar weet “te surviven”. Om dit dan maar meteen fascisme te noemen doet onze instincten en vindingrijkheid grootschalig te kort.

Empathie

Ten Bos vraagt zich af waarom aan de coronagrafieken met de bekende hockeystick zoveel gevolg gegeven wordt terwijl dit bij andere grafieken met hetzelfde beeld bij milieuproblematiek, armoede of hongersnood niet gebeurt. Volgens Ten Bos komt dit door empathie-oproepende beelden in de media. Ten Bos’ moeizame relatie met angst wordt wederom duidelijk als hij aangeeft empathie juist te wantrouwen, zeker als politici erover beginnen… Empathie is echter juist datgene waardoor mensen zich met elkaar verbonden voelen en ook verbonden zijn. Eensgezind saamhorig bewegend als een zwerm of als een kudde en op die wijze het gevaar het hoofd biedend. Het is juist het gebrek aan empathie dat de samenhang zal doen verbreken. De tekst in dit gefragmenteerde boekje (Ten Bos: “dit kleine filosofische corona-alfabet”) lijkt hierbij toenemend op dagboeknotities van ingetreden filosofische desintegratie.

Ten Bos vergelijkt de lockdown situatie met een kudde dieren die op stal staat. De dieren worden eenzaam. Sommige drinken teveel van het opgepompte slootwater. De roofdieren liggen op de loer. Ten Bos beschrijft het allemaal erg passief en of het de kudde allemaal overkomt. Het lijkt Ten Bos te ontgaan dat in het huidige kuddegedrag juist sprake is van actie, van saamhorigheid, van vereniging, van solidariteit en kracht. Het beste wat de mensheid ook te bieden heeft: onderling de rijen gesloten houden zodat het virus geen vat krijgt, samenwerkende virologen, laboratoria, gezondheidswerkers, gewone mensen in de straat en overheden die de gezondheid op de allereerste plaats zetten… Wanneer is dat laatste, om maar eens iets te noemen, eerder gebeurd? Ten Bos ziet het niet…

Intimiteit

Ten Bos geeft in reactie op de intermenselijke afstand van de anderhalvemetersamenleving beschouwingen over intimiteit. Hij komt daarbij uiteindelijk tot de conclusie dat hierin het risico op een wrede en onmenselijke samenleving zeer zeker ontstaat. Ten Bos lijkt in dit verband niet op te merken dat in de westerse kapitalistische samenleving het principe van ieder voor zich en dus de ander op afstand, het gemis aan empathie en dus het gebrek aan intimiteit al zeer vele decennia speelt. Er volgt geen beschouwing over hoe wellicht de liberaal-kapitalistische samenleving dit uiteendrijven op wereldschaal al decennia aan het uitvoeren is. Echter, op andere momenten lijkt het weer of Ten Bos zich daar wel degelijk van bewust is. Zo geeft hij aan dat we niet eens weten of het vermaledijde liberaal-kapitalisme nu echt wel aan zijn einde is: “er kleeft een zorgwekkende zweem van onkwetsbaarheid aan dit systeem”.

Dit lijkt precies de plek waarop Slavoj Žižek zijn licht laat schijnen en Ten Bos hier vanuit de hierboven beschreven uitgangspositie met het beest uit Ljubljana in de pas loopt zonder het zelf te beseffen of te erkennen.  

Ten Bos doet Žižek in een overzichtje af als een van de “oude kanonnen die hoopte, geheel volgens wat je van hen kunt verwachten dat de overgang naar een nieuw soort communisme onder aanvoering van het WHO mogelijk zou worden”. Dit klinkt denigrerend en hiermee wordt Žižek afgeserveerd. Het is echter andersom: het is Ten Bos die in zijn boekje slechts aanstipt en juist Žižek die – zoals we dat van hem gewend zijn – met ferme streken zijn woorden op papier kletst en bovendien een samenhangend verhaal met visie vertelt. Hij is daarbij helderder en consistenter dan dat we van hem gewend zijn. Goed getimed Slavoj! “Het denkbeest uit Ljubljana” stond ook een stuk vroeger op dan Ten Bos, want de Nederlandse vertaling van Pandemie verscheen al in mei jl. Toch komt Pandemie níet over alsof het in grote haast geschreven is. Misschien komt dat omdat Žižek weer zijn zelfde mantra herhaalt: we hebben een nieuw soort communisme nodig.

Systeemverandering

Žižek laat zijn licht schijnen op de huidige crisis, gemotiveerd door zijn persoonlijke angst voor het virus. Hoofdvraag: wat is er mis met ons systeem dat we onvoorbereid werden betrapt door deze catastrofe, ondanks het feit dat wetenschappers ons er al jaren voor waarschuwen? Het antwoord is genuanceerd. Het virus heeft ten eerste géén diepere betekenis, het is geen straf voor de mensheid voor het uitbuiten van de aarde en andere levensvormen. Wat het virus wél aantoont, is dat ons kapitalistische systeem ervoor zorgt dat we in de problemen komen wanneer een situatie als deze zich voordoet en dat dus een radicale verandering nodig is. Enkel door het vertrouwen tussen de overheid en burger te herstellen, door productiestromen weer meer te reguleren en door meer solidair te zijn voor elkaar – dus door meer “communistisch” te worden – kunnen we onszelf tegen een pandemie als deze beschermen.

Internationale samenwerking

Žižek gebruikt als marxist steevast de term communisme en bedoelt daarmee net zoveel als Marx ermee bedoelde: een samenleving gebaseerd op de gemeenschappelijkheid en gedeelde belangen van eenieder. Een internationaal communisme zou zich dus richten op goede afspraken over de verdeling van goederen en middelen in tegenstelling tot wat we nu soms al zien gebeuren, het ‘ieder-voor-zich’ denken waarbij landen zich tegenover elkaar plaatsen en bijvoorbeeld mondkapjes of vaccins opkopen om andere landen voor te zijn. Als we die weg bewandelen komen we uit bij wat Žižek “barbarij” noemt, de sterkste zal overwinnen en de rest zal ten onder gaan. Tot slot trekt Žižek fel van leer tegen mensen die ons in slaap sussen met de boodschap dat politiek in deze tijden van crisis niet nodig is, we zitten immers allemaal in hetzelfde schuitje, zeggen zij. Juist nu is politiek nodig, zegt Žižek, nu nemen we beslissingen die gaan over solidariteit met onze medemens, dat soort besluiten zijn bij uitstek politiek.

Communisme, andermaal!

Žižek bespotten om zijn roep om communisme is eenvoudig, zo zou hij een idealist of een utopist zijn. In Pandemie laat Žižek zien dat het communisme waar hij voor staat geen utopie is, maar reëel bekeken de beste manier om hier uit te komen. De maatschappij kan enkel doordraaien en overleven als openbare voorzieningen blijven doorgaan, denk aan de productie van elektriciteit, water, voedsel en medicijnen. Als het nodig is moet de gemeenschap (lees: de overheid) ingrijpen in het particuliere bestel om dat mogelijk te maken. Dat is het communisme waar hij op doelt. Dat communisme houdt ook in dat de staat een actieve rol op zich neemt wat betreft de productie van belangrijke goederen zoals mondkapjes, beademingsapparatuur en testkits en zich daarin niet afhankelijk opstelt van de marktmechanismen. Communistisch denken betekent ook: denken aan het lot van al die mensen die vanwege deze crisis geen baan meer hebben, ook hun lot mag niet worden overgelaten aan de markt. Het communisme van Žižek is een tegengif voor het ‘rampenkapitalisme’ waar we nu mee te maken hebben, het systeem dat ervoor heeft gezorgd dat we niet adequaat hebben kunnen reageren op deze crisis.

Kapitalismekritiek

Vanuit de gedachte dat er eensgezindheid is vanuit beide denkers over het kraken en piepen van het liberaal-kapitalistisch systeem met het oog op de menselijke waardigheid, wat is hierbij dan de connectie met corona?

We weten dat de pest tijdens de middeleeuwen miljoenen slachtoffers maakte. Indianenstammen in Noord- en Zuid-Amerika kunnen de komst van kolonisten en het door hen meegevoerde influenzavirus niet navertellen. In die tijd was echter geen sprake van een liberaal-kapitalistisch systeem of van “globalisatie”. In die tijd was al wel sprake van economisch verkeer dat de wereld of delen ervan omvatte. Mensen zijn reislustige types! Vanuit centraal Afrika zijn we in de loop van de geschiedenis over alle uithoeken van onze planeet uitgewaaierd. We kwamen onderweg van alles tegen. Ook aan ziektekiemen! We zijn niet alleen! Filosofen: vertel ons iets nieuws!

Ten Bos beschrijft in zijn boekje het einde van de geschiedenis ten tijde van de val van het communisme in 1989 zoals dat werd bevroed door Francis Fukuyama. Hij doet dit overigens ook weer wat geringschattend (“er waren zelfs lieden….”) zonder diens naam te noemen.

Als Ten Bos vaststelt dat de geschiedenis niet tot stilstand is gekomen, en dat geldt ook voor Žižek, wat is dan de ontwikkeling sindsdien geweest? En hoe kan die ontwikkeling geduid worden in relatie tot corona? Zowel Ten Bos als Žižek blijft hier in gebreke. Hinken beide filosofen niet op een te gedateerd wereldbeeld? Kapitalisme… communisme… liberalisme… Zijn deze ismen geen holle frasen of slechts folklore geworden? Is er als je goed kijkt wel sprake van dergelijke verschillen? Er zijn heel wat mensen die van mening zin dat er sprake is van misbruik, ongelijkheid, onrechtvaardigheid. Wereldwijd. Er zijn heel wat mensen die er zicht op beginnen te krijgen dat systemen wat met ons doen. We zijn hoofdzakelijk verworden tot productie-units en kooplustigen. Zijn wij op die wijze wereldwijd al niet lang en breed uit elkaar gespeeld? Het is dan ook geen wonder dat het virus juist toeslaat op een marktplein… Of dat nu op het oostelijk of het westelijk halfrond plaatsvindt doet er niet zoveel toe. Wij willen de Noord- en Zuidpool overigens in dit betoog niet tekortdoen… Vooralsnog zijn daar echter niet zo veel marktpleinen…

 

Titel:            Pandemie
Auteur:        Slavoj Žižek
Uitgeverij:   JEA
Prijs:            17,50
Pagina’s:     152
ISBN:           9789083058658
****

Titel:            De Coronastorm
Auteur:        René ten Bos
Uitgeverij:  Boom
Prijs:            17,50
Pagina’s:     208
ISBN:          9789024435173
**

Serie

Fleabag: seizoen 2

recensie:

In 2016 verraste Phoebe Waller-Bridge vriend en vijand met een  rauw, schaamteloos en hilarisch triest comedy-drama over een thirty-something single vrouw in Londen die leven, liefde en werk moet balanceren. Drie jaar later verrast ze opnieuw- en hoe.

Hebben we dat nu nodig? Nog een verhaal over een strong, independent young woman die haar eigen boontjes dopt? Oh laat me raden, ze woont in een grote stad zoals New York, L.A. of Londen? En ze is op zoek naar de ware? Mag hij nu weer op het voetbal?

 

Maar ‘Fleabag’ blaast shows als ‘Ally McBeal‘, ‘Sex and the city’ en ‘Ugly Betty’ uit het water door alle clichés op zijn kop te zetten. Gebaseerd op de gelijknamige theatervoorstelling, weet Waller-Bridge feilloos de meta te bewandelen, door zowel in als boven de scene te staan met rake commentaren of veelzeggende blikken.
‘Fleabag’ is daarmee een oprecht verhaal dat je meetrekt in een rollercoaster van sappige dialogen, plaatsvervangende schaamte, en ongeforceerde emotie. Het hoofdpersonage Fleabag (Phoebe Waller-Bridge) -expres naamloos gehouden- is namelijk een psychologisch zootje. En niet op de schattige ‘oh wat ben ik toch een sukkeltje’ manier. Onverwerkte trauma’s over de dood van haar moeder en haar beste vriendin, een Peter Pan Complex, drankprobleem, verlatingsangst, bindingsangst. Er is eigenlijk weinig grappigs aan. Het eerste seizoen eindigde dan ook in mineur, met Fleabag verstoten door zowat iedereen, inclusief haarzelf.

Het tweede seizoen opent gelukkig wat luchtiger. Ze is zowaar aan de betere hand wanneer ze in aanraking komt met een katholieke priester (Andrew Scott). De ideologische clash tussen iemand die seks heeft afgezworen voor zijn geloof en iemand die seks gebruikt als copingmechanisme, geeft vonken. Dit alles in combinatie met vlijmscherpe observaties en onberispelijke komische timing, maakt van Fleabag meer dan de zoveelste ‘klein meisje in de grote stad’ Hollywoodproductie. Het heeft namelijk echte mensen wiens tekortkomingen deel zijn van hun karakter in plaats van een aanzet tot een punchline. Zo is Fleabag’s neurotische zus (Sian Clifford), haar  kleverige, alcoholische schoonbroer Martin (Brett Gelman) en haar achterbakse peetmoeder (Olivia Colman) meer dan gewoon karikaturen die door het beeld rennen. Hun narratieven zijn magistraal verweven met die van Fleabag zelf, hun interacties cruciaal.

Het nieuwe feminisme:

‘Fleabag’ is een show door vrouwen over vrouwen, voor ons allemaal. Fleabag’s sores zijn zo herkenbaar, zo diep menselijk dat het haast onmogelijk is niet meegezogen te worden in het verhaal. Of het nu een slechte relatie met je familie is, een beroerde uitkijk op romantiek of het omgaan met verslavingen in jezelf en je naasten; iedereen is wel een beetje Fleabag.

‘Fleabag’ is daarmee tegelijkertijd cynisch en aandoenlijk. De show wil dat je schamper lacht om ideaalbeelden als liefde en geluk terwijl je je er wanhopig aan vastklampt. In die zin is het de ultieme postmoderne serie, die idealen als feminisme oprecht hoog in het vaandel draagt, terwijl ze er tegelijkertijd korte metten mee maakt.  Of in de woorden van Fleabag: ‘Ik maak me soms zorgen dat ik niet zo’n feminist zou zijn als ik grotere borsten had.’

Muziek / Album

Americana-hoogvliegers

recensie: Americana-update 7

De zevende Americana-update geeft wederom aandacht aan een breed palet aan artiesten. Van een doorgewinterde rot in het muziekvak via een gegroeide artieste tot een nieuwkomer met liedjes van Bob Dylan, die ze aangenaam naar zich toetrekt.

De ene artiest verdient zijn sporen voornamelijk in dienst van andere artiesten, om daarnaast een solocarrière op te bouwen, zoals Ted Russell Kamp. De ander bouwt gestaag aan haar eigen carrière, soms in samenwerking met een band, zoals Emily Barker. Een derde staat aan de start van haar muzikale loopbaan, zoals Emma Swift.

Ted Russell Kamp

Voor velen zal Down In The Den (2020) de kennismaking zijn met de sympathiek ogende Ted Russell Kamp. Met zijn nieuwste, zevende album trekt hij plotseling de aandacht van veel liefhebbers in het genre. Dat is niet ten onrechte, daar Russell Kamp op zijn jongste album ‘teamt’ met Shooter Jennings, Cordy Quist, Sarah Gayle Meech, Shane Alexander en Kirsten Proffit. Met name de songs waarin hij de zang van de dames combineert met die van zichzelf in sterke composities zijn de pareltjes. Daarna wordt de luisteraar vanzelf uitgenodigd de rest van het fraaie album nader te ondergaan met een diepere luisterbeurt. Die aandacht heeft Russell Kamp op een of andere manier nodig voor zijn solowerk. In zijn carrière leende hij zijn talent vaak uit ten dienste van andere artiesten. Zo speelde hij mee op het met een Grammy beloonde album van Tanya Tucker. Misschien heeft hij die samenzang nodig, omdat hij zelf niet beschikt over een direct herkenbaar stemgeluid. Zijn natuurlijk instrument heeft wel een fijne, aangename klank, maar geen haakje dat je meteen doet opveren als hij een liedje vertolkt. Op ‘Hold On’ trekt Russell Kamp wel sterk de aandacht, doordat hij hier gospel vermengd met countryrock, wat een enorme warmte en kracht uitademt.

Emily Barker

Voor sommigen zal de naam Emily Barker weinig zeggen. Deze Australische zangeres maakt soloalbums, maar speelt ook in The Red Clay Halo, Vena Portae en Applewood Road. Een bezige tante, kunnen we wel stellen. Wie haar wel kent, zal direct verheugd zijn een nieuw album van haar te mogen verwelkomen. Barker trakteert de liefhebber al jaren op verfijnde muziek. De albums Despite The Snow (2008), Almanac (2011) en Dear River (2014) liggen steeds voorin de la als het gaat om mooie folkmuziek. Dit zijn overigens albums, die ze samen met The Red Clay Halo maakte. In 2014 bracht ze voor Record Store Day de 10″ vinyl Songs Beneath the River uit met direct op het vinyl gesneden liveopnames.

Met A Dark Murmuration Of Words (2020) heeft Barker opnieuw een album gemaakt, dat prachtig in haar discografie met hoogwaardige albums past. Voor het geluid werkte ze samen met Greg Freeman, die ook samenwerkte met onder anderen Peter Gabriel en Amy Winehouse. Daarnaast werkt ze met een geweldige band in de StudiOwz in Pembrokeshore, Wales. Het lijkt wel of het album de sfeer van Wales heeft meegekregen, al zingt Barker over onderwerpen als klimaatproblemen, racisme, seksisme en mythes rond de economie: grote onderwerpen gestoken in een smaakvol en liefkozend folkjasje. Het lijkt wel een wolf in schaapskleren, als je de teksten bestudeert.

Wie zich niet verdiept in de teksten hoort een zoetgevooisde Emily Barker, ondersteund door een geweldige band, die haar liedjes een diepwarm bad geeft. Het zijn liedjes met een perspectief dat uitnodigt om nog heel vaak te luisteren, om uiteindelijk te ontdekken waarom Barker de liedjes heeft geschreven. ‘Where Have The Sparrows Gone?’ is zo’n liedje dat onder je schedel gaat zitten (‘took too much from the ocean / took too much from the earth’). Muziek om vaak van te genieten, soms nog te (her)ontdekken en om in verwondering achter te blijven.

Emma Swift

De titel van het debuutalbum van de Australische Emma Swift doet direct een belletje rinkelen: Blonde On The Tracks. Het is een creatieve samenvoeging van de Dylan-albumtitels Blonde On Blonde (1966) en Blood On The Tracks (1975). Jammer dat die creativiteit niet heeft geleid tot een fraaier vormgegeven albumhoes. Hierop zit Emma Swift geplakt in een fotocollage, die er onbeholpen uitziet. Dat is dan gelukkig meteen het enige minpunt van het album. Het verhaal achter dit album is dat Swift wel eigen liedjes schrijft, maar door een depressie in een moeilijke periode belandde, waardoor ze niet kon schrijven en Bob Dylan-liedjes begon te zingen. Dat pakte zo mooi uit dat het uiteindelijk tot dit album heeft geleid.

Muzikaal gezien heeft Swift de muziek van Dylan zo fraai vertolkt en naar zich toegetrokken dat je bij beluistering zonder voorinformatie de Dylan-liedjes soms pas herkent als ze je tekstueel bekend voorkomen, zoals bij het overbekende ‘Simple Twist Of Fate’. Als je die teksten niet herkent, ben je of heel jong of je hebt van de muziek van Dylan niet veel meegekregen. Wie Dylan altijd links laat liggen omdat zijn stem je niet aanstaat, moet beslist eens naar de vertolkingen van Emma Swift gaan luisteren. Wat heeft deze dame een fraaie stem! De eerste single van het album, ‘I Contain Multitudes’, laat je direct de intimiteit proeven van de manier waarop Swift de Dylan-liedjes interpreteert.

 

Muziek / Album

Nieuwe muziek onder een nieuwe naam

recensie: The Chicks - Gaslighter

Op 4 maart brachten The Chicks het nummer “Gaslighter” uit, de eerste single van het gelijknamige album dat in juli zou volgen. Het is veertien jaar geleden dat de Texaanse band, voorheen The Dixie Chicks, nieuwe muziek uitbracht. Gaslighter is een persoonlijk album met een al even roerige voorgeschiedenis als het voorlaatste album van de band, Taking the Long Way, dat in 2006 verscheen.

Politieke ophef

Taking the Long Way werd geschreven en geproduceerd in de nasleep van een heftige periode voor de band, die bestaat uit leadzangeres Natalie Maines en zussen Martie Erwin Maguire en Emily Strayer. Toen de Verenigde Staten in 2003 op het punt stonden Irak binnen te vallen, bekende Maines tijdens een optreden in Londen dat ze zich ervoor schaamde dat toenmalig president George W. Bush eveneens uit Texas afkomstig is. Het was ongewenst dat countryartiesten zich politiek uitlieten, en ongebruikelijk dat de kritiek een republikeinse president betrof; countrymuziek geniet voornamelijk populariteit in de zuidelijke, conservatieve staten.

Maines’ uitspraak kwam de band duur te staan: radiostations weigerden hun muziek nog te draaien, voormalige fans vernielden hun albums en toursponsors trokken zich terug. Taking the Long Way was in veel opzichten een reactie op de controverse: met onder andere het Grammy-winnende “Not Ready To Make Nice” maakten The Chicks duidelijk dat zij geenszins van plan waren excuses te veinzen.

Een nieuwe naam

Gaslighter is opnieuw een persoonlijk album. De bandleden zijn in de afgelopen veertien jaar alle drie gescheiden van hun partners en verwerken hun verdriet in nummers als “Sleep At Night”, “Hope It’s Something Good” en “Everybody Loves You”. Behalve voor liefdesverdriet, een veelbezongen onderwerp binnen de countrymuziek, is er ook ruimte voor thema’s als hoop en woede. Het wraakgierige “Tights On My Boat” zorgt voor de luchtige noot op een bij vlagen zwaarmoedig album, terwijl “My Best Friend’s Wedding” ode brengt aan het alleen-zijn en het bewandelen van onbegaande paden. Ook het ondeugende “Texas Man” verhoedt dat Gaslighter al te jammerend gaat klinken.

Een van de sterkste nummers op Gaslighter is het politiek getinte “March March”, dat als single werd uitgebracht te midden van de wereldwijde Black Lives Matter-demonstraties die volgden op de dood van George Floyd. “March March” is tevens het eerste nummer dat de band uitbracht onder de naam The Chicks. Toen in de Verenigde Staten de discussie omtrent de verheerlijking van het slavernijverleden steeds verhitter werd, besloot de band een duidelijk standpunt in the nemen door het woord ‘dixie’ uit haar naam te verwijderen. Het woord verwijst naar de groep zuidelijke staten die tijdens de burgeroorlog als confederatie streden tegen de afschaffing van de slavernij.

Openlijk progressieve Chicks

De muziekvideo voor “March March” bevat beelden van verschillende politieke demonstraties, variërend van vrouwenrechten en klimaatverandering tot het door middelbare scholieren georganiseerde wapenprotest March For Our Lives, naar aanleiding waarvan “March March” geschreven werd. De tweede helft van het nummer is instrumentaal, waarbij een mooie solo is weggelegd voor Maguire’s ‘fiddle’, de viool met de karakteristieke bluegrass-sound. De videoclip onderstreept de smeekbede van de huilende viool met de almaar sneller voorbijflitsende namen van de vele slachtoffers van raciaal geweld in de Verenigde Staten.

The Chicks steken hun progressieve idealen niet onder stoelen of banken. De band lijkt bovendien vrede te hebben gesloten met verder populariteitsverlies onder haar conservatieve achterban. Maines verwijst in “March March” schouderophalend naar het verleden wanneer zij concludeert: “Half of you will love me, half already hate me.”