Tag Archief van: recensie

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Kunst / Expo binnenland

Met fantasie en verbeelding

recensie: Carel Visser in de Rijksmuseumtuinen
Kunstwerk Jacobsladderfoto: Rijksmuseum/Amie Galbraith

De Nederlandse beeldhouwer Carel Visser (1928-2015) ging aan de slag met onder meer ijzer, herhalingen, stapelingen en spiegelingen en vooral met verbeelding en fantasie. Zijn twaalf beelden die nu gratis in de tuinen en het atrium van het Amsterdamse Rijksmuseum zijn te zien, vragen de bezoekers om hun eigen beleving en invulling van de abstracte vormen.

Kunstwerk twee vogels

Twee Vogels, 1954-1994, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Amie Galbraith.

Of het nu gaat om de open ruimte tussen Twee vogels (1954), een vroeg werk in de vijver, of een werkmodel van Vliegende vis (1993), een laat werk dat lijkt te zweven in het atrium: overal valt de ruimtelijkheid op. De Vliegende vis vormt bovendien de fraaie synthese tussen het uitgangspunt van Visser: de natuur, die overal op een of andere manier is terug te vinden, en de geometrische abstractie ervan en het materiaal dat hij gebruikte.

Tussen die twee uitersten, de vroege en late Visser, kun je in je verbeelding de as van de schitterende Jacobsladder (1955) zien, met zijn acht repeterende sikkelvormen van zwartgelakt ijzer die daaromheen lijken te draaien als een trap. Het acht meter hoge werk staat in zijn eentje mooi te zijn naast een eenzame boom, die al even hoog wil reiken. Want esthetiek voert bij deze tentoonstelling de boventoon.

Auschwitz

Kunstwerk Auschwitz

Auschwitz 1957, Collectie Erven Carel Visser. Foto: Rijksmuseum/ Jordi Huisman.

Uit dezelfde tijd als de vroege Visser stamt een ontwerp voor de wedstrijd voor een nieuw oorlogsmonument, Auschwitz (1957), dat nooit is uitgevoerd. Je herkent er de schoorstenen van de gaskamers in en de doodlopende treinrails. De internationale jury vond het te formalistisch, te emotieloos.

In een aflevering van de korte filmportretten Hollandse meesters in de 21e eeuw werd aan Visser gevraagd of Grote Auschwitz (uit het Kröller-Müller Museum) voor een tentoonstelling in 2019 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) niet eerst schoongemaakt moest worden. ‘Nee’, antwoordde de kunstenaar. ‘Het mos moet erop blijven zitten.’ En hij had gelijk, want zijn opvatting sluit aan bij wat de gastcurator van deze tentoonstelling, Jan Teeuwisse, in de begeleidende catalogus schrijft: ‘Vissers handschrift in het harde en stugge materiaal is bewust imperfect (…). Hij had vrede met de vergankelijkheid van zijn werk, vond dat zelfs essentieel.’ Op de kleine versie van het ijzeren en stalen kunstwerk ontbreekt het mos en eigenlijk is het jammer dat, om welke reden dan ook, de grote versie niet is te zien.

Als bezoeker kun je geruime tijd blijven staan bij de huid van lood van Signaal 1 en 2 (1964) en er van alles in zien en ontdekken. De werken staan al sinds 2020 in de tuinen, dankzij een schenking van KPN. De twee beelden vormden ook de aanleiding voor deze eerste tentoonstelling van een Nederlandse beeldhouwer in de tuinen. Kunstenaars Richard Long, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly gingen hem onder meer voor.

Kunstwerken Signal 1 en 2

Signaal 1 en 2, 1964, Rijksmuseum, schenking van KPN. Foto: Rijksmuseum/Albertine Dijkema.

Leegte en plantenvormen

De leegte tussen Twee vogels keert, nog voor Vliegende vis, terug in Gat (1968). Het gat wordt als het ware omlijst door twee horizontale en twee verticale ijzeren balken. Volgens een tekstbordje mag je zelf ook hier al kijkend uitmaken of het in dit geval ‘niets’ of ‘alles’ omkadert.

Wat ook terugkeert zijn plantenvormen, zoals in Als een plant (1988). Uit ijzer is een vorm gesneden die op een plant lijkt. ‘Gesneden beelden’, noemden Visser en criticus Carel Blotkamp het werk. Daarmee verwijzen zij zowel naar de vorm van de bladeren als naar het verbod op gesneden beelden uit het Bijbelboek Exodus.

Het is een fijne tentoonstelling met werk van een van de grootste Nederlandse beeldhouwers die al in 1958 deelnam aan de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Later deed hij dat nog eens in Venetië, toen Kho Liang Ie voor de gelegenheid het Rietveldpaviljoen met asfalt bedekte. Van hem is momenteel in het Stedelijk Museum Amsterdam ook een tentoonstelling te zien. Mooi, die gelijktijdigheid.

Boeken / Non-fictie

De spiegel van onze welvaart

recensie: Lang zal ik lekker leven – Peter Kanne
Lang zal ik lekker levenbol.com

Nederlanders hebben het internationaal gezien he-le-maal voor elkaar. We zijn niet alleen een van de meest welvarende volkeren ter wereld, maar ook nog eens een van de gelukkigste én gezondste. Waar we ook in uitblinken? Klagen, klagen en nog eens klagen. Het maatschappelijk onbehagen is groot en we vervallen liever in collectief gemopper dan dat we onze zegeningen tellen. Hoe kan het dat een land dat zo floreert, zichzelf opschepen met zo’n gitzwart toekomstbeeld?

In zijn actuele boek Lang zal ik lekker leven houdt opinieonderzoeker Peter Kanne (bekend van Ipsos I&O) de Nederlandse burger een even fascinerende als confronterende spiegel voor. Hij fileert onze ‘ik-verslaving’ en legt bloot hoe onze diepgewortelde genotzucht de basis van onze eigen samenleving ondermijnt.

De paradox van de gelukkige consument

Natuurlijk is de prikkelende titel van het boek ironisch bedoeld. ‘Lang zal ik lekker leven’ is niet slechts een zinspeling op het bekende verjaardagsliedje ‘Lang zal ik leven’, maar is inmiddels ook de open en bloot verkondigde lijfspreuk van menig Nederlander. Kanne schetst het beeld van een samenleving die is doorgeslagen in consumentisme en hedonisme. We willen overal direct van genieten zonder de daadwerkelijke prijs ervoor te betalen. Goedkope vliegtickets winnen het van onze vliegschaamte en ieder klein hebbedingetje willen we enkel en alleen voor een schrikbarende dumpprijs in handen krijgen. Maar hoe zit het dan met onze ecologische voetafdruk? Tja, de meeste Nederlanders kijken niet of nooit achterom, zich niet realiserend welke diepe sporen ze achterlaten met hun onverzadigbare hebzucht. We beschouwen onze extreme welvaart en vrijheid niet langer als een privilege dat onderhouden moet worden, maar als een vanzelfsprekend basisrecht.

Het probleem is volgens Kanne dat dit consumptieve gedrag een verslaving is geworden die ons in de tang houdt. De ‘ik-cultuur’ viert hoogtij. We zijn bovengemiddeld optimistisch over ons eigen leven en onze directe omgeving, maar tegelijkertijd diep pessimistisch over de toekomst van het land en de wereld. In plaats van in actie te komen, trekken we ons massaal terug in onze eigen, comfortabele bubbel. We eisen een perfect functionerende overheid en zorgeloos genot, maar weigeren daar als individu de prijs voor te betalen.

Harde data in plaats van oude koeien

De aanklacht tegen het individualisme en de consumptiemaatschappij is op zichzelf niet nieuw. Critici zouden het boek daardoor makkelijk kunnen wegzetten als ‘een oude koe uit sloot’. Daarmee zou Kannes werk schromelijk tekort worden gedaan. Het grote fundament en de absolute kracht van Lang zal ik lekker leven ligt in de achtergrond van de auteur. Als senior onderzoeksadviseur bij Ipsos I&O bouwt Kanne zijn betoog niet op morele verontwaardiging of onderbuikgevoelens, maar op een berg aan harde data, opiniepeilingen en wetenschappelijk onderzoek. Dat maakt dat je Kanne meteen gelooft.

Per hoofdstuk ontleedt hij objectief wat de Nederlander daadwerkelijk doet, denkt en laat. Hij toont aan hoe het huidige economische en sociale systeem onze genotzucht in stand houdt, en hoe gretig de burger dat accepteert. De manier waarop Kanne deze gigantische hoeveelheid complexe data structureert en vertaalt naar een vlot, helder en uiterst leesbaar verhaal is bewonderenswaardig. Hij beschikt over een scherpe, humoristische pen die de bittere maatschappelijke realiteit nergens loodzwaar maakt.

Tegelijkertijd verwordt het boek hier en daar ietwat ‘taai’. De hoeveelheid getallen die voorbij komt, doet je zo nu en dan duizelen. In principe lijkt het soms net een uit de hand gelopen scriptie of een wel erg dik wetenschappelijk artikel.

De crisis van de weerbaarheid

Een centraal en verontrustend thema in het boek is het verlies van onze collectieve weerbaarheid. Wie is er vandaag de dag nog bereid om offers te brengen? De meeste post-babyboomers kennen het concept ‘oorlog’, ‘armoede’ of een andere hoedanigheid van een crisis niet meer. Het is een ‘ver-van-hun-bedshow’ en alleen via sociale media kunnen ze hier een glimpse van zien. Je zou kunnen stellen dat we inmiddels moreel failliet zijn en een stelletje luilakken geworden zijn.

Dit heeft grote gevolgen voor urgente dossiers zoals de klimaatcrisis, de woningmarkt en de houdbaarheid van de democratie. Kanne waarschuwt dat deze extreme focus op het individu zich onherroepelijk tegen ons zal keren. Wanneer de overheid of het systeem hapert, ontbreekt het ons aan de nodige zelfredzaamheid om de klappen op te vangen. Het boek functioneert hierdoor als een dringend moreel appel: we moeten afkicken van de ‘ik-verslaving’ en de transitie maken naar een hernieuwd ‘wij-gevoel’.

Broodnodig: een kritische blik

Lang zal ik lekker leven is een buitengewoon boeiende schets van het hedendaagse Nederland. Peter Kanne is erin geslaagd een boek te schrijven dat zowel schuurt als amuseert. Het is zeker niet Kannes doel om Nederlanders te bekritiseren en een morele les te leren. Nee, dit boek is eerder het middel om zijn landgenoten tot inkeer te brengen (met alle goede intenties vandien).

Het boek is een absolute must read voor beleidsmakers, politici (het werd niet voor niets direct overhandigd aan politieke kopstukken in Den Haag) en iedereen die geïnteresseerd is in de psychologie van de Nederlandse burger. Kanne dwingt de lezer om kritisch naar de eigen rol in de samenleving te kijken. Het daagt ons uit om de koffietafelgesprekken te staken en de fundamentele vraag te stellen: durven we nog te kiezen voor solidariteit, of blijven we slaapwandelend genieten tot de bubbel barst?

Boeken / Fictie

Een bestseller die zijn naam nog steeds waarmaakt

recensie: Herman Koch – Het Diner
Het dinerbol.com

Het werd in 33 talen vertaald, uitgegeven in 37 landen en wordt in november 2026 gratis weggegeven aan het publiek. Tijdens de 21e editie van ‘Heel Nederland Leest’ is Het diner van Herman Koch het centrale boek, wat betekent dat heel Nederland het opnieuw zal lezen.

Dat op deze manier ook nieuwe generaties kennis maken met een meesterwerk uit de jaren 00 van deze eeuw kan enkel worden toegejuicht. Wanneer en waar je dit verhaal ook leest, het blijft even sterk. Wie niet oplet denkt dat aan de oppervlakte van het verhaal een diner plaatsvindt. De diepgang laat geheel iets anders zien.

Het verhaal

Het verhaal dat in Het diner wordt verteld is dat van vier ouders, die met elkaar hebben afgesproken in een restaurant. Ze praten niet direct over het probleem, maar door flashbacks leer je over hetgeen dat ze niet willen benoemen, maar juist moeten benoemen. Hun kinderen hebben een misdaad gepleegd en ze zullen als ouders daar toch iets mee moeten doen. De vaders, twee verschillende persoonlijkheden maar ook broers van elkaar, hebben beiden een andere visie op het omgaan met de situatie. De een wil het stil houden, terwijl de ander, de mogelijke nieuwe minister-president, weet dat dit soort geheimen hem de kop kunnen kosten…

Vijf delen

Het boek is opgedeeld in meerdere delen, zoals de gangen van een diner. Koch schotelt de lezer een aperitief, voorgerecht, hoofdgerecht, nagerecht en digestief voor, met op het einde zelfs een fooi in de vorm van een epiloog. Deze verdeling laat zien dat Koch zich erg heeft beziggehouden met de diepere essentie van zijn verhaal. Niet alleen laat hij de karakters in deze delen genieten van de specifieke gangen die zij opgediend horen te krijgen tijdens het diner, maar bouwt hij de spanning en verhaallijn op zoals een hongerige gast wacht op diens hoofdgerecht. In het aperitief maakt de lezer kennis met de hoofdrolspelers, om tijdens het voorgerecht nog in de waan gelaten te worden dat je als lezer over de schouder meekijkt van een werkelijk diner. Je proeft hier al van de spanningen die spelen tussen de broers en hun mogelijke thuissituaties, om vervolgens te beseffen dat er een addertje onder het gras zit. Iets is niet in orde. Je wil het hoofdgerecht om daarachter te komen.

Een voormalig leraar

Het verhaal van Het diner wordt verteld door de ogen van de voormalige geschiedenisdocent Paul Lohman. Na een inzinking op zijn werk is hij thuis komen te zitten en is hij erachter gekomen dat een erfelijk gen zijn huidige gedrag veroorzaakt. Tegen de achtergrond van de vraag of zijn ouders hem hadden laten weghalen met de kennis van nu, vertelt hij het verhaal met een vorm van scepsis. Hij is sceptisch over zijn broer, over het handelen van iedereen aan de tafel, maar vraagt zich ook af of wat met hem aan de hand is invloed heeft gehad op de acties van zijn zoon. Het is door deze gecompliceerde blik dat de diepgang van het eigenlijke diner, ‘de echte problemen’ komen bovendrijven.
Dit brengt je als lezer aan het twijfelen: kijk je nu door de ogen van het hoofdpersonage, of ben je zelf aan de andere personages aan het twijfelen? Twijfel je zelf aan de motieven van de personages, of ben je mee aan het gaan in de sceptische blik van Paul?

Een hoogstandje

Een verhaal als Het diner kan niet anders dan een hoogstandje worden genoemd, en daarmee een bestseller die zijn naam nog steeds waarmaakt. Er zijn niet veel auteurs die deze diepe lagen in een verhaal kunnen creëren en daarmee de lezer aan het twijfelen brengen over wat hij aan het lezen is. Door het verhaal heen ben je als lezer aan het twijfelen. Heb je zelf een mening gevormd over de personages, of word je louter meegesleept in de visie van de hoofdpersoon? De thema’s die hierdoor worden aangesneden, zoals morele dilemma’s, erfelijkheid, de rol van geweld en de rol van ouders in de opvoeding, maken het verhaal een wijze les voor velen. Het kan alleen maar aangemoedigd worden dat Het diner in november voor velen extra toegankelijk zal zijn om te lezen. Op deze manier maakt ook een nieuwe generatie kennis met de diepgang en gecompliceerde lessen die Het diner ons geeft.

Boeken / Non-fictie

Als woorden swingen

recensie: Jazzportretten – Haruki Murakami

Het is geen geheim dat de Japanse meesterverteller Haruki Murakami een diepgaande, bijna obsessieve liefde koestert voor muziek. Wie zijn romans leest – van Norwegian Wood tot De moord op Commendatore – hoort op de achtergrond altijd wel een vinylplaat kraken. Maar nergens wordt zijn passie zo tastbaar, intiem en aanstekelijk als in Jazzportretten. Dit boek is geen gortdroge encyclopedie van de jazzgeschiedenis. Nee, het is een hoogstpersoonlijke, melancholische en ritmische ontdekkingsreis door de platenkast van een van ’s werelds meest geliefde auteurs.

Samen met de sfeervolle, minimalistische portretten van illustrator Makoto Wada vormt dit werk een prachtig samenspel tussen beeld, woord en klank. Murakami nodigt de lezer uit om naast hem op de bank te gaan zitten, een glas whisky in te schenken en simpelweg te luisteren.

Een visueel en literair platenkabinet

De opzet van Jazzportretten is even elegant als eenvoudig. Het boek is opgebouwd uit korte essays, elk gewijd aan een specifieke jazzmuzikant. Grote iconen zoals Miles Davis, John Coltrane, Billie Holiday en Thelonious Monk passeren de revue, maar Murakami maakt ook ruimte voor de minder bekende helden van het genre, zoals Jack Teagarden, Hoagy Carmichael, Teddy Wilson, Jimmy Rushing en Shelly Manne.

Bij elk essay hoort een handgeschilderd portret van Makoto Wada. De stijl van Wada – gekenmerkt door zachte lijnen en een vleugje retro – vangt perfect de essentie van de muzikanten. De illustraties en de teksten versterken elkaar: waar Wada de visuele toon zet, vult Murakami de ruimte met anekdotes, persoonlijke herinneringen en poëtische bespiegelingen.

De soundtrack van een schrijversleven

Wat deze bundel zo fascinerend maakt, is de autobiografische ondertoon. Voordat Murakami doorbrak als schrijver, runde hij jarenlang een jazzbar genaamd Peter Cat in Tokio. Jazz is voor hem niet zomaar een hobby; het is het fundament van zijn creatieve identiteit. In Jazzportretten legt hij subtiel de link tussen het ritme van de jazz en zijn eigen schrijfstijl. Hij laat zien dat een goede zin, net als een goede solo, moet ademen, improviseren en swingen.

Zijn essay over Billie Holiday is misschien wel het emotionele hoogtepunt van de bundel. Murakami reflecteert op het tragische leven van de zangeres en hoe ze haar pijn transformeerde in pure, rauwe kunst. Het is hier dat Murakami’s gave als empathisch waarnemer schittert: hij luistert niet alleen naar de muziek; hij luistert naar de ziel van de artiest.

Toegankelijk en lyrisch

De schrijfstijl in Jazzportretten is typisch Murakami: bedrieglijk eenvoudig, melancholisch, trefzeker en doorspekt met alledaagse magie. Hij vermijdt pretentieus jargon. Je hoeft geen musicoloog te zijn om van dit boek te genieten. De kracht ligt in de metaforen. Murakami slaagt erin om de abstracte ervaring van het luisteren naar muziek om te zetten in concrete, tastbare beelden. Een saxofoonsolo wordt een briesje dat door een open raam waait; een drumritme wordt de hartslag van een slapende stad.

De Nederlandse vertaling – door Luk Van Haute – verdient hierbij een compliment. Het lome, ietwat laconieke maar altijd gloedvolle ritme van Murakami’s oorspronkelijke proza blijft in de vertaling prachtig overeind. De tekst swingt op zijn eigen bescheiden manier.

Fragmentarisch genieten

Als er één punt van kritiek moet worden gegeven, dan is het dat het boek door zijn opzet fragmentarisch is. Omdat de essays oorspronkelijk als losse columns zijn geschreven, ontbreekt een doorlopende verhaallijn. Wie achter elkaar doorleest, kan een zekere herhaling in structuur ervaren (introductie van de muzikant, een specifieke elpee, een persoonlijke anekdote, een conclusie). Oftewel: ‘het bekende liedje’.

Jazzportretten is dan ook geen boek om in één ruk uit te lezen. Het is een salontafelboek in de beste zin van het woord: een werk dat je erbij pakt om telkens één of twee portretten te consumeren, bij voorkeur met de besproken muziek zachtjes op de achtergrond. Dan pas komen de woorden van Murakami écht tot leven.

Een must have voor de zintuigen

Jazzportretten is een teder, visueel prachtig en diep muzikaal boek. Het biedt een unieke inkijk in de geest van Haruki Murakami en viert tegelijkertijd de tijdloze genialiteit van de jazzpioniers. Het is een ode aan de analoge wereld, aan vinyl, aan imperfectie en aan de troost die muziek kan bieden.

Voor de diehard Murakami-fan is dit boek een onmisbaar puzzelstukje om het ritme van zijn romans beter te begrijpen. Voor de jazzliefhebber is het een feest van herkenning, en voor de leek is het de ultieme, laagdrempelige gids om een legendarisch genre te ontdekken. Jazzportretten laat je niet alleen met andere ogen naar kunst kijken, maar vooral met andere oren naar de wereld luisteren. Een absolute aanrader.

Film / Films

Hitsige bovenburen: leuk of lastig?

recensie: The Invite – Olivia Wilde
The-Invite_st_2_jpg_sd-highFilmdepot

Het huwelijk van Angela en Joe is akelig sleets geraakt. Ze leven langs elkaar heen, ergeren zich te pletter aan elkaar en maken bijgevolg voortdurend ruzie. In die sfeer is de seks feitelijk verdwenen uit hun relatie. Dus is het irritant dat de nieuwe bovenburen met veel herrie de pannen van het dak seksen. Tijd om eens kennis te maken met die hitsige buren, in deze verrassende en geestige arthousefilm The Invite.

Beroepsmusicus Joe is bij gebrek aan passend werk al jaren muziekleraar op een school. Zijn vrouw Angela heeft voor de zoveelste keer hun fraaie appartement in San Francisco verbouwd, met alle lawaai van dien. De riante woning zelf hebben ze geërfd van de ouders van Joe.

Luidruchtige seks

Angela en Joe hebben sinds kort nieuwe bovenburen, die ze eigenlijk alleen vluchtig kennen. Deze Hawk en Pina moeten last hebben gehad van het verbouwingslawaai. Daar staat dus tegenover dat het nieuwe koppel zelf overlast veroorzaakt met hun luidruchtige seks. Tijd voor een kennismaking. De nieuwe buren zullen komen eten.

Verliefd

Vanaf het eerste moment is duidelijk dat Hawk en Pina een totaal andere kijk op leven en liefde hebben dan Angela en Joe. Zij hebben een open relatie, daar waar Angela en Joe monogaam zijn. En terwijl Joe en Angela aldoor in dezelfde groef doormodderen, ook al is het leven allang niet meer leuk, zoeken de verliefde Hawk en Pina naar geluk en genot. Daarmee wordt de confrontatie met de vrijpostige bovenburen een test voor de houdbaarheid van de relatie van Angela en Joe.

Toneelstuk

The Invite is gebaseerd op de Spaanse film Sentimental (2020) van regisseur Cesc Gay, naar een toneelstuk dat Gay zelf schreef. Dat het van oorsprong om een toneelstuk gaat, merk je: op een paar momenten na speelt het hele verhaal zich af binnen de muren van het appartement van Joe en Angela. Regisseur en acteur Olivia Wilde heeft voor haar versie van dit verhaal een topcast tot haar beschikking. De vier acteurs maken de film tot een waar genoegen om naar te kijken.

Mimiek

Wilde neemt zelf de rol van Angela voor haar rekening, met Seth Rogen als haar man Joe. Veel van de geloofwaardigheid van de film komt voort uit de tekstbehandeling: deze twee acteurs schreeuwen, vloeken, schelden, en – wat zeer naturel overkomt – ze vallen elkaar in de rede en praten door elkaar heen. Veel van de interactie blijft opzettelijk beperkt tot de manier waarop ze elkaar aankijken en tot betekenisvolle mimiek om elkaar tot de orde te roepen of te waarschuwen.

Verleidelijk

Maar de echte sterren van The Invite zijn Edward Norton als ex-brandweerman Hawk en Penélope Cruz als zijn uitdagende vriendin, therapeut Pina. Zij acteren ogenschijnlijk moeiteloos de sterren van de hemel. Vooral Norton als Hawk is sterk: hij gaat bijvoorbeeld gewoon door met wat hij aan het doen was, terwijl de hoofdhandeling een andere wending neemt.

Cruz is als Pina zo begripvol, wijs, vriendelijk, verleidelijk en geil dat je helemaal gelooft dat zowel mannen als vrouwen voor haar vallen.

Aan het denken gezet

Mooi is dat de slimme, grappige plot van The Invite ruimte biedt aan totaal uiteenlopende onderwerpen en eigenschappen, zoals trouw en ontrouw, jaloezie, vertrouwen, onzekerheid, angst de ander te verliezen, behoefte aan warmte en liefde, maar ook walging en afgrijzen. De meeste van deze thema’s komen overigens aan bod zonder tekst, dus alleen in lichaamstaal, in blikken en geluiden.
Voor de goede verstaander neemt de plot aan het einde nog een verrassende wending, waardoor je extra aan het denken wordt gezet. Erg knap gedaan.

The Invite draait vanaf donderdag 3 juli 2026 in de bioscopen.

Kunst / Expo binnenland

Steve McQueen: bevlogen en confronterend

recensie: Atlas - Steve McQueen
Bounty, 47 foto’s van bloemen op het eiland GrenadaJeanne van Rutten

Kunstenaar en filmmaker Steve McQueen (1969) verkreeg internationale faam door zijn met Oscars bekroonde speelfilm 12 Years a Slave. Voor Nederland geldt in het bijzonder zijn documentaire De bezette stad, een vier uur durende reis, gefilmd in een setting van hedendaagse straattaferelen over het oorlogsverleden van Amsterdam. Ook buiten de filmwereld geniet McQueen een grote erkenning. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke hedendaagse kunstenaars en ontvangt dit jaar de Erasmusprijs. In De Pont in Tilburg is momenteel Atlas, de eerste solotentoonstelling van McQueen in Nederland, te zien.

De tentoonstelling bestaat uit vier werken met elk een eigen verhaal: Bounty, Atlas, Untitled en Sunshine State. Het is aan te bevelen het daaraan voorafgaande videoportret van de kunstenaar, In His Own Words, te bekijken. Daarin vertelt McQueen wat zijn gedachten en overwegingen zijn bij de tentoongestelde werken. Het gaat namelijk niet alleen om wat waarneembaar is, maar vooral om de diepere en bredere betekenis.

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal

Atlas, installatie over de continue en eindeloze beweging van het heelal. Foto: Jeanne van Rutten

Bounty (2024) is een verzameling van 47 door McQueen gemaakte kleurenfoto’s van tropische bloemen op het Caraïbische eiland Grenada. De foto’s hangen in een strakke horizontale lijn in een grote, hoge en verder lege zaal. Het zouden de illustraties kunnen zijn voor een fotoboek over exotische planten. De hibiscus is mooi als altijd, net zoals de orchideeën en de bougainville. Maar daar gaat het de kunstenaar niet om. De verzameling vormt de achtergrond van de dramatische en mensonterende geschiedenis van de Caraïben. Te beginnen met het vermoorden van de oorspronkelijke bewoners door de Spanjaarden. Gevolgd door scheepsladingen vol met Afrikaanse, zwarte gevangenen: mannen, vrouwen en kinderen om – als ze de overtocht al overleefden – tewerkgesteld te worden als slaven. De bloemen zullen ook gezien en geroken zijn door kolonisten, de overheersers, zoals Engelsen, Nederlanders en Fransen. Terwijl de tragedies elkaar opvolgden, bleef de natuur in al haar pracht bestaan.

Het eindeloze heelal

De installatie Atlas, genoemd naar de titaan die de wereld draagt, werd in opdracht van De Pont ontwikkeld. In een schemerachtige ruimte hangen vier monitoren. Op de schermen bewegen witte vierkanten in schijnbaar willekeurige patronen. McQueen vertelt dat hij bij de ontwikkeling van de installatie moest denken aan de grove pixels van de eerste computergames. De bewegingen op het scherm zijn echter geen game, maar de bewegingen in de kosmos. Om deze in beeld te brengen, is gebruikgemaakt van de data die verzameld zijn door de GAIA-ruimtesonde van de European Space Agency. De sonde legt continu de positie, beweging en helderheid van meer dan een miljard sterren vast. De kunstenaar wil de bezoeker niet belasten met de verwerking van de eindeloze hoeveelheid data, maar met wat het zichtbaar oplevert, namelijk de gewaarwording dat het heelal continu en oneindig in beweging is. Het kan bijvoorbeeld de verwondering opleveren dat het licht van al lang uitgedoofde sterren de aarde nog steeds bereikt. En de vraag of de mens, in de hier ervaren nietigheid van zichzelf, het heelal ooit zal kunnen doorgronden.

Een duister geluid

Sunshine State, blackface – scene

Sunshine State. Foto: Jeanne van Rutten

Het is bijna een claustrofobische ervaring om door een donker gangetje naar een donkere ruimte te lopen. Er is, nadat je ogen enigszins zijn gewend aan het donker, ook nog eens niets te zien. Wel te horen. Een minutenlang ongemakkelijk, hard geluid. Untitled is wat je hoort als iemand verbeten op een boksbal mept. Je hoort hoe de bokshandschoenen op het leer afketsen en het gehijg en gekreun van de bokser. De kunstenaar geeft geen andere betekenis aan de installatie dan dat de bezoeker de confrontatie aangaat met wat het met je doet. Zoals dat het een volledig, onbeheerste uiting van agressie zou kunnen zijn. Om angstig van te worden. Maar het kan natuurlijk ook onmacht zijn die even onbeheerst wordt afgereageerd. Ook iets wat niet geruststelt. Het ligt in ieder geval niet voor de hand te denken dat het hier een bokser betreft die aan het trainen is.

Niet zo zonnig

De vader van McQueen werd geboren op Grenada en vertrok in de jaren vijftig als seizoensarbeider naar Florida om sinaasappels te plukken. Pas aan het eind van zijn leven vertelde hij aan zijn zoon hoe hij een racistisch geweldsincident bijna met de dood moest bekopen. Het leverde hem een levenslang trauma op. De kunstenaar was geschokt, zijn vader had er altijd over gezwegen. Met Sunshine State worden het racisme, de stereotypering en de geschiedenis van zijn vader verbeeld. McQueen zegt in In His Own Words dat hij er jaren over heeft gedaan de filmrechten van The Jazz Singer, de eerste gesproken film met Al Jolson in de hoofdrol, te verwerven. Dat lukte niet. Toen de rechten vrijkwamen door verjaring, kon de kunstenaar zijn idee eindelijk verder uitwerken. Al Jolson trad op met een blackface; theaters waren voor zwarte artiesten verboden terrein. In de beelden die nu te zien zijn, wordt de huid van Al Jolson onzichtbaar als hij zich schminkt, tot iemand die niet bestaat. De commentaarstem verhaalt over de vader van McQueen. De film wordt op twee schermen vertoond, dezelfde scènes, fragmentarisch, de een net even wat anders dan de ander. In zwart-wit en in negatief. Door herhalingen wordt het verhaal extra kracht bijgezet. Verder zijn er beelden van een allesverzengende zon en hoe verschroeiend deze kan werken.

Verwondering

McQueen zegt verwonderd te zijn dat typisch Amerikaanse symbolen zoals Al Jolson, Mickey Mouse en Michael Jackson alle drie zwart-witte handschoenen dragen. Hij is er nog niet uit. Een opmerking die laat zien dat er veel is wat hem bezighoudt, en dat is precies wat deze tentoonstelling duidelijk maakt. Het is fascinerend zijn denkproces te volgen en te ontdekken hoe dit heeft geleid tot het tentoongestelde werk.

Film / Films

AI maakt eenzaam

recensie: Toy Story 5 - Andrew Stanton
TOY STORY 5Filmdepot: 2025 Disney/Pixar. All Rights Reserved.

Wat zou er gebeuren als kinderen niet meer spelen met elkaar en met tastbaar speelgoed, maar alleen nog met beeldschermen, voornamelijk in hun eentje? Disney en Pixars lieve film Toy Story 5 laat de gevolgen zien van het vervangen van fysieke spelletjes door digitale, en van echte mensen door AI-gestuurde. Die gevolgen zijn herkenbaar en ze zijn niet geruststellend.

De laatste keer dat we keken naar Toy Story, waren de enigszins sleetse poppen Woody, Jessie, Buzz Lightyear plus hun vrienden terechtgekomen in de speelgoedkist van het meisje Bonnie. In deel 5 wordt Bonnie acht jaar. Ze speelt graag met poppen, hoewel ze daar volgens de kinderwereld eigenlijk ‘te oud’ voor wordt.
Bonnie voelt zich eenzaam: ze speelt veel alleen, is te verlegen om op andere kinderen af te stappen en heeft eigenlijk geen vriendjes om mee te spelen.

Tablet

Bonnie zou best willen spelen met de twee kinderen van de buren. Maar die zien haar niet staan, omdat ze schijnbaar iets beters te doen hebben. Bij de buren naar binnen glurend, blijken de buurkinderen allebei een eigen tablet te hebben, waarop ze afzonderlijk van elkaar spelletjes doen.

Zo’n tablet hebben Bonnies schoolgenoten ook: een beeldscherm met een buitenrand in de vorm van een beest of van een bloem. Zij doen daar spelletjes op. En de klasgenoten delen op die tablet een chatgroep. De hoofdstroom aan contacten verloopt via die chatgroep.
Bonnie heeft geen tablet, en voelt zich daardoor buitengesloten. Ten langen leste zwichten Bonnies ouders: vooruit dan maar, zij krijgt er ook een: een ‘Lilypad’, een kikkertje met oogjes.

Voorbij

Natuurlijk is meteen het hek van de dam: die digitale Lilypad vervangt al het normale speelgoed; dat gaat stof liggen vangen. Het speelgoed ziet deze ontwikkeling met schrik aan: ‘De speelgoedtijd is voorbij.’
Grappig is dat de Lilypad dezelfde eigenschap heeft als al het speelgoed in Toy Story: als de mensen niet kijken, leeft en praat het ding uit zichzelf.

Zoals te verwachten, wordt Bonnie alleen maar eenzamer door de digitale communicatie. Chatgroepen zijn een bron van misverstanden en worden gebruikt voor onaardige, roddelachtige berichten: over Bonnie, vooral.

Kunstgreep

Het speelgoed besluit daarop dat Bonnie terug moet worden gebracht op het rechte pad: naar gewoon speelgoed en naar vrienden van vlees en bloed.
De roodharige cowboypop Jessie (stem van Joan Cusack) is gepromoveerd toy sheriff, zij neemt de leiding.
In (de veel beter gelukte) Toy Story 4 namen we afscheid van Woody, die bij zijn vriendinnetje Bo Peep (het herderinnetje) achterbleef in een pretpark. Via een kunstgreep worden Woody (zoals het hoort: voorzien van de stem van Tom Hanks) en Bo Peep niettemin opgetrommeld om te komen helpen Bonnie een vriendje van vlees en bloed te bezorgen.

Zijstraatjes

Wat volgt is een nogal omslachtig verhaal. Tekstschrijver en regisseur Andrew Stanton heeft er een vertelling van gemaakt met een heleboel zijstraatjes, nevenplots en zelfs droombeelden die soms niet helemaal te volgen zijn. Er zijn bruiloften tussen poppen, en het speelgoed komt ook nog het hertje Bambi en het konijn Stampertje tegen. Door al die uitweidingen duurt Toy Story 5 – inclusief titels – meer dan twee uur. Erg lang. Hier en daar een flodderig zijstraatje schrappen had de film en de vertelling meer gefocust en daarmee beter gemaakt.

Stad versus platteland

In die twee uur zet Stanton het stadsmeisje Bonnie af tegen het plattelandsmeisje Blaze. Zij woont op een ranch met paarden. Blaze is totaal anders dan de complotten smedende stadskinderen.

Andrew Stanton tekende eerder voor de regie en het script van onder andere Finding Nemo, WALL-E en Finding Dory. De boodschap van Stanton en zijn team in Toy Story 5 is natuurlijk zonneklaar, al komt die in deze verregaand gedigitaliseerde wereld rijkelijk laat: kinderen (en ouders) moeten niet zo veel tijd besteden aan beeldschermen. Speel met elkaar en met tastbare dingen.

Fenomenaal animatiewerk

Om deze boodschap te kunnen verkondigen, heeft Stanton duidelijk een ongeëvenaard arsenaal aan technologie tot zijn beschikking dankzij computeranimatie (en AI?!). Daarmee maakt hij een onvoorstelbaar rijke animatiefilm. Alleen al het enorme scala aan gelaatsuitdrukkingen van het speelgoed en de menselijke personages is verpletterend. Net als de extreme zorg waarmee interieurs zijn vormgegeven. Zo is het (getekende!) hout van traptreden en deurposten naturel afgesleten en weer overgeschilderd: het is fenomenaal animatiewerk.

En verder heeft Stanton uiteraard gelijk: laat de kinderen (en de volwassenen) alsjeblieft minder tijd verspillen op beeldschermen.

Toy Story 5 draait vanaf donderdag 18 juni 2026 in de bioscopen.

Theater / Voorstelling

Vrijheid, verdraagzaamheid en tolerantie zijn het hoogste goed

recensie: Spinoza - de Mokum Musical - NITE + Club Guy & Roni, HIIIT & Het Muziek
Madam X en SpinozaGergely Ofner

Elke mens is vrij te denken wat die zelf wil, zonder te worden gedwarsboomd of gestraft door de wetten van enigerlei godsdienst of die van de staat. Spinoza – de Mokum Musical zet deze stellingname neer als de basis van de filosofie van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse denker Spinoza.

Spinoza staat te boek als de belangrijkste filosoof die Nederland ooit heeft voortgebracht. Een samenwerkingsverband van NITE + Club Guy & Roni, HIIIT & Het Muziek maakt over Spinoza en zijn gedachtegoed deze zomer de grote jaarlijkse openluchtvoorstelling in het Amsterdamse Bostheater. Een combinatie van theater, zang, dans en muziek. Deze musical staat vanaf het eerste moment als een huis.

Vluchteling

Amsterdam, de zeventiende eeuw. Het openingsbeeld van Spinoza – de Mokum Musical laat een sekswerker zien, gehuld in (koninklijk) oranje, en rabbijnen in witte gewaden. ‘Gewone’ Amsterdamse Joden kruipen in vieze kleren vanaf alle kanten de speelvloer op: deze mensen zijn als vluchteling naar de stad gekomen, op een gegeven moment. De Amsterdamse Joden beginnen een heftige groepsdans op swingende livemuziek.

Bekeren tot het christendom

We zien een vrouw met haar drie kinderen, te midden van de sluipende Joodse mensen. Die vrouw stelt de moeder voor van Baruch Spinoza (Amsterdam, 1632 – Den Haag, 1677). Zij is een nakomeling van Portugese Joden die uit het zuiden vluchtten, omdat ze onder druk werden gezet zich te bekeren tot het christendom.

Met het gegeven dat het hier gaat om vluchtelingen, is de toon voor de voorstelling gezet: met de situatie tijdens de zeventiende eeuw wordt expliciet verwezen naar die van vandaag.
Deze muziektheatervoorstelling gaat over vluchtelingen die moeilijk een plek kunnen vinden. Over conflicten en oorlogen. Over machtsmisbruik door godsdienstige en wereldlijke leiders. Over het teloorgaan van de democratie. Zelfs de Verenigde Staten van Donald Trump komen voorbij, voor de goede verstaander.

Vrijheid

Het levensverhaal en het gedachtegoed van Spinoza fungeren daarmee vooral als kapstok om het in het theater te hebben over verdraagzaamheid en tolerantie. Over de vrijheid te mogen zijn wie je bent, te mogen denken, te geloven en te zeggen wat je zelf wilt. En Spinoza – de Mokum Musical bevraagt hedendaagse slagvelden. Daarmee is dit geen exacte biografie van de filosoof.

Gay

Met het werkelijke levensverhaal van Spinoza nemen de tekstschrijvers het niet zo heel nauw. Zo kwam hij niet met zijn moeder en zussen per schip aan in Nederland: hij is in Amsterdam geboren. In het Bostheater is Spinoza expliciet gay. Feit is dat de historische figuur Spinoza niet getrouwd was en geen nakomelingen had. Over eventuele relaties is niets bekend. Er is inderdaad een biograaf die suggereert dat hij mogelijk gay was, maar dat is allesbehalve zeker.
Niettemin: in een voorstelling die het accent legt op mogen zijn wie je bent, op vrijheid van denken en doen, is het charmant de filosoof queer te laten zijn.

Bento

De echte Baruch Spinoza was van Joods-Portugese komaf. De Latijnse versie van zijn naam was Benedictus de Spinoza, in het dagelijks gebruik ingekort tot ‘Bento’ en zo heet Spinoza in het Amsterdamse Bos ook.
Spinoza krijgt het aan de stok met de joodse hoogwaardigheidsbekleders van Amsterdam, omdat hij al als adolescent stelt dat de geschriften in de Thora, het heilige boek van de joden, nooit afkomstig kunnen zijn van een god, maar gewoon zijn bedacht door mensen. Spinoza zet zich daarnaast af tegen de joodse voorschriften rondom eten en drinken. Hij ontwikkelt gaandeweg zijn eigen filosofie, die we kennen als het rationalisme. Daarmee is hij een van de eerste filosofen van de Verlichting. Die gaat uit van de rede, van het menselijk verstand, van de kennis die we opdoen met behulp van wetenschappelijk onderzoek.

Op een goed moment wordt deze godslasterlijke filosoof door de Amsterdamse Joodse gemeenschap in de ban gedaan. Daarna verlaat Baruch Spinoza Amsterdam en zwerft van stad naar stad. De kost verdient hij niet met zijn filosofische geschriften, maar met het slijpen van lenzen. Doordat het stof dat daarbij vrijkomt in zijn longen terechtkomt, wordt hij ziek. Hij sterft daaraan in 1677 in Den Haag. Zijn belangrijkste werk, de Ethica, wordt pas na zijn dood gepubliceerd.

Verstrooid

De makers van Spinoza – de Mokum Musical maken van de filosoof een rechtlijnig man die met iedereen ruzie krijgt, omdat hij niet van zijn standpunten wil afwijken. Olaf Ait Tami zet Bento enerzijds gepassioneerd, anderzijds nogal verstrooid neer, als een boekenwurm die niet helemaal doorheeft wat er in zijn dagelijkse omgeving gebeurt.

Zijn naaste verwanten zijn zijn zussen Rebecca en Miriam. Terwijl Rebecca (Sarah Janneh) trouwt met rabbijn Samuel de Casseres, en dus steil is in de joodse leer, is Miriam (Nimuë Walraven) het eigenlijk eens met broer Bento. (Nota bene: in de echte geschiedenis trouwt Samuel de Casseres met Miriam – maar vooruit).
Omdat de diepgelovige rabbijn door dat huwelijk zijn zwager is geworden, vervreemdt Bento ook nog van zijn familie.

Nachtvlinder

De enige gemeenschap die hem echt omarmt, is die van de vrouwen en mannen van lichte zeden en die van de achterkamertjes. Die gemeenschap wordt hier vooral vertegenwoordigd door de flamboyante nachtvlinder Madame X (een geestige, scherpe en sarcastische Malou Gorter). Madame X is gehuld in een oranje kimono, met eromheen een lap met een vlinder erop geprint. De vlinder staat hier voor vrijheid, voor kunnen wegvliegen.
In die tolerante wereld wordt Bento verliefd op Simon (Joes Brauers). Maar zelfs Simon moet het afleggen tegen het werk aan zijn filosofische geschriften.

Wat Spinoza’s gedachten en filosofieën over vrijheid, godsdienst en tolerantie in grote lijnen inhouden, wordt in fragmenten door verschillende spelers uitgesproken. Die teksten zijn soms wat cryptisch, breedvoerig en bovendien worden sommige herhaald. Dat is jammer, want daardoor wordt deze oogstrelende voorstelling onvermijdelijk een lange zit.

Spectrum

In het Amsterdamse Bostheater zetten NITE + Club Guy & Roni, HIIIT & Het Muziek dit verhaal neer in een decor dat opgebouwd is uit talloze steigerbuizen, die voornamelijk schuin zijn geplaatst. In de achterwand is een verhoogd podium gebouwd voor de musici van HIIIT & Het Muziek. Zij hebben een enorm spectrum aan muziekstijlen in petto, waaronder op Joodse klezmer geïnspireerde melodieën.

In het midden van de speelvloer staat een groot zwart decorblok, waarop sleutelscènes zich afspelen. Aan weerszijden van de speelvloer hangen tussen de steigerbuizen plateautjes waarop individuele spelers en zangers staan, zingen en dansen.

Ballon

De dansers van NITE + Club Guy & Roni vormen een soort Grieks koor, dat voortdurend commentaar levert op de handeling. Zij voeren solo’s en groepsballetten uit (choreografie: Roni Haver) en ze nemen veel liedjes voor hun rekening.
Een opvallend element in een aantal van de kostuums (kostuums: Benji Nijenhuis) is een soort dekbedhoes die in de breedte wordt gedragen. Zo’n hoes bolt tijdens het lopen onvermijdelijk op tot een enorme ballon. Extra fraai is wanneer die ballonnen ook nog zijn bedrukt met grote vlinders, die de vrijheid benadrukken.

De uitgekiende ensembleregie van Guy Weizman smelt deze mengelmoes van spelers, dansers en musici samen tot een zinvolle en meeslepende belevenis.

Tekst: Rik van den Bos, Marieke van Veen, Lev Avitan
Liedteksten: Guy Weizman
Choreografie: Roni Haver
Compositie: David Dramm, Pink Oculus
Muzikanten: Angelo Ursini (klarinet/saxofoon/fluiten), Giordano Mor (trombone), Karima El Fillali (zang), Al Mutasim Billah Hasan (ney/oud/toetsen), Niels Meliefste (slagwerk), Noa Eyl (viool), Zofia Sofinka Imiela (toetsen/zangcoach) 
Decor: Ascon de Nijs
Kostuums: Benji Nijenhuis 
Licht: Maarten van Rossem

Theater / Voorstelling

Een familie is als een oude draaimolen: ze draait ondanks alles door

recensie: Carrousel – Vis à Vis
Theatergezelschap Vis à Vis - Carrousel - Fotografie Marinus Vroom-5Marinus Vroom

Een heuse kermis, inclusief reuzenrad en schiettent, is verrezen op het grootse speelveld van theatergroep Vis à Vis in Almere. Centraal staat een prachtige maar krakkemikkige draaimolen, steeds opnieuw opgeknapt door de Surinaamse familie die hem bezit. Het draaiende houden van die antieke molen in het theaterspektakel Carrousel kun je zien als een metafoor voor een familie, waarin generatie na generatie moet zorgen voor vernieuwing en voortgang.

Wat is ouderwetser dan een draaimolen op de kermis aan de praat houden? Daar zit toch geen toekomst in?!
Het ding is van de Surinaamse Nederlander Ewald (Ruurt de Maesschalck). Zijn vader (‘Opa’) heeft het gevaarte lang geleden zelf gebouwd. Maar de draaimolen heeft zijn beste tijd gehad. Het oude barrel is om de haverklap stuk, en in het ergste geval komt er rook uit, of slaan de vlammen eruit.

Toch is de bedoeling dat die draaimolen binnenkort zal overgaan naar alweer de volgende generatie: de 25-jarige dochter Frida. Zij heeft twee rechterhanden en verstand van techniek: ideaal om een hoogbejaarde draaimolen keer op keer te repareren. Maar Frida is net klaar met haar studie en niet van plan haar leven te slijten op de kermis.

Generatieconflict

Komt bij dat de vileine, achterbakse directeur van de kermis, Berto, aast op de toplocatie die de draaimolen inneemt. Dus die is het ding liever kwijt dan rijk.
Die directeur heeft op zijn beurt een dochter, Lucky. Zij onderhoudt het versleten reuzenrad en ze maakt suikerspinnen.
Vader Berto (Rutger Buiter) wil Lucky graag aan zijn kant in de strijd om de draaimolen, maar Lucky wil geen ruzie, zij is liever gelukkig dan rijk. Ook daar speelt een generatieconflict.

Dit is in een notendop de plot van Carrousel. Om deze twee vader-dochterkoppels heen cirkelen de figuren van diverse Surinaamse voorouders van Frida. Daarmee zijn het doorgeven van het stokje, het waarderen van je familie en waar die voor staat de belangrijkste thema’s van deze voorstelling. Weet waar je vandaan komt, wie jou voorgingen en laat dat meewegen in het antwoord op de vraag waar je zelf naartoe wilt.

Hoogstandjes

Theatergroep Vis à Vis heeft een stevige reputatie opgebouwd als maker van familievoorstellingen in de open lucht, op het eigen terrein bij het Almeerderstrand. Daarbij draait het niet alleen om het stuk, om het verhaal, maar zeker ook om het visuele aspect: mooie kostuums, goed licht, meeslepende livemuziek. Om spektakel: het geheime wapen van Vis à Vis is een stevig team van technisch behendige bouwers die in staat zijn tot mooie en verrassende technologische hoogstandjes. Het resultaat zijn vrolijke, feestelijke, spectaculaire voorstellingen.

Miniatuurhuis

Dat geldt zeker voor Carrousel. De spectaculaire draaimolen die het middelpunt vormt van deze voorstelling heeft twee verdiepingen. De onderste is de feitelijke draaimolen met zes draaimolenfiguren, waarvan de opvallendste figuur een roofdier is dat over een hoge kraag van riet heen springt. De bovenste verdieping is een miniatuurhuis waarin de Surinamer Ewald woont; daar is ook een plekje voor zijn dochter.
De draaimolen heeft rijen lichtjes, mooie beschilderingen en kan echt draaien. Met behulp van rook en vuur wordt verbeeld hoe slecht het oude beestje eraan toe is.

Orkest

Mooie technische stunt is ook een soort zweefmolen die hangt aan een zeer hoge bouwkraan. Vandaar daalt het driekoppige orkest neer, dat voor virtuoze livemuziek zorgt vanuit het ‘kassa’-gebouw. Vooral de vaardige slagwerker Clara de Mik houdt de stemming er goed in.
Vanuit die hoge bouwkraan daalt ook de Surinaamse voormoeder Oma Joosje (de fantastische zangeres Susan Malaika Bailey) neer, gekleed in een fraaie traditionele jurk, uitgevoerd in wit, en gecompleteerd met een enorme hoed.

Voormoeder

Het script (tekst: Jibbe Willems) is niet ijzersterk en soms lastig te begrijpen. Het duurt bijvoorbeeld lang voordat de familieverhoudingen duidelijk zijn. Zo lijkt het een tijdje alsof de twee ‘oudere’ Surinamers de moeder en vader zijn van de draaimolenman. Na verloop van tijd blijkt echter dat Oma Joosje, de voormoeder van de overige Surinamers, niet de vrouw is van ‘Opa’, maar zijn moeder.
Mogelijk is dat sneller duidelijk voor mensen die Sranantongo begrijpen: Oma Joosje spreekt ‘Opa’ aan met ‘mi boy’: mijn jongen. Het zou kunnen dat Surinaamse moeders hun zoon zo aanspreken.
De geest van die ‘Opa’ (Erwin Boschmans) spookt rond over de kermis.

De rode draad, hoe gaan generaties om met elkaar en met het familiale erfgoed, leidt wel tot brede filosofieën in de tekst, maar niet tot een soort conclusie over wat te doen met dat erfgoed. Gevolg is dat bijvoorbeeld het einde vaag blijft.

Tulpen kietelen

Fijn in de tekst is de verzameling nonsens-woorden die Frida bezigt om gereedschap mee aan te duiden dat ze nodig heeft om de kapotte draaimolen mee te repareren.
Grappig is ook de reeks smoezen die de luie kermisdirecteur heeft om onder klusjes uit te komen, zoals ‘ik moet de tulpen nog kietelen’.
Reuzenrad-dochter Lucky schiet te hulp wanneer de draaimolen-familie in de problemen is onder het motto: ‘Wij zijn kermis, kermis helpt elkaar.’

Verdieping

De tekst is goeddeels opgebouwd uit dialogen. Regisseur Gerold Guthman kiest ervoor vooral die twee acteurs die tekst hebben dan ook te laten spelen, de overigen hebben dan feitelijk geen rol. Dat is jammer; de niet-sprekende acteurs in karakter laten blijven, had kunnen bijdragen aan verdieping van Carrousel en de humor een steuntje in de rug kunnen bieden.

In de cast valt vooral de acrobatische Lotte Rischen op als Lucky, de dochter van de kermisdirecteur. Rischen laat een mooie combinatie zien van heldere tekstbehandeling en het spelen van een jonge vrouw die ploetert om haar kermisbestaan zin te geven.

Verwachtingen

Deze voorstelling is misschien niet bedoeld om een sterke plot over te dragen, maar meer om de intentie te benoemen. Wanneer mensen van land naar land migreren, is het lastig zowel om te aarden als om de oude tradities in ere te houden. Plus: generaties kunnen verwachtingen van elkaar hebben waar ze wederzijds niet aan kunnen of willen voldoen.

Carrousel mag als toneelstuk wat haken en ogen hebben, de geestige, spectaculaire voorstelling is een lust voor het oog en erg grappig, en gaat daarom recht naar het hart.

Script: Jibbe Willems
Componist: Stijn Hoes
Muziek: Stijn Hoes, Erik Hofland, Clara de Mik
Decorontwerp: Douwe Hibma en Jan Willem van der Schoot
Kostuumontwerp: Nicky Nina de Jong

Theater / Voorstelling

Wanhopige strijd tegen de eigen demonen

recensie: De architect – ITA Ensemble/Rebecca Frecknall
DA_FABIAN CALIS_27-05-2026_7987Fabian Calis

De oudere generatie vecht snoeihard om haar leidende positie te behouden: door hard te schreeuwen, tegen te werken, te manipuleren, desnoods door te liegen. De jonge garde staat niettemin te trappelen om het stokje over te nemen. Deze concurrentiestrijd is het centrale thema van De architect van ITA Ensemble. De weerstand van de ouderen is bij voorbaat kansloos: de jongere generatie laat zich uiteindelijk niet tegenhouden.

‘Denk je dat het gaat onweren?’ vraagt Katelyn aan haar verloofde Gideon, terwijl de regen over de ramen gutst. Het slechte weer voorspelt onheil in De architect. En ‘Onheil’ is de middelste naam van de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen, op wiens Bouwmeester Solness (1892) dit stuk van ITA Ensemble is gebaseerd.

Toparchitect

De Britse regisseur en tekstbewerker Rebecca Frecknall actualiseerde het stuk en boog het om naar een situatie die meer van nu is. De toparchitect van de gevestigde generatie is geen oudere man, zoals bij Ibsen, maar een oudere vrouw: Solness wordt Sela, die haar strepen als bouwmeester ruimschoots heeft verdiend. Sela is getrouwd met een vrouw: Aline.

Toekomst

De nieuwe generatie in De architect wordt om te beginnen vertegenwoordigd door de enthousiaste, getalenteerde Gideon. Hij is bouwkundig tekenaar: een treetje lager dan architect. Toch hoopt hij snel de leiding over het architectenbureau te kunnen overnemen van zijn baas Sela.
Gideon en Katelyn zijn dolverliefd en verwachtingsvol over de toekomst. Katelyn (Ilke Paddenburg) is bovendien zwanger: alweer een nieuwe generatie is in aantocht.

Maar als Sela binnenkomt, slaat de stemming onmiddellijk om. Sela blaast hoog van de toren. Ze is autoritair, dominant, schreeuwt, valt iedereen in de rede. Het is wel duidelijk wie hier de ster-bouwmeester is. Gideon (Sanne den Hartogh) laat zich met een geknakt nekje de mantel uitvegen, omdat hij het heeft gewaagd ongevraagd initiatief te tonen.

Zwakte

Het hele kantoor danst vooralsnog naar Sela’s pijpen. Gideon en Katelyn, maar ook de dokter, Herdal, die kind aan huis is. Echtgenote Aline is de enige die Sela van repliek durft te dienen.
Aline heeft echter haar eigen zwakte: Sela en Aline hebben samen een zoon gehad, Jonas, die zelfmoord heeft gepleegd. Het lukt Aline niet zijn dood te verwerken. Ze verdrinkt haar verdriet, heeft te allen tijde een glas wijn in de hand.

Affaire

De plotwending die er vanaf het begin aan zit te komen, wordt veroorzaakt door de jonge vrouw Hilde (Eefje Paddenburg). Druipnat maakt zij vanuit het noodweer haar entree. Hilde mag blijven logeren, besluiten de bewoners. De natte jurk gaat uit, ze krijgt droge kleren die van de overleden zoon zijn geweest.
Hilde wacht tot ze met Sela alleen is om aan de oudere vrouw uit te leggen dat zij elkaar allang kennen: toen Hilde een 15-jarig meisje was, en Sela al een gearriveerde architect, hebben de twee een geheime affaire gehad. Sela heeft die achter zich gelaten, maar voor Hilde was ze belangrijk.

Op onheil hebben Scandinavische toneelschrijvers het patent; zo ook in dit stuk. Niet Gideon, maar Hilde leidt Sela naar de afgrond. De oude garde gaat niet ten onder aan de strijd om vakmanschap, maar aan de liefde.

Demoon

Dit roept de vraag op wie de jonge vrouw Hilde eigenlijk is. Het openingsbeeld van deze voorstelling laat Hilde zien die zwijgend over het lange bureau van Sela heen loopt: bij wijze van vooraankondiging van de ‘geest’ die met haar zal verschijnen. Op dat moment is Hilde er dus nog niet.

Wanneer ze verderop in het stuk alleen zijn, herinnert Hilde Sela eraan dat de oudere vrouw ooit heeft gezegd dat zij een kenmerk delen: ze dragen allebei een ‘demoon’. Het woord verwijst naar een mythisch wezen tussen mens en godheid in. Je kunt je daarmee zelfs afvragen of in de interpretatie van Frecknall Hilde ‘als mens’ wel bestaat, of dat ze een soort geest is die de boel definitief uit balans brengt.

Frecknall laat Sela en Hilde een lange dialoog aangaan, zo ver mogelijk van elkaar verwijderd, ieder aan een uiterste van de speelvloer. Daarbij krimpt Sela in elkaar en klimt Hilde overal bovenop. Een mogelijke interpretatie van deze enscenering is dat Sela een innerlijke strijd voert – met zichzelf dus.

Buik-boks

Regisseur Frecknall kiest bijna per personage voor een andere speelstijl. Marieke Heebink zet Sela grotesk neer, tegen het clowneske aan, met grote gebaren en een opgezette borst. Tot intimiteit is deze Sela niet in staat: ze geeft huisarts Herdal (Eelco Smits) een soort buik-boks bij wijze van knuffel.

De Hilde van Eefje Paddenburg praat tamelijk monotoon, steeds op ongeveer hetzelfde volume en dezelfde toonhoogte; enigszins gekunsteld. Ze klimt boven op tafels, op de bank, plaatst een voet ín een maquette van Sela. Ze zet een soort elfje neer dat boven de materie zweeft.

Cynisch

Opvallend sterk en consistent is Janni Goslinga als Aline, de alcoholische, rouwende echtgenote. Ze redeneert, discussieert, vleit, is cynisch; en prikt met haar analyses de ballon van ongevoeligheid van Sela door.

Mooi is ook Sanne den Hartogh als de ambitieuze jongere concurrent. Den Hartogh pocht als Sela er niet is en is kruiperig wanneer ze er wél is.

Huisarts Herdal en de zwangere Katelyn krijgen van Frecknall weinig diepgang of kleur, behalve om Sela zich superieur te laten voelen aan deze personages.

Poppenhuis

Buitengewoon fraai is het decor (scenografie: Chloe Lamford). Dat houdt het midden tussen een hyperrealistische ruimte en een poppenhuis. Het stelt een architectenbureau voor, vol designmeubelen en maquettes. Een transparante ruimte met hoge ramen, opdat de tekenaars veel licht op hun werk zullen hebben.
De hal van het huis gaat schuil achter een halve wand van losse verticale latten waartussen ruimte is gelaten. Zo kunnen binnenkomende of vertrekkende personages aanwezig zijn, stiekem meekijken en -luisteren zonder dat de mensen in de kantoorruimte doorhebben dat ze er zijn.

Vaart

Makke aan De architect is dat het geheel nogal onevenwichtig is. De start is vliegend, sterk, snel, bevlogen. Maar vanaf het moment dat Hilde met haar ‘demoon’ binnen is, verliest de voorstelling aan vaart, waardoor ze uiteindelijk zelfs een beetje begint te slepen.
Zoals we bij Frecknall wel vaker horen, maakt ze ook in De architect gebruik van een erg aanwezige soundscape, met alles van strijkers tot een mechanische beat (geluidsontwerp: George Dennis).

De architect is een voorstelling die niet helemaal strak in haar vel zit, maar wel een met een fijne ondertoon: oudere generaties moeten jongere op een goed moment de ruimte gunnen.

Tekst naar: Henrik Ibsen – Bouwmeester Solness
Scenografie: Chloe Lamford
Kostuumontwerp: An D’Huys
Lichtontwerp: Jack Knowles
Geluidsontwerp: George Dennis