Tag Archief van: recensie

Boeken / Fictie

Eerder cosy dan crime

recensie: Moord in therapie – Philippa Perry, vertaald door Thijs van Nimwegen en Arjaan van Nimwegen
Philippa Perry - Moord in therapieBol.com

De Britse Philippa Perry is psychotherapeute, maar vooral bekend als bestsellerauteur en tv- en radiopersoonlijkheid. Met haar nieuwste boek Moord in therapie, dat op 7 mei 2026 verscheen, waagt ze zich voor het eerst aan fictie. Dit cosy crime-mysterie draait om een psychotherapeute die een verdachte dood onderzoekt. Dat klinkt als een veelbelovende combinatie van psychologische inzichten en een intrigerend mysterie, maar weet Perry die belofte ook waar te maken?

Het verhaal volgt psychotherapeute Patricia Phillips, die woont en werkt in Sussex Downs, vlak bij de enorme kliffen van Seven Sisters. Wanneer de politie voor haar deur staat, blijkt dat haar cliënt Henry Clayton, met wie ze die middag een eerste fysieke afspraak zou hebben, dood is aangetroffen onderaan de kliffen. Volgens de agenten gaat het om zelfmoord, maar Patricia heeft daar haar twijfels bij. Samen met haar excentrieke buurman Prichard en bevriende advocate Sue besluit ze zelf op onderzoek uit te gaan. Wat volgt is een cosy crime-mysterie: een klassieke whodunit, meestal opgelost door eigenzinnige (amateur)speurders, met weinig bloederige details, bijzondere locaties en een flinke dosis humor.

Te veel toevalligheden, weinig psychologische diepgang

Het uitgangspunt van Moord in therapie heeft veel potentie. Juist een genre dat draait om mysterie biedt ruimte voor psychologische diepgang en complexe motieven. Toch kiest Perry verrassend weinig voor die invalshoek. Er zijn zeker momenten waarop haar achtergrond als therapeut naar voren komt, bijvoorbeeld in gesprekken met Patricia’s mentor of gesprekken over de opvoeding van haar dochter. Deze momenten tellen als de sterkere passages uit het boek, maar ze hebben geen invloed op het mysterie zelf. Patricia lost de zaak namelijk niet op dankzij scherpe analyses of bijzondere inzichten. Belangrijke aanwijzingen komen vooral toevallig op haar pad, dankzij haar eigenwijze doorzettingsvermogen of door andermans vaardigheden met sociale media. Het idee van een therapeut als detective wordt dan ook niet ten volle benut.

Het helpt bovendien niet dat het verhaal volledig vanuit Patricia’s perspectief wordt verteld. Extra perspectieven, zeker die van intrigerende personages zoals Prichard, Sue of zakenvrouw Dorna, hadden meer spanning of diepgang kunnen toevoegen. Iets wat in andere, sterkere cosy crime boeken doorgaans goed wordt benut.

Geforceerde knipoog naar vervolg

Ook het mysterie zelf overtuigt niet echt. Het aantal serieuze verdachten blijft beperkt en het onderzoek kabbelt lange tijd voort zonder echte spanningsopbouw of verrassende ontwikkelingen. Wanneer het plot in de laatste pagina’s ineens versnelt, voelt dat eerder abrupt dan slim opgebouwd.

Daarnaast hangen belangrijke delen van het verhaal af van flinke onwaarschijnlijkheden. De manier waarop zowel de politie als Patricia omgaan met vertrouwelijkheid is daar een voorbeeld van, net als de weinig geloofwaardige werkwijze van de lokale politie. Dat Patricia op de laatste pagina vervolgens wordt benaderd om te helpen bij een volgende zaak – duidelijk een opzet voor een eventueel vervolgboek – voelt daardoor eerder geforceerd dan verdiend.

Vermakelijke scènes aan de Britse kust

Voor de crime hoef je het boek niet te lezen, maar dat compenseert Perry met een flinke dosis cosy. Het dagelijkse leven in Sussex Downs en bij Seven Sisters wordt met zichtbaar plezier beschreven. Patricia’s dagelijkse zwemtochten in zee, de lokale boeken- en schilderclubs en Prichards bizarre experimenten met zelfgestookte drank geven het dorp volop sfeer. Ook de sociale spanningen binnen de kleine dorpsgemeenschap, van roddels in groepsapps tot rivaliteit bij een schilderwedstrijd, leveren de nodige humor. Zeker dankzij de sociaal onhandige Patricia, die verre van een vanzelfsprekend sympathieke hoofdpersoon is. Ze houdt zich het liefst afzijdig van alle dorpse beslommeringen, maar werpt zich vanwege haar onderzoek toch steeds opnieuw in ongemakkelijke sociale situaties. Dat leidt geregeld tot licht absurde, maar vermakelijke scènes.

Toch slaat Perry soms door in haar hang naar herkenbare details. Bepaalde elementen keren zo vaak terug dat ze als irritant kunnen worden ervaren, bijvoorbeeld de veelvuldige verwijzingen naar een ‘avocadobadkamer’. Ook bij de hoeveelheden alcohol die Patricia en Prichard drinken, kun je als lezer je vraagtekens zetten.

Detectiveverhaal schiet tekort

Wie nieuw is binnen het genre cosy crime kan beter ergens anders beginnen. Auteurs zoals Jesse Sutanto en Richard Osman laten zien hoe warmte, scherpe humor en een slim mysterie succesvol gecombineerd kunnen worden. Hun amateurdetectives voegen daadwerkelijk iets toe aan een onderzoek, waardoor het logisch voelt wanneer de politie hun hulp inschakelt.

Moord in therapie leest vlot weg en de dorpse perikelen zijn geregeld vermakelijk, maar als detectiveverhaal schiet het tekort. Lezers die vooral op zoek zijn naar cosy sfeer zullen zich hier prima mee vermaken. Maar wie hoopt op een sterk mysterie met psychologische diepgang zal verder moeten zoeken dan deze psychotherapeut-detective.

Boeken / Fictie

Eerder cosy dan crime

recensie: Moord in therapie – Philippa Perry, vertaald door Thijs van Nimwegen en Arjaan van Nimwegen
Philippa Perry - Moord in therapieBol.com

De Britse Philippa Perry is psychotherapeute, maar vooral bekend als bestsellerauteur en tv- en radiopersoonlijkheid. Met haar nieuwste boek Moord in therapie, dat op 7 mei 2026 verscheen, waagt ze zich voor het eerst aan fictie. Dit cosy crime-mysterie draait om een psychotherapeute die een verdachte dood onderzoekt. Dat klinkt als een veelbelovende combinatie van psychologische inzichten en een intrigerend mysterie, maar weet Perry die belofte ook waar te maken?

Het verhaal volgt psychotherapeute Patricia Phillips, die woont en werkt in Sussex Downs, vlak bij de enorme kliffen van Seven Sisters. Wanneer de politie voor haar deur staat, blijkt dat haar cliënt Henry Clayton, met wie ze die middag een eerste fysieke afspraak zou hebben, dood is aangetroffen onderaan de kliffen. Volgens de agenten gaat het om zelfmoord, maar Patricia heeft daar haar twijfels bij. Samen met haar excentrieke buurman Prichard en bevriende advocate Sue besluit ze zelf op onderzoek uit te gaan. Wat volgt is een cosy crime-mysterie: een klassieke whodunit, meestal opgelost door eigenzinnige (amateur)speurders, met weinig bloederige details, bijzondere locaties en een flinke dosis humor.

Te veel toevalligheden, weinig psychologische diepgang

Het uitgangspunt van Moord in therapie heeft veel potentie. Juist een genre dat draait om mysterie biedt ruimte voor psychologische diepgang en complexe motieven. Toch kiest Perry verrassend weinig voor die invalshoek. Er zijn zeker momenten waarop haar achtergrond als therapeut naar voren komt, bijvoorbeeld in gesprekken met Patricia’s mentor of gesprekken over de opvoeding van haar dochter. Deze momenten tellen als de sterkere passages uit het boek, maar ze hebben geen invloed op het mysterie zelf. Patricia lost de zaak namelijk niet op dankzij scherpe analyses of bijzondere inzichten. Belangrijke aanwijzingen komen vooral toevallig op haar pad, dankzij haar eigenwijze doorzettingsvermogen of door andermans vaardigheden met sociale media. Het idee van een therapeut als detective wordt dan ook niet ten volle benut.

Het helpt bovendien niet dat het verhaal volledig vanuit Patricia’s perspectief wordt verteld. Extra perspectieven, zeker die van intrigerende personages zoals Prichard, Sue of zakenvrouw Dorna, hadden meer spanning of diepgang kunnen toevoegen. Iets wat in andere, sterkere cosy crime boeken doorgaans goed wordt benut.

Geforceerde knipoog naar vervolg

Ook het mysterie zelf overtuigt niet echt. Het aantal serieuze verdachten blijft beperkt en het onderzoek kabbelt lange tijd voort zonder echte spanningsopbouw of verrassende ontwikkelingen. Wanneer het plot in de laatste pagina’s ineens versnelt, voelt dat eerder abrupt dan slim opgebouwd.

Daarnaast hangen belangrijke delen van het verhaal af van flinke onwaarschijnlijkheden. De manier waarop zowel de politie als Patricia omgaan met vertrouwelijkheid is daar een voorbeeld van, net als de weinig geloofwaardige werkwijze van de lokale politie. Dat Patricia op de laatste pagina vervolgens wordt benaderd om te helpen bij een volgende zaak – duidelijk een opzet voor een eventueel vervolgboek – voelt daardoor eerder geforceerd dan verdiend.

Vermakelijke scènes aan de Britse kust

Voor de crime hoef je het boek niet te lezen, maar dat compenseert Perry met een flinke dosis cosy. Het dagelijkse leven in Sussex Downs en bij Seven Sisters wordt met zichtbaar plezier beschreven. Patricia’s dagelijkse zwemtochten in zee, de lokale boeken- en schilderclubs en Prichards bizarre experimenten met zelfgestookte drank geven het dorp volop sfeer. Ook de sociale spanningen binnen de kleine dorpsgemeenschap, van roddels in groepsapps tot rivaliteit bij een schilderwedstrijd, leveren de nodige humor. Zeker dankzij de sociaal onhandige Patricia, die verre van een vanzelfsprekend sympathieke hoofdpersoon is. Ze houdt zich het liefst afzijdig van alle dorpse beslommeringen, maar werpt zich vanwege haar onderzoek toch steeds opnieuw in ongemakkelijke sociale situaties. Dat leidt geregeld tot licht absurde, maar vermakelijke scènes.

Toch slaat Perry soms door in haar hang naar herkenbare details. Bepaalde elementen keren zo vaak terug dat ze als irritant kunnen worden ervaren, bijvoorbeeld de veelvuldige verwijzingen naar een ‘avocadobadkamer’. Ook bij de hoeveelheden alcohol die Patricia en Prichard drinken, kun je als lezer je vraagtekens zetten.

Detectiveverhaal schiet tekort

Wie nieuw is binnen het genre cosy crime kan beter ergens anders beginnen. Auteurs zoals Jesse Sutanto en Richard Osman laten zien hoe warmte, scherpe humor en een slim mysterie succesvol gecombineerd kunnen worden. Hun amateurdetectives voegen daadwerkelijk iets toe aan een onderzoek, waardoor het logisch voelt wanneer de politie hun hulp inschakelt.

Moord in therapie leest vlot weg en de dorpse perikelen zijn geregeld vermakelijk, maar als detectiveverhaal schiet het tekort. Lezers die vooral op zoek zijn naar cosy sfeer zullen zich hier prima mee vermaken. Maar wie hoopt op een sterk mysterie met psychologische diepgang zal verder moeten zoeken dan deze psychotherapeut-detective.

Theater / Voorstelling

Vruchtbare kruisbestuiving tussen ballet en streetdance

recensie: GRIMM (8+) – Junior Company van Het Nationale Ballet & ISH Dance Collective
2605 NOB ISH GRIMM ©MichelSchnater 0016Michel Schnater

Zeg ‘Grimm’ en je zegt sprookjes. Veel sprookjes van de Duitse gebroeders Grimm zijn inmiddels gebruikt voor klassieke balletten. ISH Dance Collective en de Junior Company van het Nationale Ballet blazen daar nu een frisse wind doorheen met hún versie. In de sterke en grappige familievoorstelling GRIMM klutsen ze een heel stel sprookjes door elkaar, gedanst op een swingende soundscape van geluidsontwerper Scanner.

De setting is het schemergebied tussen realiteit en fantasie. Broers Jack (Lars de Vos) en Will (Jenson Blight) zitten op twee rode zitzakken met hun rug naar de zaal als gekken te gamen. Op een groot beeldscherm in de achterwand zien we racende en over de kop slaande auto’s. Dan komt vader binnen. Bij wijze van les neemt hij zijn zoons hun consoles af: door al dat gegame stompt je fantasie af. Hij geeft hun een appel.

Het beeldscherm gaat op zwart. Ze gooien de appel naar het lege beeldscherm, maar het ding vliegt er doorheen. Het beeldscherm is zomaar veranderd in een poort. En zoals in Alice in Wonderland via een konijnenhol, belanden de broers via deze poort in een sprookjeswereld.

Aanbidders

Vanaf dat moment tuimelen de broers door een aaneenschakeling van sprookjes en ontmoeten ze de ene sprookjesfiguur na de andere. Grimm-figuren zoals Roodkapje (Léa Sauvignon), Sneeuwwitje (Rosa Cabrera Nuesi), Assepoester (Raquel Tijsterman), Doornroosje (Annabelle Eubanks), Raponsje (Micka Karlsson). Dwergen, prinsen en aanbidders dansen om hen heen. Brother Jack heeft een oogje op Assepoester.

De sprookjeswereld wordt echter overvleugeld door een heks met een glazen bol (Patrick Karijowidjojo). Hij stuurt het kwaad aan, geholpen door de Wolf (Liam McCall) van Roodkapje. Die Wolf heeft op zijn beurt een paar wolvinnen als hulpje.

Combinatie

Door deze mix van personages ontstaat een aaneenschakeling van verhalende dansen. Choreografen Marco Gerris (ISH) en Ernst Meisner (Junior Company) vlechten zorgvuldig beide dansstijlen door elkaar heen. Ze hebben er zorg voor gedragen dat elke dans een combinatie is van ballet en streetdance in al zijn verschijningsvormen, zoals hiphop, locking en breakdance.

De ene helft van de dansers loopt op spitzen, de andere op bijvoorbeeld sneakers. Veel van de kostuums zijn geïnspireerd op degene die Disney zijn sprookjesfiguren aantrekt. Zo heeft Sneeuwwitje de Disney-jurk van de sprookjesfiguur aan, maar dan ingekort tot ballerina-lengte.

Er zijn solo’s, duetten, trio’s, kwartetten en groepsdansen. Gerris en Meisner werken met een groot ensemble van professionele dansers, deels van (ver) over de landsgrenzen. Zo beschikken ze over de weergaloze en charismatische breakdancer Dietrich Pott. De Raponsje van Micka Karlsson is tissue-acrobaat.

Oogstrelend resultaat

De kruisbestuiving tussen klassiek ballet en allerlei soorten streetdance levert méér op dan de som der delen, een soort 1 + 1 = 3. De dansstijlen inspireren en versterken elkaar. Het resultaat is zowel geestig als oogstrelend.

Voor elke nieuwe passage komt geluidsontwerper en componist Scanner (Robin Rimbaud) met andere muziek. Elke scène krijgt een eigen decor dat op het achterdoek wordt geprojecteerd (video- en decorontwerp: Aitor Biedma).

Hernieuwde versie

GRIMM is op papier een herneming van een voorstelling die ISH Dance Collective en Junior Company in 2018 brachten. Deze hernieuwde versie is in de loop der jaren echter duidelijk gerijpt. Ze is sterker, strakker, preciezer.

Ook al verlopen groepsdansen niet altijd helemaal synchroon en haalt er weleens een danser per abuis te hard uit, is dit een uitstekend gelukte familievoorstelling.

Muziek: Scanner (Robin Rimbaud)
Video- en decorontwerp: Aitor Biedma
Kostuumontwerp: Studio Ruim
Lichtontwerp: Mike den Ottollander

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

Boeken / Non-fictie

Rosa damascena, een Bulgaars verhaal

recensie: De dood en de tuinman - Georgi Gospodinov
Boek CoverBol.com

‘Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.’ Met deze krachtige woorden begint de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov de ontroerende elegie voor zijn vader. Lichtvoetig, poëtisch proza waar de band tussen een zoon en een vader, diens dood, de rouw en het herinneren met sublieme soberheid verteld worden zoals alleen deze betoverende auteur met zijn unieke stijl en menslievende zachte blik kan creëren.

‘Waar praten we eigenlijk over als we het over de dood hebben? Over de dood natuurlijk, met heel zijn verrukkelijke vergankelijkheid.’ Deze zin is het vertrekpunt van een teder en melancholisch verhaal dat troost bespiegelt en herinnert.

Een leven in de tuin

Toen de vader zeventien jaar eerder longkanker dankzij zware chemo’s overleefde en vervolgens zijn opgewekte humeur verloor en zwijgzaam werd, besloot hij dat zijn nieuwe leven een leven in de tuin zou worden. Deze knappe, boomlange, trotse man en innemende rasverteller zou – ‘na zijn eerste sterven’ – in zijn tweede, nieuwe leven spreken via zijn aardappels, rozen en aardbeien.

Zijn favoriete uitspraak werd: ‘Niks aan de hand.’ Kleine signalen, vooral pas achteraf begrepen, maakten het uiteindelijk duidelijk dat er opnieuw iets ernstigs in zijn lichaam speelde. Op het moment dat men beslist hem in Sofia te laten onderzoeken en hij uitgeput in het huis van zijn zoon aankomt, toont de uiteindelijke diagnose dat er geen hoop meer is. De laatste weken zal hij doorbrengen in het huis van zijn zoon.

Bloedend bloed

Georgi Gospodinov was zeven jaar toen hij herhaaldelijk droomde dat zijn vader en broer in een diepe put stonden en hij, wanhopig, ze niet kon bereiken. Zijn grootmoeder weigerde zijn ellendige droom aan te horen, omdat het vertellen het verhaal ‘bloed zou kunnen geven’. Aanleiding voor de schrijver in spe – hoe mooi kan een schrijverschap beginnen – om met net geleerde hanenpoten de nachtmerrie op papier te zetten. Vijftig jaar later bevindt hij zich aan het ziekbed van zijn vader om deze te verzorgen en de laatste drie weken van zijn leven zo licht en pijnloos mogelijk te maken. Het verhaal – hoe kan het ook anders – heeft uiteindelijk bloed gekregen.

Elke dood, elke rouw brengt ons in de sfeer van weemoed en melancholisch herinneren. Dit thema is niet nieuw voor Gospodinov; het is een van de kernpunten in al zijn werk. Bespiegelingen over het leven, de oude – vaak hilarische – verhalen en de band met zijn lieve, eigenwijze vader mengen zich hier met lichamelijke behoeften en de smerige strijd tegen de pijnen van een stervend lichaam. Als de medische trukendoos is uitgeput in deze strijd, smeekt de zoon zevenmaal wanhopig als in gebed: ‘Laat hem geen pijn hebben.’ Soms rest slechts het in ons DNA verankerde primitieve magisch denken.

Taal en verhaal

De dood en de tuinman is – zoals in al het werk van Gospodinov – ook een reflectie van de auteur op het belang van verhalen, herinneren en taal. In een hartverscheurend hoofdstuk analyseert de schrijver hoe Latijn – de dode taal – ook de taal van de dood is geworden. Deze koude medische taal, die de situatie van de patiënt beschrijft, wordt door de schrijver in een treffend hoofdstuk – schrijnend door het contrast – afgewisseld met de wanhoop van de mens: ‘Maligne neoplasie met onbekende lokalisatie.’ De mens blijkt hier genadeloos veranderd in object. In de woorden van Gospodinov: ‘De eerste autopsie, die gedaan wordt als je nog leeft, en zonder verdoving, wordt uitgevoerd door de taal.’

Al lezend openbaart zich in de roman ook de metaforische kracht van de natuur in de taal en verhalen; taal kan helen en verwoesten, zoals de olie van de Bulgaarse Rosa damascena kan genezen en vergiftigen. Het zware werk van vader Dinjo in zijn tuin is zo de humus geworden voor de geboorte van een groot schrijver; de Bulgaarse grond, het oude Thracië, is door de millennia heen voeding, theater en decor geweest voor schrijvers en vertellers, en is verbonden met een veelvoud van ooit bloeiende culturen. Het verhaal en de taal van Gospodinov zijn verweven met deze cultuurhistorische achtergrond.

Op het Oekraïense culturele platform Chytomo, in een interview van Ganna Gnedkova met Gospodinov, haalt de journaliste een uitspraak van Gospodinov aan waarin hij zegt dat het doel van verhalen schrijven het uitstellen van de apocalyps is. Dit is inderdaad ook een belangrijk thema in het oeuvre van de schrijver. Het zwijgen – het niet vertellen van het echte verhaal – over het leven onder het communistische totalitaire Sovjetsysteem van de oudere generaties heeft tot gevolg gehad dat er, in de woorden van Gospodinov, een ‘nostalgie industrialisatie’ heeft plaatsgevonden; een heimwee naar tijden die geïdealiseerd, geambieerd en uitgebuit worden, omdat – begrijpelijk maar schuldig – zwijgen de gruwelijkheden versluiert. Een drijfveer voor de schrijver om deze verhalen juist wel te vertellen.

In zijn zeer persoonlijke roman De dood en de tuinman creëert Gospodinov een prachtige metafoor door zijn vader – de rasverteller – Sheherazade te noemen. Zolang men verhalen vertelt is er leven. Of – zoals Sheherazade zelf verwezenlijkte – wordt de dood overwonnen.

Film / Films

Mode in het digitale tijdperk

recensie: The Devil Wears Prada 2 – David Frankel
THE DEVIL WEARS PRADA 220th Century Studios

The Devil Wears Prada was zó’n succes, dat een sequel bijna niet kon uitblijven. Deel 2 draait nu in de bioscopen, twintig jaar later. Voor liefhebbers van deel 1 is dit beslist smullen. Wie de eerste film niet heeft gezien, zal het vervolg niet tot in detail snappen, laat staan de karakterverschuivingen. Maar een kniesoor die daarop let: The Devil Wears Prada 2 is visueel buitengewoon sterk, en de topcast zit duidelijk lekker in zijn vel.

Twintig jaar nadat hun wegen zich scheidden, komen journalist Andy Sachs en Runway-hoofdredacteur Miranda Priestly elkaar opnieuw tegen. Als dat maar goed gaat: Andy was bij Runway het manusje-van-alles van Miranda, de voetveeg. Miranda was tegen Andy neerbuigend, laatdunkend, vernederend… en ook nog onaardig, gemeen, onvriendelijk op het vileine af. Aan het einde van deel 1 kiest Andy voor het beroep dat haar het meeste ligt: ze verlaat modetijdschrift Runway en wordt een serieuze journalist bij een belangrijk tijdschrift.

Verplichte samenwerking

Maar zonder dat ze dat zien aankomen, kijken Andy en Miranda in deel 2 beiden aan tegen dreigende werkloosheid. En deze keer moeten deze vrouwen, die nauwelijks samen door één deur kunnen, over hun schaduwen heen stappen om elkaar te helpen. Die verplichte samenwerking levert een amusante The Devil Wears Prada 2 op.

Digitale tijdperk

Het is lastig de inhoud van deze film te beschrijven zonder een heleboel te verklappen, dus dat zullen we niet doen.
Relevant is dat Andy (Anne Hathaway) twintig jaar later geen beginnende journalist meer is die met zich laat sollen. En Miranda (Meryl Streep) moet zich tot haar grote schrik aanpassen aan het digitale tijdperk, waarin succes afhangt van het aantal pageviews op internet. Papier raakt uit de mode, gedrukte tijdschriften en kranten hebben steeds meer moeite het hoofd boven water te houden. Wat we willen weten, halen we van internet. Wat dat betreft is The Devil Wears Prada 2 zeer realistisch en actueel: papieren media zitten inderdaad in zwaar weer, steeds minder mensen zijn bereid te betalen voor nieuws en informatie.

Woke

Voor Miranda Priestly betekent aanpassen niet alleen dat internet een belangrijk medium is dat haar werk kan maken en breken. Daarnaast is het niet meer van deze tijd je personeel te behandelen als tot slaaf gemaakten, zoals haar gewoonte was. Of lompe taalgrappen te maken. Kortom: Miranda moet ‘woke’ worden, van haar gedrag tot haar woordgebruik.
In die vibe is Andy dan weer wel erg op haar gemak. Sterker: ze neemt Miranda ongeveer bij de hand om haar de weg te wijzen in deze nieuwe, digitale wereld.

Dictator

De twintig jaar ouder geworden Anne Hathaway (de actrice is nu 43) heeft het personage Andy simpelweg nog in de vingers. Andy was altijd al vrij sterk, hooguit nu en dan misplaatst onzeker. Het kost Hathaway zo te zien weinig moeite het personage opnieuw neer te zetten.

Meryl Streep (inmiddels 75 jaar) moet daarentegen een sterk veranderde Miranda neerzetten. Ze mag niet meer de commanderende dictator zijn. Ze moet tegelijkertijd enerzijds de sterke, vlijmscherpe hoofdredacteur zijn, anderzijds zo vriendelijk mogelijk, zelfs slijmerig. En Miranda moet haar taalgebruik dus aldoor in de gaten houden, wat haar onzeker maakt.
Daarbij wordt Streep heel vaak in close-up gefilmd; we zien elk rimpeltje, we zien de lippenstift die in de plooien rond haar mond is getrokken.
Regisseur David Frankel maakt het Streep op deze manier niet makkelijk: Miranda mocht in deel 1 lekker rechtlijnig lomp en bot zijn, nu moet ze opeens aarzelend en genuanceerd zijn. Miranda moet dankbaar zijn, in plaats van alles volkomen vanzelfsprekend te vinden. Gelukkig heeft Streep wel voor hetere vuren gestaan. Ze maakt van deze ouwe rot in het tijdschriftenvak een geloofwaardige, onzekere oudere vrouw, die blij is dat ze nog grond onder de voeten voelt.

Emotie

Een heel grote pluim verdient Stanley Tucci als art director Nigel. Tucci is in deze cast misschien wel de sterkste speler. Met heel kleine bewegingen van zijn gezicht – zijn mond, zijn ogen, zijn wenkbrauwen – laat Tucci Nigel veranderen van emotie. Van bang, naar onzeker, naar blij. Van arrogant naar lief.

Emily Blunt is heden ten dage een veelgevraagde, bloedserieuze filmmaker. In The Devil Wears Prada, deel 1 speelde ze Andy’s jaloerse conculega Emily Charlton. Emily is in deel 2 overgestapt van tijdschrift Runway naar een baan bij modehuis Dior. Blunt is als een vis in het water in deze rol. Ze zet de onhandige Emily lekker vet aan. Het is een genoegen om naar te kijken.

In deze sequel heeft Miranda Priestly niemand minder dan de Britse steracteur Kenneth Branagh naast zich gekregen in de rol van haar knusse, huiselijke partner, met hond en al.

Milaan

De makers (producent: Wendy Finerman) hebben visueel alles uit de kast getrokken om hiervan een fraaie film te maken. De fotografie is prachtig, het camerawerk sterk. Voor de styling zijn kosten noch moeite gespaard. De film is zowel in New York City als in Milaan gedraaid, en vooral de scènes in Milaan zijn oogverblindend.

Gaga

Zoals te verwachten, komt er bij een stevige, Milanese modeshow-passage een stoet cameo’s langs: bekenden uit de modewereld, die in feite zichzelf spelen. Modeontwerpers zoals Marc Jacobs en Stefano Gabbana, modellen zoals Heidi Klum. Emily mag lunchen met Donatella Versace.

Als klap op de vuurpijl verschijnt Lady Gaga als zichzelf ten tonele, gehuld in een zwart catwoman-achtig pak. Staand op een groot rond podium zingt ze ‘The Shape of a Woman’. Het soort kers op de taart dat van een film voor de liefhebber al helemaal een plezierig uitje maakt.

Deel 1 was weliswaar origineler, scherper, frisser en daardoor beter. Maar wie van die film een goed humeur kreeg, mag The Devil Wears Prada 2 niet missen.

‘The Devil Wears Prada 2’ draait vanaf donderdag 30 april 2026 in de bioscopen.

Theater / Voorstelling

Het ongeluk dat eenzaamheid heet

recensie: Nachtschade – Het Nationale Theater
NachtschadeAndreas Terlaak

Ze zal maar héél even blijven logeren, de eenzame zus die moet worden opgevangen na een ongelukje met de fiets. Héél even zal ze bivakkeren op de bank bij haar zwangere zus en haar zwager. Maar ‘heel even’ wordt dagen, wordt weken. En die onfortuinlijke fiets is niet het enige ongeluk dat haar treft. De extreem drukke, dominante, verwarde zus belichaamt het ongeluk dat eenzaamheid heet in Nachtschade van Het Nationale Theater.

De personages in Nachtschade hebben geen namen. Ze heten ‘de vrouw’, ‘haar zus’, ‘de man’ – enzovoort. Daarmee bewerkstelligt toneelschrijver Annet Bremen vanzelf een vorm van anonimiteit. Het belangrijkste thema van dit stuk is eenzaamheid. En die is universeel, kan iedere, anonieme mens treffen, zo lijkt de bedoeling van het weglaten van namen.

Verantwoordelijk

De vrouw (Mariana Aparicio) is helemaal opgedirkt om uit te gaan. Rode avondjurk met een blote rug, rode schoentjes, het lange haar in een kunstige staart. Maar wanneer de zwager bij wie ze logeert thuiskomt, is ze helemaal niet vertrokken. Daar gaat het romantische avondje met zijn vrouw waarop de man zich had verheugd. Want de verongelukte schoonzus gunt het koppel geen moment privacy, is dominant aanwezig, zeurt voortdurend om de aandacht van haar zwangere zus. Die voelt zich op haar beurt verantwoordelijk en biedt de logee keer op keer een brede schouder.

Lastpak

Maar in feite is dat fietsongeluk niet het echte probleem. Eigenlijk is de vrouw hevig in de rouw vanwege het verlies van haar vriend, haar grote liefde, die zelf een einde heeft gemaakt aan zijn leven. Ongeacht wat er gebeurt, wie er hulp biedt: het is niet genoeg. De vrouw blijft in haar jachtige, ongelukkige bubbel zitten.

De zus (Esther Scheldwacht) en de zwager (Chiem Vreeken) zijn geduldig, hebben begrip, bieden hulp; hoewel de situatie de zwager stevig de keel begint uit te hangen. Deze zwager vindt de vrouw een aandachtzuigende lastpak, maar hij is niet bij machte haar vertrek te eisen. Dus zitten ze vooralsnog aan haar vast.

Treincoupé

Setting is het appartement van de zwangere zus en de zwager, op de bovenste verdieping van een torenflat (scenografie: Koen Steger). De ramen kunnen niet open, geluiden van buiten dringen gedempt door. Dat levert op dat je mensen in tegenoverliggende appartementen kunt waarnemen, maar dat contact niet mogelijk is.

Het appartement is vormgegeven als de coupé van een metro, met een rij stoelen, met een metalen stang horizontaal aan het plafond met lussen waaraan passagiers kunnen hangen die geen zitplaats hebben kunnen vinden. Klapdeuren naar buiten. Een metro is hier het ultieme symbool van eenzaamheid en anonimiteit: passagiers kijken elkaar niet aan, maken geen contact, zijn niet met elkaar bezig.
De vrouw, de logee, slaapt erg onhandig over een paar losse stoelen heen liggend. Het stuk verbeeldt één nacht in haar leven. Het zou zomaar kunnen dat er nog velen zoals deze zullen volgen.

Herrie

Belangrijk element, zowel in het verhaal als in de vormgeving, is de trein of metro die periodiek langs de torenflat raast, met veel herrie en felle lichten. Hij wordt verbeeld door een rij van felle tl-buizen die in hoog tempo langsflitsen van de ene kant van het podium naar de andere. De trein is een signaal dat er ook buiten het appartement mensen zijn met een leven, maar die zijn niet waarneembaar, niet aanspreekbaar, de anonimiteit is compleet. Bovendien beïnvloedt de voorbijrazende trein de handeling. Hij verstoort gesprekken. Maar hij biedt de personages ook de kans geluidloos hun frustratie uit te schreeuwen.

Saai

De teksten die Annet Bremen haar personages in de mond legt, zijn zeer abstract, en veelal fragmentarisch. Veel flarden, veel afgebroken zinnen, ook. Bremen maakt het de toeschouwer niet makkelijk.

‘Eigenlijk hou ik helemaal niet van echt’, zegt de vrouw. ‘Ik vind ‘echt’ eigenlijk echt verschrikkelijk saai. Zo dodelijk, zo oervervelend, onverdraaglijk saai… Alles is beter in mijn hoofd.’

Deze passage is de sleutel tot begrip van de handeling. Vaak is het diffuus wanneer de vrouw droomt of fantaseert en wanneer dingen echt gebeuren. Veel van wat we zien, gebeurt alleen in het hoofd van de vrouw.
Het zijn een soort irreële fantasieën, waarin leukere, maar ook pijnlijkere dingen gebeuren dan in haar echte leven. Zo danst ze met haar overleden geliefde, die achter de ramen van de coupé staat, rood verlicht. De vraag is hoelang deze vrouw nog zal doorgaan met op deze manier leven.

Blanche DuBois

Nachtschade leunt niet toevallig op A Streetcar Named Desire (1947) van de Amerikaanse toneelschrijver Tennessee Williams. De onfortuinlijke vrouw heet bij Williams Blanche DuBois. Blanches man heeft zelfmoord gepleegd, waarna zij zich heeft genesteld in het leven van haar zwangere zus Stella en haar zwager Stanley.

Net als Blanche, maar dan getroubleerder, ratelt de vrouw in Nachtschade. Ze kakelt iedereen de oren van de kop met haar overdenkingen en theorieën. Mariana Aparicio speelt haar met ongekende expressie en variatie in haar stemgebruik, met bijna acrobatisch gebruik van haar lichaam. Dansend, springend, rollend, kruipend. Deze vrouw is getikt, maar ze is ook intelligent en diepzinnig. En verdrietig, wanhopig, ten einde raad.

Sterk

Esther Scheldwacht neemt de rol van de zwangere zus op zich. Haar doen en laten wordt gedicteerd door het dikmaak-pak dat de groeiende buik verbeeldt. Scheldwacht is sterk zoals we haar kennen: ze zet de zus ongerust, verantwoordelijk, beschermend neer. Vleugellam gemaakt door de spagaat waarin ze zit, tussen de man op wie ze verliefd is en de zus die ze niet durft te laten vallen.

Chiem Vreeken neemt alle mannenrollen op zich, zowel die van de echt-bestaande zwager als die van de overleden vriend en een mislukte date van de vrouw. Opvallend is dat Vreeken er in al deze rollen vol ingaat. Hij pikt de belangrijkste emotie eruit en vergroot die dan uit. De ongeduldige zwager. De zwoele vriend. De begerige date.

Kaleidoscopische

Het totaal levert een bijna filmische voorstelling op, inclusief een soort filmstills die het resultaat zijn van harde belichting (licht: Tim van ’t Hof, Jaan Smit). Regisseur Belle van Heerikhuizen maakte vorig seizoen bij Het Nationale Theater de ontroerende, sobere voorstelling Schuldig Kind. Voor Nachtschade kiest Van Heerikhuizen voor een kaleidoscopische enscenering met elkaar strak opvolgende scènes, steeds met een ander beeld, een andere insteek, met andere personages, ander gebruik van licht en ruimte.

Makkelijk is Nachtschade niet. De voorstelling laat je achter met een heleboel vraagtekens over wat je nou precies hebt gezien en meegemaakt, met een hoofd vol indrukken en associaties om over na te denken. Fascinerend. Gaat dat zien.

Tekst: Annet Bremen
Scenografie: Koen Steger
Licht: Tim van ’t Hof, Jaan Smit
Muziek: Tessa Rose Jackson
Kostuums: Gina van Os
Dramaturgie: Willemijn Barelds, Marlotte Frowijn
Techniek: Jan Harm Wagner, Wil Caspers, Joris Engering, Rutger Bouwman

Theater / Voorstelling

Een verkeerd vinkje kan een leven verwoesten

recensie: Medea voor een toeslagenherdenking – Toneelschuur Producties/ITA
Medea toeslag 03 © Sanne PeperSanne Peper

Op zijn negende moest Michael van voetbal af; pas op zijn elfde begreep hij waaróm. Zijn moeder verloor namelijk alles wat ze bezat, als slachtoffer van de toeslagenaffaire. Zo was er geen geld meer voor de voetbalvereniging. Toneelschuur Producties brengt Medea voor een toeslagenherdenking over het grote onrecht tegen ouders, begaan door de Belastingdienst.

Het huis van het driepersoonsgezin Medea-Jason-Michael is letterlijk uiteengetrokken. De gezinsleden zitten ieder op hun eigen ‘eiland’, een loodkleurige verhoging met een grijze stoel erop, type straatmeubilair. Ze spreken veelal in monologen, en niet tegen elkaar. De man en de vrouw kunnen elkaar lange tijd zelfs niet zien. Het onrecht heeft dit gezin in alle opzichten zichtbaar uiteengeslagen in Medea voor een toeslagenherdenking van Toneelschuur Producties.

Zelfs de musicus (Jeremiah Owusu-Ansah) die vanachter zijn elektrische piano de soundscape verzorgt, bewoont een eigen, losstaand eilandje.

Terugvorderingen

De toeslagenaffaire is de onterechte beschuldiging van fraude, door de Belastingdienst geuit tegen zeker 44.000 ouders (hoeveel precies is nog altijd onduidelijk). Die ouders kregen toeslag om de kinderopvang te kunnen betalen. Maakten ze vervolgens in hun belastingaangifte een fout, dan werden ze beschuldigd van fraude en moesten ze na jaren opeens het totale bedrag terugbetalen dat ze in de loop der tijd hadden ontvangen aan toeslag voor de kinderopvang. Daarbij ging het om hoge tot zeer hoge bedragen.

De gezinnen raakten door deze terugvorderingen in enorme problemen. Vaak ging dat ten koste van de kinderen, van wie velen zelfs uit huis werden geplaatst omdat thuis door alle stress sprake zou zijn van ‘een onveilige situatie’. Vooral mensen met een niet-westerse achtergrond werden het slachtoffer van deze misstand.

Euripides

De Medea om wie deze Toneelschuur Productie draait, is op deze manier 80.000 euro schuldig aan de Belastingdienst. Geen wonder dat ze ten einde raad is. Tekstschrijvers Maarten van Hinte en Angelo Ormskerk horen in de wanhopige moeder de echo van Medea (431 voor Chr.), het toneelstuk van de Griekse schrijver Euripides.

Euripides’ Medea is haar thuisland ontvlucht, ze is met haar geliefde Jason naar Griekenland gevlucht. Samen krijgen ze twee zoons. Lang verhaal kort: Jason sluit vervolgens een lucratiever huwelijk met een andere vrouw. De vurige Medea uit haar woede over deze lafhartige streek in de ultieme wraak: ze doodt de kinderen. Haar wanhoopsdaad mag al sinds 431 voor Christus op weinig begrip rekenen.

Associatie

Toneelschuur Producties – in coproductie met Internationaal Theater Amsterdam – gebruikt het gegeven van de door wanhoop gedreven moeder Medea om een voorstelling te maken over moeders, vaders en kinderen die het slachtoffer zijn van de toeslagenaffaire.
Die associatie met de oude Grieken voelt nogal vergezocht, en er klinken geregeld tamelijk abstracte teksten van Euripides door het stuk heen. Maar het onderwerp heeft beslist actuele, maatschappelijke urgentie. Het is goed dat Toneelschuur Producties het oppakt om er theater van te maken.
De teksten van dit stuk zijn gebaseerd op echte casussen uit de toeslagenaffaire.

Knock-out

De moeder in Medea voor een toeslagenherdenking gaat niet zo ver als die in het stuk van Euripides: de zoon die zij heeft van háár Jason blijft gewoon leven wanneer de man haar verlaat en met een ander trouwt.
Maar ze is wel degelijk de wanhoop nabij. Gemangeld, knock-out geslagen door de beschuldiging gefraudeerd te hebben. Zoon Michael beschrijft hoe ze erbij loopt: ‘Slippers, huisjurk, moe.’ Medea grijpt naar de drank en loopt met een mes te zwaaien.

Schuilnaam

Eigenlijk heet ze Maria Callas (‘Mijn vader hield van opera’). Maar omdat ze onder de radar moet zien te blijven van alle instanties om te kunnen functioneren, én om zwart te kunnen werken, neemt Maria de schuilnaam ‘Medea’ aan. Zij beschrijft de vernedering van het valselijk beschuldigd worden, en de frustratie het onrecht niet te kunnen keren. Vader Jason heeft verzonnen dat het voor iedereen lucratiever is wanneer hij weggaat.

Het kind, Michael, is het échte slachtoffer van deze belastingellende. Wat begint als een dagje weggehaald worden uit het ouderlijk huis vanwege de zogenaamde ‘onveilige thuissituatie’, loopt via echte uithuisplaatsing volledig uit de hand.

Dynamiek

De regie van Angelo Ormskerk is nogal statisch. We kijken veelal naar acteurs die zittend vertellen, of die staan met de handen in de zakken. Dat gebrek aan dynamiek zal deels zijn te wijten aan het gegeven dat veel van de teksten zijn gegoten in monoloog-vorm.

Joe Sinduhije als Michael is de vondst van deze voorstelling. Terwijl hij toch vooral gewoon staat, met zijn gezicht naar de zaal terwijl hij spreekt, zet hij met zijn mimiek, stem, schouders en armen overtuigend een gepiepelde puber neer. Sinduhije verglijdt moeiteloos van lachen naar boos zijn naar verontwaardigd worden naar zich vernederd voelen.

Kapotgemaakt

Urmie Plein als Medea heeft de zwaarste teksten op haar bord. Eigenlijk mag Plein van Ormskerk niet veel meer dan praten, vertellen. Ondanks de beperking die dat oplevert, is ze mooi als de kapotgemaakte moeder.

Oudgediende Dennis Rudge heeft zijn strepen meer dan verdiend als acteur. Rudge bezit een acteerpalet dat is voorzien van een rijk scala aan kleuren en nuances. Maar van regisseur Ormskerk mag deze Jason niet veel méér gebruiken dan zijn stem en zijn mimiek. Jason moet staand voor de zaal met zijn handen in zijn zakken zijn motieven verdedigen. Dat is een gemiste kans, Rudge had hier een man kunnen neerzetten die het midden houdt tussen een egocentrische eikel en een goede vader die kiest voor de rationele oplossing.

Verkeerd vinkje

In de hal van het theater hebben de makers op een hoge tafel een ‘monumentje’ neergezet: een toren van gekleurd papier, symbool voor de talloze dossiers van toeslagenouders. Eromheen liggen koptelefoons waaruit persoonlijke verhalen klinken, plus kopieën van brieven en formulieren met casussen. De haren rijzen je te berge wanneer je ziet hoe een kleine fout zoals een verkeerd vinkje op een formulier het leven van mensen heeft verwoest.

Gebaseerd op: ‘Medea’ van Euripides
Tekst: Maarten van Hinte en Angelo Ormskerk
Regie: Angelo Ormskerk
Spel: Urmie Plein, Dennis Rudge, Joe Sinduhije
Muzikaal leider en toetsenist: Jeremiah Owusu-Ansah
Zang: Pkeyz en ToneByte
Scenografie en kostuumontwerp: Wael Qadriyeh
Lichtontwerp: Casper Leemhuis
Fotografie: Sanne Peper

Kunst / Expo binnenland

Ode en aanklacht

recensie: Relics – Art Zoo Museum
DSVT-RELICS2026_INSITU-aepyornis_liggend_FLAT-REV-JTim Mintiens Photography

Wat zouden de twaalf duo’s onder de naam ‘Keurmeesters’ in het nieuwe televisieprogramma van AVROTROS vinden van het Art Zoo Museum in Amsterdam, als ze de kans kregen het te bezoeken? Van het museum zelf en de tijdelijke tentoonstelling Relics in het bijzonder?

Salon

Salon ©Tim Mintiens Photography

‘Is dit wel kunst?’ hoor je ze tegen elkaar zeggen. ‘Knap gedaan, dat zeker.’ En: ‘Waar is nu die vreemde eend verstopt?’
Nee, het is kunst van de natuur met het doel dat de bezoekers, jong en oud, zich erover verwonderen. Zich laten overdonderen door de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan. Een beetje romantisch, dat wel. Dat geven de twee kunstenaars die het museum inrichtten en vormgaven toe in het begeleidende filmpje over hoe alles zo is gekomen. Ze weten donders goed dat de natuur ook wreed kan zijn. Twee kunstenaars met één mindset onder het alias Darwin, Sinke & Van Tongeren. Een moderne interpretatie van het concept Wunderkammer, dat is het. Met verschillende lagen.
Sinke komt van origine uit de reclamewereld en Van Tongeren werkte voor Naturalis in Leiden.

Cromhouthuizen

Ze treden in de voetsporen van Darwin en zijn geïnspireerd door Nederlandse en Vlaamse zeventiende-eeuwse kunstenaars en – in de kelder van de Cromhouthuizen – door de zeventiende/achttiende-eeuwse farmaceut Albertus Seba, die onder meer opgezette dieren leverde aan tsaar Peter de Grote.
In de beroemdste zaal van het museum, aan de achterzijde bij de tuin, zit een plafondschildering van niemand minder dan Johan de Wit. Daar is momenteel de eerste tijdelijke tentoonstelling Relics te zien, gemaakt in samenwerking met curator en dinosaurusdeskundige Iacopo Briano. Hier worden enorme dino- en andere fossielen getoond en is een nieuwe invulling gegeven aan de paleontologie, zoals elders in het museum een nieuwe invulling is gegeven aan taxidermie (het opzetten van dieren). Sinke en Van Tongeren omschrijven het als ‘monnikenwerk’. Ze zijn dan ook meer dan tien jaar bezig geweest om deze experience, zoals je het wel kunt noemen, letterlijk en figuurlijk op te zetten.

Goed doordachte experience

T. rex Stan & family

T. rex Stan & family ©Tim Mintiens Photography

Wat opvalt, zowel in deze zaal als in alle andere zalen, is de (nagenoeg) symmetrische opzet van de expositie. Dat is goed doordacht, omdat symmetrie een kenmerk is van de natuur: een dier of plant die in twee delen kan worden verdeeld die elkaar spiegelen of een draaiing aannemen. Neem de schedel van een Mosasaurus, een (70 miljoen jaar oud) waterroofdier dat oppermachtig was. De schedel is getransformeerd tot een moderne sculptuur op een sokkel.

Schoonheid is de primaire laag van deze tijdelijke tentoonstelling. Maar je wordt als bezoeker ook uitgenodigd om te reflecteren over wat je ziet. Neem de 150 ijzeren kooien meteen achter de receptie. De vogels (ara’s en amazonepapegaaien) zitten er niet in, maar óp. Of neem die gorilla van spijkerstof en een nieuwe handtas van T. rex-huid, gekweekt op grond van genetisch materiaal. Voor de duidelijkheid: het heeft niets te maken met bijvoorbeeld Pinkeltje, de dode kat van de Nederlandse conceptuele kunstenares Tinkebell, want hier zijn geen dieren gedood. Ze staan er op het kruispunt tussen natuur, wetenschap en kunst. Als een ode én een aanklacht tegen de falende biodiversiteit waarover je je kunt verwonderen en waarover je kunt reflecteren.

Ook de inscriptie INRI bij de gipsen koppen van Darwin op de begane grond stemt tot nadenken. Oorspronkelijk het acroniem voor Iesus Nazarenus, Rex iudaeorum, mag hier de bezoeker er zelf een invulling aan geven. De tabourets staan uitnodigend klaar.

Na de wat theatrale, grootse en in halfdonker gehulde opstellingen is het een weldaad om in de lichte kelder, bij het eindpunt van de instructieve audiotour (nr. 12), bescheiden maar ‘spectaculaire schelpencollages’ aan het plafond te zien. Om even tot rust te komen en alles te verwerken.
Waar ten slotte die vreemde eend (het gevaarlijkste dier) nu zit verstopt? Dat zou u zelf moeten gaan ontdekken.

Theater / Voorstelling

Indringende performance over disbalans in de wereld

recensie: ATLAS – ROTOR/Coproducers
AtlasPeteris Viksna

Het is een ongemakkelijk beeld waarmee de voorstelling ATLAS van performance collectief ROTOR ons confronteert. Zeven performers moeten in wisselende samenstellingen een grote, zware, witte plaat horizontaal in de lucht zien te houden. Maar ze zijn veelal zó met hun eigen ikje bezig, dat de vraag is of ze dat gemeenschappelijk evenwicht wel kunnen opbrengen. Het lijken wel hedendaagse mensen, die meer geïnteresseerd zijn in zichzelf dan in de wereld om hen heen.

De titel ATLAS verwijst uiteraard naar de onfortuinlijke gelijknamige figuur uit de Griekse mythologie. De Griekse oppergod Zeus strafte de Titaan Atlas, omdat die meevocht in een oorlog tegen hem. Bij wijze van straf moest Atlas het loodzware hemelgewelf op zijn schouders torsen. De opdracht was te zorgen dat hemel en aarde elkaar nooit zouden raken. Atlas, met het bolvormige heelal op de schouders, is in de kunst geregeld uitgebeeld als standbeeld, bijvoorbeeld op het dak van het Paleis op de Dam in Amsterdam.

Bliksemschicht

Het publiek zit bij de voorstelling ATLAS om de vierkante speelvloer heen, op gelijk niveau met de performers. Deze zeven spelers – gekleed in hemelsblauw, wit en beige – vormen een internationaal gezelschap waarin alle kleuren van de menselijke regenboog zijn vertegenwoordigd.
De dikke witte plaat die zij moeten tillen mist aan één kant een hoek en in het midden loopt er een transparante bliksemschicht doorheen (scenografie: Han Ruiz Buhrs). Maar de performers lopen voortdurend onder die plaat uit, en laten het tillen dan over aan de achterblijvers. De weglopers praten, kletsen, gebaren, ieder opgaand in diens verhaal.

Ontsnappen

Aanvankelijk is ieder individu eigenlijk alleen met zichzelf bezig. In zeer hoog tempo lopen, vallen, rennen, tuimelen, kruipen de performers naar individuele toeschouwers toe die ze rechtstreeks toespreken. In flarden, in fragmenten van zinnen: ‘Smeer jij je goed in?’ ‘Gá niet in mijn personal space…’ Ze symboliseren het hedendaagse jachtige, egocentrische leven.

Uiteindelijk keren ze weer terug naar de witte plaat, helpen weer tillen, terwijl een ander aan de last ontsnapt. Op een zeker moment draagt één persoon (Koen van der Heijden) de plaat in zijn eentje. Hij houdt dat nog een tijdje vol ook, maar uiteindelijk dreigt hij hevig zwetend te bezwijken onder de last.

Uitgeput

Deze dansachtige performance wordt met explosieve energie uitgevoerd, in hoog tempo, zwetend, hijgend; en ondersteund door een veelal heftige soundscape die van trommelend naar dreunend naar muzikaal naar monotoon verloopt. Het geheel duurt een uur, maar dan zijn zowel de performers als de toeschouwers ook totaal uitgeput.

Vraagstuk

Performance collectief ROTOR stelt in fysiek zeer zware voorstellingen existentiële universele vraagstukken centraal. Het lichaam vormt daarbij steeds het uitgangspunt: kwetsbaar, wendbaar, rondtollend, sterk, zwak.

Het vraagstuk van de performers in ATLAS is in feite: hoe kom je in balans? Hoe ontstaat evenwicht? Hoe ontstaat harmonie?

Symboliek

Het evenwicht is wankel, breekbaar. ATLAS staat bol van symboliek, je kunt er allerlei vormen van mondiale disbalans in zien. De constante overkill aan informatie, bijvoorbeeld. Maar ook: de zorgen om het klimaat. De problemen om met elkaar te communiceren. Het elkaar laten vallen, met conflicten tot gevolg. Als iedereen alleen aan zichzelf denkt, komen hemel en aarde er uiteindelijk beroerd vanaf; zo is duidelijk.

Vooral het tillen in wisselende samenstellingen levert buitengewoon fraaie beelden op. Je kunt er beeldhouwwerken uit vroegere eeuwen in zien, waarin allerlei helden en strijders in moeilijke, zware houdingen dingen dragen of vechten.

Evenwicht

Hoe verder de performance vordert, hoe duidelijker het antwoord wordt op de vraagstukken: ‘Hoe houd je balans, hoe ontstaat harmonie?’ Door niet alleen met jezelf bezig te zijn. Door je steentje bij te dragen. Door jouw deel van de last die ‘leven’ heet te tillen. Door oog te hebben voor de ander en die zo nodig te helpen. Pas wanneer de spelers echt gaan samenwerken, ontstaat er evenwicht.

Concept: Hidde Aans-Verkade, Koen van der Heijden
Inspiratiebron: filosoof Byung-Chul Han (werken: ‘De Vermoeide Samenleving’ en ‘Vita Contemplativa’)
Muziek: Krijn Moons
Scenografie: Han Ruiz Buhrs
Kostuums: Kevin Pieterse
Licht: Paulina Prokop

De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370
Kunst / Expo binnenland

Melancholie en verlangen

recensie: Umbild - Jules van Hulst & Wieger Steenhuis
De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370

Les fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) heet de dichtbundel (1857) van Charles Baudelaire. Deze bundel vormt primair het uitgangspunt voor de tentoonstelling Umbild van Jules van Hulst en Wieger Steenhuis in Museum de Fundatie in Zwolle.

De kunstenaars benadrukken gelukkig dat het niet zo eenzijdig is als de titel van Baudelaire doet vermoeden; niet alleen het kwaad komt in de gedichten terug. Het gaat volgens hen namelijk zowel over spleen als over ideaal: het negatieve, zware en melancholische, en het ideaal, het verlangen naar het perfecte. De kenners en liefhebbers weten het: goed en kwaad komen niet alleen in de hele bundel, maar soms zelfs in één gedicht terug, zoals in ‘Duellum’. Dit begint met verlangen en eindigt met de vechtscheiding van dichter Charles en diens vrouw Jeanne.

Jules van Hulst en Wieger Steenhuis

Die dubbelslag kom je in de expositie overal tegen. Van Hulst (Nijmegen, 1984) en Steenhuis (Emmen, 1982) onderzochten een jaar lang in het kader van een mastertraject bij Museum de Fundatie hoe hedendaagse technieken kunnen worden ingezet om bestaande kunstwerken uit de collectie opnieuw te tonen en daarbij diepere lagen aan te boren.
Van Hulst is beeldend kunstenaar die video’s, performances, installaties en poëziefilms maakt. Steenhuis is ontwerper en ontwikkelaar van interactieve installaties en realtime computer graphics waarin wordt uitgegaan van gedeelde ervaringen.

Drie originele kunstwerken

Ascetics.temp

Drempel naar de droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

De drie originele kunstwerken die beide kunstenaars naast Baudelaire tot uitgangspunt namen, worden getoond in een kleine zaal op de begane grond: het bronzen beeld De geknielde van de fontein (1898) van George Minne, het stilleven Bibelots (ca. 1935) van James Ensor en Landschap in Wales (1917) van Valerius De Saedeleer. Alle drie Vlaamse symbolisten, zoals Baudelaire een Franse symbolist was.

De geknielde van de fontein George Minne

Het eerstgenoemde werk komt terug in Ascetics.temp van Van Hulst en Steenhuis. Een installatie waarin de geknielde in het aangeduide water lijkt te kijken. In tegenstelling tot Narcissus, die betoverd was door zijn eigen spiegelbeeld in het water, is deze man naar binnen gekeerd. De installatie is omringd door gordijnen die soms door een ventilator worden aangeblazen en waarop vervolgens een woord wordt geprojecteerd, zoals ‘analogie’, ‘imitatie’, ‘mimesis’. Net als bij het originele beeld op de begane grond kan de bezoeker om de installatie heenlopen.

Schilderij Inwisselbaar

De bezoeker is zowel kijker als de bekekene. Beeld: Peter Tijhuis.

Bibelots James Ensor

De Bibelots van Ensor zijn bij Van Hulst en Steenhuis getransformeerd tot een installatie onder de titel Inwisselbaar. Hierin zijn objecten uit de collectie van Museum de Fundatie samengebracht. Oorspronkelijk zijn het bij Ensor kleine siervoorwerpen die staan voor ijdelheid. Dit thema is ook hier gebleven, want een felle lamp zorgt ervoor dat de schaduw van de waarnemer op een witte muur valt. Zo kijkt de bezoeker dus zelf naar de kunstwerken, maar kan deze op die manier ook door andere bezoekers worden bekeken. Dit is naast Baudelaires spleen en ideaal nog een onderliggend, misschien wat gezocht thema in deze expositie: kijken en bekeken worden.

Landschap in Wales Valerius De Saedeleer

Het prachtige landschap naar De Saedeleer is door Van Hulst en Steenhuis fraai gevangen in hout, staal, monitoren en data-aansturing. Het is een intrigerende installatie, die ze Daily Nocturne noemen, ‘een venster naar een droomwereld’, het ideaal van Baudelaire.
De toeschouwer ziet hoe materialen als hout en staal misschien in tegenspraak zijn met de droomwereld die de kunstenaars willen verbeelden. Maar juist daardoor komt de tweeslag van Baudelaire ook in materie mooi naar voren.

Daily Nocturne

Een venster naar een droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

Het principe van data-aansturing komt terug bij de videomuur Heliotropisme bij het restaurant boven in het museum. Er zijn zonnebloemen te zien die verwelken en weer opbloeien, van spleen naar ideaal. Wanneer er iemand langsloopt, begint ook hier weer fel licht te schijnen dat de passant als de zon langs de negen videopanelen leidt.

Museum de Fundatie biedt met deze tentoonstelling een fraai voorbeeld op het snijvlak van Baudelaire, drie kunstenaars uit het Vlaams/Frans symbolisme en moderne transformaties daarvan, waarbij inventief gebruik is gemaakt van hedendaagse technieken en materialen. Een tweeslag (melancholie en verlangen) om ter plaatse te ervaren!