Berichten

Boeken / Non-fictie

Nieuw perspectief

recensie: Bruno Latour - Waar ben ik? Lockdownlessen voor aardbewoners

In Waar ben ik? beschrijft de Franse filosoof Bruno Latour op welke manier we onze ervaring met de coronacrisis en de bijbehorende lockdowns kunnen gebruiken voor een perspectiefwisseling op onszelf en de problemen waar wij ons vandaag de dag in bevinden.

Het nieuwe perspectief dat Latour voor ogen heeft is er één waar hij al langer voor predikt: wij mensen zijn onderdeel van de aarde en alles wat ons omringt. Het subject-object denken, zoals dat met name vanaf de Verlichting – dankzij denkers als Descartes – gemeengoed is geworden, moet overboord.

Kafka

Om zijn boodschap in dit kleine boekje te illustreren gebruikt Latour het beroemde verhaal De gedaanteverwisseling (1915) van Franz Kafka. In deze parabel verandert ene Gregor Samsa in een reusachtige kever. Zijn familie, die hem in zijn bed aantreft, walgt van zijn nieuwe verschijning. Latour wil Gregor in dit boek een nieuwe gedaanteverwisseling geven. ‘We moeten ons Gregor Samsa voorstellen als iemand die gelukkig is.’ (Waarmee hij verwijst naar Camus, die dezelfde uitspraak deed over Sisyphus, de Griek die als straf van de goden voor eeuwig een steen tegen een berg moest oprollen, waarna deze aan de andere kant weer naar beneden zou rollen – een zinloze exercitie). Waarom moeten we ons Gregor voorstellen als iemand die gelukkig is? Omdat hij van perspectief verandert!

Taaie kost

Het was de bedoeling dat Waar ben ik? toegankelijker zou worden dan Latours andere werk. Qua omvang is dat redelijk gelukt, al verkijk je je snel op het geringe aantal bladzijden; het lettertype is namelijk zo klein dat je je kunt afvragen hoeveel woorden Latour in werkelijkheid heeft bespaard. Ook zijn manier van schrijven blijft die van een echte continentale filosoof: uitgebreid, bloemig, met tal van verwijzingen naar andere denkers of schrijvers en vaak om het punt dat hij wil maken heen draaiend. Alsnog redelijk taaie kost voor de niet-geoefende lezer dus, maar wie zijn best doet kan er wel het een en ander uithalen. Zeker omdat dit boekje het vervolg is op Waar kunnen we landen? (2018), een eveneens kleiner boek dan gebruikelijk waarin Latour betoogt dat we politiek vandaag de dag niet kunnen begrijpen wanneer we het probleem van de klimaatverandering niet serieus nemen. Ook in Waar ben ik? gaat het om die klimaatverandering, maar dan vanuit het oogpunt van onze ervaring van onszelf en de wereld. Hoe wij die verhouding zien bepaalt hoe wij handelen. En handelen moeten we, wanneer we iets aan dit probleem willen doen. Dat vereist dus een perspectiefwisseling die, zo hoopt Latour, mede door de coronacrisis en onze lockdownervaring verwerkelijkt kan worden.

Omgeving

Het subject-object denken waar Latour de vloer mee aanveegt is een denken dat stelt dat je aan de ene kant ‘de mens’ heb en aan de andere kant diens ‘omgeving’. Zo wordt er vaak gezegd dat we goed voor onze ‘omgeving’ moeten zorgen, dat we zorg moeten dragen voor ‘de natuur’. Maar het begrip omgeving suggereert een grens die er helemaal niet is volgens Latour. Omgeving bestaat niet, want die scheidslijn tussen een organisme en wat eromheen zit bestaat niet. ‘Stricto sensu is er zelfs helemaal niets wat ons omgeeft, alles zweert samen om ons te helpen ademen.’ Alles in de werkelijkheid omringt elkaar niet alleen, maar werkt in elkaar door en is afhankelijk van elkaar. De werkelijkheid bestaat dus niet uit losse objecten. Zo is ook de term ‘de natuur’ en onjuiste. Daarmee suggereren we dat de natuur een losse entiteit is naast andere entiteiten. Nee zegt Latour, alles is de natuur, wij ook, en de huizen die wij, als natuurlijke organismen bouwen, ook. Niet alleen een stad noemt Latour een metropool, ook een wandelaar in de zogenaamde ‘natuur’ bevindt zich in een metropool; een omgeving waar tal van organismen, bacteriën, planten en schimmels bezig zijn met voortbestaan. De enige grens die we wél kunnen trekken is die tussen dat grote netwerk van leven waar wij onderdeel van zijn, Aarde, en datgene wat daarbuiten ligt en waar wij geen directe ervaring van hebben, Universum.

Aarde

Aarde is dus: leven. Ook de zogenaamde levenloze dingen, zoals bergen of de zeebodem, zijn onderdeel van Aarde en dus levend. Zo zijn witte krijtrotsen op elkaar geperste schelpen uit vervlogen tijden: leven dus. Alles leeft op aarde, ‘zowel de menigte die zich over de Karelsbrug haast als de Karelsbrug zelf, zowel de vos als zijn vacht, zowel de bever als zijn burcht, zowel de bacteriën en de planten als de zuurstof die ze afgeven.’

Pas wanneer we van perspectief zijn veranderd zullen we inzien dat alles op aarde leeft en het gevolg is van wat Latour ‘handelingsvermogens’ noemt. Dat is de grote gedaanteverwisseling die wij, zo hoopt Latour, net als Gregor Samsa, zullen doormaken.

‘[..] alles wat we tegenkomen – bergen, mineralen, de lucht die we inademen, de rivier waarin we zwemmen, de poederige humus waarin we onze sla planten, het virus dat we onder controle proberen te krijgen, het bos waarin we op paddenstoelenjacht gaan, alles, zelfs de blauwe lucht – is het resultaat van handelingsvermogens [..].’

Lockdown

Tijdens de coronacrisis moesten wij schuilen in onze huizen, binnen, en áls we naar buiten gingen ademden we benauwd vanachter onze mondkapjes. We waren in lockdown. Echter, wanneer we de gedaanteverwisseling hebben doorgemaakt zullen we zien dat we altijd al in lockdown wáren. Aardbewoners leven altijd al in wat ook wel de kritieke zone genoemd wordt. Onze leefbare (en levende) omgeving reikt niet verder dan ongeveer drie kilometer boven en net zo ver onder ons. Wij moeten altijd al ‘beschutting zoeken binnen een laag die flinterdun is’. Gregor gaat op de grond liggen om zich te verstoppen en dán dringt dit besef door. Ook voor ons, juist wanneer wij in lockdown zijn en schuilen in onze huizen en achter onze mondkapjes, kan deze perspectiefwisseling komen. Tijdens de lockdown wordt duidelijk dat wij voor ons voortleven afhankelijk zijn van allerlei zaken waar we nooit aandacht aan hebben geschonken, zelfs van mensen met beroepen die we voorheen laag waardeerden, zoals zorgberoepen en vervoerders.

Zoals het virus ons een lockdown oplegt, zo legt de ecologische crisis ons óók een lockdown op. Die flinterdunne laag waarin wij bestaan en waarin alles elkaar in evenwicht houdt, wordt aangetast. Vóór de perspectiefwisseling waren er stemmen die zeiden: we zoeken een andere planeet waarop de mens verder kan leven. Maar ná de perspectiefwisseling zien wij in dat ‘de mens’ niet bestaat en dat alle aardbewoners één levend netwerk zijn dat elkaar in stand houdt. Latour waarschuwt ons (à la Marx) en roept:

‘Lockdownslachtoffers aller landen, verenigt u! U hebt dezelfde vijanden, namelijk iedereen die wil ontsnappen naar een andere planeet.’

Terugkeren naar het ‘oude normaal’ is terugkeren naar het oude denken, het denken dat ons verstikt. Volgens Latour zijn we uiteindelijk juist opgesloten geraakt door het steeds maar vooruit willen gaan en is het de lockdown die ons weer achteruit dwingt. Als we onze ademruimte willen beschermen is de perspectiefwisseling dus nodig, want:

‘Het hele planetaire ademhalingsstelsel blijkt ontregeld en dat op alle niveaus, of het nu gaat om het mondkapje waarachter we naar adem snakken, of om de rook van bosbranden, het repressieve politieoptreden of de ondraaglijke temperatuurstijging die zich opdringt tot in het Arctisch gebied.’

Duidelijke boodschap in een wollig jasje

Een kort en helder boek schrijven is Latour met Waar ben ik? niet gelukt. Toch blijf je lezen omdat je mee wil in de metafoor die hij schetst en de wollige taal op de een of andere manier wél fascineert. Zijn poging om – wederom – mensen bewust te maken van het feit dat het denken in tegenstellingen slecht uitpakt voor de aarde (en dus alles wat leeft) komt over, al zou het ook weleens leuk zijn een écht korte tekst van deze filosoof te lezen. Ergens blijf je wel achter met het gevoel dat zijn boodschap ook op enkele A4’tjes had gepast.

Boeken / Non-fictie

Nieuw perspectief

recensie: Bruno Latour - Waar ben ik? Lockdownlessen voor aardbewoners

In Waar ben ik? beschrijft de Franse filosoof Bruno Latour op welke manier we onze ervaring met de coronacrisis en de bijbehorende lockdowns kunnen gebruiken voor een perspectiefwisseling op onszelf en de problemen waar wij ons vandaag de dag in bevinden.

Het nieuwe perspectief dat Latour voor ogen heeft is er één waar hij al langer voor predikt: wij mensen zijn onderdeel van de aarde en alles wat ons omringt. Het subject-object denken, zoals dat met name vanaf de Verlichting – dankzij denkers als Descartes – gemeengoed is geworden, moet overboord.

Kafka

Om zijn boodschap in dit kleine boekje te illustreren gebruikt Latour het beroemde verhaal De gedaanteverwisseling (1915) van Franz Kafka. In deze parabel verandert ene Gregor Samsa in een reusachtige kever. Zijn familie, die hem in zijn bed aantreft, walgt van zijn nieuwe verschijning. Latour wil Gregor in dit boek een nieuwe gedaanteverwisseling geven. ‘We moeten ons Gregor Samsa voorstellen als iemand die gelukkig is.’ (Waarmee hij verwijst naar Camus, die dezelfde uitspraak deed over Sisyphus, de Griek die als straf van de goden voor eeuwig een steen tegen een berg moest oprollen, waarna deze aan de andere kant weer naar beneden zou rollen – een zinloze exercitie). Waarom moeten we ons Gregor voorstellen als iemand die gelukkig is? Omdat hij van perspectief verandert!

Taaie kost

Het was de bedoeling dat Waar ben ik? toegankelijker zou worden dan Latours andere werk. Qua omvang is dat redelijk gelukt, al verkijk je je snel op het geringe aantal bladzijden; het lettertype is namelijk zo klein dat je je kunt afvragen hoeveel woorden Latour in werkelijkheid heeft bespaard. Ook zijn manier van schrijven blijft die van een echte continentale filosoof: uitgebreid, bloemig, met tal van verwijzingen naar andere denkers of schrijvers en vaak om het punt dat hij wil maken heen draaiend. Alsnog redelijk taaie kost voor de niet-geoefende lezer dus, maar wie zijn best doet kan er wel het een en ander uithalen. Zeker omdat dit boekje het vervolg is op Waar kunnen we landen? (2018), een eveneens kleiner boek dan gebruikelijk waarin Latour betoogt dat we politiek vandaag de dag niet kunnen begrijpen wanneer we het probleem van de klimaatverandering niet serieus nemen. Ook in Waar ben ik? gaat het om die klimaatverandering, maar dan vanuit het oogpunt van onze ervaring van onszelf en de wereld. Hoe wij die verhouding zien bepaalt hoe wij handelen. En handelen moeten we, wanneer we iets aan dit probleem willen doen. Dat vereist dus een perspectiefwisseling die, zo hoopt Latour, mede door de coronacrisis en onze lockdownervaring verwerkelijkt kan worden.

Omgeving

Het subject-object denken waar Latour de vloer mee aanveegt is een denken dat stelt dat je aan de ene kant ‘de mens’ heb en aan de andere kant diens ‘omgeving’. Zo wordt er vaak gezegd dat we goed voor onze ‘omgeving’ moeten zorgen, dat we zorg moeten dragen voor ‘de natuur’. Maar het begrip omgeving suggereert een grens die er helemaal niet is volgens Latour. Omgeving bestaat niet, want die scheidslijn tussen een organisme en wat eromheen zit bestaat niet. ‘Stricto sensu is er zelfs helemaal niets wat ons omgeeft, alles zweert samen om ons te helpen ademen.’ Alles in de werkelijkheid omringt elkaar niet alleen, maar werkt in elkaar door en is afhankelijk van elkaar. De werkelijkheid bestaat dus niet uit losse objecten. Zo is ook de term ‘de natuur’ en onjuiste. Daarmee suggereren we dat de natuur een losse entiteit is naast andere entiteiten. Nee zegt Latour, alles is de natuur, wij ook, en de huizen die wij, als natuurlijke organismen bouwen, ook. Niet alleen een stad noemt Latour een metropool, ook een wandelaar in de zogenaamde ‘natuur’ bevindt zich in een metropool; een omgeving waar tal van organismen, bacteriën, planten en schimmels bezig zijn met voortbestaan. De enige grens die we wél kunnen trekken is die tussen dat grote netwerk van leven waar wij onderdeel van zijn, Aarde, en datgene wat daarbuiten ligt en waar wij geen directe ervaring van hebben, Universum.

Aarde

Aarde is dus: leven. Ook de zogenaamde levenloze dingen, zoals bergen of de zeebodem, zijn onderdeel van Aarde en dus levend. Zo zijn witte krijtrotsen op elkaar geperste schelpen uit vervlogen tijden: leven dus. Alles leeft op aarde, ‘zowel de menigte die zich over de Karelsbrug haast als de Karelsbrug zelf, zowel de vos als zijn vacht, zowel de bever als zijn burcht, zowel de bacteriën en de planten als de zuurstof die ze afgeven.’

Pas wanneer we van perspectief zijn veranderd zullen we inzien dat alles op aarde leeft en het gevolg is van wat Latour ‘handelingsvermogens’ noemt. Dat is de grote gedaanteverwisseling die wij, zo hoopt Latour, net als Gregor Samsa, zullen doormaken.

‘[..] alles wat we tegenkomen – bergen, mineralen, de lucht die we inademen, de rivier waarin we zwemmen, de poederige humus waarin we onze sla planten, het virus dat we onder controle proberen te krijgen, het bos waarin we op paddenstoelenjacht gaan, alles, zelfs de blauwe lucht – is het resultaat van handelingsvermogens [..].’

Lockdown

Tijdens de coronacrisis moesten wij schuilen in onze huizen, binnen, en áls we naar buiten gingen ademden we benauwd vanachter onze mondkapjes. We waren in lockdown. Echter, wanneer we de gedaanteverwisseling hebben doorgemaakt zullen we zien dat we altijd al in lockdown wáren. Aardbewoners leven altijd al in wat ook wel de kritieke zone genoemd wordt. Onze leefbare (en levende) omgeving reikt niet verder dan ongeveer drie kilometer boven en net zo ver onder ons. Wij moeten altijd al ‘beschutting zoeken binnen een laag die flinterdun is’. Gregor gaat op de grond liggen om zich te verstoppen en dán dringt dit besef door. Ook voor ons, juist wanneer wij in lockdown zijn en schuilen in onze huizen en achter onze mondkapjes, kan deze perspectiefwisseling komen. Tijdens de lockdown wordt duidelijk dat wij voor ons voortleven afhankelijk zijn van allerlei zaken waar we nooit aandacht aan hebben geschonken, zelfs van mensen met beroepen die we voorheen laag waardeerden, zoals zorgberoepen en vervoerders.

Zoals het virus ons een lockdown oplegt, zo legt de ecologische crisis ons óók een lockdown op. Die flinterdunne laag waarin wij bestaan en waarin alles elkaar in evenwicht houdt, wordt aangetast. Vóór de perspectiefwisseling waren er stemmen die zeiden: we zoeken een andere planeet waarop de mens verder kan leven. Maar ná de perspectiefwisseling zien wij in dat ‘de mens’ niet bestaat en dat alle aardbewoners één levend netwerk zijn dat elkaar in stand houdt. Latour waarschuwt ons (à la Marx) en roept:

‘Lockdownslachtoffers aller landen, verenigt u! U hebt dezelfde vijanden, namelijk iedereen die wil ontsnappen naar een andere planeet.’

Terugkeren naar het ‘oude normaal’ is terugkeren naar het oude denken, het denken dat ons verstikt. Volgens Latour zijn we uiteindelijk juist opgesloten geraakt door het steeds maar vooruit willen gaan en is het de lockdown die ons weer achteruit dwingt. Als we onze ademruimte willen beschermen is de perspectiefwisseling dus nodig, want:

‘Het hele planetaire ademhalingsstelsel blijkt ontregeld en dat op alle niveaus, of het nu gaat om het mondkapje waarachter we naar adem snakken, of om de rook van bosbranden, het repressieve politieoptreden of de ondraaglijke temperatuurstijging die zich opdringt tot in het Arctisch gebied.’

Duidelijke boodschap in een wollig jasje

Een kort en helder boek schrijven is Latour met Waar ben ik? niet gelukt. Toch blijf je lezen omdat je mee wil in de metafoor die hij schetst en de wollige taal op de een of andere manier wél fascineert. Zijn poging om – wederom – mensen bewust te maken van het feit dat het denken in tegenstellingen slecht uitpakt voor de aarde (en dus alles wat leeft) komt over, al zou het ook weleens leuk zijn een écht korte tekst van deze filosoof te lezen. Ergens blijf je wel achter met het gevoel dat zijn boodschap ook op enkele A4’tjes had gepast.

Boeken / Non-fictie

Heet van de pers

recensie: Damn horny - Samengesteld door Marie Lotte Hagen & Nydia van Voorthuizen

Oef… Wie het boek Damn horny dichtslaat, zweet nog enkele peentjes na. De feministen pur sang Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen – beter bekend als het duo dat in hun tweewekelijkse podcast geen enkel onderwerp schuwt (van de menstruatiecyclus tot cat calling en van validisme tot borsten) en het platform DAMN HONEY oprichtte – hebben nu een boek vol seksverhalen uitgebracht, waarin de male gaze achterwege is gelaten. De hete verhalenbundel zorgt voor méér dan alleen rode koontjes.

Slutty summer verzekerd

De persconferentie van vrijdag 9 juli dreunt nog tot in je oren na: duizenden jongeren wordt nu de kans op een slutty summer ontzegd. De reden? Het te vroeg opengooien van de nachtclubs leidde tot het hoogste aantal besmettingen sinds maart 2020. Laten er nu net onder die vele besmette personen jongeren zitten, die na maandenlange isolatie op hun (studenten)kamer eindelijk wilden gaan dansen (wel of niet volledig gevaccineerd met Janssen). Frustrerend is het zeker. Vooral nu Nederland langzaam rood begint te kleuren. Waar moeten die jonge jongens en meiden nu hun vertier vandaan halen? Het antwoord: lees de verhalenbundel Damn horny.

Dit boek – het valt toch het beste te typeren als een ‘seksboek’ – staat vol erotische verhalen. Die erotische verhalen zijn ontsproten uit het brein van zowel cisvrouwen als niet-cismannen. Ja, je leest het goed: voor cismannen is er in ieder geval geen plaats in deze verhalenbundel. Moedeloos werden de dames achter DAMN HONEY van de – kortweg – oversekste gedachten die mannen hebben over seks tussen vrouwen, die vaak niet eens blijken te kloppen. Hoe het er wél aan toe gaat tussen de lakens, vertellen o.a. Simon(e) van Saarloos, Mojdeh Feili en LIONSTORM. Hagen en Van Voorthuizen lieten hun favoriete feministen aan het woord om een boekje te openen over hun eigen intieme ervaringen, al dan niet verweven met hun stoutste dromen en seksuele fantasieën. Het is moeilijk om te zeggen waar de fictie eindigt en de realiteit begint en vice versa. Smeuïg is het in ieder geval zéker. Je glibbert zo ongeveer van je stoel af – tenminste, ondergeschreven heteroseksuele cisvrouw – als je erachter komt wat voor opwindend seksleven sommige queerstellen erop nahouden, van trio’s tot packers. De (licht) pornografische beelden die in je hoofd schieten, zijn in ieder geval: vrouwvriendelijk, niet-heteronormatief en taboedoorbrekend.

Feest van herkenning?

Damn horny neemt je mee terug naar de tienerjaren, waarin je gniffelend de Girlz indook om te lezen over alle seksgerelateerde hulpvragen van jonge lezeressen. Destijds lag een verhalenbundel als deze niet in de schappen. De generatie van nu kan zich niet alleen te goed doen aan de meest ontluisterende beelden en berichten over het thema seks op social media, maar zij hebben nu – naast één zielige pagina van ‘seksproblemen’ in tijdschriften als Girlz – een verhalenbundel binnen handbereik in hun boekwinkel.

In Damn horny staan de verhalen over seks die jongeren nooit ten gehore zullen krijgen tijdens een les biologie. Het zijn soms liefdevolle, soms rauwe verhalen over seks, liefde en voorkeuren. Deze verhalen samen bieden een veel inclusiever beeld van wat seks voor mensen in het algemeen betekent en in het bijzonder van hen die niet zo snel een podium zouden krijgen op dit gebied: vrouwen met een handicap, dikke vrouwen en transgenders. Daarbij worden de details die misschien tot opgetrokken wenkbrauwen kunnen leiden, zeker niet weggemoffeld: verwacht ook veel onhandigheid en basale dingen zoals ongesteld zijn tijdens de seks.

Inhoud boven vorm?

Tevens kan het een feest van herkenning zijn: er staan niet alleen maar verhalen in de bundel. Er komen ook pagina’s in voor waarop luisteraars en volgers van DAMN HONEY hun ideeën over seks delen. Hagen en Van Voorthuizen kregen vele inzendingen en kozen daaruit de meest opmerkelijke. Dit leidt tot meerstemmigheid: er zijn niet een paar schrijvers die met een verhaal op de proppen komen, maar er zijn vele anderen die hun stemgeluid laten horen.

Nu dient er wel een grote kanttekening gemaakt te worden bij het woord ‘schrijvers’. Waren degenen die de verhalen aanleverden maar allemaal geoefend in het vak. Helaas. Er zit een wel erg groot contrast tussen hen die zich dagelijks met het schrijven bezighouden, zoals Tatjana Almuli en Simon(e) van Saarloos en hen die dat duidelijk nooit doen. Daar had wellicht meer redigeerwerk in gestoken moeten worden, want bij sommige verhalen leidt de vorm (met name het taalgebruik) af van de inhoud (waar het eigenlijk om moet draaien).

Bovendien komen de stukken die geschreven werden door niet-schrijvers vaak wat platter over en af en toe werd het wel erg extreem verwoord. Zodanig extreem dat je je afvraagt of het doel de middelen nog wel heiligt. Bij sommige bijdragen krab je jezelf toch even achter de oren: wat is nu precies de meerwaarde van dit ene (onsmakelijke) detail? Desalniettemin is het moedig dat ieder van hen hun bedroom stories met de wereld wilde delen. Daargelaten of het feit of fictie betreft.

Eat pussy

Enfin, het moge voor zichzelf spreken dat je niet enkel schrijvers naar hun seksuele uitspattingen en fantasieën vraagt, maar het zorgt er wel voor dat het boek uit losse bij elkaar gestopte flodders bestaat. Wellicht was dat ook de structuur die Hagen en Van Voorthuizen voor ogen hadden. In ieder geval zal hun nieuwe boek bijdragen aan een betere dialoog over seks en opent het de ogen van hen die weleens willen weten hoe je nu echt ‘pussy’ moet eten (je krijgt een gratis befcursus) en die wellicht nog struggelen met hun vooroordelen jegens seks die niet in de categorie ‘heteronormatief’ valt. Laat die zweepjes en komkommers (*wink*) voortaan maar liggen en lees je lief lekker voor uit dit steamy boek.

Boeken / Non-fictie

Houvast in je hoofd

recensie: Gevalletje borderline – Kathelijn Hulshof

Het klinkt zo verrekte negatief: Gevalletje borderline. Een term die sinds 2018 ook van toepassing is op auteur en ondernemer Kathelijn Hulshof, die de bordeline persoonlijkheidsstoornis (BPS) bleek te hebben. Met haar boek, dat thuishoort in de reeks ‘Hoofdzaken’ van Blossom Books, stelt ze zich ongelofelijk kwetsbaar op om mensen te laten lezen én voelen wat de stoornis nu precies inhoudt.

Geuzennaam

In de 66ste aflevering van de podcast Met Groenteman in de kast vertelt Hulshof over de ‘geuzennaam’ die ze heeft bedacht voor haar boek: Gevalletje borderline. Extreem gevoelig gedrag, bijvoorbeeld op social media, wordt al snel bestempeld met de woorden ‘gevalletje borderline’. Hulshof vindt het nogal  ‘dom’ dat mensen het woord voor haar persoonlijkheidsstoornis op een ‘lichtzinnige’ manier gebruiken. Haar worsteling met haar stoornis is namelijk ‘akelig en eenzaam’ geweest én dat is het nog steeds.

In haar boek stelt ze zich op als een expert. Haar boek is heel gestructureerd: in zes hoofdstukken – voorafgegaan door een voorwoord en proloog – geeft ze heel duidelijk weer wat borderline precies inhoudt, welke soorten therapieën er zijn (en in hoeverre deze effectief voor haar uitpakten) en vertelt ze over de hindernissen in haar leven, die punctueel uiteengezet worden als casussen. Zo geeft ze aan hoe de dynamiek was binnen de groep met wie ze therapie volgde en dat ze zich vaker liet leiden door haar gevoel dan door haar verstand. Ze is nu duidelijk rijker in kennis over haar stoornis en is de perfecte leermeester om meer te weten te komen over dit soort hoofdzaken.

Bedrieglijk perfect

Hulshof leek een ogenschijnlijk ‘perfect’ leven te leiden.  Net als iedere jongeling hield ze er vele dromen en ambities op na en wist vele ervan te verwezenlijken. Bovendien zette ze zelfs nog een extra stapje bij ieder behaald doel: voor deze perfectioniste kon het altijd beter. En meer. En groter. Ze haalde in Nederland haar bachelorsdiploma Algemene Cultuurwetenschappen, studeerde in Engeland in Durham (Museumstudies, cum laude afgerond) en Oxford (de masters Kunstgeschiedenis en Religiestudies) en liep stage op onder andere Curaçao. Ze streefde duidelijk naar het hoogst haalbare en nam alles voor lief, totdat haar lichaam zei dat het genoeg was: “Mijn studie eiste veel van mij. De monsters in mijn hoofd eisten nog veel meer.” Die monsters praatten iedere dag tegen haar: ze moest en zou de hoogste cijfers halen én naast haar twee masters in Oxford roeide ze ook nog eens op hoog niveau. Een recept voor een burn-out?

In die tijd kreeg ze antidepressiva voorgeschreven en verhuisde ze terug naar Nederland. Dit voelde in eerste instantie als ‘falen’, maar een vierde master (Leraar Voorbereidend Hoger Onderwijs Kunstgeschiedenis) was als de zalf op een etterende wond. Toch bleven de monsters in haar hoofd huizen: ze zag dingen die er niet waren, kreeg dwanggedachten en ook de suïcidale gedachtes bleven niet uit. Hulp was zeer gewenst, maar voor Hulshof was het lastig om te verwoorden ‘hoe mis het was’. Bij ieder lichtpuntje veert ze weer even op, maar ze vreest om weer in een diep dal te geraken. Wat volgt, is een leven dat gekenmerkt wordt door therapie, maar ook door hoop: ondanks dat de emoties door het dak schieten en een zelfmoordpoging, blijft ze aan haar toekomst werken en richt ze zelfs met een vriend een eigen bedrijf op.

Schaamte overwonnen

Eén ding is duidelijk: Hulshof maakt het niet mooier dan het is en noteert zelfs de dingen waar ze zich later voor ‘schaamde’. Dat maakt dat dit een realistisch portret is van iemand die gewoon héél graag wil laten zien hoe het is om iedere dag te strijden tegen borderline. Dit boek getuigt dan ook van een bewonderenswaardige kracht, van een zeker doorzettingsvermogen. Het feit dat ze – met alle demonen van dien – alsnog een boek heeft weten te schrijven over haar leven, is een ware overwinning voor haar. Het leven blijft voor haar een vat vol onzekerheden, maar ze zal in ieder geval niet tekenen voor het standaardleven met een ‘huisje, boompje en beestje’. Ze blijft de wereld over reizen, zoekend naar fijne plekjes en druk zijnde met het creëren van mooie herinneringen waar ze lang op kan voortborduren. Zoals een roadtrip met haar zusje door Australië. De gelukzalige herinneringen worden afgewisseld met zware periodes.

Waar Hulshof ook over schrijft, ze houdt de vaart erin. Haar schrijfstijl is voornamelijk ‘vlot’ te noemen en bij vlagen is ze ook nog eens erg humoristisch. Dit doet denken aan een ander boek uit de ‘Hoofdzaken’-serie, namelijk het boek Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit van Bianca Toeps. Al was Toeps dan nog een tikkeltje sarcastischer van stof. In vergelijking met Druks, het boek van Francien Regelink die ook in het rijtje thuishoort, zie je wel dat Hulshof véél meer geoefend is in het schrijven en zie je dat (academisch) schrijven een van de vele talenten van Hulshof is.

Dit boek is, zoals aangegeven, geen gezellig verhaal over een jonge twintiger die op zoek is naar zichzelf. Het gaat dan wel over iemand met torenhoge ambities, maar ook over een jonge vrouw die geremd wordt door een (licht) traumatische gebeurtenis uit haar jeugd en die gevormd wordt door de persoonlijkheidsstoornis waarmee ze werd gediagnosticeerd. Het is een vrouw die niet bij de pakken neer gaat zitten, maar tracht om het beste van haar leven te maken. Daarmee geeft ze een krachtige boodschap af aan anderen die te ‘kampen’ hebben met een persoonlijkheidsstoornis: ondanks je diagnose kun je heel ver komen in het leven. Dat het levenspad dat je bewandelt vol hobbels zit, spreekt voor zich. Het is aan de persoon zelf om de aangeboden hulp met beide handen aan te grijpen en te reflecteren op jezelf. Met de nodige adviezen en therapie is Hulshof nu een heel eind gekomen en blijft ze aan haar weg timmeren. En de warboel in haar brein? Die biedt ze – zo goed als dat kan – iedere dag het hoofd.

Muziek / Album

Nederland verbindt de stijlen

recensie: Nederpopupdate volume 10: The Raiders Of The Last Corvette, Rick Treffers & Michelle Sweegers

Dat er in Nederland muziek gemaakt wordt in heel veel kleuren weten we natuurlijk al lang. Deze keer gaan we weer zomaar heel verschillende kanten op. Eerst duiken we in het glamrockverleden met The Raiders Of The Last Corvette. Vervolgens laat Rick Treffers zich van zijn persoonlijke kant horen. We sluiten af met gevarieerde harpklanken van Michelle Sweegers.

Deze update is een bijzondere verzameling muzikale klanten die als enige verbinding hebben: ons kikkerlandje, Nederland. Een fraai palet muziek dat zomaar in al haar facetten oer-Nederlands is. Hier geschreven en uitgevoerd. Soms van lang geleden, soms een oude rot die weer op een ander manier van zich laat horen, of een jong talent dat in korte tijd een tweede album lanceert.

The Raiders Of The Last Corvette

Het album From The Stable – The Lost Tapes verschijnt bijna veertig jaar nadat de opnames werden gemaakt. Toch is dit het debuutalbum van de band The Raiders Of The Last Corvette en moet de dubbel-cd zo veel jaren na opnamedatum niet inboeten aan kwaliteit. De band kan gezien worden als een afsplitsing van de band Vitesse, waarin ook Herman Brood nog meespeelde. De enige single van de band, ‘My Way Home’, beleefde enige aandacht destijds en balanceerde in de Nederlandse tipparade. Maar waar moeten we dan aan denken? Natuurlijk is het belangrijk om de muziek van The Raiders Of The Last Corvette in historisch perspectief te plaatsen. Verwacht geen muziek van deze tijd, maar meer in de geest van bands als Vitesse en Catapult. Het is geen glamrock zoals we de muziek van Catapult wel kunnen bestempelen.

De stem van Anton Verhagen is zeer aangenaam om twee uurtjes mee vermaakt te worden. Waan je in een poparchief dat ineens een pareltje laat zien, dat zeker in die tijd – met meer aandacht – zou zijn gaan schitteren. De band had voldoende potentie in zich om meer bekendheid te vergaren, maar zoals het vaker gaat met opnames hadden ze de aandacht niet mee. Als liefhebber van nederpop uit alle jaren kunnen we alleen maar blij zijn dat deze parel alsnog naar boven is gekomen. Wie alles van Vitesse al heeft, kan eigenlijk niet om dit album heen. Hulde voor het werk dat is verzet om deze opnames op te dissen, poetsen en nu als dubbel-cd op de markt te brengen. Helaas zal de band niet meer toeren, maar hopelijk krijgen ze nog een beetje van de erkenning die ze ten zeerste toekomen.

Rick Treffers

De groep Mist kwam met het album The Loop of Love aan bod in de tweede editie van deze serie nederpopupdates. De grote overeenkomst is de stem van Rick Treffers. Op dit nieuwe album Looking For a Place To Stay luidt Treffers naar eigen zeggen een nieuwe episode in binnen zijn carrière. Op zoek naar nieuwe elementen in het leven en versterkt door de coronapandemie is hij in dit dozijn liedjes vooral op zoek naar wat vertraging in zijn leven kan brengen. Een weg die hij compositorisch al was ingeslagen voordat het eerste coronageval zich aandiende. In eerste instantie ingegeven door lichamelijk ongemak. De versterking kwam toen de wereld langzaam en soms zelfs hortend tot stilstand kwam. De ingewikkelde liefdesrelaties die onderwerp waren van zijn liedjes voor Mist maken plaats voor reflectie. Treffers heeft geen stem die doet opkijken, maar hij weet wel een heel aangenaam tapijt aan songs neer te leggen waarin je je als luisteraar kunt wentelen.

Titels spreken al boekdelen als we kijken naar ‘Time Is Really Running Out’, ‘After I’m Gone’, ‘How The Past Was Won’ en ‘The Life I Didn’t Live’. Toch is het album geen neerslachtig werk te noemen. In de melodieën van Treffers schijnt volop de zon en is het aangenaam verpozen zonder heftig in de schijnwerpers te staan. Dit is een album dat kan zorgen voor de nodige uurtjes verpozen en wegdrijven op zoek naar wat het leven aan moois te bieden heeft. Treffers kijkt in zijn teksten terug op zijn leven, maar kijkt ook waar de poel van aangenaam leven te vinden is, met het besef dat genieten van wat er wel is soms veel voldoening geeft. De titel ‘How The Past Was Won’ suggereert wat anders dan de inhoud werkelijk is: een liedje over vriendschap, en dankbaarheid over deze vriendschap, laat de zon schijnen als je ernaar luistert! Een mooi visitekaartje van dit album. Laat de zomer maar komen; dan draaien we dit album als de hangmat lonkt.

Michelle Sweegers

Nog niet zo lang geleden schreven we over het eerste album van de Tilburgse Harpiste Michelle Sweegers, gevuld met muziek geschreven door anderen. Met Once Upon a Time brengt Sweegers nu haar eigen composities tot leven op de harp. Natuurlijk klinkt harpmuziek sprookjesachtig en lijkt de hoesfoto van het album daarop aan te sluiten. Als we daarbij beseffen dat deze artieste in de tussentijd ook nog een boek met een eigentijds sprookje uitbracht onder de titel De goudboom, dan ben je geneigd dit als soundtrack te zien van het sprookje. Toch staat het los van elkaar.

Zowel de elektrische als de klassieke concertharp laat Sweegers klinken op dit nieuwe album vol eigen composities. De muzikale wereld van Sweegers balanceert op een koord tussen de klassieke, lichte en popmuziek. Een fraaie balans waardoor ze niet meteen in een hokje te stoppen valt. Dat deze jonge artieste talent heeft, is inmiddels niet onopgemerkt gebleven. Ze is in menig radio- en tv-programma te gast geweest om haar harpklanken en talent te laten klinken. Titels als ‘Chant de Fleurs’, ‘Vrijheid’ en ‘Raindrops’ herbergen de verscheidenheid aan talen, net zoals de verscheidenheid in de beleving, die ze met haar muziek wil oproepen. ‘Hypnotize’ laat deze harpiste van de meest experimentele kant horen in een heerlijk eigenzinnige compositie en dito uitvoering. Meestal klinkt de harp rustgevend, maar het opzwepende ‘Fire’ zal dan weer menig luisteraar verbazen. Hier wordt ze ondersteund door orkestrale klanken en gaat ze zelfs de filmische kant op. Deze muziek past niet bij het lieflijke hoesje, maar is een prachtige parel op het album!

Boeken / Fictie

De wandellust wakkert weer aan

recensie: Roadtrip - Graeme Simsion en Anne Buist

Fervente wandelaars zullen in hun handjes knijpen met de komst van het tweede deel van de Camino-reeks van Graeme Simsion en Anne Buist: Roadtrip. Ongetwijfeld biedt zowel deel 1 als deel 2 van de reeks inspiratie voor hen die graag in hun wandelschoenen stappen. ‘We hopen dat mensen door onze boeken zelf de pelgrimsroutes gaan lopen,’ zegt het schrijverspaar zelf in een interview met Het Parool (10 juni 2021). Dat zal hen zeker lukken.

Oude routes, oude geliefden

De wandellust zijn de Australische bestsellerauteur Graeme Simsion – bekend van de ‘Rosie-trilogie’ – en zijn vrouw Anne Buist nog lang niet verloren. In deel 1 van hun Camino-reeks, Camino, brachten ze hun hoofdpersonages Zoë en Martin bij elkaar op hun wandeltocht op de Camino de Santiago, de pelgrimsroute van Sint-Jakob, naar Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje. Die liefde leek met een sisser af te lopen, maar in dit nieuwe deel treffen de twee oud-geliefden elkaar weer op de oude pelgrimsroute Chemin d’Assise naar Rome. Graeme Simsion nam de mannelijke ‘verhaallijn’ op zich en Anne Buist was degene die Zoë tot leven bracht op papier.

Vastgelopen

In het eerste boek zijn de twee protagonisten eerst vreemden voor elkaar, die elkaar treffen in het Franse Cluny. Ze zijn ‘vastgelopen’ in hun leven. De Amerikaanse kunstenares Zoë rouwt om haar man Keith die naar alle waarschijnlijkheid zelfmoord heeft gepleegd en Martin, de Britse docent vormgeving en design, gaat na een gefaald huwelijk met zijn zelfontworpen bagagekarretje op pad. In dit eerste deel groeiden ze naar elkaar toe, maar op het einde bleek dat de liefde niet bestand was tegen de vele kilometers die hen scheidde en trok Zoë er de stekker uit. Beiden keren terug naar hun thuisland.

In het tweede deel, Roadtrip, borrelt de drang om de wandelschoenen aan te trekken opnieuw. Dit keer besluit Zoë haar vriendin Camille te ondersteunen, die MS heeft en de Chemin d’Assise naar Rome wil lopen ‘om de paus te zien’. Tenminste, dat is wat Camille’s partner Gilbert in zijn bericht aan Zoë schrijft. Het blijkt al snel duidelijk dat de MS ook Camille’s geheugen aantast en haar dingen laat denken en zeggen, die kant noch wal raken. Aangezien het voor Camille een grote uitdaging wordt om zich staande te houden op de route, wil Zoë maar wat graag het karretje van Martin lenen. Tegen de zin van zijn dochter Sarah in, besluit Martin om die hoogstpersoonlijk langs te komen brengen in Cluny, waar Camille en Gilbert wonen…

Blok aan het been

Sarah is een onwelkome toevoeging aan de lijst van bijfiguren. In het begin van het boek gedraagt ze zich als een onuitstaanbare tiener, terwijl ze toch al echt de twintig jaren heeft aangetikt. Gelukkig weet Bernhard, een vlotte en jonge Duitser – die Zoë en Martin drie jaar eerder ontmoeten op hun andere wandeltocht – Sarahs hart te veroveren en lijkt ze gaandeweg een beetje te ontdooien. Ze heeft het niet zo op de vrouw die in haar ogen een bedreiging is voor haar moeder, van wie haar vader inmiddels al gescheiden leeft. Zoë voelt dit ook aan en stopt al haar tijd en energie in het verbeteren van de band met Martins dochter. Tot haar grote ergernis gaat dit maar met héél kleine stapjes.

De liefde tussen Zoë en Martin wakkert weer snel aan. Erg snel. Wat minder snel en soepel verloopt, is de wandeltocht naar Rome. Camille is letterlijk en figuurlijk een blok aan het been: ze dreigt paranoïde te worden en beschuldigt Gilbert ervan dat hij haar bedrogen heeft. Martin en Gilbert proberen de boel te sussen. Dat lukt aardig met de vele flessen rood die ze achterover slaan, maar sommige problemen (groot en klein) vormen een extra last op de weg die al zoveel hindernissen kent.

Blogachtige sferen

Het boek leest weg als een realistisch verhaal. Het heeft iets weg van een blog van een overenthousiaste en bloedeerlijke wandelaar (Martin is – naast Bernhard – verreweg degene met de grootste dosis optimisme), die iets te veel prijsgeeft aan zijn lezers over zijn escapades en over de groteske veranderingen in zijn leven. Je merkt als lezer hoe zwaar de wandeltocht is voor degenen die hem lopen: de drie koppels ondervinden zowel fysieke als psychische tegenstand op hun weg richting de hoofdstad van Italië. Ook blijken de onderlinge verschillen groot: sommigen zijn ervoor gemaakt om continu in beweging te zijn, terwijl anderen te veel luxe dingen in hun tassen meesjouwen.

Van dit boek leer je in ieder geval om je tas zorgvuldig in te pakken alvorens je aan een reis als deze begint. Het is de ultieme wandelgids voor mensen die niet eens van wandelen houden, want je kunt alles vanuit je luie stoel volgen. Het schrijversechtpaar schrijft namelijk alles tot in detail op; al begint pas halverwege de roman het Italiaanse landschap tot leven te komen in het boek. Op een gegeven moment klimt Zoë namelijk in de pen en maakt ze tekeningen van de gastvrouwen- en heren bij wie ze in de B&B logeren. Op die manier ontstaan er allemaal mooie portretten van trotse tot rouwende Italianen: een familie die tegen wil en dank vastzitten aan hun B&B, een gastvrouw die een half altaar inricht voor haar dode man en kookgrage Italiaanse, rondborstige vrouwen die zo de achtergrond van een flyer over Italië zouden kunnen opvullen. Zoë en Martin knopen met haast iedereen een gesprekje aan om de couleur locale te kunnen proeven. Zo krijg je als lezer alle ins & outs te weten over rustieke plaatsjes als Trana en dergelijke.

Reisdoelen en fricties

Het knappe aan dit boek is dat het zoveel dialogen bevat, die zo soepel verlopen. Het boek bestaat meer uit dialogen dan uit beschrijvingen. Het gaat in het boek namelijk vooral om de onderlinge, sociale verhoudingen en de weerslag van zo’n wandeltocht op het reisgezelschap. Het mag dan wel niet zo’n ingrijpende reis zijn als die van Frodo Baggins richting Mordor, die overigens ook nog eens een écht reisdoel had (namelijk: het vernietigen van dé ring), maar toch overschaduwt één conflict vaak de sfeer binnen de groep. Soms ligt er iets te veel nadruk op het negatieve; de zes wandelaars lijken het soms eerder ongezellig dan knus te hebben. Toch blijkt ieder wel een drijfveer te hebben en is het een of andere motiverende reden die hen vooruit duwt: van boetedoening (Zoë) tot vergiffenis (Martin), van plezier (Bernhard) tot verlangen (Gilbert) en van bewijsdrang en een zekere hang naar avontuur (Sarah) tot een persoonlijke overwinning (Camille).

Juist doordat iedereen stiekem zo erg met zichzelf bezig is in het verwezenlijken van zijn of haar eigen dromen, ontstaan er fricties en moet de groepsdynamiek continu weer rechtgetrokken worden. In dit tweede deel zijn er veel meer protagonisten dan in het eerste deel, waardoor er minder woorden overblijven voor het beschrijven van de reis. Het accent ligt nu meer op de karakterontwikkelingen; al maakt niet iedereen deze door. Zo blijft Camille eigenlijk hetzelfde: een vrouw met haar hart op de tong. Ook ontkomt het zestal niet aan rampspoed: één van de wandelaars kan de route helaas niet voltooien…

Wie dit boek tot de laatste pagina uitleest, weet: we nemen nog geen definitief afscheid van Zoë en Martin. De twee verhaallijnen blijven elkaar kruisen en sluiten tevens goed op elkaar aan, omdat er geen verschil op te merken valt tussen de schrijfstijl van Simsion en Buist (de hoofdstukken ‘Martin’ en ‘Zoë’ wisselen elkaar continu af zonder dat het storend is). De twee schrijvers willen voor het derde deel van de reeks een wandeltocht afleggen in Japan, alwaar ze 88 tempels willen bezoeken die langs de route staan. Een tip voor de twee: neem enkele van die ‘extra’ medereizigers alsjeblieft niet meer mee!

Boeken / Non-fictie

Reis rond de halve wereld

recensie: De wereldwandelaars - Wim Willems

Er waren eens… vier dappere mannen en één vrouw die afkerig waren van alle alcoholische versnaperingen en er een vegetarische leefstijl op na hielden. Was dat hetgeen wat hen met elkaar verbond? Nee, deze vier idealisten trokken er – op hun tere wandelschoenen – in 1911 op uit om de wereld over te wandelen. Dit magistrale verhaal verdient méér dan vijf sterren, zeker omdat het op een memorabele en ongekend goede wijze op papier is gezet door auteur en historicus Wim Willems.

Ze waren wereldnieuws: de drie jongemannen Bram Mossel, Frans van der Hoorn en Gerard Perfors. Op zondagochtend 16 juli 1911 vertrokken zij vanaf de Dam in Amsterdam om een grens te overschrijden die ze nog nooit eerder hadden opgezocht: die van Nederland. De drie jonge geheelonthouders, die veel ophadden met de socialistische idealen, besloten in 1911 om een reis te maken door Europa, het Midden-Oosten om van daaruit naar Birma, Tibet, China, Korea, Japan te gaan met als kers op de taart: de oversteek naar Noord-Amerika.

Helaas gooide de Eerste Wereldoorlog roet in het eten en moesten de drie mannen (die er in Wenen nog een vrouwelijke compagnon bij kregen: Marie Zwarts) hun voettocht over de wereld al staken in Palestina. Dat maakte de reis die zij te voet aflegden niet minder indrukwekkend. In ieder land, in iedere stad en ieder dorp kwam een meute nieuwsgierigen op hen afgestormd: in Nederland werden ze in de grote steden massaal uitgezwaaid; niet alleen in Amsterdam, maar ook in Rotterdam, Haarlem en Den Haag stond jong en oud met een zakdoek hoog in de lucht te zwiepen als teken van afscheid. De drie mannen werden bejubeld en toegejuicht.

The European Dream

De publiciteit (vele kranten kregen lucht van de plannen van het drietal) zorgde ervoor dat hun namen overal bekend waren. Ook hielp het dat de drie mannen portretkaarten van zichzelf lieten maken. Voornamelijk uit noodzaak: met de verkoop hiervan kon het drietal hun reis bekostigen. De drie voorstanders van het vegetarisme maakten het onmogelijke mogelijk: voor drie arme sloebers als zij was het niet weggelegd om zo’n wereldreis te kunnen maken. Dat was enkel voorbehouden aan de allerrijksten: al eeuwenlang maakten jongelingen van adel een Grand Tour langs alle landen met een rijke cultuurgeschiedenis, zoals Italië en Griekenland, of vertoefden zij in luxe kuuroorden. Met terugwerkende kracht zou je hen misschien wel kunnen beschouwen als ‘The European Dream’: als reizen niet langer is voorbehouden aan de bourgeoisie, wat voor kansen biedt dat dan aan de gemiddelde kassajuffrouw of schoorsteenveger in een periode waarin men nog geen weet had van het naderende onheil?

De drie heren zouden het zelf anders verwoorden; zij hadden namelijk niets op met het ‘kwaadaardige’ kapitalisme. Bram, Frans en Gerard hadden zelf weinig omhanden; ze kwamen alledrie uit een gezin waarin hard gewerkt moest worden voor het brood op tafel. Met een optimisme als die van een pacifist, trokken ze door land en over zee. Over hun eigen ondervindingen wordt stevig uitgeweid in het boek: Willems romantiseert de reis niet. Integendeel, hij laat de drie wandelaars ook zelf aan het woord. Met name Bram Mossel schreef én tekende erop los. Op sommige pagina’s wisselen diens nauwkeurige schetsen van het landschap de foto’s van hem en zijn kameraden af. Dit biedt een verkwikkend inkijkje in het leven van de reislustigen.

Nog meer dan deze foto’s, spreken de passages van de drie wandelaars tot de verbeelding. Uit het beeldmateriaal en ander overgeleverd materiaal (zo schreef Bram bijvoorbeeld stukken voor De Amstelgids), pikt Willems er de juiste filosofische overpeinzingen uit, die zowel de ideeën van het drietal laten doorschemeren als een indrukwekkende karakterschets geven. Tevens blijkt uit menig passage hoe oordelend de drie zijn over de maatschappij en wordt almaar bevestigd hoe ver ze van diezelfde maatschappij zijn komen te staan.

Heimwee naar liefde

De drie mannen die kozen voor een ‘rein leven’, waren niet zonder slag of stoot uit Nederland vertrokken. Zowel Gerard als Frans lieten hun geliefde achter. Dat resulteerde in een uitputtende briefwisseling met het thuisfront. Het verlangen om zich bij hen te voegen was voor Marie Zwarts, de vriendin van Gerard, te groot en – tegen de nadrukkelijke wens van haar familie in, die hun ongetrouwde dochter liever niet zagen vertrekken – besloot ze het drietal op te zoeken in Wenen. Daar verloofden Marie en Gerard zich en met een geruster hart konden ze op pad richting Boedapest, alwaar Frans met zijn knappe verschijning vele hoofden op hol bracht.

In Hongarije scheidden de wegen van het viertal echter: wie dag en nacht met elkaar zit opgescheept, heeft soms tijd voor zichzelf nodig. Tenminste, Frans wilde graag in zijn eentje naar het zuiden van Hongarije lopen en van daaruit naar Kroatië en Bram prefereerde een alternatieve route door de Balkan. Ze zouden elkander na drie maanden weer treffen in Boekarest. Uit die tijd stammen diverse portretkaarten waarop nog maar één dappere wereldwandelaar te zien is. De drie mannen (en vrouw) lieten zich voor even individueel portretteren.

Eindstation Jeruzalem?

Heel wat stappen later, komen de vier wandelaars aan in het Midden-Oosten, alwaar ze niet altijd op één lijn liggen met de locals. Gelukkig ontmoeten ze daar ook inspirerende mensen, namelijk het Duitse echtpaar Ludwig en Lisbeth Ankenbrand, met wie ze zich lieten fotograferen aan de voet van de Sfinx van Gizeh en de piramide van Cheops in Egypte in begin 1913. Doordat de portretkaarten steeds minder goed verkochten, moesten de vier Nederlanders steeds meer en vaker geld lenen van hun Oosterburen. Een van de ingrediënten voor een latere explosie in het steeds groter wordende reisgezelschap.

Lang treurden de wereldwandelaars uit Nederland niet: ze vonden hun geluk in Jeruzalem, waar ze zich met gemak aanpasten aan het nieuwe dagritme. Ze leefden daar in harmonie met de Joodse bevolking. Dat gelukkige bestaan werd aangetast door de dood van de aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw in juni 1914. Wie had kunnen vermoeden dat dit dé aanleiding was voor een oorlog op wereldwijd niveau? Bram, Gerard en Marie besloten met de boot terug te varen naar hun thuisland, maar voor Frans was het te laat en hij bleef – voorgoed – in Palestina.

De reis vervolgt

Willems laat de lezer op dit moment gelukkig niet in de steek en maakt er geen spannende cliffhanger van, maar vertelt tot in detail hoe de wegen van de vier reisgezellen zich vanaf dat moment scheiden. Gerard en Marie kozen voor een relatief ‘burgerlijk’ bestaan en het was Gerard die de idealen van hen allemaal tot op een hoger plan bracht als overtuigde communist. Bram maakte met zijn vriendin Hendrien Schweiger een tweede én derde wereldreis (hetzij tweemaal op een fiets) en Frans genoot een hoge reputatie als hovenier in Kfar Giladi. Hun levens lagen in het verlengde van hetgeen waarvoor zij stonden en zij leken trouw aan zichzelf en hun idealen te blijven. Totdat de Tweede Wereldoorlog zijn intrede deed en de vriendschap voorgoed veranderde.

Over dit boek, met de treffende ondertitel ‘Een verbond van idealisten’, raak je niet gemakkelijk uitgepraat. Dit verhaal raakt je, laat je onderdompelen in een wereld vóór massatoerisme en maakt dat je je eigen levenskeuzes even goed onder het vergrootglas legt. Het verhaal is simpelweg indrukwekkend genoeg, maar de combinatie van de inhoud en de schrijfstijl zorgt ervoor dat dit een boek is om te koesteren. Wat schrijft Willems ongelofelijk sierlijk:

 

“Door het prisma van de weemoed braken die beelden van vroeger in glanzende kleuren uiteen.”

 

Niet alleen lijkt de rol van verhalenverteller Willems op het lijf geschreven te zijn (wat misschien in de lijn der verwachting ligt als een historicus aan het schrijven slaat), maar hij verweeft tevens zijn eigen kennis en ervaringen met die van zijn gekozen protagonisten. Willems koppelt boeken en schrijvers uit de tijd van de wereldwandelaars met de geloofsovertuigingen van die wereldwandelaars. Nescio en zijn Titaantjes, maar ook Lev Tolstoj krijgen haast een heldenstatus toegedicht en de intertekstuele verwijzingen getuigen van een grote kennis van de literaire wereld. Ook heeft het boek een persoonlijke noot: Willems vertelt over zijn eigen jeugd en vroegere idealen, over hoe hij in het hippietijdperk (de jaren ’70) voor het eerst een stap over de grens zette en wat dit met hem deed als persoon.

Dit boek krijg je niet meer uit je hoofd als je het eenmaal gelezen hebt. En bekeken: die opbeurende illustraties leiden tot escapisme, de drang om de (huidige) werkelijkheid te vergeten. Om met een dooddoener van een gezegde af te sluiten: Wim Willems is de docent geschiedenis die alle anderen doet vergeten.

Boeken / Non-fictie

Over politiek en literatuur

recensie: George Orwell – Tegen totalitarisme (vert. Thomas Heij)

Tegen totalitarisme is een bundeling van (sommige voor het eerst vertaalde) essays van de Engelse schrijver George Orwell. Orwell schrijft bevlogen over politiek, nationalisme, fascisme, maar ook over literatuur, het leven van een boekenrecensent en sigaretten. Zo tekent hij scherp en minutieus de staat op van het naoorlogse Engeland en Europa.

George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair) is bij het grote publiek voornamelijk bekend door zijn romans 1984 en Animal Farm. Mening middelbare scholier leest één van deze boeken (waarschijnlijk vooral het laatste, door zijn geringe omvang) nog altijd voor het vak Engels. Dat Orwell meer romans schreef is minder bekend. Dat hij daarnaast ook essays schreef voor kranten en tijdschriften weet alleen de echte Orwell-liefhebber (waaronder ondergetekende). Vertaler Thomas Heij is óók fan en schreef een sprankelende, ver van stoffige, vertaling.

Politiek

Tegen totalitarisme is niet zomaar gekozen als titel voor deze verzameling artikelen. Orwell typeerde zijn eigen werk als ‘tegen totalitarisme en voor democratisch socialisme’. Zijn fictieboeken zijn doorspekt van politiek en draaien rond concepten als macht, vrijheid, burgerschap, gelijkheid, waarheid, propaganda. Vanzelfsprekend komen deze onderwerpen terug in Orwells werk als journalist. Tegen totalitarisme begint met een bespreking uit 1940 van Mijn Kampf van Adolf Hitler. Orwell heeft kritiek op de nieuwe uitgave van het boek dat ‘vanuit een Hitler-gezinde kijk’ zou zijn uitgegeven. Een jaar later schrijft hij over hoe de Europese intellectuelen – geheel in lijn met het verlichtingsideaal –  denken dat mensen redelijk zijn en zich in hun handelen daardoor laten drijven. Niks is minder waar. ‘De kracht die de wereld daadwerkelijk vormgeeft komt voort uit emoties – raciale trots, leiderschapsaanbidding, religieuze overtuigingen, oorlogslust [ ..].’ (Uit: Wells, Hitler en de Wereldregering, 1941) Orwell fileert moeiteloos zijn eigen tijd, legt vooronderstellingen en drogredenen bloot. Hij ergert zich aan intellectuelen die hun ogen lijken te sluiten voor de werkelijkheid en liever moeilijke woorden gebruiken dan werkelijk te duiden wat er gaande is.

1984

De oplettende lezer die bekend is met Orwells beroemde dystopische roman 1984 (aanrader!) zal veel daarvan terugzien in de essays uit Tegen totalitarisme. Zo schrijft Orwell over hoe totalitaire staten een poging doen ‘de gedachten en gevoelens van zijn onderdanen net zozeer te beheersen als hun handelingen’. (Uit: Literatuur en Totalitarisme, 1941) Hij was dus al langere tijd bezig met de zogenaamde thought police die in 1984 burgers oppakt die verkeerde gedachten (zoals een negatieve gedachte over de staat) hebben. Let wel, niet alleen handelingen, maar dus ook gedachten komen onder invloed van de staat te staan. Ook de waarheidsparadox uit 1984 zien we in Orwells essays al terug. In hetzelfde essay schrijft hij: ‘De totalitaire staat stelt dogma’s waaraan niet mag worden getwijfeld, maar verandert ze van dag tot dag.’ Dit is precies wat The Ministry of Truth, waar de hoofdpersoon uit 1984 werkt, doet: propaganda produceren en elke dag nieuwe waarheden scheppen en de oude vernietigen, alsof ‘de waarheid’ nooit anders was. Zo kan een verhoging van de kosten voor zeg, benzine, verkocht worden als een daling van de prijs! De geschiedenis herschrijven is een belangrijk onderdeel van de propaganda in totalitaire regimes, om zo niet alleen het handelen maar ook de gedachten van burgers te beïnvloeden, ziet Orwell.

Dat degenen die zeggen dat zij de waarheid in pacht hebben in werkelijkheid soms leugenaars zijn is kennelijk iets dat Orwell in echte totalitaire staten uit zijn eigen tijd heeft opgemerkt. Dat blijkt ook uit het volgende citaat uit een ander essay: ‘Gebeurtenissen waarvan men het gevoel heeft dat ze niet hadden moeten gebeuren worden onvermeld gelaten en uiteindelijk ontkend.’ (Uit: Noties over nationalisme uit 1945) Dit is volgens Orwell een van dé kenmerken van totalitair nationalisme.

Schrijverschap

Orwell heeft geen hoge pet op van zijn collega-schrijvers uit het Engeland van de jaren ’40. Veel van hen laten zich verleiden om propaganda te schrijven en geven daarmee in feite hun ware schrijverschap op, zo stelt hij. De politiek neemt in zijn tijd, die leidt onder een groot oorlogstrauma, het hele journalistieke veld over; iets waar Orwell fel tegen ageert. Als schrijver kun je je politiek engageren, maar niet als schrijver, alleen vanuit jezelf als burger. ‘Je eigen mening opgeven, niet alleen ten gunste van een partijmachine, maar zelfs van een groepsideologie, komt neer op zelfvernietiging als schrijver.’

De Engelse taal wordt door deze inmenging van politiek langzaam uitgehold. Orwell verwijst naar de ‘gezwollen stijl’, waarin schrijvers terugvallen op Latijnse termen en onnodig lange woorden, om de inhoud van hun boodschap te verdoezelen. ‘Als de algehele toestand slecht is, dan heeft de taal daaronder te lijden,’ schrijft hij. Zo duidt Orwell de staat van het Engels in zijn tijd en de slechte, onzekere politieke omstandigheden, zo net na twee wereldoorlogen halverwege de twintigste eeuw.

Vrijheid van andersdenken

Uiteraard weet Orwell, zelf schrijver en journalist, waar hij over spreekt. In Tegen totalitarisme is ook de inleiding voor zijn boek Animal Farm opgenomen (dat niet gepubliceerd werd in de uitgave). In dit stuk, genaamd Vrijheid van drukpers (1945), schrijft Orwell over de totstandkoming van het boek. Vier uitgevers wezen het af (ondanks de grote boekenschaarste destijds). Eén van deze uitgeverijen accepteerde het boek in eerste instantie wel, maar keurde het later alsnog af. Het pro-Russische Engeland van die tijd was niet klaar voor een boek dat kritisch was op de heersende klasse. De uitgeverij schrijft in de afwijzingsbrief aan Orwell: ‘Ik ben van mening dat de keuze voor varkens als de heersende klasse ongetwijfeld aanstootgevend zal zijn voor veel mensen, en vooral voor iedereen die een beetje lichtgeraakt is, wat de Russen ongetwijfeld zijn.’ Hieruit blijkt de angst waarin men destijds leefde om iets verkeerds te zeggen.

Met zijn verhaal over boerderijdieren die een nieuw staatsbestel invoeren, waarin ‘alle dieren gelijk zijn, maar sommige dieren méér gelijk dan anderen’, legt Orwell dus de vinger op de zere plek. Hij is duidelijk geïrriteerd, boos zelfs, en dat maakt zijn essays bijzonder fijn om te lezen. Orwell komt op voor vrijheid van meningsuiting en walgt van het heersende dogma dat ‘een kritiekloze bewondering van de Sovjet-Unie verwacht’. Iemand die daar vraagtekens bij zet wordt het zwijgen toegebracht. Orwell citeert in Vrijheid van drukpers (1945) Rosa Luxemburg: ‘Vrijheid is altijd vrijheid van andersdenken.’

De recensent

Orwell recenseerde ook boeken. In Bekentenissen van een boekrecensent (1946) beschrijft hij hoeveel boeken de meeste recensenten maar half kunnen lezen voordat ze er slechts een korte recensie aan kunnen wijden, bij gebrek aan tijd. Ook hier heeft hij kritiek op de media van zijn tijd en pleit voor verandering. ‘De beste aanpak is om de grote meerderheid van de boeken te negeren en zeer lange recensies te wijden – duizend woorden is het absolute minimum – aan de weinige boeken die er wél toe lijken te doen.’ Dat zijn uiteraard níet de boeken waarin de schrijver zijn ziel heeft verkocht aan een partij- of propagandamachine. Meer inhoud en minder gezwets dus. ‘De gebruikelijke middellange recensie van een woord of zeshonderd is gedoemd om waardeloos te zijn, zelfs als de recensent echt de wil heeft haar te schrijven.’

Toekomstbeeld

Dat Orwell zijn tijd – en wat die nodig had om uit de misère te komen – goed kon doorvoelen blijkt ook uit het essay Naar Europese eenheid (1947). Hierin schetst Orwell drie mogelijke (en sombere) toekomstvisies die volgens hem alleen voorkomen kunnen worden door het op een groot gebied op gang krijgen van democratisch socialisme. Op de korte termijn die ervoor was kon dit volgens hem alleen in West-Europa, omdat deze landen een democratische en socialistische traditie kennen. Orwell durft stiekem, zonder al te veel optimisme, te hopen op ‘een federatie van West-Europese staten die zijn veranderd in socialistische republieken zonder afhankelijkheid van koloniën.’ Daaruit blijkt dat hij een goed beeld had van wat Europa zou kunnen redden van de zo gevreesde Derde Wereldoorlog, niet wetende dat deze Europese eenheid (pas!) elf jaar later, in 1958, zou aanvangen. Orwell schrijft dit op het moment dat India zich losmaakt van Engelse overheersing. De meeste Europese landen hebben in die tijd nog koloniën. Orwell noemt deze Europese eenheid ‘het enige politieke doel dat de moeite waard is.’

Hoop op een vrije toekomst

Als deze hoop geen waarheid zou worden, is de kans volgens Orwell groot dat we in een situatie terechtkomen zoals hij die heeft beschreven in 1984. Een waarin de angst voor de atoombom zo groot is, dat wereldwijd wordt besloten tot handhaving van de status quo. Een waarin de rijkdom verdeeld zou worden onder de rijkste mogendheden, ‘die elkaar niet kunnen verslaan en evenmin door een opstand van binnenuit omver geworpen kunnen worden.’ Dit was zijn grootste angst. Het zou stilstand betekenen, de mensen zouden in onvrijheid blijven leven en slechts enkelen zouden zich de belangrijkste rijkdommen toe-eigenen ten koste van de overgrote meerderheid. Gelukkig is het niet zo gelopen en is Orwells hoop op een nieuwe, welvarendere en vooral vrijere tijd voor Europa werkelijkheid geworden. Wellicht dat Orwells schrijven en zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting en andersdenken daaraan hebben bijgedragen.

Het feit dat zijn boeken nu nog gelezen worden stemt hoopvol. Nog mooier zou het zijn als ook zijn essays over politiek en samenleven herlezen worden door ons, in deze tijd waarin de Europese eenheid niet langer vanzelfsprekend is. Tegen totalitarisme is een absolute aanrader.

Boeken / Non-fictie

De blik van de schilder

recensie: Monica de Ruiter - Kijk als een kunstenaar. Van theedoek tot terpentine: hoe schildertechnieken en materialen de kunstgeschiedenis beïnvloeden.

Als rondleider in het Rijksmuseum krijg Monica de Ruiter vaak de vraag hoe een bepaald werk gemaakt is. Toch focussen de meeste kunstgeschiedenisboeken op het wat en niet op het hoe. De Ruiter nam het heft in eigen handen en schreef het verdienstelijke Kijk als een kunstenaar.

Zowel het materiaal waarop geschilderd is als de gebruikte verf bepalen voor een belangrijk deel hoe een werk eruit ziet. De Ruiter trapt af met een hoofdstuk over de drager. In de loop der tijd hebben kunstenaars zo’n beetje alles als ondergrond voor hun schilderijen gebruikt. Wanneer Van Gogh bijvoorbeeld geen schilderdoeken voorhanden had, nam hij zijn toevlucht tot theedoeken. Maar denk ook aan hedendaagse voorbeelden als Daan Roosegaarde, die met zijn techno-installaties de publieke ruimte als medium gebruikt. Fascinerend is het interview met Annelies Troebes, de enige professionele frescokunstenaar in Nederland. Trefzekerheid is een belangrijke eigenschap voor de frescoschilder: muren zijn een medium die weinig ruimte laten voor het herstellen van fouten.

Verf als beeldbepaler

Veruit de meeste hoofdstukken handelen over de verschillende verfsoorten en hun eigenschappen. Olieverf werd lang als de heilige graal van de schilderkunst gezien. Toch omarmen steeds meer kunstenaars acrylverf, waaronder Tjebbe Beekman: ‘[Acrylverf] droogt snel, het is een beetje stugger, nou ja, het wordt helaas steeds beter gemaakt, dat is wel jammer. Olieverf is veel te smooth.’

Olphaert den Otter schildert als een van de weinigen nog met temperaverf. Deze veelal in de middeleeuwen gebruikte verfsoort bestaat uit pigmentpoeder dat met ei als bindmiddel wordt vermengt. Dit lijkt tegenwoordig een omslachtig proces, maar volgens Den Otter is de kleurkracht ongeëvenaard. Ook vermengen de kleurvlakken niet, waardoor de schildering het effect van een collage kan krijgen.

Originele insteek

Kijk als een kunstenaar is verfrissend. In plaats van het zoveelste boek over kunststromingen te schrijven, gooit De Ruiter het over een andere boeg en benadert ze kunst vanuit de materiele eigenschappen. Ook de vele interviews met kunstenaars voegen echt iets toe: de schrijver bezocht ze in hun ateliers, wat waardevolle omschrijvingen van hun werkruimten oplevert.

De Ruiter bewijst dat inhoud en techniek niet los te koppelen zijn. De keuze voor bepaalde materialen is nooit objectief, zo bewijzen de vele kunstenaarsinterviews. Ze kiezen voor wat bij hun praktijk past en leren vervolgens de materialen naar hun hand te zetten.

Boeken / Non-fictie

Een merkwaardig stukje Nederland

recensie: De Friezen – Flip van Doorn

Er zijn mensen die nadrukkelijk zeggen dat ze bijvoorbeeld naar ‘Hambourk’ met vakantie gaan en daar overdreven Duits gearticuleerde zinnen aan vastknopen. Flip van Doorn zul je op zulk soort uitlatingen die vermeende talenkennis moet benadrukken niet kunnen betrappen. Hij blijft zichzelf.

Journalist en schrijver Flip van Doorn woont ‘gewoon’ in IJlst en niet in Drylts en heeft het over ‘Fries’ en niet ‘Frysk’. Zo blijft hij toeschouwer en vindt het een wonder dat hij zich thuisvoelt in ‘dat merkwaardige stukje Nederland’. Bovendien laat hij niet na te benadrukken dat zijn kennis van de Friese taal te wensen overlaat en dat hij bij elke poging om zich hierin uit te drukken ook nog steeds wordt uitgelachen …

Elf tochten

Van Doorn, die eerder samen met Jolanda Denekamp Elfstedenpad schreef en ook al eerder het verschijnsel ‘invented tradition’ (in Een verzonnen koninkrijk) onderzocht, onderneemt nu elf tochten om de Friezen en hun mythen te leren kennen. Van Leeuwarden tot Rome (de Friezenkerk!) en weer terug naar de hoofdstad van het heitelân van Van Doorns grootvader en diens voorgeslacht.

De beschrijvingen van de tochten die Van Doorn onderneemt, worden doorspekt met herinneringen aan de paar keer dat zijn broertje en hij als jongens met opa mee werden genomen naar bijvoorbeeld Leeuwarden. Groot was zijn teleurstelling toen hij Us Mem zag; het bleek geen beeld van zijn oma – zoals opa had doen voorkomen – maar van een Friese stamboekkoe. Over een ander beeld, de fontein van Jaume Plensa voor het station, laat hij zich wat ‘sunich’ uit.

Zo’n zuinige opmerking komt des te duidelijker uit, omdat andere beschrijvingen in een poëtische stijl zijn geschreven. Soms zelfs vol superlatieven, die een beetje overdone zijn, zoals: ‘Een van de ruim vijftig kerkgebouwen die de Stichting Alde Fryske Tsjerken onder haar liefdevol beschermende vleugels heeft genomen.’ Maar aan de andere kant benadrukken ze zo al dan niet bewust wél het dubbelzinnige karakter van de Friezen zoals Van Doorn ze beschrijft: tegendraads en tegenstrijdig, creatief en conservatief, onzeker en zelfbewust, open en gesloten.

De vraag is dan: wat bindt toch al die Friezen? Het water? Want ‘met nagenoeg elke stap die ik langs de Waddenkust zet (…) lijken de taal, de tradities, de gebruiken en alles wat een volk verder maar kenmerkt te veranderen.’

Het Friese eigen

Zo mijmert Van Doorn verder. Over de mythe rond Bonifatius, de etymologie van ‘Fries’ (vrij, geliefd), vanuit het verleden naar het heden en weer terug, via hoofdwegen en zijpaden (‘Ik dwaal af’). ‘Neem de tijd’, zegt de Augustijn Père Thomas tegen de auteur wanneer hij op weg naar Rome de abdij van Saint-Maurice bezoekt, maar dat is eigenlijk onnodig, want dit doet hij al, al noemt hij zichzelf nog zo haastig. Hij schrijft op een heerlijke, wat loom overkomende manier.

Hij onderneemt geen pelgrimstocht in de eigenlijke betekenis van het woord, maar de lezer kan met hem meevoelen wanneer hij de sensatie beschrijft over een Romeinse weg te lopen. ‘Deze stenen’, schrijft hij, ‘zijn mijn relieken.’ Of wanneer hij, met een verwijzing naar het beroemde gedicht van Rutger Kopland (‘Jonge sla’), het heeft over de pas gemaaide velden, ‘die helder en fris ogen als jonge sla’. Het is, schrijft hij, ‘van een schoonheid die hebberig maakt. Dit land zou ik willen bezitten.’

De Friese taal

Ook de Friese taal wordt in soortgelijke bewoordingen raak gekarakteriseerd, met z’n zangerige ie-klank die ‘verglijdt van de ene klinker naar de andere en stijgt in toon naar wat in het Fries zo fraai een twalûd heet.’ Het zorgt er zelfs voor, dat de lezer die het Fries (een beetje) machtig is, onwillekeurig soms in het Fries doorleest: ‘In ’t Frysk, fansels’, hoewel er op verschillende plaatsen een taal wordt gesproken die afwijkt van het gangbare Fries: Bildts, Liwwardders en zelfs het Nedersaksische Stellingwerfs. Gerard Reve, over wie Van Doorn enkele interessante pagina’s biedt, inclusief een vergelijking met de schilderijen van Jopie Huisman, noemde het Fries overigens ‘een keelziekte’. Commentaar van Van Doorn: ‘Smaken verschillen.’

Je blijft geboeid doorlezen. Niet kritiekloos, nee – dat nu ook weer niet, want bij het refrein ‘Vooruit naar vroeger’ bijvoorbeeld gaan de wenkbrauwen onwillekeurig toch wat omhoog. ‘Net [niet] slecht’, zullen stadsfriezen over dit boek wellicht zeggen. En dat betekent: verdraaid goed, dit zo rijke boek dat méér is dan een geschiedenis van de Friezen van Leeuwarden tot Rome en weer terug!

Boeken / Non-fictie

Een jaar vol verrassingen

recensie: Bonusland - Jasper van Kuijk

Wie cabaretier Jasper van Kuijk in actie ziet tijdens een van zijn voorstellingen, weet dat Van Kuijk gevat is. Op subtiele wijze weet hij de lezer met zijn boek Bonusland aan het lachen te krijgen. Niet dat dát zijn doel is: dit is een relaas van een gezin dat alle gemakken opzij schuift om te kijken of zij ook gedijen in de Zweedse cultuur. Een reis die je fantasie aanspreekt.

Tweede moederland

Emigreren is al lastig genoeg. Probeer het dan maar eens met drie kleine koters, van respectievelijk zeven, vijf en drie jaar oud. Zo noemt cabaretier, columnist en ontwerpwetenschapper aan de TU Delft, Jasper van Kuijk, zijn kinderen in het boek, hetzij met hoofdletters. Voor de Volkskrant schreef hij al langere tijd de column ‘Hoe moeilijk kan het zijn?’, waarin hij denkfouten in/over ontwerpen onder de loep nam, voordat hij verslag legde van zijn jaar in Zweden (de naam voor de column ‘Een jaar in Zweden’ zegt alles). Met zijn ‘Ems’, zijn vrouw en de moeder van hun drie kinderen, besloot hij om na te gaan in hoeverre zijn roots tevens in Zweden liggen. Zijn moeder verliet jaren geleden haar thuisland, het Scandinavische Zweden, om zich – naar het lijkt – voor altijd te vestigen in Nederland met een – verrassing – Nederlander.

Van Kuijks moeder deed nog een dappere poging om haar zoon de Zweedse taal bij te leren, maar al op Van Kuijks derde levensjaar breide ze daar, vanwege desinteresse vanuit zijn kant, een eind aan. Van Kuijk leerde zijn ‘tweede moederland’, wat hij zijn ‘Bonusland’ noemt, al kennen tijdens zijn viermaandelijkse stage bij Ericsson in Lund en tijdens de zomervakanties bij zijn neef Kalle en Jonas, maar écht proeven van dat Zweedse leven – en vooral van die Swedish way of living – is hem nooit helemaal gelukt. Eerder dan bij hem, begint het bij zijn vrouw te borrelen: wat als ze zich met hun kleine gezinnetje nu eens voor één jaar vestigen in het land dat bekendstaat om ABBA, Ikea, Pippi Langkous, Kanelbullar (dit Zweedse goed kent zelfs een eigen feestdag) en gehaktballetjes?

Ons kent ons

Van Kuijk en zijn vrouw vrezen voor de gehele misère die emigratieplannen met zich mee kunnen brengen, maar het gaat ze vrij gemakkelijk af: een school is zo gevonden (vooruit, het betreft wel een dorpsschool op het Zweedse platteland, maar toch) en zelfs een huis vinden is in een mum van tijd gepiept. In de kleine gemeenschap van een dorp dat vlakbij de school ligt, wordt al druk rondgevraagd of iemand een adresje weet en verrek: Sissi, oud-klasgenoot van neef Jonas, biedt een gemeubileerd huis aan voor één jaar. De krachtige spil achter deze zoektocht blijkt de lanthandel te zijn, die ooit werd gerund door Sissi’s vader en nu is overgenomen door de goedhartige Stina. De lanthandel betreft een lokaal plattelandssupermarktje, de tegenhanger van de enorme supermarkten waarvoor Van Kuijk en zijn familie maar liefst één uur moeten rijden om hun dagelijkse boodschappen in te kunnen slaan.

De lanthandel is een zegen, voor alles en iedereen. Niet omdat deze zich dichter bij het hart van het dorp bevindt, maar omdat deze lanthandel min of meer werkt als een vrolijke ontmoetingsplaats voor de dorpelingen. De cohesie tussen de inwoners van het dorp nabij Karlstad, waar ze gaan wonen, is opvallend hecht. Dat is even wennen voor het Nederlandse gezin, dat al enkele jaren gehuisvest is in de drukke binnenstad van Delft.

Aan het begin treft de cultuurshock vooral de kinderen, die een beetje onwennig beginnen op hun school en voorschool (de förskola) en nog enigszins glazig voor zich uit staren in hun klas, die maar zo’n veertien kids telt. Ook andere uitjes, zoals de eerste skiles, brengen haast een soort paniek teweeg bij de drie zoons van Van Kuijk. Na enkele weken tetteren de drie kereltjes al gemakkelijk in het Zweeds en lijkt Ems de taal beter onder de knie te krijgen. De inburgering verloopt haast vlekkeloos: kerst (‘jul’) is ongeveer het belangrijkste feest voor de Zweden naast Midzomer (de Zweden vieren dan tussen 19 en 25 juni het begin van de zomer) en dat moet natuurlijk in alle glorie gevierd worden. Daar zijn de huizen zowel van binnen als van buiten op aangepast. Zo vertelt Van Kuijk over het ingenieuze ophangsysteem dat de Zweden hebben bedacht voor het ophangen van de lampjes voor hun ramen.

Kortstondig thuisland

Juist die ontdekkingen maken het boek zo leuk voor de lezer: Van Kuijk is als een gretig kind dat alles voor de eerste kind aanschouwt en al die nieuwigheden aan de onwetende weet door te geven. Er is niet echt sprake van een botsing van culturen; eerder van een versmelting van twee culturen. Door Van Kuijk wordt gaandeweg toch een vergelijking gemaakt tussen zijn moederland en zijn bonusland, oftewel thuisland één en thuisland twee (adoptieland Zweden). Zweden komt daarbij in steeds positiever daglicht te staan.

Na een bezoek aan Nederland in januari, blijken de kinderen ook in te zien dat Zweden zo zijn pluspunten heeft. Delft vinden ze tijdens hun korte weerzien met Nederland maar ‘druk’ en in Zweden hebben ze een heerlijke, uitgestrekte tuin, die het gemis om de Rubble-speeltjes, treintjes en ‘Paw Patrol-prul’ in de kiem smoort. In diezelfde tuin plukken ze zo – uit eerste hand – de meest lekkere vruchten. Ultieme favoriet, naast de grote blauwe bosbessen, is de smultron, waarvan Van Kuijk enkele stekjes meeneemt naar zijn Delftse stadstuintje.

Zweden is ook de plek waar andere passies opnieuw opleven en gemiste kansen eindelijk met beide handen gegrepen worden. Zo koopt Van Kuijk een Honda MT-50 in discutabele staat en kan hij eindelijk weer klussen en sleutelen aan zijn eigen tweewieler. Is het dan alleen maar pais en vree? Blijft Van Kuijk met zijn familie in Zweden? Op beide vragen klinkt een niet al te stellig ‘nee’. Van Kuijk hield het echt bij één jaar. Een jaar waarin ze ook opgeschrikt werden: een kind dat zich ernstig verwondt op het platteland met een ziekenhuis dat zich mijlenver van je idyllische rood met witte huis bevindt, de coronacrisis die ook haar slachtoffers opeiste in Zweden en de – in Van Kuijks ogen – onverdiende en harde kritiek van andere EU-lidstaten op het handelen van Zweden tijdens een van de grootste pandemieën die de wereld ooit heeft getroffen. Toch lijkt Van Kuijk voornamelijk betoverd te zijn door het land, dat zijn oudere broer wel volledig heeft omarmd alsook een oud-collega van TU Delft. Beiden vertrokken al eerder naar het uitgestrekte land. De vraag is nu of Van Kuijk hen achterna volgt. Missen doet hij het wel en ook zijn vrouw en kinderen denken geregeld vol verlangen terug aan hun kortstondige thuisland…

Verbeterde levensstandaard?

Voor een ‘halve Zweed’ die te kennen geeft dat hij niet zoveel op heeft met ABBA of Pipi Langkous, is hij toch onder de indruk van de leefwijze van de Zweden. Wie op het Nederlandse stadsleven inruilt voor het Zweedse platteland, zal veel moeten opgeven. Dat wil zeker niet zeggen dat de levensstandaard achteruitgaat. Als we Van Kuijk op zijn woord kunnen geloven, vertrekken we nog liever vandaag dan morgen. Dit boekje vol columns leest als een dagboek, waarin eerlijk wordt verhaald over zowel geluksmomenten als tegenslagen. Dat maakt het – nogal logisch – een realistisch boek, waarbij je ook kunt genieten van de kleine jubelmomentjes en het unieke inkijkje dat gegeven wordt.

Van Kuijk schrijft heel toegankelijk en met de nodige humor. Toch is het jammer dat sommige situaties elkaar zo snel opvolgen. Alles passeert vrij vluchtig. Je wilt sommige gebeurtenissen graag nog iets langer uitrekken en je nog iets meer wentelen in het moment. Misschien krijgt Van Kuijk daar nog alle gelegenheid toe als hij tóch die definitieve stap zet: zich deze keer voor onbepaalde tijd in Zweden vestigen. Dan kan Van Kuijk die motor uit de schuur van zijn neef halen én zijn blik op oneindig zetten als hij door het Zweedse platteland en die o zo geliefde bossen heen raast.