Berichten

Boeken / Non-fictie

Habsburgers wilden vooral boven de partijen staan

recensie: De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht - Martyn Rady

Als in de laatste scène van Shakespeare’s Hamlet alle helden dood op de grond liggen, verschijnt plotseling prins Fortinbras uit Noorwegen op het toneel om de vacante troon op te eisen. De Habsburgers, die tussen 1273 en 1918 vrijwel onafgebroken heersten over grote delen van Midden-Europa, handelden precies zo. In zijn vlot vertaalde boek De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht beschrijft Martyn Rady mooi hoezeer de Habsburgers in de beginperiode afhankelijk waren van het leed van anderen.

De Habsburgers kwamen oorspronkelijk uit Zwaben. In de dertiende eeuw verdienden ze veel geld met tolheffing. Na de val van de Hohenstaufers werd Rudolf I (1218-1291) in 1273 in Aken zelfs tot rooms-koning van het Heilig Roomse Rijk gekozen. Door een uitgekiende huwelijkspolitiek wist Rudolf bovendien Oostenrijkse gronden in bezit te krijgen. Toch werden de Habsburgers in 1356 buiten het belangrijkste document uit de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk, de Gouden Bul, gehouden. Daardoor mochten ze niet meebeslissen wie tot koning werd benoemd. Uit nijd schudden de Habsburgers hun Zwabische verleden af en werden Oostenrijkers.

Verzonnen verleden

Daarvoor moesten deze parvenu’s zichzelf wel opnieuw uitvinden. Met behulp van vijf oorkondes vervalste Rudolf van Habsburg (1339-1365) de familiestamboom. Daarin stond de totale macht van de nieuw gecreëerde functie van de aartshertog van Oostenrijk centraal, was de kerk ondergeschikt aan hem en werden zijn functie en goederen erfelijk. Om een link met de Romeinen te kunnen leggen, beweerde Rudolf van de Romeinse senatoren-familie Colonna af te stammen. Op die manier konden de Habsburgers zichzelf als de ware erfgenamen van de keizerlijke titel presenteren.

Humanisten deden daar in de zestiende eeuw nog een schepje bovenop. Ze dichtten de Habsburgers een uitzonderlijke status van ‘universele monarchen’ met de daarbij behorende keizerstitel toe. Uit de hofbibliotheek van Wenen (gebouwd in de jaren 1720) blijkt de grenzeloze ambitie van de Habsburgers. Op de pilaren van de bibliotheek, die staan voor de zuilen van Hercules, prijkt het motto van de familie Plus Ultra (steeds verder). Op het fresco daarboven staan drie godinnen die een vaandel dragen waarop AEIOU staat geschreven. Dit acrostichon staat hoogstwaarschijnlijk voor Alles Erdlich Ist Österreich Untertan: het is aan Oostenrijk de gehele wereld te beheersen. Overigens vond de beroemdste humanist Erasmus dergelijke pretenties maar onzinnig: ‘koningen en gekken worden geboren en niet gemaakt.’

Huwelijkspolitiek

Net als prins Fortinbras waren de Habsburgers er als de kippen bij om bezittingen van uitgestorven adellijke families te ‘claimen’. Daarnaast waren ze gelukkig in het sluiten van politieke allianties door het uithuwelijken van hun kinderen. Die huwelijken waren niet zonder risico. Frederik III (1415-1493) smeedde het over Europa versnipperde erfgoed aaneen. Zijn opvolger Maximilaan (1459-1519) nam een gok door het sluiten van huwelijken met het Huis van Jagiello (Hongarije en Bohemen) en het Huis van Aragón (Spanje). Doordat beide huwelijken geen mannelijke erfgenaam opleverden, kregen de Habsburgers grote delen van Midden-Europa én de Spaanse bezittingen in de Nieuwe Wereld in de schoot geworpen. Niet voor niets was een bekende uitspraak uit de zeventiende eeuw: ‘Terwijl anderen oorlog voeren, trouw jij, Gelukkig Oostenrijk.’

Maximiliaan I en zijn familie

Onder keizer Karel V (1500-1558), gezegend met de door inteelt veroorzaakte terugwijkende bovenkaak en vooruitgeschoven kin, groeiden de Habsburgers uit tot een wereldmacht met een nieuwe missie. In de visie van Karel moest de dynastie op één lijn worden gebracht met de verdediging van het katholieke geloof. Opmerkelijk genoeg streefde Karel ernaar boven de partijen te staan. Karel droomde aanvankelijk van vrede met alle christelijke vorsten en zocht naar een theologische formule om de verschillen tussen katholicisme en het opkomende protestantisme te overbruggen. Rady stipt deze episode jammer genoeg slechts summier aan, zoals alle Habsburgers in sneltreinvaart worden behandeld. Overigens toonde Karel zich na de overwinning op protestantse vorsten mild: krachtens de Vrede van Augsburg van 1555 mochten vorsten en heren zelf bepalen welk geloof ze aanhingen.

Keizer Karel V

Don Juan

Na de dood van Karel in 1558 vielen de Habsburgse bezittingen uiteen. Zijn zoon Filips II (1527-1598) erfde het Spaanse deel inclusief de Nederlanden, terwijl Karels broer Ferdinand (1503-1564) over het Midden-Europese deel regeerde. Filips ontpopte zich in zijn gebieden tot een onverzoenlijke geloofsfanaticus. Om de band tussen de dynastie en het katholieke geloof te onderstrepen liet Filips buiten Madrid het Escorial bouwen, compleet met een mausoleum waarin hij familieleden liet (her)begraven. Ferdinand was pragmatischer. Hij accepteerde dat protestanten in verschillende landdagen in de meerderheid waren en zette protestanten op sleutelposities van het steeds verder uitdijende overheidsapparaat.

Escorial

Toen in de Nederlanden in de jaren 1560 het protest van edelen tegen aangekondigde hervormingen uitmondde in de eis om godsdiensttolerantie, reageerde Filips door Alva te sturen. Rady beschrijft het allemaal als een wervelwind, waarbij je af en toe snakt naar een smeuïge anekdote. Gelukkig staan die sporadisch ook in het boek. Toen Filip’s halfbroer Don Juan in oktober 1578 na een mislukt avontuur als landvoogd van de Nederlanden stierf, maakten de Engelsen en de opstandelingen op zee de dienst uit. Om te voorkomen dat de vijand Don Juan in handen kreeg, werd zijn lijk daarom niet per schip vervoerd, maar in stukken gehakt, in zadeltassen gestopt en via Frankrijk naar Madrid gestuurd. Daar werden de delen samengevoegd en in het Escorial begraven.

Bureaucratische botanisten en verzamelaars

Maria Theresia (1717-1780) en haar zoon Jozef II (1741-1790) zagen de staat als een machine waarin alle tandraderen precies op elkaar ingrijpen. Orde, regelmaat, observatie, verantwoording en bestuur van bovenaf werd de nieuwe bestuursstijl. Om de staatsbureaucratie optimaal te laten draaien hervormden zij het leger en de belastingen, maar ze innoveerden ook. Onder hun bewind professionaliseerde het ambtenarenapparaat door de instelling van vaste werktijden (8-19 uur). Tevens hielden ze in verband met de rekrutering van het leger volkstellingen, al snel gevolgd door een andere noviteit, het nummeren van huizen.

Daarnaast waren de Habsburgers verwoede verzamelaars van dieren, medailles, munten en planten. Het verzamelen en verspreiden van (wetenschappelijke)kennis werd een nieuwe missie van de Habsburgers. Vandaar dat hun verzamelingen – volgens de laatste wetenschappelijke inzichten zorgvuldig werden gecatalogiseerd en toegankelijk waren voor het publiek. Zo stond de echtgenote van Maria Theresia, Frans Stefan (1708-1765), aan de wieg van het Museum van Natuurlijke Historie in Wenen en was de dierentuin van Schönbrunn (1752) de grootste van Europa. Ook hier trakteert Rady de lezer op een aandoenlijk verhaal. Toen in 1775 een Oostenrijkse Oost-Indische Compagnie werd opgericht en Oostenrijk kortstondig over een zeemacht beschikte, deed Jozef II (1741-1790) dat niet vanuit commerciële motieven. Eigenlijk was hij slechts geïnteresseerd in het vervangen van zijn botanische collectie, die door een ongeluk in zijn kassen verloren was gegaan.

Zwanenzang

Na de val van Napoleon creëerden de grootmachten van Europa tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) een nieuw machtsevenwicht. Metternich, de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zorgde ervoor dat de status-quo stand hield. Toen in 1848 Europa in de ban raakte van revolutionaire omwentelingen, bleven de Habsburgers dankzij het leger in het zadel. Frans Jozef (1830-1916) voerde weliswaar een eigen grondwet in, maar moest niets hebben van politieke inspraak. Voor zijn bureaucratische absolutisme vertrouwde hij alleen op ambtenaren. Na de verpletterende nederlaag tegen Pruisen in 1862 ontstond in 1867 de ‘dubbelmonarchie’ Oostenrijk-Hongarije, een multinationaal gedrocht. Hongarije werd onafhankelijk maar bleef wel binnen het Habsburgse Rijk.

Congres van Wenen (1814 – 1815)

Rady laat goed zien hoe deze constructie een voedingsbodem bleek voor het nationalisme dat in alle Habsburgse gebieden sluimerde. De status aparte van Hongarije wekte de jaloezie van andere volkeren, zoals de inwoners van Bohemen, die zich achtergesteld voelden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, die begon met de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand – over wie Rady opvallend mild oordeelt – schaarden de verschillende nationaliteiten van het rijk zich nog één keer achter de keizer. Desondanks was het lot van de Habsburgers verbonden met dat van het Duitse keizerrijk. Waar eerder na een verloren slag een verdrag kon worden gesloten en eventuele gebieden werden prijsgegeven, moest de blanco cheque van 1914 aan Duitsland worden terugbetaald. Door de nederlaag van Duitsland spatte het Habsburgse rijk uiteen.

Boeken / Non-fictie

Habsburgers wilden vooral boven de partijen staan

recensie: De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht - Martyn Rady

Als in de laatste scène van Shakespeare’s Hamlet alle helden dood op de grond liggen, verschijnt plotseling prins Fortinbras uit Noorwegen op het toneel om de vacante troon op te eisen. De Habsburgers, die tussen 1273 en 1918 vrijwel onafgebroken heersten over grote delen van Midden-Europa, handelden precies zo. In zijn vlot vertaalde boek De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht beschrijft Martyn Rady mooi hoezeer de Habsburgers in de beginperiode afhankelijk waren van het leed van anderen.

De Habsburgers kwamen oorspronkelijk uit Zwaben. In de dertiende eeuw verdienden ze veel geld met tolheffing. Na de val van de Hohenstaufers werd Rudolf I (1218-1291) in 1273 in Aken zelfs tot rooms-koning van het Heilig Roomse Rijk gekozen. Door een uitgekiende huwelijkspolitiek wist Rudolf bovendien Oostenrijkse gronden in bezit te krijgen. Toch werden de Habsburgers in 1356 buiten het belangrijkste document uit de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk, de Gouden Bul, gehouden. Daardoor mochten ze niet meebeslissen wie tot koning werd benoemd. Uit nijd schudden de Habsburgers hun Zwabische verleden af en werden Oostenrijkers.

Verzonnen verleden

Daarvoor moesten deze parvenu’s zichzelf wel opnieuw uitvinden. Met behulp van vijf oorkondes vervalste Rudolf van Habsburg (1339-1365) de familiestamboom. Daarin stond de totale macht van de nieuw gecreëerde functie van de aartshertog van Oostenrijk centraal, was de kerk ondergeschikt aan hem en werden zijn functie en goederen erfelijk. Om een link met de Romeinen te kunnen leggen, beweerde Rudolf van de Romeinse senatoren-familie Colonna af te stammen. Op die manier konden de Habsburgers zichzelf als de ware erfgenamen van de keizerlijke titel presenteren.

Humanisten deden daar in de zestiende eeuw nog een schepje bovenop. Ze dichtten de Habsburgers een uitzonderlijke status van ‘universele monarchen’ met de daarbij behorende keizerstitel toe. Uit de hofbibliotheek van Wenen (gebouwd in de jaren 1720) blijkt de grenzeloze ambitie van de Habsburgers. Op de pilaren van de bibliotheek, die staan voor de zuilen van Hercules, prijkt het motto van de familie Plus Ultra (steeds verder). Op het fresco daarboven staan drie godinnen die een vaandel dragen waarop AEIOU staat geschreven. Dit acrostichon staat hoogstwaarschijnlijk voor Alles Erdlich Ist Österreich Untertan: het is aan Oostenrijk de gehele wereld te beheersen. Overigens vond de beroemdste humanist Erasmus dergelijke pretenties maar onzinnig: ‘koningen en gekken worden geboren en niet gemaakt.’

Huwelijkspolitiek

Net als prins Fortinbras waren de Habsburgers er als de kippen bij om bezittingen van uitgestorven adellijke families te ‘claimen’. Daarnaast waren ze gelukkig in het sluiten van politieke allianties door het uithuwelijken van hun kinderen. Die huwelijken waren niet zonder risico. Frederik III (1415-1493) smeedde het over Europa versnipperde erfgoed aaneen. Zijn opvolger Maximilaan (1459-1519) nam een gok door het sluiten van huwelijken met het Huis van Jagiello (Hongarije en Bohemen) en het Huis van Aragón (Spanje). Doordat beide huwelijken geen mannelijke erfgenaam opleverden, kregen de Habsburgers grote delen van Midden-Europa én de Spaanse bezittingen in de Nieuwe Wereld in de schoot geworpen. Niet voor niets was een bekende uitspraak uit de zeventiende eeuw: ‘Terwijl anderen oorlog voeren, trouw jij, Gelukkig Oostenrijk.’

Maximiliaan I en zijn familie

Onder keizer Karel V (1500-1558), gezegend met de door inteelt veroorzaakte terugwijkende bovenkaak en vooruitgeschoven kin, groeiden de Habsburgers uit tot een wereldmacht met een nieuwe missie. In de visie van Karel moest de dynastie op één lijn worden gebracht met de verdediging van het katholieke geloof. Opmerkelijk genoeg streefde Karel ernaar boven de partijen te staan. Karel droomde aanvankelijk van vrede met alle christelijke vorsten en zocht naar een theologische formule om de verschillen tussen katholicisme en het opkomende protestantisme te overbruggen. Rady stipt deze episode jammer genoeg slechts summier aan, zoals alle Habsburgers in sneltreinvaart worden behandeld. Overigens toonde Karel zich na de overwinning op protestantse vorsten mild: krachtens de Vrede van Augsburg van 1555 mochten vorsten en heren zelf bepalen welk geloof ze aanhingen.

Keizer Karel V

Don Juan

Na de dood van Karel in 1558 vielen de Habsburgse bezittingen uiteen. Zijn zoon Filips II (1527-1598) erfde het Spaanse deel inclusief de Nederlanden, terwijl Karels broer Ferdinand (1503-1564) over het Midden-Europese deel regeerde. Filips ontpopte zich in zijn gebieden tot een onverzoenlijke geloofsfanaticus. Om de band tussen de dynastie en het katholieke geloof te onderstrepen liet Filips buiten Madrid het Escorial bouwen, compleet met een mausoleum waarin hij familieleden liet (her)begraven. Ferdinand was pragmatischer. Hij accepteerde dat protestanten in verschillende landdagen in de meerderheid waren en zette protestanten op sleutelposities van het steeds verder uitdijende overheidsapparaat.

Escorial

Toen in de Nederlanden in de jaren 1560 het protest van edelen tegen aangekondigde hervormingen uitmondde in de eis om godsdiensttolerantie, reageerde Filips door Alva te sturen. Rady beschrijft het allemaal als een wervelwind, waarbij je af en toe snakt naar een smeuïge anekdote. Gelukkig staan die sporadisch ook in het boek. Toen Filip’s halfbroer Don Juan in oktober 1578 na een mislukt avontuur als landvoogd van de Nederlanden stierf, maakten de Engelsen en de opstandelingen op zee de dienst uit. Om te voorkomen dat de vijand Don Juan in handen kreeg, werd zijn lijk daarom niet per schip vervoerd, maar in stukken gehakt, in zadeltassen gestopt en via Frankrijk naar Madrid gestuurd. Daar werden de delen samengevoegd en in het Escorial begraven.

Bureaucratische botanisten en verzamelaars

Maria Theresia (1717-1780) en haar zoon Jozef II (1741-1790) zagen de staat als een machine waarin alle tandraderen precies op elkaar ingrijpen. Orde, regelmaat, observatie, verantwoording en bestuur van bovenaf werd de nieuwe bestuursstijl. Om de staatsbureaucratie optimaal te laten draaien hervormden zij het leger en de belastingen, maar ze innoveerden ook. Onder hun bewind professionaliseerde het ambtenarenapparaat door de instelling van vaste werktijden (8-19 uur). Tevens hielden ze in verband met de rekrutering van het leger volkstellingen, al snel gevolgd door een andere noviteit, het nummeren van huizen.

Daarnaast waren de Habsburgers verwoede verzamelaars van dieren, medailles, munten en planten. Het verzamelen en verspreiden van (wetenschappelijke)kennis werd een nieuwe missie van de Habsburgers. Vandaar dat hun verzamelingen – volgens de laatste wetenschappelijke inzichten zorgvuldig werden gecatalogiseerd en toegankelijk waren voor het publiek. Zo stond de echtgenote van Maria Theresia, Frans Stefan (1708-1765), aan de wieg van het Museum van Natuurlijke Historie in Wenen en was de dierentuin van Schönbrunn (1752) de grootste van Europa. Ook hier trakteert Rady de lezer op een aandoenlijk verhaal. Toen in 1775 een Oostenrijkse Oost-Indische Compagnie werd opgericht en Oostenrijk kortstondig over een zeemacht beschikte, deed Jozef II (1741-1790) dat niet vanuit commerciële motieven. Eigenlijk was hij slechts geïnteresseerd in het vervangen van zijn botanische collectie, die door een ongeluk in zijn kassen verloren was gegaan.

Zwanenzang

Na de val van Napoleon creëerden de grootmachten van Europa tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) een nieuw machtsevenwicht. Metternich, de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zorgde ervoor dat de status-quo stand hield. Toen in 1848 Europa in de ban raakte van revolutionaire omwentelingen, bleven de Habsburgers dankzij het leger in het zadel. Frans Jozef (1830-1916) voerde weliswaar een eigen grondwet in, maar moest niets hebben van politieke inspraak. Voor zijn bureaucratische absolutisme vertrouwde hij alleen op ambtenaren. Na de verpletterende nederlaag tegen Pruisen in 1862 ontstond in 1867 de ‘dubbelmonarchie’ Oostenrijk-Hongarije, een multinationaal gedrocht. Hongarije werd onafhankelijk maar bleef wel binnen het Habsburgse Rijk.

Congres van Wenen (1814 – 1815)

Rady laat goed zien hoe deze constructie een voedingsbodem bleek voor het nationalisme dat in alle Habsburgse gebieden sluimerde. De status aparte van Hongarije wekte de jaloezie van andere volkeren, zoals de inwoners van Bohemen, die zich achtergesteld voelden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, die begon met de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand – over wie Rady opvallend mild oordeelt – schaarden de verschillende nationaliteiten van het rijk zich nog één keer achter de keizer. Desondanks was het lot van de Habsburgers verbonden met dat van het Duitse keizerrijk. Waar eerder na een verloren slag een verdrag kon worden gesloten en eventuele gebieden werden prijsgegeven, moest de blanco cheque van 1914 aan Duitsland worden terugbetaald. Door de nederlaag van Duitsland spatte het Habsburgse rijk uiteen.

Kunst / Expo buitenland

Dulle Griet, goed of kwaad?

recensie: 'Dulle Griet' in de doorlopende tentoonstelling in het Museum Mayer van den Bergh

Antwerpen is een stad die belang hecht aan kunst en geschiedenis. De oude en historische gebouwen die je ziet terwijl je door de  straten van de stad loopt, fascineren je. Maar er valt tussen alle moderniteit sowieso een klein en vriendelijk gebouw op, het Museum Mayer van den Bergh.

Musea onthullen de ervaringen uit het verleden van die stad. Oorlogen, vrede, pijn, vreugde, prestaties, overwinningen, enzovoort. Ze zijn allemaal met elkaar verweven. Je voelt en ervaart ze allemaal tegelijkertijd op één plek tijdens je museumreis. Na het verlaten van het museum ben je niet meer dezelfde persoon. Je begint de genetische codes van de stad in je lichaam te voelen. Je bent nu deelgenoot geworden van de pijn en vreugde van de stad.

Bewonderenswaardige schildertechnieken

Mayer van den Bergh en zijn familie worden in de eerste werken afgebeeld. Deze zijn bij de ingang te zien. De schilderijen aan de muren en de afgebeelde mensen zijn ongelooflijk levendig. Het is alsof de mensen op de portretten even uit de schilderijen willen springen om je te verwelkomen. Daarnaast fascineren de donkerbruine houten meubels en open haard van het museum, de sierlijke kroonluchters die aan het plafond hangen de bezoekers en maken ze deel uit van het bezit van de familie Van den Bergh.

Dulle Griet (detail) , Museum Mayer van den Berg, Foto: Van Acker, Katrien, KIK

Dulle Griet

Op de bovenste verdieping hangt het prachtige werk van ‘Dulle Griet’ een van de belangrijkste werken van het museum. Het is een meesterwerk, gemaakt in 1563 door Pieter Breughel de Oude. Er zijn veel ongeloofwaardige details in het schilderij verwerkt, maar de meest opvallende figuur is ‘Dulle Griet’, die het schilderij zijn naam geeft.

‘Dulle Griet’ is groter afgebeeld dan de andere mensen op het schilderij. Terwijl die krachtige vrouw in harnas naar links rent naar de mond van de hel, zijn de vrouwen achter haar druk aan het plunderen. Op dat moment betreden mannelijke soldaten het podium aan de rechterkant. Er staan allerlei vreemde monsters, rare wezens en bizarre structuren op het schilderij. Het is net een horrorfilm. De horizon brandt rood. Op dit moment vervlochten dromen en werkelijkheid zich met elkaar.

Het schilderij toont een behoorlijk chaotische omgeving… Oorlog, vuur, vreemde wezens, een vrouw die naar de mond van de hel rent, plunderaars, soldaten… Waar is deze plaats? Waarom wordt ‘Dulle Griet’ in gigantische dimensies afgebeeld? Waarom is de horizon karmozijn? Waarom bestaan er rare wezens en wat willen ze doen? Wie vertegenwoordigt wie en wat? Zal het goede of het kwade overwinnen? Gedachten… Gedachten… Gedachten…

Opstandig

‘Dulle Griet’ wordt afgeschilderd als een mannelijk monster met een schubbig gezicht en scherpe tanden, botsend met wezens zonder haar koelbloedige houding te verliezen. De kostbaarste voorwerpen van ‘Dulle Griet’ zijn haar helm, harnas en het zwaard dat ze nam van de patriarchale hegemonie. Terwijl haar haar onder haar helm naar achteren wuift en haar gespannen gezicht richting de mond van de hel is gericht, lijkt ‘Dulle Griet’ vastbesloten om de hel te vernietigen.

Dulle Griet (detail), Museum Mayer van den Berg, Foto: Van Acker, Katrien, KIK

Zij en haar leger van vrouwen zijn in de hel; misschien hebben zij gezondigd en iemand gedood of verbrand. Misschien is de wereld waarin ze leven in een hel veranderd. Misschien rebelleerden ze voor veel dingen die ze nooit hebben meegemaakt. Misschien hebben zij allemaal het vrouwenleger bij elkaar gebracht.

Daarom belichaamt dit schilderij hoe de wereld werd veranderd in een hel voor vrouwen door licht te werpen op de patriarchale en hegemoniale staat van die periode, haar mannelijke wetten en haar seksistische opvatting van die samenleving.

Afscheid

Als het 17.00 uur is gaat het museum dicht. Je wilt nooit afscheid nemen van ‘Dulle Griet’, maar je moet wel. Een deel van je geest en hart blijft bij haar.

Als je ooit voorbij Antwerpen komt, vergeet dan niet om langs het Mayer van den Bergh Museum te gaan. Het is ook heel gemakkelijk te bereiken omdat het in het stadscentrum ligt. Het historische gebouw van het museum, de innerlijke ambiance, prachtige artefacten zijn zeer uitnodigend en ze zijn zeker het bekijken waard.

 

 

Kunst / Expo binnenland

Hedendaagse Indonesische perspectieven

recensie: Recensie: On the Nature of Botanical Gardens
Eva Broekema

 

De kunstwerken op de expositie On the Nature of Botanical Gardens in Framer Framed – het Amsterdamse platform voor kunst en cultuur – bewegen zich tussen uitersten, met als rode draad commentaar op het kolonialisme. De keuze werd gemaakt door curator-historicus Sadiah Boonstra. Zij onderzoekt de botanische tuin als onderdeel van het koloniale verleden. Immers, zoals ze in het begeleidende boekje schrijft: ‘In de 18e en 19e eeuw was botanische kennis een belangrijk aspect van de beheersing van de natuur om rationele controle uit te oefenen op, en het verzamelen van, de belangrijkste bron van inkomsten, de landbouw.’

Rituelen

Die blikvanger is een groot doek (600×200 cm), Ruwatan Tanah Air Beta (Reciting Rites in its Sites) van Zico Albaiquni (1987, Bandung). Links is een traditioneel Sudanees ritueel, Ruwatan, afgebeeld. Hierin wordt verbinding gezocht met de natuur, met voorouders en God. De plaats van handeling is Kebun Raya Bogor, de nationale botanische tuin. Rechts is een Nederlandse begraafplaats in diezelfde tuin afgebeeld. Er zit echter nog een opvallende verwijzing in dit haast fluorescerende doek: een aantal platte rijstmanden. Ze vormen kritisch commentaar op de manier waarop herman de vries in 2015 (onder andere op de Biënnale van Venetië) verschillende rijsttypen had laten zien, op een romantiserende manier, zonder de context hiervan erbij te betrekken.

Nootmuskaat

Een tweede werk dat de aandacht trekt, is Perken van Ipeh Nur (1993, Yogyakarta). Het is een acrylwerk op rijstzakken, een actueel kunstwerk, omdat het is verbonden met de naam van Jan Pietersz. Coen. Immers: in 1621 brak een handelsgevecht uit om het monopolie van nootmuskaat, dat leidde tot de dood van vele Bandanezen.

Nootmuskaat speelt ook een rol in de installatie Tuban van Ade Darmawan (1974, Jakarta). Darmawan toont een laboratoriumsetting, waarin uit buizen getransformeerde specerijen spuiten op boeken uit de Soekarnotijd. De ideeën worden zo bezoedeld. De kunstenaar is overigens artistiek directeur van het collectief ruangrupa, dat in 2022 de documenta 15 in Kassel zal samenstellen.

Twee installaties

Het derde item dat indruk maakt (niets ten nadele van de andere kunstwerken), zijn de assemblages van Sinta Tantra (1978, New York): Kebun Raya / Kebun Saya. Zij werd geïnspireerd door de botanische tuinen van Bali en Bogor. Het boekje bij de tentoonstelling omschrijft het als: ‘Hier wordt de natuur kunst, kunst wordt kunstgreep, en kunstgreep wordt narratief – gecategoriseerd en ingeperkt, echt en geconstrueerd. ’Verleden en heden, de ene en de andere identiteit gaan een gesprek met elkaar aan, zoals Framer Framed dat ook doet.

Het laatste werk dat hier wordt genoemd, is ook een groot kunstwerk. In feite bestaat het werk van Samuel Indratma (1970, Gombong) dan ook uit drie onderdelen: een canvas van Chinese inkt, een serie schaduwpoppen (Wajang) uit synthetisch leer en een video-animatie. De basis wordt gevormd door Javaanse tradities die in verbinding staan met hindoe-boeddhistische denkbeelden. Mens, natuur en dier vloeien hierin in elkaar over. Allemaal moeten ze worden gered.

Zoals altijd weet Framer Framed  weer met een fraaie tentoonstelling te komen die tot nadenken stemt. In verband met de sluiting gedurende de maatregelen aangaande de coronacrisis, is de looptijd van deze expositie gelukkig verlengd, zodat meer mensen hem nog kunnen gaan zien. Een kans om te grijpen!

Kunst / Expo binnenland

Een wereld vol nostalgische plaatjes

recensie: Eddy Posthuma de Boer. De eerste foto van God

De tentoonstelling van Eddy Posthuma de Boer (1931) in het Fotomuseum te Den Haag concentreert zich op zijn oeuvre uit de jaren vijftig, zestig en zeventig. De foto’s die worden gepresenteerd zijn voornamelijk in zwart-wit. Ze geven een kijkje in de wereld van toen.

In de Volkskrant van 28 januari 2020 zegt hij zelf over deze tentoonstelling: “Het is een soort overzicht van mijn vroege werk. Toen ik het kort voor de opening zag, kreeg ik een beetje een idee dat ik al dood was, …”

De inmiddels achtentachtigjarige Posthuma de Boer werkte als fotograaf voor Nederlandse dagbladen en tijdschriften, o.a. voor Het Parool, de Volkskrant en Avenue. Voor Het Rode Kruis en Terre des Hommes reisde hij naar conflictgebieden, waar hij vooral de erbarmelijke omstandigheden van kinderen fotografeerde. Bovendien publiceerde hij veel fotoboeken.

De straat

Een belangrijk onderwerp in het werk van Posthuma de Boer is het straatbeeld uit de bovengenoemde jaren, vooral in Amsterdam. Zelf is hij een geboren en getogen Amsterdammer. In de jaren vijftig fotografeert hij daar het leven van alledag. Massa’s mensen op de fiets naar hun werk, een jongetje plassend op straat voor de etalage van de Bijenkorf, vrouwen met enorme kinderwagens en niet te vergeten André Hazes als klein jongetje op de Albert Cuyp Markt. In de jaren zestig legt hij de opkomst van de vetkuiven, de brommers en de jazz- en rock & roll muziek vast. Het gevestigde plaatje is aan het veranderen. In de jaren zeventig volgt Posthuma de Boer de werkloosheidscrisis. Hij maakt foto´s van protestdemonstraties en werkeloze mensen. Voor de mensen die zelf in die tijd opgroeiden, roepen deze foto’s veel herkenbare herinneringen op.


Hoge nood, 1955. © Eddy Posthuma de Boer

Band met literatuur

Posthuma de Boer heeft ook veel interesse in de literatuur. Hij maakt voor uitgeverij De Bezige Bij portretten van Jan Cremer, Jan Wolkers, Hugo Claus, Harry Mulisch en vele anderen. Met Cees Nooteboom (1933) reist hij de wereld rond. Aan de in Spanje gemaakte foto van een eenvoudige boer, gaf Cees Nooteboom de titel De eerste foto van God (1982), die ook verwijst naar zijn gedicht dat hij bij dit portret maakte. Hij stelt hierin de vraag of deze boer, die zo dicht bij de natuur staat en het land bewerkt, gezien kan worden als de schepper, of dat het de fotograaf is die deze betekenis creëert.


Jan Cremer, 1961. © Eddy Posthuma de Boer

Reizen

Posthuma de Boer bezocht vijfentachtig landen, zowel voor zijn opdrachten als fotojournalist als voor zijn eigen werk. De tentoonstelling laat hiervan maar een klein gedeelte zien, maar dit oeuvre is enorm. Ook hier weer veelal portretten van alledaagse mensen. We zien kinderen op straat in Noord-Ierland voor een muur waarop staat ‘No Pope Here’, een indringend portret van een Peruaanse boerenvrouw (1972) en een protesterende vrouw (voor De Gaulle) ten tijde van de mei-revolutie in Parijs (1968).

Het vroege werk van Ed van der Elsken wordt wel vergeleken met het werk van Postuma de Boer. Er zijn zeker overeenkomsten in de thematiek, maar toch heeft Posthuma de Boer niet dezelfde bekendheid gekregen. De reden daarvoor is niet bekend. Je zou kunnen zeggen dat Ed van der Elsken een zeer extroverte persoonlijkheid was en Posthuma de Boer niet. Hij zei over zichzelf in de in de bovengenoemde Volkskrant: “Ik loop nooit met mijzelf te koop. Bescheiden in de achterzaal, zeg ik altijd.”

Zoals gezegd heeft de tentoonstelling een hoog nostalgisch gehalte, wat in feite afdoet aan zijn verdere indrukwekkende oeuvre. Jammer dat de keuze van het museum zich voornamelijk tot deze periode heeft beperkt. Inmiddels werkt Posthuma de Boer alweer aan zijn nieuwe boek Big City Blues.

Theater / Voorstelling

Wisselvallig vermaak in Dangerous Liaisons

recensie: BOS Theaterproducties - Dangerous Liaisons

Tweeëndertig jaar geleden daagde actrice Glenn Close de acteur John Malkovich uit om zich te wreken op Uma Thurman en om Michelle Pfeiffer te verleiden. Hiermee wordt uiteraard gedoeld op de rollen die deze sterren vertolkten in de film Dangerous Liaisons (1988). In de Nederlandse theaterversie spelen Tjitske Reidinga (Marquise Isabelle de Merteuil)  en Mark Rietman (Vicomte de Valmont) de twee verderfelijke saboteurs, die ten onder gaan aan hun eigen slinkse plannen. Hun dialogen zijn een lust voor het oor en het spel is goed, maar helaas doen enkele onbegrijpelijke regiekeuzes afbreuk aan het geheel.

Al aan het begin doen zich enkele verwarrende zaken voor. Met stupide danspasjes toont het gehele gezelschap zich aan het publiek. Deze openingsdans zou niet het predicaat ‘stupide’ krijgen, als alle acteurs de danspasjes synchroon hadden uitgevoerd. Nu is het een nogal rommelig startpunt. Ook zijn er aan het begin zeer zachte doch opmerkelijke geluiden te horen, waardoor je je afvraagt of de geluidsman de volumeknop niet kan vinden (of de muziek zachtjes wegdraait, omdat hij/zij te laat is met het geluidsfragment). Gelukkig overschaduwen de prachtige teksten deze discutabele details.

Marcel Otten bewerkte de briefroman (1782) van wijlen Choderlos de Laclos zodanig dat alle archaïsche woorden zijn behouden en evenzo alle omslachtige formuleringen en dubbelzinnigheden. Deze bewerking houdt de luisteraars in zijn greep, aangezien je constant een luisterend oor moet bieden om te kunnen volgen wat de acteurs – na al die min of meer ongrammaticaal klinkende zinnen – indirect willen zeggen. Vooral in de scènes waarin de emoties hoog oplopen, is het knap hoe zulke lastige zinnen heen en weer gekaatst worden. Naar het einde van de voorstelling toe, lijken de acteurs zelf ook steeds meer grip op de tekst te krijgen.

Mannelijk overwicht

Reidinga en Rietman zijn degenen die dit toneelstuk dragen. Hanna van Vliet als Cécile de Volanges heeft een miniem aandeel binnen het grotere geheel, Marisa van Eyle pareert zo nu en dan een grappige uitspraak, Sander Plukaard is onwetend en schattig als Le Chevalier Raphael Danceny (en nogal nietszeggend in zijn dubbelrol als de oma van Cécile) en Judith Noyens als Madame Marie de Tourvel lijkt zich nooit helemaal van haar beste kant te kunnen laten zien. Madame de Tourvel is het belangrijkste slachtoffer in het spel tussen Merteuil en Valmont, wiens kuisheid zwaar wordt geschonden door Valmont.

In de eerdergenoemde verfilming uit 1988 en ook in de opera-uitvoering van Opera2day (2019) was Marquise Isabelle de Merteuil een bikkelharde en nogal angstaanjagende vrouw, die de teugels strak in handen hield. In deze voorstelling is het echter Mark Rietman die de broek aanheeft en ver boven zijn vrouwelijke – en één mannelijke – medespelers staat. Al is het laatste woord over Rietmans broek nog niet gezegd. Aan het begin draagt Rietman zo’n jolige broek, dat hij overkomt als een onschuldige schooljongen of een rafelig type uit een van Charles Dickens romans. Qua spel mag Rietman er dan wel uitspringen; het is Reidinga die de show steelt met haar vernuftige pakjes. Haar kostuums bestaan uit losse delen die gemakkelijk uit elkaar kunnen worden gehaald en kunnen worden samengevoegd met andere kledingstukken.

Wisselvallige indrukken

De styling van het decor roept echter vragen op. Wat op het eerste gezicht een over-de-top meisjesachtige slaapkamer lijkt (lees: knalroze), blijkt een nogal stugge achtergrond. Het decor heeft zo weinig attributen om handen, dat het vrijwel nutteloos oogt. Het is grappig om te zien hoe Rietman kan verdwijnen achter een gordijn met kettingen, hoe andere personages zich aankondigen via een groot rond raam en hoe Reidinga zo nu en dan zetelt op een bank met pilaren van knalroze, naakte mannen, maar het is ook een decor dat gedurende de voorstelling nogal eentonig dreigt te worden. De weinige attributen die worden ingezet, ontwaren zich op het ene moment als een prachtig symbool (een nogal #metoo-achtige pijpbeurt) en op het andere moment (tijdens de slotscène met Valmont) érg knullig.

Door alle wisselvallige indrukken is het moeilijk om vast te stellen of je hier te maken hebt met een vernieuwende theatervoorstelling vol gekke, modernistische en feministische trekjes of dat je hier te maken hebt met acteurs met enorm veel talent die in een verkeerd jasje zijn gestoken. Het is voornamelijk een voorstelling voor taalliefhebbers, voor mensen die smullen van de gepolijste zinnen die voorbijkomen in menig kostuumdrama. Aan hen de taak om dwars door alle gekke danspasjes, broeken en roze geverfde muren heen te kijken en het genot van taalkunstige vondsten over zich heen te laten komen.

Theater / Voorstelling

Huize Usher kraakt nog niet

recensie: Opera2Day - The Fall of the House of Usher

Alsof regisseur Serge van Veggel zelf niet helemaal gelooft dat Philip Glass’ opera The Fall of the House of Usher op zichzelf sterk genoeg is, vult hij het werk in de OPERA2DAY-voorstelling Opera Melancholica aan met een uitvoerige introductie. Dat pakt niet in het voordeel van de opera uit: de vrolijke relativering ondermijnt de dramatiek van de voorstelling.

Het huis Usher staat op het punt van instorten, letterlijk en figuurlijk. Het eens zo beroemde geslacht Usher, waarvan Roderick en Madeline de laatste telgen zijn, gaat ten onder aan de eigen melancholie. Die zwaarmoedigheid heeft zich geëxternaliseerd: ook het grote landhuis gaat ten onder aan zijn eigen gewicht. Kort gezegd is dit het plot van het verhaal The Fall of the House of Usher van Edgar Allan Poe, een van de beroemdste korte verhalen uit de Amerikaanse literatuur. Veel van Poe’s stijlkenmerken komen erin samen. Zo worden mensen levend begraven, is de locatie een personage op zich en rest uiteindelijk de vraag wie er nou werkelijk aan waanbeelden lijdt: Roderick Usher of de verteller zelf. Philip Glass zette het verhaal in 1988 op muziek en deze opera dient op zijn beurt als basis voor de voorstelling Opera Melancholica van OPERA2DAY, geregisseerd door oprichter Serge van Veggel.

Ontoereikend idioom

Geluid speelt een belangrijke rol in Poe’s werk en dit maakt zijn oeuvre ideaal om te verklanken. Philip Glass is echter nogal stijlvast en wijkt op geen moment af van zijn geijkte idioom van gebroken akkoorden en wisselende patronen. Voor sommige momenten van het verhaal komt dit goed van pas: Roderick Usher kan geen andere klanken meer verdragen dan die van snaarinstrumenten en speelt daarom gitaar. Ook klinkt er een mierzoete speeldoos, waardoor Usher vervuld wordt van weemoed. Maar juist het zuchten en steunen van het huis, het waaien van de wind en het gedonder, dat zijn elementen die moeilijk zijn te vangen in Glass’ klankwereld. Hierdoor voelt de wereld rondom huize Usher gedistantieerd aan.

Los van de kritiek op de compositie zelf, is de uitvoering goed. De drie solisten (waarvan een in de orkestbak) zingen met een ingetogen dramatiek. Het New European Ensemble, onder leiding van Carlo Boccadore (hij was bij de première van deze opera) weten de muziek van Glass overtuigend over te brengen. Het podiumbeeld is mooi, met een enorme schedel en een vloer met opspattend water, al zou er in het middendeel iets meer mogen gebeuren. Madeline, gechoreografeerd door Ed Wubbe, danst op de vulkaan en benadrukt zo het verval van het geslacht Usher. Toch komt dit alles niet aan. Dat ligt niet alleen aan de muziek, maar voor een groot deel aan de omlijsting.

Relativering

Glass’ opera is relatief kort en blijkbaar voelde Van Veggel de noodzaak om deze daarom aan te vullen met een uitgebreid voorprogramma. Bij binnenkomst van het theater wordt al muziek van Glass gespeeld en spreken scholieren hun gedachten uit over het fenomeen melancholie. Vervolgens neemt een man in doktersjas (Rene M. Broeders) het woord: we zijn hier in het anatomisch theater van de menselijke psyche.

Weldra zullen wij het brein van Roderick Usher ontleden in een folie a mille, een gedeelde psychische stoornis tussen Usher en het publiek. De dokter legt het een en ander uit over melancholie, ooit beschouwd als een overschot aan zwarte gal en volgens Freud iemands verdriet over een verlies in zichzelf.

Voor aanvang van de voorstelling heeft een groep co-assistenten enquêtes afgenomen onder het publiek, met vragen als ‘wanneer hebt u voor het laatst gehuild?’ De dokter neemt de antwoorden op luchtige wijze met het publiek door, wat zowel wat gelach als irritatie over de meligheid opwekt. Niet alleen brengt deze (betrekkelijk lange) introductie het publiek niet in de stemming voor de gothic tale van Poe en Glass. Een inhoudelijk probleem is dat de psychotische aard van Poe’s korte verhaal wordt gereduceerd tot huis-tuin-en-keukenweemoed. Waarschijnlijk wil Van Veggel benadrukken dat wij allemaal iets van Roderick Usher (of de verteller) in ons hebben, maar juist door de nuchtere relativering

Voordat je een huis geloofwaardig kunt laten instorten, moet je het eerst geloofwaardig opbouwen. Edgar Allan Poe is hier een meester in en Philip Glass weet de waanzin van de duistere romanticus tot op zekere hoogte ook goed te verklanken. OPERA2DAY heeft het juiste talent in huis om de opera tot zijn recht te laten komen, maar maait het gras voor de eigen voeten weg door Ushers/Poe’s metafysische waanzin voor aanvang van de daadwerkelijke opera al te ondermijnen.

Theater / Voorstelling

Buitenaards mooi

recensie: Stage Entertainment - Lazarus

Op 10 januari 2016 overleed plots het grootse popicoon David Bowie. Achttien maanden lang vocht Bowie tegen leverkanker en al die tijd werd er met geen woord over gerept in de kranten. Waarom niet? Niemand was op de hoogte van zijn doodstrijd. Een van de weinigen die afwist van Bowie’s langdurige ‘ziekbed’, was Ivo van Hove, de regisseur van diens musical Lazarus. Hoewel het verhaal moeilijk te duiden is voor de kijker is Lazarus een waardig eerbetoon aan de gelauwerde rockmuzikant David Bowie.

Lazarus is een Bijbelse figuur die na zijn dood door Jezus tot leven wordt gewekt. Door met Ivo van Hove de musical Lazarus te schrijven in de ‘laatste dagen van zijn leven’, heeft David Bowie er in principe óók voor gezorgd dat hij na zijn dood voortleeft. Hij doet dat weliswaar alleen via de muzikale en audiovisuele weg (zijn woorden leven voort via een ander en zijn beeltenis is prominent aanwezig in de slotfase van de voorstelling), maar Lazarus is eigenlijk de wederopstanding van Bowie himself. In Lazarus zijn zowel oude liedjes van Bowie als speciaal voor de musical geschreven liedjes te horen. Vooral het nummer Lazarus zal de gemiddelde fan verwoed bezighouden, aangezien hier talloze verwijzingen naar Bowie’s eigen dood in te vinden zijn. Zo zingt hij: “Look up here, I’m in heaven.”

De hemel willen bereiken, dát is ook het doel van Thomas Newton (Dragan Bakema). Dit verknipte personage vliegt verloren over het gehele podium en hij kan de dagelijkse chaos niet de baas worden. Hij woont als buitenaards wezen op ‘Second Avenue’ in New York. Zijn levenslust is hem ontnomen, sinds zijn geliefde Mary Lou hem heeft verlaten. De enige troost die hij toelaat, is die van de gin. De enige urgente meubelstukken op het podium zijn dan ook de koelkast, die de genuttigde alcohol op de juiste temperatuur houdt, en zijn bed, waarop hij verslagen zijn hoofd ten ruste legt. Dertig jaar nadat zijn geliefde hem heeft verlaten, zien we een gebroken Newton die stellig gelooft in zijn eigen waanbeelden. Hij wil de aarde ontvluchten en teruggaan naar zijn eigen planeet. De enige die hem hierbij kan helpen, is een naamloos engelachtig meisje (Juliana Zijlstra), die zowel hem als het publiek inpalmt met haar zoetgevooisde keel.

Newton laat zich zó door dit meisje bekoren, dat hij geen aandacht meer heeft voor de gruwelijkheden die zich in zijn dagelijkse leven voltrekken (de slechterik Valentine (Pieter Embrechts) infiltreert langzaamaan in het leven van Newton) of voor een nieuwe kans in de liefde. Zijn assistente Elly (Noortje Herlaar) wordt namelijk tot over haar oren verliefd op Newton. Het publiek ziet hoe de afstand tussen Elly en haar vriend (Jorrit Ruijs) steeds groter wordt en hoe kleiner de fysieke afstand tussen Elly en Newton wordt. Geleidelijk aan neemt Elly de identiteit van de verdwenen Mary Lou over, om zo eindelijk de liefde en erkenning te kunnen krijgen van Newton, waarnaar ze zo verlangt.

Het spel van iedere acteur in de voorstelling is even geloofwaardig – iets wat je niet over het verhaal kunt zeggen. De rode draad van het verhaal is lastig te volgen, al merk je dat je dat de acteurs toespelen naar een climax. De scènes worden steeds heviger, mede doordat de emoties steeds grootser worden uitgedragen. De kleine, opspelende irritaties, zoals een stelletje dat elkaars telkens opgeilt op het podium (Jeroen C. Molenaar en Holly Mae Brood), worden overschaduwd door de prachtige visuele projecties op het scherm dat midden op het podium staat. Ook het vele hoofden tellende ‘orkest’, bestaande uit voornamelijk gitaristen en één enkele pianist, maakt dit gelaagde muziektheater zo’neen lust voor het oog.

Het jammere voor de die-hardfans blijft dat het stemgeluid van Bowie nooit wordt geëvenaard. Soms klinkt de zang zelfs heel krampachtig en merk je dat voornamelijk de mannelijke hoofdrolspelers in de eerste plaats acteurs zijn en geen zangers. Zo focus je je als publiek soms zo geconcentreerd op hoe Dragan Bakema of Thomas Cammaert (in de rol van Newtons vriend Michael) de noten zingen, dat je niet eens meer oog hebt voor de moderne dans-achtige pasjes die ze op het podium maken.

Voor een musical die staat of valt met de zang, is het dan ook een gewaagde keuze om te werken met voornamelijk mannelijke acteurs (de vrouwelijke speelster Juliana Zijlstra kun je hoogstens bekritiseren om haar té gepolijste, perfecte stem), wier stem zo nu en dan zo fragiel weerklinkt. Ach, met een voorstelling die op alle andere fronten zó perfectionistisch en vernieuwend is, kan alleen maar met positieve verwondering op worden teruggekeken. David Bowie zal vanuit zijn heaven goedkeurend knikken.

Theater / Voorstelling

Ruimte om te vluchten

recensie: Het Houten Huis / Holland Opera - Ruimtevlucht

‘Angst’, ‘spijt’, ‘verdriet’, ‘de dood’, in het nagesprek van Ruimtevlucht geeft het publiek enkele suggesties over de aard van een mysterieuze aanwezigheid op het ruimteschip van het Houten Huis en Holland Opera: de verstekeling. Tenor operazanger Niek Idelenburg en actrice Annet de Ruiter zijn uitgenodigd voor het nagesprek. “Waar denk je zelf dat de verstekeling voor staat?” vraagt Idelenburg wanneer een van de toeschouwers meer wil weten over de elastische zwarte gedaante die zich op het podium verspreid als een virus en op ieder personage een ander effect lijkt te hebben. De antwoorden blijven komen en variëren enorm. Één ding is zeker, de verstekeling creëert onrust in een zorgvuldig uitgekiende balans binnen een extreem uitlopende groep mensen, dieren en objecten die zijn uitgenodigd om het einde van de wereld mee te maken, ver weg, kijkend door de ruit van een ruimteschip.

Dit ruimteschip is op het podium gezet door Het Houten Huis en Holland Opera. Het Houten Huis maakt beeldend muziektheater en is gevestigd in Groningen. Hun voorstellingen zitten vol humor en creativiteit met als doel om jong en oud te verwonderen en ontroeren. Voor Ruimtevlucht werken zij samen met Holland Opera, zij maken toegankelijke en actuele opera waarin maatschappelijk relevante onderwerpen centraal staan.

Ruimtevlucht neemt ons mee naar een andere planeet. Moeder Aarde is niet meer leefbaar en er is een ruimteschip gebouwd die een selecte groep wezens vervoert op zoek naar een betere wereld. Deze groep is samengesteld door de kapitein, Idelenburg, en zijn co-kapitein, sopraan Björk Níelsdóttir. De uitverkorenen stappen bij binnenkomst op het schip door een scanner die een helder bliepje laat horen om hun rechtmatige aanwezigheid aan te geven. Indringers worden hardhandig weggejaagd door de co-kapitein en haar wapenstok. De aanwezigen bestaan onder andere uit een geleerde giraffe in damespak, een vlieg, een verliefd stel dat letterlijk aan elkaar vastgekluisterd zit, een ei die rondloopt op haar handen, een walrus die, strooiend met geld, aan boord is weten te komen. Iedereen is uitgekozen met een reden, deze reden wordt niet altijd duidelijk maar de grote gevarieerde groep zorgt zeker voor veel gezelligheid.

Beginnen bij nul

Idelenburg vertelt over het maakproces van Ruimtevlucht. De opera’s die hij normaal gesproken zingt baseren zich op een bestaande tekst en melodie die uitgevoerd wordt door de zangers. Ruimtevlucht begon met niets en was een kwestie van ideeën delen en uitproberen. Hierin speelden Idelenburg en Martin Franke, muzikaal leider van het Houten Huis, een grote rol. De zang, muziek en geluidseffecten zijn de ruggengraat van de voorstelling. In Ruimtevlucht spreekt elk personage namelijk zijn eigen taal: Nederlands en Engels maar ook wartaal, zangerige pieptaal en operagezang. Zoals behoort in een volmaakt equilibrium kan iedereen elkaar verstaan.

Naast de muziek vormt het decor het hart van de voorstelling. Zo is er een telefooncel om contact met de achtergeblevenen te onderhouden, zitplaatsen verstopt in de muren en is een grote cirkel achteraan op het podium is zowel de ingang van het schip, als een raam naar andere ruimtes waar zaken die zich achter dichte deuren afspelen een plek op de voorgrond krijgen.

De verstekeling

Het leven op het schip verloopt uitstekend totdat de verstekeling opduikt. Er ontstaat jaloezie, het begint te wringen dat er velen zijn achtergebleven op aarde, misschien willen ze hier toch eigenlijk niet zijn… Iedereen krijgt last van gevoelens die de balans ontwrichten. De eenheid van “de uitverkorenen” breekt open en toont haar individuen compleet met gebreken en tekortkomingen en ook het schip begint af te breken. De perfecte balans verandert in een chaos en het is lastig om de ontwikkeling van elk personage volledig mee te krijgen.

Ruimtevlucht is een explosie aan creativiteit. Het podium barst van de ingenieuze en vernieuwende trucjes, prachtige dans en gezang die blijven verwonderen en de aandacht stevig vasthouden. Geen moment van verveling en waar zou die verstekeling toch voor staan? Misschien paniek of trots? Naïviteit? Of juist moed?

Theater / Voorstelling

Anastasia, een sprookje waarin je wilt geloven

recensie: Stage Entertainment – Anastasia

Altijd al door de prachtige straten van St. Petersburg willen lopen? Dat kan nu met de musical Anastasia, in het AFAS Theater in Scheveningen. Tegen een sprookjesachtig decor, ontwaar je hier de meest sprankelende en romantische musical die in jaren is opgevoerd. Hoewel het bekende verhaal over de vermiste tsarendochter Anastasia Nikolajevna Romanova niet echt wordt uitgediept, is deze musical zó gelikt dat hij je de adem beneemt. Hier kun je horen, zien en proeven wat perfectie is.

Overleefde Anastasia Nikolajevna Romanova, de jongste dochter van tsaar Nicolaas II van Rusland en tsarina Alexandra Fjodorovna, het vuurpeloton van de bolsjewieken? Na de executie van de laatste tsarenfamilie van Rusland op 17 juli 1918 ontbraken de lichamen van Anastasia en haar broertje Aleksej. Geruchten over haar grootse ontsnapping leidden ertoe dat honderden ‘neppe’ Anastasia’s zich meldden aan de deur van Anastasia’s grootmoeder, de Keizerin-moeder Maria Fjodorovna, die de bolsjewieken jaren eerder was ontvlucht.

Fictie boven waarheid

Foto: Annemieke van der Togt/Roy Beusker Fotografie

Voor deze broadway musical – die voor het eerst het licht zag op 27 mei 2016 op de planken van Broadway – verkoos toneelschrijver Terrence McNally fictie boven waarheid. De treurige waarheid is namelijk dat de 17-jarige Anastasia, tezamen met al haar familieleden, haar dood tegemoet ging in de nacht van 16 op 17 juli. Dat Russische onderzoekers in 2008 uitwezen dat restanten uit een nabijgelegen graf van de overige Romanovs toebehoorden aan Anastasia en Aleksej, wordt omwille van de nostalgie en romantiek maar even vergeten. Hiermee borduurt de voorstelling verder op de animatiefilms over Anastasia uit 1997, Anastasia en The secret of Anastasia.

De musical begint met een moment dat cruciaal zal zijn voor de verdere verloop van het verhaal. Keizerin-moeder Maria Fjodorovna neemt afscheid van haar jongste kleindochter Anastasia in diens slaapkamer en geeft haar als afscheidsgeschenk een speeldoos. Het is een ontroerend duet tussen Gerrie van der Klei (Maria) en de jonge versie van Anastasia, dat een écht prinsessenkind is met haar witte pyjamaatje en lange lokken gestrikt in een grote, blauwe strik. Als tsarina Alexandra Fjodorovna ook aan het bed komt staan om Anastasia op te dragen haar gebeden op te zeggen, zal menig Downtown Abbey-liefhebber stilvallen van de schoonheid van Anastasia’s moeder. Of, eerder gezegd, van diens belachelijk mooie en groteske jurk die is afgezet met wat lijkt een triljoen kleine diamanten.

Pracht en Praal

Foto: Annemieke van der Togt/Roy Beusker Fotografie

Wanneer het slaapkamerdecor in rap tempo verwisselt voor een sierlijke balzaal en alle lenige leden van het ensemble opkomen, is het puur genieten. Je voelt hoe de zaal stilvalt bij het zien van zoveel pracht en praal: het paleis, de prachtige jurken en broekpakken, het engelachtige gezang en de imponerende choreografieën. Met zulk een bombastisch begin rijst de vraag of de rest van de musical een slap aftreksel zal worden. Niets is minder waar: tot aan de laatste minuut van deze show wordt de zaal meegezogen in het fictieve verhaal over Anastasia.

De aantrekkingskracht van deze musical is vooral te danken aan de prachtige videoanimaties van Aaron Rhyne. Aan weerszijden van het podium staan twee enorme ramen die telkens kunnen draaien en worden omgetoverd tot andere decorstukken. Hierop wordt bovendien het ene na het andere mooie vergezicht getoond: wanen we ons eerst in paradijselijke sferen (van het paleis tot aan St. Petersburg en Parijs), later resteert alleen nog maar de vergane glorie (beelden van een smerig Leningrad en een grauw hoofdkantoor van het bolsjewistisch regime). De duizelingwekkend fascinerende projecties sluiten precies aan op de emoties die de voorstelling teweegbrengt. Na de vreselijke executie, vervolgt het verhaal zich zo’n tien jaar later verder. De twee meesteroplichters Vlad (Ad Knippels) en Dmitri (Milan van Waardenburg) ontmoetten straatveegster Anya, die haar geheugen kwijt is. Aangezien zij in Anya wel heel opmerkelijke prinsessentrekjes zien, besluiten ze om haar om te toveren tot haar ware zelf: hoogvorstin Anastasia.

Van Rusland naar roaring twenties Parijs

Foto: Annemieke van der Togt/Roy Beusker Fotografie

Met gevaar voor eigen leven – de gedreven Russische generaal Gleb (René van Kooten) zit het trio op de hielen – ondernemen ze de reis van Rusland naar Parijs om de keizerin-moeder op te zoeken. De treinreis belooft een van de meest memorabele scènes uit de musical te worden: in een ronddraaiend treintoestel bezingen de drie gelukszoekers hun lot en de hoop die ze hebben. Als ze eindelijk aankomen in Parijs, is er alleen nog maar ruimte voor glitter en glamour. We strijken neer in de roaring twenties en met een opzwepende charleston-dans maken we kennis met het humoristische karakter Lily, een verloren liefde van Vlad én dienaar van de Keizerin-moeder. De nimmer gestilde kriebels voor elkaar, borrelen bij Lily en Vlad weer op, wat leidt tot een komische rendez-vous.

Dat er ook zijpaden worden ingeslagen, zoals het liefdesverhaal van Vlad en Lily en de worsteling van Gleb met zijn missie (de laatste Romanov uitschakelen), geeft het verhaal iets meer body. De scènes met de hoofdrolspeelster (ditmaal geen Tessa Sunniva van Tol, maar een erg sprankelende en innemende Lois van der Ven), zijn echter het meest betoverend. Lang ronddwalend in het geheugen, blijft zeker de scène waarin zowel Anastasia als haar grootmoeder de balletvoorstelling Het Zwanenmeer bezoeken. Het ensemble heeft intussen al heel wat gedaanteverwisselingen doorgemaakt – van arme sloeber in Rusland, tot leden van de tsarenfamilie tot ferme bolsjewieken – en toont zich op dat moment in zijn meest bekoorlijke gedaante: die van de balletdansers van Het Zwanenmeer. Dit toneelstuk binnen een toneelstuk zorgt voor een zekere gelaagdheid, waardoor je almaar ‘bravo’ wilt blijven scanderen.

Met deze musical heeft Albert Verlinde wederom een succes behaald. Een American dream die – komisch genoeg – gesitueerd is in een Russische setting en mensen doet geloven dat sprookjes écht bestaan. Een musical met ietwat te overdreven dramatisch spel en soms schreeuwerige dialogen, maar met ongeëvenaarde prachtige solo’s en een ijzersterk visueel decor. Namens alle liefhebbers van sprookjes: spasiba!

Theater / Voorstelling

Mormoonse zaligheid

recensie: Tray Parker en Matt Stone - The Book of Mormon

De grondlegger van The Book of Mormon, Joseph Smith, zou zich in zijn graf omdraaien bij het zien van de broadway-musical The Book of Mormon. De geestelijk vaders van South Park, Tray Parker en Matt Stone, hebben hun zwaarste geschut – humor – ingezet en zo een fenomenale, uitzonderlijke musical op poten gezet, waarin ieder heilig huisje wordt neergehaald.

Toen de Amerikaanse Joseph Smith in 1823 bezoek kreeg van de engel Moroni, die hem Gods Gouden Platen liet vertalen tot Het Boek van Mormon, werd het mormoonse geloof geboren. Opmerkelijk is de eigen, christelijke geschiedenis waarover wordt verhaald in The Book of Mormon én de focus op de Amerikaanse cultuur. Zo’n ver doorgevoerd patriottisme in boekvorm is voor de makers van South Park, dankbaar materiaal geweest om de goedbedoelende, maar naïeve gelovigen flink te kakken te zetten.

De musical begint zoeter dan zoet. Hoofdrolspeler Kevin Clay (in de rol van Elder Price) is dé ideale Amerikaanse schoonzoon, met stralende witte tanden die hij continu showt door uitbundig te glimlachen. Als een scout die koekjes aan zijn buren wil slijten, belt hij aan bij bewoners om het woord van God door te geven. ‘Hello! My name is Elder Price!’ zingt hij als een boer met kiespijn, waarna een heel mannen-ensemble inzet om eveneens met het blauwe Book of Mormon langs de deuren te gaan. Eendrachtig in hun nette broeken, witte bloezen en stropdassen zingen ze vrolijk door elkaar keurig en christelijk een begroeting.

Na hun harde werken in vaderland Amerika, worden de jongens in tweetallen uitgezet als missionaris naar andere landen. Met kinderlijk enthousiasme springen de jongens in de lucht bij het horen van namen als ‘Noorwegen’ en ‘Frankrijk’. Tot het de beurt is aan Elder Price die, na te worden opgescheept met de mollige nerd Arnold Cunningham (Conner Peirson), te horen krijgt dat hij naar Oeganda moet.

‘Fuck you, God!’

Aldaar komen de twee brave jongens in aanraking met een armoedige bevolking. Hun oren staan niet naar het christelijke geloof of de Bijbel, gezien de dagelijkse bak ellende. Van de bakker tot de slager: niemand ontkomt aan aids. Daarom zingen de Oegandezen vrolijk in het Afrikaans: ‘Fuck you, God!’, wat overigens een geweldig lied oplevert tegen een decor van krakkemikkige huisjes. Arnold laat zich echter niet uit het veld slaan en vertrouwend op zijn veel te grote fantasie, besluit hij dat een leugentje of drie, vier, vijf geen kwaad kan om de Afrikanen de kerk in te lokken.

Deze musical is in de eerste plaats een grootschalige parodie op het genre musical, aangezien de hoofdpersonages zo belachelijk vrolijk doen over álles. ‘Having certain feelings that just don’t seem right?’ vraagt elder McKinley, de ‘leider’ van de kerk in Oeganda. Daar is maar één remedie voor: ‘Turn it off, like a light switch. Just go click! It’s a cool little Mormon trick!’ Een musical, waarin met heel veel conservatieve, typisch Amerikaanse idealen wordt afgerekend. Het verlangen om andere gebieden te indoctrineren met het ware geloof staat centraal, maar ook op andere terreinen wordt een grens overgegaan. Zo worden irrealistische vooroordelen over de Afrikanen uitvergroot: ze worden neergezet als beesten, die baby’s willen verkrachten en geweld als de enige oplossing zien.

Hilarische uitspattingen in knalroze glitter

Ook zijn de ‘elders’, de zendelingen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, niet bepaald de ideale schoonzonen voor de reeds erg conservatieve, niet-open minded Amerikanen. Met veel omhaal proberen ze hun homoseksualiteit te verbergen, maar zo hier en daar vindt er een hilarische uitspatting plaats waarbij ze trots – gehuld in een knalroze glitter giletje – hun echte innerlijke zelf kunnen tonen. Ook vervult het mannenensemble vele kleine rolletjes en kruipen ze meerdere keren in de huid van vrouwen, wat voor groot vermaak zorgt.

Ook tussen de twee elders wordt een strijdmacht uitgevoerd en dit escaleert wanneer Arnold, in tegenstelling tot Price, de Afrikanen de kerk binnen weet te lokken. Hierbij krijgt Arnold hulp van de knappe Nabulungi, gespeeld door Nicole-Lily Baisden, die graag weg wil uit haar gewelddadige dorp. Bij hun gezamenlijke plan om de andere burgers ook enthousiast te maken voor de mormoonse kerk, groeien ze steeds dichter naar elkaar toe. De scène waarbij Arnold Nabulungi gaat ‘dopen’ is overladen met dubbelzinnige metaforen naar seks en hierbij krijgen de twee, meer dan verdiend, de lachers op de hand.

Duizelingwekkend tempo

Overmatige seksgrappen, grootse wartaal over de ontstaansgeschiedenis van het geloof en homoseksuele christenen: alles wat ook maar enigszins contrasteert met het christelijke geloof zie je in deze musical voorbijkomen. Zowel door het ijzersterke spel als door de geweldige choreografie, het duizelingwekkende doch briljante tempo en de uitzonderlijk goede zangsolo’s is het een voorstelling die nog lang zal rondwaren in je hoofd.

Het kan zijn dat je na de voorstelling met de werkelijkheid wordt geconfronteerd. Buiten Carré hebben enkele mormonen zich verzameld om flyers van hun kerk uit te delen. ‘Was het leuk?’ vragen ze goedwillig, al wapperend met de stapels flyers. Hoe erg hun geloof ook wordt geteisterd in de musical, vol moed zullen deze zendelingen hun werk verrichten. Feit is wel: iedereen die The Book of Mormon heeft gezien, denkt wel twee keer na voordat ze ook maar overwegen om zich bij deze geloofsgroep aan te melden…