Tag Archief van: 8WEEKLY

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

je zult geen bloemen dromen
Boeken / Fictie / Prijsvraag

Een nieuwe impuls voor Latijns-Amerikaanse literatuur in Nederland

recensie: Je zult geen bloemen dromen – samengesteld door Nanne Timmer, vertaald door Lisa Thunnissen
je zult geen bloemen dromen

In de bundel Je zult geen bloemen dromen nemen Nanne Timmer en Lisa Thunnissen de lezer mee in het diffuse landschap van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Het is een knap samengestelde bundel; de verhalen sluiten stilistisch en thematisch gezien goed op elkaar aan. Wil je kans maken op een exemplaar van Je zult geen bloemen dromen? Beantwoord dan de prijsvraag onderaan deze recensie!

De bundel bevat zestien verhalen van elk rond de 33 pagina’s. Interessant genoeg hebben vrijwel alle verhalen een perfect uitgekiende lengte. De teksten lezen vluchtig en zijn in veel gevallen zo onstuimig dat zij als een bewegend doelwit sneller voortrazen dan de lezer kan bijhouden. De lezer is dus nooit verveeld, maar moet wel bij de les blijven.

Niet magisch-realistisch

De magische elementen, waar bij ons de Latijns-Amerikaanse literatuur zo om bekendstaat, zijn in deze bundel maar dunnetjes gezaaid; met uitzondering van misschien Alles is een spel door Karina Pacheco Medrano laten de verhalen steenhard realisme zien. En die realiteit is lang niet altijd rooskleurig. De verhalen wasemen eenzaamheid uit, tonen een behoefte aan contact met anderen en vertellen over het terugvinden van houvast en identiteit na verstorende, verontrustende gebeurtenissen. Hoewel de verhalen in de bundel over het algemeen droogjes zijn geschreven, voeren zij een genadeloze en confronterende toon en worden de personages nooit melodramatisch; zij zwelgen nooit in zelfmedelijden.

Bijzondere samenhang

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn dus zowel wat betreft stijl als thematiek uitmuntend bij elkaar uitgekozen. En de kenmerken die deze bundel tentoonstelt, lijken een breder draagvlak te hebben in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen: dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat schrijvers die niet in deze bundel zijn opgenomen, zoals Mariana Enriquez en Samanta Schweblin, thematisch en stilistisch goed bij de verhalen in deze bundel aansluiten.

Aan de andere kant maakt de relatieve eenvormigheid van de verhalen in deze bundel dat andere literaire tradities, die het hedendaagse Latijns-Amerikaanse literaire landschap rijk is, buiten beeld blijven. Een schrijver als de Salvadoriaanse Jorge Galán, die min of meer schrijft in de traditie van García Márquez en Allende, zal zich bijvoorbeeld niet herkennen in het beeld dat deze bundel van de Latijns-Amerikaanse literatuur schetst.

Maar het was niet reëel geweest om van Nanne Timmer en Lisa Thunnissen te verwachten om de vitaliteit van het literaire klimaat in een volledig continent aan te tonen in een bundel van amper 200 pagina’s. Waren de verhalen in de bundel op verschillende vlakken diverser geweest, dan was dat de leeservaring vermoedelijk niet ten goede gekomen: dan zou de lezer immers meer van verhaal tot verhaal en van het kastje naar de literaire muur worden geworpen. De samenhang tussen de verhalen die Nanne Timmer en Lisa Thunnissen in deze bundel bij elkaar hebben gezet, maakt de bundel erg goed leesbaar, en om die reden is deze aanpak waarschijnlijk effectiever in het aanwakkeren van hernieuwd enthousiasme voor de Latijns-Amerikaanse literatuur bij de Nederlandse lezer. Voor de manier waarop de samensteller en vertaler te werk zijn gegaan, en voor de overwegingen die zij bij het samenstellen hebben gemaakt, dient hun daarom slechts lof toe te komen.

Een nieuw literair landschap

In het nawoord bij de bundel maken de samensteller en vertaler de opmerking dat wanneer je een Nederlander vraagt een Zuid-Amerikaanse auteur te noemen, de ander hooguit op Gabriel García Márquez zal kunnen komen, en misschien op Isabel Allende. Deze opmerking, die voelt als een sneer naar het Nederlandse lezerspubliek, berust misschien op waarheid – deze experts hebben er ongetwijfeld meer verstand van dan ik – maar zij is in elk geval hooghartig en misschien onnodig. Timmer en Thunnissen wijten de onbekendheid van de Latijns-Amerikaanse auteurs bij het Nederlandse publiek aan de uitgevers, die na de aandacht die er in de jaren zeventig was voor Latijns-Amerika tegenwoordig de voorkeur geven aan Noord-Amerikaanse schrijvers.

En het is duidelijk dat het literaire landschap in Spaanstalig Amerika in de tussentijd tamelijk is veranderd. In de boeken van bijvoorbeeld Gabriel García Márquez en in het vroegere werk van Isabel Allende waren de armoede, het verval en de politieke onrust grotendeels de achtergrond waartegen het narratief zich afspeelde. Deze auteurs schetsten een toch overwegend romantisch Latijns-Amerika, waarin sprekende details van droogbloemen, limoenwater en de geur van guave en koffieplanten het dagelijks leven een zweem van dromerigheid en romantiek gaven. In deze bundel is er van die romantiek weinig meer te bespeuren. Zelfs in de verhalen waarin die sfeer tussen de regels door wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, Je zult geen bloemen dromen, is de romantiek verworden tot een decor van vergane glorie en treedt de ellende juist op de voorgrond. Voor zover deze verhalenbundel de status quo van de Latijns-Amerikaanse literatuur laat zien, heeft de nieuwe generatie schrijvers uit Latijns-Amerika de literaire tradities van haar continent waarachtig opnieuw uitgevonden.

De verhalen in Je zult geen bloemen dromen zijn zelden vrolijk, maar de bundel is literair gezien uiterst kwalitatief en voortreffelijk samengesteld en vertaald. Als we, zoals Timmer en Thunnissen verwachten, van deze schrijvers in de komende jaren meer zullen horen, is dat absoluut iets waar de Nederlandse literatuurliefhebber zich op mag verheugen — mits de uitgevers die nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika dan ook echt horen, en serieus nemen.

Prijsvraag

Wij mogen onder de lezers van 8WEEKLY drie exemplaren van Je zult geen bloemen dromen, samengesteld door Nanne Timmer en vertaald door Lisa Thunnissen, verloten. Stuur je antwoord op onderstaande prijsvraag op naar marike@8weekly.nl en maak kans!

Uit welk Zuid-Amerikaans land is geen van de volgende schrijvers afkomstig? Juan Gabriel Vásquez, Sylvia Iparraguirre, Clarice Lispector
A. Bolivia
B. Argentinië
C. Colombia
D. Brazilië

Boeken / Non-fictie

Rosa damascena, een Bulgaars verhaal

recensie: De dood en de tuinman - Georgi Gospodinov
Boek CoverBol.com

‘Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.’ Met deze krachtige woorden begint de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov de ontroerende elegie voor zijn vader. Lichtvoetig, poëtisch proza waar de band tussen een zoon en een vader, diens dood, de rouw en het herinneren met sublieme soberheid verteld worden zoals alleen deze betoverende auteur met zijn unieke stijl en menslievende zachte blik kan creëren.

‘Waar praten we eigenlijk over als we het over de dood hebben? Over de dood natuurlijk, met heel zijn verrukkelijke vergankelijkheid.’ Deze zin is het vertrekpunt van een teder en melancholisch verhaal dat troost bespiegelt en herinnert.

Een leven in de tuin

Toen de vader zeventien jaar eerder longkanker dankzij zware chemo’s overleefde en vervolgens zijn opgewekte humeur verloor en zwijgzaam werd, besloot hij dat zijn nieuwe leven een leven in de tuin zou worden. Deze knappe, boomlange, trotse man en innemende rasverteller zou – ‘na zijn eerste sterven’ – in zijn tweede, nieuwe leven spreken via zijn aardappels, rozen en aardbeien.

Zijn favoriete uitspraak werd: ‘Niks aan de hand.’ Kleine signalen, vooral pas achteraf begrepen, maakten het uiteindelijk duidelijk dat er opnieuw iets ernstigs in zijn lichaam speelde. Op het moment dat men beslist hem in Sofia te laten onderzoeken en hij uitgeput in het huis van zijn zoon aankomt, toont de uiteindelijke diagnose dat er geen hoop meer is. De laatste weken zal hij doorbrengen in het huis van zijn zoon.

Bloedend bloed

Georgi Gospodinov was zeven jaar toen hij herhaaldelijk droomde dat zijn vader en broer in een diepe put stonden en hij, wanhopig, ze niet kon bereiken. Zijn grootmoeder weigerde zijn ellendige droom aan te horen, omdat het vertellen het verhaal ‘bloed zou kunnen geven’. Aanleiding voor de schrijver in spe – hoe mooi kan een schrijverschap beginnen – om met net geleerde hanenpoten de nachtmerrie op papier te zetten. Vijftig jaar later bevindt hij zich aan het ziekbed van zijn vader om deze te verzorgen en de laatste drie weken van zijn leven zo licht en pijnloos mogelijk te maken. Het verhaal – hoe kan het ook anders – heeft uiteindelijk bloed gekregen.

Elke dood, elke rouw brengt ons in de sfeer van weemoed en melancholisch herinneren. Dit thema is niet nieuw voor Gospodinov; het is een van de kernpunten in al zijn werk. Bespiegelingen over het leven, de oude – vaak hilarische – verhalen en de band met zijn lieve, eigenwijze vader mengen zich hier met lichamelijke behoeften en de smerige strijd tegen de pijnen van een stervend lichaam. Als de medische trukendoos is uitgeput in deze strijd, smeekt de zoon zevenmaal wanhopig als in gebed: ‘Laat hem geen pijn hebben.’ Soms rest slechts het in ons DNA verankerde primitieve magisch denken.

Taal en verhaal

De dood en de tuinman is – zoals in al het werk van Gospodinov – ook een reflectie van de auteur op het belang van verhalen, herinneren en taal. In een hartverscheurend hoofdstuk analyseert de schrijver hoe Latijn – de dode taal – ook de taal van de dood is geworden. Deze koude medische taal, die de situatie van de patiënt beschrijft, wordt door de schrijver in een treffend hoofdstuk – schrijnend door het contrast – afgewisseld met de wanhoop van de mens: ‘Maligne neoplasie met onbekende lokalisatie.’ De mens blijkt hier genadeloos veranderd in object. In de woorden van Gospodinov: ‘De eerste autopsie, die gedaan wordt als je nog leeft, en zonder verdoving, wordt uitgevoerd door de taal.’

Al lezend openbaart zich in de roman ook de metaforische kracht van de natuur in de taal en verhalen; taal kan helen en verwoesten, zoals de olie van de Bulgaarse Rosa damascena kan genezen en vergiftigen. Het zware werk van vader Dinjo in zijn tuin is zo de humus geworden voor de geboorte van een groot schrijver; de Bulgaarse grond, het oude Thracië, is door de millennia heen voeding, theater en decor geweest voor schrijvers en vertellers, en is verbonden met een veelvoud van ooit bloeiende culturen. Het verhaal en de taal van Gospodinov zijn verweven met deze cultuurhistorische achtergrond.

Op het Oekraïense culturele platform Chytomo, in een interview van Ganna Gnedkova met Gospodinov, haalt de journaliste een uitspraak van Gospodinov aan waarin hij zegt dat het doel van verhalen schrijven het uitstellen van de apocalyps is. Dit is inderdaad ook een belangrijk thema in het oeuvre van de schrijver. Het zwijgen – het niet vertellen van het echte verhaal – over het leven onder het communistische totalitaire Sovjetsysteem van de oudere generaties heeft tot gevolg gehad dat er, in de woorden van Gospodinov, een ‘nostalgie industrialisatie’ heeft plaatsgevonden; een heimwee naar tijden die geïdealiseerd, geambieerd en uitgebuit worden, omdat – begrijpelijk maar schuldig – zwijgen de gruwelijkheden versluiert. Een drijfveer voor de schrijver om deze verhalen juist wel te vertellen.

In zijn zeer persoonlijke roman De dood en de tuinman creëert Gospodinov een prachtige metafoor door zijn vader – de rasverteller – Sheherazade te noemen. Zolang men verhalen vertelt is er leven. Of – zoals Sheherazade zelf verwezenlijkte – wordt de dood overwonnen.

Film / Films

Mode in het digitale tijdperk

recensie: The Devil Wears Prada 2 – David Frankel
THE DEVIL WEARS PRADA 220th Century Studios

The Devil Wears Prada was zó’n succes, dat een sequel bijna niet kon uitblijven. Deel 2 draait nu in de bioscopen, twintig jaar later. Voor liefhebbers van deel 1 is dit beslist smullen. Wie de eerste film niet heeft gezien, zal het vervolg niet tot in detail snappen, laat staan de karakterverschuivingen. Maar een kniesoor die daarop let: The Devil Wears Prada 2 is visueel buitengewoon sterk, en de topcast zit duidelijk lekker in zijn vel.

Twintig jaar nadat hun wegen zich scheidden, komen journalist Andy Sachs en Runway-hoofdredacteur Miranda Priestly elkaar opnieuw tegen. Als dat maar goed gaat: Andy was bij Runway het manusje-van-alles van Miranda, de voetveeg. Miranda was tegen Andy neerbuigend, laatdunkend, vernederend… en ook nog onaardig, gemeen, onvriendelijk op het vileine af. Aan het einde van deel 1 kiest Andy voor het beroep dat haar het meeste ligt: ze verlaat modetijdschrift Runway en wordt een serieuze journalist bij een belangrijk tijdschrift.

Verplichte samenwerking

Maar zonder dat ze dat zien aankomen, kijken Andy en Miranda in deel 2 beiden aan tegen dreigende werkloosheid. En deze keer moeten deze vrouwen, die nauwelijks samen door één deur kunnen, over hun schaduwen heen stappen om elkaar te helpen. Die verplichte samenwerking levert een amusante The Devil Wears Prada 2 op.

Digitale tijdperk

Het is lastig de inhoud van deze film te beschrijven zonder een heleboel te verklappen, dus dat zullen we niet doen.
Relevant is dat Andy (Anne Hathaway) twintig jaar later geen beginnende journalist meer is die met zich laat sollen. En Miranda (Meryl Streep) moet zich tot haar grote schrik aanpassen aan het digitale tijdperk, waarin succes afhangt van het aantal pageviews op internet. Papier raakt uit de mode, gedrukte tijdschriften en kranten hebben steeds meer moeite het hoofd boven water te houden. Wat we willen weten, halen we van internet. Wat dat betreft is The Devil Wears Prada 2 zeer realistisch en actueel: papieren media zitten inderdaad in zwaar weer, steeds minder mensen zijn bereid te betalen voor nieuws en informatie.

Woke

Voor Miranda Priestly betekent aanpassen niet alleen dat internet een belangrijk medium is dat haar werk kan maken en breken. Daarnaast is het niet meer van deze tijd je personeel te behandelen als tot slaaf gemaakten, zoals haar gewoonte was. Of lompe taalgrappen te maken. Kortom: Miranda moet ‘woke’ worden, van haar gedrag tot haar woordgebruik.
In die vibe is Andy dan weer wel erg op haar gemak. Sterker: ze neemt Miranda ongeveer bij de hand om haar de weg te wijzen in deze nieuwe, digitale wereld.

Dictator

De twintig jaar ouder geworden Anne Hathaway (de actrice is nu 43) heeft het personage Andy simpelweg nog in de vingers. Andy was altijd al vrij sterk, hooguit nu en dan misplaatst onzeker. Het kost Hathaway zo te zien weinig moeite het personage opnieuw neer te zetten.

Meryl Streep (inmiddels 75 jaar) moet daarentegen een sterk veranderde Miranda neerzetten. Ze mag niet meer de commanderende dictator zijn. Ze moet tegelijkertijd enerzijds de sterke, vlijmscherpe hoofdredacteur zijn, anderzijds zo vriendelijk mogelijk, zelfs slijmerig. En Miranda moet haar taalgebruik dus aldoor in de gaten houden, wat haar onzeker maakt.
Daarbij wordt Streep heel vaak in close-up gefilmd; we zien elk rimpeltje, we zien de lippenstift die in de plooien rond haar mond is getrokken.
Regisseur David Frankel maakt het Streep op deze manier niet makkelijk: Miranda mocht in deel 1 lekker rechtlijnig lomp en bot zijn, nu moet ze opeens aarzelend en genuanceerd zijn. Miranda moet dankbaar zijn, in plaats van alles volkomen vanzelfsprekend te vinden. Gelukkig heeft Streep wel voor hetere vuren gestaan. Ze maakt van deze ouwe rot in het tijdschriftenvak een geloofwaardige, onzekere oudere vrouw, die blij is dat ze nog grond onder de voeten voelt.

Emotie

Een heel grote pluim verdient Stanley Tucci als art director Nigel. Tucci is in deze cast misschien wel de sterkste speler. Met heel kleine bewegingen van zijn gezicht – zijn mond, zijn ogen, zijn wenkbrauwen – laat Tucci Nigel veranderen van emotie. Van bang, naar onzeker, naar blij. Van arrogant naar lief.

Emily Blunt is heden ten dage een veelgevraagde, bloedserieuze filmmaker. In The Devil Wears Prada, deel 1 speelde ze Andy’s jaloerse conculega Emily Charlton. Emily is in deel 2 overgestapt van tijdschrift Runway naar een baan bij modehuis Dior. Blunt is als een vis in het water in deze rol. Ze zet de onhandige Emily lekker vet aan. Het is een genoegen om naar te kijken.

In deze sequel heeft Miranda Priestly niemand minder dan de Britse steracteur Kenneth Branagh naast zich gekregen in de rol van haar knusse, huiselijke partner, met hond en al.

Milaan

De makers (producent: Wendy Finerman) hebben visueel alles uit de kast getrokken om hiervan een fraaie film te maken. De fotografie is prachtig, het camerawerk sterk. Voor de styling zijn kosten noch moeite gespaard. De film is zowel in New York City als in Milaan gedraaid, en vooral de scènes in Milaan zijn oogverblindend.

Gaga

Zoals te verwachten, komt er bij een stevige, Milanese modeshow-passage een stoet cameo’s langs: bekenden uit de modewereld, die in feite zichzelf spelen. Modeontwerpers zoals Marc Jacobs en Stefano Gabbana, modellen zoals Heidi Klum. Emily mag lunchen met Donatella Versace.

Als klap op de vuurpijl verschijnt Lady Gaga als zichzelf ten tonele, gehuld in een zwart catwoman-achtig pak. Staand op een groot rond podium zingt ze ‘The Shape of a Woman’. Het soort kers op de taart dat van een film voor de liefhebber al helemaal een plezierig uitje maakt.

Deel 1 was weliswaar origineler, scherper, frisser en daardoor beter. Maar wie van die film een goed humeur kreeg, mag The Devil Wears Prada 2 niet missen.

‘The Devil Wears Prada 2’ draait vanaf donderdag 30 april 2026 in de bioscopen.

Theater / Voorstelling

Het ongeluk dat eenzaamheid heet

recensie: Nachtschade – Het Nationale Theater
NachtschadeAndreas Terlaak

Ze zal maar héél even blijven logeren, de eenzame zus die moet worden opgevangen na een ongelukje met de fiets. Héél even zal ze bivakkeren op de bank bij haar zwangere zus en haar zwager. Maar ‘heel even’ wordt dagen, wordt weken. En die onfortuinlijke fiets is niet het enige ongeluk dat haar treft. De extreem drukke, dominante, verwarde zus belichaamt het ongeluk dat eenzaamheid heet in Nachtschade van Het Nationale Theater.

De personages in Nachtschade hebben geen namen. Ze heten ‘de vrouw’, ‘haar zus’, ‘de man’ – enzovoort. Daarmee bewerkstelligt toneelschrijver Annet Bremen vanzelf een vorm van anonimiteit. Het belangrijkste thema van dit stuk is eenzaamheid. En die is universeel, kan iedere, anonieme mens treffen, zo lijkt de bedoeling van het weglaten van namen.

Verantwoordelijk

De vrouw (Mariana Aparicio) is helemaal opgedirkt om uit te gaan. Rode avondjurk met een blote rug, rode schoentjes, het lange haar in een kunstige staart. Maar wanneer de zwager bij wie ze logeert thuiskomt, is ze helemaal niet vertrokken. Daar gaat het romantische avondje met zijn vrouw waarop de man zich had verheugd. Want de verongelukte schoonzus gunt het koppel geen moment privacy, is dominant aanwezig, zeurt voortdurend om de aandacht van haar zwangere zus. Die voelt zich op haar beurt verantwoordelijk en biedt de logee keer op keer een brede schouder.

Lastpak

Maar in feite is dat fietsongeluk niet het echte probleem. Eigenlijk is de vrouw hevig in de rouw vanwege het verlies van haar vriend, haar grote liefde, die zelf een einde heeft gemaakt aan zijn leven. Ongeacht wat er gebeurt, wie er hulp biedt: het is niet genoeg. De vrouw blijft in haar jachtige, ongelukkige bubbel zitten.

De zus (Esther Scheldwacht) en de zwager (Chiem Vreeken) zijn geduldig, hebben begrip, bieden hulp; hoewel de situatie de zwager stevig de keel begint uit te hangen. Deze zwager vindt de vrouw een aandachtzuigende lastpak, maar hij is niet bij machte haar vertrek te eisen. Dus zitten ze vooralsnog aan haar vast.

Treincoupé

Setting is het appartement van de zwangere zus en de zwager, op de bovenste verdieping van een torenflat (scenografie: Koen Steger). De ramen kunnen niet open, geluiden van buiten dringen gedempt door. Dat levert op dat je mensen in tegenoverliggende appartementen kunt waarnemen, maar dat contact niet mogelijk is.

Het appartement is vormgegeven als de coupé van een metro, met een rij stoelen, met een metalen stang horizontaal aan het plafond met lussen waaraan passagiers kunnen hangen die geen zitplaats hebben kunnen vinden. Klapdeuren naar buiten. Een metro is hier het ultieme symbool van eenzaamheid en anonimiteit: passagiers kijken elkaar niet aan, maken geen contact, zijn niet met elkaar bezig.
De vrouw, de logee, slaapt erg onhandig over een paar losse stoelen heen liggend. Het stuk verbeeldt één nacht in haar leven. Het zou zomaar kunnen dat er nog velen zoals deze zullen volgen.

Herrie

Belangrijk element, zowel in het verhaal als in de vormgeving, is de trein of metro die periodiek langs de torenflat raast, met veel herrie en felle lichten. Hij wordt verbeeld door een rij van felle tl-buizen die in hoog tempo langsflitsen van de ene kant van het podium naar de andere. De trein is een signaal dat er ook buiten het appartement mensen zijn met een leven, maar die zijn niet waarneembaar, niet aanspreekbaar, de anonimiteit is compleet. Bovendien beïnvloedt de voorbijrazende trein de handeling. Hij verstoort gesprekken. Maar hij biedt de personages ook de kans geluidloos hun frustratie uit te schreeuwen.

Saai

De teksten die Annet Bremen haar personages in de mond legt, zijn zeer abstract, en veelal fragmentarisch. Veel flarden, veel afgebroken zinnen, ook. Bremen maakt het de toeschouwer niet makkelijk.

‘Eigenlijk hou ik helemaal niet van echt’, zegt de vrouw. ‘Ik vind ‘echt’ eigenlijk echt verschrikkelijk saai. Zo dodelijk, zo oervervelend, onverdraaglijk saai… Alles is beter in mijn hoofd.’

Deze passage is de sleutel tot begrip van de handeling. Vaak is het diffuus wanneer de vrouw droomt of fantaseert en wanneer dingen echt gebeuren. Veel van wat we zien, gebeurt alleen in het hoofd van de vrouw.
Het zijn een soort irreële fantasieën, waarin leukere, maar ook pijnlijkere dingen gebeuren dan in haar echte leven. Zo danst ze met haar overleden geliefde, die achter de ramen van de coupé staat, rood verlicht. De vraag is hoelang deze vrouw nog zal doorgaan met op deze manier leven.

Blanche DuBois

Nachtschade leunt niet toevallig op A Streetcar Named Desire (1947) van de Amerikaanse toneelschrijver Tennessee Williams. De onfortuinlijke vrouw heet bij Williams Blanche DuBois. Blanches man heeft zelfmoord gepleegd, waarna zij zich heeft genesteld in het leven van haar zwangere zus Stella en haar zwager Stanley.

Net als Blanche, maar dan getroubleerder, ratelt de vrouw in Nachtschade. Ze kakelt iedereen de oren van de kop met haar overdenkingen en theorieën. Mariana Aparicio speelt haar met ongekende expressie en variatie in haar stemgebruik, met bijna acrobatisch gebruik van haar lichaam. Dansend, springend, rollend, kruipend. Deze vrouw is getikt, maar ze is ook intelligent en diepzinnig. En verdrietig, wanhopig, ten einde raad.

Sterk

Esther Scheldwacht neemt de rol van de zwangere zus op zich. Haar doen en laten wordt gedicteerd door het dikmaak-pak dat de groeiende buik verbeeldt. Scheldwacht is sterk zoals we haar kennen: ze zet de zus ongerust, verantwoordelijk, beschermend neer. Vleugellam gemaakt door de spagaat waarin ze zit, tussen de man op wie ze verliefd is en de zus die ze niet durft te laten vallen.

Chiem Vreeken neemt alle mannenrollen op zich, zowel die van de echt-bestaande zwager als die van de overleden vriend en een mislukte date van de vrouw. Opvallend is dat Vreeken er in al deze rollen vol ingaat. Hij pikt de belangrijkste emotie eruit en vergroot die dan uit. De ongeduldige zwager. De zwoele vriend. De begerige date.

Kaleidoscopische

Het totaal levert een bijna filmische voorstelling op, inclusief een soort filmstills die het resultaat zijn van harde belichting (licht: Tim van ’t Hof, Jaan Smit). Regisseur Belle van Heerikhuizen maakte vorig seizoen bij Het Nationale Theater de ontroerende, sobere voorstelling Schuldig Kind. Voor Nachtschade kiest Van Heerikhuizen voor een kaleidoscopische enscenering met elkaar strak opvolgende scènes, steeds met een ander beeld, een andere insteek, met andere personages, ander gebruik van licht en ruimte.

Makkelijk is Nachtschade niet. De voorstelling laat je achter met een heleboel vraagtekens over wat je nou precies hebt gezien en meegemaakt, met een hoofd vol indrukken en associaties om over na te denken. Fascinerend. Gaat dat zien.

Tekst: Annet Bremen
Scenografie: Koen Steger
Licht: Tim van ’t Hof, Jaan Smit
Muziek: Tessa Rose Jackson
Kostuums: Gina van Os
Dramaturgie: Willemijn Barelds, Marlotte Frowijn
Techniek: Jan Harm Wagner, Wil Caspers, Joris Engering, Rutger Bouwman

Theater / Voorstelling

Een verkeerd vinkje kan een leven verwoesten

recensie: Medea voor een toeslagenherdenking – Toneelschuur Producties/ITA
Medea toeslag 03 © Sanne PeperSanne Peper

Op zijn negende moest Michael van voetbal af; pas op zijn elfde begreep hij waaróm. Zijn moeder verloor namelijk alles wat ze bezat, als slachtoffer van de toeslagenaffaire. Zo was er geen geld meer voor de voetbalvereniging. Toneelschuur Producties brengt Medea voor een toeslagenherdenking over het grote onrecht tegen ouders, begaan door de Belastingdienst.

Het huis van het driepersoonsgezin Medea-Jason-Michael is letterlijk uiteengetrokken. De gezinsleden zitten ieder op hun eigen ‘eiland’, een loodkleurige verhoging met een grijze stoel erop, type straatmeubilair. Ze spreken veelal in monologen, en niet tegen elkaar. De man en de vrouw kunnen elkaar lange tijd zelfs niet zien. Het onrecht heeft dit gezin in alle opzichten zichtbaar uiteengeslagen in Medea voor een toeslagenherdenking van Toneelschuur Producties.

Zelfs de musicus (Jeremiah Owusu-Ansah) die vanachter zijn elektrische piano de soundscape verzorgt, bewoont een eigen, losstaand eilandje.

Terugvorderingen

De toeslagenaffaire is de onterechte beschuldiging van fraude, door de Belastingdienst geuit tegen zeker 44.000 ouders (hoeveel precies is nog altijd onduidelijk). Die ouders kregen toeslag om de kinderopvang te kunnen betalen. Maakten ze vervolgens in hun belastingaangifte een fout, dan werden ze beschuldigd van fraude en moesten ze na jaren opeens het totale bedrag terugbetalen dat ze in de loop der tijd hadden ontvangen aan toeslag voor de kinderopvang. Daarbij ging het om hoge tot zeer hoge bedragen.

De gezinnen raakten door deze terugvorderingen in enorme problemen. Vaak ging dat ten koste van de kinderen, van wie velen zelfs uit huis werden geplaatst omdat thuis door alle stress sprake zou zijn van ‘een onveilige situatie’. Vooral mensen met een niet-westerse achtergrond werden het slachtoffer van deze misstand.

Euripides

De Medea om wie deze Toneelschuur Productie draait, is op deze manier 80.000 euro schuldig aan de Belastingdienst. Geen wonder dat ze ten einde raad is. Tekstschrijvers Maarten van Hinte en Angelo Ormskerk horen in de wanhopige moeder de echo van Medea (431 voor Chr.), het toneelstuk van de Griekse schrijver Euripides.

Euripides’ Medea is haar thuisland ontvlucht, ze is met haar geliefde Jason naar Griekenland gevlucht. Samen krijgen ze twee zoons. Lang verhaal kort: Jason sluit vervolgens een lucratiever huwelijk met een andere vrouw. De vurige Medea uit haar woede over deze lafhartige streek in de ultieme wraak: ze doodt de kinderen. Haar wanhoopsdaad mag al sinds 431 voor Christus op weinig begrip rekenen.

Associatie

Toneelschuur Producties – in coproductie met Internationaal Theater Amsterdam – gebruikt het gegeven van de door wanhoop gedreven moeder Medea om een voorstelling te maken over moeders, vaders en kinderen die het slachtoffer zijn van de toeslagenaffaire.
Die associatie met de oude Grieken voelt nogal vergezocht, en er klinken geregeld tamelijk abstracte teksten van Euripides door het stuk heen. Maar het onderwerp heeft beslist actuele, maatschappelijke urgentie. Het is goed dat Toneelschuur Producties het oppakt om er theater van te maken.
De teksten van dit stuk zijn gebaseerd op echte casussen uit de toeslagenaffaire.

Knock-out

De moeder in Medea voor een toeslagenherdenking gaat niet zo ver als die in het stuk van Euripides: de zoon die zij heeft van háár Jason blijft gewoon leven wanneer de man haar verlaat en met een ander trouwt.
Maar ze is wel degelijk de wanhoop nabij. Gemangeld, knock-out geslagen door de beschuldiging gefraudeerd te hebben. Zoon Michael beschrijft hoe ze erbij loopt: ‘Slippers, huisjurk, moe.’ Medea grijpt naar de drank en loopt met een mes te zwaaien.

Schuilnaam

Eigenlijk heet ze Maria Callas (‘Mijn vader hield van opera’). Maar omdat ze onder de radar moet zien te blijven van alle instanties om te kunnen functioneren, én om zwart te kunnen werken, neemt Maria de schuilnaam ‘Medea’ aan. Zij beschrijft de vernedering van het valselijk beschuldigd worden, en de frustratie het onrecht niet te kunnen keren. Vader Jason heeft verzonnen dat het voor iedereen lucratiever is wanneer hij weggaat.

Het kind, Michael, is het échte slachtoffer van deze belastingellende. Wat begint als een dagje weggehaald worden uit het ouderlijk huis vanwege de zogenaamde ‘onveilige thuissituatie’, loopt via echte uithuisplaatsing volledig uit de hand.

Dynamiek

De regie van Angelo Ormskerk is nogal statisch. We kijken veelal naar acteurs die zittend vertellen, of die staan met de handen in de zakken. Dat gebrek aan dynamiek zal deels zijn te wijten aan het gegeven dat veel van de teksten zijn gegoten in monoloog-vorm.

Joe Sinduhije als Michael is de vondst van deze voorstelling. Terwijl hij toch vooral gewoon staat, met zijn gezicht naar de zaal terwijl hij spreekt, zet hij met zijn mimiek, stem, schouders en armen overtuigend een gepiepelde puber neer. Sinduhije verglijdt moeiteloos van lachen naar boos zijn naar verontwaardigd worden naar zich vernederd voelen.

Kapotgemaakt

Urmie Plein als Medea heeft de zwaarste teksten op haar bord. Eigenlijk mag Plein van Ormskerk niet veel meer dan praten, vertellen. Ondanks de beperking die dat oplevert, is ze mooi als de kapotgemaakte moeder.

Oudgediende Dennis Rudge heeft zijn strepen meer dan verdiend als acteur. Rudge bezit een acteerpalet dat is voorzien van een rijk scala aan kleuren en nuances. Maar van regisseur Ormskerk mag deze Jason niet veel méér gebruiken dan zijn stem en zijn mimiek. Jason moet staand voor de zaal met zijn handen in zijn zakken zijn motieven verdedigen. Dat is een gemiste kans, Rudge had hier een man kunnen neerzetten die het midden houdt tussen een egocentrische eikel en een goede vader die kiest voor de rationele oplossing.

Verkeerd vinkje

In de hal van het theater hebben de makers op een hoge tafel een ‘monumentje’ neergezet: een toren van gekleurd papier, symbool voor de talloze dossiers van toeslagenouders. Eromheen liggen koptelefoons waaruit persoonlijke verhalen klinken, plus kopieën van brieven en formulieren met casussen. De haren rijzen je te berge wanneer je ziet hoe een kleine fout zoals een verkeerd vinkje op een formulier het leven van mensen heeft verwoest.

Gebaseerd op: ‘Medea’ van Euripides
Tekst: Maarten van Hinte en Angelo Ormskerk
Regie: Angelo Ormskerk
Spel: Urmie Plein, Dennis Rudge, Joe Sinduhije
Muzikaal leider en toetsenist: Jeremiah Owusu-Ansah
Zang: Pkeyz en ToneByte
Scenografie en kostuumontwerp: Wael Qadriyeh
Lichtontwerp: Casper Leemhuis
Fotografie: Sanne Peper

Theater / Voorstelling

Indringende performance over disbalans in de wereld

recensie: ATLAS – ROTOR/Coproducers
AtlasPeteris Viksna

Het is een ongemakkelijk beeld waarmee de voorstelling ATLAS van performance collectief ROTOR ons confronteert. Zeven performers moeten in wisselende samenstellingen een grote, zware, witte plaat horizontaal in de lucht zien te houden. Maar ze zijn veelal zó met hun eigen ikje bezig, dat de vraag is of ze dat gemeenschappelijk evenwicht wel kunnen opbrengen. Het lijken wel hedendaagse mensen, die meer geïnteresseerd zijn in zichzelf dan in de wereld om hen heen.

De titel ATLAS verwijst uiteraard naar de onfortuinlijke gelijknamige figuur uit de Griekse mythologie. De Griekse oppergod Zeus strafte de Titaan Atlas, omdat die meevocht in een oorlog tegen hem. Bij wijze van straf moest Atlas het loodzware hemelgewelf op zijn schouders torsen. De opdracht was te zorgen dat hemel en aarde elkaar nooit zouden raken. Atlas, met het bolvormige heelal op de schouders, is in de kunst geregeld uitgebeeld als standbeeld, bijvoorbeeld op het dak van het Paleis op de Dam in Amsterdam.

Bliksemschicht

Het publiek zit bij de voorstelling ATLAS om de vierkante speelvloer heen, op gelijk niveau met de performers. Deze zeven spelers – gekleed in hemelsblauw, wit en beige – vormen een internationaal gezelschap waarin alle kleuren van de menselijke regenboog zijn vertegenwoordigd.
De dikke witte plaat die zij moeten tillen mist aan één kant een hoek en in het midden loopt er een transparante bliksemschicht doorheen (scenografie: Han Ruiz Buhrs). Maar de performers lopen voortdurend onder die plaat uit, en laten het tillen dan over aan de achterblijvers. De weglopers praten, kletsen, gebaren, ieder opgaand in diens verhaal.

Ontsnappen

Aanvankelijk is ieder individu eigenlijk alleen met zichzelf bezig. In zeer hoog tempo lopen, vallen, rennen, tuimelen, kruipen de performers naar individuele toeschouwers toe die ze rechtstreeks toespreken. In flarden, in fragmenten van zinnen: ‘Smeer jij je goed in?’ ‘Gá niet in mijn personal space…’ Ze symboliseren het hedendaagse jachtige, egocentrische leven.

Uiteindelijk keren ze weer terug naar de witte plaat, helpen weer tillen, terwijl een ander aan de last ontsnapt. Op een zeker moment draagt één persoon (Koen van der Heijden) de plaat in zijn eentje. Hij houdt dat nog een tijdje vol ook, maar uiteindelijk dreigt hij hevig zwetend te bezwijken onder de last.

Uitgeput

Deze dansachtige performance wordt met explosieve energie uitgevoerd, in hoog tempo, zwetend, hijgend; en ondersteund door een veelal heftige soundscape die van trommelend naar dreunend naar muzikaal naar monotoon verloopt. Het geheel duurt een uur, maar dan zijn zowel de performers als de toeschouwers ook totaal uitgeput.

Vraagstuk

Performance collectief ROTOR stelt in fysiek zeer zware voorstellingen existentiële universele vraagstukken centraal. Het lichaam vormt daarbij steeds het uitgangspunt: kwetsbaar, wendbaar, rondtollend, sterk, zwak.

Het vraagstuk van de performers in ATLAS is in feite: hoe kom je in balans? Hoe ontstaat evenwicht? Hoe ontstaat harmonie?

Symboliek

Het evenwicht is wankel, breekbaar. ATLAS staat bol van symboliek, je kunt er allerlei vormen van mondiale disbalans in zien. De constante overkill aan informatie, bijvoorbeeld. Maar ook: de zorgen om het klimaat. De problemen om met elkaar te communiceren. Het elkaar laten vallen, met conflicten tot gevolg. Als iedereen alleen aan zichzelf denkt, komen hemel en aarde er uiteindelijk beroerd vanaf; zo is duidelijk.

Vooral het tillen in wisselende samenstellingen levert buitengewoon fraaie beelden op. Je kunt er beeldhouwwerken uit vroegere eeuwen in zien, waarin allerlei helden en strijders in moeilijke, zware houdingen dingen dragen of vechten.

Evenwicht

Hoe verder de performance vordert, hoe duidelijker het antwoord wordt op de vraagstukken: ‘Hoe houd je balans, hoe ontstaat harmonie?’ Door niet alleen met jezelf bezig te zijn. Door je steentje bij te dragen. Door jouw deel van de last die ‘leven’ heet te tillen. Door oog te hebben voor de ander en die zo nodig te helpen. Pas wanneer de spelers echt gaan samenwerken, ontstaat er evenwicht.

Concept: Hidde Aans-Verkade, Koen van der Heijden
Inspiratiebron: filosoof Byung-Chul Han (werken: ‘De Vermoeide Samenleving’ en ‘Vita Contemplativa’)
Muziek: Krijn Moons
Scenografie: Han Ruiz Buhrs
Kostuums: Kevin Pieterse
Licht: Paulina Prokop

De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370
Kunst / Expo binnenland

Melancholie en verlangen

recensie: Umbild - Jules van Hulst & Wieger Steenhuis
De Fundatie_PT_Februari_2026_1G7A1370

Les fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) heet de dichtbundel (1857) van Charles Baudelaire. Deze bundel vormt primair het uitgangspunt voor de tentoonstelling Umbild van Jules van Hulst en Wieger Steenhuis in Museum de Fundatie in Zwolle.

De kunstenaars benadrukken gelukkig dat het niet zo eenzijdig is als de titel van Baudelaire doet vermoeden; niet alleen het kwaad komt in de gedichten terug. Het gaat volgens hen namelijk zowel over spleen als over ideaal: het negatieve, zware en melancholische, en het ideaal, het verlangen naar het perfecte. De kenners en liefhebbers weten het: goed en kwaad komen niet alleen in de hele bundel, maar soms zelfs in één gedicht terug, zoals in ‘Duellum’. Dit begint met verlangen en eindigt met de vechtscheiding van dichter Charles en diens vrouw Jeanne.

Jules van Hulst en Wieger Steenhuis

Die dubbelslag kom je in de expositie overal tegen. Van Hulst (Nijmegen, 1984) en Steenhuis (Emmen, 1982) onderzochten een jaar lang in het kader van een mastertraject bij Museum de Fundatie hoe hedendaagse technieken kunnen worden ingezet om bestaande kunstwerken uit de collectie opnieuw te tonen en daarbij diepere lagen aan te boren.
Van Hulst is beeldend kunstenaar die video’s, performances, installaties en poëziefilms maakt. Steenhuis is ontwerper en ontwikkelaar van interactieve installaties en realtime computer graphics waarin wordt uitgegaan van gedeelde ervaringen.

Drie originele kunstwerken

Ascetics.temp

Drempel naar de droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

De drie originele kunstwerken die beide kunstenaars naast Baudelaire tot uitgangspunt namen, worden getoond in een kleine zaal op de begane grond: het bronzen beeld De geknielde van de fontein (1898) van George Minne, het stilleven Bibelots (ca. 1935) van James Ensor en Landschap in Wales (1917) van Valerius De Saedeleer. Alle drie Vlaamse symbolisten, zoals Baudelaire een Franse symbolist was.

De geknielde van de fontein George Minne

Het eerstgenoemde werk komt terug in Ascetics.temp van Van Hulst en Steenhuis. Een installatie waarin de geknielde in het aangeduide water lijkt te kijken. In tegenstelling tot Narcissus, die betoverd was door zijn eigen spiegelbeeld in het water, is deze man naar binnen gekeerd. De installatie is omringd door gordijnen die soms door een ventilator worden aangeblazen en waarop vervolgens een woord wordt geprojecteerd, zoals ‘analogie’, ‘imitatie’, ‘mimesis’. Net als bij het originele beeld op de begane grond kan de bezoeker om de installatie heenlopen.

Schilderij Inwisselbaar

De bezoeker is zowel kijker als de bekekene. Beeld: Peter Tijhuis.

Bibelots James Ensor

De Bibelots van Ensor zijn bij Van Hulst en Steenhuis getransformeerd tot een installatie onder de titel Inwisselbaar. Hierin zijn objecten uit de collectie van Museum de Fundatie samengebracht. Oorspronkelijk zijn het bij Ensor kleine siervoorwerpen die staan voor ijdelheid. Dit thema is ook hier gebleven, want een felle lamp zorgt ervoor dat de schaduw van de waarnemer op een witte muur valt. Zo kijkt de bezoeker dus zelf naar de kunstwerken, maar kan deze op die manier ook door andere bezoekers worden bekeken. Dit is naast Baudelaires spleen en ideaal nog een onderliggend, misschien wat gezocht thema in deze expositie: kijken en bekeken worden.

Landschap in Wales Valerius De Saedeleer

Het prachtige landschap naar De Saedeleer is door Van Hulst en Steenhuis fraai gevangen in hout, staal, monitoren en data-aansturing. Het is een intrigerende installatie, die ze Daily Nocturne noemen, ‘een venster naar een droomwereld’, het ideaal van Baudelaire.
De toeschouwer ziet hoe materialen als hout en staal misschien in tegenspraak zijn met de droomwereld die de kunstenaars willen verbeelden. Maar juist daardoor komt de tweeslag van Baudelaire ook in materie mooi naar voren.

Daily Nocturne

Een venster naar een droomwereld. Beeld: Peter Tijhuis.

Het principe van data-aansturing komt terug bij de videomuur Heliotropisme bij het restaurant boven in het museum. Er zijn zonnebloemen te zien die verwelken en weer opbloeien, van spleen naar ideaal. Wanneer er iemand langsloopt, begint ook hier weer fel licht te schijnen dat de passant als de zon langs de negen videopanelen leidt.

Museum de Fundatie biedt met deze tentoonstelling een fraai voorbeeld op het snijvlak van Baudelaire, drie kunstenaars uit het Vlaams/Frans symbolisme en moderne transformaties daarvan, waarbij inventief gebruik is gemaakt van hedendaagse technieken en materialen. Een tweeslag (melancholie en verlangen) om ter plaatse te ervaren!

Theater / Voorstelling

Twijfels en overtuigingen van een verzetsman

recensie: Soldaat in verzet – De Theater BV
foto: annemieke van der togtAnnemieke van der Togt

Is het zinnig om als individu gewelddadig verzet te plegen tegen een onverbiddelijke bezetter die de absolute overmacht heeft? Een bezetter die verzetsdaden beantwoordt met bloedige represailles? Dat is een van de vragen waarmee Jan Verleun worstelde, verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verleun moest zijn daden met de dood bekopen. De Theater BV maakt de voorstelling Soldaat in verzet over dit tegelijkertijd grote en kleine oorlogsverhaal.

Bij binnenkomst in de theaterzaal klinken de indringende doodsklokken van de Waalsdorpervlakte. We kennen die klokken van de indrukwekkende jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei; RTL4 zendt de herdenking daarvandaan uit. In deze duinen bij Den Haag werd Jan Verleun (1919-1944) gefusilleerd.

Terugslaan

Verleun was twintig en soldaat toen op 10 mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen. Hij raakte onmiddellijk gewond, waardoor een sterke motivatie ontstond om op een of andere manier terug te slaan: ‘Geef me extra tijd en ik beloof dat ik dit land vrij zal krijgen.’
Zo kwam hij als student terecht in het verzet. Hij liquideerde eigenhandig de collaborateurs Hendrik Seyffardt en Folkert Posthuma, maar werd verraden en na martelingen en verhoren gefusilleerd. Zijn jongere zus Do du Preez-Verleun en Pauline Wesselink schreven over deze verzetsman een boek dat in 2004 verscheen. Scriptschrijver Allard Blom baseert de tekst van Soldaat in verzet op het boek.

Dit oorlogsstuk wordt gespeeld door Soy Kroon en Thomas Cammaert, in de regie van Olivier Diepenhorst. Eerder brachten Kroon en Cammaert samen Trompettist in Auschwitz (2022), toen in de regie van Eddy Habbema.

Flashbacks

Setting is de dodencel waarin Verleun wacht op de voltrekking van zijn vonnis. De geschiedenis wordt verteld in flashbacks, waarin we fragmenten zien uit Verleuns verleden. Kroon en Cammaert spelen alle personages, zoals zusje Do, medeverzetsman Leo Frijda en diens vriendin Irma. En ze spelen Jan Verleun ook allebei, al dan niet voorzien van de schuilnaam die hij gebruikte voor zijn werk in het verzet.

Projecties

De vormgeving is fraai en zeer effectief (decorontwerp: Joris van Veldhoven). De achterwand is groen/grijs, betonachtig, en in de lengte in tweeën gespleten. Twee grote blokken vormen de belangrijkste decorstukken. Daarop twee staande microfoons waarop twee cameraatjes zitten. De claustrofobische beelden van die cameraatjes worden op de achterwand geprojecteerd: staand of schuin, hangend, liggend, doormidden gebroken door de kier in de achterwand.

Binnenwereld

Samen spelen Kroon en Cammaert Jan Verleun, en zijn van een schuilnaam voorzien alter ego; een beetje zoals W.F. Hermans speelt met identiteiten in zijn oorlogsroman De donkere kamer van Damokles. In dat boek blijft de vraag of Osewoudt en Dorbeck één en dezelfde persoon zijn.
Mooi aan de keuze voor twee spelers die dezelfde Jan neerzetten, is dat enerzijds de moed en de overtuigingen, anderzijds de twijfels en angsten van de verzetsman er de ruimte door krijgen. Je kunt de binnenwereld van het personage verwoorden door er iemand bij te zetten die luistert, tegenspreekt of juist motiveert.
Gesprekken met het alter ego voorkomen dat het stuk één lange monoloog wordt. Jammer is wel dat de argumenten in die gesprekken wel erg vaak worden herhaald; op een gegeven moment kennen we de afwegingen wel.

Beklemmende sfeer

Regisseur Olivier Diepenhorst kiest voor zeer lijfelijk spel, van het uitdrukken van de pijn die martelingen veroorzaken, tot een knuffelpartij tussen twee geliefden. Diepenhorst zet zelfs hoorbare ademhaling in om de angst van de verzetsman over het voetlicht te krijgen.
Geluidseffecten zoals langzaam druppend water en het gekraak van een defecte lamp versterken de beklemmende sfeer. Helaas is de versterking van de spraak nu en dan te slecht om verstaanbaar te zijn.

Naturel

Of het opzet is dat Soy Kroon nu en dan hapert in zijn tekst, stopt en herformuleert is niet duidelijk, maar dat struikelen over tekst werkt goed om de weifelende Verleun smoel te geven. Hij komt daardoor enorm naturel over; zijn onzekerheid en angst worden dankzij het periodieke gestamel extra geloofwaardig.
Cammaert neemt meer de ondersteunende rol op zich. Ook omdat hij vaker de innerlijke stem is die Verleun vragen stelt.

Represailles

De kwestie die het stuk eigenlijk ter discussie stelt, is of gewapend verzet tegen de bezetter op deze manier, op het niveau van een alleen handelend individu, wel zinvol is. Het liquideren van een enkele collaborateur leidde voorspelbaar en onherroepelijk tot represailles die aan velen het leven kostten. De vraag of je daarom bij voorbaat beter kunt afzien van gewelddadig verzet, blijft onbeantwoord.

‘Ik heb mijn best gedaan’, zegt Verleun. Zeker, maar tegen welke prijs, is de vraag. Soldaat in verzet is een klein oorlogsverhaal, zoals er meerdere zijn, maar een goed voorbeeld van de heldhaftige onhandigheid van individuele verzetsmensen.

Gebaseerd op: boek van Do du Preez-Verleun en Pauline Wesselink
Script: Allard Blom
Decor: Joris van Veldhoven
Licht: Coen van der Hoeven

Theater / Voorstelling

Lekker rocken in de nabije toekomst

recensie: We Will Rock you, de musical

De muziek van Queen is tijdloos, zo prijkt  ‘Bohemian Rhapsody’ (bijna) elk jaar boven aan in de Top2000. Tijd om de musical We will rock you! weer naar Nederland te halen, moet Albert Verlinde gedacht hebben. Maar hoe actueel is deze musical die over de toekomst gaat?

Voor de derde keer staat deze jukeboxmusical vol hits van Queen in Nederland. In 2010/2011 was de show al te zien in het Beatrix Theater in de versie van Stage Entertainment en in 2019 bracht TEC entertainment de musical naar Nederland met popdiva Anastacia in de hoofdrol. De musical van Ben Elton is wereldwijd al sinds 2002 een groot succes, zo stond de show ruim twaalf jaar op West End en is te zien geweest in veel verschillende landen met vertaalde versies. Hoewel de show keer op keer volle zalen trekt, zijn recensenten altijd kritisch geweest. Het verhaal van de musical is namelijk flinterdun en bij vlagen absurd.

Dystopische toekomst

In We will rock you! bevinden we ons in de toekomst op AI Planet, geregeerd door dictator Killer Queen (Nyassa Alberta). Dit blijkt een wereld vol AI en technologie, waar niemand echt een individu mag zijn en waar rockmuziek verboden is. Een jongen, Galileo (Brecht van Arnhem), krijgt visioenen waarin hij flarden van pop- en rockmuziek hoort. Samen met Scaramouche (Magtel de Laat)  vindt hij de rebelse Bohemians en gaan ze op zoek naar muziekinstrumenten om rockmuziek te maken. Zo proberen ze in opstand te komen tegen het regime van de Killer Queen.

Een musical over de toekomst, gemaakt in 2002 met muziek uit de jaren ’70, ’80 en ’90, wat voor een toekomstbeeld wordt daar in geschetst? Gelukkig  een verrassend actueel beeld, door de gevatte bewerking van vertaler en bewerker Jon van Eerd. De muziek van Queen mag dan tijdloos zijn, de show zelf moest redelijk bewerkt worden om een actueel verhaal te worden. In vorige versies speelde het verhaal zich meer dan 300 jaar in de toekomst af, in deze nieuwe versie lijkt de toekomst verrassend dichtbij. De hoofdrolspelers strijden namelijk op de AI planet tegen AI muziek en willen dat er weer echte rockmuziek mag klinken. Een strijd die menig artiest tegenwoordig ook moet voeren. Daarnaast zitten er veel actuele verwijzingen in naar President Trump, waarvan Killer Queen de vergrotende trap is (denk aan verwijzingen naar decreten, Groenland en zelfs de Straat van Hormuz). Het ligt er, zoals met alles in deze musical, lekker dik boven op. Toch zet de show je zowaar ook een klein beetje aan het denken: want is deze geschetste toekomst wel zo ver weg?

Het verhaal draait om technologie en de bevolking onderdanig houden door middel van AI. Passend is dan ook het decor, dat gebruik maakt van slimme videoprojecties waarmee de ruimte echt het gevoel krijgt van een technologische en dystopische toekomst. Hier en daar wordt er slim gebruik gemaakt van geprojecteerde mensen die onmogelijke stunts uitvoeren en het, toch al behoorlijk grote ensemble, nog extra groot doen lijken.

Met het decor waant men zich in de toekomst, de kostuums dragen hier niet altijd aan bij. Zo vallen de jonggingspakken met QR-codes van de Gagagirls vallen wat uit de toon. Daarentegen matchen de strakke pakken van de hulpjes van Killer Queen weer perfect met het decor.

Jukeboxmusical

In We will rock you! draait het om de muziek van Queen en daaromheen is een flinterdun verhaal geschreven, die kritiek uiten recensenten al sinds de internationale première in 2002. Dat wisten de producenten natuurlijk ook al toen ze de rechten van deze show van Ben Elton kochten en zoveel bewegingsvrijheid is er niet bij een bewerking. Natuurlijk draait het bij een jukeboxmusical altijd om de bestaande muziek die gebruikt wordt, maar vaak wordt er nog een redelijk verhaal omheen gebouwd, denk bijvoorbeeld aan Mamma Mia!. In deze Queen-musical komen echter regelmatig de Queenhits uit de lucht vallen, zonder dat ze het verhaal echt dienen, zoals wanneer Killer Queen in één scene van ‘Fat Bottomed Girls’ naar ‘Don’t Stop Me Now’ naar ‘Another One Bites The Dust’ gaat. Erg is het niet, want de nummers worden fenomenaal gezongen.  Bovendien mikt deze musical op liefhebbers van Queen en die kunnen natuurlijk niet genoeg krijgen van alle hits.
Het blijft dus een mager verhaal, ook al heeft Jon van Eerd er een actuele draai aangegeven.

De vele hits maken de musical tot een echt feestje. Zeker Nyassa Alberta indruk met haar zangtalent en ook hoofdrolspelers Brecht van Arnhem en Magtel de Laat zingen samen moeiteloos de ene klassieker na de andere. Ook Naima Bayo valt als Oz op met het nummer ‘No-one but You’. Lucas Hamming, die als een van de weinigen een échte rockstem heeft, is helaas slechts in een paar nummers te horen.
Naast dat er vocaal wordt uitgepakt, heeft de show ook een groot ensemble dat veel energie geeft en mooie choreografieën danst. Bovendien heeft het ensemble het behoorlijk druk met kledingwissels en dansen. Zo spelen ze de hulpjes van Killer Queen, de Gagagirls en de Bohemians en die groepen komen allemaal regelmatig terug gedurende de show.

Naar We will rock you!  ga je  dus niet voor een goed verhaal, maar juist om de muziek van Queen live te horen.  Deze musical is nog tot en met november in verschillende Nederlandse theaters te zien, dus wie lekker mee wil swingen op de muziek van Queen heeft nog genoeg kans om te gaan.

Boeken / Fictie

Een kleurrijke schets van een duistere tijd

recensie: Meester van de trommels – José Eduardo Agualusa
Omslag Meester van de trommelsbol.com

In Meester van de trommels beschrijft José Eduardo Agualusa de geschiedenis van een natie en de geschiedenis van een familie. Het is een kleurrijke schets van een reeks grauwe gebeurtenissen – een interessant contrast.

Jan Pinto beleeft roerige tijden in Angola. Hij wordt door de ene diplomaat, dan weer door de andere koning betrokken bij conflicten die zich voltrekken tussen de Portugese kolonisten en de inheemse bevolking in het Angolese binnenland. Ondertussen onderhoudt hij een romantische relatie met Lucrécia Van-Dunem, die hij op de boot vanuit Lissabon naar Luanda ontmoet en bij wiens familie hij overnacht tijdens zijn verblijf in de Angolese hoofdstad. Naast de politieke intriges treedt ook de liefde als thema op de voorgrond – een klassieke, ouderwetse liefde in net zo’n pure vorm als Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera.

Weinig houvast

Jans politieke en militaire bemoeienis in Angola brengt hem met veel Angolese en Portugese bewindslieden in contact en maakt dat hij bij een groot aantal gewapende conflicten betrokken raakt. De avonturen waarin Jan Pinto zich stort, en de vele reizen die hij daarvoor maakt, zijn niet altijd even goed bij te houden voor de lezer. Dat komt doordat Meester van de trommels vrijwel geen houvast biedt voor lezers met weinig parate kennis over de betrekkingen tussen de Portugezen en Angolezen in Angola in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Een raamvertelling

In de eerste hoofdstukken van Meester van de trommels is de verteltrant redelijk objectief. Wanneer het verhaal echter wordt onderbroken door een commentaar waarin de samenstelling van het Portugese koloniale leger in Angola wordt toegelicht, wordt duidelijk dat het vertelperspectief niet dat van een neutrale, boven het verhaal zwevende alwetende verteller is. De lezer leert al snel dat het verhaal in feite een geschiedkundige reconstructie is, die wordt opgetekend door de kleindochter van hoofdpersoon Jan Pinto. Deze kleindochter-verteller, Leila, baseert haar reconstructie grotendeels op informatie die zij leest in de dagboeken van haar oudtante Irene Van-Dunem, de zus van Lucrécia. Zij voorziet de informatie in de dagboekfragmenten regelmatig van haar eigen commentaar: zij geeft graag historische context of haar persoonlijke visie op de gebeurtenissen. Tussen die commentaren door rapporteert Leila echter over het algemeen zo droog over de geschiedenis van haar grootvader, dat zij als verteller volkomen op de achtergrond treedt en de lezer haar perspectief uit het oog verliest. Toch zijn het Leila’s commentaren die de lezer eraan blijven herinneren dat de verteller een personage is in haar eigen verhaal.

Door dit in zichzelf grijpende personale vertelperspectief krijgt de lezer de indruk dat Leila zelf een bepaald belang heeft bij het vertellen van het verhaal. Maar doordat enkele wezenlijke vragen onbeantwoord blijven (we leren bijvoorbeeld niet wat voor Leila de aanleiding was om de geschiedenis van haar grootvader uit te pluizen, hoe ze aan de dagboeken is gekomen en hoe haar eigen verstandhouding met de personages eruitziet), blijft het voor de lezer nogal wazig wat dat belang precies is. Gaat het Leila om het schetsen van een beeld van de conflicten op het Angolese grondgebied aan het begin en in het midden van de twintigste eeuw? Om de bovennatuurlijke rol die de trommels spelen in de oorlogvoering van de inheemse bevolking? Om het optekenen van de geschiedenis van de familie Pinto, inclusief de liefde tussen Jan en Lucrécia? Of is het Leila te doen om het vertellen van haar eigen verhaal? Leila relateert in de laatste hoofdstukken immers ook een en ander over haar eigen beslommeringen ten tijde van het schrijven. Deze drie thema’s maken de hoofdonderdelen van het verhaal uit, maar worden nauwelijks met elkaar verweven, waardoor zij elkaar blijven beconcurreren om de voorgrond van het narratief.

Magische details

De personages in Meester van de trommels hebben talloze wonderlijke verhalen te vertellen. Zo blijkt dat de moeder van Lucrécia en Irene over het onverklaarbare talent bezat om, door slechts over de buik te strijken, aan te voelen of een zwangere vrouw van een jongen of een meisje zou bevallen. De bovennatuurlijke aard van veel van die subverhalen geeft het boek een bepaalde magisch-realistische kwinkslag, die wordt geconsolideerd door de magische trommels. De trommels lopen als een rode draad door het hele verhaal: bij het horen van bepaalde ritmes van die trommels wordt de luisteraar in een gruwelijke trance gebracht. Het koninkrijk Bailundo zet de trommels in wanneer zijn territorium wordt bedreigd door de Portugese kolonisten, en vele jaren later gebruikt Leila, die dj is, de ritmes van die trommels in haar muziek.

In Meester van de trommels zijn de bewoners van Angola, en specifiek de inheemse bewoners van het Angolese binnenland, degenen die het leven aldaar het beste begrijpen: zij hebben een gepaste eerbied voor de omgeving en voor de magische elementen. Zij nemen die bovennatuurlijke elementen aan als wonderlijke, maar voldongen feiten van het leven en gebruiken ze handig bij het verdedigen van hun leefomgeving als dat nodig is. De Angolezen steken kleurrijk en bewonderenswaardig af tegen de Portugezen, die zich alleen maar bezighouden met imperialisme en oorlogsvoering en die stuk voor stuk als nogal schandelijke, bespottelijke karikaturen worden neergezet.

De hoofdstukken in Meester van de trommels zijn los van elkaar subliem, maar vormen geen duidelijk, bevredigend geheel, en specifiek de rol van Leila is wat onnauwkeurig uitgewerkt. De literaire kwaliteit van Meester van de trommels schuilt dan ook voornamelijk in de bewonderenswaardige magische details en anekdotes die door de personages worden verteld en in de ingenieuze manier waarop dit boek de verhouding tussen de Portugezen en de Angolezen weergeeft.