Boeken / Achtergrond
special: Wintertuin festival 21-28 november 2004

Wintertuin chaotisch, maar sympathiek

Geen grote zalen waar je tientallen meters van de voordragende persoon af zit, maar kleinschalige optredens waarbij je zelfs zonder microfoon verstaat wat er wordt gezegd of voorgedragen. Er zijn nog maar weinig festivals in Nederland waar je zo dicht met je neus bovenop de uitvoerenden staat als op het Gelderse Wintertuinfestival.

Alleen maar hits, dat was de titel van de tiende editie van het Wintertuinfestival eind november. De ideale studenten literatuur avond, signeersessies onder het kopje ‘Kriebels in je boek’, gedichten op bestelling en vooral veel poëzie. Dat waren de hoofdlijnen tijdens de acht dagen die het literatuurfestival duurde.

~

Zondag 21 november werd het festival geopend in de voormalige Biotexfabriek in Nijmegen. Deze werd speciaal voor het festival omgedoopt tot Fictiefabriek. Met optredens van dichters en schrijvers als Mustafa Stitou, Esther Gerritsen, Ted van Lieshout en Menno Wigman werd het festival volledig in stijl geopend. Hoewel de sfeer uitstekend was, was het een tegenvaller dat de impact van veel optredens teniet werd gedaan door het geroezemoes van minder geïnteresseerde bezoekers.

In gesprek

Een paar dagen later, op donderdag waren de bezoekers gelukkig wel geïnteresseerd. In het knusse Theater aan de Rijn in Arnhem waren Tjitske Jansen en Peer Wittenbols uitgenodigd om met elkaar in gesprek te gaan. Helaas had de organisatie op het laatste moment blijkbaar niet genoeg vertrouwen in de mondigheid van Nederlands best verkopende dichteres en de sympathieke dichter en huisschrijver van toneelgroep Oostpool. Want zodra Tjitske en Peer zich lekker genesteld hadden op de warmrode bank schoven er ineens twee interviewers aan.

Dodelijk saai

Opvallend, zeker wanneer je het artikel in De Gelderlander van de 16e november er nog even op naslaat:

De Wintertuin kiest niet voor het voor de hand liggende. Dus het traditionele podiuminterview met een beroemde schrijver kom je niet tegen op het programma van alweer het tiende Wintertuinfestival. “Dat soort gesprekken is vaak dodelijk saai”, zegt Tazelaar, die sinds 2000 directeur is van de Wintertuin.

~

En inderdaad. Dat soort podiumgesprekken kunnen inderdaad dodelijk saai zijn zo bleek deze donderdagavond. De credits voor deze saaiheid gaan overigens helemaal naar beide interviewers. Zowel Tjitske als Peer deden hun uiterste best om de vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Maar dit werd enigszins bemoeilijkt doordat de ene vragensteller hen nauwelijks een zin liet afmaken, en de ander vrijwel uitsluitend aankwam met vragen waarop alleen het antwoord ja of nee mogelijk was.

Nieuw werk

De voordrachten van beide gasten wisten de avond gelukkig te redden. Naast voordrachten uit hun poëziebundel, kwamen ze beiden ook met nieuw werk. Als afsluiter van de avond droegen ze allebei een gedicht voor uit de bundel van de ander. Een mooi moment hierbij waren de ongemakkelijke blikken van Tjitske naar Peer. Hoe sterk ze ook mag overkomen bij het voordragen van haar eigen werk, een gedicht van iemand anders is weer heel wat anders.

Alleen maar hits

De volgende dag was het tijd voor de grote hits waaraan het festival dit jaar haar naam te danken had. Terwijl Remco Campert en Abdelkader Benali in de Nijmeegse fictiefabriek vermoedelijk alle ruimte hadden, stroomde in Arnhem het publiek samen in de toren van de Eusebiuskerk voor een avond met Connie Palmen en Thomas Rosenboom. Een schitterende locatie, maar helaas niet helemaal geschikt voor het doel, gezien de centraal in de ruimte opgestelde liftschacht. Maar nadat extra stoelen werden aangesleept en een gratis drankje werd beloofd voor tijdens de pauze werd de sfeer al gauw stukken beter. Gezellig met zijn allen op elkaar gepakt luisteren naar een gesprek over beroemd zijn, het schrijfproces en de literaire hits van Palmen en Rosenboom.

Charmante chaos

Misschien is chaos wel de grootste charme van het Wintertuinfestival. Een charmante chaos die wordt veroorzaakt door een flink aantal enthousiaste mensen die samen graag iets mooi willen neerzetten, maar organisatorisch nog niet helemaal op elkaar zijn ingespeeld. En hoewel dat soms minder geslaagde situaties oplevert als slechte interviewers bij een ‘gesprek’ tussen Peer Wittenbols en Tjitske Jansen, is het over het geheel genomen wel een heel sympathiek geheel. Niet in de laatste plaats omdat dankzij een festival als dit duidelijk wordt dat Gelderland meer te bieden heeft dan de EO-jongerendag in het Gelredome.

Muziek / Achtergrond
special: Een gesprek met een eigenzinnige platenbons

Crisis? What crisis?

De klassieke muziekindustrie verkeert in crisis, hoor je steeds. En het is waar dat voorheen grote jongens zoals Universal en EMI maar mondjesmaat opnamen meer uitbrengen. Soms gaan oude labels, zoals Teldec, zelfs ter ziele. Alle labels? Nee, want een aantal kleine maatschappijen biedt dapper en mèt succes weerstand tegen alle narigheid. Chandos besloot al een tijdje geleden om niet meer verder te gaan met de achtenveertigste Beethoven-cyclus en zich op zeldzamer repertoire te concentreren. Een keuze die het Engelse Hyperion al eerder had gemaakt. In Duitsland herontdekt CPO de ene na de andere componist en verkoopt ook nog eens bijzonder goed dankzij een slimme marketing, en ook het Zwitserse Tudor bloeit.

Redelijk recent is daar het Zweedse label Sterling bijgekomen. Sterling richt zich met name op het ‘romantische’ repertoire en volgt daarbij schaamteloos de persoonlijke voorliefdes van eigenaar en productiechef Bo Hyttner. Ach, het spaart marktonderzoek en Sterling heeft bewezen dat hij ondanks – of juist dankzij – deze eigenzinnigheid succesvol kan zijn. Reden genoeg om Hyttner eens aan de tand te voelen: over Sterling, de huidige staat van de klassieke muziekbranche en over Bo Hyttner.

~

Waarom ben je de muziek-‘biz’ ingegaan? Zakelijke mogelijkheden, liefde voor muziek?
“Liefde voor muziek, zonder twijfel. Ik ben met muziek grootgeworden: eerst – toen ik een kind was – luisterde ik vooral naar Dixieland-jazz, maar toen een enthousiaste leraar me een paar klassieke stukken voorspeelde ging ik om en sindsdien luister ik eigenlijk alleen nog naar klassieke muziek.
Ik kocht in 1974 voor een habbekrats de beste platenzaak in Stockholm. Die heb ik 22 jaar gehad, maar in 1996 werd het zo moeilijk dat ik de tent opdoekte. De locatie was onmogelijk, de straat werd constant op de schop genomen en de economisch malaise die toen in Zweden heerste hielp ook niet echt.
Sindsdien ben ik doorgegaan met distributie en productie – hoewel de distributie nu wordt uitbesteed, zodat ik me op productie kan concentreren.”

De hele klassieke muzieksector lijkt momenteel in crisis te verkeren. Hoe sta je daar tegenover?
“Die crisis zie ik in de hele platenindustrie, niet alleen bij klassiek. Ze heeft weinig te maken, zoals ik vaak hoor beweren, met het internet. Integendeel, ik denk dat downloadmogelijkheden de industrie zullen redden. Via het downloaden van muziek ‘proeven’ mensen werk waar ze normaal gesproken, via een winkel, minder snel mee in aanraking zouden komen.
De muziekindustrie moet leren om te gaan met concurrentie. Je kunt maar een beperkt aantal dingen doen in je vrije tijd: televisiekijken, DVD’s afspelen, sporten, internetten – muziek is weinig meer dan één van die bezigheden. De markt moet bovendien leren leven met het feit dat de meeste mensen Elvis en Radiohead al hebben. Of, om het op mezelf te betrekken, Beethoven en Mozart. Ik probeer me daarom te te oriënteren op talent en het onbekende. Nieuwe musici, nieuwe groepen, nieuw en interessant talent: dat is het enige dat de markt kan redden.”

De meeste innovatie in de klassieke muziekindustrie lijkt uit te gaan van de kleinere, ‘onafhankelijke’ labels zoals Hyperion, CPO en Chandos. En natuurlijk Sterling. Ondertussen doen de ‘groten’ weinig meer dan het keer op keer heruitbrengen van hetzelfde materiaal. Voel je een persoonlijke verplichting om nieuw elan in de industrie te brengen?
“De [kleine] labels die je noemt worden geleid door talent – bij de grote maatschappijen lopen veel te weinig competente mensen rond, vooral bij de klassieke afdelingen. Om een voorbeeld te noemen: een paar jaar geleden kwam er een opname van Isaac Perlman [violist, IN] uit met onbekende romantische vioolconcerten. De manier waarop er in het cd-boekje over werd geschreven was gruwelijk. Het is onbegrijpelijk dat de grote maatschappijen hun orkesten niet gebruiken om vergeten stukken opnieuw onder de aandacht te brengen.
Ik moet zeggen dat hoewel Sterling zich heeft gespecialiseerd in romantische muziek, we niet de enige zijn – wat dat betreft is vooral [het Duitse] CPO een geduchte concurrent. Het is grappig dat zij een reeks met Zweedse romantici hebben uitgebracht met werk van Rangström en Atterberg, terwijl wij ons op de Duitsers storten. Maar ik heb geen problemen met concurrentie – er is nog meer dan genoeg muziek om een leven lang te vullen.”

Het succes van zowel Sterling als CPO lijkt samen te hangen met het ontginnen van vergeten materiaal. Soms vind je stukken die in geen eeuw zijn uitgevoerd. Waarom denk je dat mensen zo open staan voor ongekende stukken?
“Het zou veel, heel veel tijd vergen om uit te leggen waarom sommige muziek wel en andere niet wordt gespeeld. Heel globaal kun je zeggen dat er twee soorten muziekliefhebbers zijn. De eerste categorie bestaat uit degenen die naar concerten gaan – en zelden cd’s kopen. Die groep heeft haar abonnementsconcerten, waar ze al generaties heen gaat. Ze willen alleen maar dingen horen die ze al eerder hebben gehoord. Een ritueel, eigenlijk. De organisatoren van die concerten zijn gevaarlijk bezig, want deze groep sterft uit. Bovendien kun je net zo goed thuisblijven en een DVD of televisie kijken. Als we concerten willen blijven houden zal het repertoire veel meer gevarieerd en gedurfder moeten worden. Niet het ‘clichéconcert’ meer, met een ouverture (of een of ander gruwelijk piepstuk), een piano- of vioolconcert en een een symfonie (een eindeloze herhaling van Bruckner, Mahler, Mozart, Tsjaikovski, Brahms…). Kijk eens naar oude concertprogramma’s: soloisten, koren, orkesten met balletstukken, alles door elkaar.

De tweede groep is de cd-kopers. Zij zijn vooral op zoek naar muziek die ze nog niet eerder hebben gehoord: ontdekkingen, juweeltjes uit het verleden.
En daar zijn er genoeg van. Want bekendheid als componist had niets te maken met kwaliteit. In de negentiende eeuw bezat Zweden, het hele land, één symfonieorkest! Terwijl Brahms en Wagner bijna struikelden over de musici die hun muziek wilden uitvoeren. Cru als het klinkt, een oorlog helpt ook. Duitsers, Engelsen en Fransen gebruikten hun muziek als propagandamiddel, maar Zweden en bijvoorbeeld Zwitserland en Nederland hebben die gelegenheid, als je het zo wilt noemen, niet of minder gehad.

Misschien herinner je je Carol Reeds film The Third Man, waarin Orson Welles en Joseph Cotten in reuzenrad over Pratern uitkijken. Welles verontschuldigt zich niet voor het verkopen van nep-penicilline en zegt iets in de orde van “mensen hebben oorlog nodig, het brengt het beste in ze naar voren. Kijk naar Zwitserland: 500 jaar vrede en wat hebben ze eraan overgehouden? De koekoeksklok!”. Adieu Zwitserse muziek. De Zwitsers, een geweldig, cultureel hoogontwikkeld land in Midden-Europa, heeft zijn eigen culturele erfenis nooit willen onderkennen. En films kunnen vooroordelen verspreiden…
Onze catalogus bestaat uiteraard voor een groot gedeelte uit Zwitserse muziek.”

Is dat de reden waarom jullie een serie met Zwitserse componisten, Nederlandse componisten enzovoort hebben?
“Ik zou willen dat we die consistentie konden opbrengen. Ik moet een beetje ad-hoc opnemen, opportunistisch zijn.”

Ik geloof dat het Norman Lebrecht [criticus van de London Evening Standard, IN] was die zei dat de twintigste eeuw uniek was omdat de voorkeur van het publiek en die van ‘serieuze’componisten zich geheel hadden gescheiden. Tot op het punt dat het behagen van de luisteraar in bepaalde kringen bijna als een misdaad werd gezien. Deel je die mening?
“Jazeker. Waarom zou ik betalen voor het voorrecht om een volslagen onbegrijpelijke en hoogst onaangename muziekmassa te confronteren die alleen maar schreeuwt hoezeer de componist de luisteraar veracht? En dit is geen mentaliteit die ik snel zie veranderen.”

Maar pluk je er – indirect – wel de vruchten van?
“Moeilijk te zeggen, aangezien er, zoals ik zei, twee soorten muziekliefhebbers zijn. Maar waarom zou ik naar een concertzaal gaan om een broekje de godweethoeveelste Mahler te horen dirigeren als ik voor de helft van dat geld mijn koptelefoon kan opzetten en naar een perfecte uitvoering van het pianoconcert van Loewe (nieuwe opname op Pentatone) kan luisteren? Dat is ook een vraag waar iemand die zich met de marketing van concerten, mag gaan beantwoorden.
Maar hier wil ik ook iets anders zeggen. Ik vind dat al die gevestigde musici, de Pavarotti’s, Previns, Perlmans, Domingo’s enzovoort, een verantwoordelijkheid hebben naar de muziek toe – muziek heeft ze per slot rijk gemaakt! Ze zouden misschien zalen kunnen vullen als ze hun verantwoordelijkheid voor het laten horen van interessante en onorthodoxe muziek zouden nemen. Maar wat is de realiteit? Toen [sopraan] Joan Sutherland jaren geleden naar Zweden kwam, werd ze geïnterviewd over haar plannen en zei ze dat “alles dat de moeite waard is voor sopranen al is gedaan”. Wat een nonsens! Wat een manier om elke nieuwsgierigheid van de lezer af te knallen, bovendien. Hoe kan ze dat weten? Ik verwacht niet van geweldige zangers dat ze wetenschappers zijn. Wat ik wèl verwacht is dat ze een beetje nederigheid tonen tegenover journalisten als het over muziekgeschiedenis gaat. Er zijn talloze fantastische aria’s die verloren zijn gegaan. Mensen als Auber, Hérold, Leoncavallo, noem maar op, schreven hordes opera’s die nooit meer worden opgevoerd.
Maar het is niet louter kommer en kwel: kijk wat Bernstein deed met Carl Nielsen. Zonder hem zou ook dat een voetnoot in de muziekgeschiedenis zijn geweest.”

Maar deel je Lebrechts pessimisme over de verdoemde klassieke muziek in het algemeen?
“Tuurlijk niet. Maar hij gebruikt overdrijving als instrument. Muziek zal niet ophouden, de liefde voor muziek zal doorgaan, maar ze zal andere vormen aannemen. Lebrecht heeft het over ‘meaningless tonespinning’, het oprakelen van vergeten materiaal uitsluitend omdat het vergeten is. Onzin. Dat gaat misschien op voor een paar oude Marco Polo-opnamen, maar het probleem is daar eerder de houding van de musici die het spelen. Een dirigent moet zelf overtuigd zijn van de muziek die hij speelt.”

Is het eenvoudig geworden om goede musici te contracteren nu de grote labels niet meer meedoen?
“Over het algemeen wel, ja. Ze erkennen meestal dat het zowel voor henzelf als voor ons erg belangrijk is om opnamen te maken. En daarbij vinden ze het meestal heel leuk.”

Wat is je grootste probleem met het onderhouden van een label?
“Het regelmatig uitbrengen van nieuwe releases. Dat is vooral voor de distributeurs cruciaal. En die zijn weer heel belangrijk voor Sterling. We proberen één nieuwe cd per maand uit te brengen. Maar de markt krimpt wel degelijk, en ook wij ondervinden daar hinder van.”

Hoe doen jullie het momenteel in zakelijk opzicht?
“Steeds beter. We proberen mensen in één (bijvoorbeeld lokale) componist te interesseren en ze zo kennis te laten maken met de hele catalogus – dat blijkt heel goed te werken. Maar hoewel we in nauw contact met onze klanten blijven staan laat ik me niet door hen leiden – het is mijn enthousiasme dat me aan de gang houd, dus kies ik ook materiaal dat mij het meest dierbaar is.”

Heb je nog ambities in de onmiddelijke toekomst?
“Ik zou wel meer aan research willen doen. Het is jammer dat er zoveel materiaal verloren is gegaan dankzij twee wereldoorlogen en slordige uitgevers. Thuis heb ik een kamer die tot de nok toe gevuld is met elpees, cd’s, cassettes en boeken van en over onbekende componisten – niet altijd tot genoegen van mijn echtgenote, overigens. Die opnamen komen van overal: radiostations, heel veel toegezonden materiaal. Wat ik zelf roerend vind is dat we soms opnamen kunnen maken met financiële steun van de familie van componisten. Het is een bijzonder voorrecht om met die mensen te kunnen praten en al helemaal om te horen dat ze blij zijn met onze opnamen.”

Tenslotte: als je iemand een cd moest schenken uit de Sterling-collectie, welke zou dat dan zijn?
“Jemig! Lastig, ik denk dat ik er tenminste vier in het doosje zou smokkelen: Hubers pianoconcerten, de symfonie van Herman Suter, ouvertures van Daniel Auber en het werk van Paul Büttner.”

Theater / Voorstelling

Kraaijkamp senior in glorierol

recensie: The Price (Joop van den Ende Theaterproducties)

The Price werd in 1967 geschreven door de Amerikaan Arthur Miller (ook bekend van Dood van een handelsreiziger). Volgens kenners van zijn werk is het een van zijn beste stukken. In The Price gaan drama en humor hand in hand en de thema’s die aan bod komen zijn nog steeds actueel: familieproblemen, gekwelde trots, verspilde liefde, het vermogen te vergeven en de vraag wat de prijs is die de mens voor zijn leven heeft moeten betalen.

~

The Price speelt zich af in 1968 in Manhattan. Victor Franz (Victor Löw) en zijn broer Walter (Hans Ligtvoet) moeten het huis van hun ouders leeghalen, omdat het zal worden gesloopt. Victors vrouw Esther (Edda Barends) spoort haar man aan om een goede prijs voor de inboedel te krijgen. Met de komst van opkoper Solomon (John Kraaijkamp), een oude Joodse sjacheraar, ontstaat een spannende en komische verbale rondedans tussen de personen.

Haat-liefde

~

Het ouderlijk huis is niet meer dan een opslagplaats waar de meubels tot aan het plafond zijn opgestapeld. En tussen al deze meubels is de toon gezet voor een verhaal dat je aangrijpt. Herinneringen worden opgehaald bij de stoel van vader en de harp waar moeder ooit op speelde. Terwijl Victor wacht op Solomon, komen alle herinneringen uit zijn jeugd naar boven. Hij heeft nog een broer, Walter, waar hij al zestien jaar niets meer van heeft gehoord. Zelfs op een telefoontje dat het ouderlijk huis wordt leeggehaald, heeft hij niet gereageerd.

Harpmuziek

Als de koop gesloten is, komt Walter binnen. Hij is chirurg geworden en heeft een goed leven. Victor stopte met zijn studie en ging bij de politie om zijn vader te kunnen verzorgen na zijn faillissement in het crisisjaar 1929. Victor verwijt zijn broer dat hij voor z’n vader heeft moeten zorgen en dat hij de kansen heeft gekregen en genomen die hij nooit heeft kunnen krijgen. De discussie is heftig en de conclusie is duidelijk; er is in het gezin nooit sprake van liefde geweest. Alles draaide om het geld. Ze hebben hun leven verzonnen, om te vergeten wat ze weten. Ondanks dat er geen liefde is geweest, is het wel opvallend dat de heren vol liefde over hun moeder spreken. Dit wordt ook zeer subtiel uitgebeeld: een spot verlicht de harp waarop moeder altijd speelde, en zacht hoor je harpmuziek op de achtergrond. Een moment waar je warm van wordt.

Vuur

Hoewel het stuk een glorierol heeft voor John Kraaijkamp, en hij ook op alle posters staat, is zijn aandeel in dit stuk eigenlijk nihil. Het is weliswaar een rol die hem op het lijf geschreven is, en hij staat – net hersteld van een hartoperatie – te schitteren in de spotlights. Toch is het zijn collega Victor Löw (Glazen Speelgoed) die de grootste en zwaarste rol heeft. Hij speelt zijn rol met veel passie, vuur en felheid. Löw zit in zijn karakter en dat kun je merken ook; vooral in de scènes waarin hij een pittige woordenwisseling met zijn broer heeft, is hij op zijn best. Maar laten we ook Edda Barends en Hans Ligtvoet niet uitvlakken. Ligtvoet (Braambos) is in de discussie met z’n broer behoorlijk op dreef. En als Edda Barends haar emoties eruit gooit, lijkt het soms of je onderdeel bent van de familie.

The Price is een herkenbaar verhaal. Je begeeft je in een situatie die je wel herkent van personen uit je omgeving, of zelfs binnen je eigen familie. Het stuk wordt alledaags, menselijk en, godzijdank, ook komisch gebracht. Dat is de kracht in dit stuk van Miller. Een absolute aanrader voor iedereen die van een goed verhaal houdt, met een slot om zelf het antwoord op te mogen zoeken.

The Price is nog te zien tot 11 maart 2005 door het hele land.

Kunst / Expo binnenland

Rondreis door de surrealiteit

recensie: Thomas Huber - Schilderijenkabinet

In Rotterdam is de eerste overzichtstentoonstelling van de Zwitser Thomas Huber (1955) te zien. Dit retrospectief toont een doorsnede van Hubers bijzondere conceptuele schilderkunst. De schilderijen van Thomas Huber staan niet op zich, hij werkt namelijk al vroeg in zijn carrière aan cycli van werken die op de een of andere manier bij elkaar horen. Voor deze overzichtstentoonstelling heeft Huber persoonlijk honderd werken uitgezocht en in nieuwe cycli geordend, met nieuwe begrippen. Ze zijn onder hun nieuwe noemers in de tentoonstelling opgehangen en in de overzichtscatalogus afgebeeld. Al deze werken heeft Huber verwerkt in een groot schilderij, Het Schilderijenkabinet (2004).

detail van Das Kabinet der Bilder, 2004

Het werk van Thomas Huber is tegelijk conceptueel en surrealistisch. De voorwerpen die op de werken staan afgebeeld functioneren als een soort iconen voor een concept. Rede over de zondvloed (1982) en Rede in de school (1983) zijn in die zin te beschouwen als basiswerk waarvan allerlei voorwerpen in andere werken terugkomen. De betekenis van het woord is in het werk van Huber ook erg belangrijk. Bijvoorbeeld in Wohnzimmer in Mettmann mit Morgenstimmung (1989). Het is een ‘doodnormale’ afbeelding van een woonkamer in de ochtend, maar door een tekst aan de muur kom je er achter dat de bewoners de avond ervoor ruzie hebben gehad, wat het werk een heel andere lading geeft.

Appropriation

Rede über die Sintflut, 1982

Qua schildertechniek en thematiek lijkt het werk van Thomas Huber erg op dat van de Duits-Joegoslavische schilder Milan Kunc, die realistisch geschilderde, absurdistische schilderijen maakt. Beiden maken gebruik van ‘appropriation’, een begrip uit het postmodernisme, dat zoveel betekent als het gebruiken van bestaande elementen in een nieuwe context. In een aantal schilderijen uit de cyclus Plaatsen beeldt Huber gebouwen af van Bauhaus-architecten. Dit zijn de enige werken op de tentoonstelling waarin rechtstreeks het beeld van anderen wordt gebruikt. Meestal is er bij Huber namelijk sprake van hergebruik van eigen iconen, terwijl Kunc juist gebruikmaakt van iconen uit de bestaande cultuur en daardoor speelt met hun betekenis. Deze laatste werkwijze is in het postmodernisme het meest gebruikelijk, waardoor Huber als buitenbeentje kan worden gezien.

Grenzen opheffen

Huber is een erg precieze schilder is. De verf is heel glad opgebracht en de schilderijen bevatten weinig sporen van de penseelvoering. Door de schildertechniek en de thematiek is het werk vrij afstandelijk. Soms komen er wel figuren voor, maar de kijker zal zich niet snel met deze vrij abstract geschilderde mensen identificeren. Alleen in de cyclus Studio komt gevoel boven, omdat het lijkt dat de eigen familie van de kunstenaar is geschilderd, waardoor je je een beetje een voyeur voelt. Opmerkelijk is de band die het werk van Huber met strips heeft. De schilder maakt gebruik van erg cartooneske figuurtjes, vertelt soms zelfs een gag, zoals in Ende der Malerei (2001), en probeert in zijn serie Geluid & Rook om in schilderkunst onvatbare zaken als geluid weer te geven. Hier is een verband te leggen met strips die immers ook proberen om de grenzen tussen de verschillende dimensies op te heffen.

De cirkel rond

Ende der Malerei, 2001

Behalve in het werk van Huber zit er in de tentoonstelling in het Boijmans ook een cyclus. De schilderijen zijn rond een binnentuin opgehangen waardoor je uiteindelijk weer bij het begin terugkomt. Hier hangt Het Schilderijenkabinet. De werken op dit doek komen de bezoeker opeens heel bekend voor en laten de gedachten nogmaals over deze heel interessante tentoonstelling gaan.

Bij de tentoonstelling is een uitgebreide oeuvrecatalogus van Thomas Huber verschenen. Dit omvangrijke, tweetalige boekwerk kost € 39,95 en is in het museum te verkrijgen. Na het Boymans reist de tentoonstelling naar het Kaizer Wilhelm Museum in Krefeld (Dld.) (van 20 februari tot 8 mei 2005).

Theater / Voorstelling

“Hoe willen jullie dat ik mij gedraag?”

recensie: In de schaduw van mijn vader (Theatergroep Rast)

.

~

In de schaduw van mijn vader toont op een overwegend komische manier de geschiedenissen van drie gastarbeiders, vaders van huidige Turkse dertigers zoals de acteurs. Het publiek lacht zich rot om de cabaretachtige toon van de drie heren in smoking. De één wil emigreren om het toch al gigantische Turkse Rijk uit te breiden, de ander heeft er vooral erotische fantasieën bij. In razend tempo vult het drietal elkaar aan. En al hoor ik mezelf op een gegeven moment zuchten, wanneer één van de drie voor de zoveelste keer bezield uitroept dat hij naar Nederland wil voor een Westerse vrouw, toch een goede zet van regisseur Saban Ol om zo’n zogenaamd banale wens slapstickachtig tot uitdrukking te brengen. Het maakt de immigranten menselijk, en Turks theater licht.

Miss Byzantium vs. Turkse achterblijfster

De drie gastarbeiders worden geflankeerd door sterke vrouwen. Rechts van hen zien we een prachtig oriëntaals aangeklede Inci Pamuk (van het cabaretduo Turkish Delight) als Miss Byzantium en Miss Gelukzaligheid en halve godinnen die het grote Byzantijnse rijk vertegenwoordigen. Verheffend draagt Pamuk het glorieuze verleden van de Turken voor, en met deze herinnering spoort ze de drie gastarbeiders aan hun geluk te beproeven in het gastland. Links zien we Elvan Akyildiz (van o.a. Sesamstraat) als een achterblijvende Turkse vrouw. Zij is minder enthousiast over het buitenlandse verblijf van haar man. Hij vervreemdt van haar, neemt andere, “smakeloze” gewoonten over. Als ook zij overkomt, is hij steeds de deur uit en zit zij geïsoleerd thuis. Het leven draait alleen om hem heen, zij moet haar dromen opschorten.

Shockerend

Het stuk shockeert met de humor, met de bloemrijke taal van de Belgische toneelschrijver Paul Pourveur, en met de sterk spelende Turks-Nederlandse acteurs. Verontwaardigd over de zelfoverschatting van de Westerse man, legt de Turkse vrouw het publiek fijntjes uit dat het een fabeltje is dat diens penis beter zou zijn dan de oriëntaalse. Nou ja, fijntjes, ze schreeuwt het het publiek toe! De heren achter mij lachen luid als de tengere Akyildiz haar relaas beëindigt. Van de schrik natuurlijk. De drie op het podium laten ondertussen hun broek zakken en tonen ons hun penissen. Die zitten weliswaar in huidkleurige onderbroeken, maar hun vormen zijn goed zichtbaar.

Sensueel

~

En er is meer. Wanneer het perspectief weer eens inzoomt op Turkije, op haar gewoonten, haar gebruiken, laat Akyildiz een verfijnd en sensueel stuk dans zien. Sinan Cihangir in de rol van derde gastarbeider verlangt in Nederland naar dit soort culturele gebruiken. Regelmatig gebruikt hij zijn beurt om zich met Turkse muziek aan zijn grootse thuisland te herinneren. Ik versta weinig van het Turkse lied, maar het woord “soeverein” valt niet te missen. Dans en zang illustreren de weelderigheid van Turkije en de ontworteling hiervan.

Interviews

Saban Ol baseerde zijn stuk, dat het sluitstuk is van een drieluik over immigranten, op het boek De zevende man van schrijver/socioloog John Berger, op interviews tussen de Amsterdamse cultuurwetenschapper Günay Usluop en eerste-generatie migranten, en op persoonlijke gesprekken met Turkse vrouwen. Ondanks deze realistische bronnen verdrinken de personages niet in kommer en kwel-monologen. Ol schotelt ons wel erg veel aspecten van Turkije voor. Maar die veelzijdigheid, samen met de kracht van de humor, maakt het stuk ook interessant, goed te verteren en modern.

In de schaduw van mijn vader wordt nog tot en met 1 maart 2005 opgevoerd.

Kunst / Expo binnenland

Schilderachtige computerkunst?

recensie: new rafael

Achter in café-restaurant De Cantine te Amsterdam bevindt zich een klein zaaltje dat meer lijkt op een halletje, een doorgang. In deze ruimte hangt een projectiescherm en de wanden zijn beschilderd met zwarte stippen en zwarte en grijze banen. Midden in deze gang staat een grote vierkante poef met daarop een computermuis. De bezoeker gaat zitten op de poef en beweegt de muis terwijl de witte lijnen op het zwarte scherm meebewegen met de bewegingen van de muis.

~

De bezoeker is in niet zomaar een gang, hij bevindt zich in de tentoonstellingruimte van Quarantine Series, het initiatief van Stichting kunstwerk Loods 6 en curator Nina Folkersma. Dezelfde bezoeker is ook niet zomaar bij een tentoonstelling, hij bezoekt de laatste tentoonstelling van dit initiatief op deze locatie. Het betreft een tentoonstelling van de jonge, in Amsterdam geboren, kunstenaar Rafaël Rozendaal (1980) getiteld new rafael. Rozendaal studeerde in 2002 aan de kunstacademie in Maastricht, richting grafisch ontwerpen. Sindsdien voltrok zijn carrière zich bliksemsnel. Rozendaal naam deel aan diverse internationale tentoonstellingen, van Tirana (Albanië), Taipe, Eindhoven, tot in Utrecht, Eindhoven, New York en Los Angeles, de stad waar hij tegenwoordig woont. Het werk van Rozendaal bestaat uit interactieve installaties en websites die simpel ogen.

Tussen virtueel en realiteit

Terug naar de installatie die Rozendaal maakte voor de tentoonstellingsruimte achter in café De Cantine. De bewegende witte lijnen op het zwarte scherm vormen een tweebaans snelweg die loopt tot aan de horizon. Door de muis te bewegen doemt er opeens een bocht op die, afhankelijk van de positie van de muis, naar links of naar rechts afbuigt. De muurschildering, zo moge ondertussen duidelijk zijn, bestaat ook niet uit zomaar lukraak geplaatste stippen en banen. Het stelt het omringende landschap voor waar de bediener van de muis zich virtueel door voortbeweegt op het projectiescherm. De bezoeker bevindt zich op het grensgebied tussen de virtuele en de tastbare realiteit.

Meer dimensies dan het werkelijke leven

“Mijn computer is geen gereedschap, het is een ruimte, een wereld, een landschap. Het beeldscherm heeft meer dimensies dan het werkelijke leven: door een browser window kan [sic] je verder kijken dan door een echt raam,” aldus de kunstenaar in het persbericht dat verstrekt wordt bij de tentoonstelling. Dit klinkt logisch, maar is dit ook niet zo bij de schilderkunst? Rozendaal komt zelf met het antwoord, en zegt dat hij zijn werk het liefst in termen van schilderkunst beschrijft en dat het beeldscherm zijn schildersdoek is. Maar als het beeldscherm volgens Rafael Rozendaal meer dimensies heeft dan het werkelijke leven, waarom gebruikt hij dan nog schilderkunst op de muren bij zijn computerinstallatie? De installatie van Rozendaal lijkt hier geen antwoord op te geven: de muurschildering lijkt meer een zwaktebod dan een waardetoevoegend element bij deze installatie. Waarom maakt Rozendaal niet meer gebruik van de technische mogelijkheden die de computer biedt, in plaats van een tweedimensionale representatie van een snelweg te voorschijn te toveren op het scherm met daarbij een muuschildering?

Een aardige poging

Als je Rozendaal’s webpagina’s bekijkt, zie je ook een simpele vormgeving. Maar hier werkt dit wel: de ruimte van het werk bevindt zich slechts op het beeldscherm, daarbuiten begint de echte wereld. Het is schilderkunst in de reinste zin van het woord. De websites getuigen van intelligentie en een conceptuele instelling van de kunstenaar. Helaas lijkt Rozendaal in de knoop te komen bij de installatie voor Quarantine. Volgens de nieuwe Rafaël blijkt dat wat zich op het projectiescherm afspeelt, nog een muurschildering nodig te hebben. new rafael maakt, door haar installatieachtige karakter, de schilderkunstige computerkunst van Rafael Rozendaal tot een aardige, maar nog niet volledig ontwikkelde, poging computerkunst zelfstandig te laten zijn. In deze installatie is dit naar mijn mening niet gelukt. Maar kijk eens naar de websites van Rafaël Rozendaal, en je ziet dat Nederland in Rozendaal een goed en veelbelovend kunstenaar bezit.

new rafael is nog te zien tot 31 december 2004 in de tentoonstellingsruimte van Quarantine, Rietlandpark 375 te Amsterdam.

Theater / Voorstelling

Het leven als een zwartgallig sprookje

recensie: De verschrikkelijke moeder (De Mexicaanse hond)

In de wereld van Alex van Warmerdam is het nooit gezellig. Wel grappig en potsierlijk en absurd, maar nooit gezellig. Komt onder andere doordat al zijn personages feitelijk door en door eenzaam zijn. Hun hart schampt wel eens langs dat van een ander, dan rolt er even een golfje van warmte over het podium. In feite tekent Van Warmerdam echter vooral egocentrische, hardvochtige mensen uit. Dat geldt zeker voor De verschrikkelijke moeder, een aaneenschakeling van zwartgallige sprookjes, aan elkaar gebreid met live-muziek. De verhaallijn is niet overal even logisch van opbouw, ze hinkt en hapert. Maar de combinatie van Van Warmerdams hilarisch aburdisme, het spel van vooral Pierre Bokma en Kees Hulst, en de mooie muziek maken deze voorstelling wel de moeite waard.

~

Benauwd. Dat is het woord dat zich het sterkst opdringt wanneer je de stukken van Alex van Warmerdam kort moet omschrijven. De mensen zijn tot elkaar veroordeeld. Ze haten elkaar voornamelijk. Ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Iedereen belazert iedereen. Ze komen de deur nauwelijks uit, al willen ze dat wel. In De verschrikkelijke moeder speelt Annet Malherbe een vrouw die van haar broers haar schoenen niet mag hebben, waardoor ze niet naar buiten kan. Een stiefdochter die door haar moeder wordt geterroriseerd loopt niet gewoon weg van huis, maar laat zich gedwee opsluiten. Wie te kennen geeft zich aan het dwingende regime te zullen onttrekken, riskeert te worden vermoord.

Grimm

Na stukken zoals Broers, Kaatje is verdronken en Adel Blank is De verschrikkelijke moeder de jongste toneeltekst van Alex van Warmerdam, uitgebracht door De Mexicaanse hond, een sub-club van Orkater. Het stuk is doordesemd met typische Van Warmerdam-zinnen in de orde van: “In dat hoofdje zit nog helemaal niks, het is nog niet gemeubileerd.” Of: “U beviel mij vanwege uw weldadige oppervlakkigheid, maar die oppervlakkigheid bleek buitenkant.”Het is niet een enkele, doorlopende plot, het zijn drie gruwelijke verhalen waarin steeds min of meer dezelfde personages rondlopen. Er hangt een zweem van bekende sprookjes rond de vertellinkjes. Vrouw Holle meets Assepoester in een scène over een boze stiefmoeder die haar eigen dochter boven het stiefkind. De ouders van Hans en Grietje laten hun kinderen in de steek. De overige personages kunnen ook zo uit Grimm zijn weggelopen.

Haaibaai

~

De acteurs spelen in elk van de drie verhaaltjes ongeveer eenzelfde personage. Zo beginnen de boze geesten feitelijk telkens opnieuw aan een volgend leven. De geniale Pierre Bokma speelt de ene keer een slager die het achter de ellebogen heeft, in de tweede ronde een valse haaibaai van een stiefmoeder, en aan het einde een gelikte stiefvader. Kees Hulst is in elke rol de tegenspartelende underdog die zich tegen zoveel valsheid niet echt kan verweren. Annet Malherbe is de toekijkende tante die nu en dan een schepje bovenop alle ellende doet. Tina de Bruin en Katja Herbers zijn zusjes die feitelijk alleen maar bezig zijn met hun eigen belang. Tijdens de overgangen tussen de bedrijven speelt het onvermijdelijke Orkater-bandje leuke muziek, opdat de acteurs razendsnel van gedaante kunnen verwisselen.

Zwalkende plot

Het zwakke punt van deze voorstelling is de zwalkende plot. Er is van een coherente verhaallijn geen sprake. De sub-plotjes hakketakken van de ene gedachte op de andere. De muziek vormt nu en dan eerder een onverwachte verstoring van het verhaal, dan een logisch bruggetje naar het volgende toneelfragment. Daardoor duurt de voorstelling uiteindelijk te lang. Maar wie niet te zeer zit te wachten op Hogere Dramaturgie, heeft een uiterst vrolijke avond. Het is alleen al een groot genoegen te kijken naar het ongeëvenaarde talent van Pierre Bokma en naar de onnozele droogkomische Kees Hulst.

De verschrikkelijke moeder is te zien tot met 9 januari 2005.

Film / Films

Alleen mooie plaatjes niet genoeg

recensie: Erik of het klein insectenboek

De kleuren zijn fel, de planten prachtig uitvergroot en de decors spreken zonder uitzondering tot de verbeelding. Vooral het slakkenhotel waarin Erik zijn intrek neemt ziet er overtuigend echt uit met de breekbaar uitziende parelmoeren wanden. Erik of het klein insectenboek is dan ook een film die jonge kinderen zeker zal aanspreken. Of dat ook voor hun ouders geldt, valt te betwijfelen.

~

Wanneer de tienjarige Erik een spreekbeurt moet houden over insecten wil het niet echt lukken. Insecten zijn volgens hem veel te saai. Liever houdt hij zich bezig met dagdromen over Rosalie, het leukste meisje uit zijn klas. Wanneer zijn opa hem een oude schoolplaat met de naam Wollewei laat zien wordt Eriks interesse voor insecten toch gewekt. Helemaal wanneer hij ’s nachts op magische wijze ìn de insectenwereld van de plaat terecht komt…

Taxiënde hommel

~

Zoals gezegd is de insectenwereld van Wollewei schitterend vormgegeven. Ook de keuze van regisseur Gidi van Liempd om te kiezen voor echte acteurs in plaats van digitale wriemelbeestjes is bewonderenswaardig. Iedereen die het boek gelezen heeft (en dat zijn nogal wat mensen) heeft zich bij het lezen een beeld gevormd van de personages. Dat veel mensen zich Georgina Verbaan niet direct kunnen voostellen in de rol van Mevrouw Mug, of Jörgen Rayman als taxiënde hommel is dan ook niet verwonderlijk. Toch is het juist de keuze voor ‘ouderwetse’ acteurs waaraan de film haar kracht ontleent.

Vermeende siliconen

Zo blijken Plien en Bianca uitstekend gecast als nerveuze lieveheersbeestjes en is Johnny de Mol ondanks zijn relatief kleine rol duidelijk een zeer voortvarende verkennermier. En na al het commentaar op de vermeende siliconen in het lichaam van Georgina Verbaan is het fijn om te zien dat ze beduidend meer in haar mars heeft dan een flinke boezem. Mevrouw Verbaan is duidelijk op haar plaats als Mevrouw Mug.

Freddy Krueger

Iets minder op zijn plek lijkt Serge Henri Valcke als regenworm, of liever gezegd: als het hoofd van de regenworm. Niet dat dat ook maar iets te maken heeft met zijn kwaliteiten als acteur. Nee, mijn korte schrikmoment werd vooral veroorzaakt door de mensen van de schmink en kostuums. Op het eerste gezicht deed de filosofisch ingestelde regenworm me namelijk wel heel erg denken aan Freddy Krueger. En dat kan toch niet de bedoeling zijn in een film voor jonge kinderen.

Mooi sprookje

Maar leuke kostuums en een mooi decor zijn natuurlijk niet genoeg voor een goede film. Zonder een mooi, leuk of spannend verhaal ben je nergens. En dat is waar het Erik of het klein insectenboek aan ontbreekt. Dit betekent beslist niet dat het boek van Godfried Bomans niet mooi, leuk of spannend genoeg is. Het is alleen niet per se geschikt om als basis te gebruiken voor een kinderfilm. De kracht van het boek zit hem in de gelaagdheid. Naast een mooi sprookje met schitterende gesprekken tussen Erik en de verschillende insecten bevat het de nodige maatschappijkritiek. Zowel de gesprekken als de gelaagdheid blijven in deze verfilming achterwege. Begrijpelijk gezien de doelgroep, maar wel jammer. Want wat blijft er nu nog over?

Het resultaat is een film die er schitterend uitziet, maar inhoudelijk niet bijster veel te bieden heeft. Erik dwaalt wat rond door de wereld van Wollewei, maar een echte spanningsboog is ver te zoeken. Ja, hij is op zoek naar de regenworm en komt daarbij de nodige obstakels tegen. Maar of dat genoeg verhaal is om kinderen 98 minuten geboeid te houden?

Boeken / Fictie

Het monster van Dorrestein

recensie: Renate Dorrestein - Zolang er leven is

Per jaar krijgt de politie zestien duizend meldingen van vermiste personen. Tien procent van hen is na een week nog steeds zoek. Wat gebeurt er met hun naasten als alle logische verklaringen zijn uitgesloten, alle bekenden zijn gebeld en de politie het ook niet meer weet? In Zolang er leven is, de nieuwste roman van Renate Dorrestein, verdwijnt een baby. De aanzet voor de roman was een krantenartikeltje dat de schrijfster las, over een zuigeling die uit een ziekenhuis gestolen werd. Babette, de baby uit Zolang er leven is, verdwijnt op klaarlichte dag tijdens een picknick.

Renate Dorrestein schrijft romans in de traditie van de gothic novel, het genre waartoe bijvoorbeeld Mary Shelley’s Frankenstein behoort. In Dorresteins moderne gothic novels zijn de monsters echter gewone mensen waar ogenschijnlijk niets mis mee is. En hoewel haar roman Een nacht om te vliegeren (1987) zich afspeelt in een sinister kasteel vol krokodillen, kiest Dorrestein in het algemeen voor alledaagse, vriendelijke locaties. Zo ook in Zolang er leven is: plaats van handeling is Bij de Sluis, de in een boerderij gevestigde bijenhouderij waar de dertigers Gwen en Timo wonen met hun vijf kinderen.

Hartsvriendinnen

Zoals elk jaar brengen de gezinnen van Gwens hartsvriendinnen Beatrijs en Veronica een vakantieweek door in Bij de Sluis. Maar dit jaar is alles anders: Veronica is overleden aan een hersenbloeding, Bea heeft haar man verlaten en haar carrière opgegeven voor Leander, een onuitstaanbare paragnost met een puberdochter from hell, en Gwen heeft bij haar derde bevalling voor het eerst geen tweeling, maar een enkele dochter gekregen. Ze heeft het er niet op:

Maar als ze [Veronica] gewoon op aarde was gebleven, zou Gwen nooit zijn bevallen van zoiets kwetsbaars als een enkel kind, dat wist ze met een duistere zekerheid. Door te sterven richtte je, onbedoeld, in andermans leven van alles aan.

Gwens onbehagen wordt bevestigd wanneer ze met haar gezin en gasten gaat picknicken in het weiland bij het kolkje. Door ruzie en verwikkelingen valt het gezelschap al snel uiteen, maar niemand denkt eraan om baby Babette mee te nemen. Bij terugkomst blijkt ze spoorloos en zoektochten leveren niets op.

Wandelend ongeluksgetal

Nu raakt Dorrestein pas goed op dreef. De schrijfster laat het vertelperspectief wisselen tussen de personages en laadt de verdenking hierdoor beurtelings op Leanders dwarse dochter Yaja – dertien jaar oud en “een wandelend ongelukgetal” –, op Bea, die zelf geen kinderen kan krijgen, op Timo’s verstandelijk gehandicapte schoonzus Bobbie en zelfs op Gwens tweelingen en Veronica’s zoontjes Niels en Toby met hun geheimzinnige kannibalenspelletjes.

Dorrestein geeft de personages elk hun eigen stem en slaat hierin soms door. Leander is verrukkelijk walgelijk met uitspraken als “dit lijkt me een projectie” en “jullie [hebben] samen een karmisch thema uit te werken”. Gwen drukt zich ronduit ‘zomerzot’ uit (“Waar waren die verhipte pollepels toch?”) en Yaja kan geen zin formuleren zonder Break-Out-woorden te gebruiken als “shithead”, “kinky”, “chille”, “creep” of “hunk”.

Knieval

~

Plots, na enkele maanden van ondraaglijke onzekerheid en opvlammende hoop bij elk telefoongerinkel, vindt Bobbie Babette terug in het weiland waar ze verdween. Maar van de ontvoerders ontbreekt elk spoor en dat blijft zo. Niemand weet wie Babette de afgelopen tijd heeft gevoed, verzorgd en gesust en ook zijzelf zal zich deze periode uit haar leven nooit herinneren.

Dit is nieuw: Renate Dorrestein staat bekend om haar thrillerachtige plots, waarin ze elk draadje zorgvuldig afhecht. Iets waar de critici haar voor hekelden: verhalen met een kop en een staart weerspiegelen immers niet het leven, waar chaos heerst. Maakt Dorrestein met Zolang er leven is een knieval voor de recensenten? Dat niet.

Onzekerheid

Nu de baby op raadselachtige wijze is teruggekeerd, wordt zij voor haar moeder het symbool van een existentiële onzekerheid. Gwen merkt “hoezeer zo’n raadsel je zekerheden uitholde, hoe het je vertrouwen in het hele bestaan ondermijnde, inclusief in jezelf.” Ze neemt haar toevlucht tot Leander, van wie met enige goede wil gezegd kan worden dat hij Babettes terugkeer voorspeld heeft. Ook Laurens, Veronica’s weduwnaar, wendt zich in zijn verdriet en schuldgevoelens tot de paragnost, in de hoop dat die contact met gene zijde tot stand kan brengen.

De echte vraag die het boek stelt is dan ook niet wie het kind roofde, maar hoe Gwen en Laurens omgaan met de wetmatigheid dat niets in het leven zeker is. Waar Dorresteins monsters voorheen concreet waren, als de moeder met postnatale depressie in Een hart van steen, of maatschappelijk, als het zinloze geweld in Zonder genade, strijden de karakters in Zolang er leven is met het leven zelf. Dorrestein is niet op haar knieën gegaan voor haar critici; ze is het met ze eens geworden.

Muziek / Album

Laat Deelder maar schuiven

recensie: Jules Deelder - Deelder blijft draaien

.

~

Schrijver, dichter/perfomer, Rotterdams nachtburgemeester, discjockey, het zijn drukke tijden voor de 60-jarige Deelder, die ook nog eens een clubtour doet met de geestige Belg Luc Zeebroek (Kamagurka). Onder de naam Kamadeeldra bespeelden ze de afgelopen jaren al vele grote en kleine podia in Nederland en Vlaanderen. Zijn meest recente project betreft echter zijn derde jazzcompilatie: Deelder blijft draaien. Die wederom is samengesteld uit zijn enorme persoonlijke jazzcollectie.

Derde editie

Na de eerste twee succesvolle compilaties Deelder draait en Deelder draait door is er dan nu het derde (groene) deel in de serie. Wederom sleept Deelder de luisteraar mee in een wereld van jazzkwintetten, sextetten en orchestra’s waarvan ik voorheen het bestaan niet kende, in opnamejaar variërend van 1954 tot 1972. Bevatten de eerste twee cd’s voor mij als jazzleek nog bekende namen als Dexter Gordon en Charlie Parker, ditmaal doet geen van de geselecteerden een belletje rinkelen. Niet dat dit uitmaakt, want het zijn stuk voor stuk fantastische tracks.

Weer op weg

De Deelder draait-serie gaf de Rotterdamse duizendpoot tevens een hernieuwde reden om het land in te gaan. Onder dezelfde naam sleept hij een deel van zijn collectie het land in om steeds meer mensen kennis te doen maken met jazz. Het mooie van deze compilaties en DJ-sets is nu dat Deelder hiermee een groot publiek aanspreekt, en niet alleen de traditionele vijftigplussers. Zoals hij onlangs in het decembernummer van FRET al opmerkte: “Maar het gaat erom dat mensen kennis maken met muziek waarvan ze het bestaan niet eens konden vermoeden. Jazz is voor een hoop mensen een vies woord. VVD-muziek.(…) Maar als ze mijn plaatjes horen, merken ze dat er een heleboel bijzit wat mooi is om te luisteren en vaak ook nog hartstikke dansbaar is.”

More!

Deelder slaat de spijker op zijn kop. Zijn compilaties bieden een schat aan materiaal perfect om je jazzhorizon te verbreden. De songs, die decennia terug zijn uitgebracht op vinyl, hebben nog niets aan kracht ingeboet. Ze worden na minimaal studiowerk rechtstreeks op cd geslingerd, waardoor het geheel klinkt alsof het gisteren is opgenomen. De volgorde van de 14 tracks is volgens Deelder “volkomen willekeurig”. We horen louter instrumentale jazz. De verzamelaar is naar verluid geen fan van vocale jazz. Neen, we horen “slechts” altosax, bariton, drums, gitaar, orgel, percussie, piano, trombone, trompet en tenorsax. We horen veel uitblinkende muzikanten, veel briljante solo’s, vele meesterlijke ritmes en melodieën. We horen, soms middenin een nummer, de uitroepen van publiek en/of muzikanten. Het laatste dat je hoort op de compilatie is een enthousiaste roep: “more!, more!”

De man met duizenden jazzplaten geeft je een nieuwe kans om van zijn collectie mee te genieten. Grijp hem!