Tag Archief van: Amsterdam

481309135_1140751211393857_6879306542815931038_n
Muziek
special: Persbericht 21 maart 2025
481309135_1140751211393857_6879306542815931038_n

Eerste namen Red Light Jazz 2025

21 maart, het begin van de lente. Een mooi moment om de eerste namen van Red Light Jazz 2025 bekend te maken! Onder andere Liquid Spirits, Another Taste, Matt Bianco en Amsterdam Funk Orchestra feat. Lilian Vieira staan op de rol. In april 2025 wordt de gehele line-up bekend gemaakt.

Op 6, 7 en 8 juni 2025 wordt Red Light Jazz voor de 12e keer in successie georganiseerd in en rondom het warme hart van Amsterdam. Het Red Light District wordt dan drie dagen overgenomen door (jazz)muzikanten van diverse pluimage. Sinds de eerste editie in 2014 heeft het meerdaagse hoofdstedelijke jazzfestival zich ontwikkeld tot een evenement van formaat dat Amsterdammers en bezoekers uit binnen- en buitenland bijeenbrengt om samen te genieten van de vele optredens.

Red Light Jazz combineert traditionele en moderne jazz met de unieke sfeer in het oudste stadsdeel waar jazz in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw werd geïntroduceerd door Amerikaanse zeelieden. Het festival is niet alleen een eerbetoon aan de muziekstijl die zijn oorsprong heeft in de blues, maar ook aan het Wallengebied, een veelbesproken buurt met een rijke cultuur en geschiedenis. De vele intieme optreedlocaties, variërend van historische cafés, winkels, theaters tot een soms onverwachte buitenruimte, zorgen voor een onvergetelijke ervaring. Daarnaast maakt Red Light Jazz – evenals vorig jaar – een uitstapje naar het Zandkasteel in Amsterdam Zuidoost vanwege de bijzondere link die dat stadsdeel heeft met de Amsterdamse jazzgeschiedenis.

Matt Bianco 2025 rechtenvrij

Perskit

Met dit bericht maakt de festivalorganisatie de eerste namen bekend van artiesten die tijdens Red Light Jazz 2025 zullen optreden. Tot nu toe bevestigd zijn o.a. Matt Bianco, Another Taste, Amsterdam Funk Orchestra feat. Lilian Vieira, Philip Lassiter, La Ratte, Vox Sturnus, Soleil Niklasson & Wolf Martini, Kika Sprangers, Mats Gustafsson’s Cosmic Ear, Liva Dumpe & River Adomeit en uiteraard vaste gast ‘The godfather of Red Light Jazz’ Hans Dulfer.

Another Taste rechtenvrij

Perskit

Het volledige programma verschijnt in april op de totaal vernieuwde website van Red Light Jazz. Op hetzelfde moment start dan ook de voorverkoop van het hoofdprogramma.

481309135_1140751211393857_6879306542815931038_n
Muziek
special: Persbericht 21 maart 2025
481309135_1140751211393857_6879306542815931038_n

Eerste namen Red Light Jazz 2025

21 maart, het begin van de lente. Een mooi moment om de eerste namen van Red Light Jazz 2025 bekend te maken! Onder andere Liquid Spirits, Another Taste, Matt Bianco en Amsterdam Funk Orchestra feat. Lilian Vieira staan op de rol. In april 2025 wordt de gehele line-up bekend gemaakt.

Op 6, 7 en 8 juni 2025 wordt Red Light Jazz voor de 12e keer in successie georganiseerd in en rondom het warme hart van Amsterdam. Het Red Light District wordt dan drie dagen overgenomen door (jazz)muzikanten van diverse pluimage. Sinds de eerste editie in 2014 heeft het meerdaagse hoofdstedelijke jazzfestival zich ontwikkeld tot een evenement van formaat dat Amsterdammers en bezoekers uit binnen- en buitenland bijeenbrengt om samen te genieten van de vele optredens.

Red Light Jazz combineert traditionele en moderne jazz met de unieke sfeer in het oudste stadsdeel waar jazz in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw werd geïntroduceerd door Amerikaanse zeelieden. Het festival is niet alleen een eerbetoon aan de muziekstijl die zijn oorsprong heeft in de blues, maar ook aan het Wallengebied, een veelbesproken buurt met een rijke cultuur en geschiedenis. De vele intieme optreedlocaties, variërend van historische cafés, winkels, theaters tot een soms onverwachte buitenruimte, zorgen voor een onvergetelijke ervaring. Daarnaast maakt Red Light Jazz – evenals vorig jaar – een uitstapje naar het Zandkasteel in Amsterdam Zuidoost vanwege de bijzondere link die dat stadsdeel heeft met de Amsterdamse jazzgeschiedenis.

Matt Bianco 2025 rechtenvrij

Perskit

Met dit bericht maakt de festivalorganisatie de eerste namen bekend van artiesten die tijdens Red Light Jazz 2025 zullen optreden. Tot nu toe bevestigd zijn o.a. Matt Bianco, Another Taste, Amsterdam Funk Orchestra feat. Lilian Vieira, Philip Lassiter, La Ratte, Vox Sturnus, Soleil Niklasson & Wolf Martini, Kika Sprangers, Mats Gustafsson’s Cosmic Ear, Liva Dumpe & River Adomeit en uiteraard vaste gast ‘The godfather of Red Light Jazz’ Hans Dulfer.

Another Taste rechtenvrij

Perskit

Het volledige programma verschijnt in april op de totaal vernieuwde website van Red Light Jazz. Op hetzelfde moment start dan ook de voorverkoop van het hoofdprogramma.

Theater / Voorstelling

Sprookjesachtige zwanenzang van een stervende mens

recensie: Requiem voor de Onwerkelijkheid – Silbersee
Requiem - Bowie VerschuurenBowie Verschuuren

Wat gaat er door een mens heen wanneer hij weet dat zijn laatste uur heeft geslagen, wanneer hij de dood in de ogen kijkt, dus? Schrijver Toon Tellegen maakt een soort gedachteoefening van dit vraagstuk in Requiem voor de Onwerkelijkheid. Muziektheatergroep Silbersee tovert deze overpeinzing om in een wonderschone voorstelling.

Als je weet dat je doodgaat, leg je je daar dan bij neer? Of verzet je je tot het uiterste, bedenk je uitwegen om die laatste adem nog even uit de stellen? De man (Hans Croiset) in Requiem voor de Onwerkelijkheid verzint een reeks aan excuses en uitvluchten om de dood zo lang mogelijk op afstand te houden.

Tegelijkertijd komen herinneringen bovendrijven, verschijnen dierbaren die allang dood zijn voor het geestesoog. Het stervensproces is zo een mengelmoes van heden en verleden.

Jheronimus Bosch

Requiem voor de Onwerkelijkheid is vormgegeven als een soort koortsdroom. De stervende mens is omgeven door fabeldieren die sterk doen denken aan de figuren uit het werk van de schilder Jheronimus Bosch. Dansers, zangers, musici dragen allen fantastische kostuums (kostuums: Bart Hess).

De Dood (Carlos Refos) draagt bijvoorbeeld een strakke bruine bodystocking waarop aan alle kanten handen zijn geprint, plus een lange fallus. Zangers hebben tepels waaruit extreem lange, dunne uiers steken, en ze dragen geschubde staarten aan beide billen. Het koor heeft bodystockings met een reeks borsten erop geprint. Een lepelaar draagt een gewei op het hoofd. De toetsenist (Albert van Veenendaal) is een engel met grote bruine opblaasbare vleugels. De gitarist (Corrie van Binsbergen) draagt een soort helm die opgebouwd lijkt uit saté-prikkers, zodat ze eruit ziet als een egel.

Er gebeurt zó veel tegelijkertijd, dat je bijna niet weet waar je moet kijken. Dit pandemonium van engelen, duivels en dieren is een goed geoliede machine, regisseur Romain Bischoff heeft de teugels strak in handen.

Zwanenzang

De speelvloer wordt overvleugeld door een reusachtige zwarte kraai op de achtergrond, waarin je ook een crucifix kunt zien. De Dood klimt erin, en beziet zo de stervende mens van bovenaf. Rechts op de speelvloer staat een bed, waarop de stervende man echter zo min mogelijk gaat liggen. Liever zit hij uiterst links op een stoel, van waar af hij zijn zwanenzang uitspreekt. Nu en dan legt de Dood – of is hij een engel, of zelfs de Duivel? – zijn hoofd in de schoot van de man.

Pleiten

Requiem voor de Onwerkelijkheid is een monoloog, uitgesproken en gespeeld door de ijzersterke Hans Croiset, zelf inmiddels 89 jaar. ‘Aan het eind van mijn leven kwam een engel me tegemoet… Mijn dood was daar.’ De hoogbejaarde, maar zeer vitale Croiset speelt de stervende mens met een zekere lichtvoetigheid, met ironie in stem en spel. Listig ook: hij probeert steeds de Dood te slim af te zijn. Hij lacht, moppert, schimpt. Pleit voor méér tijd, al weet deze mens dat die er niet in zit.

De tekst van Toon Tellegen wordt doorsneden door muziek, door dans, door loepzuiver gezang, door een koor dat onder andere ‘Kyrie!’ zingt: ‘Heer!’ De muziek klinkt eeuwenoud, maar is gecomponeerd door Corrie Binsbergen.

Het decor houdt het midden tussen een kerststal en een naargeestig sprookjesbos (decor: DoorDouwe). In deze voorstelling zit veel katholieke symboliek, van het Lam Gods (Jezus die zijn leven offert voor de mensheid) tot de biechtstoel achter de stervende man.

Totaaltheater

De première wordt gespeeld in de katholieke kerk De Duif aan de Prinsengracht in Amsterdam. Die setting draagt beslist bij aan de theatrale kracht van dit overlijdensritueel. Strikt genomen is een requiem in de katholieke kerk een mis die wordt gehouden voor iemand die al is overleden, maar een kniesoor die daarop let. Silbersee speelt deze weergaloos mooie voorstelling slechts een dozijn keer. Het is voor de liefhebber dus een kwestie van er op tijd bij zijn. Fraaier dan dit, wordt totaaltheater niet.

Requiem voor de Onwerkelijkheid – Silbersee, in coproductie met Consensus Vocalis

Tekst: Toon Tellegen
Compositie: Corrie van Binsbergen
Decor: DoorDouwe
Kostuums: Bart Hess
Licht: Bogi Bakker
Hoofd techniek Richard Bron 
Hoofd geluid: Maurits Thiel 

Theater / Voorstelling

Een hysterische voorbereiding op een bruiloft

recensie: Ja, ik wil - Theater BV
foto: annemieke van der togtAnnemieke van der Togt

Jenny en Bob gaan trouwen en de nieuwe Nederlandse musicalcomedy Ja, ik wil volgt de tamelijk hysterische voorbereidingen voor hun huwelijksdag.

Na het succes van de musicalcomedy Blind Date, die bekroond werd met drie Musical Awards, brengt producent Theater BV nu het vervolg Ja, ik wil. Een musicalcomedy die ook prima te volgen is zonder het eerste deel (waarin Jenny en Bob elkaar ontmoeten) gezien te hebben. Dat is de conclusie die ik kan maken doordat ik simpelweg zelf het eerste succesvolle deel niet gezien heb.

Herkenbare hysterie

Huwelijksvoorbereidingen zijn stressvol en anno 2025 vaak nog vrij traditioneel, zo ook bij Jenny en Bob. Jenny wil graag ten huwelijk gevraagd worden door Bob en in plaats van zelf in actie te komen, blijft ze bij Bob hinten totdat hij het zelf doet. Toch lijkt het stel niet zo heel traditioneel, want ze willen op het geld letten, hebben totaal verschillende stijlen en wit vindt vooral Jenny een saaie kleur. Toch is hun omgeving wat traditioneler, hun ouders adviseren over de telefoon en vooral weddingplanner Koos vindt dat men zich aan tradities moet houden.

De worstelingen van het koppel over gastenlijsten, trouwjurken en duiven zijn niet origineel, maar wel herkenbaar. Dertig jaar geleden maakte men zich hier zorgen over, maar menig toekomstig echtpaar doet dat vandaag de dag nog steeds.

Paul Groot steelt de show

Ja, ik wil wordt verteld door drie acteurs Brigitte Heitzer (Jenny), Freek Bartels (Bob) en Paul Groot (Koos en alle andere rollen). Brigitte en Freek zijn als koppel aan elkaar gewaagd, maar Paul steelt de show door op flitsende wijze alle andere rollen te spelen. Het toppunt is het vrijgezellenfeest waarbij Paul tegelijkertijd de vrouwelijke én mannelijke stripper speelt. Paul steelt de show echt in de eerste akte, die toch vrij lang is. Elk onderdeel van het voorbereiden van de bruiloft komt uitgebreid aanbod.

De tweede akte heeft meer vaart, want dan wordt het pas echt hysterisch en komen ook Freek en Brigitte wat beter uit de verf. Freeks hoogtepunt is het zowel positieve als negatieve bruilofts-ABC.

Musicalcomedy

Wie naar Ja ik wil gaat hoeft geen grote meeslepende musical te verwachten, het is immers een nieuwe Nederlandse musicalcomedy. Het moet dus vooral luchtig en grappig zijn. Natuurlijk is er muziek, er staat zelfs de hele tijd een live band op het toneel, maar geen enkel nummer blijft echt hangen. Er is weinig decor en er zijn geen spectaculaire kostuums, maar dit is ook allemaal niet nodig. Het draait in een musicalcomedy vooral om het ‘comedy’ element en minder om de ‘musical’. De grappen zijn hier en daar goed gevonden, maar de humor is soms ook behoorlijk flauw. Vooral het snelle schakelen van Paul Groot zorgt voor vaart en een lach.

Kortom, Ja, ik wil is een degelijke musicalcomedy, niet heel bijzonder, maar wel een leuk avondje uit.

Theater / Voorstelling

Als je een mens alles afneemt, hoe belangrijk is dan nog het leven?

recensie: De wand - ITA Ensemble
Vrouw op zwarte aarde© Fabian Calis

Een wasteland is het: een kaalgeslagen, zwarte wereld waarin niets rest dan een vrouw en een hond, die toevallig gespaard zijn gebleven. We kijken in De wand van ITA Ensemble naar een wereld na een allesvernietigende ramp. Daarin moet die ene, alleen overgebleven vrouw zien te overleven, terwijl vrijwel alle bestaansmiddelen haar uit handen zijn geslagen.

Wanneer De wand begint, zit het naamloze personage (gespeeld door Chris Nietvelt) al tweeënhalf jaar in haar eentje op een berg. Ze heeft besloten op te schrijven wat haar is overkomen, beginnend bij de dag waarop haar zus en zwager vanaf de berg naar het dorp in het dal afdaalden. Alleen de hond is teruggekeerd naar boven. Als de vrouw gaat kijken waar haar familieleden zijn gebleven, stuit ze op een onverzettelijke glazen wand. Daar houdt haar wereld op. Voorgoed, zo lijkt het. Er heeft zich een natuurramp voltrokken waaraan zij klaarblijkelijk is ontsnapt.

Zelfvoorzienend

Wat zou een hedendaagse mens doen wanneer alle bekende middelen van bestaan ontbreken? Wanneer zij zich eigenhandig moet zien te redden, van eten vinden tot zich verhouden tot seizoenen en weersinvloeden? De naamloze vrouw in De wand van ITA Ensemble zet al gauw de schouders eronder om zelfvoorzienend te worden, geholpen door een hond en een koe.

Apocalyps

De wand is wat je noemt een post-apocalyptisch verhaal. Het stuk is gebaseerd op het gelijknamige boek van de Oostenrijkse auteur Marlen Haushofer (1920-1970). Het boek kwam uit in 1963, midden in de Koude Oorlog, toen de dreiging van een nucleaire oorlog de vernietiging van de aarde niet ondenkbaar maakte. Nu de oorlogen ons om de oren vliegen, voelt die dreiging opnieuw realistischer dan leuk is. Regisseur Eline Arbo en dramaturg Peter van Kraaij bewerkten het boek voor toneel.

Aarde

Arbo en Django Walon tekenen voor de scenografie. Die bestaat voornamelijk uit een groot carré met zwarte, sterk ruikende aarde – waar het publiek aan vier kanten omheen zit – plus een hemel waaruit licht, neerslag, onweer, mist neerdaalt. Die aarde maakt de acteur het lopen moeilijk. Af en toe doet ze er een bruikbare vondst in. Maar voor het overige fungeert deze aarde als alles wat de vertelling nodig heeft, van een bed tot een hond tot een alpenwei. Arbo en Walon geven de acteur niks tastbaars om haar verhaal te vertellen.

actrice omringd door publiek

© Fabian Calis

Dat niks biedt Nietvelt eigenlijk te weinig houvast; ze heeft daarmee alleen woorden, haar stem, haar lichaam en een handvol kleren om het verhaal te vertellen. Het probleem daarmee is dat het personage behalve op praktisch gebied niet echt een grootse psychologische ontwikkeling doormaakt. Zo maakt ze opvallend weinig woorden vuil aan het gegeven dat ze zich realiseert dat haar dochters onvermijdelijk dood zijn. Die waren leuk als vijfjarigen, maar uitgegroeid tot niet-leuke volwassenen. Ze is nauwelijks droevig over de dood van haar kinderen. Voor wie zelf kinderen heeft, is deze gevoelloosheid ondenkbaar.

Ook dat haar zus en zwager tijdens de apocalyps omgekomen moeten zijn, brengt emotioneel geen schokgolf teweeg. De dood van een zwerfkat is dan weer wel erg. Daarmee is de vrouw in De wand niet echt een heel sympathieke figuur.

Gedachteoefening

Maar misschien wil Arbo dat ook niet en moet deze vrouw op afstand blijven. Misschien is ze opzettelijk geen realistische mens-figuur maar een idee, een gedachteoefening. Je kunt dit stuk begrijpen op twee niveaus. Het simpelst is de realistische benadering: hoe overleeft iemand onder zulke extreme omstandigheden. De vrouw in deze voorstelling zet al haar basale kennis van de natuur en van dieren in om overeind te blijven.

Belangrijker is echter de rauwe-essentie-interpretatie: als je een mens alles afneemt, hoe belangrijk is dan nog het leven? Tot welke essentiële waarde over het leven komt iemand dan? Vindt een mens zichzelf dan opnieuw uit? Of geeft zo iemand het op, en wanneer dan? In die zin is De wand vooral een denkoefening: hoe zou dat zijn, wat zou jij doen, hoe zou jij je redden? Met niets dan jezelf en je herinneringen?

Beckett

De wand doet onvermijdelijk sterk denken aan de absurdistische, existentialistische teksten van de Ier Samuel Beckett (1906-1989), zoals bijvoorbeeld het toneelstuk Happy Days (1961). Alleen zit de vereenzaamde vrouw bij Beckett vast in een berg zand.

© Fabian Calis

De belangrijkste reden om hoe dan ook naar De wand te gaan kijken is de weergaloze Chris Nietvelt als de dolende vrouw met haar eindeloze overpeinzingen. Ze staat, zit, ligt, knielt in het kale landschap. Klauwt in de aarde, vormt er een bed, een hond, een kalf van. Je gelóóft Nietvelt, dit is hoe de rest van het leven van deze vrouw eruit ziet, met wanhoop en hoop, met elke dag een nieuwe dag.

De wand is geen plezierige, fijne voorstelling, maar wel een die aan het denken zet.

 

Tekst: Marlen Haushofer
Bewerking: Eline Arbo, Peter van Kraaij
Scenografie: Eline Arbo, Django Walon
Muziek: Thijs van Vuure
Techniek: Quirijn van der Baan, Thijs Veerman, Pepijn van Beek, Vincent Mouet, Rinse de Jong, Xenia Filimonova, Bram Boere
Lichtontwerp: Dennis van Scheppingen
Fotografie: Fabian Calis

Kunst / Expo binnenland

Van tweeën één

recensie: Anselm Kiefer – Sag mir wo die Blumen sind
Stedelijk museum_Anselm Kiefer_PT_2025-3543-2Anselm Kiefer, foto van Peter Tijhuis

Bezoekers kunnen de tentoonstelling met werk van Anselm Kiefer (1945) in het Amsterdamse Van Gogh Museum en Stedelijk Museum goed voorbereiden. Daar hebben beide vestigingen wel voor gezorgd. Op de website van eerstgenoemd museum staan bijvoorbeeld enkele ‘Veel gestelde vragen over de tentoonstelling’. Enkele daarvan vormen de handvatten voor deze recensie.

De eerste vraag is uiteraard: ‘Wie is Anselm Kiefer?’ Edwin Becker (hoofdconservator van het Van Gogh Museum) licht tijdens de press preview een tipje van de sluier op; een korte, inhoudelijke bijdrage na de plichtplegingen van de directeuren van beide musea, die er nu eenmaal bij horen.

Kiefer in relatie tot Van Gogh

Al vroeg (1963) wordt Kiefers aandacht getrokken door het werk van Van Gogh. Niet in emotionele zin, maar vooral door de rationele structuur van diens schilderijen en tekeningen. Kiefer noemt Van Goghs werk ‘overweldigend’ (overigens geldt dit ook in het kwadraat voor zijn eigen werk). Vooral door het verband dat wordt gelegd tussen licht en donker. Bijvoorbeeld in Sterrennacht (1889), dat Kiefer ziet in het Museum of Modern Art in New York. En door Van Goghs zonnebloemen, die voor Kiefer staan voor leven, dood en geboorte.

Eén tentoonstelling in twee musea

Leontine Coelewij (conservator van het Stedelijk Museum) stelt tijdens de perspresentatie dat het uniek is dat we zowel het oude als nieuwe werk van Kiefer tezamen kunnen zien. Op haar vraag aan de kunstenaar of hij dit ook zo ziet, blijft deze het antwoord schuldig. Hij vindt dat de kunst voor zich moet spreken. Onder diens werken bevinden zich vroege tekeningen naar Van Gogh, maar ook twee nieuwe installaties.
Rondom de monumentale trap in het Stedelijk Museum – die onder meer naar de eregalerij leidt – is Sag mir wo die Blumen sind (2024) aangebracht. De andere installatie, die een hele zaal in beslag neemt, betreft Steigend, sinke nieder (2024), bestaande uit fotoafdrukken op papier.

Alleen daarom al zou je beide musea moeten bezoeken. Dat als antwoord op de vraag waarom je deze tentoonstelling toch moet gaan zien als je verleden jaar al naar de expositie in Voorlinden bent geweest.
De huidige tentoonstelling ‘vertelt een uniek verhaal over de ontwikkeling van Kiefer als kunstenaar’, stelt genoemde website. Dat klopt – als je in de voorhal van het Stedelijk Museum begint. Daar hangen als opmaat twee vroege werken, waaronder Resurrexit (1972). Hierop zien we al de slang en de bloedrode kleuraccenten die we later terugzien. Respectievelijk in de cockpit van de sculptuur Voyage au bout de la nuit (1990), die niet alleen aan Joseph Beuys doet denken, maar ook lijkt op zowel een model voor een B-1 bommenwerper als op Waldsieg (2023) met rode blaadjes.

Maar er is meer. Er kan ook kennis worden gemaakt met enkele films van Kiefer, waaronder een met Min Tanaka (1945), die binnen de installatie Sag mir wo die Blumen sind danst. De armen wijd, als een omarming of als een kruisbeeld? De beschouwer mag het zeggen.

Tweede Wereldoorlog

De volgende vraag betreft ‘het zware oorlogsonderwerp’. Het antwoord (‘interessant om te laten zien hoe een kunstenaar ermee omgaat’ en hoe je je er als bezoeker toe kunt verhouden) bevredigt niet helemaal.

Misschien kun je beter naar de zaal in het Stedelijk Museum gaan waar vier werken uit dezelfde periode (2019-2020) hangen. Zij lijken eenzelfde uitwerking te hebben:

  • Die Sieben Schalen des Zorns
  • Sichelschnitt
  • Field of the Cloth of Gold
  • Beilzeit – Wolfzeit

De lucht is op alle vier donker en dreigend, net als op enkele schilderijen van Van Gogh, zoals het bekende Korenveld onder onweerslucht (1890). Toch gloort er bij Kiefer duidelijk licht doorheen. Net als die slang die voor hoop staat, omdat hij vervelt, of zoals bij Steigend, steigend, sinke nieder (2016-2024). Daar, binnen dat glas en staal, is een uitgebloeide zonnebloem te zien waarvan het zaad op enkele boeken valt en zo figuurlijk verder leeft. Een werk dat verwant is aan Uitgebloeide zonnebloemen (1887) van Van Gogh, dat moge duidelijk zijn.

Een enkele keer is een overeenkomst wat vergezocht. Zoals Kiefer in yogahouding op Sol Invictus (Onoverwinnelijke zon, 1995) dat pal bij een zelfportret van Van Gogh (1887-’88) hangt. Eerder komt een vergelijking op met een gevallen soldaat op; Sag mir wo die Blumen sind. Een titel (de laatste vraag) die verwijst naar het gelijknamige oorlogslied van Pete Seeger dat tevens bekend werd door Marlene Dietrich.

Anselm Kiefer, Sol Invictus, 1995. Emulsie, acrylverf, schellak en zonnebloemzaden op jute, 473 × 280 cm. Collectie van de kunstenaar. Foto: Charles Duprat.

Ook de zaalteksten in het Stedelijk en het Van Gogh Museum schuren soms. En dan gaat het niet alleen om het feit dat de grote solo-expositie van Kiefer in het Stedelijk Museum bij de een in 1984 en bij de ander in 1986 werd gehouden (het laatste is correct), maar ook om inhoudelijke accentverschillen. Zoek die verschillen en lees de catalogus met onder meer een essay van Simon Schama om nog meer te weten te komen dan de ‘Veel gestelde vragen’ en zaalteksten vertellen. Maar vooral: bezoek de tentoonstelling! Het is goud dat er blinkt. (Soms letterlijk, in de vorm van bladgoud.)

Muziek / Concert

Als een leeuwerik

recensie: Het Zondagochtend Concert
Joey RoukensDonemus Publishing

Al geruime tijd houdt 8WEEKLY een paar componisten in de gaten. Een daarvan is Joey Roukens (°1982). Recent ging zijn tweede Vioolconcert in première. 8WEEKLY zag de stream van de uitvoering in het kader van het AVROTROS Vrijdagconcert op 31 januari 2025 vanuit TivoliVredenburg in Utrecht (www.npoklassiek.nl/live) en bezocht Het Zondagochtend Concert op 2 februari 2025 in het Amsterdamse Concertgebouw. En was onder de indruk.

Roukens blijft min of meer bij de karakteristieken van het vioolconcert, tot een virtuoze, grote cadens (solopassage over het thematische materiaal) aan toe. Het werk gaat in een grote beweging door, maar kent desondanks vier subsecties: Rage and Lament (Woede en klaagzang), In Flux (In beweging), Sanctuary (Heiligdom), Upsurge (Opleving) en een Epilogue (Epiloog).

De ondertitel luidt Out of the Deep en roept daarmee al dan niet bedoeld reminiscenties op aan Psalm 130 in een zetting van Johann Sebastian Bach, Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir, die ook in de diepste diepten van – in dat geval – het orgel begint. Al legde Roukens in een interview in de pauze van het concert in Tivoli – dat ook op NPO Klassiek rechtstreeks werd uitgezonden –primair uit dat de compositie deze keer van ‘ver moest komen’.

Allerlei stijlen buitelen over elkaar

In zijn muziek buitelen – net als in die van bijvoorbeeld Mathilde Wantenaar (1993) – allerlei stijlen over elkaar heen en toch is het onmiskenbaar Roukens. De introductie doet filmisch aan en wordt gevolgd door een klaaglijke, haast oosters aandoende inzet van de viool. Er zit een herinnering aan de barok in het werk (derde onderdeel) en een prachtige althobosolo die wordt overgenomen door vioolsoliste Simone Lamsma, voor wie Roukens het concert op verzoek schreef.

De muziek is dan klagelijk en breed en dan weer springerig en swingend. De soliste verwijlt als een leeuwerik in het hoogste, ijle register van de viool én het orkest soms in de diepste krochten (basklarinet, contrafagot!). De componist laat ons niet alleen alle karakteristieken horen van de viool (en Lamsma’s intense spel), maar ook van de omvangrijke orkestbezetting, het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van de Duitse dirigent Markus Stenz. Hij was van 2012-2019 chef-dirigent van dit orkest.

‘De vijfde’

Opvallend is hoe het Vioolconcert rijmt op de Vijfde symfonie van Ludwig van Beethoven die erna wordt gespeeld. Soms zelfs letterlijk; de dubbelslag in de althobosolo bij Roukens (een versiering op een noot, van boven naar die noot en nog een keer naar beneden) komt ook in de hobosolo in het eerste deel van de symfonie terug. Toeval? Wie zal het zeggen. In ieder geval vermeldt het programmablad in Amsterdam niet voor niets dat Roukens’ Vioolconcert ‘een dramatiek heeft die zijn bewondering voor Beethoven verraadt’.

Het rijmt ook mooi in diepere zin, omdat zowel Roukens als Beethoven de donkerte achter zich laat.

Onder Markus Stenz wordt een buitengewoon fraaie uitvoering van de symfonie gegeven. Hij weet de spanning mooi op te bouwen, van ontspanning naar spanning, van hard naar zacht en in geladen momenten van stilte. Zijn lichaamstaal is duidelijk en daar wordt door het orkest alert op gereageerd.
Beide werken – niet in de laatste plaats het Vioolconcert van Roukens – krijgen vanuit de zaal, zowel in Utrecht als Amsterdam een enthousiast en warm onthaal. Terecht!

Theater / Voorstelling

Bollywood meets barok

recensie: A Fairy Queen
A Fairy Queen - BarokOpera AmsterdamPaul Viaene

In 2012 werd Indian Tempest door het Britse gezelschap Footsbarn opgevoerd in het Amsterdamse Carré. Hierin ging de Indiase verteltraditie samen met Shakespeares The Tempest. Het zette een toon die bijvoorbeeld in Romeo & Julia in Bollywoodstijl (Het Nationale Toneel Jong, 2024) werd doorgezet en opgerekt. En nu is er in diezelfde traditie A Fairy Queen van Henry Purcell (1692).

Deze masque (semi-opera) componeerde Henry Purcell in 1692 op een libretto van John Dryden, die zich weer baseerde op A Midsummer Night’s Dream van Shakespeare.
Frédérique Chauvet, artistiek en muzikaal leider van BarokOpera Amsterdam, kwam op het idee om samen met Indiase artiesten en makers op zoek te gaan naar een manier om Purcells The Fairy Queen in gesprek te laten gaan met Indiase muziek en dans; the queen uit de titel werd hier a queen.
Daarvoor voegde ze een personage toe: een Indiase jongen (performer en danser Avintika Tibrewal), pleegkind van feeënkoningin Titania (sopraan Wendeline van Houten in het groen gestoken, tot haar groene huishoudhandschoenen aan toe) en haar man koning Oberon (bariton Pieter Hendriks, dronken en wel). De jongen sluit vriendschap met de elf Puck (acrobate en danseres Renske Endel die terecht enkele open doekjes krijgt en zich in haar spreekrol van het Nederlands in plaats van Engels bedient).

Bollywood meets barok

De vraag is of het vergezocht is om Bollywoodelementen aan in dit geval Shakespeare/Dryden/Purcell toe te voegen? Nee, immers: Shakespeare werkte zelf ook met verschillende stijlen die juist in A Midsummer Night’s Dream tot sterkere tegenstellingen leidden dan in zijn meeste andere toneelstukken. En Purcell deed niet voor hem onder met de combinatie van poëzie, zang en dans. Voeg daar nog acrobatiek aan toe, en je bent bij deze sterke en bij vlagen geestige productie van BarokOpera Amsterdam.

Het verschil met de eerder genoemde Shakespeareproducties is, dat BarokOpera Amsterdam de gulden middenweg heeft gevonden tussen de relatief bescheiden toevoegingen van de Indian Tempest aan de ene kant en de grote overdaad van Romeo & Julia aan de andere kant, waarin Shakespeare dreigde te verzuipen. Wat hier gebeurt is namelijk een geslaagde integratie tussen de verschillende stijlen, barok en Bollywood.

Een paar voorbeelden

Een mooi voorbeeld, en een van de hoogtepunten, is de aria O, let me weep, forever weep waarin het spel op de barokviool (Elin Eriksson) en Indiase viool (Lenneke van Staalen) naadloos in elkaar overgaan.
Tot de vocale hoogtepunten behoren de op elkaar aansluitende aria’s over de nacht en de slaap, One charming night en Hush, no more, die ingetogen worden gezongen en gespeeld. De eerste wordt heel licht gezongen door de tenor Max Bruins met begeleiding van onder meer blokfluit (Beto Caserio) en traverso (Frédérique Chauvet), en de tweede door de al genoemde Pieter Hendriks. Frédérique Chauvet dirigeert het geheel

Dit alles binnen de setting van een eenvoudig en stijlvol decor (Lars Huijgen), vindingrijke rekwisieten zoals een stapel kussens bij de aria over de slaap. Purcell leunt sterk op de Franse barokmuziek uit zijn tijd, de regie doet af en toe denken aan de Italiaanse commedia dell arte met zijn vogelmaskers van het Venetiaanse carnaval én de tijd van de pest.

Zo wordt er op alle terreinen een brug geslagen tussen – zoals de flyer stelt – ‘traditie, historie en moderniteit’. Een voorstelling die een belofte inhoudt voor de toekomst, want in diezelfde flyer lezen we dat dit het begin is ‘van een reeks producties waarin de oorspronkelijke fascinatie voor andere culturen naar het nu wordt vertaald’. Als dat op deze integere, verre van wouldbe-manier gebeurt, zien we er vol verwachting naar uit!

Muziek / Concert

Mozarts mooiste

recensie: Concert van het Nederlands Kamerorkest
Het Concertgebouw © Hans Roggen© Hans Roggen

Soms zijn er concerten die eruit springen. Door het programma, door de musici die optreden en/of door een bijzonder muziekinstrument. Of door de combinatie daarvan. Zo’n concert werd op 22, 23 en 24 november 2024 gegeven door het Nederlands Kamerorkest met aan de eerste lessenaar (concertmeester) en als een van de solisten violiste Liza Ferschtman.

Het programma was gemodelleerd naar wat in de tijd van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) een zogenaamd Akademie-concert werd genoemd en op 23 maart 1783 in Wenen werd uitgevoerd. Een beetje zoals sommige radiozenders programmeren, maar zoals je het in de concertzaal zelden hoort: allemaal losse delen uit werken van Mozart, zoals hij het zelf in zijn tijd op het podium bracht. Voor toen dus eigentijdse muziek, waarbij één werk in zijn geheel werd gespeeld, maar dan opgeknipt: de zogenaamde Haffner-symfonie. Dat werkte op deze manier apart uit, want de roffelende pauken in het slotdeel (gespeeld met stokken zonder vilt) kwamen pas op het eind, en de symfonie werd nu als het ware afgesloten met het vraagteken van het Menuet. Dat opknippen is niet zó raar overigens, want bij orgelconcerten worden een Preludium en Fuga ook regelmatig opgeknipt: de Prelude aan het begin en de Fuga aan het eind van het concert.

Waarschijnlijk heeft de programmeur van deze drie concerten gedacht: dan doen we er ook écht een stuk van nu bij. Dat werd een opdrachtwerk: Night Passage voor strijkorkest en glasorgel van de Amerikaans-Nederlandse Vanessa Lann (1968) dat in wereldpremière ging. Het enige niet door Mozart geschreven stuk dus. IJle wolken schoven voor de maan, met als ondergrond een passacaglia (doorgaande bas) in het glasorgel en een telkens terugkerende, mooie melodie in de altviolen. Het lichtontwerp van Desirée van Gelderen benadrukte het geheel. Gedurende dit werk brandden namelijk alleen de leeslampjes boven de lessenaars.

Glasorgel, zang en soloviool

Met deze compositie hebben we meteen het bijzondere muziekinstrument te pakken: een glasorgel, bespeeld en gebouwd door Rogier Kappers en geplaatst op een bakfiets. Dat wil zeggen: ruim 50 door hem gedraaide glazen, gevuld met water op zo’n manier dat ze elk een andere toonhoogte voortbrengen wanneer ze met natte vingers worden aangestreken. Naast het werk van Lann speelde Kappers daarop ook nog Mozarts Adagio voor glasorgel.

De tweede solist mocht er ook zijn: de Vlaamse bariton Leander Carlier. Hij zong drie aria’s uit Don Giovanni, waarbij de humor in de eerste (Madamina, il catalogo) niet ver weg was. De tweede aria werd gezongen op de trap die aan de voorkant van het podium de zaal in reikte: Deh vieni alla finestra. Afgesloten werd met Fin ch’han dal vino. Drie korte, kenmerkende gedeelten uit de opera, uitgevoerd in de vorm van een sonate: allegro – allegretto – presto.

Last but not least: Liza Ferschtman, in een dubbelrol als concertmeester en soliste. En ze sprak ook nog enkele toelichtende woorden. Wat opviel in zowel haar manier van leiding geven als in haar solorol in het Eerste vioolconcert in Bes, was dat er veel aandacht was voor dynamiek en contrasten. Het puik spelende Nederlands Kamerorkest liet samen met haar door de accenten en omspelingen horen waar Mozart vandaan kwam en niet zozeer waar de muziek heenging (de romantiek). Een stevige Mozart dus. Zo mogen we het horen.

Het mooiste?

En wat was nu het mooiste van Mozart? Zonder ook maar aan welk stuk dan ook tekort te willen doen, waren dat toch wel de twee delen voor blazers en contrabas uit de zogenaamde Gran Partita: de Romance en het Adagio. In die delen waren alleen de blazers en contrabas belicht, terwijl de rest van het podium en de zaal in het donker was gehuld. Verkapte opera-aria’s zijn het eigenlijk, zeker het Adagio met zijn hobo- en klarinetsolo. Nog meer soli – het kon niet op. Het publiek in de op zondagmiddag lang niet gevulde zaal, luisterde ademloos en beloonde de musici met een warm applaus. Terecht.

Theater / Voorstelling

Boeiend in eenvoud

recensie: The Last Five Years
The Last Five Years - NANOEK 4Sjoerd Derine

Liefde is de inspiratiebron van veel musicals. Romantische verhalen waarbij de hoofdrolspelers elkaars hart nog moeten veroveren, een relatie die een moeilijke tijd doorgaat of families die ruzie hebben. Verhalen die vaak eindigen als het verliefde koppel eindelijk zonder problemen trouwt of bij elkaar is. De musical The Last Five Years gaat juist over de afgelopen vijf jaar van een relatie, maar is dat genoeg stof voor een hele musical?

Twee acteurs. Eén danser. Drie muzikanten. Zes spotlights. Dat is de musical The Last Five Years. In tijden van spektakelmusicals met grote ensembles, omgetoverde theaters en spectaculaire decors, valt deze musical juist op door zijn eenvoud. Deze show heeft weinig middelen nodig om een boeiend verhaal te vertellen.

The Last Five Years - NANOEK 6

© Sjoerd Derine

Turbulente relatie

The Last Five Years gaat over de relatie van musicalactrice Cathy (Jolijn Henneman) en schrijver Jamie (Timo Tembuyser). Jamie vertelt het verhaal in chronologische volgorde en Cathy vertelt het verhaal achterstevoren. Ze zijn dus nooit op hetzelfde moment in het verhaal, afgezien van de bruiloft, daar kijken ze elkaar even recht in de ogen.
Jamie is smoorverliefd en vertelt enthousiast over zijn relatie en zijn geluk kan niet op als zijn boek een succes wordt. Naarmate de jaren verstrijken wordt zijn enthousiasme echter minder en ziet hij vooral ook ándere vrouwen om hem heen. Cathy begint verdrietig over haar succesvolle vriend die haar niet meer ziet staan en haar musicalcarrière die blijft steken in het ensemble. Als ze terug in de tijd gaat wordt ze optimistischer over haar relatie én carrière.

The Last Five Years - NANOEK 2

© Sjoerd Derine

Het verhaal blijft boeien doordat het vanuit twee perspectieven en in twee volgordes verteld wordt. Het klinkt wat ingewikkeld, maar is prima te volgen. De musical is bijna doorgecomponeerd, de liedjes volgen elkaar in sneltempo op en er is nauwelijks dialoog. De twee acteurs zijn ijzersterk en blijven boeien, zowel in spel als in zang. Jolijn zet een sterke vrouw neer die gaat voor haar dromen en baalt van haar relatie. Timo zet vooral een enthousiaste en energieke Jamie neer. Af en toe is hij wat minder te verstaan door zijn Vlaamse intonatie. Wie echter écht de aandacht trekt is de danser, Cody Schuitenmaker. Zij beweegt mee tussen de twee verhaallijnen en ondersteunt zo met name de emoties in het verhaal. Af en toe zo goed, dat het moeilijk is om je aandacht bij de vertellende acteur te houden.

The Last Five Years - NANOEK 5

© Sjoerd Derine

Inventieve musicals

Stichting NANOEK viel vorig jaar al op met de nieuwe musical MELK die maar liefst vijf Musical Awards in de wacht sleepte. NANOEKs missie is: ‘Met brave new people maken wij brave new musicals’. The Last Five Years is iets minder ‘new’ dan MELK, want de Engelstalige productie ging in 2001 in Chicago in première en heeft verschillende adaptaties gehad, bijvoorbeeld in 2021 op West End en een verfilming in 2014. Bij het grote Nederlandse publiek is deze musical echter nog niet zo bekend.

Anouk Beugels en Suzanne Heijdra, de regisseurs, geven aan dat ze geprobeerd hebben het verhaal vanuit verschillende invalshoeken neer te zetten en een meer female gaze mee te geven. In eerdere versies vonden zij Cathy bijvoorbeeld een beetje overkomen als een zeikerd, nu wilden ze haar neerzetten als een sterke vrouw. Dat is gedeeltelijk gelukt, want Jolijn zet een sterke Cathy neer. Maar zoals vaker bij verhalen over succesvolle mannen die hun vrouw een beetje vergeten, rijst de vraag: waarom gaat ze niet weg bij haar man? Waarom kiest ze niet voor zichzelf en jaagt ze geen andere carrière na?

Simpel en intiem

De vertaling van Judith Boesen is sterk, de zang goed en de muzikale ondersteuning bijzonder mooi en dat met slechts een viool, cello en piano. Het is mooi hoe de melodieën in de gehele voorstelling over gaan van vrolijk naar somber. Het zou dan ook mooi zijn als van deze musical een (digitaal) castalbum komt.

De minimale opstelling op het podium klopt, de simpele zetting zorgt voor een extra intiem gevoel bij het inkijkje in deze liefdesrelatie. Het vergt enige verbeelding van de kijker, maar niet te veel want ook aan de muziek merk je wel waar je in het verhaal zit. The Last Five Years weet in al haar eenvoud indruk te maken en is daarom zeker een aanrader.

Kunst / Expo binnenland

Kijken met twee paar ogen

recensie: Navid Nuur – When doubt turns into destiny

De Stichting Oude Kerk in Amsterdam nodigt al geruime tijd gerenommeerde kunstenaars uit om een contextspecifieke tentoonstelling te realiseren. Dit keer kreeg Navid Nuur (1976, Teheran) de eer. Maar wat is in dit geval contextspecifiek? De Oude Kerk is immers een museum én herbergt een kerkelijke gemeente. Het nodigt uit om te kijken met twee paar ogen.

Om te beginnen gaan we een stukje terug in de tijd en noemen we enkele voorbeelden. Germaine Kruip wilde in 2016 het onzichtbare zichtbaar maken: dit deed ze onder meer door een daglichtlamp die in een etmaal een cirkel draaide. Nauwelijks te zien dat er beweging in zat, maar toch. Ook bracht ze in de Sebastiaanskapel maar liefst tien spiegels aan. Marinus Boezem liet een jaar later vanuit de nok in de kerk een ellenlang gordijn naar beneden aanbrengen. Hij had ook een boodschap voor de bezoekers, die vond je op een ronde spiegel als je met een hoogwerker zo’n vijftien meter omhoog was gebracht. Een ander voorbeeld: Meredith Monk liet een trap of piramide de lucht in reiken. In het hoogkoor zette ze in een ovaalvorm zes stoelen neer binnen een cirkel van stenen. Sara Vrugt tenslotte, liet in de Sebastiaanskapel mensen met naald en draad werken aan een plattegrond van de kerk, die ze gedurende de looptijd van de tentoonstelling nooit af zouden krijgen. Net zoals de bouwers van de kerk het eindresultaat nooit hebben gezien.
Het lijken sjablonen waar het gebouw kennelijk om vraagt. Die sjablonen keren telkens terug. Ook bij Nuur, al brengt iedere kunstenaar – ook hij – een eigen accent aan. In het begeleidende boekje wordt hij omschreven als ‘een speelse alchemist’.

Navid Nuur

Het toeval wil dat al eerder werk van hem in de Oude Kerk te zien is geweest. In de doopkapel tijdens de tentoonstelling SALON/Big Bang. Het was een takje dat uit een steen groeide. Een kaal takje nadat de wereld is vergaan als een stille getuige van een slagveld? Of een loot zonder blad die was ontsprongen uit een rots, een steen als een bevroren traan? Beide.
Die bevroren traan komt ook in de recente tentoonstelling van Nuur terug. Dit keer in de Heilige Grafkapel als een projectie van een traan die hij liet opdrogen op een diaraam, een traan van vreugd of een traan van verdriet? Beide.

Een rondgang langs enkele van de veertien werken laat zien welke accenten Nuur legt op de van eerdere tentoonstellingen al bekende sjablonen.

Rondgang door de expositie

foto: Aad Hoogendoorn

Het eerste sjabloon is het onzichtbare zichtbaar maken. Nuur doet dat door een visdraad met reflectieverf te spannen die alleen bij een bepaalde lichtval even zichtbaar wordt. Het is om het even of dit nu de zon door de ramen is of het flitslicht van een mobiele telefoon.
Het tweede sjabloon zijn de twee spiegels in de doopkapel. Een is intact en de tweede is afgeschraapt tot alleen het kale glas is overgebleven. Het derde zie je meteen bij binnenkomst: Cloudsweat Corridor, een aan staalkabels opgehangen, leeggelopen heteluchtballon die als een gordijn naar beneden valt. Het is zoals Julian Barnes schrijft in zijn boek Hoogteverschillen: ‘De aeronaut daalde neer vanuit de hemel, zocht naar een landingsplek, trok aan het ventielkoord, wierp het anker uit, en stuiterde vaak nog een meter of tien, vijftien de lucht in voordat het anker houvast vond’. Een bode vanuit de hemel die houvast vindt in een kerk.

Wat bode en boodschap betreft – dit brengt ons bij het vierde sjabloon, waarmee we in het hoogkoor belanden. Waar Monk zes stoelen neerzette binnen een cirkel van stenen, nodigt Nuur de bezoeker uit een perk met ronde strandkiezels te betreden en naar een zuil aan het eind daarvan te lopen. Daarin liggen envelopjes opgestapeld met een boodschap van de kunstenaar erin. Je wordt uitgenodigd twee steentjes mee te nemen, de wereld in. Zoals zondag-aan-zondag op dezelfde plaats de kerkelijke gemeente na de dienst weer de wereld wordt ingezonden. Op dit moment staan de kerkgangers dus rondom dit bed van kiezelsteentjes.

NN XXX

foto: Aad Hoogendoorn

Het spraakmakendste werk van deze expositie is NN XXX dat een looptijd heeft tot 2125. Nuur en wij zullen dat eind niet beleven. De kunstenaar maakt gedurende de expositie een serie van honderd vazen. Daarvoor zijn een werkplaats, een droogkas en een maalkamer ingericht. Hij vermaalt klei met grondstoffen die hij overal in Amsterdam opdelft. Letterlijk brengt hij er indrukken in aan van de stad; hij doet dit door een onaffe vaas ergens tegenaan te drukken. Dit proces blaast volgens hem de vaas leven in, zoals in de Bijbel God wordt voorgesteld als pottenbakker die de mens adem inblaast. De vazen worden aan het eind van de tentoonstelling opgeslagen in de IJzeren Kapel, die eeuwenlang de stadskluis van Amsterdam was. Elk jaar zal een vaas worden geveild. In 2125 is de laatste aan de beurt.

Tenslotte komt het thema adem in verschillende werken op de tentoonstelling terug. Een ervan, Breath/Breeze/Box, wordt – net als de droogkas – dagelijks tussen 13.30-13.45, 14.30-14.45 en 15.30-15.45 uur in werking gesteld. Het is een tip om juist dán te zorgen als bezoeker in de kerk te zijn, tussen alle toeristen die er rondlopen en vermanend kijken als je twee steentjes opraapt en meeneemt… Het mag, het is onderdeel van deze ruimtelijk ingerichte, mooie expositie die zich voegt naar eerdere tentoonstellingen van kunstenaars die hun eigen accenten hebben gelegd. Je mag het ervaren als een seculiere en religieuze dubbelslag. In een museum dat tevens kerk is.