Muziek / Album

Rotsvast

recensie: Korn - Paradigm Shift

.


~

Een paradigma-verschuiving is een radicale verandering in de manier waarop de wereld bezien wordt. Einstein zorgde voor zo’n verschuiving met zijn relativiteitstheorie, net als Freud toen hij de psychoanalyse introduceerde. Korn wekt nogal wat verwachtingen door de titel van het nieuwe album.

Als altijd
Paradigm Shift mag dan genoemd zijn naar een verandering, het album is onmiskenbaar Korn: door de manier waarop Jonathan Davies zingt, door de typische metalige basklanken en door de zwaar vervormde gitaren van Head. Met Paradigm Shift keert Korn terug naar de basis van ruw en rauw, hard en getroebleerd. Dat Head is teruggekeerd, speelt hier ongetwijfeld een rol bij. Door in de oorspronkelijke line-up te spelen, komt Korn dichter bij hun oorspronkelijke, compromisloze geluid.

Wel is het album vrij eentonig; er is geen opbouw of spanningsboog. Vanaf het eerste nummer gaat de band los en leeft zich uit, agressief, hard en vasthoudend. Het energieniveau daalt niet tot de laatste noot heeft geklonken. Afwisseling is er wel door de zang van Davies, die een uitgebreid repertoire aan technieken laat horen: van geweeklaag tot woedende keelklanken. Davies is in topvorm, net als de rest van de band.

Anders dan de rest
Bij hun debuut in 1994 liet Korn de wereld kennismaken met een nieuwe stijl. Hun versie van metal werd gedoopt tot nu.metal. Maar in tegenstelling tot de andere bands uit dat genre is het Korn wel gelukt om onder de aandacht te blijven. Met Paradigm Shift bewijst de band (opnieuw) dat ze niet genegeerd mogen worden.

Door zichzelf te blijven is Korn geen tijdsgebonden eendagsvlieg, maar een band met eeuwigheidswaarde. Paradigm Shift is niet erg gevarieerd, maar de muziek van Korn is geen trucje. De vernieuwing van inzicht waar de titel op doelt is dan ook vooral dat Korn zich gerealiseerd heeft dat ze zich niets aan moeten trekken van de waan van de dag of verkoopaantallen, maar gewoon hun eigen ding moeten doen.

Muziek / Album

Uitersten naast elkaar

recensie: Pearl Jam - Lightning Bolt

Pearl Jam is één van de oorspronkelijke grungebands, maar dat is aan Lightning Bolt bijna niet meer af te horen.

Backspacer, het vorige album van

~

Pearl Jam, toonde al aan hoe divers de band kan zijn: energieke en vrolijke liedjes en kale, droevige nummers wisselden elkaar af, met een lichte neiging naar country en folk. Ook op Lightning Bolt komt de gevarieerdheid van de band terug. De eerste single, ‘Mind your Manners’, is een punklied zoals ‘Spin the Black Circle’, terwijl ‘Sirens’ een gevoelig nummer is waar distortion is ingeruild voor akoestische gitaar en een melancholiek stemgeluid.

Onverwacht
Grote verschillen in stijl tussen de liedjes op een album zijn niet vreemd voor Pearl Jam; hun grote kracht is dat ze niet vasthouden aan een genre. Zo kunnen op een album punk, country en pop/rock samenkomen. Pearl Jam probeert ieder nummer te brengen in een stijl en vorm die het lied het meest tot zijn recht laat komen, ook als het een nieuwe versie is, zoals ‘Sleeping by Myself’. De uitvoering op Lightning Bolt roept dezelfde sfeer op als het origineel op Eddie Vedders soloalbum Ukulele songs, maar is een totaal ander product. Dat komt niet omdat het niet alleen Vedder is die zichzelf begeleidt op ukelele (die, jammer genoeg, achterwege blijft op Lightning Bolt), maar door de volheid van het arrangement.

Vol vertrouwen
Lightning Bolt laat duidelijk de verschillende kanten van Pearl Jam horen. Ook is het een bewijs voor de kwaliteit van de band, die duidelijk is gegroeid sinds Ten. Het samenspel is vlekkeloos en de nummers klinken stuk voor stuk alsof ze met plezier zijn geschreven, gespeeld en opgenomen. Zo blijft de muziek langer interessant. De nummers zijn prima, maar Lightning Bolt is geen album dat er om schreeuwt meteen nog eens opgezet te worden. Niet omdat het een zwaar of moeilijk album is – dat is het namelijk niet. Hoewel het engagement er nog steeds is, is het geen (politiek) beladen album. En evenmin is het een album vol drama hoewel emoties een duidelijke invloed hebben. Pearl Jam is niet meer op zoek naar het experiment, maar probeert het uiterste uit liedjes te halen. En uit zichzelf.

Boeken / Fictie

West-Vlaamse onderbuik

recensie: Thomas Blondeau - Het West-Vlaams versierhandboek

.

‘De Aander’ en ‘de dode Aander’ doorstromen het niet nader bepaalde geboortedorp van Raf Fauchery, beginnend schrijver en groot lijder aan het leven en de liefde. Om genezing te vinden van zijn zwaarmoedigheid reist Fauchery af naar dit oervlaamse oord en hoopt daar een ‘leuke roman over opgroeien’ te schrijven. Dit is het boek binnen het boek, het eigenlijke ‘Versierhandboek’. Dit boek binnen het boek beslaat echter maar een zesde van Blondeaus werk, de rest beschrijft Rafs belevenissen in het dorp.

Onderbuikgevoelens
Het dorp dat Fauchery aantreft, is net als hij van God en mensen verlaten: het is gekrompen tot enkele tientallen zielen in een naargeestige omgeving. ‘De huizen staan langs de hoofdstraat als moreneheuvels van opgeworpen baksteengruis.’ De meeste dorpelingen blijken zich overgegeven te hebben aan hun afkeer van de Walen, hun hunkering naar het bloeiende verleden en volgen de van vetzucht druipende dorpsleider Goeminne. In een poging het dorp te zuiveren en meer gemeenschapszin te kweken, streeft deze iconische vetklomp, deze vergaarbak van overtrokken Vlaamse onderbuikgevoelens, niet minder dan de volledige zelfvoorzienendheid na. Rond het dorpsmiddelpunt, de kroeg, groeien de gemelijkheden van de simpelen van geest, zoals ratten zich volvreten op de vuilnisbelt.

In dit godverlaten oord stijgt Rafs verlangen naar een buitenissige jonge vrouw. Langzaamaan vervlecht Fauchery in zijn versierhandboek-in-wording dit verlangen met de belevenissen in het dorp, waarna onvermijdelijk de dorpelingen zich keren tegen deze buitenstaanders.

Omarming of beknelling
Dat het zover moest komen, was te voorzien. Thematisch interessanter dan de confrontatie tussen dorpelingen en buitenstaanders echter is de uitwerking van het achterliggende dilemma in het gegeven ‘verlangen’: een idee of een leven willen delen en vasthouden, waarbij het gevaar dreigt dat het begint te knellen, te vervormen. Nieuwe liefdes genezen weliswaar zwaarmoedigheid en verlatenheid, maar blinde verslaafdheid dreigt als verlangen doorslaat in begeerte en bezit.

Dit dilemma blijft zorgvuldig onder de oppervlakte. Blondeau zal het zeker grondiger en beschouwelijker thematiseren in een volgend boek. In dit boek komt het ter sprake in een van de charmante bespiegelingen over Dantes liefdesidee, welke ‘obsessieve idealisering van de geliefde’, de verafgoding op afstand, de aanbidding voor Fauchery niet volstaat: hij wil de verwerkelijking in den vleze. Fauchery heeft dan ook typische mannenfantasieën, waarbij de vrouw dienstbaar is. Hoe Fauchery ‘in het echt’ handelt…

Begeerte
Onwennig of oorspronkelijk of hip mag de opbouw van dit boek heten: het rijgt kleinere en grotere hoofdstukken speels aaneen die in perspectief sterk verschillen, waarbij zelfs de voetnoot geestig meta-commentaar op het hele schrijfproces levert. Een van deze op zich staande gedachten, is hoofdstukje 55, dat het lot van de eenzame schrijver indampt tot een volkomen grimlachje:

Hier in deze kamer ben ik Schrödingers kat. Als ooit iemand de deur opent, zal het zijn om te controleren of ik nog leef. Tot die tijd is alles mogelijk.

Aforistisch en poëtisch is Blondeaus stijl, waarbij de noordeling zich en passant verrijkt met woorden als: kachtelen, bleiten, overklassen, opgefret en bemokkeld. Het Versierhandboek wil aanbevolen zijn in zijn hybride vorm en snelle gedachtewisselingen. Het brengt gepointeerd en welgeformuleerd beeldende bespiegelingen en laat de lezer achter met een vergezicht op wat de man drijft: verlangen en begeerte naar ‘de ander’.

Boeken / Achtergrond
special: Doris Wintgens Hötte (red.) - Utopia 1900-1940. Visies op een nieuwe wereld

Verlang het onmogelijke!

Hachelijk maar prikkelend, in allerlei opzichten, is de utopie als onderwerp van een kunsttentoonstelling- en catalogus. Over kunst en haar duizelingwekkende ambities.

Het is goed discussiëren over wat een utopie is – dus laten we daar mee aanvangen. In haar inleiding in de catalogus van de nieuwe Lakenhal-tentoonstelling ‘Utopia 1900-1940. Visies op een nieuwe wereld’ – te zien tot 5 januari 2014 – bundelt conservator Doris Wintgens Hötte losjes een aantal utopiecriteria: een utopie is maakbaar; wil radicaal breken met het verleden ten einde een volstrekt nieuwe samenleving te creëren. Hiertoe ontwikkelen de betreffende kunstenaars een eigen beeldtaal, die in staat dient te zijn om radicaal nieuwe sociale verhoudingen te scheppen. Nu, dit klinkt aardig. Maar maakt deze definitie het niet veel te makkelijk zomaar iedere kunstenaar tot utopist te bestempelen die leeft in een woelige, imperfecte wereld en die met zijn vernieuwende kunst ‘iets teweeg wil brengen’ bij de toeschouwer? 

Tussen het construct en de grillige lijn


Die vraag is even gemakkelijk als terecht. In de Utopia-voorstelling worden niet alleen de constructivisten (dat is vrij gangbaar) maar ook de expressionisten (dat is juist controversieel) als utopische strevers gekarakteriseerd. Bekende constructivisten als Vladimir Tatlin, Kazimir Malevich, Theo van Doesburg en El Lissitzky ijverden op momenten inderdaad voor een door de techniek en geometrische lijn vormgegeven nieuwe wereld, gekenmerkt door orde, zuiverheid en harmonie.

Daarentegen zagen de expressionisten de doorgeschoten rationaliteit, de techniek en de machine juist als instrumenten van vervreemding en onderdrukking, als een nieuwe fase in de verwijdering van de westerse mens van haar werkelijke natuur. Zie daar al een eerste probleem, want de doorsnee utopie is gebaat bij ten minste enige mate van rationalisme en uniformerend collectivisme. Het is immers de bedoeling een hele samenleving langs nieuw vormgegeven lijnen te construeren –iets dat nu eenmaal duizendmaal eenvoudiger gaat met geometrische constructies, dan met de eigenzinnigheid van afwijkend gekleurde innerlijke expressies.

Bovendien praktiseerden bijvoorbeeld de Die Brücke-expressionisten toch vooral hun individualistische, met naaktheid, dans en vrije seks gevulde kunst- én levensstijl. Uit die levensstijl rijst geprononceerd een middelvinger naar de bourgeois op, zeker, en hun schilderijen zijn prachtig – zie in de tentoonstelling bijvoorbeeld de verscheidene doeken en houtsneden van Ernst Ludwig Kirchner – maar afgezien van wat gratuite vernieuwingsretoriek kan toch niet gezegd worden dat ze over een utopisch programma beschikten. (Koen Kleijn reageerde, in een bijlage van De Groene Amsterdammer, op de stelling dat de kunstenaars van Die Brücke ‘hun utopie leefden’: “Je zou ook kunnen zeggen dat Kirchner deed wat zijn piemel hem ingaf.” – zowel hun idealen als vrijzinnige, communeachtige levensstijl doen ook denken aan (de clichébeelden uit) de jaren zestig). 

~

Redding der mensheid?


En toch doen Wintgens Hötte en expressionismekenner Gregor Langfeld in de catalogusessays hun uiterste best de expressionisten in die utopiemal te persen. Slaan ze de plank dan zó erg mis? Nee, ze hebben ook wel een punt: verschillende varianten neigen naar, of zijn inderdaad, als utopisch te karakteriseren. De stilistisch ontzettend diverse stroming – wat wil je ook met al die individualisten – incorporeert zowel de kunstenaar-revolutionairen als de vroege Bauhaus-kunstenaars van vlak na de alles ontwrichtende Eerste Wereldoorlog (op een moment dus dat maatschappelijke vernieuwing absolute noodzaak was geworden). In de tentoonstelling zijn hiervan respectievelijk rauwe affiches en duizelingwekkend ambitieuze architectuurschetsen en –foto’s opgenomen. Afgezien van deze expressionistische architecten ligt het raakvlak van veel expressionistische kunst – en eveneens van bijvoorbeeld Emil Nolde’s eerdere, heftige Die Tänzerin – met de utopie volgens mij simpelweg in de kracht van haar wezen, dus van de expressie. In een sterke verwoording van beschouwer Hendrik Marsman:

Het expressionisme was revolutionair (…) het was één felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld.

De woede en energie bevatten mogelijkerwijs de opmaat tot een utopisch programma. De expressionistische kunstenaars van 1918-1922 stippelden zelf geen pad uit naar een expressionistisch Utopia, maar schilderden en preekten wel voor het socialisme of anarchisme, afgewerkt met een expressionistische toets.

~

Dan nog de laatste expressionismevertakking, zelf ook weer rijk bebladerd: het in 1919 door Walter Gropius opgerichte Bauhaus, in latere jaren hét constructivistische nest, neigde in haar beginjaren sterk naar het expressionisme. Diezelfde Gropius had in deze periode met onder meer Bruno Taut de socialistisch geïnspireerde Arbeitsrat für Kunst opgericht. Bruno Taut zelf was een expressionistisch architect en voortrekker van de plannen voor de (inderdaad utopisch-expressionistische) revolutionaire glasbouw van Die Gläserne Kette. In 1919 – wat nogal een jaar geweest moet zijn – publiceerde Taut tekeningen voor ‘Alpine Architektur’, waarin hij een Alpentop ‘bekroont’ met gigantische glazen gebouwen. Voor de sceptici pende hij onderaan een berispend Goethecitaat neer: “Men verlangt zo zelden het onmogelijke van de mens.”

Doemvolle Heiland


Utopisch of niet, de expressionistische kunstenaars verliezen hun politieke illusies na de Eerste Wereldoorlog – bij sommigen wordt het er uitgeslagen door de Duitse rechtse vrijkorpsen – waarna de interbellaire nieuwe zakelijkheid intreedt. Het constructivisme zal het nog enkele jaren langer volhouden. Maar ook zij wordt bijvoorbeeld in Sovjet-Rusland al snel tot meer conformisme gedwongen. Opvallend wat dat betreft is de keuze van de omslag van zowel de catalogus als de verspreide affiches: daarop prijkt Malevich figuratieve ‘Twee mensen in een landschap’ (1931-32). Hier heeft Malevich – schilder van het iconische ‘Zwarte vierkant’ – inmiddels zijn nieuwe hemelsbestormende suprematisme afgezworen. Bovendien mag de gezichtloosheid van beide figuren opgevat worden als een verwijzing naar de onderdrukking van het individu in de Sovjet-Unie, en dus naar dystopische communistische elementen. Voor een tentoonstelling die de maffe ambitie en visionaire kracht van de utopie wil huldigen – dat neem ik tenminste zo maar aan – is het toch een opmerkelijke keuze om juist met dit impliciet voor utopieën waarschuwende schilderij de boer op te gaan.

Goed, genoeg gewikt. De variëteit van de tentoonstelling prikkelt. Er zijn meubels, melkkannetjes, houtsneden en dodenmaskers, filmstills (de catalogus bevat tevens een essay van Judit Boszan over expressionisme en constructivisme en de film) en verrassende foto’s van zowel ‘Ausdrückstanz’ als van theaterdecors. Er hangt schilderwerk van onder veel anderen Pechstein, Von Jawlensky – zie zijn doemvolle Heilandsgesicht: nemesis II – Wiegers, Meidner, Van der Leck, een sculptuur van Rudolf Belling en tevens een schilderij waarop de dandy een verrassend model is voor de nieuwe mens in de constructivistische utopie. En vermag ze de toeschouwer nog te bewegen? Die potentie heeft ze zeker, deze afwisselend mooie, visionaire, duizelingwekkend ambitieuze, ontwrichtende en grappige kunst.

Muziek / Album

Woestijnthriller

recensie: Grails - Black Tar Prophecies Vol’s 4, 5 & 6

Het Amerikaanse Grails heeft altijd in de schaduw van de allergrootsten binnen de postrock geopereerd. Toch weet de band al meer dan een decennium lang het ene goede album na het andere uit de grond te stampen. Het verzamelalbum Black Tar Prophecies Vol’s 4, 5 & 6 bewijst dat opnieuw.

~

Het album is (weinig verrassend) een bundeling van het vierde, vijfde en zesde deel uit de Black Tar Prophecies reeks. Alleen de drie nummers van het laatste deel verschenen nog niet eerder. Samen met de tracks van de andere delen worden deze door elkaar gehusseld om de gewenste spanningsboog te creëren. Het moet voor liefhebbers van de band reden genoeg zijn om de weg naar de dichtstbijzijnde platenzaak te vinden.

Hypnotiserend en bezwerend
Black Tar Prophecies Vol’s 4, 5 & 6 is geenszins een bij elkaar geraapt zootje, maar een sfeervol geheel. Songtitels als ‘I Want a New Drug’, ‘Self-Hypnosis’ en ‘New Drug II’ doen een hoog psychedelisch gehalte vermoeden en bij beluistering blijkt dit vermoeden juist te zijn. Dat de bandleden zich ook met andere projecten bezighouden die niets met postrock, maar alles met ambient, drone en folk te maken hebben, heeft duidelijk zijn weerslag op de muziek van  Grails. De invloeden uit deze genres zijn duidelijk te horen en geven het album inderdaad een hypnotiserende en bezwerende sfeer.

De kracht van Grails is de ingehouden stijl van spelen. Een stijl die ze onderscheidt van bekende postrockbands van wie de muziek vaak doordrenkt is van apocalyptisch doemdenken of heftige emoties. Grails werkt niet in ellenlange nummers naar oorverdovende klankerupties, maar weet in relatief korte nummers een onderhuidse spanning op te roepen die zijn weerga niet kent.

Griezelig
Het resultaat is een album dat aandoet als een soundtrack ter ondersteuning van een spannende psychologische thriller die zich midden in de woestijn afspeelt. Grails weet in ‘I Want a New Drug’, ‘Invitation to Ruin’ en ‘New Drug II’ met minimale middelen een bijna griezelige toon te creëren. Op nummers als ‘Wake Up Drill II’, ‘Pale Purple Blues’  en ‘Corridors of Power III’ wordt deze griezeligheid wat afgezwakt door een wat voller geluid dat de luisteraar meevoert in een heuse woestijnvibe, een vibe die echter nog steeds aardedonker is.

Het maakt dat de dertien nummers op Black Tar Prophecies Vol’s 4, 5 & 6, die veel van elkaar verschillen, wat betreft spanning toch een kloppend geheel vormen. Grails doet daarmee niets nieuws ten opzichte van hun eerdere werk, maar het zit allemaal zo goed in elkaar dat ook dit verzamelalbum de moeite waard is.  

Boeken / Fictie

‘Alleen nog kleur’

recensie: K. Schippers - Voor jou

Naar aanleiding van Schippers’ reis naar Brussel om daar met studenten workshops te volgen, ontstaat er bij hem een golf van herinneringen. Die lijken op het eerste gezicht niets met elkaar te maken te hebben, maar naarmate de verhalenbundel vordert, vervloeien ze met elkaar.

De inleiding van de bundel Voor jou leest als een dagboek: ‘nee, nog niet beginnen.’ Maar de gedachtestroom is niet te stoppen, en er ontstaan verhalen in verhalen. Tijdens een wandeling in Amsterdam-Zuid verscherpt Schippers zijn blik en zoomt in op kleinigheden, waarop hij verspringt naar de flarden aan verleden die erachter schuilgaan.

Tijdreis


Over de workshop wordt niets duidelijk, des te meer over wat Schippers’ steeds wisselende omgeving bij hem teweegbrengt: van Brussel keert hij in zijn geest terug naar Amsterdam, is dan weer in Barcelona of in een herinnering met zijn vrienden G. Brands en Bernlef. De volgorde van deze herinneringen is associatief; er zit geen chronologie in. Elk verhaal is een gedachte waarop Schippers geen controle lijkt uit te willen oefenen, die hij alleen onder woorden brengt.

Dat kenmerkt ook de stijl; deze is schetsmatig, van de hak op de tak, met observaties die niet voor de hand liggen, maar zeer relevant blijken in de loop van het verhaal. Bij het zien van het werk van Magritte mijmert Schippers over de artiest en zijn geschiedenis. Hij creëert een beeld van de tijdgeest, waar hij zich vervolgens mee identificeert. Zo schept hij verbanden tot in het heden.

Jongensboek


Te midden van het beschrijven van zijn reizen, komt tot Schippers het nieuws dat zijn twee vrienden G. Brands en Bernlef overleden zijn. Dit roept vlagen van vroeger op, de tijd dat ze samen het tijdschrift Barbarber maakten, de loze maar uiterst scherpe humor die ze deelden en waarvan ze de poëzie inzagen. Die lolligheid verhulde een lading die vooral voor hen voelbaar was, en die alleen zij, op hun eigen manier, konden vertalen in niets- en tegelijkertijd veelzeggende termen als ‘algemeen grijs’. Hoe kan een kleur algemeen zijn, en wat zegt dat over onze werkelijkheid?

De terugblikken op die tijd doen denken aan een jongensboek, gehuld in sepia en met om elke hoek een avontuur. Dit past perfect bij de ietwat naïeve maar intelligente stijl die doorsijpelt in elk verhaal. Schippers brengt als het ware een ode aan zijn vrienden en hun vindingrijkheid.

Kleurrijke echo
Het overkoepelende thema van Voor jou is het observeren van het alledaagse, ogenschijnlijk toevallige, en daar verwondering in vinden. Voetstappen kunnen bijvoorbeeld veel verraden, zo blijkt uit het ‘gestommel van verstopvoeten’. Kunst speel een belangrijke rol bij de verwondering, en het lukt Schippers uitstekend visuele kwaliteiten met woorden te verbeelden.

Daarnaast wordt de tekst af en toe met beelden aangevuld: kunstwerken, foto’s van kunstenaars en hun omgeving. Dit versterkt het gevoel dat je een inkijkje krijgt in de beleving van Schippers, die balanceert tussen het talige en het beeldende. In dit boek wordt het grensgebied tussen beide onderzocht, en Schippers doet dit visionair. Hij overbrugt de kloof tussen het lezen en het kijken, wat leidt tot een ervaring waarin zowel de geest als het gevoel geprikkeld wordt. Zoals K. Schippers het beschrijft: ‘Een echo is een afdruk in zwart-wit van een geluid in kleur.’ 

Film / Achtergrond
special: Good Vibrations

Punkbekering in Belfast

Je zou het misschien niet meer denken, maar punk was meer dan veiligheidsspelden en hanenkammen. Als stroming was het een energieke en agressieve wake-up call aan diegenen die zich buitengesloten voelden binnen de maatschappij. Een oprechte oproep om muziek te maken en eindelijk eens mee te doen. Wie daarover twijfelt zal er goed aan doen om de film Good Vibrations te zien, waar de punkbekering wordt getoond van de Noord-Ierse Terri Hooley.

~

Maar eerst wat voorgeschiedenis. Terri Hooley groeit op in het door sektarische geweld getergde Belfast.  De film opent met een jonge Terri die in zijn tuin luistert naar een plaat van countrylegende Hank Williams. I Saw The Light zingt Hank met zijn karakteristieke stem en overtuigingskracht. Een voorbode voor wat Terri zal meemaken. Terri heeft een grote passie voor muziek en wordt een DJ in een club die door de troubles voortdurend leegstaat. Ondanks de gure sfeer en de uitzichtloosheid van de situatie heeft Terri een aanstekelijk enthousiasme dat perfect overkomt in de vertolking van Richard Dormer. Een winnende combinatie van jongensachtige charme, relativerende humor en dromerig idealisme.

Muziek als redmiddel


Terri valt wel tussen de wal en het schip van het Noord-Ierse conflict. Hij wil niets te maken hebben met de kampen die zijn ontstaan en hij denkt dat muziek mensen kan verbinden. Hij komt daarom op het absurde idee om een platenzaak te openen in een winkelstraat die de bijnaam bomb alley heeft omdat er zoveel aanslagen worden gepleegd. Desondanks lukt het Terri om zijn platenzaak Good Vibrations te openen. Maar alles krijgt een andere wending als een brutale punker zijn zaak inloopt en vraagt naar de nieuwste single van de Buzzcocks en vertelt dat er weer optredens worden gegeven in Belfast.

Terri gaat naar een punkclub en raakt daar in de ban van de nieuwe muzikale stroming. Dit wordt prachtig gevangen in een scène waar hij de Noord-Ierse punkband Rudi ziet. Zij spelen het nummer Big Time You Ain’t No Friend Of Mine en de tekst sluit perfect aan bij het underdoggevoel dat Terri en het publiek hebben. In slowmotion wordt zijn bekering gefilmd en de tijd wordt genomen om het nummer te laten horen zodat je meegaat in de tekst en Terri’s emoties. Hij heeft het licht gezien en Hank Williams kijkt instemmend toe.

~

Good Vibrations behoudt een mooie balans tussen realisme en dromerigheid. Het gaat hier immers om een waargebeurd verhaal en een conflict dat je moeilijk kan bagatelliseren. Terri Hooley heeft in Belfast echt een platenzaak gehad en ging vervolgens platen uitbrengen van Noord-Ierse bands. Hij werd een punkprofeet die in de toerbus met zijn bands door de gevarenzones en militaire checkpoints reisde om het punkevangelie te verkondigen aan mensen die behoefte hadden aan een alternatief tegenover de problemen en het geweld. In de film wordt het getoond door middel van een montage van echte nieuws- en archiefbeelden door de fictieve delen heen.

Teenage Kicks


De film volgt uiteindelijk het kortdurende maar belangrijke succes van Terri’s label. Met The Undertones en het nummer Teenage Kicks zou Terri zijn belangrijkste muzikale wapenfeit behalen en zelfs de invloedrijke radio DJ John Peel bekeren die het nummer twee keer achter elkaar draaide op zijn radioshow. Good Vibrations heeft een fantastische soundtrack met nog veel onbekende punkparels zoals The Outcasts met Another Teenage Rebel en Stiff Little Fingers met Alternative Ulster. Het verhaal vormt een mooie aanvulling op de geschiedenis van de popmuziek en valt daarmee in het gezelschap van films zoals 24 Hour Party People, maar ook de docu’s Searching for Sugarman en Sound It Out.  

Bepaalde elementen van het verhaal kun je wel al van ver zien aankomen zoals de druk op de relatie tussen Terri en zijn vrouw. Rock & Roll en familie vormen nu eenmaal geen goed huwelijk. Maar afgezien van wat voorspelbare segmenten, weet de film je toch mee te nemen in Terri´s droom. Een droom die wel is gegrond in een bittere realiteit. Het maakt van Good Vibrations een film die je gezien moet hebben, al is het maar om enthousiast te worden van de kracht die muziek keer op keer kan hebben om mensen tot in het diepste van hun ziel te raken.

Muziek / Concert

Als een warm bad

recensie: Gregory Porter

Gespannen wacht het publiek in de grote zaal van een bijna uitverkocht Concertgebouw de komst van het fenomeen Porter af. Iets na kwart over acht daalt hij de trap naar het podium af, gekleed in smetteloos wit colbert en dito gilet en natuurlijk zijn zwarte muts.

Een luid applaus valt hem en zijn begeleiders ten deel. Sinds het uitbrengen van zijn derde cd, Liquid Spirit, is de bekendheid van Porter fors toegenomen. Speelde hij tot voor kort nog in kleine gelegenheden, tegenwoordig zijn de grotere podia zijn speelterrein. De band, onder leiding van pianist Chip Crawford op piano, zet ‘Painted On Canvas’ in. Het geluid van drums en bas lijkt de zang te overstemmen en ook de saxsolo van Yosuke Satoh klinkt ver weg.

Zang en sax

~

Porter heet iedereen welkom en vertelt dat het een eer is om in Amsterdam te spelen. Lange tijd speelde hij in zaaltjes die niet groter waren dan zijn kleedkamer in het Concertgebouw. Vervolgens wordt ‘On My Way To Harlem’ uitgevoerd van zijn vorige cd Be Good. Gelukkig klinkt het geheel inmiddels beter. Wanneer de band ingetogen speelt, is zijn prachtige stem goed te horen, vooral wanneer hij iets verder van de microfoon staat. De warme klank die we kennen van zijn cd’s, is dan ook in de zaal hoorbaar. Ook nu is er weer een geweldige saxsolo.

Dit zal het patroon van de avond worden: de eerste klanken van de piano gevolgd door bas en drum. Dan het zingen van Porter waarna Satoh de sterren van de hemel blaast. Bij sommige nummers vraagt Porter om medewerking van de zaal: er wordt geklapt en zelfs meegezongen’, zoals bij ‘No Love Dying’.

Na de titelsong van zijn laatste cd zingt hij de prachtige ballad ‘Skylark’, geschreven door Johnny Mercer en Hoagy Carmichael. Heel subtiel is de pianobegeleiding. Met het uptempo nummer ‘Work Song’ van Nat Adderley wordt de set voor de pauze afgesloten. Door het spel van piano, bas en drums lijkt het alsof je het bikken van de stenen door de chaingang in werkelijkheid hoort. Ook dit nummer zingt Porter vol overgave.

Gospel
Na de pauze komen alleen Porter en Crawford naar beneden om het ingetogen en gevoelige ‘Imitation Of Life’ te spelen. De hele band, met verder Aaron James op bas en Emanuel Harrold op drums, gaat door met ‘Mother’s Song’, ‘Be Good’ en twee nummers van Liquid Spirit, ‘Free’ en ‘Hey Laura’. Bijzonder is de uitvoering van ‘Children, Your Line Is Dragging’ uit de Broadway productie It Ain’t Nothin’ But The Blues, een echte gospelsong, ondersteund door uitbundig geklap van het publiek.

Het concert wordt afgesloten met ‘Real Good Hands’ en een nummer van zijn eerste cd Water, ‘1960 What’. Na een ovationeel applaus speelt de band als toegift ‘The Way You Want To Live’, waarna Porter swingend de trap op verdwijnt. Het dankbaar publiek had een fantastische avond. Toch is dit soort zalen wellicht te groot voor Porter; je mist de intimiteit van met name zijn laatste cd. Zijn prachtige stem komt beter tot zijn recht in kleinere zalen en met minder microfoonversterking.

Boeken / Fictie

Het huis herbergt een ziel

recensie: José Saramago (vert. Maartje de Kort) - Bovenlicht

In een huis in Lissabon raken de levens van de verschillende bewoners verweven, zonder dat Saramago conclusies voor de lezer trekt. De betekenis van zijn compositie is even open als de klare stijl.

Bovenlicht is de eerste roman van Saramago. De Nobelprijswinnaar schreef het boek toen hij dertig was, en sindsdien is de tekst verloren gewaand. Het is teruggevonden en postuum toch gepubliceerd. Terecht, want zoals Saramago’s weduwe Pilar del Rio al zei: ‘Bovenlicht is de poort naar al zijn werk.’  

Parade
Alle personages worden voorgesteld in aparte hoofdstukken, die sterke karakterschetsen vormen. De bewoners lijken normale mensen, en elk van hen heeft iets persoonlijks te melden. Saramago weet dit subtiel over te brengen, hij vergroot niets uit, maar bouwt zorgvuldig een band op met elk personage. Dit is een voordeel van het lage tempo dat Saramago toepast, met uitgewerkte dialogen waarin elk karakter uit de verf komt.

Zo zijn er de schoenmaker Silvestre en zijn hartelijke vrouw Maríana, die een kamer verhuren aan de geheimzinnige, zoekende Abel. Isaura belichaamt de eenzaamheid, terwijl verlies wordt vertegenwoordigd door de rouwende Justina. Weer anderen kijken vooruit naar het leven dat ze willen opbouwen, of zitten gevangen in het heden. En allemaal hebben ze zo hun twijfels over het gezelschap van vier dames dat samenwoont op de hoogste verdieping.

Langzaam, iets te langzaam, worden de verbanden duidelijk. Hierdoor voelt de roman tot vlak voor het einde enigszins koersloos. Het is jammer dat de verhaallijnen als los zand blijven aanvoelen. De personages leven langs elkaar heen, met als uitzondering een verhouding die ontstaat tussen twee van hen, en het treffen van Silvestre en Abel. Saramago lijkt iets op te willen bouwen met alle verschillende verhaallijnen, maar ze komen nooit bij elkaar.

Zonder pretenties


De stijl sluit aan bij het realisme waar Saramago zich op richtte aan het begin van zijn schrijverschap, zoals ook wordt bevestigd in een nawoord. Die stijl is zonder poespas, soms wat nietszeggend. Het lijkt te gaan over wat er gezegd wordt, en niet hoe. Hoewel het ontbreken van deze esthetische factor wat teleurstellend is, roept deze wijze van verwoorden een zekere transparantie op. Dat sluit mooi aan bij een verhaal over echte mensen.

Met een filosofisch gesprek wordt het verhaal tot een bevredigende conclusie gebracht, waarin een thema wordt aangekaart dat tegelijkertijd op elk personage van toepassing is: de lichtheid van het bestaan en het vullen daarvan met liefde. Want ‘al wat niet gebouwd is op liefde zal haat voortbrengen’.  

Muziek / Album

De Followills zijn terug

recensie: Kings of Leon - Mechanical Bull (Deluxe Version)

Een pauze inlassen: dat zouden meerdere bands moeten doen. Bij de mannen van Kings of Leon heeft deze stop een goede uitwerking gehad. Hun nieuwe cd Mechanical Bull is bijna net zo sterk als die uit hun begintijd: Because of the Times.

~

De hoop was al een beetje opgegeven; na het succes van Because of the Times (voor velen het vakantie anthem-album van 2007) was het de jongemannen van Kings of Leon een beetje naar hun hoofd gestegen. Hits als ‘Sex on Fire’ en ‘Use Somebody’ deden het in 2008 prima, maar hadden niet meer die alternatieve sound van het jaar daarvoor. Natuurlijk is geld belangrijk in de muziekwereld en dus probeerde de band met goed in het gehoor liggende rock de wereld te veroveren. Het is niet raar dat dit niet is gelukt. Come Around Sundown uit 2010 was niet veel soeps en leek absoluut niet op de Kings of Leon van het begin. Waarschijnlijk realiseerden ze zich dit zelf ook (plus de portemonnee werd niet gevuld) en besloten ze een pauze te nemen.

Raggende gitaren
Iets beters hadden ze niet kunnen doen: Mechanical Bull is met dertien nummers een uiterst verrassende en diverse plaat geworden. Opener en hitje ‘Supersoaker’ doet weer denken aan de zomer van 2007 en heeft die lekkere rocksound die bij de band hoort. Het opzwepende refrein en de rauwe stem van zanger Caleb Followil smelten perfect samen. ‘Supersoaker‘ klinkt bekend in de oren en is kwalitatief goed, net als ‘Temple’, ‘Tonight’ en ‘Comeback Story’. Stuk voor stuk typische Kings of Leon nummers met flinke uithalen van Caleb, mooie gitaarlijnen en verslavende refreinen. De band heeft een formule gevonden die wel werkt.

‘Don’t Matter’ is één van die good old hardere nummers met raggende gitaren. Ook is er ruimte voor wat meer kalme jaren ’70 desertrock, zoals het toegankelijke ‘Beautiful War’. Hoewel dit lied niet heel spannend is, leidt het uiteindelijk  – door het instrumentale tussenstuk met een gitaarsolo –  toch naar een muzikale climax. Een van de meest opvallende nummers is het funky en zomerse ‘Family Tree’, met een verrassend dansbaar refrein. Het is geen hard rocknummer, maar op deze cd is het niet misplaatst. Het is wederom een song waar het talent en de diversiteit van de mannen goed te horen is en, vanwege de frisse beat, zijn de live-verwachtingen ervan hooggespannen.

Diversiteit werpt vruchten af
Naast boogiewoogie en nummers met scheurende gitaren is er in ‘Wait for Me’ plek voor rustig gitaarwerk en zoete liefdeslyriek. Ook hiermee komen ze weg want het is een prachtig nummer, misschien wel een van de mooiste van Mechanical Bull. Ook ‘On the Chin’ is een prima ballad, net iets minder sterk dan het opzwepende en gevoelige ‘Wait for Me’, maar het heeft zeker hitpotentie.

Er staan weinig nummers op Mechanical Bull die vervelen. Kings of Leon heeft een goede balans gevonden tussen rustige nummers en harder werk. Het lijkt of ze sinds tijden weer hebben besloten tot het maken van een goede cd, in plaats van slechts te denken aan hun bankrekening en wat het publiek wil. Mechanical Bull is niet vernieuwend en dat is, na een paar geflopte releases, precies wat er zo sterk aan is.