Tag Archief van: landscape

Muziek / Album

Twee juweeltjes

recensie: Josh Ritter - Golden Age of Radio/The Animal Years

Hij was boos toen hij dit album maakte, vertelt de Amerikaanse Josh Ritter in een interview. Of ja, zelf voelde hij zich prima, maar er kwamen alleen maar boze liedjes uit zijn handen. En als hij iets niet wilde, was het een boze plaat maken. Hij besloot het te laten en de liedjes te maken die als natuurlijk kwamen. En dat is te horen op The Animal Years. Hij klinkt vooral als Josh Ritter, een singer-songwriter met een eigen geluid. Ritter lijkt niet boos, maar melancholisch des te meer. Onmiskenbaar een stem die hij al had op Golden Age of Radio, zijn eerste plaat die pas net hier in Nederland is uitgebracht.

~

Golden Age of Radio nam hij in eigen beheer op in 2000 en hij verkocht de cd’s zelf tijdens zijn concerten. In 2002 pikte het Amerikaanse Signature Sounds de plaat op en besloot deze uit te brengen. Op dit debuut gaan gelijkenissen met Bob Dylan en Nick Drake gemakkelijk op en leunt zijn stijl nog het meest tegen folk aan. Ritter is een man met een gitaar en een verhaal, die wil vertellen en muziek wil maken tegen de klippen op. Met The Animal Years gaat het gevoel meer richting Bruce Springsteen, al vind ik dat een erg uitgemolken vergelijking. Ritter klinkt als Ritter, gelukkig wel.

Groei


In vergelijking met Golden Age of Radio is te horen dat op The Animal Years Ritters stijl veel meer is uitgekristalliseerd. De sound is nu voller en minder sober dan op zijn voorgaande platen. Hij maakt meer gebruik van andersoortige instrumenten en klanken dan alleen gitaar, bas en drum. We horen hier en daar een xylofoon, een koortje, elektronische klanken en de piano krijgt een grotere rol toebedeeld dan op zijn voorgaande platen. Allemaal ten goede. Dit album is van het begin tot het eind af. De passie spat in het rond, grijpt je bij de strot en creëert een intens gevoel dat ik al jaren niet meer gehoord heb bij een singer-songwriter die voorheen voornamelijk uit het vaatje folk en americana tapte.

Recht uit het hart

Ritter is dus gegroeid, zijn eerste en laatste album vergelijkend. En dat maakt Golden Age of Radio zeker geen mindere plaat, maar een andere. Met onmiskenbaar Ritter aan het roer, maar veel meer doorspekt met eenvoud dan The Animal Years. Wat een juweeltjes, deze albums.
Liedjes die recht je hart in stevenen, die je steeds weer opnieuw wilt horen. Zoals Lawrence, KS op Golden Age of Radio, waar Ritter knarsend zingt “Trying to leave my state of mind/Trying to leave this awful sadness/But I can’t leave this world behind.”
Om maar niet te spreken over de schoonheid van Good Man op The Animal Years. Wie dit nummer niet mooi vindt heeft geen hart, besloot ik na de zoveelste draaibeurt. Of het politiek geëngageerde Girl in the War, waarin hij zonder partij te kiezen de radeloosheid van deze tijd verbeeldt.

Authentiek

Uiteindelijk ligt mijn hart het meest bij The Animal Years, want wat een bijzondere plaat. Een album vol liedjes waarbij het je verbaast dat ze pas net gemaakt zijn. Authentiek, alsof de wereld wachtte tot er eindelijk iemand zou zijn die ze zou schrijven.

Muziek / Album

Twee juweeltjes

recensie: Josh Ritter - Golden Age of Radio/The Animal Years

Hij was boos toen hij dit album maakte, vertelt de Amerikaanse Josh Ritter in een interview. Of ja, zelf voelde hij zich prima, maar er kwamen alleen maar boze liedjes uit zijn handen. En als hij iets niet wilde, was het een boze plaat maken. Hij besloot het te laten en de liedjes te maken die als natuurlijk kwamen. En dat is te horen op The Animal Years. Hij klinkt vooral als Josh Ritter, een singer-songwriter met een eigen geluid. Ritter lijkt niet boos, maar melancholisch des te meer. Onmiskenbaar een stem die hij al had op Golden Age of Radio, zijn eerste plaat die pas net hier in Nederland is uitgebracht.

~

Golden Age of Radio nam hij in eigen beheer op in 2000 en hij verkocht de cd’s zelf tijdens zijn concerten. In 2002 pikte het Amerikaanse Signature Sounds de plaat op en besloot deze uit te brengen. Op dit debuut gaan gelijkenissen met Bob Dylan en Nick Drake gemakkelijk op en leunt zijn stijl nog het meest tegen folk aan. Ritter is een man met een gitaar en een verhaal, die wil vertellen en muziek wil maken tegen de klippen op. Met The Animal Years gaat het gevoel meer richting Bruce Springsteen, al vind ik dat een erg uitgemolken vergelijking. Ritter klinkt als Ritter, gelukkig wel.

Groei


In vergelijking met Golden Age of Radio is te horen dat op The Animal Years Ritters stijl veel meer is uitgekristalliseerd. De sound is nu voller en minder sober dan op zijn voorgaande platen. Hij maakt meer gebruik van andersoortige instrumenten en klanken dan alleen gitaar, bas en drum. We horen hier en daar een xylofoon, een koortje, elektronische klanken en de piano krijgt een grotere rol toebedeeld dan op zijn voorgaande platen. Allemaal ten goede. Dit album is van het begin tot het eind af. De passie spat in het rond, grijpt je bij de strot en creëert een intens gevoel dat ik al jaren niet meer gehoord heb bij een singer-songwriter die voorheen voornamelijk uit het vaatje folk en americana tapte.

Recht uit het hart

Ritter is dus gegroeid, zijn eerste en laatste album vergelijkend. En dat maakt Golden Age of Radio zeker geen mindere plaat, maar een andere. Met onmiskenbaar Ritter aan het roer, maar veel meer doorspekt met eenvoud dan The Animal Years. Wat een juweeltjes, deze albums.
Liedjes die recht je hart in stevenen, die je steeds weer opnieuw wilt horen. Zoals Lawrence, KS op Golden Age of Radio, waar Ritter knarsend zingt “Trying to leave my state of mind/Trying to leave this awful sadness/But I can’t leave this world behind.”
Om maar niet te spreken over de schoonheid van Good Man op The Animal Years. Wie dit nummer niet mooi vindt heeft geen hart, besloot ik na de zoveelste draaibeurt. Of het politiek geëngageerde Girl in the War, waarin hij zonder partij te kiezen de radeloosheid van deze tijd verbeeldt.

Authentiek

Uiteindelijk ligt mijn hart het meest bij The Animal Years, want wat een bijzondere plaat. Een album vol liedjes waarbij het je verbaast dat ze pas net gemaakt zijn. Authentiek, alsof de wereld wachtte tot er eindelijk iemand zou zijn die ze zou schrijven.

Film / Films
recensie: Oliver Twist

Kennen we niet allemaal het verhaal van Oliver Twist, Charles Dickens’ weesjongetje dat na een leven vol afwijzing, honger en zakkenrollerij uit de onderwereld van Londen wordt geplukt en zijn verdiende geluk vindt? Ja, dat komt ons bekend voor, evenals de laatste verfilming van Dickens’ verhaal: Oliver Twist van regisseur Roman Polanski. Voor wie de klassieker Oliver! heeft gezien zijn de gelijkenissen met deze musical (Carol Reed, 1968) zo treffend, dat een vergelijking vrijwel onvermijdelijk is.

~

Had Polanski zijn decor en acteurs nou niet zo gespiegeld aan die van Oliver!, (zowel Oliver, gespeeld door Barney Clark, als Fagin, gespeeld door Ben Kingsly, lijken gecast naar hun voorgangers in de musical), dan had hij zich zijn versie nog kunnen toe-eigenen. Maar nu komt zijn film over als een exacte kopie, echter zonder feelgood-happy ending en – misschien nog teleurstellender – zonder de liedjes: meer dan eens verwacht je, Oliver! gezien hebbende, dat de personages plotseling hun ruggen rechten om een synchrone dans aan te vangen, of zwaaiend aan decorstukken in meerstemmig gezang uitbarsten.

Plat

Dit is wellicht het moment om de zwakte van Polanski’s film aan te stippen. De liedjes in Oliver! weten verlichting te brengen daar waar het kinderleed te zwaar wordt (Food, Glorious Food), en diepgang te brengen daar waar het verhaal er om vraagt. Nu maakte Polanski natuurlijk geen musical, maar zijn verfilming blijft plat. Neem als voorbeeld de gebeurtenissen rondom de karakters Nancy en Bill Sykes. In Polanski’s versie blijft de essentie van hun relatie obscuur, waardoor het niet te begrijpen is waarom Nancy de schurk Sykes tot aan haar dood trouw blijft. Maar als zij in Oliver! het nummer As Long As He Needs Me zingt, krijgen we een idee van haar verscheurde karakter, en haar beweegredenen om bij hem te blijven.

Essentie ontbreekt

~

Polanski heeft overigens wel meer onderbelicht, of zelfs weggelaten. Een essentiEe verhaallijn ontbreekt: hij heeft Oliver totaal ‘wortelloos’ gelaten. Terwijl Dickens, als het verhaal op zijn einde loopt, de geschiedenis van Olivers ouders onthult en deze nota bene koppelt aan de man die zich uiteindelijk over Oliver ontfermt – de rijke Mr. Brownlow, die een goede vriend van Olivers eveneens rijke vader geweest blijkt te zijngeweest. Naar mijn idee heeft Polanski hier het cruciale plot verzwegen. Misschien mag voorzichtig geopperd worden dat Polanski Oliver dichter bij zichzelf heeft willen houden (hij werd in de Tweede Wereldoorlog als joods jongetje van zijn ouders gescheiden), of dat hij deze ontknoping te achterhaald en wellicht elitair heeft gevonden (de jongen krijgt wat hij verdient vanwege zijn afkomst, niet vanwege zijn goede hart) – maar het is een raadsel waarom hij Mr. Brownlow dan laat zeggen: “There’s something in him, it touches my heart. I can’t explain it“. In het boek wordt deze uitspraak volkomen begrijpelijk, wanneer blijkt dat een schilderij van Olivers moeder jarenlang bij Mr. Brownlow aan de muur heeft gehangen.

Kortom: voor wie het boek niet gelezen heeft en de voorgangers niet gezien heeft, is Polanski’s Oliver Twist een vermakelijke, ietwat donkere kinderfilm. Maar na een vergelijking met de voorgaande meesterwerken moet Polanski het toch echt afleggen. Tot slot nog een klein woord van affectie over Barney Clark, die Oliver speelt. Hij ontroert zowel in de film als daarbuiten: in de enige extra op deze uitgave (een featurette van vijf minuten) leest hij voor uit zijn dagboek, en vertelt hij over zijn ervaringen op de set. Even was Mark Lester (de Oliver uit 1968) vergeten.

Boeken

Het raadsel Tim Burton

recensie: Twee boeken over Tim Burton: Interviews / The Films of Tim Burton

“Heeft Tim Burton Corpse Bride geregisseerd?” vroeg mijn zusje toen ze de dvd naast de televisie ontdekte. “Nee,” zei ik, “hij heeft de voorbeelden voor de poppetjes getekend.” Ze was niet onder de indruk. “Waarom noemen ze het dan Tim Burton’s Corpse Bride, als anderen het werk doen?” Het antwoord is simpel. Tim Burton is de status van regisseur ontstegen, hij is een merk.

Zijn naam roept visioenen op van tedere griezelsprookjes en gevoelige skeletten. Niet direct standaard Hollywood-materiaal, zou mijn zusje zeggen. Tim Burton is dan ook, naast een merk, een fenomeen: de stille weirdo wiens liefdevolle begrip voor griezels de wereld veroverde.

~

De man in de woorden van de journalist

Afgelopen jaar verschenen er twee boeken over Tim Burton, die op twee totaal verschillende manieren trachten een blik te werpen op de man en zijn films. Het eerste komt uit de serie Conversations with Filmmakers en werd samengesteld door Kristian Fraga onder de kernachtige titel: Tim Burton: Interviews. Hierin zijn, naast een chronologie van zijn leven, een filmografie en een licht biografisch, semi-analytische inleiding, alle grote interviews sinds Burtons eerste blockbuster (Beetlejuice) verzameld. Daarvoor heeft hij weliswaar Pee-Wee’s Big Adventure geregisseerd, maar dat was zo’n verrassingshit dat er in filmtijdschriftenland geen grote interviews meer aan gewijd konden worden.

Het zijn boeiende gesprekken, vlot geschreven, ondanks de uitgebreide waarschuwingen in de inleiding (“an individual, so famous for being inarticulate”), die in de introductie van elk interview herhaald worden (“Tim Burton, vague in the extreme and honestly confused. Today even more so than usual”). De journalisten weten aan de gesloten Tim Burton toch in kleine brokjes zijn visie op films en filmmaken te ontlokken. Zo ontstaat een complex beeld van de filmmaker, die tegelijkertijd teruggetrokken, dankbaar en dictatoriaal is, compromisloos in het bereiken van zijn visie maar uiterst kwetsbaar bij de presentatie. Tim Burton legt in elke film zijn ziel op tafel:

That’s why you struggle as a child and you draw and you try and you want to create. There is an impulse to be seen. For yourself: what you are. It’s always scary for me to show movies. I actually hate it; I feel very, very vulnerable. Because if you weren’t a verbal person, you weren’t this and that, you wanna let that be the thing people see you through.

De man in de woorden van de wetenschapper

Het tweede boek neemt dan ook Tim Burtons films als uitgangspunt. In The Films of Tim Burton: Animating Live Action in Hollywood wordt door Alison McMahan niet de man maar zijn werk onder de loep gelegd. Zij gaat echter niet op zoek naar de ziel van Burton (altijd een heikele zaak) maar geeft een wetenschappelijke en diepgaande analyse van zijn werk.

~

Het idee kwam van de uitgever van haar dissertatie over een Franse regisseuse uit het tijdperk van de stomme film. McMahan schrijft in de inleiding: “It did not take me long to decide not only could I spend several years of my life on Burton, it would be fun. (…) With Burton I looked forward to an easier experience.” Desondanks heeft McMahan het zichzelf niet makkelijk gemaakt in haar boek. Na een jaar van intense studie kwam ze erachter dat Tim Burton niet in te passen viel in de bestaande wetenschappelijke kaders voor populaire film: “I finally realized that, when it came to Burton and others like him (…), I needed to come up with a new genre term, as the old ones have metamorphosed, recombined, and grown into something that the old names can no longer adequately describe.” Dit is het genre van ‘patafysisch’.

Dit is ook waar het boek werkelijk ingewikkeld wordt. McMahan gebruikt de films van Tim Burton om te beargumenteren dat niet de speelfilm maar de animatie de grondlegger van onze hedendaagse cinema is en dat, dus, niet animatie maar speelfilm een subgenre is. Patafysische films zijn volgens haar speelfilms die opereren binnen de conventies van de animatie, dat wil zeggen, speelfilms die niet meer proberen ‘het zo echt mogelijk te laten lijken’. Dit wordt bereikt door twee-dimensionale plots en karakters, overduidelijke special effects, een alternatieve interne logica en het belachelijk maken van algemeen geaccepteerde (veelal natuurwetenschappelijke) logica.

Ik kan me voorstellen dat dit binnen de filmwetenschappelijke wereld een spannend boek is. McMahan stelt een heel nieuwe classificatiesysteem voor en gooit bovendien de traditionele manier waarop naar film wordt gekeken overhoop. Voor mij als liefhebber en Tim Burton-bewonderaar was het eigenlijk een beetje saai. Burton en zijn films zijn duidelijk ondergeschikt aan McMahan’s agenda en McMahan’s agenda bestaat uit het plakken (en verschuiven) van etiketjes op bestaande producten. Het draagt niet bij aan mijn kijkplezier. Daarbij is de hoeveelheid veronderstelde voorkennis, zelfs voor een wetenschappelijk werk, groot en de tekst taai.

Tim Burton is een man, een merk, een fenomeen en een raadsel. Deze twee boeken lossen het raadsel niet op, maar geven, elk op hun eigen manier (en met wisselend succes) extra puzzelstukjes. De oplossing is even simpel als aangenaam: veel en vaak Tim Burton films kijken.

The films of Tim Burton. Animating live action in Hollywood • Alison McMahan • Uitgever: Continuum • Prijs: $19.95 • 262 bladzijden • ISBN 0-82641566

Tim Burton. Interviews • Kristian Fraga, ed.• Uitgever: University Press of Mississipi • Prijs: $20,00 • 192 bladzijden • ISBN 1-57806-759-6

Boeken / Fictie

Een veelbelovende jongeman

recensie: Willem Frederik Hermans - Volledige Werken deel 7

Met het zevende deel van WFH’s verzamelde werk zijn we aanbeland bij de verhalen en novellen, te beginnen met het trio vroege bundels Moedwil en misverstand, Paranoia en Een landingspoging op Newfoundland – alledrie naar de laatst verschenen edities. Hermans wijzigde namelijk nog al eens wat bij herdrukken, voegde soms hele verhalen toe maar liet die net zo makkelijk weer vervallen. Dat staat allemaal weer beschreven in een uitgebreide verantwoording bij dit deel.

De gemiddelde lezer zal het in deze moeilijke tijden wellicht ontgaan, maar wijlen Willem Frederik Hermans was een groot schrijver. Niet de grootste die we ooit hebben gehad en zelfs niet de op één na grootste. Hij zal ergens op plaats vijf of zes komen, wat toch nog een hele prestatie is, daarover geen misverstand.
Meermalen heeft Hermans lopen roepen dat hij eigenlijk een verhalenschrijver was. Daar is iets voor te zeggen, al neig ik zelf tot de opvatting dat hij voor alles een teveelschrijver was, wiens oeuvre bij herlezing wordt ontsierd door enorme missers – de roman Au Pair voorop – die het zicht belemmeren op de werkelijk grote literatuur waartoe hij ook in staat was, met aan de top naast een handvol verhalen en polemieken zijn Donkere kamer van Damocles.

~

Een aantal van die verhalen schreef hij helemaal aan het begin van zijn carrière, in de oorlog nota bene, al zou je dat niet zeggen bij lezing van de misser waar het opnieuw vriendelijk geprijsde nieuwe deel van de Volledige Werken mee opent. Een ontvoogding is een bizar slechte fantasie die zich in Arabië moet afspelen en die nog het meest doet denken aan de verhalen van Slauerhoff. Gelukkig herpakt Hermans zich rap en krijgen we een hele voorraad prachtliteratuur voor de kiezen. Het bekendste zal Het behouden huis zijn, dat een aantal zelfstandige drukken beleefde en tijdenlang populair was onder middelbare scholieren, toen die nog echte boeken moesten lezen en niet zo weinig ook. In deze korte novelle passeert veel van wat Hermans bijzonder maakt de revue: zijn peilloze cynisme, en ook de voorliefde voor het bizarre en het wrede. Dat alles aangewakkerd door een voorkeur voor het surrealisme, een kunstzinnige stroming die voor de vorige oorlog in sommige intellectuele kringen opgeld deed en zich richtte op het weergeven van wat zich afspeelt in het pas ontdekte onbewuste van de mens.

Excelleren

Hermans excelleert in deze verhalen in het aannemelijk maken van de onnavolgbaarste wendingen, maar toont zich ook een groot psychologisch talent, dat met zijn fijnste lancet de weerzinwekkendste en toch ook weer diep menselijke aberraties blootlegt. Dat die laatste in ieder geval gedeeltelijk voortspruiten uit de persoonlijke omstandigheden van de schrijver, is met wat we weten van diens biografie geen al te boude veronderstelling. In de verhalen komen opvallend veel veelbelovende jongelieden voor, die gefnuikt door de omstandigheden op een weinig grootse wijze ten onder gaan aan het leven. Hij noemde zelfs een heel verhaal naar deze soort: een hilarisch – want Hermans was ook een humorist van formaat – verslag van de werdegang die een mislukte dichter ondergaat.

Hermans beschrijft niet alleen met een Nabokoviaans plezier in details de over elkaar struikelende tegenslagen, maar haalt in een terzijde dat weinig met de plot van doen heeft en passant nog even genadeloos uit naar de literaire wereld, waar hij met frisse tegenzin in rondspartelde. Vooral de zelfbenoemde geestelijke erfgenamen van Forum moeten het ontgelden.

De verhalen in dit zevende deel bevatten thema’s en motieven die we ook terugvinden in romans als Nooit meer slapen en de al genoemde Donkere kamer, waarvan het titelverhaal van Paranoia een voorstudie lijkt (man ziet portret van gezochte SS-man en gelooft dat hij het was: een spel met identiteiten waar Hermans patent op had).

Het verschijningsschema van de Volledige Werken is al bekend en we krijgen nog heel wat fraais, maar met dit deel is inmiddels al een voorlopig hoogtepunt bereikt, wat fijn is voor projectleider Annemarie Kets – inderdaad dezelfde die indertijd door Hermans aan stukken werd gereten uit onvrede over haar bezorging van de Havelaar. Een subtiel detail dat in al zijn uitzichtloze verschrikking zo in een verhaal van Hermans had gekund.

Film / Films

De wereld uit toeristenfolders

recensie: The World (Shi jie)

De wereld in The World (Shi jie) verwijst niet naar de ‘echte’ wereld, maar naar een themapark met die naam in de Chinese hoofdstad Peking. Daar is de wereld nagebootst, of eigenlijk het deel waarvan we de afbeeldingen steeds weer zien terugkomen in toeristenfolders en reisgidsen – de Eiffeltoren staat er, de Taj Mahal, en de Twin Towers, door geen van de vliegtuigen op 11 september 2001 gevonden. Chinezen die niet de mogelijkheid hebben om al deze culturele attracties in de werkelijkheid te bekijken, bezoeken het park en doen dan net alsof ze een wereldreis hebben gemaakt. Je kunt je er laten filmen op een vliegend tapijt, tegen de achtergrond van de beroemdste gebouwen.

Regisseur Zhangke Jia koos het themapark niet zonder reden als decor voor zijn vierde film (na Xiao Wu, Platform en Unknown Pleasures). Het park is, als simulatie van de hoogtepunten van de wereld, een verbeelding van het verlangen van een meerderheid van de Chinezen die we in de film tegenkomen. En tegelijkertijd van de bittere werkelijkheid: want hier houdt de wereld op voor hen. De hoofdpersonen van The World – voor het merendeel werknemers van het park – zouden wel weg willen uit Peking, zoals ze eerder het arme Chinese platteland verlieten. Maar ze hebben niet het geld om naar het buitenland te gaan; daarnaast is het in China nog altijd vrijwel onmogelijk om aan een paspoort te komen.

Mooie kleren en mobiele telefoons


~

Jia goot The World in de vorm van een mozaïekdrama, waarin de levens van verschillende personages allemaal op de één of andere manier in elkaar grijpen. Wel koos hij hierbij één centraal karakter, over wier schouder we het vaakst meekijken: Tao, een danseres in het themapark. Zij weigert tussen haar roosters door te slapen met haar opdringerige vriendje (tevens collega). De onuitgesproken reden lijkt te zijn dat het koppel geen comfortabele slaapplaats heeft.

In symbolische zin staat het themapark voor de westerse consumentencultuur, die de hoofdpersonen met de toppen van hun vingers mogen aanraken. Wat dat aangaat hebben ze het beter dan de figuren uit documentaires die recent op het IDFA te zien waren, zoals The Concrete Revolution van Xiaolu Guo en China Bluevan Micha Peled. Zij werkten in de bouw en werden behandeld als beesten: een hongerloon, lange werkdagen en plaggenhutten om in te slapen. De werknemers van het World Park delen een kamer, maar hebben er ten minste één, en zijn in het bezit van een mobiele telefoon en mooie kleren. Ze doen mee aan de moderne wereld of hebben in ieder geval die illusie, en durven te dromen van meer.

Bittere boodschap


~

In feite maakt dat hen des te tragischer. Want ze hebben niet dezelfde levensstandaard als westerlingen. Om dit te onderstrepen, smokkelt Jia de harde werkelijkheid steeds sterker zijn film binnen. Russische danseressen belanden na een korte werkperiode in het themapark in de prostitutie; een jongeman komt om door een ongeluk in de bouw. Foute mannen proberen Tao te verleiden met diamanten en gratis reisjes. Uiteindelijk loopt het met Tao en haar vriendje dan ook slecht af.

Dat is wrang, en de boodschap lijkt bitter: hoe mooi dromen ook zijn, uiteindelijk haalt de realiteit ze in. Toch is Jia geen echte zwartkijker. Hij laat zien dat het juist die verlangens naar liefde, vrijheid en rijkdom zijn die, hoe onrealistisch ook, de personages op de been houden. Zo filmt hij het binnenkomen van sms-berichten steevast in mooie, kleurrijke animaties, alsof ze een onderbreking zijn van de dagelijkse sleur. En er zitten ook veel oprecht vrolijke dingen in zijn film, zoals de bruiloft van twee van Tao’s collega’s en de vriendschap tussen Tao en één van de Russische vrouwen. Het leven is nu eenmaal niet alleen maar kommer en kwel, lijkt Jia te willen zeggen. Die relativering maakt The World tot een film van een mild gestemde pessimist.

The World draait momenteel in Filmtheater Lumière in Maastricht.

Muziek / Album

Nog niet om

recensie: The Sheer - Feel the Need

.

In vergelijking met The Keyword is Excitement! treedt toetsenist Jasper Geluk dit keer iets meer op de voorgrond: wat mij betreft een zegen. Het geeft de gitaargeorienteerde poprock vaak net eventjes dat kleine beetje extra. Verder klinkt The Sheer natuurlijk nog steeds zo Brits als Margaret Thatcher en John Cleese, hoewel het er gelukkig niet meer zo dik bovenop ligt. Dat komt ook doordat de mannen nu af en toe iets verder durven kijken dan The Beatles (vroege periode), The Kinks, Supergrass, Oasis en The Stereophonics. Zo wordt er in Morning/Evening met succes gestoeid met de sound van The Who. Sinds het nummer Won’t Get Fooled Again werd gebruikt voor het intro voor de populaire politieserie Crime Scene Investigation lijkt de band van de twee nog levende bandleden Pete Townshend en Roger Daltrey aan een opmerkelijke opmars bezig. Iets dat ook The Sheer niet moet zijn ontgaan. Het kinderklasje dat ‘one two three four’ schreeuwt in het intro van Don’t Let Em Get You doet dan weer erg denken aan Another Brick in the Wall van Pink Floyd, terwijl de gitaartjes in het intro van Somebody Tell Me lijken te zijn geleend van het hippe The Strokes.

Progressie

Wat mij betreft het meest memorabel zijn het kleine, door de akoestische gitaar gedragen liedje From This Moment On – over het verwerken van een stukgelopen relatie – en het zeer volwassen klinkende City Lights, samen met Morning/Evening het bewijs dat Van Liemt en co. meer in hun mars hebben dan die toch wat oppervlakkige, springerige feelgoodsongs die het vooral goed doen op de grote zomerfestivals, en die je naderhand meteen weer bent vergeten.

Om hebben ze me nog niet, daarvoor staan er nog net iets te veel zomerse niemandalletjes op Feel The Need, maar er zit duidelijk progressie in!

Film / Films

Misplaatst superioriteitsgevoel

recensie: Manderlay

Het oeuvre van Lars von Trier is uniek in zijn weerbarstigheid. De ironische Deen maakt geen films om te vermaken of om op te voeden, maar om onbetwistbaar geachte waarheden op te blazen en te vervangen door onzekerheid. Die onzekerheid is geen doel op zich, maar zorgt ervoor dat de gestolde clichés uit hun voegen springen en er ruimte ontstaat voor andere, minder evidente perspectieven. In Manderlay (2005) legt Von Trier de vinger op de misplaatste morele superioriteit die de Westerse wereld zichzelf toedicht en laat hij via een moderne parabel zien hoe dit onvermijdelijk tot contradicties leidt.

~

Von Trier is iemand die niet alleen gebruik maakt van het medium film, maar het tevens verandert en nieuwe richtingen in laat slaan. Hij combineert een buitenissige en vaak politiek incorrecte thematiek met een compromisloze en experimentele stijl. Hierdoor ontstaan films die door hun losbandige inventiviteit bewondering oproepen, maar door hun narcistische gekunsteldheid tevens afstoten. Het genie van Von Trier ligt in het feit dat hij deze tegenstrijdige impulsen tegelijkertijd weet op te roepen, waardoor de kijker uit balans wordt gebracht.

Schaduwzijden

De USA-trilogie, waarvan Manderlay het tweede deel vormt, is misschien wel Von Triers meest provocerende project tot nog toe. De trilogie gaat nier zozeer over Amerika zelf maar toont er een mythische versie van waarin typisch Amerikaanse idealen als gastvrijheid, rechtvaardigheid, democratie en vrijheid onder de loep worden genomen. In Manderlay laat Von Trier de schaduwzijden zien van humanitaire interventies als die in Irak. Hij doet dit niet op een directe wijze, maar maakt gebruik van een parabel die teruggrijpt op de Amerikaanse slavernij.

~

In Manderlay staat een plantage in Alabama centraal waarop de slavernij, zeventig jaar na de afschaffing ervan, nog steeds in praktijk wordt gebracht. Grace, de naïeve en gekwelde hoofdpersoon uit Dogville, zorgt er met behulp van de maffioso van haar vader voor dat de slaven alsnog bevrijd worden van hun onderdrukkers. “We brought them here, we abused them and made them what they are”, geeft Grace als reden voor haar optreden. Hiermee geeft ze uiting aan twee ogenschijnlijk tegenstrijdige gevoelens: superioriteit en schuldgevoel. In feite definieert ze de slavernij op Manderlay als haar probleem dat op haar manier moet worden opgelost. Dat klinkt nobel, maar zal uiteindelijk funest blijken te zijn. Het is haar probleem niet en, belangrijker nog, het kan niet op haar manier worden opgelost.

Schromelijke zelfoverschatting

Manderlay is geen aanklacht tegen humanitaire hulp of tegen militaire interventies, maar gericht tegen de onwetendheid en het gebrek aan werkelijke interesse die met deze acties gepaard gaat. Grace meent dat ze op moreel gebied superieur is aan de plantage-eigenaars en qua ontwikkeling superieur aan de bevrijde slaven. Von Trier laat echter geleidelijk aan zien dat ze zichzelf schromelijk overschat en feitelijk geen idee heeft waar ze mee bezig is. Grace maakt elke vorm van inlevingsvermogen en reflectie ondergeschikt aan haar onmiddellijke verontwaardiging. Het probleem daarbij is dat deze verontwaardiging niet voortkomt uit mededogen en werkelijke interesse, maar uit een misplaatst superioriteitsgevoel.

~

Met Dogville, het eerste deel uit zijn USA-trilogie, creëerde Von Trier een geheel nieuwe cinematografie. Hij reduceerde de set tot wat lijnen en strepen en een enkele deur, een kast, een molen. Dit levert een sobere en ongekunstelde beeldtaal op waarin de nadruk volledig op de acteurs komt te liggen. Terwijl Dogville vooral imponeerde vanwege zijn vervreemdende formele soberheid, moet Manderlay het echter meer hebben van zijn provocatieve thematiek. De cinematografische principes zijn weliswaar hetzelfde gebleven, maar ze worden minder streng toegepast. De set is uitgebreider en minder sober, de cameravoering is losser en het acteerwerk is minder imponerend. Vooral dit laatste is storend. Grootste gemis is Nicole Kidman, die als geen andere de ambigue gemoedstoestand van Grace wist uit te drukken. Bryce Dallas Howard, die haar plaats inneemt, doet haar best maar haar acteerwerk is te eenduidig om de film te kunnen dragen. Gelukkig wordt dit enigszins gecompenseerd door de uitstekende rollen van Isaach De Bankole en Danny Glover.

De extra’s op deze dvd zijn ietwat standaard, maar desondanks heel redelijk. In de documentaire The Road to Manderlay wordt de totstandkoming van de film besproken. Daarnaast staan er twee interviews op, waaronder eentje met de Nederlandse acteur Rik Launspach die in Manderlay een bijrol voor zijn rekening nam. Verder bevat de dvd een ietwat langdradig audiocommentaar, waarin Von Trier op zijn typische melige wijze vertelt over bijvoorbeeld de verliefdheid die ontstond tussen een echte ezel en zijn namaak plaatsvervanger. Het nadeel van dit audiocommentaar is dat het, mede door de bijdrage van Anthony Dod Mantle (cinematografie), vrij technisch blijft en niet dieper ingaat op de thematiek van de film. Op zichzelf is dit logisch – laat de kijker zelf maar uitvinden wat het allemaal betekent – maar anderzijds wordt het geheel er wel wat zielloos door.

Boeken / Fictie

Prozac in boekvorm

recensie: Goscinny & Sempé - De vakanties van de kleine Nicolaas

Na veel te lang wachten is daar dan eindelijk de vertaling van de avonturen die de kleine Nicolaas met vakantie beleeft. Was het eerste deel uit de serie die tekenaar Sempé en scenarist Goscinny maakten al hilarisch, dit tweede is met afstand de beste remedie tegen zomerdepressies en andere mentale ongemakken.

Maar liefst twee vakanties maken we ditmaal mee. De eerste keer gaat Nicolaas met zijn ouders op reis, natuurlijk na de nodige huiselijke strubbelingen over de bestemming. Het eerste hoofdstuk heet omineus Papa is de baas – en inderdaad beslist moeder uiteindelijk dat ze naar het strand in Bretagne gaan, waar onze held op geheel eigen wijze de boel op stelten zet en vader niet echt zijn rust kan pakken. De meeste ellende wordt veroorzaakt door Nicolaas, maar die behoudt ondanks alles zijn zeer aanstekelijke onverwoestbare humeur.

~

Dat goede humeur lijdt al evenmin onder de aankondiging een jaar later, dat hij naar een vakantiekamp moet. Nicolaas vindt namelijk alles leuk en geweldig, wat in scherp contrast staat met de ravage die hij met zijn vrienden aanricht. Die vrienden zijn zoals gebruikelijk weer een verhaal apart. Net als in het eerste deel kregen ze de namen van heiligen, kerkvaders, martelaren en andere vrolijke historische figuren, en ook hebben ze allemaal hun vaak botsende eigenaardigheden. Geen wonder dat de kampleider al meteen de eerste dag weer naar huis wil, ondanks het motto van de groep: ‘hou vol’ – één van de vele ironische grapjes waar Goscinny voor de goede verstaander mee strooit. Die dragen weer bij aan de kaleidoscopische veelzijdigheid van het verhaal, dat het goed doet bij de jongsten onder ons, maar dat ook de wat rijpere lezer het nodige te bieden heeft. Goscinny en Sempé laten door de ogen van de kleine Nicolaas zien hoe idioot wij volwassenen ons soms gedragen, of liever: hoe wij ons struikelend door het leven slaan, geplaagd door kleine tegenslagen. Lachen om je eigen leed, dat is het, maar ook om de pompeuze dikdoenerij waar velen aan lijden, en wie nog meer wil kan op zoek naar de filosofische onderstroom en de subtiele manier waarop Goscinny de condition humaine aan de orde stelt. Dit alles samengebald in het vreselijke verhaal van de kuil die vader op last van een strandautoriteit dicht moet gooien, wat met alle daarmee samenhangende incidenten en andere tegenslagen eindigt in pure slapstick, uiteraard ten koste van de arme en toch al zo veelgeplaagde ouder die wegens zonnebrand twee dagen het bed moet houden. Daar kun je een diepgravend essay over schrijven.

Zijn de teksten al van het hoogst denkbare niveau, de tekeningen van Sempé geven die ook nog eens een duidelijke meerwaarde. In een paar lijnen vat hij zo drie en in sommige gevallen vier en zelfs vijf alinea’s samen en voegt hij daar zijn eigen tekenkundige commentaar aan toe, zodat het gebodene nog meer gaat leven. Niet dat het echt nodig is, Goscinny’s teksten zijn sterk genoeg, maar toch fijn.

Boeken / Strip

Grensverleggend of zedenverval

recensie: Ivan Brunetti – Ahum! // Arnaud Floc'h – Picknick in 8 smaken

Hoever mag je gaan als cartoonist? Een actueel thema gezien de commotie rond de Deense spotprenten. Conclusie van de discussies hierover in de media was, dat niet duidelijk is waar voor cartoonisten nu precies de grens ligt. De grenzen van de Amerikaan Ivan Brunetti zijn in ieder geval nog lang niet in kaart gebracht. Hij maakt vrolijk grappen over incest, kinderporno en zelfverminking. Fransman Arnaud Floc’h zoekt zijn heil meer in subtiliteiten. Alhoewel? In 24 pagina’s vinden acht vrouwen de dood.

Je zou denken dat een man, die doceert aan de universiteit van Chicago en cartoonist is voor onder andere The New York Times en Time, in staat is tot het maken van intelligente grappen. Nu kan het zijn dat de grappen van zo’n hoog niveau zijn dat ondergetekende ze gewoonweg niet behapt.

Verschrikkelijk verschrikkelijke grappen

Een voorbeeld: Getekend zijn drie personen, twee mannen een vrouw. De vrouw loopt over straat. De ene man zegt tegen de ander: “Ik zou haar tieten willen afhakken; ze doet me aan m’n moeder denken.” Lachen? Nog een voorbeeld: Een vrouw staat in de gang en roept: “Waag het niet om papa’s favoriete cockring te gebruiken, jongens!”

Dit is werkelijk waar een gemiddelde greep uit hetgeen Ivan Brunetti brengt in Ahum! Grappen over incest, kinderporno, seksueel misbruik van dieren, homofobie en meer. Brunetti is grof, helaas is die grofheid het enige dat hij te bieden heeft. Niet absurd, niet verheffend, simpele tekeningen en slechte grappen dat is alles. Ver onder het niveau van een Kamagurka, Gumbah of Fokke en Sukke.

Subtiel en verfijnd

Zo grof als Ivan Brunetti is, zo subtiel gaat illustrator Arnaud Floc’h te werk. Hoofdpersoon van Picknick in 8 smaken is de naamloze zoon van een Vietnamveteraan. Zoals iedereen weet gaat er altijd iets fout met een Vietnamveteraan in de buurt. Zo ook in deze strip. De zoon beschrijft verschillende picknicks die hij met verschillende dames heeft ondernomen. Vrij normaal maar de oplettende lezer zal in de bijbehorende tekeningen details aantreffen die prijs geven hoe de picknicks aflopen.

Floc’h tekent alles op een luchtige zomerse manier. De tekeningen worden niet luguber en toch is Picknick in 8 smaken een luguber verhaal. Het oeuvre van een seriemoordenaar wordt uitgebeeld door het scheppen van suggestie en verbeelding. Floc’h biedt zijn lezer ruimte om zelf de ontbrekende stukjes van de puzzel in te vullen waardoor de strip vooral lezers met veel fantasie erg zal bevallen. Erg knap om zoiets voor elkaar te brengen in maar 24 bladzijden.

Ahum! • Ivan Brunetti • Scenario: Willem Ritstier • Uitgever: Xtra • Prijs: € 9,90 (softcover) • 90 bladzijden • ISBN: 90-77766-38-3

Picknick in 8 smaken • Arnaud Floc’h • Uitgever: Xtra • Prijs: € 9,90 (softcover) • 24 bladzijden • ISBN: 90-77766-33-2

Film / Films

Pacino’s beste film

recensie: Dog Day Afternoon (Special Edition)

Dog Day Afternoon (1975) is een van de meest iconische Amerikaanse kwaliteitsfilms van de jaren zeventig, waarin Al Pacino alle registers opentrekt om zijn capaciteiten als acteur te vertonen. De film vertelt het op feiten gebaseerde verhaal van Sonny (Pacino), die met twee kompanen een bank berooft om de geslachtsoperatie van zijn vriend te financieren. Dat is althans de bedoeling: zoals in iedere bankovervalfilm gaat het faliekant fout en mondt de situatie uit in een gijzelingsdrama en een mediaspektakel.

~

Het bijzondere van Dog Day Afternoon is echter dat de film zo sober is. Lumet (destijds al een veteraan – hij regisseerde dertig jaar eerder al 12 Angry Men) laat alle sensatie en moralisme waartoe het verhaal uitnodigt volledig achterwege. Het is geen melodrama, maar ook geen thriller. De film heeft geen score en geen opvallende aankleding of camerawerk. Dat laatste is nog het meest subtiel: Dog Day Afternoon is een schoolvoorbeeld van de verloren kunst van het monteren, die in de jaren zeventig hoogtij vierde. De scènes zijn zo vakkundig versneden dat ze – zonder dat je het een moment merkt – de spanning opvoeren en weer afbouwen.

Lichaamstaal

Met deze aanpak komt alle aandacht bij de acteurs terecht, die er een buitengewoon enerverend schouwspel van maken. Zonder te verdwijnen in het karakter (je bent je er altijd van bewust dat je naar Pacino kijkt) maakt hij van Sonny een geheel overtuigend personage. De flamboyante Pacino, die later zo vaak een macho zou spelen, vertolkt Sonny als een romantische, obsessieve schlemiel. Met louter oprechtheid: de tragiek van zijn illusie dat hij de idiote operatie tot een goed einde kan brengen is meeslepend. De vroeg gestorven acteur John Cazale (Fredo uit The Godfather), even oprecht als zijn tegenspeler Sal, weet ook de juiste tragische toon te vinden als de meer introverte bankovervaller, die nog minder van wanten weet dan Sonny. Maar uiteraard is het Pacino die de film draagt: hij is het centrum van iedere scène. De acteur heeft misschien betere rollen gespeeld, maar er zijn waarschijnlijk geen films waarin zijn intense acteerwerk – zijn lichaamstaal, zijn dictie, zijn wilde ogen – een betere plaats krijgt. Alle facetten van de film geven Pacino de ruimte, zodat alles afhangt van zijn explosieve prestatie, die de voornaamste reden is dat de film zo overtuigend werkt.

Uitstekende toevoegingen

~

De dvd is een eersteklas uitgave: een sobere verpakking met als inhoud een smetteloze transfer, onderhoudend commentaarspoor van de regisseur, en bescheiden achtergrondmateriaal in de vorm van een gloednieuwe documentaire en een promotiefilmpje uit de tijd van de film. Een uiterst sympathieke Lumet (inmiddels stokoud) vertelt geroutineerd feitjes, anekdotes en motivaties. Het commentaar is het meest interessant als hij uitlegt hoe de film tot stand gekomen is, bijvoorbeeld in hoeverre de acteurs afwijken van het scenario en wat Pacino’s inbreng is geweest. Af en toe laat hij zich meeslepen door de film en blijft het stil, maar over het algemeen is het een uitstekende toevoeging. Het enige nadeel van het extra materiaal is dat op de overeenkomsten en verschillen met het ware verhaal niet zo diep wordt ingegaan. Zelfs de nieuwe documentaire van Laurent Bouzereau die de film vergezelt behandelt allerlei facetten (en toont zelfs Al Pacino die enthousiast terugblikt), maar blijft – voor Bouzereau typisch genoeg – volledig aan de oppervlakte.