Tag Archief van: recensie

Muziek / Album

Mews spontane energie strandt op Visuals of…

recensie: Mew-Visuals

Helemaal anders: eerst de beelden, dan de nummers. Op Visuals, Mews zevende album, gooit de band het roer van de methode rigoureus om. Spannend. Dan werd de plaat ook nog eens in recordtempo bij elkaar gespeeld. Wat daarvan te verwachten? Duisternis en wonderlantaarns gapen de luisteraar vanaf de plaathoes aan.

De band heeft echter weinig tijd nodig om de verwachtingsvraag te beantwoorden. Dat doet het namelijk met weinig meer en minder dan het beproefde geluid: tot kosmische proporties opgestuwde ruimterock en duizend confettikanonnen. Dezelfde engelhuil van Jonas Bjerre scheert met dezelfde vaart door hetzelfde sterrenvacuüm. Vertrouwdheid alom. De criticus ziet het spektakel minzaam van een afstand aan en doopt voorzichtig zijn pen in azijn.

Pijnloos

Pijnloos glijdt Visuals langszij, rechtstreeks uit de creatieve slipstream van voorgangers +- en No More Stories Are Told. Het persbericht schrijft over intenties om eens een spontane plaat te maken. Dit keer geen marathons van drie of vier jaar, maar gewoon snel. Vlam. Met de demo’s onder de arm uit de tourbus rechtstreeks de studio in. Er is bijgevolg geen groter concept, geen overbruggend geheel. Mew blaast nummer na nummer met verve de stratosfeer in. Wolken van sfeer en synthesizers. Duisternis en wonderlantaarns gapen de criticus aan. De criticus gaapt mee, en doopt voorzichtig zijn pen in azijn.

Sterrenstof

Wat is er aan de hand op Visuals? De spontane energie, het enthousiasme heeft Mew gebracht op off all places één zonder inspiratie en urgentie. Dat de plaat complexe multi suites ontbeert als die op And the Glass Handed Kites is tot daar aan toe, maar dat er verder helemaal geen spanning te beleven valt is met maar één banaal woord te omschrijven, namelijk: jammer. De luister uitdaging van werk van Mew is op het bloedeloze Visuals volledig absent. Een stuurloze vlaag sterrenstof galmt drie kwartier, lost op en verdwijnt. De criticus legt resoluut zijn pen neer. Vlam. Tijd voor thee.

Muziek / Album

Mews spontane energie strandt op Visuals of…

recensie: Mew-Visuals

Helemaal anders: eerst de beelden, dan de nummers. Op Visuals, Mews zevende album, gooit de band het roer van de methode rigoureus om. Spannend. Dan werd de plaat ook nog eens in recordtempo bij elkaar gespeeld. Wat daarvan te verwachten? Duisternis en wonderlantaarns gapen de luisteraar vanaf de plaathoes aan.

De band heeft echter weinig tijd nodig om de verwachtingsvraag te beantwoorden. Dat doet het namelijk met weinig meer en minder dan het beproefde geluid: tot kosmische proporties opgestuwde ruimterock en duizend confettikanonnen. Dezelfde engelhuil van Jonas Bjerre scheert met dezelfde vaart door hetzelfde sterrenvacuüm. Vertrouwdheid alom. De criticus ziet het spektakel minzaam van een afstand aan en doopt voorzichtig zijn pen in azijn.

Pijnloos

Pijnloos glijdt Visuals langszij, rechtstreeks uit de creatieve slipstream van voorgangers +- en No More Stories Are Told. Het persbericht schrijft over intenties om eens een spontane plaat te maken. Dit keer geen marathons van drie of vier jaar, maar gewoon snel. Vlam. Met de demo’s onder de arm uit de tourbus rechtstreeks de studio in. Er is bijgevolg geen groter concept, geen overbruggend geheel. Mew blaast nummer na nummer met verve de stratosfeer in. Wolken van sfeer en synthesizers. Duisternis en wonderlantaarns gapen de criticus aan. De criticus gaapt mee, en doopt voorzichtig zijn pen in azijn.

Sterrenstof

Wat is er aan de hand op Visuals? De spontane energie, het enthousiasme heeft Mew gebracht op off all places één zonder inspiratie en urgentie. Dat de plaat complexe multi suites ontbeert als die op And the Glass Handed Kites is tot daar aan toe, maar dat er verder helemaal geen spanning te beleven valt is met maar één banaal woord te omschrijven, namelijk: jammer. De luister uitdaging van werk van Mew is op het bloedeloze Visuals volledig absent. Een stuurloze vlaag sterrenstof galmt drie kwartier, lost op en verdwijnt. De criticus legt resoluut zijn pen neer. Vlam. Tijd voor thee.

Theater / Voorstelling

Toneelspeler in de advocatuur

recensie: Toneelgroep Maastricht - De Advocaat

Bram Moskowicz, telg uit de advocatenfamilie Moskowicz, maakte van de advocatuur één grote show en van iedere rechtszaak een businessevenement. Een eigen voorstelling is de kers op de taart voor de mediageile Bram. De meest bekende advocaat van Nederland heeft het maar getroffen dat die voorstelling zo perfect gepolijst is.

Je kunt niet om hem heen, of beter gezegd: je kunt niet om zijn elitaire ego heen. Brams gezicht verschijnt niet alleen in de rechtbank, maar ook op de televisie. Bij RTL Boulevard, Pownews, Zomergasten en College Tour overrompelde hij presentator en publiek met zijn puntgave retorica en zeer nette voorkomendheid. Nimmer afwijkend van de jasje-dasje etiquette, is hij in een net pak met stropdas en gelakte schoenen uit te tekenen. Hij is een ware karikatuur geworden. Een intrigerend en complex genoeg personage voor de rol van protagonist, moet Toneelgroep Maastricht hebben gedacht. Een personage dat een lange lijdensweg aflegt onder de druk van een strenge vader die als Auschwitz-overlevende een heftig verleden met zich meesleept. Een perfect scenario voor een tragedie of – zoals de toneelgroep het zelf verwoord – een Shakespeareaans koningsdrama over de zelfverkozen ondergang van een topadvocaat.

Eloquente woordenbrij

Iets wat zal uitgroeien tot een waar circus vol rariteiten, agressie en tranen, begint op rustig tempo. Mirjam (Karien Noordhoff) solliciteert naar de functie van secretaresse bij het advocatenkantoor Moskowicz. Ze blijkt een verborgen agenda te hebben: Mirjam is een slinkse onderzoeksjournalist die het seksisme op de werkvloer van de Moskowicz-familie wil vastleggen. Met dat seksisme krijgt ze al snel te maken: “De Neus”, een topcrimineel, loopt de ganse dag het kantoor van Bram Moskowicz (Porgy Franssen) binnen om de meest denigrerende sneren te maken naar het muurbloempje Mirjam. De Neus, vertolkt door een zeer energieke Viktor Griffioen, brengt behoorlijk veel pit in het toneelstuk dat zeer zakelijk en rustig voortstuwt. Voordat Bram de grande entrée maakt, staan broer Mordechai (Dries Vanhegen) en algemeen secretaris Freek Zonderland (Hans van Leipsig) Mirjam te woord. Mordechai is de belichaming van de drie echte broers van Bram, te kennen David, Max jr. en Robert. Door de handelingen en woorden van Mordechai en Freek wordt meteen duidelijk dat er een spel van macht wordt gespeeld. Nog meer is het een spel met de taal. Het eloquente taalgebruik van de spelers getuigt van een perfect geschreven script. Hiervoor was de in Italië woonachtige Nederlandse auteur Ilja Leonard Pfeijffer verantwoordelijk. De teksten zijn prachtig en lijken recht uit het hart te komen. Daarbij komt dat de tekst op een treffende manier wordt uitgesproken. Zo weet acteur Porgy Franssen alle finesses van Bram zich toe te eigenen en is hij tot de laatste minuut het evenbeeld van Bram Moskowicz. Het niveau waarop de spelers met elkaar spreken doet denken aan de intelligente conversaties tussen Mr. Darcy en Elizabeth Bennet in Pride & Prejudice. Iedere tegenstander in hun debat wordt gevloerd met uiterst rake en overdachte zinnen. Zo is dat ook met de gebroeders Mordechai en Bram, die door hun welbespraaktheid altijd een voorsprong zullen hebben op anderen.

Spel der advocaten

Het verhaal van Bram Moskowicz is er een waarin verdriet en teleurstelling als hoofdthema’s gelden. De levens van Bram en Mordechai worden gekenmerkt door het leed dat hun vader heeft doorstaan. Als Holocaust overlevende heeft vader Max sr. een zware stempel gedrukt op de familie. Dat wordt hem kwalijk genomen door Mordechai – in dit toneelstuk de ‘jongere broer’ – die daarnaast ook altijd moest aanzien hoe zijn broer Bram werd voorgetrokken. De geest van Max sr. is sterk aanwezig in deze voorstelling. Hans Trentelman, in de rol van Max sr., is een uiterst gevatte man die weet wat voor effect hij heeft op zijn zoons. Max sr. heeft, voordat Bram ten tonele verscheen, roem verworven met zijn naam zonder de nodige poespas en glamour die zijn zoon zich toe-eigent. Het idee dat zijn zoon Bram hem voorbij zal streven, is ondraaglijk voor Max sr. Alle ingrediënten voor een toneelstuk zijn compleet. De advocatuur en het leven van de familie Moskowicz worden dan ook voortdurend gekoppeld aan het theater. De vierde wand wordt doorbroken als de spelers verwijzingen maken naar het bedrijf en de scènes waarin ze spelen. Ook maakt Bram voortdurend vergelijkingen tussen de advocatuur en toneelspelen en uit hij de diepe wens om acteur te worden.

De Advocaat is een verzorgd toneelstuk geworden. Ieder woord en iedere handeling klopt. Zelfs de ingelaste aria’s en de aanwezigheid van een pianist op de achtergrond doen niet vreemd aan, maar maken deze voorstelling juist gevarieerd. Dit alles tegen een minimalistische achtergrond – lange en hoge kasten vol lades met papieren – die als een zelfstandig mechanisme het toneelstuk aanvult. De acteurs, de scènewisselingen, de liederen, het pianospel, het decor, de kleding en de attributen: het vormt een prachtig samenspel. Dit is totaaltheater zoals het hoort.

De muze
Boeken / Fictie

Het verhaal achter de kunst

recensie: Jessie Burton - De muze
De muze

Jessie Burton liet zich voor haar tweede roman opnieuw inspireren door een kunstwerk. Voor haar debuut, Het huis aan de Gouden Bocht, was dat het poppenhuis van Petronella Oortman in het Rijksmuseum te Amsterdam. Voor De muze vond ze haar inspiratie in het Prado te Madrid, waar ze gegrepen werd door een schilderij van Goya. Het zette haar aan een boek te schrijven dat vele thema’s verbindt: identiteit, migratie en creativiteit. Jammer dat ze de plank misslaat door te veel te willen uitleggen.

De muze wordt verteld vanuit het oogpunt van Odelle, een jonge vrouw die in de jaren 60 van Trinidad naar Londen verhuist. Op een feestje ontmoet ze Lawrie Scott, een leuke jongen die een interessant schilderij bij zich heeft. Ze moedigt hem aan om het schilderij te laten zien aan het museum waar zij werkt. Nog diezelfde week voegt hij de daad bij het woord. Aan de geschrokken reacties van de medewerkers te zien blijkt het om een belangrijk werk te gaan. Wat volgt is een zoektocht naar het verhaal achter het schilderij.

Geheim schilderstalent

Het verhaal in de jaren 60 wordt afgewisseld met een verhaal dat zich afspeelt in Zuid-Spanje in 1936, vlak voordat de Spaanse burgeroorlog uitbreekt. Een joodse kunsthandelaar genaamd Harold Schloss uit Oostenrijk heeft zich net gevestigd in het dorpje Arazuelo met zijn vrouw Sarah en dochter Olive. Twee jonge mensen uit de buurt, broer en zus Isaac en Teresa Robles, bieden hun diensten aan aan de familie. Teresa helpt hen in de huishouding en Isaac knapt allerlei klusjes voor hen op. Al snel raakt Olive bevriend met Teresa en wordt ze verliefd op de knappe Isaac. Wat zij niet weten is dat Olive een geheim met zich meedraagt: ze heeft een groot talent voor schilderen en houdt dit angstvallig verborgen voor haar ouders. Haar vader zou een schilderij gemaakt door een vrouw namelijk nooit goedkeuren.

Ondertussen in de jaren 60 komt de conservator van het museum tot de conclusie dat Lawrie Scott hem een tot nu toe verloren gewaand schilderij van Isaac Robles heeft gebracht. Maar wacht eens even, denkt de oplettende lezer. Olive Schloss was toch degene die schilderde? Wat is er gebeurd in 1936 dat geleid heeft tot deze identiteitswisseling?

Identiteit en creativiteit

De muze is een verhaal over identiteit. Zowel Odelle als Olive worstelt met haar plek in de maatschappij – Odelle vanwege haar migratieachtergrond in het blanke Engeland en Olive vanwege haar talent in een door mannen gedomineerde kunstwereld. Tegelijk is het een verhaal over creativiteit. Odelle wil graag een schrijver zijn en wordt hierin aangemoedigd door haar werkgever. Olive ontdekt een ongekend talent in zichzelf wanneer ze Isaac ontmoet – hij is haar muze. Deze elementen zijn verwerkt in een spannend verhaal waarin Odelle probeert uit te zoeken wat er in 1936 in Spanje is gebeurd. Wie heeft dat schilderij precies gemaakt en hoe komt het dat Lawrie het nu in zijn bezit heeft?

Show don’t tell

Doordat Burton zo veel thema’s in haar roman heeft willen verwerken komt het verhaal niet lekker uit de verf. Het zijn ook niet de minste thema’s: feminisme in de jaren 30 en racisme in de jaren 60. Helaas voelt de uitwerking geforceerd aan door een gebrek aan show don’t tell. Het racistische thema bijvoorbeeld, wordt al vrij duidelijk uit de acties in het verhaal. Toch acht Burton het nodig om het te expliciteren:

‘Omdat ze er [Trinidad] zelf nooit waren geweest, beschouwden ze ons als bezienswaardigheden, levensvormen opgekweekt in een tropische petrischaal die tot voor kort nog onder de Britse vlag viel. […] Hun vragen gaven me steevast het gevoel dat ik ánders was, terwijl ik was opgegroeid met volkomen Britse manieren, omdat ook ik een kind van het wereldrijk was.’

Odelle vertelt haar verhaal vanuit haar eigen ervaring, dus het is in dat opzicht logisch dat ze deze gevoelens benoemt. Maar haar uitleg ligt zo voor de hand. De overbodigheid maakt het vervelend.

Een gemiste kans

De verschillende decors houden het verhaal afwisselend en de kunstscene is interessant beschreven. Maar helaas wordt het boek nergens écht spannend of onderhoudend. De thema’s voelen uitgekauwd, de personages vlak en er wordt te veel uitgelegd. De muze is geen boek dat beklijft, terwijl deze thematiek daar wel om vraagt. Thema’s als racisme en feminisme vragen om confrontatie, om ongemakkelijkheid, Dit zou een boek moeten zijn dat nagonst in je hoofd. Nu leg je het weg om er nooit meer aan te denken. Een gemiste kans.

 

Theater / Voorstelling

Van Hove’s Spel der Tronen

recensie: Toneelgroep Amsterdam - Kings of War

Ongeveer twee jaar geleden begon Ivo van Hove aan een bizarre onderneming: van drie Shakespeare-stukken een 4,5 uur durende voorstelling maken; 14 acteurs, 35 verschillende rollen en dat alles in drie maanden repetitietijd. Ik was aanwezig bij zo’n repetitie in een grote loods in Amsterdam-West. Die loods was doordrenkt van het soort focus en spanning waar je spontaan een burn-out van zou krijgen

Inmiddels is Kings of War twee succesvolle jaren later begonnen aan de herneming. Van Hove vermaakte Henry V, Henry VI en Richard III vakkundig tot één chronologisch verhaal. We starten in de vijftiende eeuw, maar verwacht niets oubolligs. Lijken liggen op herkenbare ziekenhuistrolleys, zwaarden zijn vervangen door dodelijke injecties en oorlogsspeeches worden live in de camera gehouden.

Waar Henry V (Ramsey Nasr) bij aanvang nog kinderlijk met de kroon speelt, ontpopt hij zich al gauw tot een waanzinnig leider midden in de strijd met Frankrijk. De speech van Nasr vlak voor het gevecht schalt door de zaal. Terwijl de drums een mars slaan, bezorgt zijn stem mij kippenvel. Op animaties zien we hoe het Engelse leger het Franse, dat zes keer zo groot is, op onwaarschijnlijke wijze verslaat. Des te frustrerender om even later te zien dat zijn zoon Henry VI (Eelco Smits) het gewonnen grondgebied voor haast niets teruggeeft. Door de verschillende Shakespearetragedies achter elkaar te plaatsen, creëert Van Hove in korte tijd een historisch besef van een wereld die zo ver van ons af staat.

Ondanks de vele dubbelrollen en het duizelingwekkende aantal personages – zoals we gewend zijn van Shakespeare (en dan nog keer drie) – blijft zelfs zonder programmaboekje de rolverdeling overzichtelijk. Bij iedere kroning wordt deze gemakkelijk visueel gemaakt door de rolverdeling op het scherm te tonen. Het is een feest om te zien hoe de acteurs transformeren in hun dubbelrollen. Met name Aus Greidanus jr. verandert compleet van de opvliegende Gloucester in een geniepige Buckingham.

Het is duidelijk; dit is de elite van het Nederlandse acteursgilde. Met ernst speelt eenieder zijn vele rollen. Haast als een schaakspel met vaste zetten bewegen de acteurs over het toneel. Ze kijken op precies de juiste momenten in of langs de camera en je gaat haast hopen op een misser; het is soms wel erg gelikt. Het is dan ook een verademing als na het serieuze machtsspel in de eerste helft, het publiek mag grinniken bij het geklungel van Henry V tegenover een beeldschone vrouw. We mogen de imperfectie even omarmen.

 

Door de lens

In Van Hove’s strakke regie zijn film en theater vervlochten. Naast het ruime toneel is er een complex van gangen rondom en achter het toneel dat het publiek vanaf de zaal niet direct kan zien. In deze gangen wordt live gefilmd en deze beelden worden op een scherm getoond. De achterkamertjespolitiek en intriges vinden niet op het grote toneel plaats, maar in de coulissen. Dat is waar de plannen worden gesmeed en waar de lijken worden geborgen.

Niet alleen de achterkant van het toneel komt in beeld, ook het voortoneel wordt met behulp van camera’s flink uitvergroot. Zo zitten we door de camera’s als publiek opeens dicht op de huid van de acteurs, maar gek genoeg creëert dit juist een afstand. Uiteraard zijn de acteurs fantastisch en door de lens van de camera raak ik daar meer van overtuigd. Toch merk ik dat het me begint te storen dat ik de helft van de tijd naar een scherm zit te kijken.

Door af en toe het beeld te manipuleren, houdt Van Hove zijn publiek voor de gek.  De lijken zijn akelig realistisch en we maken sprongen in de tijd. Soms worden film en theater één, terwijl het Franse leger zich in een roes van alcohol verzuipt, knielt op de voorgrond een biddende Henry V.

 

Overdonderend eind

Na de pauze klinkt loungemuziek, de bloemen bloeien en de taart is aangesneden. Het is even vrede, maar niet voor lang, want Richard de Derde (Hans Kesting) betreedt het toneel. Door de zaal voel ik een hernieuwde energie binnenstromen, ik zit op het puntje van mijn stoel. Niet vreemd dat Kesting de Louis d’Or gewonnen heeft voor deze rol. In elke vezel van het lichaam is Kesting Richard de Derde. Terwijl hij zijn plannen niet in de hal smeedt maar en plein public merk ik dat ik hem ook geloof wanneer hij ze al veinzend uitvoert.

In het laatste deel gaat de camera voorbij aan de vorm. Terwijl Richard in de camera “Koning Richard” roept, wordt zijn projectie als een optische illusie gedubbeld in een Droste-effect. Ook Richard richt zich niet rechtstreeks tot het publiek maar tot zijn spiegelbeeld, want ondanks zijn wijnvlek blijft hij een ijdele man. Vanuit de hermetisch gesloten bunker maakt Kings of War een sprong naar het heden. Richard belt met Trump, Poetin en Merkel.

In Kings of War wordt het publiek, net zo vakkundig genegeerd als de machthebbers hun volk negeren: er wordt enkel gecommuniceerd via de camera. We zien koninkrijken vallen en opstaan met degene die ze bestuurt. Maar dan vlak na zijn “democratische verkiezing” richt Richard zich eindelijk rechtstreeks tot het publiek; “De verantwoordelijkheid ligt bij u.” Om vervolgens zijn koninkrijk definitief ten gronde te richten. Zo blijft zo’n 400 jaar later, Shakespeare verassend actueel.

Weten versus geweten
Boeken / Non-fictie

Weten versus geweten

recensie: Floris Cohen - Het knagende weten
Weten versus geweten

Hoe verhouden wetenschap en geloof zich tot elkaar? Heeft de een de ander overbodig gemaakt? Of hebben ze niets met elkaar te maken? Floris Cohen behandelt deze vragen aan de hand van een elftal mannen wiens religieuze wereldbeeld door nieuwe kennis ingrijpend veranderde.

Tussen weten en geloven bestond lange tijd weinig spanning. Zo ongeveer alle grote geleerden waren diep gelovig. Maar vanaf de zeventiende eeuw begon bij steeds meer wetenschappers het weten te knagen aan het (religieuze) geweten.

Floris Cohen weet dit spanningsveld in zijn nieuwste boek goed in kaart te brengen. Deze hoogleraar in de vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap is ook goed thuis in de filosofie omtrent dit onderwerp. Deze filosofische reflectie maakt dat het boek veel meer is dan een geschiedenisboek over de natuurwetenschap.

Legendes

De filosofische bril zet Cohen pas halverwege het boek op. Daarvoor is hij vooral de historicus die populaire misvattingen rechtzet. Zo klopt er van de dominante visie van het conflict tussen de Rooms-Katholieke Kerk en Galileo Galilei bar weinig. In eerste instantie zag de Kerk het heliocentrische wereldbeeld dat Galilei uitdroeg namelijk niet als strijdig met Bijbelse passages die een geocentrisch wereldbeeld impliceerden. Die zouden, net als Bijbelse verwijzingen naar een platte aarde, niet letterlijk genomen hoeven worden.

Het gevecht tussen Galilei en het Vaticaan is eigenlijk voor een groot deel een persoonlijke vete tussen de toenmalige paus en Galilei. Cohen beschrijft uitvoerig hoe het allemaal wél verlopen is en weet dat zo te doen dat het ook nog enorm spannend is om te lezen.

De legende over Galilei’s conflict met de Kerk is symbolisch voor de populaire opvattingen over de relatie tussen wetenschap en geloof. Ook van die visie laat Cohen weinig heel, zonder daarbij te vervallen in makkelijke oplossingen. Zo moet hij zowel weinig hebben van opvattingen dat wetenschap van religie niets over zou hebben gelaten, als van opvattingen dat wetenschap en religie niets met elkaar te maken zouden hebben – en er dus ook geen sprake van spanning zou zijn.

Nuance

Cohen laat aan de hand van historische figuren als Galilei, Newton, Darwin en Kant zien dat wetenschappelijke ontdekkingen wel degelijk voor spanningen zorgden en hun religieuze wereldbeeld aan het wankelen brachten – bij de één meer dan bij de ander – hoewel dit nooit volledig omviel.

Die nuance en finesse is vandaag de dag in het debat over religie en wetenschap vrijwel volledig afwezig. Op YouTube zijn talloze debatten tussen wetenschappers te vinden over het al dan niet bestaan van God. Of het nu atheïsten zijn, zoals Richard Dawkins, of gelovigen, zoals Francis Collins: Cohen moet er weinig van hebben. Hij stoort zich vooral aan het gebrek aan filosofische reflectie op de beperkte reikwijdte die inherent is aan de moderne natuurwetenschap. Hij verbaast zich erover dat zij die zich met zoveel toewijding inzetten om via de wetenschap het (niet) bestaan van God aan te tonen, zich nooit hebben verdiept in wat er in het verleden over dit thema is gezegd.

Wat er in het verleden over is gezegd, valt in aantrekkelijk proza te lezen in Het knagende weten en het boek is daarmee geen overbodige luxe voor de Dawkinsen en Collinsen van deze wereld.

Troost
Boeken / Non-fictie

Troost in het tranendal

recensie: Bert Keizer - Vroeger waren we onsterfelijk
Troost

Sterven speelt in het leven van verpleeghuisarts en filosoof Bert Keizer een prominente rol. Als columnist van Trouw en Filosofie Magazine schrijft hij vaak over ethische kwesties en is hij langzamerhand het geweten van het euthanasiedebat geworden. In Vroeger waren we onsterfelijk, een nieuwe bundel columns, schrijft Keizer over de dood en of we, wachtend op het onvermijdelijke, ergens troost kunnen vinden.

Gerard Reve constateerde al eens dat schrijfsels van optimisten je tot zelfmoord brengen, terwijl van werken van pessimisten altijd een enorme troost uitgaat. Volgens mij heeft dat te maken met het gegeven dat pessimisten – waarschijnlijk uit noodzaak – meer gevoel voor humor hebben.

Humor

Bert Keizer kan een gevoel voor humor niet ontzegd worden en hij is inderdaad niet bepaald het zonnetje in huis. Men wordt, geheel in lijn met Reves bevinding, juist eerder vrolijk dan somber van dit boek. Ook al wijst Keizer ons er regelmatig in alle luchtigheid op dat we allemaal doodgaan en dat die dood vaak ófwel te vroeg komt of pas na vele jaren van aftakeling – en dus te laat.

In Keizers werk lees je veel van Reve terug – zowel wat betreft zijn gevoel voor humor als zijn levensopvatting. De pessimistische grondhouding zorgt voor een zoektocht naar troost. Keizer vindt die – en daarmee komen we bij de kern van het boek – vooral in de filosofie, literatuur en geneeskunde. Daar kan ‘uitzonderlijk goed gedacht, gehuild en gelachen’ worden

Geloof

Keizer verschilt van Reve op één belangrijk punt. Wat Reve vond, verloor Keizer: het geloof. Daar moet hij niets van hebben: ‘Ik was en ben volkomen immuun voor religiositeit en mijn andere idool uit die jaren, G.K. van het Reve, kon ik in religieus opzicht nooit volgen.’

Hoewel Keizer de Rooms-Katholieke Kerk er stevig van langs geeft, is zijn relatie met de kerk niet eenduidig. Zo vindt hij het celibaat achterlijk, maar voor de anglicaanse priesters (die wél mogen trouwen) heeft hij geen goed woord over: ‘als gepensioneerd katholiek vind ik dat een priester zonder neukverbod, nou ja, dat dat geen echte priester is’.

Keizer schrijft met een zekere weemoed over zijn katholieke jeugd. En hoewel hij zelf geen deel meer uitmaakt van die Kerk, verwijt hij de achterblijvers het gemak waarmee zij, in een poging bij de tijd te blijven, de hele katholieke santenkraam (de beelden, rituelen), bij het grofvuil hebben gezet:

‘De kerk in Nederland rent steeds achter de tijdgeest aan, in hun haast al die dingen van zich af gooiend die, als ze eraan vast hadden gehouden, hun kraampje nog redelijk draaiende hadden kunnen houden.’

Schuld

Ten aanzien van lijden en sterven, in dit geval van de kerk die hij in zijn jeugd bezocht, voelt Keizer compassie. En ten opzichte van de pater die hij nog van vroeger kende, schuld:

‘Als ik later met Pater B. naar buiten wandel door de lege kerk, waarin onze stemmen een plechtige echo krijgen, voel ik een zekere schuld tegenover deze mannen die door de wereld verlaten worden voordat zij haar verlaten hebben. Het is alsof we al over hen aan het napraten zijn terwijl ze er nog zijn. Het is wreed en er is geen verdediging tegen van hun kant. Wij van onze kant weten niet goed wat te doen.’

Dood

De dood heeft binnen het katholieke een duidelijke plaats, hetgeen waarschijnlijk ook de dubbelzinnige houding van Keizer tegenover dat geloof verklaart. Met het vraagstuk ‘dood’ is Keizer zich dus heel zijn leven blijven bezighouden. Hij komt alleen met een ander antwoord, of beter gezegd: geen antwoord. Net zomin als hij de antwoorden zoekt in een Goddelijke Plan, heeft hij weinig op met de ‘wij zijn ons brein’-mentaliteit waarin alle antwoorden liggen in het biologische. Darwinitis noemt hij dat.

De onderzoekende Keizer houdt meer van open vragen dan van alles verklarende antwoorden: ‘Als wij helemaal van de Aarde zijn, waar komt dan die on-aardse vlag vandaag die zo hardnekkig in ons hoofd blijft wapperen?’

Boeken / Non-fictie

Wie niet sterk is, moet slim zijn

recensie: Luc Panhuysen - Oranje tegen de Zonnekoning​

Als herdersjongen versloeg koning David, het favoriete Bijbelpersonage van Willem III, de reus Goliath met een steen. Luc Panhuysen (1962) beschrijft in zijn schitterende boek ​Oranje tegen de Zonnekoning​. ​De strijd van Willem III en Lodewijk XIV om Europa, welk wapen Willem zelf gebruikte: coalitievorming.

Historicus Panhuysen, bekend van zijn klassiekers Rampjaar 1672 (2009) en De Ware Vrijheid (2005), is een rasverteller. Met behulp van omvangrijk bronmateriaal wekt hij de protagonisten op toegankelijke wijze tot leven alsof je er zelf tussen staat. Je voelt bijna de siddering van het Franse publiek tijdens Lodewijks immense vuurwerkshow en je ruikt haast de bezwete paarden wanneer Willem terugkeert van zijn jachtgronden.

Glorie

Tijdens de Fronde van 1649 moest Lodewijk XIV (1638-1715) Parijs ontvluchten. Hij leerde dat een koning nooit in de stad kan wonen, maar alleen daarbuiten machtig en veilig kan zijn. Na zijn kroning in 1654 veranderde Lodewijk in de Zonnekoning, wiens gloire (glorie) afhing van de veiligheid van het koninkrijk én van zijn veroveringen op het slagveld. Voor Lodewijk vormden de Spaanse Nederlanden het perfecte toneel voor de verwerving van glorie en veiligheid.

Ook zijn, tot dan toe onbeduidende tegenstrever Willem III (1649-1702), was door veiligheid geobsedeerd. Willem stelde zich de fortificatie van de Spaanse Nederlanden ten doel. Hoewel Willem na 1672 machtiger was dan alle stadhouders voor hem, kon hij zich nooit aan de diepgewortelde Nederlandse overlegcultuur onttrekken. Toen Amsterdam in 1683 weigerde tegen Frankrijk te vechten haalde de prins bakzeil.

Pragmatisch politicus

Daarin schuilt volgens Panhuysen het grote verschil tussen de beide kemphanen. Terwijl Lodewijk als absoluut vorst telkens zijn zin kon doordrijven, was Willem afhankelijk van (inter)nationale coalities om Frankrijk te kunnen weerstaan. Die coalities legden hem overigens geen windeieren. Door de Haagse Alliantie van 1673 en de Grote Alliantie van 1689, werd de macht van Lodewijk op beslissende momenten ingeperkt.

Na het overlijden van Karel II van Engeland in 1685, kwam zijn kinderloze broer Jacobus op de troon. Als katholiek bevoordeelde Jacobus echter schaamteloos zijn geloofsgenoten, waardoor zijn populariteit in het anglicaanse Engeland rap afnam. Willem begon een openlijke propaganda campagne om samen met zijn Engelse vrouw Mary de troon over te nemen. Panhuysen laat goed zien hoe de pragmatische politicus Willem daarin slaagde.

Historische concessie

Allereerst beloofde hij volledige vrijheid van geweten, ook voor katholieken. Hieruit bleek Willems streven naar een brede machtsbasis, zo stelt Panhuysen. Maar Willem deed nog iets bijzonders. Hij liet het Engelse parlement meedenken over staatszaken, waardoor het medeplichtig werd. Het klapstuk vormde de Triennial Act. De koning was voortaan verplicht om ten minste één keer in de drie jaar het parlement voor minimaal vijftig dagen bijeen te brengen. Door nieuwe belastingwetten kwam het economische potentieel van Engeland tot bloei én nam de slagkracht van het leger toe. De Act of Settlement (protestantse troonopvolging), die nog steeds geldt, en de Bill of Rights zorgden voor een duurzame ontwikkeling van de constitutionele monarchie.

In zijn kenmerkende frivole stijl, beschrijft Panhuysen hoe Frankrijk ondertussen steeds verder in verval raakte. Tussen 1693-1694 stierven twee miljoen mensen van de honger. De verkoop van openbare ambten om zijn legers te financieren werkte averechts. De belastingopbrengsten liepen sterk terug. Na de dood van Willem in 1702, leed Lodewijk op het slagveld een aantal gevoelige nederlagen, waarvan hij God de schuld gaf. Vlak voor zijn dood drukte hij zijn kleinzoon zelfs op het hart ‘in vrede met de buren te leven.’ Een opmerkelijke uitspraak van een man die zichzelf als Zonnekoning ooit als het stralende middelpunt van de wereld waande.

Theater / Voorstelling

The Family continues

recensie: Theater Utrecht - The Family deel 1 en 2

Van maart tot en met juni van dit jaar wordt in Theater De Paardenkathedraal door Theater Utrecht onder leiding van regisseur Casper Vandeputte de vierdelige reeks The Family gespeeld. In maart hebben we al verslag gedaan van deel 1, nu is het tijd voor deel 2. Omdat er erg weinig afzonderlijke voorstellingen van deel 2 zijn, zien we vanavond een double bill. Dat heeft zowel voor- als nadelen.

Tijdens de première was het potentieel van de voorstelling goed zichtbaar, maar het kwam er nog niet helemaal uit. Dat is nu wel zo. Deel 1 staat als een huis en is veel strakker en helderder. Met name Sanne den Hartogh als Kil is heel sterk. Hij heeft veel meer grip op zijn personage en zijn spel is meeslepend. Als hij kwaad uitvalt, hetzij met woorden hetzij met een zwaard, komt er onmiddellijk een lachje achteraan. Dat maakt hem zowel onbetrouwbaar als schattig. Later als hij onrustig wordt omdat Doc misschien vertrekt om bij zijn nieuwe vriendin te gaan wonen wordt hij zelfs gevaarlijk. Ook de andere spelers zijn veel duidelijker in hun keuzes, op Isabelle Houdtzagers als Gina na, die was gewoon al heel erg goed.

Bijna gezellig

Het gevolg van dat sterke deel 1 is wel dat deel 2, dat immers nog maar kort gespeeld wordt, lang zo spannend niet is, al heeft ook deze aflevering veel potentie. Het decor wordt evenals de kostumering ingrijpend veranderd, alles wordt wat meer “sociaal aangepast” en is bijna gezellig te noemen.

Ieder deel heeft een andere gastacteur, in deel 2 is dat René van ’t Hof. Van ’t Hof speelt de vader van Doc, Kil en Gina en maakt daar een prachtig nummer van. Zijn spelplezier en geestige improvisaties maken hem, ondanks het feit dat de vader een verschrikkelijke man is, heerlijk om naar te kijken. Ook biedt zijn komst meer inzicht in wat er vroeger met iedereen is gebeurd.

Sadettin Kirmiziyüz als Doc, die in deel 1 goed werk verricht maar eigenlijk nog steeds niet zo spannend is als we hem kennen uit zijn eigen voorstellingen, moet niets van de vader hebben. Maar om Docs woede en afkeer echt te zien ontvlammen, moet deel 2 waarschijnlijk nog vaker gespeeld worden.

Verder zitten er in deel 2, naast een fraaie persiflage op Britney Spears, ook een aantal minder geslaagde acties. Sommige daarvan zijn voor de acteurs misschien grappig om te doen, zoals het met zijn allen op een gigantisch springkussen in de weer zijn, maar als publiek zit je je er eigenlijk bij te vervelen.

Vragen

Deze hele enscenering van The Family roept vragen op. Waarom doet Vandeputte dit? Zoals in onze eerdere recensie al opgemerkt werd: qua tekst en verloop van het verhaal zal de impact op het huidige theaterpubliek het niet halen bij die van de oorspronkelijk serie in de jaren zeventig. De beelden en de spelwijze doen vaak cartoonesk aan, dat is amusant. Maar krachtig wordt de voorstelling pas als de acteurs zelf geloven in wat ze staan te doen, zoals duidelijk blijkt uit het huidige deel 1.

De korte, en deels openbare, repetitietijd maakt het de spelers niet makkelijk. Er zullen weinig toeschouwers zijn die, zoals ik, nogmaals een bepaalde aflevering komen bekijken om te kunnen concluderen dat het nu veel beter is. En het vermoeden dat een volgende dubbele aflevering waarschijnlijk weer een sterk en een minder sterk deel heeft bekoelt het enthousiasme aanzienlijk.

Desalniettemin, het hele gebeuren rond The Family is dusdanig buitenissig en onconventioneel, net als de familieleden zelf, dat de nieuwsgierigheid naar wat er verder met ze gebeurt het ongetwijfeld gaat winnen van de praktische bezwaren. Het is mooi dat Vandeputte dat met spelers en medewerkers voor elkaar krijgt.

Wij zeggen hier niet halfbroer
Boeken / Non-fictie

Goed verhaal, weergaloze uitwerking

recensie: Henk van Straten - Wij zeggen hier niet halfbroer
Wij zeggen hier niet halfbroer

Als eerste: de schoonheid van de titel en de cover. Een jongen kijkt ons aan. Moeilijk te beschrijven blik. Iets tussen ernstig, onverschillig en vermoeid in. Een blik alsof hij zojuist door de moeder van een vriendje is terechtgewezen: ‘Wij zeggen hier niet halfbroer.’

Wij zeggen hier niet halfbroerHenk van Straten schreef een open en bloot boek over zijn jeugd. Wij zeggen hier niet halfbroer heeft een niet-standaard gezinsconstructie als basis, een moeder die drie zonen kreeg bij haar eerste man, en toen nog eentje bij haar tweede. Dat vierde kind is Henk. Henkie. Doordeweeks woont hij met zijn moeder en zijn broers (getiteld B1, B2 en B3) bij de vader van die broers in Eersel (laat dit even tot je doordringen), in het weekend met zijn moeder bij zijn vader in Rotterdam.

Een jeugd

De opzet van het boek is ogenschijnlijk eenvoudig: fragmenten van het opgroeien, veelal nuchter en eerlijk opgeschreven, zonder te polijsten. Soms voorzien van een voorzichtige analyse, of van enig voorbehoud. Bijvoorbeeld: nadat hij zijn moeder in de eerste hoofdstukken als een tamelijk tragische vrouw heeft geschetst, haast hij zich te zeggen dat ze ‘heus niet aan één stuk door neerslachtig was’ en volgen enkele liefdevolle fragmenten. ‘Ze was alles voor me. Dat komt op dit punt misschien als een verrassing voor je, maar het was zo.’

Dus zo eenvoudig is het niet. Het is een jeugd die weliswaar ‘goed materiaal’ vormt, maar die tegelijkertijd nog levend is. Dat levert een verhaal op dat aan de ene kant de eenzame troosteloosheid in zich heeft die je vaker voelt in een roman, maar aan de andere kant iets nieuws. Een soort liefdevolle vertwijfeling over hoe en wat te vertellen. Een spannende tweespalt die het verhaal ontzettend echt maakt, en dichtbij laat komen.

De schrijver en de lezer

Het zo nu en dan aanspreken van de lezer maakt het boek nog intiemer. Eerst: ‘De nachten of ochtenden in bed na de gabberfeesten behoren tot de eenzaamste en meest trieste van mijn leven.’ En dan, over zijn vader: ‘Die hele drugsperiode ging aan hem voorbij. Nog steeds weet hij er het fijne niet van. Ik vertel er weinig over. Maar hij leest dit ook hoor.’ Die ‘hoor’ op het eind. Er spreekt een klein jongetje en een tot rust gekomen man ineen.

Gabberfeesten en drugs dus, ze vormen een aanzienlijk deel van het boek. Zo opgeschreven dat het je beeld doet kantelen, van die kale jongens in hun opvallende trainingspakken, van dat nachtleven, van de ochtenden die er op volgden. Dat is knap als een boek dat kan: het oordeel dat je uit gewoonte zo snel paraat hebt, langzaam uitvagen. Er blijft alleen nog mededogen over, het vertrouwelijke van het samen mens-zijn.

Te waar om mooi te zijn

Tijdens het lezen – dat heel snel en soepel gaat, je blijft zelden ergens aan haken, heel soms aan wat te veel herhaling – komt de vraag op of dit een knapper, ander boek was geweest als alles wat er stond was verzonnen. Of het nu niet soms, zoals door Frank Westerman geïntroduceerd, te waar is om mooi te zijn. Als in: prima dat de schrijver zijn eigen jeugd tot materiaal maakt, maar dan wordt hij wel geacht er een bepaalde slag op te maken.

Maar nee. Het is juist het ware wat Wij zeggen hier niet halfbroer zo mooi maakt. Juist het feit dat Van Straten er geen enkele slag op maakt, dat hij het laat zijn. In alle oprechtheid en genadeloze openheid, met een wonderlijk evenwicht tussen schaamte en schaamteloosheid. Dat klinkt zo alles bij elkaar misschien wat soft. Maar dat zegt meer over de lezer dan het boek, want soft is het absoluut niet. Het is rauw. Een boek als een akoestische versie van een hardrocknummer – en hoe je dan pas echt de tekst verstaat.

Muziek / Concert

Te gekke en gevarieerde editie

recensie: Motel Mozaïque 2017 - de zaterdag

In tegenstelling tot de vrijdag is de zaterdag van Motel Mozaïque volledig uitverkocht. Dat moeten de weergoden hebben geweten: met een lekker zonnetje en een graad of zestien beginnen we deze muzikale dag op Plaza Mozaïque, dat tegen het middaguur al redelijk gevuld is met festivalgangers, muziekliefhebbers en dagjesmensen.

De toegang tot Plaza Mozaïque is gratis waardoor het aanwezige publiek heel de dag gemêleerd is. Het is een hele leuke manier om dagjesmensen en Rotterdammers kennis te laten maken met het festival zonder dat ze daar geld voor neer hoeven te leggen. Plaza Mozaïque is dit jaar gevestigd rondom de beruchte Kabouter Buttplug op het Eendrachtsplein, vlakbij diverse venues van het festival. Zo liggen Rotown en de Paradijskerk om de hoek, is de Schouwburg slechts een paar minuutjes lopen en sta je binnen no time in de prachtige Arminiuskerk.

Het zaterdagprogramma begint in de Arminiuskerk waar 3voor12 wederom diverse sessies op het programma heeft staan. De kerk is de ideale plek voor sessies met onder andere singer-songwriters Lisa Hannigan en Isaac Gracie. Het is vandaag heerlijk warm, maar kippenvel krijgen van deze twee artiesten is onvermijdelijk. In de hal van de Schouwburg staat even later Spinvis met Amos Ben-Tal | OFFprojects met een heuse talkshow waarbij diverse gasten en dansers worden uitnodigt voor een bijzonder spektakel. Tussendoor zingt hij nummers, speelt gitaar en pakt hij het publiek in met interessante vraagstukken en humoristische uitspraken. Het is de perfecte opwarming voor de indrukwekkende show van Joep Beving, even later in de Grote Zaal van de Schouwburg.

Joep Beving is inmiddels een graag geziene muzikant op de Nederlandse festivals. Eerder dit jaar stond hij nog in een kerk op Eurosonic Noorderslag en afgelopen jaar speelde hij op Into The Great Wide Open. Dat is te zien aan het aantal mensen dat aanwezig is in de Grote Zaal: hoewel zijn magische pianomuziek juist heel goed uit de verf zou komen in een van de twee kerken van het festival, is het direct duidelijk dat die twee venues te klein zouden zijn. Aan de ene kant jammer, want de intieme pianomuziek van Beving zou wellicht nog intenser zijn geweest in een dergelijke setting. In de Schouwburg is het een uur lang genieten: het publiek wordt betoverd door de fraaie muziekstukken van de Nederlandse pianist. Van tevoren vraagt hij het publiek om niet na ieder stuk te applaudisseren, wat ontzettend goed blijkt te werken. Stukken als ‘Sleeping Lotus’ (over zijn dochter Lotus) en ‘Etude’ zijn nog overweldigender wanneer ze vrijwel aaneen worden gespeeld. Mensen genieten met hun ogen
dicht, hier en daar gaan zelfs aanwezigen op de grond liggen met gesloten ogen en overal is het muisstil. Een hele bijzondere show op deze MOMO-zaterdag.

De toegankelijkheid van de diverse locaties is een stuk beter benaderbaar dan een aantal jaren geleden. Het gebeurt dan ook een aantal keren dat we diverse artiesten ergens in de zon zien zitten of zien genieten van shows van andere muzikanten van de line-up. Terwijl we vlak voor de show van Novo Amor nog even van de zon genieten zien we bijvoorbeeld de leden van mauno hetzelfde doen. Groot gelijk: het is heerlijk toeven aan het water in de stad. In de Arminiuskerk staat de Britse singer-songwriter Novo Amor met kornuiten om 19:00 uur, een absolute must-see voor fans van Bon Iver, Haux en James Vincent McMorrow. Novo Amor is het project van Ali John Meredith-Lacey, een talentvolle jonge muzikant. Met zijn opvallende falsetto stem en magische tracks neemt hij het aanwezige publiek mee naar hogere sferen. Hierbij krijgt hij vocale steun van Ed Tullett die een wat sterkere sound heeft en continu loepzuiver zingt. Bij Meredith-Lacey zijn hier en daar wat valse noten te ontdekken, hoewel dat nergens écht storend is. ‘Alps’ is, samen met de prachtige stem van Tullet, een absoluut hoogtepunt en de Guns ‘n Roses cover ‘Welcome To The Jungle’ een aangename verrassing. Een mooie rustige show in een fijne setting om de avond mee in te luiden.

Van de Arminiuskerk lopen we met een korte stop op Plaza Mozaïque naar de Paradijskerk waar mauno reeds aan het spelen is. De hardere indierock van de band uit Halifax is totaal niet in een hokje te plaatsen en heeft oncontroleerbare uitspattingen. Voor de Paradijskerk is de band ietwat te hard en vooral te tomeloos om er een mooi klinkend geheel van te maken. mauno had beter op een plek als Rotown of Worm kunnen staan, hoewel het dan alsnog afvragen is of het echt heel goed zou zijn geweest.

De jonge Isaac Gracie is alles wat juist wél past in de Paradijskerk. Even na het vertrek van mauno staat de goedlachse singer-songwriter met zijn dijk van een stem in de kerk. Hij vertelt hoe opvallend vaak hij in kerken zingt en dat dat ook weer niet heel vreemd is: hij is ooit begonnen met zingen in de kerk. Zijn stem is dan ook volledig aangepast op de goede akoestiek wat tot verbaasde gezichten leidt. Gracie heeft een aantal nummers online staan, die in het niet vallen bij wat hij live kan. Zijn stem is zo krachtig dat het bij sommige tracks niet eens uitmaakt dat ze ietwat eenvoudig in elkaar zitten. ‘Terrified’ en ‘Last Words’ zijn, samen met de sarcastische grapjes, het hoogtepunt van de avond en misschien zelfs wel van het hele festival. De Paradijskerk is dit weekend nog niet zó magisch geweest als nu.

We sluiten MOMO17 af met de mannen van The Slow Show in de Grote Zaal van de Schouwburg. The Slow Show is zo’n band met van die prachtige nummers waar je kippenvel van krijgt. De donkere stem van frontman Rob Goodwin doet denken aan die van Matt Berninger, zanger van The National. Een beetje fan weet dan ook al gauw waar de bandnaam The Slow Show van afgeleid is. Het optreden staat als een huis en verveelt nergens: van het doordringende ‘Ordinary Lives’ tot het steengoede ‘Brawling Tonight’. The Slow Show is een waardige afsluiter van de Schouwburg én van deze editie van Motel Mozaïque.

Ook al heeft het festival de afgelopen jaren minder ‘grote’ headliners, met deze te gekke en gevarieerde editie bewijzen ze dat je dergelijke namen niet nodig hebt om een succesvol festival neer te zetten. Nieuwe locaties zoals de magische Arminiuskerk en de nieuwe plek voor Plaza de Mozaïque bleken meer dan welkom te zijn: je hebt het idee dat alles net wat dichter bij elkaar ligt en het daardoor toegankelijker is geworden dan voorheen. De data voor de volgende editie in 2018 zijn al bekend: markeer 19, 20 en 21 april 2018 in je agenda, want Motel Mozaïque mag je niet missen!