Tag Archief van: film

Film / Reportage
special: Stomme film is niet stom!
Campagnebeeld NSFFNederlands Silent Film Festival

Nederlands Silent Film Festival 2025

Vier dagen lang stond het gezellige Pand P in Eindhoven in het teken van de stille film tijdens het Nederlands Silent Film Festival. Op de inmiddels alweer achtste editie van het festival werd een afwisselend programma vertoond van oude klassiekers, onbekende werken en recente restauraties.

Nadat geluid was doorgedrongen in Hollywood in de twintiger jaren van de vorige eeuw, wilde het publiek al snel niets anders meer. Door de jaren heen werd stille film steeds meer gezien als primitief, saai en misschien zelfs een beetje oubollig. Totaal onterecht! Wereldwijd zijn er daarom steeds meer mogelijkheden om stille films te bewonderen op het witte doek. In Nederland laat het Nederlands Silent Film Festival (NSFF) zien dat deze vooroordelen onjuist zijn en dat stille films juist een kunstvorm op zichzelf zijn.

Het NSFF was dit jaar groter dan ooit. Met vijftien unieke programma’s zat er voor iedereen wel iets bij: slapstick, drama, familiefilms en thrillers. De films werden uiteraard niet in stilte vertoond. Zoals gebruikelijk was in de periode van de stille film werden de films voorzien van live muziekbegeleiding. Het was de taak van de musicus om de emoties en beelden muzikaal te begeleiden en te versterken. Dit deden musici vaak al improviserende. De begeleiding kon variëren in instrumenten. Zo kon er enkel pianobegeleiding zijn, maar ook begeleiding van een volledig orkest, zoals bij het hoogtepunt van het festival het geval was: de vertoning van Harold Lloyds Grandma’s Boy (1922, Fred C. Newmeyer) tijdens Slapstick Saturday.

Dat er interesse is in deze oude filmvorm was duidelijk te zien aan de volle zalen. Vanuit de hele wereld trok het festival geïnteresseerden. Wie voor- of achteraf meer wilde lezen over de films kon op de website van het NSFF grasduinen door de digitale catalogus. Hierin is over bijna iedere film en ieder programma een verdiepende tekst opgenomen. Hiermee wilde het NSFF de kennis over de stille film verspreiden. Het mag duidelijk zijn dat dit een enorm onderzoekswerk vergt, en de catalogus toont aan hoeveel liefde de organisatie heeft voor de films die ze programmeert.

8WEEKLY geeft een korte reportage van wat er te zien was tijdens de achtste editie van het NSFF.

Kid Boots (1926, Frank Tuttle)

Sterren: 4/5

Met deze energieke en indrukwekkende openingsfilm, vertoond in een recente, prachtige 4K-restauratie, zette het festival direct de toon. De film, door het NSFF omschreven als ‘knotsgekke romantische komedie’, volgt de onhandige, maar charmante kledingverkoper Kid Boots (de ‘vergeten’ komediester Eddie Cantor). Hij helpt zijn vriend Tom Sterling (Lawrence Gray) om een lastige echtscheiding te voorkomen en wordt daarbij verliefd op de mooie Clara McCoy (Clara Bow). Zoals het een echte slapstick betaamt, raakt Kid in allerlei komische situaties verzeild die alsmaar gekker worden. De fysieke komedie van Cantor is daarbij geweldig. Compleet dubbelgevouwen, een fysiobehandeling in de elektrische stoel of een flink pak slaag door Clara’s jaloerse vriend Big Boyle (Malcolm Waite); het is precies wat je bij een slapstick verwacht. De climax van de film, de race tegen de klok te paard door de bergen, is door het stuntwerk en de buitensporigheid absoluut fenomenaal om naar te kijken. Met zijn energieke pianobegeleiding gaf pianist en festivaldirecteur Daan van den Hurk extra vaart aan het slapstickspektakel op het scherm.

The Symbol of the Unconquered: A Story of the Ku Klux Klan (1920, Oscar Micheaux)

Sterren: 3/5

Filmstil

Bij het vertonen van films die bijna een eeuw oud zijn, is het onvermijdelijk dat verouderde wereldbeelden doorklinken. In veel stille films spelen vrouwen bijvoorbeeld een ondergeschikte rol, en niet zelden zijn de films racistisch getint en bevatten ze stereotypen, zoals het gebruik van yellowface. Het NSFF kiest er bewust voor om deze films te tonen en de problematiek niet te negeren, maar juist bespreekbaar te maken. Dit doet het festival onder meer door The Symbol of the Unconquered te vertonen, een film van de Afro-Amerikaanse pionier Oscar Micheaux, die een alternatief geluid laat horen.

Het verhaal volgt Eve Mason (Iris Hall), een jonge zwarte vrouw met een lichte huid, die na de dood van haar grootvader naar het westen reist om diens land op te eisen. Ze krijgt te maken met racistische landeigenaren die haar buurman, de zwarte pionier Hugh Van Allen (Walker Thompson), van zijn grond willen beroven (met hulp van de Ku Klux Klan). Terwijl Hugh vecht tegen deze dreiging, moet Eve haar identiteit en positie in een vijandige samenleving onder ogen zien.

De film is cinematografisch weinig bijzonder; het camerawerk blijft binnen de standaard van een reguliere film en de scènes met de KKK zijn duidelijk gericht op sensatie. Wat Micheaux wel biedt, is een alternatief voor de racistische beeldvorming die destijds dominant was in Hollywood, vooral in films als The Birth of a Nation (1915, D.W. Griffith). Micheaux laat een verhaal zien waarin zwarte personages autonomie tonen en raciale ongelijkheid expliciet wordt aangekaart. Hierdoor heeft de film een belangrijke historische waarde.

Voorafgaand aan de voorstelling ging festivaldirecteur Van den Hurk in gesprek met Jerry Afriyie van Nederland Wordt Beter, een organisatie die zich inzet voor meer bewustwording rond racisme en ongelijkheid. Dit gesprek plaatste de film in een breder perspectief en opende een dialoog over de relevantie en problematiek ervan.

Nice Work (If You Can Get It)

Sterren: 3/5

Ook de rol van vrouwen wordt al meerdere jaren uitgelicht tijdens het festival. Filmwetenschappers Anke Brouwers en Kate Saccone zijn al vaker te gast geweest om hier dieper op in te gaan.

Het dit jaar samengestelde programma Nice Work (If You Can Get It) bestond uit een aantal korte films of fragmenten die focussen op vrouwen aan het werk, een recht dat helemaal niet vanzelfsprekend was in het stille film-tijdperk. Getrouwde vrouwen werden namelijk lange tijd als handelingsonbekwaam beschouwd (in Nederland zelfs tot 1956). Zij konden bijvoorbeeld zonder toestemming van hun man geen arbeidsovereenkomst aangaan of een bankrekening openen.

De introductie van dit programma was wat aan de korte kant en had zeker langer mogen zijn. Desalniettemin schetste dit programma door het samenbrengen van veelzijdige en weinig vertoonde fragmenten en films (waarvan slechts een aantal hier besproken wordt) een interessant beeld van de positie van vrouwen in het werkveld in deze periode. Het programma draaide daarbij niet alleen om vrouwen aan het werk voor de camera (bijvoorbeeld arbeidsters in een fabriek zoals in het korte fragment Girls Taking Time Checks uit 1904), maar ook om vrouwen aan het werk achter de camera (zoals de stop-motion film Monsters of the Past (1923) van de kleikunstenares Virginia May). Deze korte en ludieke animatiefilm vertelt het verhaal van een tyrannosaurus rex die in een bloederig gevecht belandt met een triceratops.

In de fragmenten wordt ook stilgestaan bij het textielambacht, zoals in de documentaire In Sheep’s Clothing (1932) van Jenny Brown, een Schotse regisseuse die haar films als soloprojecten produceerde. De documentaire toont prachtige beelden van eilandarbeiders, vrouwen, op de Shetlandeilanden aan het werk om een gevraagde trui te maken: het plukken van de schapen, het kaarden en spinnen van de wol, het twijnen van de woldraden en het uiteindelijk breien van een trui tussen de dagelijkse huishoudelijke taken door. Het is een hele opgave. De schapen worden prachtig in beeld gebracht en de schattige, speelse kitten op schoot bij een van de vrouwen is een komische onderbreking. Hoewel Brown geen formele filmopleiding genoot, had ze overduidelijk aanleg voor filmen.

The Wind (1928, Victor Sjöström)Filmstil

Sterren: 5/5

De afsluiter van het festival was een meeslepende thriller die bijzonder genoeg gerealiseerd werd als stille film in een periode waarin de geluidsfilm al zo goed als de nieuwe norm was. Ondanks pogingen de film te vertonen met gesynchroniseerde geluidseffecten werd de film geen succes en al snel vergeten. Zonde, want het is een fantastische film!

In het verhaal wordt de jonge Letty Mason (Lillian Gish) tot wanhoop gedreven als ze bij haar neef moet gaan wonen in Texas, waar het onophoudelijk hard waait met zandstormen als gevolg. Uiteindelijk door de jaloerse vrouw van haar neef het huis uitgezet, is ze gedwongen te trouwen met de arme rancher Lige Hightower (Lars Hanson). Wanneer een storm zijn piek bereikt en Lige weg is voor werk, dringt de opdringerige man Roddy (Montagu Love) Letty’s huis binnen en probeert haar te misbruiken. Uit zelfverdediging schiet ze hem dood en begraaft in paniek zijn lichaam buiten in het zand, maar de volgende ochtend blijkt dat de wind het lichaam weer heeft blootgelegd. Wanneer Lige echter terugkomt, lijkt het lichaam te zijn verdwenen. Wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden die nacht blijft een raadsel.

De film staat bekend om zijn intense psychologische spanning en expressieve cinematografie, zoals Letty’s visioen van het witte paard. Gish speelt misschien wel de rol van haar leven als de onschuldige en ongelukkige Letty. In het bijzonder moet hier de pianist José Maria Serralde Ruiz, die de film begeleidde, benoemd worden. Zijn spel was passievol en wist perfect de spanningen in de film te versterken, van de zenuwslopende, bijna tikkende melodie van de wind tot de meeslepende melodieën in de climax. De kijker werd hierdoor volledig meegenomen in Letty’s waanzin en zat vijf kwartier op het puntje van de stoel om na de slotakkoorden de ingehouden adem eindelijk los te kunnen laten.

Film / Reportage
special: Stomme film is niet stom!
Campagnebeeld NSFFNederlands Silent Film Festival

Nederlands Silent Film Festival 2025

Vier dagen lang stond het gezellige Pand P in Eindhoven in het teken van de stille film tijdens het Nederlands Silent Film Festival. Op de inmiddels alweer achtste editie van het festival werd een afwisselend programma vertoond van oude klassiekers, onbekende werken en recente restauraties.

Nadat geluid was doorgedrongen in Hollywood in de twintiger jaren van de vorige eeuw, wilde het publiek al snel niets anders meer. Door de jaren heen werd stille film steeds meer gezien als primitief, saai en misschien zelfs een beetje oubollig. Totaal onterecht! Wereldwijd zijn er daarom steeds meer mogelijkheden om stille films te bewonderen op het witte doek. In Nederland laat het Nederlands Silent Film Festival (NSFF) zien dat deze vooroordelen onjuist zijn en dat stille films juist een kunstvorm op zichzelf zijn.

Het NSFF was dit jaar groter dan ooit. Met vijftien unieke programma’s zat er voor iedereen wel iets bij: slapstick, drama, familiefilms en thrillers. De films werden uiteraard niet in stilte vertoond. Zoals gebruikelijk was in de periode van de stille film werden de films voorzien van live muziekbegeleiding. Het was de taak van de musicus om de emoties en beelden muzikaal te begeleiden en te versterken. Dit deden musici vaak al improviserende. De begeleiding kon variëren in instrumenten. Zo kon er enkel pianobegeleiding zijn, maar ook begeleiding van een volledig orkest, zoals bij het hoogtepunt van het festival het geval was: de vertoning van Harold Lloyds Grandma’s Boy (1922, Fred C. Newmeyer) tijdens Slapstick Saturday.

Dat er interesse is in deze oude filmvorm was duidelijk te zien aan de volle zalen. Vanuit de hele wereld trok het festival geïnteresseerden. Wie voor- of achteraf meer wilde lezen over de films kon op de website van het NSFF grasduinen door de digitale catalogus. Hierin is over bijna iedere film en ieder programma een verdiepende tekst opgenomen. Hiermee wilde het NSFF de kennis over de stille film verspreiden. Het mag duidelijk zijn dat dit een enorm onderzoekswerk vergt, en de catalogus toont aan hoeveel liefde de organisatie heeft voor de films die ze programmeert.

8WEEKLY geeft een korte reportage van wat er te zien was tijdens de achtste editie van het NSFF.

Kid Boots (1926, Frank Tuttle)

Sterren: 4/5

Met deze energieke en indrukwekkende openingsfilm, vertoond in een recente, prachtige 4K-restauratie, zette het festival direct de toon. De film, door het NSFF omschreven als ‘knotsgekke romantische komedie’, volgt de onhandige, maar charmante kledingverkoper Kid Boots (de ‘vergeten’ komediester Eddie Cantor). Hij helpt zijn vriend Tom Sterling (Lawrence Gray) om een lastige echtscheiding te voorkomen en wordt daarbij verliefd op de mooie Clara McCoy (Clara Bow). Zoals het een echte slapstick betaamt, raakt Kid in allerlei komische situaties verzeild die alsmaar gekker worden. De fysieke komedie van Cantor is daarbij geweldig. Compleet dubbelgevouwen, een fysiobehandeling in de elektrische stoel of een flink pak slaag door Clara’s jaloerse vriend Big Boyle (Malcolm Waite); het is precies wat je bij een slapstick verwacht. De climax van de film, de race tegen de klok te paard door de bergen, is door het stuntwerk en de buitensporigheid absoluut fenomenaal om naar te kijken. Met zijn energieke pianobegeleiding gaf pianist en festivaldirecteur Daan van den Hurk extra vaart aan het slapstickspektakel op het scherm.

The Symbol of the Unconquered: A Story of the Ku Klux Klan (1920, Oscar Micheaux)

Sterren: 3/5

Filmstil

Bij het vertonen van films die bijna een eeuw oud zijn, is het onvermijdelijk dat verouderde wereldbeelden doorklinken. In veel stille films spelen vrouwen bijvoorbeeld een ondergeschikte rol, en niet zelden zijn de films racistisch getint en bevatten ze stereotypen, zoals het gebruik van yellowface. Het NSFF kiest er bewust voor om deze films te tonen en de problematiek niet te negeren, maar juist bespreekbaar te maken. Dit doet het festival onder meer door The Symbol of the Unconquered te vertonen, een film van de Afro-Amerikaanse pionier Oscar Micheaux, die een alternatief geluid laat horen.

Het verhaal volgt Eve Mason (Iris Hall), een jonge zwarte vrouw met een lichte huid, die na de dood van haar grootvader naar het westen reist om diens land op te eisen. Ze krijgt te maken met racistische landeigenaren die haar buurman, de zwarte pionier Hugh Van Allen (Walker Thompson), van zijn grond willen beroven (met hulp van de Ku Klux Klan). Terwijl Hugh vecht tegen deze dreiging, moet Eve haar identiteit en positie in een vijandige samenleving onder ogen zien.

De film is cinematografisch weinig bijzonder; het camerawerk blijft binnen de standaard van een reguliere film en de scènes met de KKK zijn duidelijk gericht op sensatie. Wat Micheaux wel biedt, is een alternatief voor de racistische beeldvorming die destijds dominant was in Hollywood, vooral in films als The Birth of a Nation (1915, D.W. Griffith). Micheaux laat een verhaal zien waarin zwarte personages autonomie tonen en raciale ongelijkheid expliciet wordt aangekaart. Hierdoor heeft de film een belangrijke historische waarde.

Voorafgaand aan de voorstelling ging festivaldirecteur Van den Hurk in gesprek met Jerry Afriyie van Nederland Wordt Beter, een organisatie die zich inzet voor meer bewustwording rond racisme en ongelijkheid. Dit gesprek plaatste de film in een breder perspectief en opende een dialoog over de relevantie en problematiek ervan.

Nice Work (If You Can Get It)

Sterren: 3/5

Ook de rol van vrouwen wordt al meerdere jaren uitgelicht tijdens het festival. Filmwetenschappers Anke Brouwers en Kate Saccone zijn al vaker te gast geweest om hier dieper op in te gaan.

Het dit jaar samengestelde programma Nice Work (If You Can Get It) bestond uit een aantal korte films of fragmenten die focussen op vrouwen aan het werk, een recht dat helemaal niet vanzelfsprekend was in het stille film-tijdperk. Getrouwde vrouwen werden namelijk lange tijd als handelingsonbekwaam beschouwd (in Nederland zelfs tot 1956). Zij konden bijvoorbeeld zonder toestemming van hun man geen arbeidsovereenkomst aangaan of een bankrekening openen.

De introductie van dit programma was wat aan de korte kant en had zeker langer mogen zijn. Desalniettemin schetste dit programma door het samenbrengen van veelzijdige en weinig vertoonde fragmenten en films (waarvan slechts een aantal hier besproken wordt) een interessant beeld van de positie van vrouwen in het werkveld in deze periode. Het programma draaide daarbij niet alleen om vrouwen aan het werk voor de camera (bijvoorbeeld arbeidsters in een fabriek zoals in het korte fragment Girls Taking Time Checks uit 1904), maar ook om vrouwen aan het werk achter de camera (zoals de stop-motion film Monsters of the Past (1923) van de kleikunstenares Virginia May). Deze korte en ludieke animatiefilm vertelt het verhaal van een tyrannosaurus rex die in een bloederig gevecht belandt met een triceratops.

In de fragmenten wordt ook stilgestaan bij het textielambacht, zoals in de documentaire In Sheep’s Clothing (1932) van Jenny Brown, een Schotse regisseuse die haar films als soloprojecten produceerde. De documentaire toont prachtige beelden van eilandarbeiders, vrouwen, op de Shetlandeilanden aan het werk om een gevraagde trui te maken: het plukken van de schapen, het kaarden en spinnen van de wol, het twijnen van de woldraden en het uiteindelijk breien van een trui tussen de dagelijkse huishoudelijke taken door. Het is een hele opgave. De schapen worden prachtig in beeld gebracht en de schattige, speelse kitten op schoot bij een van de vrouwen is een komische onderbreking. Hoewel Brown geen formele filmopleiding genoot, had ze overduidelijk aanleg voor filmen.

The Wind (1928, Victor Sjöström)Filmstil

Sterren: 5/5

De afsluiter van het festival was een meeslepende thriller die bijzonder genoeg gerealiseerd werd als stille film in een periode waarin de geluidsfilm al zo goed als de nieuwe norm was. Ondanks pogingen de film te vertonen met gesynchroniseerde geluidseffecten werd de film geen succes en al snel vergeten. Zonde, want het is een fantastische film!

In het verhaal wordt de jonge Letty Mason (Lillian Gish) tot wanhoop gedreven als ze bij haar neef moet gaan wonen in Texas, waar het onophoudelijk hard waait met zandstormen als gevolg. Uiteindelijk door de jaloerse vrouw van haar neef het huis uitgezet, is ze gedwongen te trouwen met de arme rancher Lige Hightower (Lars Hanson). Wanneer een storm zijn piek bereikt en Lige weg is voor werk, dringt de opdringerige man Roddy (Montagu Love) Letty’s huis binnen en probeert haar te misbruiken. Uit zelfverdediging schiet ze hem dood en begraaft in paniek zijn lichaam buiten in het zand, maar de volgende ochtend blijkt dat de wind het lichaam weer heeft blootgelegd. Wanneer Lige echter terugkomt, lijkt het lichaam te zijn verdwenen. Wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden die nacht blijft een raadsel.

De film staat bekend om zijn intense psychologische spanning en expressieve cinematografie, zoals Letty’s visioen van het witte paard. Gish speelt misschien wel de rol van haar leven als de onschuldige en ongelukkige Letty. In het bijzonder moet hier de pianist José Maria Serralde Ruiz, die de film begeleidde, benoemd worden. Zijn spel was passievol en wist perfect de spanningen in de film te versterken, van de zenuwslopende, bijna tikkende melodie van de wind tot de meeslepende melodieën in de climax. De kijker werd hierdoor volledig meegenomen in Letty’s waanzin en zat vijf kwartier op het puntje van de stoel om na de slotakkoorden de ingehouden adem eindelijk los te kunnen laten.

Film / Films

Bob Dylan: een weinig sympathieke wereldster

recensie: A Complete Unknown – James Mangold
A Complete Unknown2024 Searchlight Pictures All Rights Reserved.

‘Ze vragen me waar de liedjes vandaan komen’, zegt Bob Dylan tegen zijn vriendin in de biopic A Complete Unknown. De Dylan in deze film is altijd en overal als een bezetene bezig met het schrijven van zijn songs en muziek. Regisseur James Mangold maakt van de singer/songwriter een kettingroker en een zuipschuit, en een tamelijk wereldvreemde, solistische figuur.

In 1961 komt Bobby Zimmerman aan in New York City. Hij heeft zichzelf dan al omgedoopt in Bob Dylan. Bobby (Timothée Chalamet) is op zoek naar folkicoon Woody Guthrie. Maar die ligt op dat moment al ernstig ziek in een hospice. Wanneer Dylan hem bezoekt, treft hij Pete Seeger naast Guthrie’s bed. Seeger (1919-2014) is folk singer-songwriter, hij heeft bijvoorbeeld het anti-oorlogslied ‘Where Have All the Flowers Gone’ geschreven. In de Dylan biopic A Complete Unknown is de ontmoeting met Seeger voor Bobby het keerpunt. Seeger ziet onmiddellijk het talent in de knul.

Protestsongs

Bob Dylan (Duluth, Minnesota, 1941) is de schrijver en zanger van talloze liedjes en platen. In de jaren zestig en zeventig werd hij vooral bekend om zijn protestsongs tegen het beleid van de regering van de VS in het algemeen en tegen oorlogen die Amerika voerde in het bijzonder. Zijn werk is hier te lande vooral bekend bij mensen die ouder zijn dan vijftig jaar.
Regisseur Mangold maakte de biopic A Complete Unknown op basis van de biografie Dylan Goes Electric! (2015) van Elijah Wald. Mangold tekende eerder voor Walk the Line (2005), de biopic over Johnny Cash.

Chalamet

De film bestrijkt de periode van Dylans aankomst in New York in 1961 tot het moment in 1965 waarop hij op een folkfestival kiest voor de elektrische gitaar en rock & roll-achtige ballads en protestsongs speelt. Huur de getalenteerde Timothée Chalamet in om Dylan te spelen, en je hebt meteen een film die interessant is om naar te kijken. Chalamet laat hem uitgroeien van een nauwelijks-communicerende, door muziek geobsedeerde jongvolwassene tot een eigenwijze singer/songwriter die zijn eigen weg gaat en zich door niemand iets laat afdwingen. Hij is ontrouw en lastig tegenover zijn vriendinnetjes, onder wie singer/songwriter Joan Baez. En moeilijk om mee te werken voor bandleden en platenbazen.

Verdraaid

De plot verdraait een aantal bekende feiten, deels om het verhaal van de zanger aantrekkelijker te maken, deels om het glad te strijken.
Bijvoorbeeld. De overlevering wil dat Dylan op zijn 19e, in 1961, van Minnesota naar New York liftte, dan wel meereisde op een goederentrein. In werkelijkheid reed hij gewoon zelf, in een Chevrolet Impala.
Dylans eerste serieuze vriendin heet in de film Sylvie Russo (gespeeld door Elle Fanning); dit is een pseudoniem voor Suze Rotolo (1943-2011). Haar naam is op verzoek van Dylan zelf veranderd, omdat ze nooit een Bekende Amerikaanse is geworden.
En de ‘doorbraak’ van Dylan op de vermaledijde elektrische gitaar, op het Newport Folk Festival in 1965 betekende geen breuk met de folkartiesten omdat Dylan akoestisch verruilde voor elektrisch. De folkgemeenschap keerde zich van Dylan af omdat zij expliciet linksgeoriënteerd waren en hij niet.

Lammy winterjas

Chalamet zet een fijne Dylan neer. Waar deze Dylan ook is of in welk gezelschap, hij werkt zich monomaan te pletter op zijn muziek. De visagie geeft Chalamet een krullenkop, bakkenbaarden, paarse lijnen onder de ogen; kostuumontwerp trekt hem een beige lammy winterjas en jeans aan, en daar staat Dylan. Chalamet speelt Dylan niet alleen, er zitten ook veertig liedjes in de film waarin hij zelf zingt, gitaar speelt en mondharmonica speelt.
Een hele partij vroege hits passeert de revue, van ‘Blowin’ in the Wind’ tot ‘Like a Rolling Stone’. De film heeft vijf jaar bij regisseur Mangold in de pijplijn gezeten, mede vanwege de coronapandemie en de staking van Hollywoodmedewerkers. Dat oponthoud gaf Chalamet vijf jaar de tijd om alle soorten muziekles te nemen.

Geloofwaardig wordt het personage doordat Chalamet hem onder zware wenkbrauwen uit laat kijken, met een zware stem en met lange tussenpozen laat spreken. Zijn Dylan is nauwelijks sympathiek te noemen, en mogelijk is de man dat ook niet echt. De aankomende ster lijdt hevig onder zijn toenemende beroemdheid, hij kan niet vrijelijk de straat over zonder door fans te worden lastiggevallen.

Edward Norton

Ronduit geniaal is Edward Norton als Pete Seeger. Voorzien van aanplak-wipneus en met indrukwekkende kale inhammen in het haar zet Norton de vaderlijke folkzanger zeer overtuigend neer. Nortons Seeger houdt alle ballen tegelijk in de lucht, door zowel Dylan, de muziekwereld als zijn eigen gezin tevreden te houden. Nortons Seeger kijkt, zwijgt, en grijpt pas sussend in als alles al verloren lijkt.
Ook Norton zingt en bespeelt zelf zijn instrumenten; net als Monica Barbaro, die Joan Baez speelt. Baez komt niet echt uit de verf, haar personage blijft oppervlakkig. Eigenlijk moet de kijker al weten wie Baez is, want heel veel informatie wordt niet gegeven.

Lang

A Complete Unknown duurt 2 uur 20 minuten. Dat is erg lang, maar door de serieuze ontwikkeling die Mangold Dylan laat doormaken, verveelt hij geen moment. Het is een beetje een oude-mensen-film, spelend in de jaren zestig, en handelend over een zanger die inmiddels 83 jaar is. Maar aan liefhebbers van Bob Dylan is hij beslist besteed.

A Complete Unknown draait vanaf donderdag 20 februari 2025 in de bioscopen.

Film / Films

Chaotische alleenstaande moeder pakt de draad weer op

recensie: Bridget Jones: Mad About the Boy (2025) – Michael Morris

Het is een zooitje in het huis van Bridget Jones. Die puinhoop is een soort afspiegeling van de chaos in haar hoofd: rommelig, maar wel gezellig. Haar vrienden vinden het de hoogste tijd dat Bridget de schouders eronder zet om het tij te keren.

Voor Bridget Jones-fans die het maar suf vonden dat hun idool dankzij haar moederschap klaar was met haar eeuwigdurende mannenjacht, betekent Bridget Jones: Mad About the Boy bij voorbaat feest. Schrijver Helen Fielding en de filmmakers moeten hebben gedacht: er is voor die diehard fans vast nog méér te verzinnen rond de onhandige Britse. De regie is voor deze vierde film in handen van Michael Morris.

Om een vervolg te kunnen maken waarin Bridget (Renée Zellweger) opnieuw op mannenjacht gaat, moet wel haar Grote Liefde Mark Darcy (Colin Firth) het veld ruimen. Als de film begint, is Bridget weduwe. Mark is omgekomen tijdens een humanitaire missie in Soedan. Mark is in deze film alleen aanwezig als een geest die op bijzondere momenten meekijkt over Bridgets schouder. De treurende ‘mrs Darcy’ heeft een zoon en een dochter van Mark.

Alleenstaande moeder

Uitgangspunt is zo een werkloze alleenstaande moeder die nauwelijks in staat is haar twee koters te beteugelen. Steun en toeverlaat is de vuilbekkende uitgever Daniel Cleaver, die van voormalige love-interest is verworden tot een huisvriend die door de kinderen ‘uncle Daniel’ wordt genoemd.

Bridget opereert als eenzame single in een vriendenkring die integraal bestaat uit bemoeizuchtige heteroseksuele koppels. Het meest empathisch zijn nog de drie vrienden die haar al sinds deel één terzijde stonden (Sally Phillips, James Callis en Shirley Henderson).

Vermakelijk

Om van de hangerige eenzaamheid los te komen, solliciteert Bridget naar haar vroegere baan, als producer bij de televisie. Ondertussen is ze ook wel weer toe aan een nieuwe vent. Dat deel van de plot is extreem voorspelbaar, maar wel zeer vermakelijk. Je verklapt snel te veel over deze film, dus laten we het erbij houden dat tenminste twee mannen dingen naar haar hand. Bridgets aanbidders worden gespeeld door Leo Vincent Woodall als de jeugdige parkwacht Roxster en door Chiwetel Ejiofor, die goed op zijn plek is als de strenge schoolmeester.

Deze vervolgfilm is behoorlijk goed gelukt. Bridget woont niet in een net designhuis, maar in een kleurrijke puinhoop met rondslingerend speelgoed en druk behang. De kinderen, beiden met hun eigen verdriet om de verloren vader, moeten ondanks alles gewoon naar school. Omdat moeder na vier jaar thuis zitten weer werkt, krijgen ze een oppas. Het leukst is de film wanneer Bridget echt plezier heeft, zoals wanneer ze mag dansen en zingen met de kinderen.

Geloofwaardig

De rol van Bridget Jones past Renée Zellweger als een handschoen, ze hoeft nauwelijks haar best te doen om het personage geloofwaardig neer te zetten. Wel is deze Bridget karikaturaler dan die in eerdere film: Zellweger moet bijna de hele film een duckface trekken met getuite lippen, en ze loopt met stapjes van twintig centimeter.

Hugh Grant is prettig op zijn plek als Daniel Cleaver, de rokkenjager voor wie eenzaamheid dreigt nu de ouderdom hem in zijn greep heeft. Knap is dat Grant zonder te schmieren een sympathiek personage neerzet: met meer overdrijving zou Daniel meteen een eikel zijn geworden.

Daarmee is de grote kracht van Bridget Jones: Mad About the Boy niet zozeer de plot, als wel het sterke acteerwerk. De personages zijn vrijwel allemaal behoorlijk geloofwaardig. Regisseur Morris geeft zijn team wel de ruimte, maar heeft tegelijkertijd scherp voor ogen waar hij heen wil. Met een geslaagde vervolgfilm als resultaat.

 

Film / Serie

Mindfulness en moord: een goede combinatie?

recensie: Achtsam Morden - Netflix
Frigo met afgehakte vinger in© Netflix

Spannende Duitse krimi’s zijn tegenwoordig in overvloed te vinden, maar Achtsam Morden weet zich toch te onderscheiden door een verrassende en komische invalshoek: een advocaat die mindful moorden pleegt. Je moet het maar bedenken.

De achtdelige serie gaat over Björn Diemel (Tom Schilling), een strafrechtadvocaat die zo opgeslokt is door zijn veeleisende werk dat hij door zijn vrouw verplicht wordt om mindfulness-lessen te volgen. Eerst vindt Björn deze suggestie belachelijk en volkomen overbodig, maar al snel begint hij – onder leiding van zijn mindfulness-leraar Joschka Breitner (Peter Jordan) – de voordelen van innerlijke rust te ontdekken. Waar hij voorheen zijn dagen vulde met werk en nauwelijks tijd had voor zijn dochtertje, leert hij nu hoe hij ‘tijdeilanden’ kan inbouwen voor haar; dat betekent minder vaak de telefoon opnemen, in het moment leven en de criminelen die hij vertegenwoordigt even links laten liggen. Al zorgt dat wel voor de nodige problemen, maar ook deze weet Björn met kalmte en reflectie te benaderen.

Fijne balans tussen humor en spanning

Het verhaal van Achtsam Morden is gebaseerd op de gelijknamige boekenreeks van Duitse auteur en advocaat Karsten Dusse, waarvan het eerste deel in 2019 verscheen. Dusse wordt geprezen om zijn unieke en humoristische combinatie van misdaad en mindfulness. De serie behandelt mindfulness niet op een spottende manier, maar benut het juist om de complexiteit van Björns karakter te verkennen. Het contrast tussen de kalme meditatiepraktijken en de gewelddadige situaties waarin Björn zich bevindt, levert niet alleen grappige maar ook spannende momenten op. Achtsam Morden weet hiermee een fijne balans te vinden tussen humor en spanning, wat de serie bijzonder aantrekkelijk maakt voor een breed publiek.

In veel opzichten doet Achtsam Morden denken aan series zoals Breaking Bad (2008) en Ozark (2017), waar een ogenschijnlijk gewone man zichzelf verliest in de morele grijze gebieden van criminaliteit. In tegenstelling tot de personages in deze series, heeft Björn een hulpmiddel tot zijn beschikking dat zijn pad enigszins verlicht: mindfulness. Dit geeft de serie een interessant en onverwacht filosofisch tintje: kan je werkelijk moorden met een kalme geest en goede intenties, of is dit slechts zelfbedrog? Het idee van ‘mindful moorden’ is zowel absurd als intrigerend.

Sterke cast

De opbouw van de serie is sterk: een gestructureerd verhaal dat regelmatig gebruik maakt van voice-overs van Björn, die de kijker bijpraat over zijn innerlijke strijd en zijn voortdurende worsteling met zijn geweten. Deze voice-overs zijn niet alleen functioneel, maar voegen ook een humoristische toon toe die perfect past bij de duistere sfeer die de show uitstraalt. Schilling slaagt erin om de juiste balans te vinden tussen humor, charme en een zekere duisternis, waardoor zijn vertolking van Björn zowel grappig als meeslepend is. De subtiele manier waarop hij de evolutie van zijn karakter door mindfulness en moord laat zien is fascinerend en maakt van de show een echte aanrader voor liefhebbers van zwarte humor.

De bijrollen zijn eveneens uitstekend vertolkt. Marc Hosemann speelt Toni, een enge en onberekenbare crimineel, met een dreigende aanwezigheid die de spanning in de serie weet op te voeren. Zijn koude karakter vormt een interessant contrast met Björns kalme en geordende houding. Ook Sascha (Marathan Muslu) is een goed neergezet personage: een zachtaardige crimineel die Björn overal in volgt en daarom ga je twijfelen aan zijn intenties.

Samenvattend is Achtsam Morden een slimme en onderhoudende serie die zowel een spannende misdaadplot als een luchtige benadering van mindfulness biedt. Het is een verfrissende kijk op de klassieke misdaadserie, met een hoofdpersonage dat probeert zijn geweten te verzoenen met de moorden die hij pleegt.

 

Film / Serie

‘Oerverhaal’ met halfbakken dramatiek

recensie: American Primeval (2025) – Netflix
American Primeval cover©Tudum by Netflix

Utah was in 1857/58 het toneel van een machtsstrijd tussen lokale mormonen en de federale regering in Washington. Andere partijen – inheemse stammen en settlers – werden hier ongewild bij betrokken. De interessante dramaserie American Primeval rakelt deze vrij onbekende geschiedenis weer op.

Historisch is de nieuwe Netflix-serie American Primeval dik in orde. Zoals de titel al doet vermoeden, wordt het vrij snel barbaars: een karavaan van kolonisten wordt overvallen en afgeslacht door een legertje gemaskerde mannen (mormonen), geassisteerd door inheemse Paiutes. Het camerawerk sleept je onverbiddelijk mee in dit Amerikaanse ‘oerverhaal’.

De zogeheten Mountain Meadows Massacre heeft werkelijk plaatsgevonden. In 1857 was de mormoonse beweging in Utah, strevend naar zoveel mogelijk zelfbestuur, in gewapend conflict gekomen met de federale autoriteiten. Alle reizigers werden beschouwd als mogelijke bondgenoten van de vijand; complotdenkers en geruchtenmachines deden hun werk (ook toen al) volop. Met als gevolg dus een paranoïde moordpartij op landverhuizers die totaal niets met de strijd te maken hadden. De gecalculeerde inschakeling van Paiutes had uiteraard tot doel om ‘de wilden’ de schuld in de schoenen te schuiven.

Mooie couleur locale

Het script van de serie is geschreven door Mark L. Smith, die eerder al (mede) tekende voor de terecht bekroonde, uiterst rauwe film The Revenant (2015). In beschrijvingen van de serie wordt vaak gewezen op de dito bloederigheid van American Primeval. Maar eerlijk gezegd valt die best mee. Kijkers zijn het nodige gewend tegenwoordig, en hoewel er flink wat wordt gemoord op de vlakten van Utah heb je geen supermaag nodig om de zes afleveringen te doorstaan.

De beste elementen van de serie zijn de aandacht voor de historische context en de prachtige cinematografie. Alle perspectieven – zeker ook die van de inheemse Shoshone – worden vrij genuanceerd geschilderd en de aandacht voor couleur locale en natuurschoon verdient een groot compliment. Het is wel handig als je iets meer weet over dit tijdsbestek in de geschiedenis van de VS. In 1857 stonden de sterk verdeelde staten aan de vooravond van de Civil War (1861-1865), en de positie van de inheemse volken was inmiddels behoorlijk uitzichtloos geworden. Direct na de burgeroorlog, toen het Amerikaanse leger zijn handen weer vrij had, zouden er nog een paar grote, laatste Indian Wars plaatsvinden. Maar zoals de Shoshone in American Primeval al goed beseften, was vechten tegen ‘de witten’ een verloren zaak. (Leestip: Peter Cozzens, The Earth Is Weeping, 2016.)

Geijkte verhalen

De Netflix-serie concentreert zich verder op enkele individuele verhalen: soms volg je de van elkaar gescheiden echtelieden Pratt, dan weer gevluchte moeder Sara Rowell die met haar zoontje, een zwijgzame gids en een inheems meisje uit handen van justitie/premiejagers probeert te blijven. Hun belevenissen zijn weliswaar onderhoudend, maar ook wat geijkt.

De Pratts zijn de enige overlevenden van de genoemde slachtpartij, maar dat klinkt mooier dan het is. Abish Pratt (Saura Lightfoot-Leon) wordt opgepikt door Shoshone en gedwongen opgenomen in hun stam. Jacob Pratt (Dane DeHaan), half gescalpeerd en helemaal getraumatiseerd, raakt steeds verder van het padje in de zoektocht naar zijn ontvoerde Abish. Ze zullen elkaar nog een keer ontmoeten, maar wat een mooie afsluitende tranentrekker had moeten worden, werkt eerder op de lachspieren. De makers verliezen zich in dit verhaal in een overdaad aan dramatiek.

Moeder Rowell, op de vlucht na een wanhoopsdaad, heeft de beste rol in American Primeval: Betty Gilpin zet een vastberaden vrouw neer die met vallen en opstaan de ongeschreven wetten van het Wilde Westen leert kennen. De tocht met haar zoontje is avontuurlijk en spannend, en de interactie met haar gids (Taylor Kitsch) boeit ook. Al liggen een paar clichés altijd op de loer, zeker aan het eind van de serie.

Half en half

Het verhaal van de Pratts – die ‘getuigen’ waren van de slachtpartij en dus iets te vertellen hebben – is wel intelligent verweven met het conflict tussen mormonen en federale troepen. Beide partijen zijn om eigen redenen in het echtpaar geïnteresseerd. Hun voortdurende kat-en-muisspel leidt aan het eind van de serie tot een verrassende climax.

Uiteindelijk wil American Primeval iets te veel van twee disciplines zijn: geschiedenis en drama. Historisch en visueel tikt de serie goede vinkjes aan, de hele context en aankleding zijn mooi en vakkundig uitgewerkt. Daarmee is het een relevante en onderhoudende interpretatie van een niet zo bekend hoofdstuk uit het Amerikaanse verleden. Als drama is het wat minder geslaagd. De lotgevallen van de hoofdpersonen houden je aandacht wel vast, maar zijn weinig origineel en soms zelfs sentimenteel. Dat voelt een beetje als een gemiste kans. Zo is de serie leuk om een weekendje te bingen, maar niet goed genoeg om in je kijklijst te bewaren.

Film / Films

IJzersterke krachtmeting in beeldschone bergen

recensie: Alpha (2024) – Jan-Willem van Ewijk
Alpha_st_1_jpg_sd-lowFilmdepot

De relatie tussen een vader en een zoon leidt niet zelden tot generatieconflicten. In de film Alpha van regisseur Jan-Willem van Ewijk staan de verhoudingen duidelijk al langer op scherp. Bij ontstentenis van de echtgenote annex moeder worden de messen onvermijdelijk extra geslepen.

Al op de eerste dag van zijn bezoek aan zijn zoon in Zwitserland toont vader Gijs zich een negatieve eikel. Hij heeft kritiek op alles wat zoon Rein heeft en doet. ‘Dus hier heb je je verstopt’, is pa’s neerbuigende reactie op het sobere appartementje dat snowboardinstructeur Rein bewoont in een wintersportresort. Reins favoriete diner vindt pa ruk, zijn baantje als snowboardinstructeur is beneden zijn stand, zoon moet musicus worden.

Autobiografische elementen

Vader en zoon worden gespeeld door Gijs Scholten van Aschat en zoon Reinout Scholten van Aschat, hun personages heten ‘Gijs’ en ‘Rein’.
Ze speelden al eerder allebei in Zee van tijd (2022) van regisseur Theu Boermans. Alleen speelden ze in die film niet samen of tegelijkertijd, omdat ze hetzelfde personage neerzetten: Reinout als jonge man, Gijs als diezelfde man maar dan ouder.
De goede verstaander herkent in de personages in Alpha veel autobiografische elementen van de spelers, zoals het grapje dat Gijs in Nederland een beroemde acteur is, dat Rein veel bezig is met muziek, en dat beiden houden van wintersport.

Etterbak

Alpha is een expliciete krachtmeting tussen een vader en een zoon. Twee koppige, eigenwijze alfamannetjes, al is de vader een pedante, betweterige etterbak en de zoon een innemende, zachtaardige allemansvriend. Vader overschreeuwt zijn zoon. Vader wil tegelijkertijd de autoritaire nestor zijn én gelijkwaardig aan de vrienden van Rein; en dan wil vader ook nog het recht hebben zo nodig om hulp te vragen omdat hij oud is.
Het karakter van Rein is minder gelaagd, wat zijn drijfveren zijn blijft goeddeels in de schaduw. Beiden jongleren met het gegeven dat leven en dood dicht bij elkaar liggen.

Acteerduels

Deze film is onvermijdelijk een wedstrijdje hard-acteren tussen Gijs en Reinout Scholten van Aschat. Het is een genot naar hun acteerduels te kijken. De spelers krijgen van regisseur Van Ewijk veel ruimte om in hun tekstbehandeling te versnellen of juist rustig de tijd te nemen, waardoor dialogen uiterst naturel overkomen. Dat komt de geloofwaardigheid van de – fictieve – familieverhouding en die van de plot (scenario: Jan-Willem van Ewijk) ten goede.
Natuurlijk vindt de ultieme krachtmeting plaats op een besneeuwde bergtop, waar vader zich groothoudt op een plek waarop zoon volledig op zijn gemak is.

Beeldschoon

De fotografie is beeldschoon. De film is niet gedraaid in Zwitserland, maar in de bergen van Slovenië. Die vormen een zeer fotogeniek decor, waarin afdalingen op snowboard of ski’s fraai in beeld kunnen worden gebracht (fotografie: Douwe Hennink, NSC). De soundscape van voornamelijk elektronische muziek (componist: Ella van der Woude) onderstreept de sereniteit van dat kalme maar krachtige landschap. Beeld en geluid ondersteunen zo effectief de toppen en dalen in de krachtmeting tussen vader en zoon.

Lang

Jammer is dat Alpha met een duur van honderd minuten echt te lang is. Dat komt onder andere door de nogal erg trage wending aan het einde van de vertelling. Maar het komt zeker ook door de ‘mooifilmerij’. Het is verleidelijk besneeuwde toppen uitgebreid te filmen, met het zonlicht erop, of met laaghangende nevel ertussen. Maar al die fraaie plaatjes nemen wel errug veel tijd in beslag.
Die elementen halen helaas een beetje van de glans weg van het pareltje dat Alpha overigens wel degelijk is.

 

Alpha draait vanaf 13 februari 2025 in de bioscopen.

Film / Documentaire

Thuiskomst: een documentaire die getoond moet worden

recensie: Dahomey – Mati Diop

Het is november 2021; 26 schatten die 130 jaar geleden door Franse kolonisten werden gestolen uit het voormalige West-Afrikaanse ‘Dahomey’ rijk (nu Benin) staan op het punt terug te keren naar hun land van herkomst. Een spannende gebeurtenis. Maar waarom heeft dat zo lang moeten duren?

De documentaire, die tijdens het filmfestival van Berlijn bekroond werd met de Gouden Beer, volgt de 26 gestolen schatten die door Frankrijk teruggegeven worden. De film laat zien dat een antwoord vinden op de eerder gestelde vraag –  waarom dit culturele erfgoed pas na 130 jaar teruggegeven wordt – toch niet zo makkelijk is. Sterker nog, regisseur Mati Diop laat in de documentaire zien dat het onderwerp van koloniale roofkunst nauw samenhangt met vragen over het museum als instituut, culturele identiteit, de gevolgen van (de)kolonisatie en geografische machtsverhoudingen. Geen makkelijke klus dus om te behandelen in een documentaire van nog geen zeventig minuten.

Een bijzondere ervaring

Met Dahomey heeft Diop een gecompliceerd onderwerp uitgekozen en ze presenteert deze op originele wijze. Waar documentairemakers in veel gevallen informatieverstrekking als doel zien en de vorm waarop deze gepresenteerd wordt wat simpel blijft, – denk aan een voice-over, afgewisseld met re-enactments van belangrijke momenten – kiest Diop juist voor een heel andere aanpak: ze geeft een stem aan de objecten, in dit geval een standbeeld van koning Ghézo, nummer 26. Deze stem, opgebouwd uit meerdere lagen van mannen- en vrouwenstemmen, vertelt in totale duisternis op poëtische wijze over zijn herinneringen aan zijn thuisland.

We volgen dit standbeeld, hoe het zorgvuldig wordt ingepakt in het Musée du quai Branly in Frankrijk en met vreugde wordt onthaald in Bénin, waar het vervolgens in een soortgelijke glazen kast geplaatst wordt als waar het een aantal dagen eerder uit gehaald werd. De stem vertelt dat hij op zoek is. Hij heeft vragen, twijfelt over zijn bestaan en over een thuis dat hij na al die jaren niet meer herkent. Is hij nu eigenlijk wel thuis? Op deze manier brengt Diop een onderliggende vraag naar boven: wat is ‘thuis’ voor een voorwerp dat zolang weg is geweest? En behoren deze beelden eigenlijk wel in een museum? Maar als ze niet in een museum horen, waar dan wel?

Met het strakke camerawerk geeft Diop nieuwe betekenissen aan bestaande concepten: de kille gangen van het museumdepot met camerabewaking op iedere hoek geven het idee van een gevangenis. Op deze manier presenteert Diop gelaagde informatie en slimme vergelijkingen, waardoor je met een nieuwe blik naar zaken kijkt.

Complexe materie

Hoewel de documentaire een interessante insteek heeft en er visueel adembenemend uitziet, blijft er toch ergens iets knagen. Doordat het een documentaire is over een gevoelig en ingewikkeld probleem is context juist van belang. Deze context mist echter in Dahomey doordat Diop de kunstzinnigheid op de voorgrond plaatst. Hierdoor zal de documentaire voor publiek dat zich minder bewust is van de discussies rondom koloniale roofkunst moeilijker te volgen zijn.

Desondanks slaagt de film er wel bijzonder goed in de emotie die gepaard gaat met koloniale roofkunst te vangen. In de documentaire worden herhaaldelijk momenten getoond van een studentendebat dat gehouden werd in Bénin over de terugkomst van de 26 voorwerpen. Wat betekent de teruggave voor het land en voor deze studenten persoonlijk? De meningen hierover blijken zeer divers. Dit intellectuele debat dient voor de kijker als ‘crashcourse’ waarin de belangrijkste punten die horen bij de discussies over koloniale roofkunst aan bod komen, zoals culturele identiteit en de nog altijd voelbare gevolgen van kolonisatie. Het debat is geen college, het laat juist de trots en vreugde zien dat de beelden terug zijn, maar ook het verdriet en de frustratie dat het slechts 26 objecten van de 7000 voorwerpen zijn die in de negentiende eeuw gestolen werden door de kolonisten. Dit debat, samen met de beelden van gefascineerde bezoekers die voor het eerst oog in oog staan met voorwerpen uit hun geschiedenis, toont prachtig hoe emotioneel beladen dit onderwerp is.

De documentaire biedt geen antwoorden, want eenduidige antwoorden zijn er niet, maar geeft de kijker de ruimte om zelf na te denken over deze vragen. Hij prikkelt de geest en schetst een beeld van de situatie zonder te oordelen. Door zijn originele vorm laat hij de kijker voelen wat de teruggave van roofkunst doet met de inwoners van Bénin, iets wat niet in woorden te bevatten is. Een documentaire die dus gezien moet worden.

Film / Films

Een indringende blik op hoop en rehabilitatie

recensie: Sing Sing - Greg Kwedar
FilmstilFilmdepot

Kan kunst een man rehabiliteren? In New York is inmiddels bewezen dat kunst dit inderdaad kan. Van de gevangenen die meedoen aan het RTA-programma (Rehabilitation Through the Arts) recidiveert maar 3%, tegenover het Amerikaanse gemiddelde van 60% (bron: CBS News). Het RTA-programma loopt nog steeds in zes gevangenissen in de staat New York.

Regisseur Greg Kwedar was de film Transpecos (2016) aan het draaien in een gevangenis, waar hij in een cel een gevangene met een asielhond zag. Hierdoor geïntrigeerd ging hij op zoek naar meer voorbeelden van een andere houding ten opzichte van gevangenen. In het blad Esquire zag hij het artikel ‘The Sing Sing Follies’ van John H. Richardson uit 2005 over een theater rehabilitatieprogramma in de Sing Sing-gevangenis in New York. Dit werd de inspiratie van de film Sing Sing.

Een trage start, maar een beloning voor geduld

De eerste akte van Sing Sing kan omschreven worden als enigszins stroperig. Kwedar neemt de tijd om het decor te schetsen en de personages te introduceren, wat soms ten koste gaat van de spanningsboog van de kijker. Het lijkt alsof de film zich aarzelend beweegt, misschien om de sombere realiteit van het gevangenisleven te benadrukken. Dat sombere zie je terug in de kale, grauw gekleurde gangen van de gevangenis. Toch voelt deze aanpak aanvankelijk te bedachtzaam, waardoor het lastig is om meteen volledig betrokken te raken.

Maar wie volhoudt wordt rijkelijk beloond. Zodra het theaterprogramma in volle gang is, ontvouwt zich een wereld vol emotie, humor en onverwachte schoonheid. Het is hier dat de film zijn ware kracht toont: het vermogen om menselijke connectie te verbeelden in een omgeving waar die normaal gesproken wordt onderdrukt.

Colman Domingo: een meesterlijke vertolkingFilmstil

Colman Domingo is zonder twijfel het hart van de film. Zijn performance is subtiel en krachtig, en hij weet zowel de gebrokenheid als de vastberadenheid van zijn personage op meesterlijke wijze over te brengen. Domingo belichaamt een mentorfiguur die de mannen om hem heen inspireert en ondersteunt, terwijl hij zelf worstelt met zijn verleden en de vraag of verlossing werkelijk mogelijk is.

De chemie tussen Domingo en de rest van de cast is organisch en geloofwaardig. Wat de film bijzonder maakt en een extra laag authenticiteit aan de film toevoegt, is dat veel van de acteurs voormalige gevangenen zijn. Zo speelt voormalig RTA-lid Clarence Maclin Jr. zichzelf. Hun verhalen en emoties voelen en zijn rauw en echt, waardoor de grens tussen fictie en realiteit vervaagt.

Theater als middel tot bevrijding

FilmstilHet theaterprogramma in Sing Sing fungeert als metafoor voor persoonlijke groei en rehabilitatie. Voor de mannen biedt het podium een kans om hun pijn en fouten onder ogen te zien en zichzelf opnieuw uit te vinden. De gevangenen in het oorspronkelijke RTA-programma dachten dat ze ‘gewoon’ gingen acteren in een toneelstuk. Zij hadden niet door dat hun hele wezen aan het veranderen was, dat ze trauma’s aan het verwerken waren en dat ze diepe oprechte vriendschappen aan het vormen waren.

Kwedar weet dergelijke scènes prachtig vast te leggen. Zijn regie is ingetogen, bijna documentair, en richt zich op de gezichten en stemmen van de acteurs. Het resultaat is een film die even intiem als universeel aanvoelt.

Voor wie op zoek is naar diepgang en hart

Sing Sing is een film die je even de tijd moet geven, maar die uiteindelijk diepe indruk maakt. Kwedar levert een genuanceerd en ontroerend portret van rehabilitatie, gedragen door een uitmuntende Domingo en een cast die authenticiteit ademt. Wat begint als een trage vertelling ontwikkelt zich tot een inspirerend verhaal over de veerkracht van de menselijke geest en de helende kracht van kunst.

Met Sing Sing toont Kwedar dat er zelfs in de somberste omstandigheden ruimte is voor hoop en menselijkheid. Dit is een film die je niet alleen laat nadenken, maar die ook voelt als een warme omhelzing voor iedereen die gelooft in tweede kansen. Een absolute aanrader voor wie op zoek is naar cinema met diepgang en hart.

 

Sing Sing draait vanaf 23 januari in de bioscoop.

Film / Films

Prachtig verbeeld surrealisme open voor eigen interpretatie

recensie: Mr. K - Tallulah H. Schwab
Mr. K in hotel© Filmdepot

Een rondreizende illusionist treedt op in zalen voor een ongeïnteresseerd publiek en heeft het gevoel dat zijn leven nergens heen gaat. Als hij een kamer boekt voor de nacht in een afgelegen hotel denkt hij dat het slechts een plek is om te overnachten, maar dat loopt anders.

Titelfiguur Mr. K (Crispin Glover) staat de volgende ochtend op en wil vertrekken, maar de uitgang lijkt verdwenen. K ontmoet tijdens zijn zoektocht een reeks excentrieke personages die allemaal geaccepteerd lijken te hebben dat ze in het hotel opgesloten zitten. Hij komt terecht in de keuken waar hij een baan krijgt en vindt er vluchtig iets van vriendschap en acceptatie. Maar als hij achter de schokkende waarheid komt, iedereen waarschuwt en een plan wil maken om samen te ontsnappen, keren de bewoners zich tegen hem.

Kafkaëske taferelen

Dat de K van Mr. K een verwijzing is naar Franz Kafka is duidelijk. Voor Mr. K is het startpunt van een kafkaëske nachtmerrie wanneer hij de uitgang van het hotel maar niet kan vinden. In de keuken vergeet hij even dat hij naar de uitgang op zoek was, maar hij kan het ongemakkelijke gevoel dat hij heeft niet onderdrukken: er is iets mis. Waarom barsten de waterleidingen? Wat is die rare aderachtige structuur achter het behang? Waarom kan niemand weg uit het gebouw? De vragen leiden tot een schokkende conclusie. Mr K ontpopt zich tot een leider en probeert voor iedereen een uitweg te vinden, maar voornamelijk voor zichzelf.

Mr. K met zussen

foto: Kris de Witte, Lemming Film a Private View

Bont gezelschap van verschillende nationaliteiten

Mr. K ontmoet de Engelse maar francofiele zussen Ruth (Fionnula Flanagan) en Sara (Dearbhla Molloy), die hem oprecht willen helpen, maar dan het liefst met koffie en een koekje. De chef in de keuken (Noorse Bjørn Sundquist) blijkt geobsedeerd door eieren en denkt dat Mr. K een groot talent is. Zijn dochter Melinda (Esmee van Kampen uit Nederland) heeft wel of niet een oogje op hem. Ook wordt hij snel de kamer uitgewerkt als de flamboyante Gaga (de Zwitsers-Hongaarse Sunnyi Melles) in bad gaat.

Mr. K ontwikkelt zich van een onwillige – door zichzelf uitgeroepen – ‘niemand’ tot een hardwerkend ‘iemand’ in het gebrekkige kapitalistische systeem van de keuken. Om zich vervolgens even tot revolutionair te ontpoppen, en uiteindelijk toch weer als egocentrisch personage te eindigen. Is dit personage een held of een lafaard? Vertegenwoordigt hij iets? Is het allemaal gewoon chaos? Tallulah Schwab laat het aan de kijker om dit te interpreteren.

Surrealisme op magische manier verbeeldt

Er is iets aan de hand met het hotel: er kan van alles gebeuren en dat heeft de Noors-Nederlandse regisseur Tallulah H. Schwab op interessante wijze ingevuld. Er klinkt ook steeds gebonk en dat komt niet door het fanfarekorps dat op ongewenste momenten uit luikjes in de gangen verschijnt en je achtervolgt voor een polonaise. Met alle mysterieuze gangen en kamers is het hotel prachtig verbeeld: een feest voor het oog. Maar ondanks de mooie plaatjes blijft het verhaal te open voor interpretatie. In zo’n mate dat het zich opstapelt en de beleving in de weg zit. Het einde is eigenlijk te veel van het goede en dit is jammer.

Het is hoe dan ook een film die je aan het denken zet, die vraagtekens oproept en die je zintuigen prikkelt. Hij blijft je bij en zal onderwerp van gesprekken zijn. Wie ben jij: een Mr. K die niet kan doen of alles goed en wel is en daarop reageert, of een van de bewoners die al het angstige buitensluit en dingen niet wil veranderen?

 

Vanaf donderdag 16 januari in de bioscoop

Film / Films

Pijn verspreid over generaties

recensie: A Real Pain - Jesse Eisenberg
Twee mannen© The Walt Disney Company,

Voor veel acteurs die lange tijd voor de camera staan lijkt de regisseursstoel vroeg of laat onvermijdelijk; zo ook voor Jesse Eisenberg, onder andere bekend als Mark Zuckerberg in The Social Network. Na een wisselvallig ontvangen regiedebuut probeert hij het opnieuw met A Real Pain – een succes.

Het is een ongebruikelijk decor voor een komedie: twee neven reizen met een groep door Polen en bezoeken voormalige concentratiekampen om, ter ere van hun overleden oma, hun familiegeschiedenis te ontdekken. Beiden zijn Joods, maar hun persoonlijkheden verschillen als dag en nacht; Jesse Eisenberg speelt de introverte, neurotische neef David die leeft van structuur en controle, terwijl Kieran Culkin de show steelt als zijn tegenpool Benji: een chaotische, impulsieve orkaan die elke confrontatie moeiteloos aangaat.

Net als in zijn eerdere regiewerk voor het theater, richt Eisenberg zich vooral op de personages en minder op het plot. David worstelt met een dwang- (OCD) en een angststoornis, terwijl Benji duidelijk kampt met onbehandelde mentale problemen die hij hardnekkig ontkent. Deze persoonlijke worstelingen worden in de film tegenover een veel groter, collectief trauma geplaatst: de verschrikkingen van de vernietigingskampen in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Authentieke personages

Vanaf het eerste moment weet Culkins personage Benji je te irriteren, te intrigeren en zelfs te vermoeien, en precies dáár ligt de kracht van zijn rol. Zijn personage is extravagant en openhartig, maar tegelijkertijd vals, egoïstisch en soms ronduit onuitstaanbaar. Het is een gedurfde keuze om een onsympathiek karakter te gebruiken in een film die zo sterk leunt op de dynamiek tussen de personages. Eisenberg is zich hier echter volledig van bewust en neemt de tijd om dit ongemak te verkennen, waarbij hij zowel de grenzen van het personage als het geduld van de kijker opzoekt. Voor wie bereid is dit ongemak te doorstaan, biedt de film echter een beloning: Culkins personage toont barsten in zijn façade, waardoor langzaamaan een kwetsbare kern zichtbaar wordt. Dit werpt niet alleen nieuw licht op zijn karakter, maar ook op hoe zijn gedrag de groepsdynamiek verstoort én vormgeeft.

Indrukwekkend is de toon van de film: Eisenberg balanceert constant tussen warm, gruwelijk, grappig en ellendig. Het zijn de stille momenten waarin de chemie tussen Culkin en Eisenberg het sterkst voelbaar is en de momenten waarop Culkins personage Benji – ondanks zijn tekortkomingen – weet te verbinden. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk tijdens een scéne op het dak van een hotel waar ze samen terugblikken op hun jeugd en hun relatie; een chaoot en een neuroot, beiden met hun eigen kracht en kwetsbaarheid. De karakters zijn niet zwart-wit, zoals vaak het geval is in vergelijkbare films. Er is echte nuance in de personages, wat de grootste kracht is van A Real Pain.

Messcherp

De kern van de film is de pijn verspreid over generaties: de pijn van hun oma tijdens de tweede wereldoorlog, in perspectief gezet met de pijn van nu. Hoe de film de zwaarte van dit onderlinge lijden in beeld brengt is bewonderenswaardig: respectvol, maar ook met een zachte toon, waardoor het niet alleen voelbaar maar verrassend herkenbaar wordt voor verschillende generaties met elk hun eigen vorm van pijn.

Met A Real Pain bewijst Jesse Eisenberg dat hij groeit in zijn rol als regisseur. De film slaagt erin om iets bijzonders te vangen: een messcherpe tragikomedie die zowel weet te raken als aan het lachen te maken. De chemie tussen Eisenberg en Culkin, het zorgvuldig uitgewerkte scenario en de respectvolle omgang met het historische thema maken van deze tragikomedie een bijzonder werk.