Tag Archief van: film

Film / Films

Een fonkelende afsluiter voor Oz

recensie: Wicked: For Good - Jon M. Chu
WICKED FOR GOOD© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved. (via Filmdepot)

Met Wicked: For Good komt het tweeluik tot een krachtig en rijk gelaagd einde. Waar het eerste deel vooral opbouwde, levert het tweede deel de beloofde ontlading: alle puzzelstukjes vallen in elkaar en de makers nemen de tijd om de losse eindjes uit het verhaal van Oz zorgvuldig af te ronden. De cirkel is rond.

Vocaal is dit vervolg ronduit adembenemend. Cynthia Erivo bewijst opnieuw waarom ze wordt gezien als een van de grootste stemmen van deze generatie. ‘No Good Deed’ is zonder twijfel het kloppend hart van de film: rauw, intens en bijna fysiek voelbaar. De emotionele kracht van haar vertolking verankert het verhaal diep in de kijker.

De nieuwe nummers, ‘No Place Like Home’ en ‘The Girl in the Bubble’, zijn betekenisvolle uitbreidingen van het narratief. Ze verdiepen de karakterontwikkeling van Elphaba en Glinda door hun innerlijke conflicten, verlangens en kwetsbaarheden scherper te belichten. Dankzij deze liedjes wordt hun emotionele reis niet alleen duidelijker, maar ook menselijker en gelaagder.

© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved.

Glinda krijgt de ruimte die ze verdient

Dankzij de toevoeging van haar jongere zelf krijgen we eindelijk zicht op de drijfveren van Glinda: haar verlangen naar magie, haar behoefte om geliefd te worden en haar worsteling met verwachtingen. Het personage wordt hierdoor merkbaar uitgediept. Ariana Grande zet dit weergaloos neer. Haar spel is gevoelig en open, soms speels, soms breekbaar, maar altijd geloofwaardig. Dit is een Glinda die meer is dan glitter en glimlach: een volwaardig, complex personage.

© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved.

Een visueel feest

Net als in het eerste deel is de cinematografie ronduit verbluffend. De sets ademen vakmanschap en doen denken aan het beste wat de filmindustrie te bieden heeft. Je voelt dat hier de absolute top heeft samengewerkt: elk shot lijkt met chirurgische precisie ontworpen om de magie van Oz te vangen, van weidse landschappen tot intieme momenten van emotionele intensiteit.

Rustiger, maar nooit saai

Wie de musical kent, weet dat acte 2 nu eenmaal minder bombastisch is. Ook in de film ligt het tempo wat lager, maar verveling treedt geen moment op. De makers benutten de rust om personages te laten reflecteren en relaties te verdiepen. Het voelt als een noodzakelijke ademhaling, niet als een dal.

Het slot van Wicked: For Good is emotioneel geladen, groots opgezet en trouw aan de thematische kern van de reeks. Het zet een waardige punt achter een duologie die al vanaf het begin grote ambities had. Toch is er één gemis: Fiyero (stel je hier gerust even Erivo’s ‘Fiyerooooo!’-uithaal uit ‘No Good Deed’ voor). Jonathan Bailey speelt de rol met charme en warmte (hoe kan het ook anders?), maar net als in de musical blijft Fiyero’s keuze voor Elphaba vrij oppervlakkig. De contouren zijn er, maar de film had de kans om zijn emoties en motivaties scherper in beeld te brengen en kiest uiteindelijk niet voor die verdieping. Het is een kleine hapering in een verder zeer compleet geheel.

Wicked: For Good is een meeslepend, visueel adembenemend en muzikaal overweldigend slotstuk dat recht doet aan de geliefde wereld van Oz. Met fenomenale vertolkingen, nieuwe nummers die écht iets toevoegen en een prachtig verweven afronding van alle verhaallijnen, levert de film precies wat hij moet: magie. Een waardige, krachtige afsluiter van een klassieker.

Film / Films

Een fonkelende afsluiter voor Oz

recensie: Wicked: For Good - Jon M. Chu
WICKED FOR GOOD© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved. (via Filmdepot)

Met Wicked: For Good komt het tweeluik tot een krachtig en rijk gelaagd einde. Waar het eerste deel vooral opbouwde, levert het tweede deel de beloofde ontlading: alle puzzelstukjes vallen in elkaar en de makers nemen de tijd om de losse eindjes uit het verhaal van Oz zorgvuldig af te ronden. De cirkel is rond.

Vocaal is dit vervolg ronduit adembenemend. Cynthia Erivo bewijst opnieuw waarom ze wordt gezien als een van de grootste stemmen van deze generatie. ‘No Good Deed’ is zonder twijfel het kloppend hart van de film: rauw, intens en bijna fysiek voelbaar. De emotionele kracht van haar vertolking verankert het verhaal diep in de kijker.

De nieuwe nummers, ‘No Place Like Home’ en ‘The Girl in the Bubble’, zijn betekenisvolle uitbreidingen van het narratief. Ze verdiepen de karakterontwikkeling van Elphaba en Glinda door hun innerlijke conflicten, verlangens en kwetsbaarheden scherper te belichten. Dankzij deze liedjes wordt hun emotionele reis niet alleen duidelijker, maar ook menselijker en gelaagder.

© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved.

Glinda krijgt de ruimte die ze verdient

Dankzij de toevoeging van haar jongere zelf krijgen we eindelijk zicht op de drijfveren van Glinda: haar verlangen naar magie, haar behoefte om geliefd te worden en haar worsteling met verwachtingen. Het personage wordt hierdoor merkbaar uitgediept. Ariana Grande zet dit weergaloos neer. Haar spel is gevoelig en open, soms speels, soms breekbaar, maar altijd geloofwaardig. Dit is een Glinda die meer is dan glitter en glimlach: een volwaardig, complex personage.

© 2025 Universal Studios. All Rights Reserved.

Een visueel feest

Net als in het eerste deel is de cinematografie ronduit verbluffend. De sets ademen vakmanschap en doen denken aan het beste wat de filmindustrie te bieden heeft. Je voelt dat hier de absolute top heeft samengewerkt: elk shot lijkt met chirurgische precisie ontworpen om de magie van Oz te vangen, van weidse landschappen tot intieme momenten van emotionele intensiteit.

Rustiger, maar nooit saai

Wie de musical kent, weet dat acte 2 nu eenmaal minder bombastisch is. Ook in de film ligt het tempo wat lager, maar verveling treedt geen moment op. De makers benutten de rust om personages te laten reflecteren en relaties te verdiepen. Het voelt als een noodzakelijke ademhaling, niet als een dal.

Het slot van Wicked: For Good is emotioneel geladen, groots opgezet en trouw aan de thematische kern van de reeks. Het zet een waardige punt achter een duologie die al vanaf het begin grote ambities had. Toch is er één gemis: Fiyero (stel je hier gerust even Erivo’s ‘Fiyerooooo!’-uithaal uit ‘No Good Deed’ voor). Jonathan Bailey speelt de rol met charme en warmte (hoe kan het ook anders?), maar net als in de musical blijft Fiyero’s keuze voor Elphaba vrij oppervlakkig. De contouren zijn er, maar de film had de kans om zijn emoties en motivaties scherper in beeld te brengen en kiest uiteindelijk niet voor die verdieping. Het is een kleine hapering in een verder zeer compleet geheel.

Wicked: For Good is een meeslepend, visueel adembenemend en muzikaal overweldigend slotstuk dat recht doet aan de geliefde wereld van Oz. Met fenomenale vertolkingen, nieuwe nummers die écht iets toevoegen en een prachtig verweven afronding van alle verhaallijnen, levert de film precies wat hij moet: magie. Een waardige, krachtige afsluiter van een klassieker.

Film / Films

Jennifer Lawrence schittert in Ramsays verstikkende nachtmerrie

recensie: Die My Love - Lynne Ramsay
Die My Love© Filmdepot

De film opent in verstikkende hitte: vliegen, droog hout en leegte, zonder enig menselijk houvast. Het half opgeknapte huis en de verwilderde tuin zetten meteen een gevoel van verlatenheid neer, terwijl de muziek vergeefs probeert op te boksen tegen de monotone stilte. Met deze combinatie van beeld en geluid sleurt de film je vanaf het eerste moment onverbiddelijk de wereld van Grace in.

Lynne Ramsay, meester in het blootleggen van menselijke ontwrichting, toont opnieuw hoe dicht ieder mens bij de rand van waanzin kan komen. Zeven jaar na You Were Never Really Here keert ze terug met Die My Love, een film die de intensiteit heeft van een koortsdroom. Waar Ramsays eerdere werk vooral draaide om geweld, schuld en trauma, richt ze haar blik hier nadrukkelijk op de intieme en lichamelijke ontregeling van moederschap. Daardoor voelt de film verwant aan haar oeuvre, maar ook als een stap naar een nog rauwer, persoonlijker terrein.

Die My Love

Jennifer Lawrence (Grace) en Robert Pattinson (Jackson) – © Filmdepot

Wanneer het evenwicht kantelt

Grace en Jackson trekken zich terug in een afgelegen huis in Montana, ver weg van alles wat vertrouwd is. Aanvankelijk lijken ze het toonbeeld van een liefdevol, speels koppel dat samen een kind op de wereld zet. Maar na de geboorte van hun kindje kantelt het evenwicht. Grace glijdt van een post-partumdepressie in een psychose. Jackson, overweldigd en machteloos, vlucht in zijn werk. De dagen worden stil en lang, en Grace blijft alleen achter met een realiteit die tussen haar vingers glipt.

Ramsay confronteert ons met ongemakkelijke waarheden over moederschap – ontdaan van romantiek, kwetsbaar en pijnlijk herkenbaar voor wie het onuitgesprokene kent. De worsteling van Grace is individueel, maar staat ook symbool voor vrouwen die onder de druk van verwachtingen, verantwoordelijkheid en vermoeidheid hun houvast verliezen. Ramsay kiest niet voor een vijand of verklaring; ze laat zien hoe fragiel de menselijke geest kan zijn wanneer steun en structuur wegvallen.

Cinematografie als mentale spiegel

De cinematografie van Seamus McGarvey vangt zowel de claustrofobie van het vervallen huis als de benauwende uitgestrektheid van het landschap. Hittemirages, voortdurende trillingen in beeld en schijnbaar banale details – een hond in de verte, een schaduw die net te lang blijft hangen – dienen niet alleen als sfeer, maar als een blik in Grace’ ontwrichte binnenwereld. Het maakt de film niet alleen psychologisch intens, maar ook fysiek voelbaar.

Het sound design versterkt dat gevoel. Gezoem, gehijg, krakend hout: niets is toevallig. Geluid wordt een apart personage, een wirwar van impulsen die het perspectief van Grace nabootst. Soms werkt die aanpak overweldigend goed; soms wordt de nadruk op auditieve ontregeling iets te voorspelbaar, waardoor de spanning eerder herhaald dan opgebouwd voelt.

Die My Love

Jennifer Lawrence als Grace – © Filmdepot

Een film die blijft schuren

Jennifer Lawrence is uitzonderlijk sterk als Grace. Ze speelt met een diepe subtiliteit de momenten waarop helderheid en waanzin in elkaar overlopen. Soms zie je dat Grace beseft dat haar gedrag onacceptabel is, maar de rem niet meer vindt. Even vaak is er totale verwarring — een blik die verraadt dat ze elk houvast heeft verloren. Lawrence maakt zowel de wanhoop als de impulsiviteit griezelig invoelbaar.

Toch heeft Die My Love zwaktes. Ramsay vertrouwt zo sterk op intensiteit en subjectieve beleving dat sommige scènes hun kracht verliezen door herhaling. Waar haar eerdere films spanning opbouwen via contrast, kiest deze film voor constante druk. Dat maakt de emotionele cadans vlakker. Daarnaast blijft Jackson als personage onderbelicht, waardoor de dynamiek binnen het gezin minder complex wordt dan het onderwerp eigenlijk verdient.

Die My Love is een nietsontziende film over liefde, moederschap en mentale ontwrichting. Ramsay weigert weg te kijken, maar verliest soms nuance door haar rigoureuze intensiteit. Toch is het resultaat een rauwe, adembenemende nachtmerrie die blijft nazinderen. Een film die je misschien niet nóg eens wilt zien, maar ook nooit meer vergeet.

Film / Films

Scandinavische sterrencast in absurd Vikingsprookje

recensie: The Last Viking (2025) – Anders Thomas Jensen
Viking 1September Film

‘Jij moet goed op je broertje Manfred passen, want hij is niet helemaal goed bij zijn hoofd.’ Aldus een Deense vader tegen Anker, zijn oudste zoontje. Anker vat deze serieuze opdracht zó letterlijk op dat zijn eigen leven erdoor wordt weggevaagd. The Last Viking van regisseur Anders Thomas Jensen is in de kern een wrang sprookje over twee totaal verschillende broers die onvermijdelijk hetzelfde lot is beschoren.

Mensen die een afwijking hebben, zijn alleen afwijkend wanneer de anderen deze afwijking niet delen. De afwijkende mensen voelen zich daardoor alleen. Als je nou gewoon zorgt dat alle mensen diezelfde afwijking hebben, wordt die afwijking het nieuwe ‘normaal’ en voelt niemand zich meer eenzaam.

Deze drogredenering komt van een middeleeuws Viking-stamhoofd dat zijn gehandicapte, en dus afwijkende, zoon wil oppeppen. The Last Viking begint met deze absurde volkswijsheid, in de vorm van een korte animatiefilm.

Buit

Het Viking-tekenfilmpje is de proloog van een film over twee broers. Manfred (Mads Mikkelsen) heeft een steekje los, een afwijking dus. De ander, Anker (Nikolaj Lie Kaas), is een onhandige crimineel met een agressieprobleem, en daarmee blijkbaar min of meer normaal.
Anker maakt bij een overval ruim 40 miljoen Deense kronen buit. Hij wordt echter onmiddellijk gearresteerd en verdwijnt in het gevang.

Maar voordat hij wordt gepakt, heeft Anker het geld in bewaring gegeven aan zijn broer Manfred, die woont bij hun zus Freja (Bodil Jørgensen). Als Anker na vijftien jaar vrijkomt, heeft Manfred inmiddels besloten dat hij John Lennon is: Manfred heeft namelijk een dissociatieve identiteitsstoornis. Dat verklaart ook waarom Manfred als kind dacht dat hij een Viking was.
Deze haakse wending in het verhaal – de identiteitsstoornis – vormt de start van een onnavolgbare zoektocht naar het verdwenen geld van de overval. Manfred/John Lennon heeft het geld namelijk kwijtgemaakt.

Broederliefde

Deze absurdistisch zwarte komedie gaat echter niet zozeer over een overval met een grote buit. Ze gaat vooral over broederliefde, loyaliteit, solidariteit. Over voor elkaar door het vuur gaan. Over hoe je moet omgaan met afwijkende mensen, en over de vraag wat eigenlijk normaal is en wat niet. En natuurlijk over het zoeken naar geluk door kleine luiden.

Verder uitweiden over de plot betekent in dit geval onmiddellijk te veel verklappen; deze film moet het op veel fronten hebben van het verrassingselement.

Zesde samenwerking

Het is een enorm genoegen in The Last Viking een aantal Scandinavische topacteurs aan het werk te zien. Voor deze speelfilm werkt de Deense regisseur Anders Thomas Jensen voor de zesde keer samen met Denen Mads Mikkelsen en Nikolaj Lie Kaas, met wie hij onder andere de komisch-absurde films The Green Butchers (2003) en Riders of Justice (2020) maakte.

Mikkelsen is inmiddels een wereldster. Het is buitengewoon sterk hoe hij transformeert tot de getikte Manfred. Hij doet dat zelfs zó overtuigend en naturel, met mimiek, wapperende armgebaren, met een speciaal loopje, met een houterige lichaamstaal, dat je nu en dan zelfs vergeet dat het Mikkelsen is.
Nikolaj Lie Kaas zet de criminele broer Anker neer met een mengelmoes van geslepenheid, wanhoop, frustratie, agressie en liefde.

Sarah Lund

Voor The Last Viking maakt Jensen gebruik van een volledige Scandinavische sterrencast, met onder anderen de Zweedse Sofie Gråbøl (Sarah Lund uit The Killing) en de Deen Søren Malling, bekend uit alle Deense (misdaad)series van het afgelopen decennium.

De fotografie is magistraal (director of photography: Sebastian Blenkov), maar de Scandinavische landschappen zijn dan ook van zichzelf al uiterst fotogeniek.

Te lang

Jammer is dat de plot van tijd tot tijd alle kanten opschiet (script van Anders Thomas Jensen: de regisseur zelf). Zulke zijstraten in het verhaal kunnen makkelijk gemist worden en duren te lang, waardoor de totale film aan de lange kant is.

The Last Viking is een lomp, wreed maar tegelijk hilarisch sprookje, tegen het decor van Scandinavië, waar mythen en sagen de bewoners door de donkere winters heen helpen. Snoeihard en hardhandig, maar ook vertederend en hartverwarmend.

Film / Films

Weinig kapot in The Smashing Machine

recensie: Benny Safdie - The Smashing Machine
Foto The Smashing Machine© Filmdepot

Na de doorbraak van de gebroeders Safdie met Good Time (2017) en Uncut Gems (2019) – films die hen in één klap tot de meest veelbelovende jonge makers van het moment maakten – volgde een grote verrassing: het duo ging ieder zijn eigen weg. Toch is 2025 misschien wel hét jaar waarin alle ogen opnieuw op beide Safdies zijn gericht, met hun eerste soloprojecten: Josh met Marty Supreme later dit jaar, en Benny met The Smashing Machine.

Wie aan de films van de Safdies denkt, denkt aan stress, chaos en adrenaline – verhalen die je hartslag omhoogjagen. The Smashing Machine heeft daar niets van. De titel is ironisch: er wordt nauwelijks iets kapotgemaakt in Benny Safdies sportdrama. Geen spektakel, geen heroïek; deze film doet eerder denken aan Raging Bull dan aan Rocky – en zelfs dan gestript van bravoure en cinematische flair. Het mag duidelijk zijn dat Safdie iets nieuws probeert met zijn sport-biopic over MMA-legende Mark Kerr.

De ijsbergsla van Hollywood

Nog opvallender is de casting. Dwayne ‘The Rock’ Johnson – ooit doorgebroken als fenomeen in WWE en inmiddels uitgegroeid tot een van Hollywoods grootste sterren – koos het afgelopen decennium vooral voor rollen die draaiden om spiermassa en charisma, niet om nuance of kwetsbaarheid. Hij werd het gezicht van risicovrije blockbusters: een actieheld zonder persoonlijkheid die alle problemen moeiteloos oplost, met titels als Red Notice (2021), Red One (2024) en Fast X (2023). Rollen uit één mal gegoten, zonder uitdaging voor hem of de kijker. ‘The Rock’ begon een reputatie te krijgen als de ijsbergsla onder de filmsterren: immens populair, maar inhoudelijk neutraal en smaakloos. Juist daarom was de aankondiging dat hij de hoofdrol zou spelen in The Smashing Machine zo intrigerend: een rauwe, fysiek én emotioneel zware rol waarin hij bijna onherkenbaar is.

Transformatie

Johnson verdwijnt namelijk volledig in de rol van Mark Kerr, de MMA-legende die eind jaren negentig op het toppunt van zijn carrière stond, maar tegelijkertijd worstelde met pijnstillerverslaving en persoonlijke demonen. Voor deze rol onderging Johnson een radicale transformatie: dagelijks drie tot vier uur in de make-upstoel om Kerrs vermoeide, door het leven getekende gezicht te creëren. Hij werkte met een stemcoach om Kerrs zachte, bijna verlegen toon te vinden – een scherp contrast met zijn eigen bariton. ‘Ik was doodsbang’, gaf Johnson toe in interviews. Begrijpelijk, want Kerr is een complex personage dat in deze film tot het bot wordt ontleed door Safdie.

Kerr wordt neergezet als een gevoelige, bijna verlegen man, verscheurd tussen fysieke kracht en innerlijke onzekerheid. Emily Blunt speelt Dawn Staples, Kerrs vriendin, wiens aanwezigheid de spanning en intensiteit in de film brengt. Safdie geeft ons flarden van complexiteit – Dawn die balanceert tussen liefde, frustratie en zelfbehoud – maar die lagen worden nooit volledig opengevouwen. Daardoor voelt ze soms als de zoveelste ‘hysterische vrouw van’, een cliché dat we ook zagen bij Blunt in Oppenheimer. Toch is de chemie tussen Johnson en Blunt aanwezig, rauw en ongemakkelijk, alsof je naar een relatie kijkt die elk moment kan imploderen. Het is tegelijkertijd fascinerend én frustrerend: je mist het perspectief van Dawn, zeker in een film die pretendeert de mensen rond Kerr centraal te zetten.

Slice of life

Safdie kiest ervoor de film in een verité-stijl te filmen: realistisch, bijna documentair, met handheld camera’s en snelle zooms. Het voelt alsof we stiekem meekijken in Kerrs leven. Het verhaal omarmt realisme en laat weinig ruimte voor artificiële elementen: geen grote character arcs, geen bombastische climaxen, geen imponerende monologen. Het is een slice of life – en dat geeft de film charme.

Toch voelt The Smashing Machine soms meer als een experiment dan als een afgeronde film. Johnson worstelt om los te breken van zijn persona, Blunt vervalt toch in clichés en Safdie lijkt te zoeken naar vorm. Er borrelt creativiteit onder het oppervlak, maar die komt niet volledig tot uiting. Uiteindelijk is dit vooral een monument voor Mark Kerr en zijn leven – en een interessante, zij het onvolmaakte, stap in Benny Safdies carrière.

Film / Films

The Mastermind is meesterlijk

recensie: The Mastermind - Kelly Reichardt
filmstill The MastermindFilmdepot

Wie van The Mastermind een heistfilm verwacht in de stijl van Ocean’s Eleven (2001) komt bedrogen uit. Kelly Reichardts The Mastermind is geen thriller, geen komedie — het is een Reichardt-film: traag, scherp en diep menselijk.

Waarom steelt een dief? Voor geld? Voor adrenaline? Of simpelweg om de sleur te doorbreken? Robert Bresson stelde die vraag in zijn klassieker Pickpocket (1959), een film over een eenzame zakkenroller in Parijs die langzaam wegzinkt in een existentiële leegte. Hij steelt niet voor geld, noch voor plezier, maar voor (een poging tot) zingeving. Kelly Reichardts The Mastermind zit vol met vingerafdrukken van Bresson, met dit keer geen zakkenroller, maar een kunstdief in de hoofdrol. De drukke straten van Parijs zijn ingeruild voor de kalme suburbs van Massachusetts in de jaren 70, en opnieuw draait het niet om geld, maar om de zoektocht naar betekenis in een saai bestaan.

Van jongensdroom naar nachtmerrie

In de openingsscène sloft James “JB” Mooney (Josh O’Connor) – een ogenschijnlijk brave familieman op een gezinsuitje – door het Framingham Art Museum. Zijn blik blijft hangen bij een klein object in een vitrine. Met een achteloze beweging glipt het in zijn zak. De bewaker? Die ligt te slapen tegen een muur. Een vuur is aangewakkerd, en het zaadje is geplant bij de werkloze timmerman en mastermind. Wat volgt is een plan om vier Arthur Dove-schilderijen te stelen, een heist die even halfbakken als ambitieus is.

Het eerste halfuur van de film flirt nog enigszins met de klassieke tropen van het heist-genre: het samenstellen van het team, de (hilarische) kunstroof en het haastig verstoppen van de buit. Reichardt lokt je binnen met lichtvoetigheid, droge humor en Rob Mazureks jazzy-soundtrack, maar al snel gooit ze het roer om. Reichardt is minder geïnteresseerd in actie, en meer in de nasleep ervan. Zonder adrenaline en zonder glamour verdwijnt de jazz naar de achtergrond. Net als JB glijd je langzaam uit de jongensfantasie en beland je in de kater na de droom.

Een grijs Amerika

De sepia-getinte beelden van Christopher Blauvelt laten een zielloos Amerika zien. We bevinden ons midden in het Nixon-tijdperk, waar de Vietnamoorlog als een sluier over het land hangt in de vorm van nieuwsberichten en protesten. De straten lijken leeg, emoties bedrukt en de lucht permanent grijs. JB beweegt zich door deze setting van hotel naar motel als een echo van zijn tijd: een man op de vlucht, zonder richting. Je begint als kijker te begrijpen waar zijn motivatie vandaan komt, niet door criminele ambities maar door een vroege midlifecrisis: een wanhopige poging om sensatie te brengen in een leven dat is stilgevallen.

Naarmate de film vordert, schuift de subtekst langzaam naar de voorgrond. De protesten en nieuwsflarden die eerst op de achtergrond sluimerden, dringen zich steeds nadrukkelijker op. Tot we, samen met JB, midden in de maatschappelijke onrust staan. Het Amerika van Reichardt is cynisch en onromantisch: een land in verval, weerspiegeld in een man die zijn grip op de werkelijkheid verliest. Hoe langer JB op de vlucht is, hoe meer het langzaam duidelijk wordt dat hij nooit een meesterbrein was, of ooit zal worden.

Zwitsers uurwerk

Reichardt is zonder twijfel een van de grote stilisten van haar generatie. Het is puur vakmanschap dat ze vertoont in The Mastermind. Een film die ze zelf schreef, regisseerde én monteerde. Als een Zwitsers uurwerk klopt alles: van de uitstekende jazzy-soundtrack tot de weergaloos gemonteerde scènes en de verraderlijk complexe personages. Zelfs een ogenschijnlijk simpele scène, zoals het opbergen van een kunstwerk op zolder, weet ze uit te trekken tot een moment dat je op het puntje van je stoel laat zitten.

Reichardt zet haar minimalistische stijl meesterlijk in om vakkundig het heist-genre te ontmantelen en om te vormen tot iets compleet nieuws: een anti-heistfilm. Met precisie en rust laat ze weer zien dat je niet altijd grote gebaren nodig hebt om veel te zeggen. Dit alles maakt The Mastermind een stil meesterwerk, en misschien zelfs de beste film van het jaar.

Film / Films

Koortsdroom in Eddington

recensie: Eddington – Ari Aster
Filmstill EddingtonFilmdepot

In regisseur Ari Asters Eddington is het Wilde Westen niet langer een plek van cowboys en revolvers, maar van smartphones, boomer-vlogs en livestreams. De film speelt zich af in de zomer van 2020, een periode die nog vers in het collectieve geheugen ligt, en gebruikt de coronapandemie niet alleen als decor, maar als katalysator voor morele en sociale ontwrichting.

Sinds hij werd benoemd tot de nieuwe kroonprins van het horrorgenre, na het succes van Hereditary (2018) en het uitstekende Midsommar (2019), lijkt Ari Aster de afgelopen jaren vooral bezig te zijn geweest met het ontmantelen van zijn eigen mythe. Zijn opvolger Beau is Afraid (2023), een drie uur durende kafkaëske moedertrauma-opera, voelde als een opzettelijke beproeving: een ambitieuze maar ook uitdagende, met vlagen vermoeiende film die allesbehalve een crowdpleaser was.

Beau is Afraid leek bijna een exorcisme voor Aster zelf; alsof hij al zijn angsten en frustraties uit zijn systeem moest gooien om los te breken van het horrorimago en de wereld te laten zien: ik heb meer in mijn mars. Nu is hij terug met een western, hoewel de echo’s van zijn eerdere werk in het horrorgenre nog steeds duidelijk voelbaar zijn: Eddington is een ware koortsdroom waarin het Amerikaanse ideaal langzaam wordt uitgehold door paranoia, cultdenken en digitale zelfverheerlijking.

Een dorp in lockdown

Het is mei 2020. De wereld is in lockdown, zo ook het fictieve dorpje Eddington, waar sheriff Joe Cross (Joaquin Phoenix) de scepter zwaait. Hij heeft moeite met het coronabeleid, dat wordt doorgevoerd door rivaal en burgemeester Ted Garcia (Pedro Pascal). De twee komen in een clash, wat al snel leidt tot een verkiezingsstrijd tussen Joe en Ted. De meningsverschillen over covidbeleid zijn echter slechts de katalysator van de tweestrijd. Eddington is dan ook geen reconstructie van de pandemie, maar een ontleding van het moment waarop de Amerikaanse samenleving, volgens Aster, definitief brak.

In interviews noemt Aster covid niet de oorzaak, maar het inflection point – het moment waarop de deur naar gedeelde waarden voorgoed dichtviel. Het dorp Eddington fungeert als microkosmos van een Amerika in verval: Joe Cross die complottheorieën verspreidt, burgemeester Ted Garcia die een AI-datacenter binnenhaalt. Aster toont een samenleving waarin iedereen gelooft dat hij gelijk heeft, maar niemand weet waar het conflict werkelijk over gaat, of waarom het ooit begon.

Smartphones, smartphones en nog eens smartphones

De smartphone is overal in Eddington. Waar veel filmmakers het apparaat proberen te mijden als de pest vanwege zijn zogenaamd ‘on-cinematische’ karakter, kijkt Aster het kwaad recht in de ogen: in zijn western zijn smartphones de nieuwe revolvers. We zien relaties die kapotgaan door Instagram-dm’s, mensen die liggen te doomscrollen in bed en Facebook-feeds die complottheorieën voeden. Zodra er iets in de buurt komt van een conflict, zal je in de achtergrond iemand zien die het loopt te filmen.

De chaos en het geweld worden met de minuut opgevoerd in de 2,5 uur durende western. Dat maakt Eddington naast een bijtende satire een grappige, maar ook hyper-gewelddadige film tot het extreme aan toe. Asters humor is inktzwart, en zijn woede voelbaar. Hij spuwt met gif naar het politieke landschap en de institutionele hypocrisie, zonder op enig moment prekerig over te komen. Of je nou links of rechts bent, democraat of republikein: iedereen is verdoemd. Er zijn geen helden in de wereld van Eddington, alleen maar verliezers. Het is ook geen toeval dat de film opent en eindigt met een AI-datacenter: terwijl de gemeenschap langzaam uit elkaar valt, groeit het datacenter op de achtergrond – als een totempaal voor polarisatie.

Film / Films

De banaliteit van het kwaad in close-up

recensie: Das Verschwinden des Josef Mengele – Kirill Serebrennikov
Das-Verschwinden-des-Josef-Mengele_st_1_jpg_sd-highFilmdepot

In Das Verschwinden des Josef Mengele brengt de Russische regisseur Kirill Serebrennikov een indringend portret van de beruchte nazi-arts die in Auschwitz de bijnaam ‘engel des doods’ kreeg. Het resultaat is een huiveringwekkend, maar ook menselijk portret van een man die tot aan zijn dood in Brazilië probeerde te ontkomen aan gerechtigheid, en aan zichzelf.

De film opent in een Braziliaans laboratorium in de jaren tachtig. Studenten buigen zich over een skelet met een gat in het linker jukbeen: het enige bewijs dat ze naar de resten van Josef Mengele kijken. Vanuit dit ijzingwekkende begin duikt Serebrennikov terug in de tijd, naar het leven van Mengele na de oorlog.

Met valse paspoorten en nieuwe namen (Gregor, Peter, en uiteindelijk Pedro) vlucht hij via Argentinië en Paraguay naar Brazilië. Wat volgt is een claustrofobisch portret van een man op de vlucht, voortdurend op zijn hoede, maar nooit in staat tot zelfreflectie. Zelfs wanneer zijn zoon Rolf hem in 1977 opzoekt, weigert Mengele verantwoordelijkheid te nemen.

Voor hem was alles wat hij deed ‘noodzakelijk’. Die confrontatie vormt een van de kernmomenten van de film. Zoals Serebrennikov in een interview toelicht: ‘Wat gebeurt er met oorlogsmisdadigers nadat de oorlog voorbij is? Is er zoiets als goddelijke gerechtigheid?’

Een monster dat mens blijft

Serebrennikov kiest bewust voor Mengeles perspectief. Daarmee begeeft hij zich op gevaarlijk terrein: het risico om empathie te wekken voor de dader. Toch is dat niet Serebrennikovs bedoeling. Hij verwijst naar Hannah Arendts idee van de ‘banaliteit van het kwaad’, het besef dat monsters vaak gewone mensen zijn.

Acteur August Diehl (bekend van Inglourious Basterds) maakt dat pijnlijk voelbaar. Zijn Mengele is geen karikatuur, maar een man die zichzelf voortdurend rechtvaardigt. ‘Hij blijft geloven dat hij niets verkeerd heeft gedaan’, zegt Diehl. ‘Dat is wat hem zo beangstigend maakt.’ Het subtiele spel van Diehl zorgt ervoor dat je als kijker begrijpt hoe gevaarlijk zelfbedrog kan zijn, zonder ooit sympathie voor Mengele te voelen.

Zwart-wit als moreel kompas

Visueel is Das Verschwinden des Josef Mengele verbluffend. Serebrennikov filmt het grootste deel in korrelig zwart-wit, alsof het verleden letterlijk kleurloos is geworden. Alleen de scènes in Auschwitz, die als korte, schokkende flashbacks verschijnen, zijn in kleur. De regisseur legt uit waarom: ‘Voor Mengele was Auschwitz in zijn eigen vertekende beleving de beste tijd van zijn leven. Hij had een gezin, een carrière. Door die scènes in kleur te tonen, laat ik zien hoe verdorven die perceptie was.’

De cameravoering is vaak handheld, wat de kijker het gevoel geeft er zelf bij te zijn. Dat maakt de film beklemmend en realistisch, zelfs wanneer de werkelijkheid vervormd lijkt door Mengeles waanbeelden.

Een spiegel van onze tijd

Hoewel het verhaal zich afspeelt in de jaren veertig tot tachtig, voelt het pijnlijk actueel. Serebrennikov benadrukt dat hij tijdens de productie dacht aan het heden: ‘In 2025 zijn er nog steeds mensen die het bestaan van de Holocaust in twijfel trekken. Deze film is een waarschuwing: het kwaad verdwijnt niet, het verandert alleen van vorm.’

De film laat zien hoe makkelijk een samenleving wegkijkt en hoe velen meewerken aan het in stand houden van onrecht, uit angst, gemak of eigenbelang. Het kwaad zit niet enkel in Mengele, maar ook in iedereen die hem steunde.

Het slot vormt een indringend einde van een verhaal dat bewust elke eenvoudige verklaring vermijdt. Das Verschwinden des Josef Mengele is traag, soms meedogenloos, maar nooit afstandelijk. Dankzij het hypnotiserende spel van Diehl en Serebrennikovs scherpe visie wordt de kijker gedwongen om te reflecteren op de dunne lijn tussen menselijkheid en monsterlijkheid.

Te zien vanaf 16 oktober 2025

Film / Serie

Gallische humor in hedendaags jasje

recensie: Astérix & Obélix: Le Combat des Chefs – Alain Chabat

Met Astérix & Obélix: Le Combat des Chefs brengt Netflix een miniserie die een geliefd stripalbum van Goscinny en Uderzo tot leven wekt in vijf afleveringen. Waar eerdere Asterix-verfilmingen vaak worstelden met de balans tussen trouw blijven aan het bronmateriaal en eigentijdse aanpassingen, weet deze reeks verrassend veel troeven uit te spelen. De serie is meer dan een nostalgische trip: het is een frisse interpretatie die een breed publiek aanspreekt.

Het script blijft de ruggengraat van de serie. De scenaristen weten het klassieke verhaal, waarin druïde Panoramix door geheugenverlies zijn toverdrankrecept kwijt is en de stam in gevaar komt door de ambitieuze Gallo-Romein Nogalfix, slim te vertalen naar een seriële structuur. Elke aflevering heeft een eigen spanningsboog en cliffhanger, terwijl het grotere verhaal organisch doorklinkt.

Daarnaast is er veel ruimte voor originele en vaak hilarische toevoegingen. Zo ontsporen de ruzies tussen Asterix en Obelix geregeld, onder meer tijdens een bezoek aan Apotheka (een psycholoog). Panoramix wordt tijdelijk afgeschilderd als compleet gek, wat voor absurde situaties zorgt. De reeks speelt ook met namen vol woordgrappen, zoals Metadata, Blackangus en Fastenfurious. Andere vondsten, zoals Caesar die als een filmster over de rode loper verschijnt terwijl ‘fotografen’ beelden van hem beitelen, of Obelix die een weegschaal letterlijk kapotmaakt door erop te gaan staan, zorgen voor visueel sterke momenten. De bouw van een Romeins amusementspark versterkt de satirische ondertoon over de overdaad en zelfverheerlijking van het rijk.

Verhaal is meer dan nostalgie

De dialogen zitten vol geestige vondsten, visuele grappen en verwijzingen die zowel jonge kijkers als volwassenen plezieren. Waar de strips vaak korte, puntige humor hanteren, laat het scenario hier ruimte voor langere scènes, waardoor karakters meer reliëf krijgen.

Waar de strip eindigt met een verrassend luchtige draai, kiest de serie voor een andere route. Het Netflix-slot legt minder nadruk op toeval en slapstick, en meer op samenwerking en strategie. In plaats van een enkel wondermiddel of een komische geheugenwending, draait de finale om de solidariteit van de Galliërs en hun inventiviteit in de strijd. Daarmee schuift de reeks een boodschap naar voren die eigentijdser aandoet: niet één held of gelukstreffer redt de gemeenschap, maar de collectieve inzet van iedereen.

Visuele kracht

De animatie is een ander hoogtepunt. Netflix koos voor een moderne, maar toch stripgetrouwe stijl die de herkenbare lijnen en kleuren van Uderzo eer aandoet. Het dorp voelt levendig aan: details zoals de rook uit de schoorstenen, de textuur van menhirs en de chaotische maar warme uitstraling van het marktplein zorgen voor een rijke visuele wereld. De actiescènes, of het nu gaat om een knokpartij met de Romeinen of het duel tussen de stamhoofden, zijn dynamisch en vloeiend geanimeerd. De overdrijving die zo kenmerkend is voor Asterix, komt prachtig tot zijn recht: Obelix, die tientallen Romeinen tegelijk de lucht in katapulteert, blijft een visueel feestje.

Luchtige satire

Alain Chabat, die eerder zijn liefde voor de Asterix-wereld bewees met Astérix & Obélix: Mission Cléopâtre, brengt opnieuw zijn gevoel voor timing en humor mee. Zijn regie houdt de reeks speels en luchtig, maar verliest nooit de focus op de kern: kameraadschap, slimheid en de kracht van gemeenschap tegenover brute macht.

De toon blijft daardoor trouw aan de strips: satirisch, maar nooit cynisch. De Romeinse bureaucratie wordt nog altijd op de hak genomen, terwijl de Galliërs in al hun koppigheid en eigenaardigheid herkenbaar en sympathiek blijven.

Astérix & Obélix: Le Combat des Chefs is een geslaagde vertaling van een stripklassieker naar een moderne miniserie. Het sterke script, de liefdevolle animatie en de creatieve vondsten maken dit tot een productie die zowel fans van het eerste uur als nieuwkomers kan bekoren. Wie op zoek is naar nostalgie, humor en avontuur, vindt in deze reeks een charmant en energiek bewijs dat Asterix & Obelix ook in 2025 nog altijd springlevend is.

Film / Films

Familiar Touch: als herinneringen vervagen, blijft de smaak van het leven

recensie: Familiar Touch - Sarah Friedland (2024)
Familiar-Touch_st_2_jpg_sd-highFilmdepot

Hoe voelt het als het heden in brokjes uiteenvalt en het verleden als los zand door je vingers glipt? Regisseur Sarah Friedland dompelt ons onder in het hoofd van de eigenzinnige, vergeetachtige Ruth. Deze hartverwarmende én hartverscheurende dramafilm combineert humor, ontreddering en culinaire nostalgie tot een bitterzoete cocktail die je nog lang doet natrillen.

De zeventigjarige Ruth is een gepassioneerde kok en kookboekenschrijfster die de grip op haar herinneringen verliest. Wanneer haar zoon Steve – verscheurd tussen liefde en machteloosheid – beslist dat een luxueus ogend zorgtehuis de beste optie is, begint Ruths nieuwe leven op de afdeling ‘Memory Lane’. Daar ontmoet ze lotgenoten met wie ze een onverwachte, vaak ontwapenende band ontwikkelt.

De film wisselt behendig tussen droogkomische scènes en rauwe momenten waarop ze haar eigen zoon niet meer herkent. Wanneer ze op een nacht het tehuis ontglipt en de stad doorkruist, voelt de kijker zowel de vrijheid die Ruth denkt te herwinnen als de dreiging van haar verdwijnende houvast. Regisseur Sarah Friedland zet geen klassiek zorgdrama neer, maar een intieme film die soms aanvoelt als een mini-roadmovie en je volledig meesleept in Ruths leven. De camera duikt dicht op het gezicht van Kathleen Chalfant (Ruth), waardoor haar verwarring en machteloosheid bijna voelbaar worden.

De rauwe realiteit van alzheimer

Het stigma dat alzheimer alleen bejaarden treft, gaat niet meer op. Wereldwijd krijgen mensen op steeds jongere leeftijd de diagnose – zo ook acteur Bruce Willis, die op zijn 67ste zijn loopbaan noodgedwongen moest opgeven. Met een vergrijzende maatschappij stijgt het aantal patiënten fors, en dus ook de druk op mantelzorgers.

Familiar Touch visualiseert precies dat: de ziekte vreet niet alleen iemands verleden weg, maar herschrijft ook de (toekomst)plannen van dierbaren. Zo zien we dat Ruth haar eigen zoon niet meer herkent en hem probeert te verleiden, ze haar jonge verzorgster hardnekkig verwart met haar moeder, en ze zich ’s ochtends klaarmaakt voor een werkdag die al jaren verleden tijd is. Door korte maar ontwrichtende black-outs raakt ze telkens de draad kwijt over waar en wanneer ze is. Parallel daaraan toont Friedland Steves schrijnende schuldgevoel wanneer hij zijn moeder afzet bij het Californische zorgtehuis, maar ook de onmacht van zorgmedewerkers die constant worstelen tussen protocol en persoonlijke betrokkenheid.

Wanneer fictie en werkelijkheid samenvallen

Een filmisch kijkje in het ‘alzheimerbrein’ is lastig: te veel afstand laat de kijker koud, te veel poespas en het wordt al snel afgezaagd. Friedland vindt de perfecte middenweg door te focussen op de dagelijkse struggles van een alzheimerpatiënt, waardoor het voor de kijker makkelijk te beseffen is hoe broos ‘normaal’ eigenlijk is. Bovendien tilt het acteerwerk van Kathleen Chalfant de film naar een hoger niveau. Close-ups van haar gezicht, zoals een aarzelende glimlach of een haperende blik, tonen zowel haar hunkering naar contact als haar angst dat direct weer kwijt te raken.

Familiar Touch bewijst dat een zwaar thema niet per se tot loodzware cinema hoeft te leiden. Door humor toe te laten en koken als terugkomend thema te gebruiken, blijft de boodschap behapbaar. Belangrijker nog: de film zet je aan tot denken over wat echt telt. Want hoe cliché het ook klinkt, de boodschap raakt: leef nu je nog kan en koester de dierbaren om je heen. Kortom, een film met een groot hart die laat zien dat vergeten nooit hetzelfde is als verdwijnen.

Film / Films

Een cocktail van charisma en chaos

recensie: Honey Don’t – Ethan Coen
HONEY DON'T! bannerFilmdepot (2025 Focus Features, LLC. All Rights Reserved)

Terwijl Joel Coen na de splitsing van de gebroeders Coen koos voor een grimmige zwart-witverfilming van Shakespeares Macbeth, slaat zijn broer Ethan een compleet andere weg in. Na Drive-Away Dolls levert hij samen met zijn vrouw Tricia Cooke met Honey Don’t het tweede deel af van hun geplande ‘B-film’ trilogie — wederom vol pulp, absurdisme en camp.

Op papier lijkt het bijna te mooi om waar te zijn: een originele mid-budgetfilm van een van de gebroeders Coen, een neo-noir detectiveverhaal, ode aan de B-film, en een sterrencast met Margaret Qualley, Chris Evans en Aubrey Plaza. In een tijd waarin originaliteit zeldzaam is in Hollywood, lijkt dit precies de soort film die het huidige filmlandschap nodig heeft. Het doet dan ook des te meer pijn om te zeggen dat Honey Don’t de verwachtingen helaas niet waarmaakt, en Ethan Coen een film aflevert die het best beschreven kan worden als iets waar je de gebroeders Coen hiervoor nooit op kon betrappen: klungelig en stuurloos.

Moderne noir

Margaret Qualley is Honey O’Donahue, een privédetective die moeiteloos voldoet aan het klassieke film-noir archetype: een drankprobleem, een cynisch wereldbeeld, zelfverzekerd en meedogenloos. Ze dendert met een gezonde dosis nuchterheid door het stoffige Bakersfield, Californië, een stad geteisterd door mysterieuze moorden. Binnen een strakke 90 minuten wordt er een poging gedaan een wereld op te bouwen rond haar zoektocht naar de dader, bevolkt door foute politieagenten, seksverslaafde priesters en een mysterieuze Franse femme fatale. Verwacht in Honey Don’t dan ook cheesy oneliners, obscure referenties naar B-films van de jaren 70, een bizar maar doch voorspelbaar detectiveplot, en een parade aan excentrieke personages. Nee, de film neemt zichzelf inderdaad niet erg serieus.

In de persronden rond zijn vorige film Drive-Away Dolls, die qua stijl en thematiek in hetzelfde universum lijkt te spelen, gaf Ethan Coen aan dat hij samen met Tricia Cooke een ‘lesbische B-film trilogie’ wil maken die het vergeten B-filmgenre nieuw leven inblaast. Waar Drive-Away Dolls nog een Bush-tijdperk screwball roadtrip was, kiezen ze voor Honey Don’t het noir-genre – wederom gegoten in een uitgesproken queer jasje.

Verdwaald in subplots

Voor een film die vooral leunt op humor en excentrieke personages, zijn de grappen opvallend vlak. Dit valt niet te wijten aan het acteerwerk: Qualley is zoals gewoonlijk uitstekend, en Evans, die een rommelige weg achter de rug heeft na zijn rol als Captain America, lijkt te genieten van zijn rol als megalomane seksverslaafde priester. Het is dan ook verfrissend om te zien dat Ethan iets probeert wat afwijkt van zijn voorgaande onwijs strak geregisseerde films, en meer los probeert te raken van het gelikte Coen-esque waar ze als duo bekend om staan.

Nee, het grote probleem zit hem in de structuur van de film zelf, die in alles gehaast in elkaar lijkt gezet. De film verdwaalt in zijn eigen subplots; verhaallijnen lijken onafgemaakt en plottwists blijven betekenisloos. Er zijn lollige momenten, maar zelfs wanneer je Honey Don’t bekijkt door de bril van de B-film – waar plot ondergeschikt is, stijl boven inhoud gaat en de camp wordt opgevoerd – blijft slordigheid geen excuus. Drive-Away Dolls speelde met dezelfde esthetiek, maar wist binnen zijn eigen logica nog te functioneren: ondanks de eigenaardigheden zat het goed in elkaar, en werkte het tongue-in-cheek gehalte prima als wat het pretendeert te zijn: een vermakelijke B-film.

Het meest wrange aan Honey Don’t is dat je de potentie wel voortdurend voelt. De liefde voor de pulp spat eraf, en de acteurs hebben zichtbaar plezier. Hoewel er in de eerste helft kortstondige momenten zijn waarop je de energie voelt waarnaar ze op zoek zijn – denk aan de chemie tussen Qualley en Plaza tijdens hun eerste ontmoeting (‘I love those click-clacking heels’) – vliegt het geheel zodanig uit de bocht in het laatste halfuur dat je na een abrupt einde maar met een vraag kan overblijven: ‘was dit het?’