Tag Archief van: historie

Herfsttij der middeleeuwen
Boeken / Non-fictie

Het verleden vergeten?

recensie: Johan Huizinga - Herfsttij der middeleeuwen
Herfsttij der middeleeuwen

Herfsttij der middeleeuwen is een van de bekendste, zo niet hét bekendste geschiedkundig werk van de Lage Landen. Een toonbeeld van eruditie, een magnum opus van een geleerde met een fascinatie voor het Avondland. Helaas is het ook een boek dat heel sterk in zijn tijd is ingebed, waardoor ook deze nieuwe editie nauwelijks nog leesbaar is. Zeker omdat ervoor werd gekozen de oorspronkelijke taal van de auteur te hanteren.

Het is natuurlijk een moeilijke spagaat. Kies je ervoor om deze cultuurhistorische klassieker in een hedendaagse Nederlandse hertaling uit te geven, dan ontdoe je het meteen van zijn eigenheid en van de unieke stem van zijn auteur Johan Huizinga. Geef je het uit in de oorspronkelijke taal, zij het minimaal opgepoetst, dan krijg je een hermetisch resultaat. Men koos voor het laatste, en dan ook nog eens zonder de illustraties uit vorige edities – een echte misvatting. Zeker omdat Huizinga voortdurend verwijst naar schilderijen, miniaturen en dergelijke, en de schilderkunst expliciet als basis gebruikt om de middeleeuwse leefwereld op te roepen. Het resultaat is een dichtbedrukt werk met nauwelijks ademruimte. Welk lezerspubliek de uitgever hier voor ogen had, is me een raadsel. Zeker omdat men in de inleiding de wens uitspreekt zoveel mogelijk mensen te bereiken.

Grote zwakte

Herfsttij der middeleeuwen heeft natuurlijk zijn verdiensten. Het is verbluffend te zien hoe iemand zo erudiet kon zijn. Huizinga durfde het aan om zijn uitgangspunt – de teloorgang van de middeleeuwse maatschappij en de kiemen van de renaissance, die erop zou volgen – in één alomvattende, monumentale studie te concentreren. Bovendien is de ambitie om in de hoofden van de toenmalige (hoofse) mensen te kruipen al even indrukwekkend. Maar wie als eigentijdse historicus het boek leest, ziet daarin ook de grote zwakte. Het is nogal vooringenomen om de 14e en 15e eeuw te zien als het einde van een tijdperk en vervolgens alle feiten te verzamelen die dat bevestigen. Terwijl de werkelijkheid uiteraard veel genuanceerder is.

Haast poëtisch

Daarom is Herfsttij der middeleeuwen vooral interessant als historiografisch werk – een voorbeeld van hoe men vroeger aan geschiedschrijving deed. Men ging op zoek naar de emotie en historische sensatie en schreef verhalend en nauwelijks objectief. Dit boek is dus zelf een historisch document geworden. Maar als literatuur is het, in deze uitgave, anno 2016 nauwelijks te behappen. Op hier en daar een haast poëtische, ritmische beschouwing na. Want hoe men het ook draait of keert, dat Huizinga in zijn tijd en discipline een taalvirtuoos was, daar kan niemand onderuit:

‘In de pastorale verbeeldt zich de positieve tegenstelling van het hoofse leven; de negatieve uiting is de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal, hoe en waar men het dan ook ontvluchten wil: in studie, in eenzame rust, in arbeid.’

Herfsttij der middeleeuwen
Boeken / Non-fictie

Het verleden vergeten?

recensie: Johan Huizinga - Herfsttij der middeleeuwen
Herfsttij der middeleeuwen

Herfsttij der middeleeuwen is een van de bekendste, zo niet hét bekendste geschiedkundig werk van de Lage Landen. Een toonbeeld van eruditie, een magnum opus van een geleerde met een fascinatie voor het Avondland. Helaas is het ook een boek dat heel sterk in zijn tijd is ingebed, waardoor ook deze nieuwe editie nauwelijks nog leesbaar is. Zeker omdat ervoor werd gekozen de oorspronkelijke taal van de auteur te hanteren.

Het is natuurlijk een moeilijke spagaat. Kies je ervoor om deze cultuurhistorische klassieker in een hedendaagse Nederlandse hertaling uit te geven, dan ontdoe je het meteen van zijn eigenheid en van de unieke stem van zijn auteur Johan Huizinga. Geef je het uit in de oorspronkelijke taal, zij het minimaal opgepoetst, dan krijg je een hermetisch resultaat. Men koos voor het laatste, en dan ook nog eens zonder de illustraties uit vorige edities – een echte misvatting. Zeker omdat Huizinga voortdurend verwijst naar schilderijen, miniaturen en dergelijke, en de schilderkunst expliciet als basis gebruikt om de middeleeuwse leefwereld op te roepen. Het resultaat is een dichtbedrukt werk met nauwelijks ademruimte. Welk lezerspubliek de uitgever hier voor ogen had, is me een raadsel. Zeker omdat men in de inleiding de wens uitspreekt zoveel mogelijk mensen te bereiken.

Grote zwakte

Herfsttij der middeleeuwen heeft natuurlijk zijn verdiensten. Het is verbluffend te zien hoe iemand zo erudiet kon zijn. Huizinga durfde het aan om zijn uitgangspunt – de teloorgang van de middeleeuwse maatschappij en de kiemen van de renaissance, die erop zou volgen – in één alomvattende, monumentale studie te concentreren. Bovendien is de ambitie om in de hoofden van de toenmalige (hoofse) mensen te kruipen al even indrukwekkend. Maar wie als eigentijdse historicus het boek leest, ziet daarin ook de grote zwakte. Het is nogal vooringenomen om de 14e en 15e eeuw te zien als het einde van een tijdperk en vervolgens alle feiten te verzamelen die dat bevestigen. Terwijl de werkelijkheid uiteraard veel genuanceerder is.

Haast poëtisch

Daarom is Herfsttij der middeleeuwen vooral interessant als historiografisch werk – een voorbeeld van hoe men vroeger aan geschiedschrijving deed. Men ging op zoek naar de emotie en historische sensatie en schreef verhalend en nauwelijks objectief. Dit boek is dus zelf een historisch document geworden. Maar als literatuur is het, in deze uitgave, anno 2016 nauwelijks te behappen. Op hier en daar een haast poëtische, ritmische beschouwing na. Want hoe men het ook draait of keert, dat Huizinga in zijn tijd en discipline een taalvirtuoos was, daar kan niemand onderuit:

‘In de pastorale verbeeldt zich de positieve tegenstelling van het hoofse leven; de negatieve uiting is de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal, hoe en waar men het dan ook ontvluchten wil: in studie, in eenzame rust, in arbeid.’

Latijn - Jan Bloemendal
Boeken / Non-fictie

Dode taal, wegkwijnend boek

recensie: Jan Bloemendal - Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal
Latijn - Jan Bloemendal

Latijn is wellicht de taal met de rijkste geschiedenis en de grootste impact: zowel het christendom en het Romeinse Rijk als de literatuur en wetenschap van de middeleeuwen en renaissance hebben er alles aan te danken. Maar dit boek slaagt er niet in die allesbepalende rol te vatten.

Hoe het Latijn erin slaagde om te evolueren van taal van een lokale boerengemeenschap tot een absolute wereldtaal die anno 2016 nog steeds wordt gebruikt (zij het uiteraard in véél bescheidener mate), blijft een heel fascinerend gegeven. Auteur Jan Bloemendal slaagt er in de eerste drie hoofdstukken van Latijn mooi in die evolutie te schetsen. Hier toont het boek ook zijn grootste sterkte: anekdotes. Zo is bijvoorbeeld te lezen dat boeken vroeger zonder uitzondering hardop werden gelezen. Toen bisschop Ambrosius van Milaan als eerste een boek in stilte las, verbaasde hij dan ook vriend en vijand. En wist je dat de handen van middeleeuwse monniken tijdens het kopiëren het perkament niet mochten raken zodat het niet vettig zou worden? Dit maakte het nog meer tot monnikenwerk! Ook een interessant feitje is dat de nonsensicale uitdrukking ‘hocus pocus’ (wellicht) is afgeleid van het Latijnse ‘Hoc est enim corpus meum’ (‘Dit is mijn lichaam’).

Prediken

Helaas staan er in het boek veel te weinig van dergelijke leerrijke weetjes. Mede daarom boeit Latijn minder dan verhoopt. Maar er zijn nog enkele oorzaken. Ten eerste vervalt de auteur al te vaak in herhalingen en – toegegeven – onvermijdelijke overlappingen. Dat een bepaald woord uit de administratie is afgeleid van het Latijn kan nog eens een boeiend weetje zijn. Als vervolgens tientallen van die woorden worden opgesomd, vraag je je echter al snel af wat daar het nut van is. Ook de opsomming van hele reeksen boekwerken over een bepaald thema gaat vervelen, zeker als enkele voorbeelden volstaan.

Ten tweede gebruikt de auteur zijn onderwerp regelmatig als springplank om een heus belerend toontje aan te slaan. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hij het over het begrip ‘humanitas’ (menselijkheid) heeft. Pagina’s lang wijdt hij uit over charitas, de Barmhartige Samaritaan, de waarden van de Europese Unie, enzovoort. Het lijkt wel alsof hij de lezer wil aansporen beter te gaan leven. Zou het feit dat zijn vrouw, die bedankt wordt in het nawoord en theoloog en predikante is, daar iets mee te maken hebben? In elk geval geeft het de indruk dat Bloemendal niet voldoende stof had om zijn bladzijden te vullen. En dat voor een taal met een geschiedenis van ruim 2500 jaar.

SPQR

Kortom, een boek over een dode taal dat opleeft wanneer er fijne anekdotes aan bod komen, maar weer wegsterft als de preekstoel of herhalingen worden bovengehaald. Het resultaat is een gemiste kans. Voor liefhebbers van de Latijnse cultuur raden we dan ook veeleer het alomvattende en fantastisch geschreven, recent verschenen SPQR van Mary Beard aan.

 

Boeken / Non-fictie

De onmisbaarheid van Churchill

recensie: Boris Johnson
 - De Churchill factor

Er zijn twee soorten historici: zij die menen dat vooral economische krachten of technologische ontwikkelingen de geschiedenis bepalen en zij die denken dat individuen dat doen. Volgens Boris Johnson is Winston Churchill het ultieme bewijs dat die laatste groep gelijk heeft: “Hij – en hij alleen – heeft het verschil gemaakt.”

Aan de vooravond van de afgelopen eeuwwisseling verkoos Time Magazine Albert Einstein tot persoon van de eeuw. De beroemde Amerikaanse columnist Charles Krauthammer was het daar niet mee eens. Niet Einstein maar Winston Churchill was volgens hem de belangrijkste man van de twintigste eeuw. Hij beschikt namelijk, in tegenstelling tot Einstein, over een essentieel criterium: onmisbaarheid.

Einsteins bijdragen aan de wereld zouden zonder zijn bestaan door andere mensen gedaan zijn – hetzij wat later. Maar zonder Churchill zou de wereld er heel anders (lees: slechter) hebben uitgezien.

De Churchill factor

Boris Johnsons De Churchill factor is één grote onderbouwing van de onmisbaarheid van Churchill. Wat maakte hem zo belangrijk? Volgens Johnson ligt een groot deel van dat antwoord besloten in Churchills persoonlijkheid, in wat hij de Churchill factor noemt. Het was een man met een enorme geldingsdrang en groot doorzettingsvermogen. Hij was moedig, koppig en onvermoeibaar: hij bekleedde verschillende ministerposten, was twee keer premier van het Verenigd Koninkrijk, schreef meer dan Dickens en Shakespeare samen en won de Nobelprijs voor de Literatuur.

Churchills karaktereigenschappen resulteerden ook vaak in roekeloosheid en schaamteloos opportunisme. Hij maakte diverse politieke blunders door zijn roekeloze optredens: de militaire catastrofe van Gallipoli waarbij honderdduizenden geallieerden het leven lieten zonder enig succes te boeken is hiervan slechts één voorbeeld (Johnson somt een hele lijst op).

Ook was Churchill niet altijd even loyaal – zeker niet richting zijn conservatieve partij, de Tory’s. Het eigenbelang ging boven dat van de partij. Als het hem beter uitkwam, stapte hij over naar de liberalen. Het ging Churchill, zo zegt Johnson, met name om Churchill. Maar op het belangrijkste moment van zijn politieke bestaan (en misschien wel van de hele twintigste eeuw), kwamen deze karaktereigenschappen erg goed van pas.

Op het juiste moment op de juiste plaats

De omstandigheden maken niet de man, zoals een bekend gezegde luidt, ze leggen slechts zijn kwaliteiten bloot. Dat gold zeker voor Churchill. Toen Hitler aan zijn opmars in Europa bezig was en niet te stuiten leek, waren veel hooggeplaatste Britse politici ervan overtuigd dat met de nazi’s een akkoord gesloten moest worden. Churchill, de kersverse premier, weigerde. Dat stuitte op veel verzet – ook binnen zijn eigen partij. Churchill hield koppig vast aan wat hij wist dat het beste was, ondanks de risico’s die daaraan verbonden waren. Johnson benadrukt dat we het aan Churchill te danken hebben dat die deal met Hitler nooit gesloten werd.

Met die koppigheid heeft Churchill een stevige stempel op de geschiedenis gedrukt. Als de Britten hadden opgegeven, zouden de nazi’s zich volledig op de Sovjet-Unie hebben kunnen richten en, ontlast van militaire inspanningen tegen de Britten, wellicht hebben kunnen zegevieren. Johnson acht het onwaarschijnlijk dat de Amerikanen zich dan nog zouden hebben ingezet voor de bevrijding van Europa. Dat het zover niet heeft kunnen komen danken we aan de vastberadenheid van Churchill.

Kritiek

Na lange tijd als een soort heilige te zijn behandeld, is er de laatste jaren weer meer kritiek op Churchill. Vooral zijn neerbuigende uitlatingen over andere volkeren en vrouwen zorgen, op z’n zachtst gezegd, voor een hoop ongemak. Johnson geeft inderdaad toe dat Churchill dingen heeft gezegd die vandaag de dag niet meer door de beugel kunnen. Maar alle emancipatoire vooruitgang in de laatste decennia was zonder Churchill niet mogelijk geweest, zo pareert Johnson de kritiek. Juist het feit dat we in een liberale democratie leven heeft ervoor gezorgd dat we zijn uitspraken over vrouwen, laagbegaafden en andere volkeren niet meer vinden kunnen. Johnson: “En dat is afdoende om zijn critici voorgoed de mond te snoeren: geen van die veranderingen zouden vanzelfsprekend zijn geweest als Engeland bezweken was voor de dreiging van de nazi’s.”

Op eenzelfde manier pareert Johnson de kritiek op Churchills onbuigzame imperialisme (hij was een tegenstander van de onafhankelijkheid van India). Paradoxaal genoeg heeft de overwinning van de idealen van vrijheid en democratie, waar Churchill zo hard voor vocht, ook het einde van het imperialisme ingeluid.

Dat Churchill zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de overwinning van vrijheid en democratie, pleit hem natuurlijk niet volledig vrij. Maar het plaatst alle kritiek wel in perspectief. Want is er iemand die serieus gelooft dat democratie tegenwoordig de meest voorkomende bestuursvorm zou zijn als Hitler of Stalin had gewonnen? Churchill mag dan bij tijd en wijle een onbeschaafd man zijn geweest, dat hij een cruciale bijdrage heeft geleverd aan de overwinning van de beschaving is wat werkelijk telt.

Meeslepend pleidooi

Johnsons boek is geen academisch werk maar een bevlogen pleidooi voor de grootsheid van zijn persoonlijke held. Dat levert een zeer leesbaar boek op dat met een enorme vaart geschreven is. Met zijn enthousiaste schrijfstijl wil hij de lezer in de huid van Churchill laten kruipen. Soms schiet hij hierin door en wordt het een beetje kinderlijk, zoals wanneer hij ons deelgenoot wil maken van Churchills huwelijksaanzoek: “Laten we op onze tenen over het mos achter het gebouw lopen en kijken of we kunnen horen wat ze zeggen. Sssst.”

Dit mag echter geen beletsel zijn om het boek te lezen. Johnson slaagt er namelijk wel degelijk in de lezer kennis te laten maken met de persoon Churchill en laat tevens zien dat er tussen persoon en politicus geen verschil zit: “Met zijn belachelijke hoeden, hansoppen, sigaren en excessieve alcoholgebruik zag Churchill fysiek kans om de kern van zijn politieke filosofie te vertegenwoordigen: het onvervreemdbare recht van de Britten om hun leven in vrijheid te leven, om hun eigen gang te gaan.”

Kunst / Expo binnenland

Museum van individuele verhalen

recensie: Nationaal Holocaust Museum i.o.

Zelfs in de eerste fase van het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam vallen al drie dingen op: het is een lieu de mémoire, een museum en er worden bijzondere evenementen georganiseerd. Of, zoals het museum in een flyer zelf zegt: het NHM vertelt, toont, verdiept en verbindt.

De binnenplaats van het Nationaal Holocaust museum

De binnenplaats van het Nationaal Holocaust Museum

Vertelt

Wat wordt verteld is natuurlijk het verhaal van de Holocaust (Shoah), in een gebouw dat je gerust een lieu de mémoire mag noemen: een cultureel geheugen, een plaats waar ‘het’ gebeurde.
Het museum is vooralsnog gehuisvest op de begane grond van wat vanaf 1907 de Hervormde Kweekschool aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan was. Vanaf 1942 was het tevens een dependance van de Hollandsche Schouwburg aan de overkant van de straat.
Een heg scheidde het schoolplein van de achtergelegen crèche. De directeur van de school, Johannes van Hulst, stond toe dat kinderen tussen de middag over de heg werden getild en in de school een middagslaapje deden. Zo konden zeshonderd kinderen van deportatie naar Westerbork worden gered. Tekstborden met foto’s op het voormalige schoolplein vertellen dit verhaal.

Jeroen Krabbé schildert De ondergang van Abraham Reiss

Jeroen Krabbé werkt aan het schilderij Amsterdam – april 1942, Jekerstraat 14-3. Foto Hans de Bruijn

Toont

Wat wordt getoond is op dit moment niet alleen het indrukwekkende werk Adressen (2013) van Bart Domburg, maar ook negen monumentale schilderijen van Jeroen Krabbé over de ondergang van Abraham Reiss, zijn grootvader, en de film die Paul Haenen over de totstandkoming hiervan maakte.
Domburg schreef met een fineliner straatnamen en huisnummers op van adressen waarvandaan Joden werden weggehaald en gedeporteerd. Het werk loopt vooruit op een tentoonstelling die vanaf augustus te zien zal zijn, over het digitale Joods Monument. Daarnaast zal vanaf oktober een expositie met videokunst te zien zijn.

Jeroen Krabbé, 6, 7, 8 juli 1943. Gemengde technieken, 150 x 220 cm, 2010

Jeroen Krabbé, 6, 7, 8 juli 1943. Gemengde technieken, 150 x 220 cm, 2010

Verdiept

De tentoonstelling met het werk van Krabbé is al eerder te zien geweest in De Fundatie in Zwolle, maar nu wordt er verdieping bij aangebracht in de vorm van persoonlijke documenten, en maquettes die holocaustoverlever Jules Schelvis maakte van Sobibor. Veel afbeeldingen zijn gebaseerd op foto’s in een album van Greet Reiss, één van de kinderen van Abraham Reiss, dat via een touchscreen valt door te bladeren. ‘Het ergste is gebeurd’, schrijft ze op 6 juli 1943 over de deportatie van hun vader naar Westerbork en uiteindelijk naar Sobibor.
Het museum wil vooral zulke verhalen van individuele mensen laten zien. Maar ook dat van de aanloop naar de Shoah en de verwerking ervan erna. Het feit dat dit in de voormalige Hervormde Kweekschool gebeurt, wil uitdragen dat er ook hoop is zolang er mensen zijn die tegen gruwelen in beweging komen. Voorwaar een actueel thema.

Verbindt

De actualiteit zit momenteel letterlijk op de bovenverdiepingen van het museum, die er in een later stadium bij getrokken zullen worden. Daar zijn ateliers gehuisvest van kunstenaars met een vluchtelingenstatus. De kunstenaarsbroedplaats Ondertussen zal zich enkele keren per jaar in het NHM manifesteren. De eerste keer zal dat op 4 en 5 juni zijn, van 11.00-17.00 uur.

Zo verbindt het NHM niet alleen heden en verleden, maar ook geschiedenis en actualiteit op een manier die nu al, met wat er wordt verteld en getoond indruk maakt. Daarbij kunnen bruiklenen worden ontleend aan en kan worden aangesloten op wat in andere plekken binnen het Joods Cultureel Kwartier aanwezig is en gebeurt: de Hollandsche Schouwburg aan de overkant, het Joods Historisch Museum, het Joods Historisch kindermuseum en de Portugese Synagoge.
Zo’n conglomeraat is misschien ook wel een voorwaarde, wil een museum in het huidige tijdsgewricht überhaupt van de grond komen. Waarbij aangetekend kan worden, dat het eigenlijk vreemd is dat Nederland nog niet een overkoepelend museum als dit had.

 

Klooster
Boeken / Non-fictie

Monnikenwerk

recensie: Philip Holt - Schiere monniken en grijze vrouwen
Klooster

Kloosters en hun bewoners hebben veel betekend in de Lage Landen. Monniken legden moerassen droog, kopieerden boekwerken en polderden zeegebieden in. Als je dan weet dat het eerste cisterciënzerklooster in Nederland in 1165 werd gesticht en dat het land tegen het einde van de 15e eeuw maar liefst 34 cisterciënzerkloosters telde, dan kan je nagaan dat hun ‘bewoners’ heel wat nuttig werk hebben verricht.

De opzet van auteur Philip Holt is een exhaustief overzicht te geven van de geschiedenis – en, in de meeste gevallen teloorgang – van die 34 kloosters, wat gezien de bibliografie (per klooster aangegeven) duidelijk een huzarenwerk moet zijn geweest. Lovenswaardig, maar gezien het specifieke karakter uiteraard alleen interessant voor historici, studenten en liefhebbers van vaderlandse en/of monastieke geschiedenis. Die dan nog wellicht alleen die kloosters zullen opzoeken die interessant zijn voor hun onderzoek. Dankzij de overzichtelijke en logische indeling (‘zelfstandige vrouwenabdijen’ worden gebundeld, en verder de kloosters per provincie) zullen ze heel snel vinden wat ze zoeken. Het inleidende geschiedkundige overzicht is helder, maar weinig begeesterend omdat het heel feitelijk is. Wat, voor alle duidelijkheid, geen verwijt is.

Prediken voor eigen kerk

Dit boek aanprijzen is, zoals gezegd, prediken voor de eigen kerk: mensen die niet geïnteresseerd zijn in monastieke geschiedenis zullen Schiere monniken en grijze vrouwen wellicht nooit ter hand nemen. Maar voor (amateur)historici is dit boek een zakelijk en, dankzij het beeldmateriaal, heel degelijk vormgegeven naslagwerk dat een belangrijk en vaak onderschat stuk Nederlandse geschiedenis bundelt in een handig overzicht. De geschiedenis van het ene klooster is natuurlijk niet altijd even boeiend als die van het andere, maar dat kan de auteur niet verweten worden. Alleen die lyrische inleiding door ene broeder Bernardus Peeters, die haaks staat op de wetenschappelijke stijl van Holt en wel héél enthousiast de stimulerende rol van liefde bewierookt, had wat ons betreft geschrapt mogen worden.

Jezus en de vijfde evangelist
Boeken / Non-fictie

De Fik erin!

recensie: Fik Meijer - Jezus & de vijfde evangelist
Jezus en de vijfde evangelist

Het geheel is meer dan de som van de delen: deze uitdrukking gaat niet op voor Jezus en de vijfde evangelist, dat uit twee duidelijk te onderscheiden stukken is samengesteld die elkaar helaas niet versterken. Meer nog, het tweede deel is gewoon overbodig en zelfs historisch onverantwoord opgevat.

De opzet van het boek is lovenswaardig: de situatie schetsen waarin Jezus van Nazareth destijds opereerde, aangezien die bij weinig mensen bekend is. Maar de enige verrassende vaststelling die daaruit voortvloeit is dat het sinds de 2e eeuw voor Christus, en vooral met de komst van de Romeinse bezetters, krioelde van de zelfverklaarde ‘messiassen’, koningen en zaligmakers. Meijer toont mooi de correlatie tussen de toenemende (belasting)druk van dictators en militaire besturen en de opkomst van verzetsgroepen – vooral aan de hand van de geschriften van Flavius Josephus, de ‘vijfde evangelist’ uit de titel.

Helaas slaagt Meijer erin deze heel boeiende periode op een gortdroge en van enige mogelijke spanning ontdane manier te vertellen. Het eerste deel van Jezus en de vijfde evangelist is voornamelijk een opsomming van namen van verzetslieden, gepaard aan biografische anekdotes over Romeinse keizers en consuls die weinig of zelfs niet ter zake doen. Door zich bovendien zonder enige twijfel op de sowieso al weinig betrouwbare Josephus te verlaten, toont hij zich een historicus die weinig opheeft met historische kritiek.

Maar in het tweede deel, waarin Meijer Jezus loslaat in de door hem geschetste context, ontspoort het boek volledig. Nog los van het feit dat de auteur er gemakshalve van uitgaat dat Jezus een historische figuur is – wat nog steeds niet onlosmakelijk en onafhankelijk van de evangeliën bewezen kan worden – behandelt hij de geschriften van Marcus, Mattheüs, Lucas en Johannes doodleuk als feitelijke documenten. Meer nog, hij haalt ook het apocriefe evangelie van Thomas als bron aan én de zaken die de evangelisten niet vermelden, vult Meijer doodleuk en speculatief zelf in – iets waar hij zich in zijn Paulus-biografie ook al aan bezondigde. Dit resulteert in gevolgtrekkingen als deze:

‘Over Jozef wordt verder in de evangeliën niet veel meer gesproken. Hij verdwijnt geruisloos naar de achtergrond. Misschien was hij veel ouder dan Maria en is hij kort nadat Jezus zich op twaalfjarige leeftijd in de tempel had gepresenteerd gestorven. In ieder geval heeft hij het optreden van zijn zoon niet meegemaakt.’

Waar hij de bewijzen vandaan haalt om die laatste zin te valideren, is een raadsel.

Door Jezus nadrukkelijk als historische figuur te presenteren, brengt Meijer zichzelf ook in een lastig parket. Want wat te doen met de verrijzenis, die de evangeliën als feitelijk voorstellen? Heel eenvoudig: hij gaat er in mee en beschrijft Jezus’ ontmoetingen met leerlingen alsof ze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Faut le faire.

Nee, dan vonden wij Jezus van Nazaret, Paul Verhoevens controversiële kijk op de evangeliën, een stuk boeiender, consistenter, gewaagder en vooral: rijker aan inzichten. Even speculatief, jawel, maar Verhoeven is geen historicus en kan zich dat daarom permitteren.

Tot slot nog dit: wat de stambomen van Romeinse keizers achter in dit boek doen en wat de meerwaarde vormt van het katern met middeleeuwse schilderijen in het midden, is ons een volstrekt raadsel. Conclusie: Fik Meijer is alvast niét de zesde evangelist.

Boeken / Non-fictie

Heldere beschrijving van een troebele geschiedenis

recensie: Gert Oostindie - Soldaat in Indonesië, 1945-1950. Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis

Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) en hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, schreef met Soldaat in Indonesië, 1945-1950 een nieuw onderzoeksboek over de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië.

In tegenstelling tot veel andere werken over dit stukje Nederlandse geschiedenis, focust Oostindie zich expliciet op de soldaten die in Indonesië waren: hij verweeft hun dagboeken, memoires en gedenkboeken, zogenaamde ‘egodocumenten’, met de bestaande literatuur over deze oorlog.

Oorlogsmisdaden

Hierdoor ontstaat een imposant onderzoekswerk; Oostindie heeft duidelijk uitgebreid zijn huiswerk gedaan. Het boek is opgedeeld in tien hoofdstukken die elk een onderdeel van de oorlogssituatie bespreken: van de (aanvankelijke) missie en de tegenstander tot het soldatenleven en de thuiskomst. Twee hoofdstukken zijn gewijd aan de saillante details van deze oorlog: het oorlogsgeweld – of oorlogsmisdaden, in Oostindies woorden.

Door het geweld te bestempelen als misdaden, en niet als excessief of buitensporig geweld, zoals de Nederlandse regering in 1969 deed, geeft Oostindie een duidelijk teken. Volgens Oostindie zijn Nederlandse militairen tijdens de jaren 1945-1950 veelvuldig over de schreef gegaan, en in zulke mate dat dit beschouwd kan worden als oorlogsmisdaden. Hij doorbreekt hiermee definitief het taboe dat sinds 1950 op deze oorlog rust. Oostindie laat enige egodocumenten voor zich spreken, maar voegt daaraan toe dat veel documenten gecensureerd zullen zijn, mogelijk de waarheid verdraaid hebben, of niet eens bestaan. Dit klinkt alsof Oostindie zijn eigen argumenten verzint, maar niets lijkt minder waar. Hij weet overtuigend neer te zetten dat niet alle bronnen, om verschillende en veelal pijnlijke redenen, de waarheid konden zeggen, of om diezelfde of andere redenen niet eens gemaakt zijn.

Soldaten zelf

Meer dan dat laat Oostindie zien dat er in een oorlog, en zeker in een guerrilla– en contraguerrilla-oorlog, geen zwart-wit situatie bestaat. Door te vertellen vanuit het perspectief van de Nederlandse soldaten, van wie velen jonge dienstplichtigen zijn, weet hij duidelijk te maken hoe het is om in een onbekend, tropisch warm land te zijn, met een andere bevolking en andere gebruiken, in een totaal onbekende situatie. Hiermee probeert Oostindie niets goed te praten. Hij velt naar eigen zeggen geen morele oordelen, hoewel dit misschien niet helemaal strookt met zijn oordeel over de gepleegde oorlogsmisdaden, iets waar de Nederlandse regering tot op heden niet aan toegegeven heeft.

Oostindie laat je kennismaken met de oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, met het leger dat weleens het ‘vergeten leger’ wordt genoemd. Door de soldaten en veteranen zelf aan het woord te laten, schetst Oostindie een begrijpelijk beeld van de oorlog, voor de lezer die, twee generaties verder, wat onbevangener in het debat staat. De vraag op welke schaal er oorlogsmisdaden zijn gepleegd blijft, maar Oostindie levert een waardevolle bijdrage. Of er ooit een antwoord zal komen, is maar de vraag.

Winter in Teylers
Kunst / Expo binnenland

DOOR WEER EN WINTER

recensie: Echte winters. Het winterlandschap in de negentiende eeuw
Winter in Teylers

‘Winteren zal het dit jaar niet meer’ kopt het weerbericht in een landelijk dagblad. Nee, concludeert een bezoeker in het Teylers Museum te Haarlem, ‘voor echte winters moet je naar het museum’. Naar het Teylers, waar de tentoonstelling Echte winters is te zien. Met negentiende-eeuwse Nederlandse winterlandschappen.

Winter in Teylers

Andreas Schelfhout: Winterlandschap, 1846, collectie Teylers Museum

Het is voor alles een romantische tentoonstelling, in verschillende betekenissen van het woord: als levensvisie, als kunstperiode. In de eerste plaats door de haast sentimentele afbeeldingen van echte winters met veel sneeuw en ijspret. En prachtig roze-oranje winterluchten zoals Andreas Schelfhout (1787-1870) en Louis Apol (1850-1936), één van de meesters van de Haagse School die als geen ander konden schilderen.

Ruïnes en armoede

Maar ook romantisch in de weergave van een kapotte molen, zoals Wijnand Nuijen (1813-1839) die op het doek zette. Molens kwamen veelvuldig voor op winterlandschappen uit de negentiende eeuw, maar ze kapot afbeelden was een zeldzaamheid en doet denken aan ruïnes zoals Van Ruisdael ze in de Hollandse barok schilderde.

En tenslotte wordt er in dit verband in Haarlem ook aandacht geschonken aan een derde aspect dat je tot de romantiek kunt rekenen: de ellende die een winterinval betekende voor veel mensen in de negentiende eeuw.

Winter in Teylers

Anton Mauve, kudde schapen met herder in de sneeuw, Gemeentemuseum Den Haag

De lange 19de eeuw

De samenstellers van de tentoonstelling in Haarlem hebben gekozen voor het concept van de zogenaamde lange negentiende eeuw. Dat wil zeggen dat ze deze laten doorlopen tot aan de Eerste Wereldoorlog; de tentoonstelling wordt afgesloten met een schilderij van Jan Mankes (1889-1920). Het is een doek dat vooruit wijst naar de abstractie die eraan zit te komen. Maar eerlijk is eerlijk: deed Anton Mauve (1838-1880) dat met zijn atmosferisch aandoende, haast als vlakken weergegeven schapen in de sneeuw eigenlijk ook al niet?

winter in Teylers

Andreas Schelfhout: Winterlandschap met bevroren vaart, ijsvermaak, 1838, Teylers Museum

Volledig beeld

Conservator Michiel Plomp probeert in deze tentoonstelling een haast volledig beeld van de winter in de negentiende-eeuwse schilder-, prent- en tekenkunst te geven. Zo ontbreken ook personificaties van de winter als de nadagen van het menselijk leven niet. Ook wordt aandacht besteed aan een actueel gegeven als klimaatverandering. Daarbij wordt aangegeven dat de klimaatverandering eigenlijk al in de negentiende eeuw begon als gevolg van de industriële revolutie. Slechts een enkel voorwerp (gedecoreerde schaatsen, een slee) vult de keuze van de schilderijen aan. Dat maakt dat de tentoonstelling rust uitstraalt en dat het uitgangspunt (de echte winter) goed tot zijn recht komt.
Al zouden in dit kader foto’s een welkome aanvulling kunnen zijn geweest. Juist de zwart-witfotografie uit de negentiende eeuw is in staat de nuances van diepzwart ijs en blank witte sneeuw krachtig weer te geven. Overigens staan in de catalogus wel een paar foto’s afgedrukt.

winter in Teylers

Jan Jacob Spohler: Winterlandschap met twee molens, Teylers Museum

Catalogus

De rijk geïllustreerde catalogus vormt een mooie aanvulling voor wie alles over het genre ‘winterlandschap’ vanaf de Gouden Eeuw (Avercamp, Van Goyen, Van Ruisdael) tot en met de lange negentiende eeuw wil weten. Curator Plomp vraagt zich hierin onder meer af hoe het komt dat de meeste van de Haagse School-schilders zich niet zo voelden aangetrokken tot het genre. Hij concludeert dan dat we ‘vooralsnog het antwoord schuldig moeten blijven’. In Haarlem vallen wel enkele mooie specimen in de Haagse School-traditie te zien. Deze ‘wintertooneelen’ komen in deze zorgvuldig samengestelde, eerste tentoonstelling over ‘de winter’ in de negentiende-eeuwse kunst goed tot hun recht.

Kunst
special: Ronddwalen in historisch Regensburg

Zomerspecial: Regensburg – Duitsland

Smalle straatjes, gekleurde gevels, parmantige patriciërshuizen en beschutte binnenpleinen: het centrum van Regensburg ademt geschiedenis. Van een bezoek aan de ‘noordelijkste stad van Italië’ zal niemand spijt krijgen.

Toegegeven, het Beierse Regensburg is bij lange na niet de enige plaats die zich als noordelijkste stad van Italië profileert. Wat er precies als typisch Italiaans aan de Donaustad kan worden beschouwd, is bovendien niet helemaal duidelijk. De hoogste Kneipendichte van Duitsland, zoals velen je tijdens een bezoek aan de plaats zullen willen doen geloven, heeft Regensburg in werkelijkheid evenmin. Toch is een reisje naar de stad met een kleine 150.000 inwoners de moeite meer dan waard. Het centrum bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog nagenoeg ongeschonden: niet voor niets staat het sinds 2006 op de UNESCO Werelderfgoedlijst. Geschiedenisliefhebbers – zoals ik – wanen zich in een waar walhalla.

Voor elk wat wils

De Romeinen stichtten er een militaire basis aan de Donau, Johannes Kepler stierf er, Barbara Blomberg kreeg er haar buitenechtelijke zoon Don Juan van niemand minder dan keizer Karel V, sinds 1663 was Regensburg het toneel van de Immerwährende Reichstag en voormalig paus Joseph Ratzinger was er aan de universiteit actief. Zo kan deze opsomming nog eindeloos uitgebreid worden, want elke straat van Regensburg heeft haar eigen geschiedenis en interessante anekdotes.

Maar ook mensen die iets minder in geschiedenis geïnteresseerd zijn, komen in Regensburg aan hun trekken. In de smalle straatjes zijn veel kleine winkeltjes, waar een ieder iets van zijn of haar gading kan vinden. Tijdens warme dagen kun je niet alleen prima op een van de vele pleinen een beschaduwd terras opzoeken, ook op kleine eilandjes in de Donau is verkoeling te vinden. Daarnaast kun je je in Regensburg onderdompelen in de Beierse cultuur. Dat Regensburg in de Zuid-Duitse Freistaat ligt, kan namelijk niemand ontgaan. Met de hoeveelheid mensen in Tracht valt het dan misschien nog mee, om het bairisch kan echter niemand heen. Ook de kerkklokken die altijd wel ergens lijken te luiden, maken duidelijk dat we in – het overwegend rooms-katholieke – Beieren zijn.

Van Walhalla tot Wurstkuchl

Regensburg heeft veel te bieden op historisch gebied en eigenlijk zijn de drie dagen die ik er heb doorgebracht daarom veel te weinig. Het museum over de geschiedenis van Regensburg had ik bijvoorbeeld ook graag bezocht. Wat ik dan wel kan aanraden?

  1. De Dom van Regensburg
  2. Walhalla – Deze neoclassicistische tempel uit de vroege negentiende eeuw ligt net buiten Regensburg en laat bustes en plaquettes van belangrijke Duitsers en ‘verwante’ volken zien. Recente toevoegingen – zoals een buste van Albert Einstein – vallen qua stijl helaas nogal uit de toon. Vanaf Walhalla heb je ook een mooi uitzicht over de Donau.
  3. Document Neupfarrplatz – Onder de Neupfarrplatz wordt dagelijks een ondergrondse rondleiding gegeven. De verschillende lagen geven een duidelijke impressie van de hoogte- en dieptepunten van de Regensburger geschiedenis. Er zijn resten uit de Romeinse tijd zien, van de voormalige Joodse wijk waaruit de Joden in 1519 na eeuwenlang vredig samenleven werden verdreven en uit de nazitijd.
  4. Salzstadel en Steinerne Brücke – De Steinerne Brücke is de oudste bewaard gebleven brug van Duitsland en wordt momenteel gerestaureerd. Aan de brug ligt de Salzstadel. Vroeger werden hier zoutleveringen opgeslagen, nu is het ingericht als een overzichtsoord van het erfgoed van Regensburg. Daarbij wordt verwezen naar andere Regensburger musea, zodat de liefhebber zich aldaar verder in bepaalde thema’s kan verdiepen. Eigenlijk is dit dus een ideaal beginpunt voor je bezoek aan de stad.
  5. Historisch verantwoord eten en drinken – Biergarten ontstonden in de negentiende eeuw in Beieren, dus een bezoekje past prima in de historische trip. Ga naar Bischofshof, een mooie binnenplaats vlakbij de Dom, of vermaak je in een Biergarten langs de oevers van de Donau. Bij de Salzstadel vind je de Historische Wurstkuchl, waar sinds de vroege twaalfde eeuw de verkoop van Bratwurst plaatsvindt. Naar verluidt is dit de oudste locatie ter wereld, maar uiteraard valt ook daarover te twisten.
Dom van Regensburg, gezien vanaf de Steinerne Brücke

Foto: J. Nijeboer – Dom van Regensburg

Op zoek naar de blauwe ezel

Een bezoek aan Regensburg zonder bezichtiging van de Dom, is als een bezoek aan Beieren zonder Biergarten. Daarom verdient de nummer één  van mijn top vijf iets meer aandacht. De Dom St.  Peter, zoals de volledige naam luidt, is de enige gotische kathedraal in Beieren en werd in 1872 na 600 jaar eindelijk voltooid. De lange bouwperiode valt onder meer op door stijlverschillen aan het exterieur en in de glas-in-loodramen. Met de Domspatzen beschikt de kerk over een van de oudste jongenskoren ter wereld: al in 975 werd het koor opgericht

Ga in de Dom op zoek naar de blauwe ezel, de duivel en zijn grootmoeder, bekijk de lachende engel en vergaap je aan het grootste hangende orgel ter wereld. Saillant detail: een ingebouwde lift brengt de organist naar vijftien meter hoogte. De Dom is elke dag vanaf half zeven ’s ochtends te bezichtigen, behalve tijdens de diensten. Aan de missen verlenen de Domspatzen buiten de schoolvakanties overigens hun medewerking, wat gezien de reputatie van het koor veel toeristen trekt.

Na de Dom nog niet genoeg van de kerken? De barokke Alte Kapelle en de romaanse Niedermünsterkirche, waarbij  overigens ook opgravingen bekeken kunnen worden, zijn eveneens een bezichtiging waard. Regensburg heeft net zo veel kerken en kapellen als dagen in een jaar, werd al in de zeventiende eeuw gezegd. Anno 2015 blijkt dat nog altijd een waarheid als een (Beierse) koe.