Tag Archief van: 8WEEKLY

Theater / Voorstelling

Een cadeautje van de beschermheilige der huisvrouwen

recensie: The Bridges of Madison County

Hun affaire is nog geen drie dagen oud als Francesca haar liefde verklaart aan Robert, de gevoelige fotograaf die haar saaie leven in Iowa wakker schudt. En dan zeggen ze dat wij twintigers snel zijn met onze Tindermatches! The Bridges of Madison County moet het hebben van grootse gebaren, lyrische muziek en hunkering naar een vurig leven. Daarmee gaat veel nuance verloren, maar wie zich overgeeft aan deze fantasie, kan zich op een mooi liefdesverhaal verheugen.

In The Bridges of Madison County leren we de Italiaanse Francesca kennen, die na de oorlog trouwde met een Amerikaanse soldaat en een nieuw leven opbouwde op een boerderij in Iowa. Als manlief en de kinderen een paar dagen vertrekken, ontmoet ze Robert. Robert fotografeert de historische bruggen in de omgeving, maar richt uiteindelijk zijn lens op Francesca. Hij heeft de wereld gezien en begrijpt haar zoals haar man dat niet kan. In een paar dagen ontstaat er een affaire tussen de twee, en moet Francesca kiezen: of de veiligheid van haar gezin, of het avontuur tegemoet met Robert.

De Ideale Man in een provinciaal dorp 

Robert is de belichaming van de Ideale Man: hij is bereisd, stoer en begripvol, geniet van het leven en zet heerlijke koffie. Francesca is een temperamentvolle Italiaanse, maar wordt kleingehouden door de provinciale mentaliteit van haar man en buren. Alleen Robert kan zien wie ze echt is. Robert en Francesca zijn zielsverwanten die voor elkaar gemaakt lijken te zijn. In dit opzicht is The Bridges of Madison County te makkelijk. De vurige persoonlijkheden van Robert en Francesca worden zo tegenover de bekrompenheid van haar man Dick gezet dat het bijna vanzelfsprekend en gerechtvaardigd is dat de twee een affaire aangaan. Zo staat er uiteindelijk minder op het spel als ze een keuze moet maken. Dick en haar twee kinderen Michael en Carolyn blijven vrij karikaturale personages die weinig ontwikkeling doormaken. Het gewicht dat zij brengen in het conflict van een affaire – voor Robert moet Francesca breken met een gezin waar zij achttien jaar lief en leed mee heeft gedeeld – komt niet uit de verf.

Beleefdheid en verlangen

Toegegeven, ik schrijf hier over een eenzijdigheid in het originele script. Daar heeft OpusOne weinig invloed op. Met de enscenering van Koen van Dijk en de kwaliteiten van zijn acteurs is weinig mis. De open, minimale stijl waar het Zonnehuis zich goed voor leent – midden in het publiek, met enkele rekwisieten en decorstukken om een scène vorm te geven – geeft adem aan een musical die in verkeerde handen bombastisch kan worden. Lone van Roosendaal begrijpt een rol als Francesca. Ze suggereert een continu gevecht tussen beleefdheid en een dieper verlangen naar meer, waardoor haar personage intrigerend blijft. Als de viriele en sensitieve Robert is René van Kooten de fantasieman van menig Francesca/o in de zaal, al werkt het verhaal hem zo nu en dan tegen. Je zou willen dat er iets is dat Robert niet kan, een deukje in zijn perfecte imago om hem iets meer van vlees en bloed te maken en minder het levende verlangen van Francesca. De spelkwaliteiten van en chemie tussen Roosendaal en Van Kooten doen dit gelukkig snel vergeten.

En dan is er Annick Boer, die als de bemoeizuchtige buurvrouw Marsha niet onvermeld mag blijven. Met onderkoelde humor staat zij voor de rest van het dorp, die met een mengeling van nieuwsgierigheid, jaloezie en lust de affaire op de voet volgt en vervolgens de nietsvermoedende echtgenoot de schuld geeft van alles. De beste oneliner komt echter van Francesca zelf, als zij opmerkt dat Robert persoonlijk door de “beschermheilige der huisvrouwen” naar haar adres gezonden lijkt te zijn. Daar heeft ze een punt.

Theater / Voorstelling

Een cadeautje van de beschermheilige der huisvrouwen

recensie: The Bridges of Madison County

Hun affaire is nog geen drie dagen oud als Francesca haar liefde verklaart aan Robert, de gevoelige fotograaf die haar saaie leven in Iowa wakker schudt. En dan zeggen ze dat wij twintigers snel zijn met onze Tindermatches! The Bridges of Madison County moet het hebben van grootse gebaren, lyrische muziek en hunkering naar een vurig leven. Daarmee gaat veel nuance verloren, maar wie zich overgeeft aan deze fantasie, kan zich op een mooi liefdesverhaal verheugen.

In The Bridges of Madison County leren we de Italiaanse Francesca kennen, die na de oorlog trouwde met een Amerikaanse soldaat en een nieuw leven opbouwde op een boerderij in Iowa. Als manlief en de kinderen een paar dagen vertrekken, ontmoet ze Robert. Robert fotografeert de historische bruggen in de omgeving, maar richt uiteindelijk zijn lens op Francesca. Hij heeft de wereld gezien en begrijpt haar zoals haar man dat niet kan. In een paar dagen ontstaat er een affaire tussen de twee, en moet Francesca kiezen: of de veiligheid van haar gezin, of het avontuur tegemoet met Robert.

De Ideale Man in een provinciaal dorp 

Robert is de belichaming van de Ideale Man: hij is bereisd, stoer en begripvol, geniet van het leven en zet heerlijke koffie. Francesca is een temperamentvolle Italiaanse, maar wordt kleingehouden door de provinciale mentaliteit van haar man en buren. Alleen Robert kan zien wie ze echt is. Robert en Francesca zijn zielsverwanten die voor elkaar gemaakt lijken te zijn. In dit opzicht is The Bridges of Madison County te makkelijk. De vurige persoonlijkheden van Robert en Francesca worden zo tegenover de bekrompenheid van haar man Dick gezet dat het bijna vanzelfsprekend en gerechtvaardigd is dat de twee een affaire aangaan. Zo staat er uiteindelijk minder op het spel als ze een keuze moet maken. Dick en haar twee kinderen Michael en Carolyn blijven vrij karikaturale personages die weinig ontwikkeling doormaken. Het gewicht dat zij brengen in het conflict van een affaire – voor Robert moet Francesca breken met een gezin waar zij achttien jaar lief en leed mee heeft gedeeld – komt niet uit de verf.

Beleefdheid en verlangen

Toegegeven, ik schrijf hier over een eenzijdigheid in het originele script. Daar heeft OpusOne weinig invloed op. Met de enscenering van Koen van Dijk en de kwaliteiten van zijn acteurs is weinig mis. De open, minimale stijl waar het Zonnehuis zich goed voor leent – midden in het publiek, met enkele rekwisieten en decorstukken om een scène vorm te geven – geeft adem aan een musical die in verkeerde handen bombastisch kan worden. Lone van Roosendaal begrijpt een rol als Francesca. Ze suggereert een continu gevecht tussen beleefdheid en een dieper verlangen naar meer, waardoor haar personage intrigerend blijft. Als de viriele en sensitieve Robert is René van Kooten de fantasieman van menig Francesca/o in de zaal, al werkt het verhaal hem zo nu en dan tegen. Je zou willen dat er iets is dat Robert niet kan, een deukje in zijn perfecte imago om hem iets meer van vlees en bloed te maken en minder het levende verlangen van Francesca. De spelkwaliteiten van en chemie tussen Roosendaal en Van Kooten doen dit gelukkig snel vergeten.

En dan is er Annick Boer, die als de bemoeizuchtige buurvrouw Marsha niet onvermeld mag blijven. Met onderkoelde humor staat zij voor de rest van het dorp, die met een mengeling van nieuwsgierigheid, jaloezie en lust de affaire op de voet volgt en vervolgens de nietsvermoedende echtgenoot de schuld geeft van alles. De beste oneliner komt echter van Francesca zelf, als zij opmerkt dat Robert persoonlijk door de “beschermheilige der huisvrouwen” naar haar adres gezonden lijkt te zijn. Daar heeft ze een punt.

Tocqueville
Boeken / Achtergrond
special: Het gedachtegoed van democraat en aristocraat Alexis de Tocqueville
Tocqueville

Paradoxale profeet

Meer dan honderdvijftig jaar geleden onderzocht de Franse aristocraat Alexis de Tocqueville de democratie in Amerika. Zijn bevindingen zijn nog altijd relevant.

‘Met mijn verstand kan ik instemmen met de democratie, maar ik ben van nature een aristocraat; dat wil zeggen dat ik de massa’s minacht en vrees.’ Het paradoxale karakter van dit citaat is exemplarisch voor zowel het gedachtegoed als de persoonlijkheid van Alexis de Tocqueville. Want wie zich verdiept in zijn werk en leven valt dát het meest op: de paradox.

Hij accepteerde de democratie maar bleef in hart een aristocraat. Hij pleitte voor het maatschappelijk nut van religie maar was, sinds zijn zestiende, zelf ongelovig – hetgeen hem zeer speet. In zijn boeken is hij duidelijk over de zegeningen én de gevaren van democratie. Eenduidigheid is hem vreemd.

TocquevilleDubbelzinnig

Vanwege dat paradoxale karakter van Tocqueville’s gedachtegoed, laat het zich moeilijk samenvatten. De politicoloog Harvey Mansfield, die Tocqueville’s bekendste werk Over de democratie in Amerika naar het Engels vertaalde, noemde het ‘tegelijkertijd het beste boek dat ooit over democratie is geschreven en het beste boek dat ooit over Amerika is geschreven’. Maar gaat het boek dat Tocqueville schreef naar aanleiding van zijn reis door Amerika wel over democratie? En gaat het überhaupt wel over Amerika?

Ja en nee. Tocqueville bedoelt met democratie iets anders dan wat wij er tegenwoordig onder verstaan. Meer dan over de democratie als bestuursvorm, schreef Tocqueville over de toegenomen standsgelijkheid en de daarmee samenhangende democratische cultuur. Frankrijk was voor een belangrijk deel nog een aristocratische samenleving waarin macht voorbehouden was aan de hogere standen. Tocqueville: ‘Van al het nieuwe dat tijdens mijn verblijf in de Verenigde Staten mijn aandacht heeft getrokken, heeft niets mij sterker getroffen dan de standsgelijkheid.’

Met Frankrijk ging het mogelijk dezelfde kant op. Aan zijn reisgenoot schreef hij: ‘Ik heb geen enkele bladzijde geschreven zonder aan Frankrijk te denken.’ Het boek gaat over Amerika, maar hij schreef het voor Frankrijk: mogelijk kon het van Amerika leren.

Angst

Tocqueville was niet blind voor de gevaren van de toenemende gelijkheid. Sterker nog, hij had van zeer dichtbij kennisgemaakt met gewelddadige ontsporingen ervan. Een groot deel van zijn adellijke familie kwam om tijdens het terreurbewind van Robespierre, de meest bloedige fase van de Franse Revolutie.

Dat verklaart Tocqueville’s vrees voor de massa’s. Het maakt hem echter geen tegenstander van gelijkheid en de democratie, zoals zoveel van zijn aristocratische tijdsgenoten.

Onvermijdelijk

Tijdens de Restauratie, de periode na de val van Napoleon in 1815, werd gepoogd de klok terug te draaien naar de tijd van vóór de Franse Revolutie – toen de koning, de kerk en de adel de dienst uitmaakten. Zo hoopten de ‘nieuwe’ machthebbers alles bij het oude te houden.

Volgens Tocqueville was dat gedoemd te mislukken. Hij zag de Franse Revolutie niet als een historische aberratie, maar als de uitkomst van een proces dat al eeuwen gaande was. Geleidelijk aan was de macht van de hogere standen aan het afbrokkelen en de Franse Revolutie was daarvan slechts de politieke manifestatie. De Franse Revolutie, kortom, was niet de oorzaak maar het gevolg van de toenemende gelijkheid. De klok terugdraaien had dus geen enkele zin.

Wel kon het proces van democratisering bijgestuurd worden. Hoe kon de democratisering in goede banen worden geleid? Hoe kon ervoor worden gezorgd dat men  niet opnieuw uit de bocht vloog, zoals tijdens de Franse Revolutie? Het beantwoorden van die vragen was zijn (intellectuele) levensdoel.

Voorbeeld

Een deel van die antwoorden hoopte hij te vinden in Amerika. Naar aanleiding van zijn reis door dat land, in eerste instantie met als doel het Amerikaanse penitentiaire stelsel te onderzoeken, schreef hij zijn magnum opus: Over de democratie in Amerika.

Amerika kon volgens Tocqueville als voorbeeld dienen voor Frankrijk. Dat was op zich al een revolutionair idee want de meeste Europeanen – en zeker de Fransen – trokken naar Amerika om te kijken hoe het vooral níét moest. Maar Tocqueville zag scherp dat democratisering de toekomst had en dat in tegenstelling tot zijn vaderland, dat gekenmerkt werd door revoluties, opstanden en coups, Amerika democratisch en stabiel was.

Succes

Het succes van Amerika verklaarde Tocqueville onder meer door de decentralisering van de macht. Waar in Frankrijk de politieke macht zoveel mogelijk gecentraliseerd werd, zag hij in Amerika het tegengestelde: de macht lag een stuk dichter bij de gewone burger. Daardoor was de burger ook een stuk actiever in het bestuur.

Meer nog dan in de instituties zoekt Tocqueville de verklaring van het succes van de Amerikaanse democratie in de zeden, de gewoonten en de Amerikaanse (politieke) cultuur. Daarbij wordt hij vooral getroffen door de positieve invloed van het protestantisme in Amerika, dat een heel andere rol in de samenleving vervult dan de katholieke variant in zijn eigen land. De talloze kerkgemeenten worden democratisch bestuurd, dat wil zeggen: door de mensen zelf. Het besturen van de kerk functioneert zo als voorbeeld voor het besturen van het land.

Hoewel hij in de bloei van echte deugd in een democratie geen vertrouwen heeft, ziet hij in Amerika wel een pseudodeugd ontstaan dat hij het welbegrepen eigenbelang noemt. Daarbij zetten mensen zich in voor het algemeen belang omdat men beseft dat dat tevens in het eigen belang is. Een surrogaatdeugd dus, maar wel met eenzelfde effect: men zet zich in voor het bonum commune.

Waarschuwing

Zoals gezegd heeft Tocqueville uiteraard ook oog voor de gevaren van de democratie. Hij waarschuwt voor de mogelijke ontaarding van de democratie. Die ontaarding heeft twee uitingsvormen: de ‘tirannie van de meerderheid’ en wat hij omschrijft als ‘mild despotisme’.

Zowel de tirannie van de meerheid als het mild despotisme zijn thans actuele politieke verschijnselen. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de laatste jaren de interesse in Tocqueville flink is toegenomen. Dat heeft volgens Rob Hartmans, journalist van De Groene Amsterdammer, zulke vormen aangenomen dat welhaast iedereen die over politiek schrijft en zichzelf een beetje serieus neemt, zich verplicht voelt om met enige regelmaat naar hem te verwijzen. Maar hoe serieus is die schatplichtigheid die een hoop rechtse scribenten zichzelf aanmeten?

TocquevillePopularisering of vulgarisering?

Het is nogal bon ton om je te tooien met Tocqueville’s veren. Zo deed de historicus Geerten Waling de reis van Tocqueville door Amerika nog eens dunnetjes over – met Over de democratie in Amerika in de hand. Zoeken naar de democratie in Amerika: Op reis met Alexis de Tocqueville in het land van Trump (uitgegeven bij Elsevier) is een aardig boekje, maar behalve een citaat aan het begin van ieder hoofdstuk leest men er weinig van Tocqueville in terug.

TocquevilleWie Tocqueville zoekt in het dit jaar verschenen De Amerikaanse droom van Tocqueville (uitgegeven bij Vantilt) komt eveneens bedrogen uit. Op de bijdrage van Jan Willem Sap na, hebben alle bijlagen slechts zijdelings een link met Tocqueville’s werk. Het hart van de gemiddelde geïnteresseerde in Tocqueville zal niet sneller gaan kloppen bij het lezen van een beschouwing over de verhouding tussen de centrale en decentrale overheden in Zuid-Afrika of de rechten en plichten van non-gouvernementele organisaties binnen de Verenigde Naties.

Inhoud én stijl

TocquevilleMeer van Tocqueville vindt men terug in het in 2014 bij Lemniscaat verschenen Tocqueville, profeet van de moderne democratie. In de dertien bijdragen gaat men dieper in op onderdelen in Tocqueville’s werk zoals de invloed van de klassieke filosofen op zijn werk of zijn visie op religie, armenzorg en menselijke waardigheid.

Maar het beste is natuurlijk Tocqueville zelf lezen. Eveneens bij Lemniscaat verscheen in 2011 de eerste integrale Nederlandse vertaling van Over de democratie in Amerika. Behalve de inhoud, is de stijl van Tocqueville al voldoende reden het boek te lezen. Beroemd is de passage waarin hij mild despotisme omschrijft:

‘Ik wil mij inbeelden met welke nieuwe trekken het despotisme zich in de wereld zou kunnen voordoen: ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen; zijn kinderen en zijn vrienden vormen voor hem het hele mensdom; wat de rest van zijn medeburgers betreft: hij staat naast hen, maar ziet hen niet, hij raakt ze aan, maar voelt ze niet; hij bestaat slechts in en voor zichzelf en, zo hij al familie heeft, kan men in ieder geval zeggen dat hij geen vaderland meer heeft. Boven hen torent een immense en beschermende macht uit die zich als enige belast met de zorg van hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijke gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te bereiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden; zij ziet graag dat de burgers genieten, mits zij alleen maar aan genietingen denken. Zij werkt met genoegen aan hun geluk, maar wil er de enige vertegenwoordiger en de enige scheidsrechter van zijn; zij biedt hun veiligheid, kent en regelt hun behoeften, vergemakkelijkt hun genoegens, zorgt voor hun voornaamste zaken, staat aan het hoofd van hun industrie, regelt hun erfopvolging, verdeelt hun erfenissen; waarom kan zij hun niet volledig de moeite van het denken en de last van het leven besparen?’

Tocqueville leefde in de periode waarin de aristocratische cultuur werd vervangen door een democratische. Dit stelde hem in staat zowel van binnenuit als van buitenaf de democratisering te beschouwen. Wellicht lag dat aan de basis van zijn vlijmscherpe inzichten die hij met een even scherpe pen aan het papier toevertrouwde.

Theater / Voorstelling

Een lust voor oor en oog

recensie: Opera Zuid – Il Barbiere di Siviglia

Wie denkt aan Il Barbiere di Siviglia denkt aan hilarische verkleedpartijen. In de nieuwe versie van Opera Zuid wordt toeters noch bellen gespaard en uit de kast gehaald. De Il Barbiere di Siviglia die theaterduo Geert Lageveen en Leopold Witte (bekend van Carmen) hebben neergezet, is actueel, verrijkend en boeiend tot de laatste minuut. Het sprankelende decor van Marc Warning zuigt de toeschouwer naar zich toe en houdt haar welwillend drie uren vast in haar greep.

Rondvliegende pruiken

Vrij vertaald heet Rossini’s opera ‘De barbier van Sevilla’, een bijnaam voor één van de hoofdpersonages: Figaro. In deze voorstelling ontstijgt Figaro (Luthando Qave) zijn beroep en is hij voornamelijk drugsdealer. Zijn vaste klanten treft hij in een kuuroord, waar de verveelde elite zich tegoed doet aan zonnebaden en pillen slikken. In de openingsscène maakt het publiek kennis met deze rijkelui. Verspreid over het podium ligt het theatergezelschap te “slapen” en worden ze langzaam wakker van de prachtige – maar tamelijk lange – ouverture die door het orkest o.l.v. Per-Otto Johansson wordt gespeeld. Versuft en karig gekleed lopen de acteurs rond; hun navels komen tevoorschijn onder korte gouden topjes en op menig hoofd prijkt een feesthoedje. Op de maat van de muziek heffen ze hun glas en een gehaaste hoteljongen baant zich een weg om de ene na de andere feestganger van wijn te voorzien. Hier merk je als publiek meteen hoe synchroon de muziek en het spel met elkaar lopen. Graaf Almaviva (Juraj Holly) sluiert door de menigte in zijn witte pak, met op zijn neus een designerbril die van hem eerder een nerd dan de held van het verhaal maakt. De graaf is gefacineerd door de schoonheid van Rosina (Romie Estèves), de verwende doch hartstochtelijke dochter van Bartolo (Stefan Stoll). Hij probeert samen met hulpje Fiorello (Ruben Plantinga) meerdere malen haar aandacht te trekken door onder haar balkon te zingen. Na deze vergeefse pogingen schakelt hij de hulp van Figaro in die hem adviseert om zich voor te doen als een student. Daardoor zal Rosina niet vallen voor zijn geld, maar voor zijn persoonlijkheid. De graaf is niet de enige in de strijd om het hart van Rosina, ook haar pleegvader wil zo snel mogelijk met haar in het huwelijksbootje stappen. Om onopgemerkt in de buurt van Rosina te komen, vermomt de graaf zich achtereenvolgens als dronken soldaat en stylist met zeer vrouwelijke trekjes. Pruiken vliegen in de rondte en attributen vallen letterlijk uit de lucht.

 

Verheven kunst

Het totaalplaatje klopt helemaal: iedere noot wordt zuiver ten gehore gebracht, het arsenaal aan attributen is ongekend, zowel decor als kostuums zijn een lust voor het oog (o.a. een minizwembad in de grond en kauwgom-roze kledij) en er is telkens sprake van actie, actie, actie. Het tempo is aangenaam snel; decorwisselingen zijn voornamelijk de verdienste van het koor, die van het verplaatsen van een tafel of stoel een verheven kunst maken. Het is uiteindelijk één groot samenspel en het ensemble dat samen het stuwende koor voorstelt, vormt een perfecte aanvulling op het decor. De intrede van het personage Figaro is magistraal en de oren van het publiek luiken open: wát een energie, zowel fysiek als vocaal. Figaro is het personage dat steeds de lachers op zijn hand heeft, mede door de big smile die tijdens de opera zijn gezicht blijft sieren. Zijn relatie tot Rosina is vriendschappelijk van aard en het geginnegap tussen de twee stemt de toeschouwer gemoedelijk. De aanwezigheid van Bartolo en diens hulpje Don Basilio (een onverzorgd type in joggingbroek en sokken met adidas-badslippers gespeeld door Marcel van Dieren) wekt echter frustratie en zorgt voor afkeer bij de andere spelers. Het is hét perfecte subject om te bespotten en dit gebeurt ook meerdere malen. Hij moet letterlijk achter Rosina aankruipen, krijgt Rosina’s sjaaltje in zijn mond gepropt, krijgt een kapperscape om en een flinke dot scheerschuim in zijn haar en uiteindelijk zingt hij een belachelijk liefdeslied aan het adres van Rosina. De overige kuuroordbezoekers kiezen duidelijk de kant van graaf Almaviva en Rosina en lachen collectief Bartolo uit. Bovendien is hier door het regisseursduo goed verbeeld hoe de bovenlaag tegenwoordig ten onder gaat aan haar eigen luxe en de verveling. Het is daarnaast grappig om te zien hoe de verhoudingen in deze opera verschuiven en dat de macht vaak in handen ligt van Rosina, die haast op kinderlijke manier haar gelijk wil krijgen. Zo schopt ze ook eventuele rivalen aan de kant, zoals hotelmanager Berta (Veerle Sanders). Met knalroze pruiken over haar bruine krullen, zingt Rosina met gepijnigde stem en is de mimiek in haar gezicht beeldend voor haar verlangen naar de liefde. Rosina speelt ook een spel met graaf Almaviva: het is een spel van aantrekken en afstoten, waardoor in Almaviva de verliefdheid steeds oplaait. Hun stemmen vloeien op prachtige wijze samen en worden gestuwd door het meerstemmige geluid van het koor. Deze opera doet door haar eigentijdse, actuele uitstraling denken aan een musical: deze commedia dell’arte is even komisch en kleurrijk. Dit zorgt ervoor dat deze opera toegankelijk is voor zowel oud als jong publiek. Grappig, actueel en boeiend: dit soort moderne bewerkingen stemt de geëngageerde operabezoeker vrolijk.

Boeken / Non-fictie

Connie Palmen over de ficties van de werkelijkheid

recensie: Connie Palmen - Het drama van de afhankelijkheid

Connie Palmens verspreide essayistisch werk is gebundeld in het boek Het drama van de afhankelijkheid. Het zijn zeer lezenswaardige stukken.

In 2009 publiceerde Palmen het poëticale essay Het geluk van de eenzaamheid in een bij uitgeverij Athenaeum verschijnende reeks ‘Over de roman’. ‘Schrijvers schrijven graag over schrijven en hun bespiegelingen zijn doortrokken van een hartstochtelijk verlangen de roman apart te zetten,’ opent het boekje. Het essay is opgenomen in Het drama van de afhankelijkheid, een overzichtswerk van Palmens essayproductie. En wat blijkt: al voordat zij hoge ogen gooide met romans als De wetten (1991) en De vriendschap (1995), timmerde Palmen aan een doorwrochte en gefundeerde kijk op het schrijven.

Literaire fictie

In Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates (1992), een bewerkte versie van Palmens afstudeerscriptie, worden thema’s gepresenteerd die Palmen jaren later, bijvoorbeeld in Lucifer (2007) en het Librisprijs-winnende Jij zegt het (2015), nog steeds verkent en verdiept. Palmens literaire oeuvre is ten diepste doortrokken van het besef literaire fictie te zijn, in tegenstelling tot de alledaagse fictie die ons leven is. Socrates ging ten onder aan de verhalen – de ficties – die over hem de ronde deden, stelde Palmen in haar scriptie. Zijn werkelijke bestaan is onder de fictie bedolven en uit beeld geraakt.

Aan Lucifer zijn enkele essays in de bundel gewijd: vaak verdedigingen tegen de tumultueuze ontvangst die de roman beleefde. Insinueerde Palmen met haar dunnetjes bedekte sleutelroman immers niet dat componist Peter Schat zijn vrouw in 1981 van hun Griekse vakantieterras had geduwd? ‘Het is een roman,’ zegt de schrijfster daarop: oftewel, het is fictie, een verhaal, het is niet echt, ik heb dit verzonnen. Wat dat verweer precies betekent, verkent ze door tegen de werkelijkheid aan te schuren: dat is waar het verhaal over Peter Schat het verhaal over Palmens figuur Lucas Loos ontmoet.

Obsessief schrijverschap

Zoals Palmen in Het geluk van de eenzaamheid schrijft: ‘Iedereen maakt fictie, maar niet alle fictie is literatuur.’ Acht jaar geleden was ook dat stof voor ophef: in een televisieprogramma droeg Palmen haar literatuuropvatting uit en stelde, consequent, dat literaire thrillers geen literatuur, maar lectuur zijn. Waar haalde ze het vandaan? Het antwoord is simpel, zo blijkt uit Het drama van de afhankelijkheid: uit decennialang nadenken over filosofie en literatuur, uit paradoxen en tegenstellingen uitwerken (wat is het ‘drama van de afhankelijkheid’, het ‘geluk van de eenzaamheid’?).

Deze bundel geeft een mooi overzicht van Palmens obsessies sinds het begin van haar schrijverschap. De constanten zijn goed zichtbaar – iemand als Jane Bowles, een van de vrouwen uit haar recente Boekenweekessay, maakte al eerder haar opwachting in een aantal van deze stukken –, en ook de verschillen. Zo verscherpt Palmens toon de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en groeit het belang dat zij ziet voor de literatuur: de werkelijkheid bevragen is nu ook van toepassing op het populisme en al te eenvoudige politieke oplossingen.

Nieuwe dimensie

Het drama van de afhankelijkheid is uiteindelijk vooral een bundel die een nieuwe dimensie aan Palmens romans en verhalen toevoegt. Het presenteert zich als een boek dat Palmens schrijverschap verklaart en toelicht. Zoals Palmen Het geluk van de eenzaamheid besluit: ‘Als schrijver wil ik niets liever dan geluk brengen.’

Boeken / Fictie

Een roman zonder concessies

recensie: Alisa Ganíjeva - De Russische muur

Wat gebeurt er wanneer het land waar je deel van uitmaakt een muur om jouw deelrepubliek bouwt? Het overkomt de inwoners van Dagestan in De Russische muur, een roman die niet voor iedereen even toegankelijk is.

De Russische muur confronteert haar lezer met Dagestan, een land waar weinig mensen weet van hebben. Dat wil zeggen, er zit een antropologische dimensie aan deze roman van de Dagestaanse Alisa Ganíjeva (1985). Als ze het land al kennen, zullen veel Nederlanders Dagestan, de autonome Russische republiek die grenst aan Tsjetsjenië, de Kaspische Zee, Azerbaijan en Georgië, vooral in onheilspellende nieuwsberichten tegengekomen zijn. Misschien dat Tolstojs novelle Hadji Moerat enkelen bekend voorkomt. Zij zullen overdonderd zijn door De Russische muur.

Complex

Toegegeven, dat was ik ook. Dagestan staat etnisch gezien bekend als de meest complexe regio in de Kaukasus (en dus, in ieder geval geografisch gezien, in Europa). Zoals in De Russische muur veelvuldig besproken wordt, bestaat de republiek uit dertig volkeren, die allen minderheden zijn. De meesten zijn islamitisch, allen delen ze het Russische Sovjetverleden. Even makkelijk leeft dat niet altijd samen.

En dan besluit Rusland, in een niet al te verre toekomst, een muur om de republiek te bouwen. In de daaropvolgende chaos en het machtsvacuüm proberen de verschillende groepen, extremistisch-islamistische groepen voorop, het voor het zeggen te krijgen: ‘Elke dag bracht weer nieuwe allianties en organisaties die uiteenvielen, fuseerden of veranderden. […] Op iedere straathoek ontstonden vechtpartijtjes, gevloek vermengde zich met Koranverzen.’

Veelgelaagd portret

Het beeld dat ontstaat van Dagestan is er een van een land in verval, waarin enkele personages zich staande proberen te houden. Zij zijn over het algemeen gematigde of seculiere moslims uit de middenklasse, zoals Sjamil, een amateurjournalist van ergens in de twintig. Hij, zijn vrienden en zijn familie doen pogingen om te navigeren in het nieuwe Dagestan: te overleven in een land waar nieuwe machtshebbers, hoe kort ze ook aan de macht zijn, meer geïnteresseerd lijken in culturele verboden dan ervoor zorgen dat in de basisbehoeften van de bevolking voorzien wordt.

De grote kracht van De Russische muur is het veelgelaagde portret dat Ganíjeva schetst van het land, de tradities en de onderlinge verschillen. Zoals vertalers Annelies de Hertogh en Els de Roon Hertoge opmerken, klinken er maar weinig Dagestaanse stemmen in de Russische literatuur. De hierboven genoemde Tolstoj schreef wel over de Kaukasus, maar kwam er niet vandaan; het verwijt van cultureel imperialisme ligt dan al snel op de loer. Ganíjeva kwam weliswaar in Moskou ter wereld, maar als een kind van Dagestaanse ouders. Ze heeft oog voor de ongelooflijke complexiteit van haar romanwereld. Dat is knap.

Onverschrokken

De keerzijde van die aandacht voor detail is dat de leesbaarheid van de roman eronder lijdt. Veelvuldig wordt naar een woordenlijst achter in het boek verwezen, waar Arabische termen, historische gebeurtenissen en etnische groepen verklaard worden. Zo’n lexicon is een teken van een dieperliggend obstakel voor de gemiddelde Nederlandse lezer: om De Russische muur volledig te kunnen waarderen, moet er flink wat werk verricht worden. De woordenlijst verklaart veel, maar veel betekenis en nuance zal ook verloren gaan. Dat is geen verwijt naar de vertalers, die hun werk vakkundig hebben gedaan; het is veeleer een teken van de onverschrokken houding waarmee Ganíjeva haar literatuur schrijft. Aan concessies doet ze niet.

Theater / Voorstelling

Aso’s om van te houden

recensie: Theater Utrecht - The Family deel 3 en 4

Broers Doc en Kil  – in deze laatste afleveringen van het vierluik noemt Doc Kil af en toe liefkozend (of is het misschien sarcastisch?) Killy – doen samen met zusje Gina nog steeds hun best, against all odds, iets van hun leven te maken. Maar de buitenwereld rukt steeds meer op. Delen drie en vier van The Family zijn zeer genietbaar en laten je melancholiek achter. We gaan ze missen, onze aso’s.

Want dat zijn ze langzamerhand geworden, ONZE aso’s. Het is alweer even geleden dat we afscheid van ze hebben genomen, maar nu is het tijd om ze weer op te zoeken in de bijzondere Paardenkathedraal in dat mooie Utrechtse straatje. Toen we ze verlieten hadden ze net het een en ander meegemaakt met hun verschrikkelijke vader (recensie deel 1 en 2). Ondanks alle emoties die daarbij kwamen kijken leek dat hen goed te doen, maar nu ziet alles er weer anders uit, in de eerste plaats hun woning. De vele schemerlampen zijn weg, er is nu echt meubilair gekomen, rechtstreeks van de schroothoop en de grote kale ruimte is, met behulp van schotten, zowel intiemer als donkerder gemaakt. Ons drietal en vriendin Branka zijn modieus gekleed in spijkerstof, zij het van de vieze bevlekte soort.

 

Ganzenbord

Aflevering drie blijkt de tot nu toe meest geslaagde aflevering te zijn. Er komt bezoek van Branka’s ex, Guus, die haar op haar moederplichten komt wijzen. Guus, een prachtige rol van Vlaming Bram van der Kelen, wordt door Doc en Kil helemaal leeggeschud – Luuk heeft namelijk wel geld  –  tijdens een spelletje ganzenborden, het absolute hoogtepunt van deel drie. Het is buitengewoon geestig om deze drie schreeuwlelijkerds met hun plastic gansjes in de weer te zien. Ook is er ter ere van Branka’s verjaardag een groot feest, maar er gaat natuurlijk weer van alles mis. Branka creëert een nieuwe situatie, waar Doc niet blij mee is.

Deel vier is nog maar net uit de repetitieblokken en loopt dus nog niet zo lekker, maar dat neemt niet weg dat het een indrukwekkende aflevering is. Er heerst grote dreiging. Niet alleen worden de huizen rondom het pand van ons drietal gesloopt, ook komt er een inspecteur van de gemeente die zich bezighoudt met jeugdzorg en hygiëne. Met name deze dame zorgt voor erg veel onrust. Doc is weinig thuis en Kil kan in zijn eentje niet tegen haar op. Bovendien zijn, onder andere vanwege Guus die daar bitter voor moet boeten, de financiële problemen erger dan ooit. Ook blijft de vraag terugkomen: waar is Branka?

 

Wanhopig

Het is mooi hoe Kil soms de muziek keihard aanzet en dan bovenop alle rotzooi wanhopig gaat staan dansen. Sanne den Hartogh zet deze impulsieve, agressieve, in feite goed willende maar onmachtige Kil schitterend neer. Als Doc Gina aan Guus kwijt wil – misschien kan ze geld verdienen in een van diens onfrisse clubs – laat hij zachtjes een gekweld ‘Dooooc!’ horen. Prachtig. Sadettin  Kirmiziyüz lijkt eindelijk zijn draai te hebben gevonden en ontroert bij tijden diep. Het dreigende wat in de eerste aflevering nog ver te zoeken was zit er nu goed in (recensie deel 1).

Aan het einde blijkt de buitenwereld, zoals vaak in dit soort situaties, de baas te zijn, maar Doc, Kil en Gina laten zich niet zomaar kisten. Het slot is aangrijpend. Wonderlijk hoe je door de diverse afleveringen heen veel om deze mensen bent gaan geven. Mooi!

chabon - maangloed
Boeken / Fictie

Ongeleid projectiel

recensie: Michael Chabon - Maangloed
chabon - maangloed

Michael Chabon zit aan het sterfbed van zijn grootvader en hoort, in een paar dagen tijd, diens complete levensverhaal. Tenminste, de meest spraakmakende voorvallen. De rest plamuurt hij in Maangloed dicht met fictie. Dat resulteert in een nogal springerige, maar onmiskenbaar chaboneske avonturenroman.

Chabons grootvader was in zijn jonge jaren een behoorlijke vrijbuiter. Na een armoedige jeugd in Philadelphia nam hij dienst in het leger, zoals vrijwel iedere jonge Amerikaan in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Eenmaal in Europa, in de laatste dagen van nazi-Duitsland, krijgt hij de opdracht de wetenschappers op te sporen die het raketprogramma V2 ontwikkelden. Met name de invloedrijke Wernher von Braun is het doelwit van de Amerikanen. De ervaringen in het door ontbering en strijd geteisterde Duitsland zijn bepalend voor grootvaders verdere leven, net zoals zijn grote liefde voor de ruimtevaart.

Knip-en-plakwerk

Opnieuw gaat Michael Chabon zich te buiten aan een wervelende geschiedenis die als een collage-vertelling op papier wordt gezet. Ook met het in 2012 verschenen Telegraph Road wist hij de lezer flink aan het werk te zetten om het verhaal behapbaar te krijgen. Tijd en ruimte zijn voor Chabon beslist geen redenen om een heldere chronologie in zijn boeken te verwerken, wat niet zelden tot een op het eerste gezicht lastig te volgen warboel leidt. Toch weet de schrijver zich met zijn knip-en-plakwerk te redden door van de versnipperde onderdelen stuk voor stuk kleine pareltjes te maken, niet in de laatste plaats door de onwaarschijnlijke dialogen. En opeens begint dan alsnog de volledige diepgang van de geschiedenis zich aan de lezer te openbaren, met als gevolg dat er geen ontkomen meer aan is. Dat doet Chabon razendknap: eerst verwarring zaaien, vol wendingen en confronterend cynisme, om je vervolgens niet meer los te laten.

In Maangloed wordt het personage van de grootvader tot oorlogsheld gemaakt als hij, als een John Wayne avant la lettre, de raketgeheimen van de nazi’s probeert te achterhalen. Hij is erbij als het concentratiekamp Mittelbau-Dora in de Harz wordt bevrijd. De gruwelijke omstandigheden waarin hij de dwangarbeiders aantreft, maken een onuitwisbare indruk op de jonge militair. Na de oorlog begint een zwervend bestaan. Twaalf ambachten en dertien ongelukken; de doelloosheid tot kunst verheven.

Stuwende metafoor

In die afgestompte werkelijkheid komt in ieder geval de liefde op zijn pad. Chabon weet dat prachtig te verweven met de problemen die zijn grootvader ondervindt in het dagelijks leven. Heen en weer geslingerd tussen ambitie en burgerlijke ongehoorzaamheid, veroorzaakt door traumatische oorlogservaringen in combinatie met een joodse achtergrond, is hij een ongeleid projectiel in de omgang met anderen. ‘Woede was zijn geboorterecht’ concludeert de schrijver in het slothoofdstuk. Gelukkig brengt het overheersende verlangen ‘gekend te worden’ enige stabiliteit: de onvoorwaardelijke liefde voor een eveneens door het verleden beschadigde vrouw is zijn redding. Daarnaast een succesvolle carriere in de ruimtevaart, werken voor NASA en dromen van een nieuwe levensvorm op de maan. De cirkel is rond als hij, aan het einde van zijn werkzame leven, onverhoopt de ‘geamerikaniseerde’ Wernher von Braun tegen het lijf loopt:

‘…onbetwistbaar de grootste, smerigste nazigeluksvogel op aarde’.

Het hele ruimtevaartthema, te beginnen bij de ‘vliegende bommen’ van de nazi’s en eindigend bij de bouw van schaalmodellen van ruimtevaartuigen, is de stuwende metafoor in Maangloed. Zowel vernietiging als vernieuwing zitten besloten in de zucht naar hemelbestormende technologie. Destructie en verlangen; Chabon legt beide elementen als een sjabloon over het leven van zijn grootvader en haalt hier en daar een uitschieter naar de oppervlakte. Het gaat van hot naar her en weer terug – als het ongeleide projectiel dat de hoofdpersoon verbeeldt – en de verbindende lijn openbaart zich met het vorderen van de pagina’s. Dat de lezer daar moeite mee zal hebben is te verwachten, maar de volhouders krijgen een tragikomedie voorgeschoteld die nog even zal natrillen.

Boeken / Fictie

De wolf begrepen

recensie: Ton Vogels - Wolfskind

Ontwapenend was het beeld van de dode wolf dat afgelopen maart in de Nederlandse kranten verscheen. Het eens machtige roofdier had het kansloos afgelegd tegen een auto en vond zijn einde langs de A28. De levenloze bebloede kop van het beest had niets meer van de zelfverzekerde grijns van sprookjeswolven.

De afgelopen jaren zijn er meerdere wolven in Nederland gesignaleerd. Daar werd niet altijd even positief op gereageerd. Velen associëren het roofdier met het sprookjesfiguur de Grote Boze Wolf, de antagonist van Roodkapje en de zeven geitjes, en zien de dieren liever verdwijnen dan verschijnen. Dat de Europese wolf eigenlijk schuw is en nagenoeg nooit mensen aanvalt, weet men vaak niet of het wordt gemakshalve vergeten.

Hongerige personages en wolfskinderen

Net zoals het imago van de wolf op een eendimensionaal beeld berust, zo wordt de hele carrière van archeoloog Vincent de Vree – hoofdpersonage uit de roman Wolfskind van auteur Ton Vogels – gekoppeld aan één verkeerde observatie. Jaren geleden bestempelde Vincent een opgegraven beerput ten onrechte als mikwe, een Joods badhuis. Toen pers en vakgenoten zijn inschattingsfout doorkregen, lieten ze geen spaan van hem heel. Wanneer Vincent aanwijzingen vindt voor een nieuwe opmerkelijke vondst in de buurt van Nijmegen, een Romeins aquaduct, ziet hij kans om zijn status als archeoloog terug te krijgen.

Er ontpopt zich een meeslepend verhaal over een blind ambitieuze man die iedere minieme aanwijzing aanklampt om een nieuwe kans te krijgen. Als een Robert Langdon van de Lage Landen doorploegt Vincent de bossen nabij Nijmegen, op zoek naar sporen van het viaduct. Tijdens zijn zoektocht verblijft hij in Pelgrimshuis Casa Nova. Hij leert er het meisje Nova kennen, ooit bij het huis te vondeling gelegd en opgevoed door paters.

‘Nova hield Vincent vanaf die eerste ontmoeting bezig. Ze had een oorspronkelijke manier van naar de wereld kijken die hij zelf ergens ongemerkt was verloren. Vooruitgang en nieuwe ideeën ontstonden door anders naar de wereld te kijken, niet door te zien wat er al was.’

Er ontstaat langzaam een voorzichtige vader-dochterrelatie tussen de twee. Hoe gedreven Vincent ook is om het viaduct te vinden, hij komt er steeds meer achter dat zijn tweede kans juist schuilt in de zoektocht en zijn band met Nova. En dat status en succes betrekkelijk zijn.

Mowgli move over

Vogels wisselt in Wolfskind tussen twee perspectieven, dat van Vincent en dat van Nova. Hierdoor ontstaat er een mooi contrast tussen de gerijpte, beroepsmatige blik van de archeoloog en de jonge, onbevangen en nieuwsgierige levensfilosofie van het meisje. Hun gezamenlijke zoektocht doet soms zelfs denken aan die van Sofie en Alberto Knox in De wereld van Sofie.

Naast de verhalen van beide personages bevat Wolfskind een aantal aan Nova gerichte brieven. Deze vertellen het sprookje van Pelgrim, een vondeling die door wolven wordt opgevoed. De brieven doen Nova inzien dat ook zij, niet door haar ouders opgevoed, eigenlijk een wolfskind is. Het mooie aan deze derde verhaaltak is het imago van de wolf dat erin naar voren komt. Want wat veel mensen over wolven vergeten, is dat ze ook bijzonder zorgzaam kunnen zijn. Ook naar de mens toe, als diens soortgenoten dat nalaten. Het wolvensprookje en het hoofdverhaal wisselen elkaar op een prettige manier af. Andere recensenten verweten Wolfskind een te hoog Disneygehalte. Dat is onterecht. Vogels’ eigentijdse versie van het wolvenverhaal ligt in het verlengde van de archetypische Romulus en Remus-mythe, de fabels van Aesopus en Rudyard Kiplings Jungle Book.

‘De laatste wolf is uit Nederland vertrokken, omdat hij zag dat het goed was. Baby’s kregen liefde en aandacht. Ze lachten en speelden. De taak van de wolf zat erop.’

Vogels gaf Wolfskind uit in eigen beheer. Al met al schrijft hij een af en toe sprookjesachtige roman over de zoektocht van twee verloren zielen, waarin de wolf niet groot en boos, maar liefdevol en zorgzaam is.

Parks
Boeken / Non-fictie

Anders lezen

recensie: Tim Parks - De roman als overlevingsstrategie
Parks

In De roman als overlevingsstrategie daagt auteur en literair criticus Tim Parks de lezer uit om op een hele andere manier naar literatuur te kijken. Ontmaskert hij de literatuurcritici?

Volgens Parks moeten we een roman niet behandelen als een op zichzelf staand kunstwerk, maar hebben roman en het persoonlijke leven van de schrijver veel met elkaar te maken. De stijl, de inhoud en de thema’s zijn een reactie op de spanningen in het persoonlijke leven van de schrijver, aldus Parks. Dat is op zichzelf geen wereldschokkende constatering. Maar hij gaat verder. In hoeverre de lezer zich herkent in die persoonlijke spanningen, heeft grote invloed op hoe die het boek beoordeelt.

Parks baseert deze bewering op het werk van Valeria Ugazio. Volgens deze systeempsychologe worden kinderen voor een groot deel gevormd door het beoordelingscriterium dat in het gezin dominant is. Zulke beoordelingscriteria hebben betrekking op tegenstellingen als moed of angst, zelfzucht of altruïsme, winnen of verliezen. In gezinnen spelen meerdere van zulke polariteiten een rol, maar vaak is er binnen elk gezin één het belangrijkst.

Winnaar

Parks gaat bij beroemde schrijvers op zoek naar de polariteiten die in hun gezinsleven dominant waren. Zo laat hij zien dat de jeugd van James Joyce voor een groot deel draaide om de tegenstelling winnaar-verliezer. Parks verklaart dat mede uit het feit dat zijn ouders uit verschillende sociale klassen kwamen en dat zijn vader, vanwege zijn veelvuldige dronkenschap, aan lager wal raakte. Joyce wilde daarom de beste zijn en het maakte hem vervolgens weinig uit op welk terrein hij die superioriteit bereikte. Die terreinen kunnen dus ook mijlenver uit elkaar liggen:

‘Er wordt veel betekenis gehecht aan het laveren van de jonge Joyce tussen extreem religieus en profaan gedrag, tussen dronkenschap en bordeelbezoek en marathonsessies rozenkrans bidden; maar nergens in de biografieën is er sprake van een nijpend religieus dilemma of een diep schuldgevoel. De jongen streeft er juist naar anderen te overtreffen op elk gebied waarop hij kan wedijveren. Wanneer hij religieus is, is hij extreem devoot, bidt hij lang en zorgvuldig; wanneer hij verloedert, verloedert hij extreem.’

Deze innerlijke noodzaak om de beste te zijn, ziet men ook terug in zijn schrijverschap. Omdat Joyce het fysiek niet kan winnen, tracht hij op intellectueel gebied te excelleren door middel van een superieure taalbeheersing.

‘Het is belangrijk voor Joyce om de maximale waarde toe te kennen aan taal omdat dit het instrument zal zijn voor zijn overgang van een zwakke jongen aan de zijlijn van het rugbyveld, gedomineerd door figuren als zijn robuuste vader, naar een superieur personage dat een geheel eigen spel speelt.’

Subjectief

De tweede, mogelijk nog interessantere, bewering die Parks doet, is dat het leven van de lezer doorslaggevend is voor diens waardering van het boek. De lezer zal het boek appreciëren als hij de persoonlijke achtergrond van de schrijver – hetgeen diens werk zo heeft bepaald – herkent. Komt de lezer ook uit een gezin waarin alles om winnen en verliezen draaide, zal hij het werk van Joyce hoogstwaarschijnlijk waarderen.

Deze visie van Parks ondermijnt de opvatting dat we boeken enigszins objectief kunnen beoordelen. Van een recensent verwachten we toch dat hij mogelijke overeenkomsten uit zijn eigen leven wellicht een plaats gunt in zijn ‘persoonlijke’ oordeel over het boek maar het geen rol laat spelen in zijn recensie. Dat is volgens Parks dus een onrealistische verwachting omdat dat onderscheid er in werkelijkheid niet is.

Overtuigend?

Maar klopt het ook wat Parks zegt? Die vraag is lastig te beantwoorden. Het probleem bij dit soort beweringen, is dat ze zo makkelijk te onderbouwen en moeilijk onderuit te halen zijn. Er zijn altijd wel voorbeelden aan te dragen waarom iets wat iemand in zijn volwassen leven doet, terug te voeren is op zijn kindertijd. En dát zulke dingen meespelen, zal ook niemand ontkennen. Maar in hoeverre? En in het geval van de lezer of recensent: in hoeverre beïnvloedt dat ons beoordelingsvermogen? Dat is bijna niet te zeggen.

Het grote voordeel van dit boek is dat het niet staat of valt met de kracht van de onderbouwing. De anekdotes uit het leven van de behandelde schrijvers en Parks dwarsverbanden tussen die levens en de grote literaire werken zijn alleraardigst om te lezen, ook als men minder van dat directe verband overtuigd is.

japan anime
Kunst / Expo binnenland

Japan is cool

recensie: Cool Japan
japan anime

Museum Volkenkunde in Leiden pakt groots uit met de tentoonstelling Cool Japan. Van de schattige Hello Kitty tot aan stoere ninja’s, de Japanse beeldcultuur is wereldwijd populair geworden. Maar hoe cool is Japan eigenlijk?

Een Amerikaanse journalist doopte de culturele industrie van het land ‘Japans’ Gross National Cool’. De Japanse overheid nam het merk ‘Cool Japan’ vervolgens aan om hun culturele invloed op de wereld te vergroten en de economische waarde ervan te exploiteren. In zeven zalen vol audiovisuele exhibits en kunstobjecten zet het museum de Japanse populaire beeldcultuur neer in de vorm van manga (strips), anime (tekenfilms), electronica, kunst, Japanse haute couture en de kawaii-schattigheidscultuur.

Japan Volkenkunde UkiUki

Uki-Uki: Acryl op doek en bladgoud; Matsuura Hiroyuki (1964-); 2012; bruikleen van de kunstenaar en Tokyo Gallery + BTA

Uitzinnige anime en manga

Bij binnenkomst van de tentoonstelling is het al een feest. Op een enorm halfrond beeldscherm, draaien fragmenten van klassiekers onder de Japanse anime, zoals Summer Wars en Paprika. Uki-Uki (‘Vrolijk Zwevend’) is het topstuk van de tentoonstelling en representeert zowel het oude als het nieuwe Japan. Kunstenaar Matsuura Hiroyuki uit Tokyo schilderde een meisje in ouderwetse kimono en met klassiek gouden achtergrond, maar gebruikte moderne kleuren en grote ogen in de flitsende manga-stijl.

Ook de oude Japanners waren al cool. Negentiende-eeuwse kunstenaar Hokusai, de ‘Rembrandt van de Japanse kunstgeschiedenis’, is vertegenwoordigd met een dynamische tekening van twee vechtende samoeraistrijders in de lucht, die in een moderne manga niet zou misstaan. Maar manga zou niet bestaan zonder invloeden uit het Westen, zoals het lijnperspectief en tekenfilms als Betty Boop. Zij inspireerden de eerste manga-tekenaar Tezuka Osamu tot het gebruik van de grote ogen in zijn figuren, zoals te zien is in een originele inkttekening van zijn hand.

Mode uit Japan: kawaii zeg

Roze katjes, gouden beelden, het schattigheidsgehalte is hoog in de zalen met kawaii-objecten Een beetje misselijkmakend zelfs door de veelheid aan felle kleuren, snoeperige plastic figuurtjes en knuffelbroches in combinatie met jonge meisjes in korte rokjes. Kawaii betekent ‘schattig’ en hulpeloos of zacht, zoals het katje Hello Kitty. Modeblogster Kurebayiashi Haruka stelde voor het museum outfits samen uit de nieuwste schattigheidstrend genaamd decora. Kawaii ontstond uit protest tegen de prestatiemaatschappij, maar de tentoongestelde hedendaagse kunstwerken protesteren juist weer tegen de overdaad aan schattigheid en seksualisering van de producten.

Waar de Japanse straatmode om aandacht schreeuwt, is de mode-afdeling van Cool Japan daarentegen wat ingetogen. Er staan vijf outfits met iconen uit de Japanse mode, zoals een broekpak van Issey Miyake. Qua ontwerp en kleur springt de Hokusai-jurk in het begin van de tentoonstelling er het meest uit. De Russische ontwerpster Alena Akhmadullina baseerde zich op de beroemde Japanse prent De grote golf bij Kanagawa van Hokusai.

Japan Streetfashionista Haruka

Streetfashionista Kurebayashi Haruka

Ook voor echte fans

Een zaal met draken, ninja’s en een samoeraizwaard toont een duistere kant van de Japanse beeldcultuur, waarin geweld en mythische monsters de hoofdrol spelen. Hier kan de fan zijn hart ophalen aan originele ontwerpen van ninja’s uit de video games Streetfighter IV en Final Fantasy. De echt fanatieke fans, otaku genaamd, worden op hun wenken bediend in de zaal met Cosplay-kostuums van favoriete anime-karakters.

Japan is culturele superpower

De grafische vormgeving van de tentoonstelling is sterk en geeft zowel informatie als een totale beleving. De ‘uncoole’ kant van de Japanse beeldcultuur is alleen wat minder goed vertegenwoordigd, zoals de nadruk op de consumptiecultuur of de harde Japanse maatschappij die zorgt dat jongeren in deze fantasiewerelden willen wegvluchten. Wel wordt duidelijk dat Japan een culturele ‘superpower’ is met een aantrekkingskracht die zich over de hele wereld verspreid heeft. Zelfs tot in Leiden.