Muziek / Reportage
special: Zondag

Down The Rabbit Hole

Zondag, de laatste festivaldag is aangebroken. Deze editie heeft het publiek het geluk gehad dat het, in tegenstelling tot vorig jaar, aardig droog gebleven is. Geen modderpoelen en plassen water, maar een lekkere temperatuur met hier en daar een zonnetje. Op de laatste dag staan onder andere Xavier Rudd, Maggie Rogers en Oscar and the Wolf op het programma.

Om 10 uur ’s ochtends is het terrein al open voor bezoek: bij Tramontana is er yoga en in het bos bij de Bos Bios vind je De Burcht. Voor velen is het deze ochtend wederom in eerste instantie een rechte lijn naar een van de koffietentjes op het terrein. Met een cappuccino met dubbele shots espresso begeven we ons naar het Vurige Veld waar om 11:00 uur pianist Joep Beving geprogrammeerd staat. Het blijkt alles te zijn wat deze brakke ochtend nodig heeft: intense pianogeluiden die het veldje vullen waar mensen langzaam maar zeker wakker worden. Binnen no time is het veld helemaal gevuld met dromers. Er worden aardig wat tranen weggepinkt: Joep geeft aan dat het fijner werkt wanneer er niet na ieder nummer geklapt wordt. Daar houdt het publiek zich netjes aan en dat werkt ontzettend goed. Hierdoor is het optreden nóg intenser dan normaal: de klanken van onder andere ‘Sleeping Lotus’ (over zijn slapende dochter) en ‘Hanging D’ dringen diep binnen. Bijzonder en prachtig tegelijk.

Wonder boven wonder is het energielevel weer aangevuld na dit speciale optreden. Dat is ook wel nodig voor de show van Maggie Rogers. Je kent haar misschien wel van het YouTube-nummer Alaska, waar Pharrell helemaal gek op was. Uiteindelijk werd dit nummer een echte hit, hierdoor zijn de verwachtingen hooggespannen. Maar Maggie weet iedere verwachting te vervullen met haar aanstekelijke 80s pop. Hoewel je af en toe merkt dat ze licht nerveus is (wat niet gek is gezien het feit dat dit nog maar haar derde festivalshow is) zet de jonge zangeres uit Amerika een hele fijne begin-van-de-middag show neer. De heupen komen weer een beetje los en het knikken van de hoofden kan weer beginnen: Maggie knalt en blaast de Teddy Widder omver. Dat had ze zelf ook niet helemaal verwacht, te horen aan haar verbaasde dankwoord aan het eind. Om even flink los te gaan staat vervolgens Temples geprogrammeerd in de Hotot: een throwback naar de jaren 70 in muziek en looks. De synths zijn een welkome verrassing deze middag en laten niet alleen de hoofden knikken, maar ook de voetjes van de vloer gaan. Het optreden is lekker hard, een stuk harder dan we van de Britse mannen gewend zijn, maar is na een aantal tracks ook genoeg. Het blijft een beetje voortkabbelen zonder echte uitschieters.

In de Hotot staat Milky Chance even later op de planken: toegankelijke gitaarmuziek met prachtig mondharmonicawerk. Het geheel is niet ontzettend spannend, maar werkt wel goed voor dit tijdstip op deze dag. Hitje ‘Stolen Dance’ is de absolute topper van de show: tot ver achterin de grootste tent van het festival wordt er meegejoeld en gedanst. Dat is meer dan verdiend voor de sympathieke muzikanten. Ook Xavier Rudd krijgt de nodige schouderklopjes wanneer het gaat om sympathie. De goedlachse hippie betovert het publiek met zijn didgeridoo en rauwe stem. Dat de zanger uit Australië van alles wat leeft op de aarde houdt is niet onbekend: de lyrics van zijn tracks, van onder andere ‘Mother Earth’, zeggen genoeg. Xavier heeft het publiek goed onder zijn duim, wat blijkt uit het vele geklap en gejuich. ‘Follow The Sun’ mag natuurlijk niet ontbreken en laat zowel de aanwezigen als de zanger met een grote glimlach achter.

Nog met de meezingers en een positieve vibe in ons lichaam is het tijd voor Warpaint. Warpaint stond een aantal jaren geleden al op een editie van DTRH in de grootste tent. Vandaag staan ze in een kleinere tent, wat wellicht iets beter past bij de band en het aanwezige publiek. Het gekke is dat zelfs nu de Teddy Widder niet volstaat terwijl Warpaint een aardig strakke liveshow weet te bieden. Het optreden is een stuk dansbaarder dan eerder, wat we ook terughoren in de nieuwere songs. Toch weet Warpaint nergens te raken: of het aan de valse noten hier en daar ligt of aan het feit dat de show ervoor van Xavier Rudd een totaal ander gevoel uitdroeg, geen idee.

Oscar and the Wolf is dé afsluiter van het festival. Natuurlijk zijn de heren van de Belgische band de laatste jaren als een speer gegaan, toch voelt het niet als een waardige afsluiter van een festivalweekend. Frontman Max Colombie lijkt meer dan ooit weer te geven dat het ‘zijn’ band is door in zijn eentje voor een grote LED-kooi te staan waarin de rest van de bandleden zijn verstopt. Toegegeven: de band heeft letterlijk niets thuisgelaten om een feestje te bouwen en dat is fijn. Denk aan confetti, gouden kettingen en excentrieke dansjes. Het is bizar om te zien hoe snel de band gegroeid is tot waar ze nu staan. De tent gaat compleet los: ‘Strange Entity’ is zonder twijfel het hoogtepunt van de avond. Oscar and the Wolf weet de festivalganger prima te bekoren, maar een échte afsluiter van het grootste podium van DTRH is het niet. Daarvoor hebben we de trucjes van Colombie inmiddels al te vaak gezien.

De echte diehards kunnen nog een nachtje doorhalen op het festivalterrein, hoewel veel mensen besluiten om na de slotact naar huis te gaan. Down The Rabbit Hole 2017 is er zeker een voor in de boeken, hoewel het niet de beste editie aller tijden is geweest. Laat het festival vooral klein en sfeervol in plaats van te neigen naar meer ruimte, meer publiek en meer nadruk op elektronische acts. Daar hebben we grote broer Lowlands immers al voor.

Kunst / Expo binnenland

De mens centraal

recensie: Herman Gordijn | Het niet-perfecte is perfect

‘Geniaal schilder, geestig observator, scherp inzicht’ stond in een rouwadvertentie van enkele vrienden na het overlijden van Herman Gordijn op 25 mei jl. en: ‘Het niet-perfecte was perfect’ in die van Museum MORE in Gorssel, het grootste museum voor modern realisme, gehuisvest in het oude gemeentehuis met aanbouw van Hans van Heeswijk.
De tijd is rijp om verder te kijken dan naar wat lang voornamelijk als schokkende en provocerende kunst werd beschouwd. De grote overzichtstentoonstelling op de bovenste verdieping van het museum in Gorssel, die na Gordijns overlijden plotseling ook een eerbetoon werd, biedt die kans.

Rimmel, 1973 Museum-de-Lakenhal, Leiden

Natuurlijk: op een tekening als Meisje met pukkel gaf Gordijn onbarmhartig ook nog eens weer dat zij behoorlijk scheel was. Maar op het gelijknamige, vijftig jaar later geschilderde tafereel met dezelfde afbeelding is het loensen al barmhartiger en minder nadrukkelijk afgebeeld. Natuurlijk: op de ets Begrafenis staat in het midden van de kistdragers een vrouw met een gezicht à la Quinten Massys Portret van een groteske oude vrouw, maar haar gelaatstrekken zijn op het gelijknamige schilderij van hetzelfde tafereel dat drie jaar later ontstond, al heel wat gladder gestreken.
Zo herneemt Gordijn wel vaker vele jaren later bepaalde thema’s die met het vorderen der jaren milder worden uitgevoerd.

Herman Gordijn, Koorddansers, 2012-2014, Particuliere collectie

Geniaal schilder en geestig observator

Maar kijk eens naar bijvoorbeeld Diabolo (1971) met een vrouw die ietwat uit het lood staat, zoals Gordijn ze wel vaker schilderde, en met een prachtig spel tussen horizontale en verticale lijnen en een schitterende kleurwerking. Geniaal, inderdaad.
Iets soortgelijks treffen we ook aan op de tekeningen waarvoor curator Yvette van der Zande gelukkig veel plaats heeft ingeruimd. Neem Steltlopen (1963) met eenzelfde soort spel tussen de verticale stelten, lantaarnpalen en gevelpartij en de diagonale schaduwen met als synthese het patroon van de straatstenen en als detail de ronding van een melkfles voor een deur. Geestig observator, ja zeker.

Hoer C, 2013, particuliere collectie

Scherp inzicht

Als aandachtig kijker heb je daarbij genoeg aan louter de titels van de werken – een verademing en een terechte keuze die Gordijn recht doet. Iedereen die naar doeken kijkt met titels als Amstel (1996) of Kinderwagen I en II (2000 en 2002) weet genoeg en het zou een spoiler zijn om de betekenis hier weg te geven. De conclusie dat Gordijn een scherp, menselijk inzicht had, is voldoende.
Namen lijken er bij hem vaak ook niet toe te doen, maar wie in de vitrines in het midden van de bovenzalen een foto van Lida Polak of Mona Monte (een model op de Gerrit Rietveld Academie, waar Gordijn doceerde) heeft gezien, herkent ze op zijn werk. Net zo goed als je op Hoer (2013) Arnon Grunberg herkent, of in de oude vrouw op Amnesie (2009) een oude vrouw van Rembrandt en in Koorddansers (2012-2014) de stijl van Francis Bacon.

Mona met step, 1980

Het niet-perfecte

‘Het niet-perfecte was perfect’ – dat geldt zeker voor de mensen die Gordijn weergaf, met al hun lek en gebrek. In het werkzame leven bestaat het niet-perfecte natuurlijk ook. Zo is het jammer dat bij de inrichting van deze prachtige expositie het idee om de tekeningen op een groene tussenwand te hangen en de schilderijen op de witte muren, niet consequent volgehouden, wat jammer is, want de etsen op een witte wand vallen nu helaas wat weg, terwijl één buitenmuur helemaal leeg is gebleven.

Bij de tentoonstelling hoort zowel een informatief filmportret (productie van Plaatsmaken), waarin Gordijn stelt dat hij als kind in een sprookjeswereld terecht is gekomen waar hij nooit is uitgekomen, als een fraai uitgevoerde catalogus met mooie essays waarin statements staan als ‘Het ging hem niet om de kunst maar om de mens.’ Het lijkt haast een tweelinguitspraak van de rouwadvertentie van de familie, waarin stond: ‘Het gaat om mijn werk, niet om mij.’ De tentoonstelling in Gorssel draagt op een indrukwekkende manier aan het besef hiervan bij.

Film / Films

Melancholie in Montana

recensie: Certain Women

Om welke reden dan ook slaagde geen enkele filmdistributeur er vorig jaar in om Kelly Reichardts Certain Women naar de Nederlandse bioscopen te halen. Om die leemte in de vaderlandse filmhuisgeschiedenis met terugwerkende kracht op te vullen, draait de beste film van 2016 vanaf 6 juli 2017 een volle week in De Filmhallen, Amsterdam.

Certain Women (gebaseerd op enkele verhalen van de Amerikaanse schrijfster Maile Meloy) schetst een portret van drie vrouwen in Montana, ieder van hen verkerend op een belangrijk punt in hun leven. De eerste vrouw (Laura Dern), een advocate, wordt lichtelijk geterroriseerd door een cliënt (Jared Harris) die nogal wat moeite heeft om de juridische werkelijkheid waarin hij zich bevindt, te aanvaarden. De tweede vrouw (Michelle Williams), moeder en echtgenote, heeft haar zinnen gezet op de brokken zandsteen die in de tuin van een 76-jarige man (René Auberjonois) liggen, om daarmee haar eigen huis te bouwen. En de derde vrouw (Lily Gladstone), beheerder van een ranch, stapt op een avond nietsvermoedend een cursusklasje binnen om als een blok voor de charmes van de lerares (Kristen Stewart) te vallen.

Ondoorzichtige drijfveren

De afzonderlijke verhalen van de drie vrouwen (drie aktes) volgen elkaar een voor een op, zonder dat er op een geforceerde manier dwarsverbanden worden getrokken tussen de personages of de plaatsen waarin de centrale handelingen zich voltrekken. Slechts eenmaal in iedere akte wordt er een verbinding met een reeds eerder opgevoerd personage gelegd, maar dit wordt zo terloops en naturel gedaan, dat het geen enkele afbreuk doet aan de indruk van ongekunstelde eenheid die het totaalplaatje wekt. Die in de voorlaatste zin genoemde handelingen zijn overigens, vooral waar het de personages van Dern en Williams betreft, zo ondoorzichtig van aard – hun motivaties laten zich niet bepaald zonder meer raden – dat de eerste twee aktes als resultaat daarvan tamelijk elliptisch aandoen. Helemaal aan het eind van de film keert Reichardt een laatste maal terug naar de drie vrouwen en rondt hun verhalen enigszins af, maar naar de urgentie van het getoonde blijft het ietwat gissen. Wat wil Reichardt hier precies zeggen, zo rijst de vraag, of adequater uitgedrukt: wat wordt hier eigenlijk getoond? En precies daarom, juist vanwege het feit dat we het doel waarop Reichardt mikt niet kunnen zien, treffen haar pijlen de esthetische roos, recht in het midden.

Wonderschoon

Dit zijn de elementen die Certain Women zo goed maken: de psychologische subtiliteiten, de personages die meer dan in andere films van vlees en bloed lijken, en de impliciet betekenisvolle blikken die deze mensen op hun omgeving werpen. Maar daar blijft het niet bij. Ook paardenliefhebbers zullen hun heil vinden, want zijn deze edele dieren ooit eleganter in beeld gebracht dan in deze wonderschone rolprent? De sereniteit van de winterse landschappen van Montana, die hand in hand gaat met het kalme tempo en het ingetogen montageritme, en de bijzondere aandacht die Reichardt besteedt aan de kleinste, haast willekeurige details, doen de kijker belanden in die zeldzame staat van betovering die alleen de beste films bewerkstelligen. Een verrukkelijke schemerzone waarin je de tijd vergeet of, wanneer je je toch bewust wordt van de tijd, hoopt dat die langzamer zal gaan. Vanaf 6 juli dus, één week in De Filmhallen. Grijp uw kans, filmliefhebbers der Lage Landen.

Boeken / Non-fictie / Poezie

Zoek mij niet

recensie: Wim Brands - Verzamelde gedichten/Jeroen van Kan en Maarten Westerveen - Alles komt goed

De mooiste inleiding bij de Verzamelde gedichten van Wim Brands is zijn eigen prozafragment ‘De onverharde weg’ uit 2015, met tekeningen van Cornelis Rogge. Brands begint met een citaat van Heidegger: ‘Auf dem Holzweg sein’. Holzwege zijn de kleine, kronkelende paden tussen de bomen die bosarbeiders maken tijdens hun werk. De paden leiden nergens heen en zijn alleen bedoeld om gevelde bomen af te voeren. In Nederland zijn de meeste bospaden inmiddels gemarkeerde wandelpaden maar iemand als Wim Brands, boskenner bij uitstek, zal de Holzwege nog benut hebben.

Als metafoor is het een rake typering van zijn dichterschap. In het landschap zijn, zonder specifiek doel. Onderzoeken, ontdekken, rondkijken. De werkelijkheid binnen laten komen zoals die zich voordoet – Brands gebruikt ook de Heidegger-term Gelassenheit dat ‘aanvaardend afwachten’ betekent. De dichter laat de wereld op zich af komen en wacht op wat zich aandient in de vorm van associatie, taalspel en herinnering.

Brands besluit zijn fragment met een hoopvolle constatering:

‘het gevoel dat niemand uit de nacht kan vallen’

Na zijn tragische zelfgekozen dood in 2016 is het heel moeilijk om Brands te lezen en die suïcide los te laten. Ondanks regelmatige terechtwijzingen aan jezelf merk je als lezer dat je heel banaal snuffelt naar signalen, suggesties, tekens die vooruitwijzen naar het einde. En naar regels die een mogelijke verklaring kunnen inhouden van zijn absolute wanhoop: de moeizame relatie met de vader, de eenzaamheid van een kind dat zijn milieu ontgroeit en de hunker naar aandacht en goedkeuring die – zoals bij veel eenzame kinderen – een bodemloze put blijkt. Het is nooit genoeg.

Gefascineerd door het raadsel van de dood en vooral van de eenzame dood schreef hij over:

‘ …   – die raadselachtige man
in de Kostverlorenvaart. Niemand weet wie hij is,
die man die zo behendig opzwemt met de zwanen
en weigert te zwaaien naar wie hem groet.’

Dit gaat over een verdronken man die als gestorvene Lohengrin de Zwanenridder wordt, iemand die komt en dan weer verdwijnt.

Of, in ‘Zeven manieren om een gedicht te maken: maandag’:

‘Ga op een stoel staan,
het liefst op een plek
waar niemand komt.
Op zolder bijvoorbeeld.
Met een stuk touw.
Laat het touw vallen
en maak een foto van het kunstwerk
aan je voeten.
Herhaal dit vandaag vier keer.’

Een mooier, laconieker performance-recept is zelden gegeven. En toch is Wim Brands geen meester van de ironie. De beste gedichten uit de keuze van de voorbeeldige bezorgers Monique Edelschaap en Thomas Verbogt gaan over kleine gebeurtenissen, observaties van gewone mensen op de Holzwege. Een dakdekker die, omhoog geklommen en klaar voor de klus, uitkijkt over weiden en bossen en nadenkt over zijn voorgangers:

‘… Nagel in zijn mond vroeg hij zich af of ook zij het verlangen
hadden gekend een bericht achter te laten voordat
zij begonnen met het bedekken van het dak.
Een regel gekrast in lood. …’

Het romantische ‘berichten achterlaten’ komt vaker terug. Flessenpost, sporen in het landschap.

Maar ook auditieve associaties, zoals in ‘De zee’:

‘Schoonheid, zei een blinde, is een zee…;
herinner ik me. Maar wat zei hij nog meer?
Het wordt later, ik lig in bed,
sluit m’n ogen: zie honden, hoor honden
in het water. Ik verbeeld me dat niet.
;…een zee die blaft, denk ik
en hoorbaar zo ver wegloopt
dat je ‘m niet meer ziet.’

In ‘Krant’ gaat het over de vrouw die het schilderij van Munch ‘De Schreeuw’ had gestolen en er mee van de trap viel. De krantenlezer staat net op het punt een trap te beklimmen in het ‘rode district’ om te kijken naar ‘verkleurde affiches’:

‘Hij voelt geluk.
Schaterlacht.
Hij staat in het rode district
voor een affiche in zwart-wit,
een opengesperde mond,
en hoort een schreeuw in de nacht.’

En toch krijgt niet de schreeuw de overhand, ook niet piekeren over doodgaan, maar de stilte in het bos. Brands dicht over herten:

‘… hun zachte monden waaruit
aarde terugvalt.
In het bos komen herten
overeind
om in de verte te staren,
ogen neer te slaan,
om weer uit naamwoorden te
bestaan die genade schenken.’

Naamwoorden die genade schenken? Zijn herten naamwoorden, of zijn herten misschien harten? Zijn het de namen van geliefde mensen – of schenkt de taal zelf die genade?

Wie zoekt naar de kernthema’s van het dichterschap van Brands zal evengoed bij landschappen, dieren, licht en wind uitkomen als bij de onbereikbare, vallende vader en de anonieme doden.

Je hebt dichters die zich een weg naar buiten knokken uit de te kleine kamer van hun jeugd en je hebt er die zich al van nature in de vrije ruimte bevinden en lijken te hunkeren naar een veilig hok. De omheining binnen de eigen zintuigen, een veilige eenvoud midden in het enorme leven. Wim Brands hoort bij de laatste groep.

Tegelijk met de Verzamelde gedichten verscheen Alles komt goed – over Wim Brands, samengesteld door Maarten Westerveen en Jeroen van Kan. Het is een bundel korte bijdragen van vrienden en collega’s uit het literaire circuit. ‘Alles komt goed’ was zijn vaste afscheidsgroet.

De verhalen over de vriendschap met Wim zijn goed geschreven, hartverwarmend en zeer invoelbaar. De schok was groot, net als het verdriet en bij sommigen heerste het machteloze niet-begrijpen. Hoe is het mogelijk dat iemand die gelukkig getrouwd is, kinderen heeft, succesvol is als radio- en tv-interviewer, dichtbundels publiceert – hoe kan zo iemand plotseling aan zijn demonen kapotgaan? Uit de meest openhartige stukken stijgt een vaag schuldgevoel op. We hadden het moeten zien aankomen. We hadden het moeten voorkomen. Zijn we blind geweest voor wat zich daadwerkelijk afspeelde?

Sommigen vertellen dat het de laatste weken voor zijn dood niet goed met hem ging. Anderen concentreren zich meer op Brands als vriend (hij was lastig) als collega (hij had ‘… een feilloos gevoel voor wat de moeite waard was’) en als ongrijpbare persoonlijkheid. ‘Een ontsnappingskunstenaar’ noemt zijn oude vriend Ariejan Korteweg hem. Hij refereert daarbij misschien ook aan de laatste regels uit de brief aan zichzelf die in de bundel ‘Zwemmen in de Noordzee’ staat, waarin Brands de harde feiten uit zijn problematische jeugd op een rijtje zet en ‘opbiecht’ hoezeer hij in zijn eigen ogen op een beslissend moment heeft gefaald jegens zijn vader. Dat schuldgevoel is hij waarschijnlijk nooit kwijtgeraakt.

De 22 vignetten van de vrienden bevatten nogal wat feitelijke achtergrondinformatie. Biografisch materiaal – heel invoelbaar dat men de behoefte heeft zich publiekelijk te uiten na zo’n drama. Ook hier keert de moeilijke relatie met zijn vader terug. Het gedicht ‘Gebed van een zoon’ wordt drie keer geciteerd.

En verder: Brands hield van metal rock. Hij maakte altijd praatjes als hij op straat een bekende tegenkwam. Hij nam nooit zelf de telefoon op maar belde terug. Hij had last van dwanghandelingen.

Of al die informatie iets toevoegt aan zijn gedichten blijft een vraag, maar het zijn allemaal pogingen om het ‘grote en moeilijk te verdragen raadsel van zijn dood’ te verwerken.

Alle vrienden roemen zijn dichtkunst. F. Starik heeft het over ‘de terloopse, laconieke toon die zijn hele werk kenmerkte. Zo grondig alledaags dat ze als vanzelf iets mystieks ademden.’

Wat overblijft is verdriet. En dat werk.

Uit het gedicht ‘In den beginne was er een verhaal over vertrekken’:

‘En toen was hij dan echt vertrokken.
Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
te zeggen, ik ben de woestijn in,
naar het poolijs, op zoek naar God die
uiteindelijk de beste verhalen kent’
Remke Spijkers
Kunst / Expo binnenland

Een oefening in openheid van geest

recensie: ZomerExpo
Remke Spijkers

Op dit moment is in de ‘wolk’ van Museum de Fundatie in Zwolle een tentoonstelling over water te bezoeken. Het betreft een jaarlijks terugkerende zomertentoonstelling, in 2011 opgezet door de organisatie ArtWorlds. Een interessant concept waar op een zeer democratische manier, want anoniem en voor iedereen toegankelijk, een themaverkooptentoonstelling is samengesteld. De doelgroep: ‘alle kunstenaars onder het topsegment, die zoeken naar een podium en feedback op hun werk’. Het bezoeken van de ZomerExpo is daardoor, zeker voor de geoefende en wat snobistische kunstkijker, een perfecte exercitie in onbevooroordeeld kijken.

 

De thema’s van de ZomerExpo’s worden ieder jaar bewust zeer algemeen en toegankelijk gekozen, bij eerdere edities die plaatsvonden in het Gemeentemuseum in Den Haag, waren dat Liefde (2012), Aarde (2013), Licht (2014) en Woest (2015), dit jaar is dat Water. Hoe breed het thema water kan zijn blijkt uit de verschillende subthema’s: boten, golven, vochtplekken, druppels, smeltende ijsjes, emmers, flessen, zeelandschappen, corrosie, droogte. Daarnaast is er stromend water, wassend water, water als levensbehoefte, water als symbool voor melancholie… De selectie van 250 stuks, die zowel twee- als driedimensionaal zijn, is goed gehangen. Geen gemakkelijke klus met zulke uiteenlopende werken. Het is de organisatie gelukt wandjes te creëren met  een interessante synergie tussen de werken. Afzonderlijk zijn de werken op enkele uitzonderingen na helaas vaak anekdotisch en weinig origineel.

Gelijkheid in de kunst

De organisatie ArtWorlds streeft gelijkheid na en denkt in haar functioneren vanuit de kunstenaar. Zij streven naar ‘erkenning van elkaars verschillen, ‘gelijkwaardig’ zonder ‘gelijk’ te willen zijn’. Zo weten zij een podium te bieden aan kunstenaars die dat elders minder makkelijk krijgen.
Bij het bezoeken van een tentoonstelling in een museum is de liefhebber echter toch vaak op zoek naar verwondering, naar inspiratie, naar het uitzonderlijke. Kunstliefhebbers willen datgene zien dat boven het maaiveld uitsteekt. Wat de ZomerExpo, enkele uitzonderingen daargelaten, ons laat zien, is de grote massa van kunst van mindere kwaliteit. Die heeft absoluut bestaansrecht maar de vraag is of ze in een museum zou moeten hangen. Is het sociaal onwenselijk en misschien zelfs politiek incorrect om tegen gelijkheid in de kunst te zijn? Krijgen we daar uiteindelijk geen betere tentoonstellingen van?

Rosanne van der Lugt (1984), Rundergehakt, 2017, papier, glas, aluminium

Enkele werken trekken wel de aandacht en zijn het noemen waard: het intrigerend onprettig gefotografeerde portret van Remke Spijkers (1973). De getroebleerde bedruppelde kop blijkt echter een uitzondering in haar voornamelijk commercieel fotografisch oeuvre. Enigszins verfrissend is dat zij op haar website haar werk aanbiedt en voor de koper ‘formaat, vorm en materialen’ kan afstemmen op diens interieur. Overigens is de synergie van de wand waarop het portret hangt één van de sterkste uit de tentoonstelling.
Verder is het ‘flessenwerkje’, drie pentekeningen in drie flessen, van Sandra Mackus (1988) aangrijpend. Met dit naar flessenpost refererende werk doet ze een noodoproep voor verdronken vluchtelingenkinderen. Het is overigens voor slechts 350 euro te koop.
Ook het synthetische vervreemdende kinderportret ten voeten uit van Marloes Moraal (1980) is intrigerend. Kinderen horen niet zo gemaniëreerd en namaak te zijn, en dat maakt het beeld heel verontrustend.

En dan het beeld getiteld Diura van Alex ten Napel (1958) uit zijn bijzondere serie Water #1. Hierin portretteerde ten Napel jonge kinderen die slechts met kop en schouders boven het wateroppervlak uitkomen. De neutrale achtergrond benadrukt hun uitdrukkingsvolle blik, het water hun kwetsbaarheid.
Verder is het conceptuele werk van Rosanne van der Lugt (1984) zonder twijfel het meest komische en meest leerzame van de tentoonstelling. In een aan goedkope supermarktposters denkend beeld vraagt ze op pakkende wijze aandacht voor de benodigde hoeveelheid water voor het produceren van een kilogram rundergehakt, een bizar grote hoeveelheid; 15.000 liter.

De conclusie is: natuurlijk zijn we allen voor vrijheid, gelijkheid, broederschap; of het museum daar de juiste plek voor is, dat is een tweede.

Muziek / Concert

Down The Rabbit Hole

recensie: Zaterdag

De zon is vandaag een beetje verstopt, maar dat mag de pret niet drukken. De zaterdag van DTRH heeft diverse acts in petto. Zo staat Spinvis ’s middags in de Teddy Widder, is Typhoon terug van weggeweest en kun je compleet losgaan bij Nicholaas Jaar in de avond. Op naar de tweede dag van het festival!

Aan de lengte van de rij bij The Village Coffee is wel te zien dat het voor velen een heftige eerste nacht is geweest. De medewerkers van de Utrechtse koffietent werken zich in het zweet om iedereen van een bakkie pleur te voorzien om de tweede festivaldag te overleven. Met de lekkere sound van Moderat in ons achterhoofd staat de Engelse producer SOHN als eerste op het programma. De link met producer James Blake is nergens ver te vinden, hoewel de show van Chris Taylor, de man achter SOHN, net iets spannender is om naar te kijken én naar te luisteren. De langzame beats van onder andere ‘The Wheel’ geven net dat beetje energie die we nodig hebben deze middag. Wanneer track ‘Lights’ volledig verkeerd begint, geeft de producer dat met een grote lach toe en vraagt of het oké is om opnieuw beginnen. Doet een beetje denken aan die keer dat hij in Tivoli de Helling zo serieus opging in zijn eigen beats en van zijn krukje afviel. Dit soort dingen geven hem juist de persoonlijkheid die je op sommige punten in de set weleens mist.

Van de beats van SOHN naar de zwoele sound van het Vlaamse Bazart. De band heeft als voorprogramma van Oscar and the Wolf reeds vele successen geboekt. Het is dan ook duidelijk te zien en te horen dat Bazart uit dezelfde richting als Oscar and the Wolf komt: iets minder extravagant als Max Colombie maar zeker net zo losjes in de heupen. Zanger Mathieu Terryn kan de tent net zo goed opzwepen zoals Colombie dat altijd bij zijn shows doet. In de eerste paar rijen in het publiek zijn tientallen Belgen te vinden die stuk voor stuk de hits mee kunnen zingen. Ook onder de Nederlanders blijkt Bazart behoorlijk populair te zijn: bij de afsluitende hit ‘Goud’ kan niemand meer stil blijven staan. De Hotot is weliswaar iets te groot voor Bazart, maar bij gebrek aan grotere bands is het voor dit tijdstip prima.

Spinvis brengt ons in de Teddy Widder de rust die we nodig hebben. De tekstuele hoogstandjes van Erik de Jong komen enorm goed uit de verf in de op een na grootste tent van het festival. Een van de hoogtepunten komt vrij vroeg in de set: het altijd mooie ‘Ik Wil Alleen Maar Zwemmen’ wordt tot ver in de tent meegezongen. Zelfs voorbijgangers kijken de tent in en zingen wat woorden mee. De flink gevulde Teddy Widder wordt nergens teleurgesteld en zelfs hier en daar verrast: een bijzondere versie van ‘Kindje van God’ zoals we die nergens eerder hebben gehoord.

Ook Nederlandse muziek is deze editie weer goed vertegenwoordigd. Typhoon bewijst even later in de Hotot dat hij terug is van weggeweest. Waar hij twee jaar geleden ieder festival in Nederland in wist te pakken is het even stil geweest rondom de Nederlandse muzikant. En guess what: twee jaar later blijkt dat het zinderende Lobi Da Basi nog steeds een van dé anthems van het festival is. Hoewel Glenn de Randamie, de man achter Typhoon, hard bezig is met nieuw werk laat hij hier vanavond slechts één nummer van horen. Dat geeft niks, de rest staat namelijk als een huis. ‘Hemel Valt’, ‘Zandloper’, ‘Surfen’… stuk voor stuk hits waar het festivalpubliek nog lang niet klaar mee blijkt te zijn. Zonnebril op en gáán! Dat gevoel krijgen we ook bij de dansbare popmuziek van Nao, die je misschien wel kent via Disclosure. Nergens anders op het affiche van dit jaar zien we zo’n poppy verschijning en dito sound als die van Nao. En eerlijk? Dat had best meer gemogen! De Teddy Widder staat behoorlijk vol met breed grijnzende meisjes in felgekleurde outfits. Het is heel moeilijk om niet vrolijk te worden van deze Britse popzangeres.

De grote afsluiter van de zaterdagavond is Fleet Foxes. De indierockers uit Amerika nemen de proef op de som door te openen met nieuw werk van het album Crack Up dat nog maar een week uit is. Gedurfd, vooral als je als band een festivaldag mag afsluiten. Het lukt de mannen dan ook niet om de aandacht van het publiek volledig vast te houden. Waar normaal gesproken de grootste tent van DTRH aan het eind van de avond volstaat, loopt de tent nu met het nummer leger. Vreemd is dat niet: wanneer de spanning ver te zoeken is, moet je dat maar ergens anders doen. Met name het oudere werk zoals ‘He Doesn’t Know Why’ en hitje ‘White Winter Hymnal’ doen het goed. Daarom gaan waarschijnlijk veel mensen op de helft van de set naar de show van Nicholas Jaar in de Teddy Widder. Begrijpelijk, maar ook jammer dat een van de weinige headliners toch niet helemaal de juiste keuze bleek te zijn.

De sets van Nicholas Jaar en 2manydjs blijken wel de juiste keuze te zijn voor het aanwezige publiek. Mensen willen dansen en losgaan. De focus op het nachtprogramma heeft hiermee dus ook een heel nieuw publiek weten aan te trekken. Zou dat de reden zijn dat de organisatie de capaciteit van het festival heeft vergroot? Dat blijft voor nu even gissen, op naar de tent om op te laden voor de laatste dag.

Theater / Reportage
special: Oerol 2017 deel 3

Idealen

Het jaarlijkse Oerol-festival is sinds 1982 uitgegroeid tot een internationaal fenomeen. Tien dagen lang bezoeken tienduizenden bezoekers Terschelling, om zich daar onder te dompelen in (locatie) theater en dans, straattheater, beeldende landschapskunst en muziek. Voor het vierde jaar op rij zag ik bijzondere voorstellingen en crossmediale vormen, waarin de locatie soms allesbepalend is en soms helemaal niet. In drie delen: Klanken, De Habitat en Idealen, beschrijf ik mijn theaterervaringen op het eiland.

Moeremans & Sons – Crashtest Ibsen: Pijler van de Samenleving

In dit vierde en laatste deel van de Crashtest Ibsen reeks spelen de leden van collectief Moeremans&Sons tegen een duin aan, voor een volle tribune en een stel schapen. Nog voordat de kaartjes gescheurd zijn, wordt de toon al gezet met een rake en komische inleiding door één van de acteurs. Wederom heeft Joachim Robbrecht een zeer sterke tekst geschreven, waarmee hij het publiek uitnodigt in het Ibsen-universum en dit laat becommentariëren door de spelers in deze toneelwereld. De laatsten spreken vanuit het Noorwegen van 1877 het publiek in 2017 op Terschelling toe. Verandering blijkt van alle tijden te zijn, 140 jaar geleden was er al sprake van aanjagen, innoveren en fuseren. Radicaliserende scheepsknechten, klokkenluiders en roofkapitalisten stellen allen het persoonlijke profijt boven de idealistische gemeenschapszin.

Ook treedt Ibsen himself als dandy dramaqueen ten tonele, om de toneelwetten te tarten en de klassieke expositie eens even flink te exposeren. De ‘Noorse postkaart’ waarop zijn personages zich bevinden komt hij als ‘plottenbakker’ dramatisch aanjagen. Met het grootste plezier bedrijft hij deze ‘leugensport’ die toneel heet. Als een spreekstalmeester zwaait hij zijn scepter over de toneelpiste en blikt op zijn bezittende klasse, tot het moment dat hij zijn cape aan de wilgen hangt (hier een lantaarnpaal) en stopt met het leven van een nepleven. Ook de nepvergaderigen op het zijtoneel, waar de coulissenpolitiek plaatsvindt, worden opgedoekt en dan kunnen zijn personages hun luchtkasteel leeg laten lopen. Nu zijn zij aan zet en begint het crashen pas. Zelfs de schapen blaten dan mee, in het perpetuum mobile van vraag en antwoord. In een eindeloze circulaire economie van waarheid en leugen, blijkt de moraal van het verhaal geen pijler van de samenleving te zijn.

 

Orde van de Dag – De Idealisten

Al vanaf de boot lonkt een gele koepel, midden in het weidse veld. Hier verwelkomt de als superheld verklede gastheer Greg Nottrot, één van de Orde-leden, bezoekers in zijn zonnetent. Hij wijst ze een plekje en vermaakt het publiek terwijl er op de laatste binnenkomers gewacht wordt. In de cirkelvormige opstelling in dit ‘tijdelijke parlementsgebouw’, ontstaat al snel verbinding tussen het publiek onderling. Na het openingsnummer over de samenkomst in en onder de zon, wordt deze verlegd naar de overige leden. Spoedig vindt de aankondiging van de denkexercitie plaats waar deze avond om draait: onze moderator is zijn idealen verloren en wil deze samen met zijn publiek en Idealist van de dag, vanavond Greenpeace-activist Faiza Oulahsen, terugvinden.

Het probleem van niks doen dat Nottrot schetst, het wel willen maar niet weten hoe, wordt door velen in de tent herkend. Alle Orde-leden gaan op zoek naar hun idealen, door de zin van de onzin te scheiden proberen zij samen met het publiek hun problemen op te lossen. De korte, bevragende en vermakelijke scènes worden afgewisseld met aangename muzikale intermezzo’s en blatende schapen bij een ‘stukje bewustwording’. Kwetsbare observaties worden door theatermaker Laura van Dolron gedeeld, waarbij zij begint bij de bezoekers, overschakelt naar haar persoonlijke situatie en weer eindigt bij het publiek.

Na alle overdenkingen blijft de grote vraag wat er concreet gedaan kan worden met de aanwezige idealen. Hier wordt een beroep gedaan op participerend publiek, dat een eigen invulling mag geven aan drie manieren van het besteden van 1000 euro. Mensen die niet niet graag op de voorgrond treden, wordt van harte uitgenodigd om hun ideeën op de speelvloer te delen met het publiek. Na een magische samenklank van alle aanwezigen, waarbij naar elkaar geluisterd moet worden om de juiste toon te vinden, wordt een stilte geregisseerd. Kort hierna wordt ondemocratisch door de vermenigvuldigers van het geld besloten dat een stimuleringsprijs voor lefhebbers het beste bijdraagt aan een meer ideale wereld. De avond eindigt met de bevrijding van onze superheld, die zijn cape afdoet en zijn idealen afdekt.

 

Dries Verhoeven – Guilty Landscapes Episode #2

Episode 1 was te bewonderen op het Utrechtse SPRING Festival, episode III op het Bossche Boulevard en episode IV in Eindhoven tijdens de Dutch Design Week. Met de tweede episode op Oerol, is de klok van de gehele vierdelige video-installatie rond. Hierin wordt de toeschouwer geconfronteerd met zijn toeschouwerschap. Doordat de bezoeker de installatie alleen betreedt, is er geen ontsnappen mogelijk aan de kijkervaring die je er hebt. In de grote ruimte waarin deze plaatsvindt, ontkom je niet aan de realiteit van de wereld die zich via een groot scherm aan je presenteert.

Per episode verschilt de context van deze beelden. Episode 2 is gesitueerd in de sloppen van de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Hier loopt een jongeman rond, die na een korte tijd jouw aanwezigheid opmerkt en terwijl je hem bekijkt, kijkt hij terug. Hij lijkt jouw reactie te incasseren en reageert, waardoor de live-streaming die met korrelig beeld en enigszins vertraagde response gesuggereerd wordt, ineens een werkelijke mogelijkheid wordt. Deze dualistische ervaring, tussen denken te weten dat echt contact onwaarschijnlijk is maar ervaren dat de gedachte aan enkel een algoritme onmenselijk en daarmee onwenselijk voelt, werkt nog lang nadat het beeld uit gaat door.

BERLIN / Het Zuidelijk Toneel – Zvizdal

Met een blanco beeld start het filmische portret over een oude man en vrouw die na de ramp in Tsjernobyl als enige twee in de vervreemdingszone zijn blijven wonen. Enkel geluid voorzien van ondertiteling geeft de kafkaëske situatie weer waarin de filmmakers belanden als zij toegang willen krijgen tot deze zone. Deze buitenstaandersblik blijft gehanteerd in de beeldvoering als het ontoegankelijke gebied betreden wordt. De maquettes die opgesteld staan onder het filmscherm, laten de toeschouwer vanuit vogelperspectief kijken naar de boerderij waaromheen het grootste gedeelte van de film zich afspeelt. Opvallend is dat het leven van Nadia & Pétro Opanassovitch Lubenoc enkel buiten hun woning in beeld wordt gebracht. Met deze omgeving is dit oudere echtpaar vergroeid, dat ten tijde van de ramp al 60 jaar in dit gebied leefde. Hun wereldbeeld lijkt niet veranderd te zijn door het verstrijken van de tijd. Zo is de Koude Oorlog voor hen nog altijd levend: “Zolang Amerika bestaat, zullen er insecten zijn. Zij hebben ze gekweekt en hierheen gestuurd, de parasieten.” Tegelijkertijd delen zij tijdloze levenswijsheden: “Het gras is elders niet groener. Het is overal hetzelfde.”

Bijzonder is de beschouwende blik waarmee de filmmakers als buitenstaanders het echtpaar in beeld hebben gebracht. Deze mensen, die eerst zo onvoorstelbaar anders lijken te zijn dan ikzelf, ga ik als toeschouwer gedurende de speelduur steeds beter begrijpen. Als weer wordt uitgezoomd en de boerderij steeds verder in het oneindige uitgestorven boslandschap verdwijnt, hoop ik dat de oude overgebleven vrouw haar eeuwige rust gevonden heeft.

Muziek / Concert

Down The Rabbit Hole

recensie: Vrijdag

Waar festival Down The Rabbit Hole het de vorige edities moest hebben van steengoede headliners zoals The National, Damien Rice en Black Keys ligt de focus dit jaar meer op kleinere bands en artiesten. Wat ook direct opvalt is dat het genre enigszins verschoven lijkt: de line-up kent meer elektronische acts dan de eerdere jaren. Of deze verandering ook daadwerkelijk een verbetering is maken we het weekend van 23 tot 25 juni mee.

De eerste dag van het festival wordt ingeluid met een parade vanaf de camping naar het festivalterrein. De Amsterdamse band My Baby start het festival met een kleurrijke en muzikale optocht om vervolgens de grootste tent te openen met een show. Voor de festivalgangers die DTRH anders willen beginnen is er vanaf de ochtend een yoga-les te volgen in Tramontana. Ook kunnen ze aansluiten bij stijldansen in Le Salon en vanaf half drie gaan  de voetjes van de vloer tijdens NL Hiphop & Beats Galore op de Wilde Haren x Desperados stage. Voor ieder wat wils dus.

De zon doet hard haar best, waardoor veel mensen besluiten te chillen in het gras aan de waterkant. Het fijne aan het festival is dat het terrein direct aan de recreatieplas van De Groene Heuvels ligt waardoor je lekker een frisse duik kunt nemen tijdens het festival. De hippe opblaasbare eenhoorns en flamingo’s zijn zonder twijfel hét item tijdens deze editie: overal in en buiten het water duiken ze op. Op de heuvel bij de Hotot kun je comfortabel zitten én muziek luisteren. Aan het begin van de avond staat daar het Engelse Bear’s Den, die de zonaanbidders langzaam maar zeker in de tent weet te lokken. De show is precies wat we gewend zijn van de heren: dansbare hitjes, akoestische parels en een dankbaar geluid. Sinds de laatste release Red Earth & Pouring Rain zijn de optredens van de band gelikter geworden. Hoewel nummers als ‘Emeralds’ en ‘Dew On The Vine’ foutloos gespeeld worden is het geheel hier en daar te veilig en soms zelfs wat saai. Jammer, want de band heeft een aantal hele mooie nummers in het repertoire zitten. Pas bij afsluiter ‘Agape’ lijken de mannen én het publiek wat losser te worden, maar helaas zit het er dan alweer op.

Tussen de optredens door is het voor velen nog even de laatste zonnestralen pakken met een hapje of drankje in de handen. Ook dit jaar heeft het festival weer allerlei foodtrucks op het terrein staan. De verrassing van vandaag is de Rotdog van Hanswurst uit Rotterdam: een calorieknaller waar je je vingers bij aflikt. Je krijgt er genoeg energie van om door te gaan naar de volgende show in de Hotot: Bonobo, de ideale act om het ‘relaxte’ gevoel nog even vast te houden. Bonobo heeft de opvallende zangeres Szjerdene meegenomen, een goede toevoeging aan de show, met name visueel gezien. Ze is met haar felgroene outfit een ware nimf in de dromerige visuals van landschappen en natuurverschijnselen. Toch moet Bonobo het wat muziek betreft het meer hebben van de instrumentale stukken: tracks als het eerste ‘Migration’ en de magische stukken in ‘Transits’ zijn de hoogtepunten van de set.

In de Teddy Widder laat Rag ‘n Bone Man zich van zijn beste kant horen. De opvallende rauwe vocals van de Britse singer-songwriter knallen tot ver buiten de tent. Rory Graham, zoals de zanger ook wel heet, ziet er misschien wel stoer uit maar weet menigeen te raken met zijn emotionele teksten. Opvallend is de uitvoering van hit ‘Skin’ die normaal vrij uitbundig is maar vanavond ingetogen gespeeld wordt op de piano. Erg mooi, maar misschien beter op z’n plek tijdens een clubtour met kleinere podia. Uiteraard wordt wereldhit ‘Human’ door het publiek uit volle borst meegezongen, wat Graham (nog steeds) versteld doet staan. Heel fijn om te zien!

De vrijdagavond staat naast de elektronische acts Weval, Trentemoller en Nathan Fake natuurlijk in het teken van headliner Moderat. Het kleinere zusje van Lowlands en haar gasten verwelkomen de mannen van Modeselektor en Apparat met alle liefde ter opwarming van de show op Lowlands later deze zomer. Vanaf de eerste track wordt het publiek letterlijk omvergeblazen: het geluid van de bassen staat zó onwijs hard dat je zelfs met oordoppen in last hebt van je oren. Gelukkig doet dat weinig af aan de kwaliteit van het optreden van de elektronische formatie. Het is duister, het prikkelt en de set zit vol verrassingen. Het ene moment droom je weg op de magische vocals van Apparat, terwijl je het andere moment niet stil kunt blijven staan op nummers zoals ‘A New Error’ en het opzwepende ‘Milk’. Wanneer het geluid de laatste paar songs is bijgesteld maakt het het dansende publiek niet meer uit: Moderat is de absolute winnaar van de eerste festivaldag.

De nacht is echter nog lang niet afgelopen. Sterker nog: Moderat heeft de vrijdagnacht niet beter kunnen inluiden. In het sfeervolle Bos staat de Bos Bios waar menigeen zit te griezelen bij de interessante anime van Spirited Away. Op het Vuige Veld zorgen dj’s Brutus & Friend voor een dansbare nacht en in Le Salon kun je terecht voor Fiesta Macumba. Om dan nog maar niet te spreken over de vele kampvuren, gezellige wijnbars en onontdekte plekjes op het festival.

Wat vannacht en eigenlijk al de hele dag opvalt is het feit dat het een stuk drukker is op DTRH dan de jaren ervoor. De organisatie heeft dit jaar ervoor gekozen om het terrein groter te maken, waardoor er plek is voor meer mensen. Toch voelt het niet ruimtelijker, juist omdat er ook meer aanwezigen op het terrein zijn. Het sterke ingrediënt van dit festival was eerdere jaren juist het rustige, het kleine en het intieme, alsof je het idee hebt dat je echt een weekend ‘down the rabbit hole’ en dus in een andere geheime wereld bent. Hopelijk vinden we dat magische aspect dit weekend nog ergens anders terug.

Theater / Reportage
special: Holland Festival week 2

Streetdance, schilderen met lichamen en Mahler

Ging het in ons eerste verslag van Holland Festival 2017 veel over de huidige staat van zaken in onze maatschappij, deze week gaan we bewegen. Dansers uit Brooklyn laten Stadsschouwburg Amsterdam op de grondvesten trillen, een Griekse kunstenaar maakt indruk met bizarre fantasieën en Alain Platel ontroert diep.

10 juni: Reggie (Regg Roc) Gray/Peter Sellars – FLEXN

Flexing is een spectaculaire vorm van streetdance die vooral in Brooklyn wordt beoefend. Hierbij gaat het niet, zoals meestal, om de battle maar om het vertellen van verhalen.

De swingende elektronische soundscape is door de hele Stadsschouwburg te horen, maar als je opgewonden de zaal betreedt zie je daar veel blanke ouderen, keurig gekleed en gekapt. Voor sommigen van hen, met vingers in de oren, is de muziek duidelijk te luid. Als de dansers van FLEXN – veel dreadlocks en mooie sneakers – het podium betreden wordt duidelijk: hier zijn twee gescheiden werelden, het keurige schouwburgpubliek en deze jonge gasten. Lijkt het niet een beetje op aapjes kijken, wat we nu gaan doen?

De dans is prachtig en vitaal. Er wordt soepel op teentoppen gebalanceerd en op knieën over de vloer gegleden. Schouders worden bijna uit hun kom gedraaid. De gedanste verhalen gaan over pijn, liefde en verlangen. Soms over een oorlogssituatie, racisme of politiegeweld. Maar er is zelden echte agressie en de gebruikte muziek is bijna sentimenteel te noemen. Er wordt veel geleden, over harten gewreven, gezucht, handen gekust en ondertussen is de dans magistraal en fascinerend.

Al wordt er na ieder verhaal enthousiast geapplaudisseerd, er blijft afstand tussen dansers en publiek. Je hebt constant het gevoel dat deze vorm iets stijfs heeft, dat ze het in Brooklyn vast niet zo doen. Tot na het slotapplaus, als er dan  toch een soort battle is en iedereen eindelijk een beetje los komt. Mooi is dat er dan een paar zwarte kinderen voor het podium zijn komen staan die er door de dansers op worden getrokken en hun moves mogen laten zien. Tijdens de inleiding voor de voorstelling is onder andere gepraat over het belang van kunst voor de minder draagkrachtigen onder ons. Waarom was er niet een hele groep van zulke kids? Zou dat niet super zijn geweest? Voor henzelf, voor de dansers en voor ons?

 

18 juni: The Great Tamer – Dimitris Papaioannou

The great tamer, de grote temmer, is volgens de Griekse kunstenaar Dimitris Papaioannou de tijd. Wij mensen zijn de enige wezens op aarde die zich bewust zijn van hun sterfelijkheid en dat kleurt alles wat we doen. Dat moet ook, zegt Papaioannou, want we zijn verplicht om alles uit ons leven te halen wat er in zit. Hij maakt zijn eigen theorie volop waar. Papaioannou is opgeleid als beeldend kunstenaar en schilder, maar toen hij het theater ontdekte raakte hij daar gefascineerd door. Hij slaagde er in iconische figuren als Pina Bausch en Robert Wilson als mentor te krijgen. Papaioannou beschouwt zichzelf niet als theatermaker, hij is een beeldend kunstenaar die werkt met lichamen.

Het toneel heeft de vorm van een grote helling bestaande uit heel veel zwarte matten. Een man gaat naakt op één van de matten liggen, een ander bedekt hem met een laken en een derde laat een andere mat vallen waardoor het laken weer wegwaait. Dit wordt een aantal keren herhaald, steeds sneller. Geestig is dat veel later in de voorstelling de mannen met laken en mat al klaar staan terwijl de man die gaat liggen zich nog gehaast moet uitkleden.

We zien een bijzondere centaur: een vrouw wier torso gevormd wordt door de naakte billen en benen van twee mannen. Er wordt een granenveld gebouwd met strohalmen die als dartpijlen door de lucht worden gegooid. Soms herken je een schilderij, Rembrandt, Caravaggio en andere klassieken. Constant zien we beelden die veranderen, niet zijn wat ze in eerste instantie lijken. Vaak is het grappig, soms ontroerend of zet het je aan het denken. Altijd is het knap, origineel en verrassend.

Echter, alleen een opeenvolging van beelden, hoe mooi ook, wordt op den duur een beetje saai. Net als ik denk, nu mag het wel stoppen, volgt een reeks schitterende momenten die samen een verhaal vormen. Eigenlijk net als in het echte leven. Een man om te blijven volgen, deze bijzondere Papaioannou met zijn, naar eigen zeggen, bizarre fantasieën.

 

20 juni: Nicht schlafen

Op het toneel van Koninklijk Theater Carré liggen twee dode paarden. Al wist ik van tevoren dat die er zouden zijn, toch is het even slikken. Het is een vervreemdende gewaarwording me in de feestroes van een langzaam vol stromende theaterzaal te bevinden terwijl er een paar lijken liggen. Halverwege de voorstelling komt er nog een dood paard bij, dat hakt er behoorlijk in.

Nicht schlafen van Alain Platel is geïnspireerd op de tijd van vlak voor de Eerste Wereldoorlog die, zo zeggen de makers van de voorstelling, erg leek op de huidige: dezelfde angst, verwarring, onzekerheid en explosief geweld. Kunstenares Berlinde De Bruyckere, verantwoordelijk voor het indrukwekkende decor, maakt sculpturen van echte paardenkadavers. In deze context is dat een mooi en passend beeld, er zijn immers miljoenen paarden gesneuveld in die oorlog.

Nicht schlafen begint heel stil, de dansers scharen zich rondom de paarden en heffen een gezang aan. Eén van de mannen danst een indrukwekkende solo en dan, plotseling, is iedereen met elkaar aan het vechten. Kleren worden van lichamen gescheurd, er wordt geschreeuwd, het lijkt eindeloos te duren. Het publiek lacht er af en toe om, maar het doet mij vooral denken aan de manier waarop mensen elkaar op sociale media met woorden afmaken. Net zo agressief en net zo zinloos.

Dan wordt iedereen rustiger, muziek van Mahler zwelt aan en langzaam beginnen de dansers synchroon te bewegen. Platel toont veel lef door hier het overbekende Adagietto uit de Vijfde Symfonie te gebruiken. De kans op sentimentaliteit ligt op de loer, maar de paradoxale combinatie van die meeslepende muziek op het hoogste volume en de hortende rauwe bewegingen van de dansers is overweldigend.

Wat volgt naast gezamenlijke dansen zijn veel onderonsjes. Het is alsof niemand weet hoe ze met hun gevoelens om moeten gaan. De bewegingen zijn bijna spastisch, het lijken kinderen. Soms is er harmonie en dan zijn er weer oplaaiende conflicten. Het slot is vrolijk en uitgelaten, eindelijk is iedereen vrij. Het is geweldig om die mooie dansers zo vol overgave aan het werk te zien op de steeds veranderende soundscape: koebellen, nog meer Mahler, het ontroerende geluid van slapende dieren.

‘Hör auf zu beben! Bereite dich zu leben’.

Boeken / Non-fictie

Tijdloos en dus nooit achterhaald

recensie: Antoine Bodar - Eeuwigh gaat voor oogenblick

Interviewers, vooral in tv-programma’s, hebben nogal eens de neiging zichzelf een even grote rol toe te dichten als de geïnterviewde. Priester Antoine Bodar heeft daar geen last van. Hij laat vooral de gast praten. Dat levert eenvoudige en mooie gesprekken op.

Wanneer een journalist een stuk voor de krant wil schrijven, dient hij zich altijd af te vragen: waarom nu, waarom vandaag? Zonder actuele aanleiding is het, naar journalistieke maatstaven, geen plaatsbaar stuk. Aan dat dogma heeft priester Antoine Bodar geen boodschap. Het gaat hem niet om de waan van de week maar om het tijdloze – vandaar ook de aan Joost van den Vondel ontleende titel Eeuwigh gaat voor oogenblick.

Zo leren we een hele andere kant van de geïnterviewden kennen. VVD-coryfee Hans Wiegel geeft aan dat dit een bijzonder gesprek voor hem is omdat hij nooit eerder over geloof heeft gesproken. Ook van andere (voormalige) politici – Dries van Agt, Jan Marijnissen, Herman Van Rompuy en Wim van de Donk – krijgen we de persoon te zien. En dan niet de overgeregisseerde ‘authenticiteit’ van de ‘spontane’ vakantiekiekjes op de ‘persoonlijke’ Facebookpagina’s, maar het intieme: verlies en verdriet, de dood en een eventueel hemels bestaan daarna.

Confrontatie

Niet in elk gesprek komt dat even goed van de grond. Het interview met dichter en voormalig priester Huub Oosterhuis blijft een oppervlakkig twistgesprek. Dat Bodar, zoals hij zelf zegt, het minst goed overweg kan met vrijzinnige katholieken – en daar is Oosterhuis er zeker een van – wordt pijnlijk duidelijk. Je proeft, in tegenstelling tot in andere gesprekken, een zekere vijandigheid waardoor het gesprek stroef verloopt.

Daar is ook een duidelijke reden voor: Oosterhuis staat voor alles waar Bodar tegen is – en vice versa. De vernederlandsing van de liturgie bijvoorbeeld, waarbij het door Bodar zo gekoesterde Latijn plaats moest maken voor de ‘liedjes’ van Huub Oosterhuis, lijkt hij hem bijna persoonlijk kwalijk te nemen.

Ook de ontmoetingen met de katholieken waarmee hij meer op één lijn zit – zoals met de drie kardinalen – leveren niet de meest spannende gesprekken op. Met Oosterhuis was er te veel confrontatie, met de kardinalen te weinig.

Heidenen

Gelukkig preekt Bodar niet alleen voor eigen parochie. Zo is een groot deel van zijn gasten niet katholiek. De gesprekken met heidenen, zoals hij ze zelf placht te noemen, vindt hij prettiger. ‘Juist de confrontatie met een andere levensinstelling daagt uit en brengt de vraag in het midden, of niet de eigen levensvisie herziening behoeft,’ zo schrijft hij in het voorwoord.

Komt er ook wat terecht van die herziening? Schrijfster Vonne van der Meer, de laatste geïnterviewde in de reeks van zestien, vraagt of zulke ontmoetingen hem ook tot een ander inzicht hebben gebracht. Bodar: ‘Nee, dat kan ik niet zeggen, neem me niet kwalijk, dat kan ik echt niet zeggen.’

Vrolijke twist

Toch zijn die gesprekken het prettigst om te lezen. Hierin wordt zowel de vijandigheid van het gesprek met Oosterhuis als de gezapigheid van de geestelijke onderonsjes vermeden. Bodar is op z’n best wanneer de degens met  een zekere speelsheid worden gekruist – en dat gebeurt met name in de gesprekken met de ongelovigen.

In de interviews met atheïsten als Paul Witteman, Maarten ’t Hart en Adriaan van Dis zoekt hij de verbinding tussen zijn eigen levensvisie en die van zijn ongelovige gesprekspartner. Maar Bodar schuwt de confrontatie niet – en zijn tegenstanders evenmin. Hij geniet van de immer met wellevendheid gevoerde twist.