Berichten

Boeken / Interview
special: Interview met Denker des Vaderlands René ten Bos over zijn nieuwste boek 'Dwalen in het antropoceen'

‘Verdwalen is een kunst’

‘René is even nieuwe schoenen kopen!’, zegt zijn vrouw die in de deuropening staat. De kakelverse Denker des Vaderlands René ten Bos, geïnaugureerd op 21 april jongstleden, woont in een karakteristiek oud pand in een gezellige straat in Nijmegen-Oost. Een paar minuten later komt hij aangefietst, mét nieuwe cowboylaarzen. Zwart, of in ieder geval donker, wat niet helemaal bij hem past. Kleuren en opvallende leersoorten zijn meer zijn ding, maar ach. Er moet een bijzondere voordracht gehouden worden op de universiteit, in toga, en dit is toch iets netter. Het is warm, een eerste zomerdag, dus we gaan in de tuin achter het huis zitten. Hij met een glas limonade, ik met een glas thee.

Waarom ben je ooit filosofie gaan studeren?

‘Tsja, dat moet je eigenlijk iemand vragen die twintig is, zo helder staat mij dat niet meer voor ogen. Maar ik heb altijd iets met filosofie gehad, al van kinds af aan, om allerlei redenen. Al heel snel bleek dat het enige wat ik echt goed kan niet zozeer met handen te maken heeft maar met woorden. Eerst probeerde ik dichter te worden, wat ik veel leuker had gevonden. Dat lukte niet, dus toen werd het maar filosofie. Maar ik gebruik wel veel poëzie in alles wat ik doe. Ik weet wel dat ik het vroeger toen ik op de sociale academie zat al heel leuk vond om met filosofische namen te strooien, dus dat bracht ook een zekere ijdelheid met zich mee. Ik heb er wel lang over gedaan om filosofie te gaan studeren omdat ik nooit naar een universiteit wilde, ik was bijna 22 toen ik het echt ging doen.’

Ben je vernoemd naar de beroemde filosoof René Descartes?

‘Mijn ouders hadden geen enkel idee van wat filosofie was, laat staan dat ze ooit van de namen René Descartes, Plato of Aristoteles gehoord hadden. Ze keken natuurlijk wel raar op toen er langzamerhand boeken van dit soort figuren het huis binnenkwamen. Eerst via de gemeentelijke bibliotheek en later via boekhandel Broekhuis in Hengelo. Vooral Nietzsche en Kierkegaard vond ik leuk, daar had ik snel veel boeken van. Een groot deel van mijn zakgeld ging op aan dat soort boeken. Vooral Nederlandse vertalingen van Pé Hawinkels, en later begon ik ook Duits en Frans te lezen, omdat je boeken in die talen veel goedkoper kon bestellen en omdat niet alles vertaald was. Soms moest je wel drie maanden op zo’n boek wachten. Dat bestelde je dan en na drie maanden vol gespannen afwachting kwam dan Also sprach Zarathustra binnen, dat was heel leuk.’

Zijn er filosofen die overgewaardeerd zijn?

‘Ja dat is de meeste filosofie, maar goed je moet ook altijd je vijand lezen, want die laat je zien waar je eigen denken zwak is of bekritiseerd kan worden. Ik heb niet veel met Immanuel Kant of Descartes, dat zijn voor mij geen grote helden maar juist de grote problemen.’

Zijn filosofen nodig of nuttig in de maatschappij?

‘Nee natuurlijk niet. Verzorgers, stratenmakers en vuilnisophaaldiensten zijn nodig. Als filosofen nodig zouden zijn dan zijn het geen filosofen meer, dan worden het politici of bewakers of koningen, zoals bij Plato. Dat zou je niet moeten willen. Filosofie teert op onnut. Dat maakt het enerzijds heel irritant, maar anderzijds geeft dat precies de vrijheid die nodig is om af en toe dat wat nodig is van commentaar te voorzien. Of dat nuttig is moet iedereen zelf maar weten, maar ik geloof niet zo in het nut van de filosofie. Een filosoof probeert veeleer om hier en daar af en toe eens een juiste snaar te raken of een discussie aan te zwengelen. Een boek te schrijven dat mensen raakt. Door concepten te bedenken die mensen aanspreken. Filosofie bedenkt metaforen, daarin verschilt ze niet veel van poëzie. Dat zie je ook bij Hans Blumenberg. Metaforen om de in zichzelf gekeerdheid van de werkelijkheid, van de werkelijkheid die er niet voor óns is, van geborgenheid te voorzien. Ik weet niet of filosofie troost is, zoals Alain de Botton zegt, maar de troost is er wel altijd bij geweest.’

Je nieuwste boek Dwalen in het antropoceen heb je in drie maanden geschreven. Liep je al lang rond met het idee dit boek te gaan schrijven?

‘Ja. Ik lees heel veel over dit thema en dacht al langer om dit boek te gaan schrijven, maar de aanleiding was een conferentie in Nijmegen over het thema. De twee grote filosofen Bernard Stiegler en Peter Sloterdijk maakten er daar zo’n onbedaarlijke puinzooi van dat ik dacht: ik ga maar eens even uitleggen hoe het allemaal in elkaar zit. Dat heb ik geprobeerd naar eer en geweten te doen, en dat is mij goed bevallen.’

Kun je in het kort uitleggen waar het boek over gaat?

‘Het antropoceen is een voorstel van wetenschappers om een nieuw geologisch tijdvak te introduceren. Dat heet het antropoceen omdat in dat tijdvak de mens (anthropos) als een nieuwe (kainos) factor als eerste soort in de geschiedenis van deze planeet invloed uitoefent op wat er gaande is. Het is dus een nieuw concept en er is discussie over of we het moeten omarmen. Het meest sceptisch hierover zijn de geologen, want volgens hen is de mens een verwaarloosbare entiteit op deze planeet. Een geologisch tijdvak noemen naar de mens is je reinste overmoed, arrogantie en onbescheidenheid. Ik kijk in het boek naar hoe andere wetenschappers daarover denken, met name de klimaatwetenschap en ecologie.

Als ik dat op een rijtje heb gezet kijk ik naar hoe filosofen erop gereageerd hebben. Die merken op dat de mens in dit tijdvak zich kenmerkt door desoriëntatie. We zijn de lijn der sterren kwijt en hebben te maken met een cascade aan catastrofes. Ieder weldenkend mens weet dat het heel erg is en dat er iets fundamenteel mis is met wat gebeurt op moeder aarde, maar niemand weet wat we eraan moeten doen. De een stelt snelle technocratische oplossingen voor, de ander zegt dat er niks aan de hand is. De derde zegt dat de oorzaak bij de veeteelt ligt, de vierde dat we allemaal vegetariër moeten worden, de vijfde zegt dat de schuld bij het kapitaal ligt. De zesde zegt dat de schuld bij de mannen ligt, wat ik een heel plausibele optie vind trouwens. Het zijn bijna allemaal mannen die deze kutzooi veroorzaken.

Daar komt bij: het is geen feest hè, het antropoceen is geen feestelijke tijd. We vieren wel een hoop feestjes, maar het wordt warmer, er verdwijnen eilandenrijken en steden zoals Calcutta en Jakarta zinken weg. De VN schat in dat het wereldwijde vluchtelingenprobleem vooral het gevolg is van klimaatverandering. Delen die vroeger goed bewoonbaar waren, zoals Soedan of Somalië, zijn dat niet meer. Het is een eindeloze reeks van ellende die op ons afkomt. Ik heb kinderen van jouw leeftijd, aan hen heb ik dit boek opgedragen, zij moeten ermee omgaan. Daarom hoop ik ook dat ik jonge mensen ergens raak met dit boek.’

Je zegt in je boek dat het probleem te groot is om een ethiek voor te bedenken. Wat bedoel je daarmee?

‘We hebben geen ethiek om problemen mee op te lossen. Ethiek moet ons in staat stellen om onszelf af en toe langs de morele meetlat te leggen en om te kijken of we dingen wel goed doen. Dat is vaak erg ingewikkeld. Ethiek lost geen problemen op, maar is zelf vaak een probleem. Moralisten hebben over het algemeen niet veel bijgedragen aan wereldvrede.’

Er zijn veel hedendaagse filosofen die dat wel willen doen, een nieuwe ethiek bedenken. Hoe kijk jij daar tegenaan?

‘Ik pleit niet voor een nieuwe ethiek. Dat gaat hem niet worden omdat we het toch niet eens worden. Ik ontken niet dat de mens een moreel wezen is, maar we krijgen toch geen eensluidende moraal, en ook geen moraal die de aarde in het middelpunt van de belangstelling zet. Het is heel moeilijk om morele affiniteit te voelen met iets wat je de planeet noemt, dat is een grote abstractie. Je kunt ook geen morele affiniteit voelen met de mensheid. De mens is een domme algemeenheid, zoals Marx ooit zei. Moraliteit werkt op nabijheid: ik zie dat jij pijn hebt en dan wil ik iets voor jou doen.

Het antropoceen vergt een ander soort denken, we moeten het van een andere ecologie hebben, een ecologie van gelijkwaardigheid. Ik besef dat dat heel moeilijk is. In mijn boek geef ik de metafoor van het lot van de Siberische tijger. Dat vind ik heel erg, maar het doet me minder dan de dood van mijn kinderen me zou doen. Dat is een van de moeilijkheden. De ontologische gelijkwaardigheid is goed, maar daar kun je geen ontologische moraal op baseren. Er is bijvoorbeeld de Voluntary Human Extinction Movement, die zegt dat we allemaal een pilletje moeten slikken en sterven om de planeet te redden. Maar dat is moeilijk uit te leggen aan kinderen van tien of twintig.’

Je hebt het over het verdwalen, dwalen in het antropoceen. Zou je kunnen zeggen dat dat een probleem is, dat we niet meer kunnen ronddwalen?

‘Het verdwalen is mijn metafoor voor het oriëntatieverlies dat er op dit moment is. De grote vraag is wat je moet doen als je verdwaald bent. Descartes denkt dat je een rechte lijn moet visualiseren en die moet aflopen, maar wie echt verdwaald is in een bos of woestijn weet dat je dat níet moet doen, omdat je dan in cirkels gaat lopen. Je moet eerder meanderen, maar eerst moet je maar gaan zitten. Wen maar aan die nieuwe omgeving en probeer die te doorgronden. Zijn er nog plekken waar je je thuis voel of krijg je mysterieuze boodschappen? Dat zijn elementen waar ik vertrouwen uit put. Hoe je om moet gaan met desoriëntatie is een thema in het boek. Verdwalen is een kunst, en daar kun je op een bepaalde manier mee omgaan. Dus niet zoals de wetenschap en de methodologie ons voorschrijven in een rechte lijn het bos uit, de weg volgen zonder omgevingsbewustzijn. Ik ben heel erg geïnteresseerd in hoe je op een andere manier naar je omgeving kunt kijken.’

Je zou dus misschien kunnen zeggen dat iedereen wel steeds aan het proberen is om die rechte lijn te trekken, door over oplossingen na te denken zonder zich daarbij open te stellen voor de omgeving.

‘Het grote gevaar is dat overheden in de verleiding komen om met snelle technocratische quick fixes te komen, zoals climate engineering. Er is een hele lange geschiedenis van climate engineering die op zijn zachtst gezegd ambivalent is geweest qua resultaat, en die op zijn hardst gezegd catastrofaal is geweest. Bijvoorbeeld met het verleggen van rivieren is veel geëxperimenteerd, met catastrofale gevolgen. Als je maatregelen neemt doe je dat in een complexe ecologische omgeving, waardoor je niet precies weet wat de effecten zullen zijn. Heel vaak is de remedie nog erger dan de kwaal. Alles wordt voorgesteld tegenwoordig, van het bedijken van de Beringzee tot het spuiten van aerosolen in de dampkring, maar niemand weet precies wat de consequenties daarvan zijn. Die kun je niet doorrekenen, dat is inherent aan ecosystemen die per definitie intransparant zijn. Dat is moeilijk in een tijd waarin politiek schreeuwt om transparantie. In mijn boek komt die onrust naar voren die ziet dat de politiek niet alleen de problemen niet aan kan, maar ook een fundamenteel verkeerde grondattitude heeft ten opzichte van dit soort problemen. Dat vind ik griezelig.’

Misschien is de kern van het probleem wel dat mensen altijd zo hebben gedacht. Dat ze problemen willen oplossen omdat ze denken zo’n systeem te kunnen begrijpen.

‘Dat heeft ook te maken met de onbenullige invloed van het optimisme. We moeten allemaal optimistisch zijn en weet ik veel wat. Ik word er langzamerhand een beetje droevig van. Ik denk dat ik steeds pessimistischer word over alle optimisten die er zijn. Pessimisme is in ieder geval nog gelardeerd met een stukje realisme, waardoor ik wat optimistischer ben over pessimisme dan over optimisme.’

Zou je niet kunnen zeggen dat de filosofie een grote bijdrage heeft geleverd aan het antropoceen? Ze is de mens gaan opdelen in lichaam en geest en dat heeft die versnippering voor een groot deel veroorzaakt.

‘Menselijk denken is zo sterk op zichzelf gericht geweest, zo reflexief geworden, dat het op een gegeven ogenblik een probleem is geworden. Een van de grote discussies die vandaag de dag gevoerd wordt gaat over al die humanitaire waarden als zelfreflectie, autonomie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Zijn dat nou wel de waarden die passen bij een tijd die vraagt om een andere ecologische of kosmologische houding? In het onderwijs is het centrale idee dat het belangrijkste wat we kinderen moeten bijbrengen het ‘zelf’ is. Ik denk dat dat misschien wel het probleem is. Het is een oud nietzscheaans punt. Volgens hem kwam het verderf van de filosofie met Socrates, die ervoor zorgde dat de mens over zichzelf ging nadenken. Dat moet je niet doen. Maar ja, nu hij echt een probleem is geworden kunnen we niet anders.’

Dit doet mij denken aan de Deep Ecology Movement van filosoof Arne Naess. Hoe staat jouw denken ten opzichte daarvan?

‘Veel van die Voluntary Human Extinction Movement beroept zich op Arne Naess. Dat wordt wel heel antihumanistisch. Ik ben ook zeker geen humanist, maar het is wel heel lastig. De gedachte is interessant, maar je moet ook altijd denken aan de politieke realiseerbaarheid ervan. Dat blijft een moeilijkheid. Je kan wel heel radicaal eco-dingen roepen, maar als mensen daar niet aan mee willen gaan doen… Wat is de beste manier om je te verzetten? Moet je er helemaal pontificaal tegenin gaan? Ik lees ze wel hoor, maar tegelijkertijd denk ik ook dat ze hun toon moeten matigen als ze er wat mee willen. Je moet het politiek verteerbaar maken en nu vind ik heel vaak dat soort extreme ecosofische exercities ontoegankelijk. En ze weten alles altijd zo zeker.’

Denken zij te radicaal in hun eigen hokje, zonder oog te hebben voor de omgeving?

‘Ik zou graag zien dat ook in dat denken een soort scepsis komt. Dat is de terughoudendheid die Hobbes bepleit in het sociale, die Serres bepleit met betrekking tot de natuur en die ik ook zou willen bepleiten met betrekking tot het denken. Dat komt niet omdat ik niet radicaal durf te denken, maar veel van die denkers denken zo erg dat hún denken gelijk heeft. Ik zie liever een denken dat er niet meer automatisch vanuit gaat dat het zelf gelijk heeft. Daar is de dark ecology van Timothy Morton zich veel beter van bewust. Daar zit een veel grotere scepsis in die voor mij veel waardevoller is. Die mist de deep ecology voor mij.

Ik weet ook niet of er toch een oplossing bedacht wordt. Ik pleit voor terughoudendheid, maar als die oplossing er wel komt zou dat fantastisch zijn. We mogen wel een beetje op de uitvindingskunst van de mens rekenen, maar moeten er tegelijkertijd sceptisch over zijn. We weten bijvoorbeeld nog maar heel weinig over klimaat. Ook daar geldt een fundamentele scepsis. We kunnen de aarde wel omarmen en zeggen dat we haar trouw moeten zijn, maar tegelijkertijd weten we nog maar zo weinig van die planeet waarop we zitten. Daarom is scepsis zo belangrijk.’

Je waarschuwt dus voor een teveel aan denken en voor een teveel aan doen. Wat is het juiste midden daartussen?

‘Niets, je moet geen midden zoeken. Je moet gewoon bij alles wat je bedenkt een fundamenteel sceptische grond houden. Ik hoop dat mensen denken en doen, maar het hoeft geen gulden midden te zijn. Het is voor mij meer het jezelf steeds afvragen of je wat je doet goed doet, en of je het wel zeker weet. Dus roekeloosheid in denken is meestal niet het verstandigste.’

Is dat wat jij altijd doet in jouw filosofie?

‘Dat probeer ik wel. Vandaar dat het boek ook eindigt in een grote verwarring. Dat komt ook omdat het mijn eigen state of mind over de issues behoorlijk goed weergeeft. Daarom zit er zo’n grote autobiografische factor in, omdat ik mijn eigen verwarring wil doorgeven. Als ik het boek schrijf ben ik in Siberië en geniet van de mooie oneindigheid enzo, maar intussen zit ik op één lijn.’

Zie je in het antropoceen een extra bijdrage van het kapitalistische systeem?

‘Het kapitalisme is zonder enige twijfel een groot probleem omdat het op geen enkele manier terughoudendheid aanmoedigt.’

Heb je zicht op andere systemen die makkelijker te combineren zouden zijn met de terughoudendheid?

‘Nee. Mensen denken heel vaak dat ik een klimaatfanaat ben ofzo, maar ik ben helemaal geen klimaatfanaat. Ook ben ik niet zo’n tegenstander van het kapitalisme. Ik weet dat gewoon niet. Ik zie dat kapitalisme als een object dat zo groot is dat je er af en toe hyper van wordt, een hyperobject, dat is ook een term van Timothy Morton. Het moedigt ons aan om ons verlangen te botvieren. Wij doen allemaal dingen die we willen terwijl we weten dat het voor de planeet niet goed is. Waarom doen we ze dan? Omdat we ze kunnen willen. Er is een enorme kloof tussen verlangen en behoefte. Het verlangen is veel groter dan de behoefte. Als je kunt proberen om dat wat te reduceren krijg je misschien wat meer terughoudendheid.’

Waarom heb je dit boek geschreven? Waarom meng je je in dit debat?

‘Ik meng me niet zozeer in het debat, daar ben ik altijd heel bescheiden over. Dat debat is er en ik ben gewoon filosoof, dus ik steek af en toe mijn neus in zaken waar ik me misschien niet mee moet bemoeien. Maar dit onderwerp past ook goed bij een hoofdthema in mijn werk, dat is transparantie. In alles wat ik schrijf gaat het over transparantie. Mijn boeken over water, over bureaucratie, over de natuur en over management gaan allemaal over hetzelfde hoofdthema. De ecologie die we nu hebben is intransparant. Dus ik heb ook een inhoudelijke interesse in het uitmelken van dit thema. Heraclitus zei: “De natuur houdt ervan zich te verbergen.” Maar nu verbergt die natuur zich niet altijd meer, die slaat terug. Stijging van de temperatuur en van de zeespiegel, steeds meer orkanen, ziektes die van dieren op mensen over gaan, ga zo maar door. In Stavoren is nu een muggenplaag. Er zijn miljoenen muggen, heel Stavoren zit in een zwerm. De hele stad is bedekt met gordijnen van miljoenen beestjes. Het is van korte duur en ze zorgen amper voor overlast, maar toch een beetje maf is het wel. Ik kan me dit soort verhalen toch niet herinneren van vroeger. Kortom, er is wel iets aan de hand denk ik dan. Maar het zijn alleen maar glimpjes die je van het grote ding krijgt.’

De limonade en de thee zijn op en René moet naar zijn volgende afspraak, in Utrecht, met de vertaalster van zijn managementboek. Wanneer ik opmerk dat hij een druk schema heeft zegt hij: ‘Dat klopt, ik ben weinig niet druk, maar ik lijd niet, dat is het belangrijkste, haha.’

Reageer op dit artikel

Boeken / Interview
special: Interview met Denker des Vaderlands René ten Bos over zijn nieuwste boek 'Dwalen in het antropoceen'

‘Verdwalen is een kunst’

‘René is even nieuwe schoenen kopen!’, zegt zijn vrouw die in de deuropening staat. De kakelverse Denker des Vaderlands René ten Bos, geïnaugureerd op 21 april jongstleden, woont in een karakteristiek oud pand in een gezellige straat in Nijmegen-Oost. Een paar minuten later komt hij aangefietst, mét nieuwe cowboylaarzen. Zwart, of in ieder geval donker, wat niet helemaal bij hem past. Kleuren en opvallende leersoorten zijn meer zijn ding, maar ach. Er moet een bijzondere voordracht gehouden worden op de universiteit, in toga, en dit is toch iets netter. Het is warm, een eerste zomerdag, dus we gaan in de tuin achter het huis zitten. Hij met een glas limonade, ik met een glas thee.

Waarom ben je ooit filosofie gaan studeren?

‘Tsja, dat moet je eigenlijk iemand vragen die twintig is, zo helder staat mij dat niet meer voor ogen. Maar ik heb altijd iets met filosofie gehad, al van kinds af aan, om allerlei redenen. Al heel snel bleek dat het enige wat ik echt goed kan niet zozeer met handen te maken heeft maar met woorden. Eerst probeerde ik dichter te worden, wat ik veel leuker had gevonden. Dat lukte niet, dus toen werd het maar filosofie. Maar ik gebruik wel veel poëzie in alles wat ik doe. Ik weet wel dat ik het vroeger toen ik op de sociale academie zat al heel leuk vond om met filosofische namen te strooien, dus dat bracht ook een zekere ijdelheid met zich mee. Ik heb er wel lang over gedaan om filosofie te gaan studeren omdat ik nooit naar een universiteit wilde, ik was bijna 22 toen ik het echt ging doen.’

Ben je vernoemd naar de beroemde filosoof René Descartes?

‘Mijn ouders hadden geen enkel idee van wat filosofie was, laat staan dat ze ooit van de namen René Descartes, Plato of Aristoteles gehoord hadden. Ze keken natuurlijk wel raar op toen er langzamerhand boeken van dit soort figuren het huis binnenkwamen. Eerst via de gemeentelijke bibliotheek en later via boekhandel Broekhuis in Hengelo. Vooral Nietzsche en Kierkegaard vond ik leuk, daar had ik snel veel boeken van. Een groot deel van mijn zakgeld ging op aan dat soort boeken. Vooral Nederlandse vertalingen van Pé Hawinkels, en later begon ik ook Duits en Frans te lezen, omdat je boeken in die talen veel goedkoper kon bestellen en omdat niet alles vertaald was. Soms moest je wel drie maanden op zo’n boek wachten. Dat bestelde je dan en na drie maanden vol gespannen afwachting kwam dan Also sprach Zarathustra binnen, dat was heel leuk.’

Zijn er filosofen die overgewaardeerd zijn?

‘Ja dat is de meeste filosofie, maar goed je moet ook altijd je vijand lezen, want die laat je zien waar je eigen denken zwak is of bekritiseerd kan worden. Ik heb niet veel met Immanuel Kant of Descartes, dat zijn voor mij geen grote helden maar juist de grote problemen.’

Zijn filosofen nodig of nuttig in de maatschappij?

‘Nee natuurlijk niet. Verzorgers, stratenmakers en vuilnisophaaldiensten zijn nodig. Als filosofen nodig zouden zijn dan zijn het geen filosofen meer, dan worden het politici of bewakers of koningen, zoals bij Plato. Dat zou je niet moeten willen. Filosofie teert op onnut. Dat maakt het enerzijds heel irritant, maar anderzijds geeft dat precies de vrijheid die nodig is om af en toe dat wat nodig is van commentaar te voorzien. Of dat nuttig is moet iedereen zelf maar weten, maar ik geloof niet zo in het nut van de filosofie. Een filosoof probeert veeleer om hier en daar af en toe eens een juiste snaar te raken of een discussie aan te zwengelen. Een boek te schrijven dat mensen raakt. Door concepten te bedenken die mensen aanspreken. Filosofie bedenkt metaforen, daarin verschilt ze niet veel van poëzie. Dat zie je ook bij Hans Blumenberg. Metaforen om de in zichzelf gekeerdheid van de werkelijkheid, van de werkelijkheid die er niet voor óns is, van geborgenheid te voorzien. Ik weet niet of filosofie troost is, zoals Alain de Botton zegt, maar de troost is er wel altijd bij geweest.’

Je nieuwste boek Dwalen in het antropoceen heb je in drie maanden geschreven. Liep je al lang rond met het idee dit boek te gaan schrijven?

‘Ja. Ik lees heel veel over dit thema en dacht al langer om dit boek te gaan schrijven, maar de aanleiding was een conferentie in Nijmegen over het thema. De twee grote filosofen Bernard Stiegler en Peter Sloterdijk maakten er daar zo’n onbedaarlijke puinzooi van dat ik dacht: ik ga maar eens even uitleggen hoe het allemaal in elkaar zit. Dat heb ik geprobeerd naar eer en geweten te doen, en dat is mij goed bevallen.’

Kun je in het kort uitleggen waar het boek over gaat?

‘Het antropoceen is een voorstel van wetenschappers om een nieuw geologisch tijdvak te introduceren. Dat heet het antropoceen omdat in dat tijdvak de mens (anthropos) als een nieuwe (kainos) factor als eerste soort in de geschiedenis van deze planeet invloed uitoefent op wat er gaande is. Het is dus een nieuw concept en er is discussie over of we het moeten omarmen. Het meest sceptisch hierover zijn de geologen, want volgens hen is de mens een verwaarloosbare entiteit op deze planeet. Een geologisch tijdvak noemen naar de mens is je reinste overmoed, arrogantie en onbescheidenheid. Ik kijk in het boek naar hoe andere wetenschappers daarover denken, met name de klimaatwetenschap en ecologie.

Als ik dat op een rijtje heb gezet kijk ik naar hoe filosofen erop gereageerd hebben. Die merken op dat de mens in dit tijdvak zich kenmerkt door desoriëntatie. We zijn de lijn der sterren kwijt en hebben te maken met een cascade aan catastrofes. Ieder weldenkend mens weet dat het heel erg is en dat er iets fundamenteel mis is met wat gebeurt op moeder aarde, maar niemand weet wat we eraan moeten doen. De een stelt snelle technocratische oplossingen voor, de ander zegt dat er niks aan de hand is. De derde zegt dat de oorzaak bij de veeteelt ligt, de vierde dat we allemaal vegetariër moeten worden, de vijfde zegt dat de schuld bij het kapitaal ligt. De zesde zegt dat de schuld bij de mannen ligt, wat ik een heel plausibele optie vind trouwens. Het zijn bijna allemaal mannen die deze kutzooi veroorzaken.

Daar komt bij: het is geen feest hè, het antropoceen is geen feestelijke tijd. We vieren wel een hoop feestjes, maar het wordt warmer, er verdwijnen eilandenrijken en steden zoals Calcutta en Jakarta zinken weg. De VN schat in dat het wereldwijde vluchtelingenprobleem vooral het gevolg is van klimaatverandering. Delen die vroeger goed bewoonbaar waren, zoals Soedan of Somalië, zijn dat niet meer. Het is een eindeloze reeks van ellende die op ons afkomt. Ik heb kinderen van jouw leeftijd, aan hen heb ik dit boek opgedragen, zij moeten ermee omgaan. Daarom hoop ik ook dat ik jonge mensen ergens raak met dit boek.’

Je zegt in je boek dat het probleem te groot is om een ethiek voor te bedenken. Wat bedoel je daarmee?

‘We hebben geen ethiek om problemen mee op te lossen. Ethiek moet ons in staat stellen om onszelf af en toe langs de morele meetlat te leggen en om te kijken of we dingen wel goed doen. Dat is vaak erg ingewikkeld. Ethiek lost geen problemen op, maar is zelf vaak een probleem. Moralisten hebben over het algemeen niet veel bijgedragen aan wereldvrede.’

Er zijn veel hedendaagse filosofen die dat wel willen doen, een nieuwe ethiek bedenken. Hoe kijk jij daar tegenaan?

‘Ik pleit niet voor een nieuwe ethiek. Dat gaat hem niet worden omdat we het toch niet eens worden. Ik ontken niet dat de mens een moreel wezen is, maar we krijgen toch geen eensluidende moraal, en ook geen moraal die de aarde in het middelpunt van de belangstelling zet. Het is heel moeilijk om morele affiniteit te voelen met iets wat je de planeet noemt, dat is een grote abstractie. Je kunt ook geen morele affiniteit voelen met de mensheid. De mens is een domme algemeenheid, zoals Marx ooit zei. Moraliteit werkt op nabijheid: ik zie dat jij pijn hebt en dan wil ik iets voor jou doen.

Het antropoceen vergt een ander soort denken, we moeten het van een andere ecologie hebben, een ecologie van gelijkwaardigheid. Ik besef dat dat heel moeilijk is. In mijn boek geef ik de metafoor van het lot van de Siberische tijger. Dat vind ik heel erg, maar het doet me minder dan de dood van mijn kinderen me zou doen. Dat is een van de moeilijkheden. De ontologische gelijkwaardigheid is goed, maar daar kun je geen ontologische moraal op baseren. Er is bijvoorbeeld de Voluntary Human Extinction Movement, die zegt dat we allemaal een pilletje moeten slikken en sterven om de planeet te redden. Maar dat is moeilijk uit te leggen aan kinderen van tien of twintig.’

Je hebt het over het verdwalen, dwalen in het antropoceen. Zou je kunnen zeggen dat dat een probleem is, dat we niet meer kunnen ronddwalen?

‘Het verdwalen is mijn metafoor voor het oriëntatieverlies dat er op dit moment is. De grote vraag is wat je moet doen als je verdwaald bent. Descartes denkt dat je een rechte lijn moet visualiseren en die moet aflopen, maar wie echt verdwaald is in een bos of woestijn weet dat je dat níet moet doen, omdat je dan in cirkels gaat lopen. Je moet eerder meanderen, maar eerst moet je maar gaan zitten. Wen maar aan die nieuwe omgeving en probeer die te doorgronden. Zijn er nog plekken waar je je thuis voel of krijg je mysterieuze boodschappen? Dat zijn elementen waar ik vertrouwen uit put. Hoe je om moet gaan met desoriëntatie is een thema in het boek. Verdwalen is een kunst, en daar kun je op een bepaalde manier mee omgaan. Dus niet zoals de wetenschap en de methodologie ons voorschrijven in een rechte lijn het bos uit, de weg volgen zonder omgevingsbewustzijn. Ik ben heel erg geïnteresseerd in hoe je op een andere manier naar je omgeving kunt kijken.’

Je zou dus misschien kunnen zeggen dat iedereen wel steeds aan het proberen is om die rechte lijn te trekken, door over oplossingen na te denken zonder zich daarbij open te stellen voor de omgeving.

‘Het grote gevaar is dat overheden in de verleiding komen om met snelle technocratische quick fixes te komen, zoals climate engineering. Er is een hele lange geschiedenis van climate engineering die op zijn zachtst gezegd ambivalent is geweest qua resultaat, en die op zijn hardst gezegd catastrofaal is geweest. Bijvoorbeeld met het verleggen van rivieren is veel geëxperimenteerd, met catastrofale gevolgen. Als je maatregelen neemt doe je dat in een complexe ecologische omgeving, waardoor je niet precies weet wat de effecten zullen zijn. Heel vaak is de remedie nog erger dan de kwaal. Alles wordt voorgesteld tegenwoordig, van het bedijken van de Beringzee tot het spuiten van aerosolen in de dampkring, maar niemand weet precies wat de consequenties daarvan zijn. Die kun je niet doorrekenen, dat is inherent aan ecosystemen die per definitie intransparant zijn. Dat is moeilijk in een tijd waarin politiek schreeuwt om transparantie. In mijn boek komt die onrust naar voren die ziet dat de politiek niet alleen de problemen niet aan kan, maar ook een fundamenteel verkeerde grondattitude heeft ten opzichte van dit soort problemen. Dat vind ik griezelig.’

Misschien is de kern van het probleem wel dat mensen altijd zo hebben gedacht. Dat ze problemen willen oplossen omdat ze denken zo’n systeem te kunnen begrijpen.

‘Dat heeft ook te maken met de onbenullige invloed van het optimisme. We moeten allemaal optimistisch zijn en weet ik veel wat. Ik word er langzamerhand een beetje droevig van. Ik denk dat ik steeds pessimistischer word over alle optimisten die er zijn. Pessimisme is in ieder geval nog gelardeerd met een stukje realisme, waardoor ik wat optimistischer ben over pessimisme dan over optimisme.’

Zou je niet kunnen zeggen dat de filosofie een grote bijdrage heeft geleverd aan het antropoceen? Ze is de mens gaan opdelen in lichaam en geest en dat heeft die versnippering voor een groot deel veroorzaakt.

‘Menselijk denken is zo sterk op zichzelf gericht geweest, zo reflexief geworden, dat het op een gegeven ogenblik een probleem is geworden. Een van de grote discussies die vandaag de dag gevoerd wordt gaat over al die humanitaire waarden als zelfreflectie, autonomie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Zijn dat nou wel de waarden die passen bij een tijd die vraagt om een andere ecologische of kosmologische houding? In het onderwijs is het centrale idee dat het belangrijkste wat we kinderen moeten bijbrengen het ‘zelf’ is. Ik denk dat dat misschien wel het probleem is. Het is een oud nietzscheaans punt. Volgens hem kwam het verderf van de filosofie met Socrates, die ervoor zorgde dat de mens over zichzelf ging nadenken. Dat moet je niet doen. Maar ja, nu hij echt een probleem is geworden kunnen we niet anders.’

Dit doet mij denken aan de Deep Ecology Movement van filosoof Arne Naess. Hoe staat jouw denken ten opzichte daarvan?

‘Veel van die Voluntary Human Extinction Movement beroept zich op Arne Naess. Dat wordt wel heel antihumanistisch. Ik ben ook zeker geen humanist, maar het is wel heel lastig. De gedachte is interessant, maar je moet ook altijd denken aan de politieke realiseerbaarheid ervan. Dat blijft een moeilijkheid. Je kan wel heel radicaal eco-dingen roepen, maar als mensen daar niet aan mee willen gaan doen… Wat is de beste manier om je te verzetten? Moet je er helemaal pontificaal tegenin gaan? Ik lees ze wel hoor, maar tegelijkertijd denk ik ook dat ze hun toon moeten matigen als ze er wat mee willen. Je moet het politiek verteerbaar maken en nu vind ik heel vaak dat soort extreme ecosofische exercities ontoegankelijk. En ze weten alles altijd zo zeker.’

Denken zij te radicaal in hun eigen hokje, zonder oog te hebben voor de omgeving?

‘Ik zou graag zien dat ook in dat denken een soort scepsis komt. Dat is de terughoudendheid die Hobbes bepleit in het sociale, die Serres bepleit met betrekking tot de natuur en die ik ook zou willen bepleiten met betrekking tot het denken. Dat komt niet omdat ik niet radicaal durf te denken, maar veel van die denkers denken zo erg dat hún denken gelijk heeft. Ik zie liever een denken dat er niet meer automatisch vanuit gaat dat het zelf gelijk heeft. Daar is de dark ecology van Timothy Morton zich veel beter van bewust. Daar zit een veel grotere scepsis in die voor mij veel waardevoller is. Die mist de deep ecology voor mij.

Ik weet ook niet of er toch een oplossing bedacht wordt. Ik pleit voor terughoudendheid, maar als die oplossing er wel komt zou dat fantastisch zijn. We mogen wel een beetje op de uitvindingskunst van de mens rekenen, maar moeten er tegelijkertijd sceptisch over zijn. We weten bijvoorbeeld nog maar heel weinig over klimaat. Ook daar geldt een fundamentele scepsis. We kunnen de aarde wel omarmen en zeggen dat we haar trouw moeten zijn, maar tegelijkertijd weten we nog maar zo weinig van die planeet waarop we zitten. Daarom is scepsis zo belangrijk.’

Je waarschuwt dus voor een teveel aan denken en voor een teveel aan doen. Wat is het juiste midden daartussen?

‘Niets, je moet geen midden zoeken. Je moet gewoon bij alles wat je bedenkt een fundamenteel sceptische grond houden. Ik hoop dat mensen denken en doen, maar het hoeft geen gulden midden te zijn. Het is voor mij meer het jezelf steeds afvragen of je wat je doet goed doet, en of je het wel zeker weet. Dus roekeloosheid in denken is meestal niet het verstandigste.’

Is dat wat jij altijd doet in jouw filosofie?

‘Dat probeer ik wel. Vandaar dat het boek ook eindigt in een grote verwarring. Dat komt ook omdat het mijn eigen state of mind over de issues behoorlijk goed weergeeft. Daarom zit er zo’n grote autobiografische factor in, omdat ik mijn eigen verwarring wil doorgeven. Als ik het boek schrijf ben ik in Siberië en geniet van de mooie oneindigheid enzo, maar intussen zit ik op één lijn.’

Zie je in het antropoceen een extra bijdrage van het kapitalistische systeem?

‘Het kapitalisme is zonder enige twijfel een groot probleem omdat het op geen enkele manier terughoudendheid aanmoedigt.’

Heb je zicht op andere systemen die makkelijker te combineren zouden zijn met de terughoudendheid?

‘Nee. Mensen denken heel vaak dat ik een klimaatfanaat ben ofzo, maar ik ben helemaal geen klimaatfanaat. Ook ben ik niet zo’n tegenstander van het kapitalisme. Ik weet dat gewoon niet. Ik zie dat kapitalisme als een object dat zo groot is dat je er af en toe hyper van wordt, een hyperobject, dat is ook een term van Timothy Morton. Het moedigt ons aan om ons verlangen te botvieren. Wij doen allemaal dingen die we willen terwijl we weten dat het voor de planeet niet goed is. Waarom doen we ze dan? Omdat we ze kunnen willen. Er is een enorme kloof tussen verlangen en behoefte. Het verlangen is veel groter dan de behoefte. Als je kunt proberen om dat wat te reduceren krijg je misschien wat meer terughoudendheid.’

Waarom heb je dit boek geschreven? Waarom meng je je in dit debat?

‘Ik meng me niet zozeer in het debat, daar ben ik altijd heel bescheiden over. Dat debat is er en ik ben gewoon filosoof, dus ik steek af en toe mijn neus in zaken waar ik me misschien niet mee moet bemoeien. Maar dit onderwerp past ook goed bij een hoofdthema in mijn werk, dat is transparantie. In alles wat ik schrijf gaat het over transparantie. Mijn boeken over water, over bureaucratie, over de natuur en over management gaan allemaal over hetzelfde hoofdthema. De ecologie die we nu hebben is intransparant. Dus ik heb ook een inhoudelijke interesse in het uitmelken van dit thema. Heraclitus zei: “De natuur houdt ervan zich te verbergen.” Maar nu verbergt die natuur zich niet altijd meer, die slaat terug. Stijging van de temperatuur en van de zeespiegel, steeds meer orkanen, ziektes die van dieren op mensen over gaan, ga zo maar door. In Stavoren is nu een muggenplaag. Er zijn miljoenen muggen, heel Stavoren zit in een zwerm. De hele stad is bedekt met gordijnen van miljoenen beestjes. Het is van korte duur en ze zorgen amper voor overlast, maar toch een beetje maf is het wel. Ik kan me dit soort verhalen toch niet herinneren van vroeger. Kortom, er is wel iets aan de hand denk ik dan. Maar het zijn alleen maar glimpjes die je van het grote ding krijgt.’

De limonade en de thee zijn op en René moet naar zijn volgende afspraak, in Utrecht, met de vertaalster van zijn managementboek. Wanneer ik opmerk dat hij een druk schema heeft zegt hij: ‘Dat klopt, ik ben weinig niet druk, maar ik lijd niet, dat is het belangrijkste, haha.’

Reageer op dit artikel

Richard Smeets, Het vlot van de Medusa, 8weekly
Kunst / Interview
special: Richard Smeets' visie op Het vlot van de Medusa
Richard Smeets, Het vlot van de Medusa, 8weekly

Richard Smeets en Het vlot van de Medusa

In het Noord-Limburgse Heijen woont en werkt de internationaal gekende kunstenaar Richard Smeets. Onlangs verwierf hij de opdracht om een groot schilderij te maken gebaseerd op een schilderij uit de negentiende eeuw. Alle reden om hem eens op te zoeken en het naadje van de kous te weten te komen over zijn opdracht en natuurlijk om aandacht te besteden aan de kunstenaar zelf, die vast niet iedereen kent. Samen met kunstbemiddelaar Janny Vos sprak 8WEEKLY uitvoerig met Smeets op 19 mei van dit jaar.

In het Louvre in Parijs hangt het schilderij Het vlot van de Medusa, dat wereldberoemd genoemd mag worden. De romantische schilder Théodore Géricault schilderde het naar aanleiding van de ramp met het schip de Medusa, waarbij de officieren de bemanning aan haar lot overlieten. De overlevenden dobberden dagenlang op een vlot op zee voordat ze gered werden. De link met de bootvluchtelingen in onze tijd is snel gemaakt. Dit inspireerde Smeets tot het voorbereiden van dit kunstwerk. Hij ging op zoek naar een opdrachtgever om zijn idee te kunnen uitwerken. Die opdrachtgever vond een bestemming in een kasteel waar het doek zal komen te hangen als het over een jaar klaar zal zijn.

Een kijkje in Smeets’ atelier

Bij het betreden van het atelier van Richard Smeets word je onmiddellijk gegrepen door de gigantische omvang van het doek waaraan hij werkt. Twee bij drie meter en veertig centimeter is een indrukwekkende maat voor een schilderij. De Facebookvrienden van de schilder hebben de vorderingen van de laatste maanden online een beetje kunnen volgen. Van de vele studies, tekeningen, detailuitwerkingen en het opzetten van het uiteindelijke doek zijn een paar foto’s verschenen. Smeets heeft nog een veelvoud van deze voorbereidingen gemaakt en dat toont hij maar al te graag in zijn atelier. Ondanks zijn stijl, die expressionistisch genoemd mag worden, schildert deze kunstenaar als een romanticus dat zou doen, met veel voorbereiding en heel veel detail. Een echte expressionist zou een schilderij produceren in een paar uur. Smeets produceert vijftien, hooguit twintig werken per jaar. Voor deze opdracht heeft hij zelfs een vol jaar uitgetrokken.

Zoals dat bij iedere opdracht van Smeets gaat, werkt hij bij deze moderne versie van Het vlot van de Medusa tegelijkertijd aan twee versies van zijn eindproduct. Het tweede doek is echter nog maagdelijk wit als wij een bezoek brengen aan zijn atelier. Maar dat zal niet lang meer zo zijn, vertrouwt Smeets ons toe. Rechts van het doek hangt een A4’tje met een afdruk van de foto van het originele werk dat als basis dient voor deze opdracht.

Richard Smeets, Het vlot van de Medusa, 8weekly

Théodore Géricault, Het vlot van de Medusa, 1818.

Het originele schilderij als inspiratie

Het Franse fregat de Medusa leed in juli 1816 schipbreuk op de Atlantische Oceaan. Een vlot dat werd gebouwd van de resten van het fregat, dobberde twaalf dagen rond tot het werd teruggevonden door het zusterschip Argon. Van de honderdnegenenveertig opvarenden leefden toen nog twaalf mensen. Ze waren door de kapitein en officieren zonder voedsel of water aan hun lot overgelaten, terwijl de bemanning aan boord van de rest van het schip bleef. Zowel dit voorval als het schilderij van Géricault kreeg veel aandacht in Europa. Het originele doek is vijf bij zeven en een halve meter groot. Het schilderij kent in zijn tijd zowel bewonderaars als mensen die het te morbide vinden en het verafschuwen. Toch trekt het doek door de jaren heen veel kijkers met als toppunt – in de tijd dat de schilder nog leeft – een tentoonstelling in 1820, waar het doek in Londen vijftigduizend bezoekers trekt. Het is het schilderij dat Smeets als inspiratie bedacht tijdens zijn pop-up tentoonstelling eerder dit jaar in Nijmegen. Hij was eerst van plan het daar voor het raam te realiseren terwijl hij toeschouwers had voor zijn tentoonstelling, en van anderen die toevallig langs zijn raam zouden trekken. Toch koos hij voor een andere weg, omdat al snel helder was dat hij niet lang genoeg in Nijmegen zou blijven.

Carrière van Richard Smeets

Smeets volgde heel klassiek een opleiding aan de kunstacademie. Hij ontwikkelde zijn eigen stijl, waarna hij werd ontdekt door de Amsterdamse galeriehouder Herman Krikhaar, die zijn oog liet vallen op één van zijn kunstwerken. Door steeds meer van hem in zijn galerie te tonen, weet hij de naam van Smeets op te bouwen. Heel selectief worden er steeds meer werken van Smeets aan zijn verzameling toegevoegd. Door deze manier van werken ontwikkelde Smeets ook de zakelijke kant van de kunst. Want als kunstenaar kun je nog zulk mooi, baanbrekend werk maken; als je de kunst niet aan de man weet te brengen, kun je er niet of nauwelijks van leven. Voor Smeets zit de verdienste niet in de omvang van zijn productie, maar in de inhoud van zijn werken en zijn zakelijk inzicht.

Het is eigenlijk makkelijk, vertelt Smeets: “Ieder schilderij heeft een kostprijs. Het doek kost een x-bedrag, afhankelijk van de grootte van het werk. De verf heeft zijn prijs. Ik werk graag met olieverf vanwege de huidvorming die het krijgt als het droogt. Natuurlijk heb je daarna de uren die in het werk gaan zitten om het te creëren. Als je dat allemaal optelt, heb je de kostprijs van het schilderij. Door de klassieke manier van werken in plaats van de expressionistische manier, gaan er veel uren in mijn werken zitten. Ik ben ook heel eenvoudig met prijzen. Als de koper niet bereid is het werk voor de vraagprijs te kopen, dan verkoop ik het niet. Geen probleem, even goede vrienden”.

De gouden jaren voor de kunst liggen alweer ver achter ons. Dat was volgens Smeets de tijd tussen 1885 en 2001, de jaren waarin voor gevestigde kunstenaars goed geld te verdienen viel. Daarna werd het moeilijker, helemaal toen in 2008 ook nog de economische crisis er overheen kwam. Nu is er niet alleen creativiteit nodig om kunst te maken, maar ook om het te verkopen. Gelukkig beschikt Smeets ook op dat laatste gebied over voldoende ideeën en is hij nog lang niet uitgedacht. Hij toonde ooit zijn werk op een colonne van tien vrachtwagens, exposeerde onlangs in de Nijmeegse stadsschouwburg, had een pop-up galerie in Nijmegen en voor zijn huidige project zocht hij een opdrachtgever voordat hij het werkelijk ging maken. Hier zocht de verkoper dus een klant, met de opdracht uitgedacht en uitgeschreven in de hand. De enige aanpassing werd het formaat. Over de rest heeft de koper niets te zeggen. Hoe bedoel je creatief in het handelsproces rondom kunst? Ook voor jonge kunstenaars heeft Smeets een concept in gedachten, dat voortkomt uit wat hij ziet op de crowdfunding-markt. Als meerdere mensen via dat systeem investeren in een beginnende kunstenaar, kan deze via zo’n fonds voorzien in zijn levensonderhoud totdat hij van de kunst kan leven.

De realisatie van het doek

Voordat Richard Smeets een streek olieverf op het grote witte doek zet, werkt hij vele ideeën uit op papier: kleine opzetjes van wat het schilderij zou kunnen worden. Een aantal van deze ideeën is hieronder te zien. Pas op het moment dat vanuit de studies een definitief idee ontstaat, wordt het witte doek ontmaagd en start Smeets met een ruwe opzet. Hier is duidelijk de romanticus aan het werk, met een expressionistisch resultaat. Wat lijkt op een schilderij dat vluchtig is neergezet, wordt in werkelijkheid in elk detail uitgewerkt. Terwijl Smeets verder werkt aan het grote doek, worden namelijk telkens weer nieuwe details in kleine werken voorbereid, opnieuw studiemateriaal, dat later zijn definitieve vorm krijgt in het grote werk op het grote doek.

Wanneer het eerste grote doek een stuk op weg is naar zijn definitieve vorm, zal Smeets ook een tweede grote doek maken, waarop zijn tweede idee van het kunstwerk vorm zal krijgen met detailverschillen en net andere keuzes. Zo krijgt de opdrachtgever bijna altijd de keuze uit twee uitvoeringen. “De klant kan zo altijd kiezen. Al kiest hij het ene doek niet omdat zijn gevoel daar iets onduidbaars in ziet, dan wordt het dus het andere doek en dat is dan altijd goed. Keuze hebben is goed voor de klant en voor de kunstenaar, er zijn namelijk altijd meerdere oplossingen denkbaar voor een schilderkunstig probleem. Die kan ik dan vrij van enige druk vanuit de opdrachtgever uitproberen”.

Net als wijzelf, zijn Smeets en de opdrachtgever benieuwd naar het uiteindelijke resultaat. Vele tussenstappen worden dan ook gedeeld. De opdrachtgever is altijd welkom om de vorderingen te zien. Zoals gezegd, zal Smeets nog tot het einde van het jaar werken aan deze opdracht; genoeg tijd om het wordingsproces te volgen. Ook op zijn Facebookpagina maakt hij de wereld die hem volgt deelgenoot van de fases die het schilderij doorloopt. Het is een fascinerende reis naar de moderne versie van dit klassieke werk. Smeets verklapt ons dat veel drenkelingen herkenbaar zullen zijn aan de oranje kleur van de zwemvesten, zoals we die zien op de vele foto’s van de bootvluchtelingen van nu. Zo wordt de klassieke tijd verbonden met de actualiteit, en wordt het niet alleen een moderne versie van Het vlot van de Medusa, maar ook een actueel kunstwerk.

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

Richard Smeets ©

 

 

 

 

 

Reageer op dit artikel

Boeken / Interview
special: Interview met Yannick Dangre, schrijver van De idioot en de tederheid

‘Een wonderkind van 60, dat zie ik wel zitten’

Tijd verspillen is niet aan Yannick Dangre besteed: op zijn 27e staat de teller op drie romans en twee dichtbundels. Met De idioot en de tederheid schreef hij een ambitieuze familiesaga, doorspekt met literaire referenties. Intussen begint hij langzaam te denken aan een volgend boek, waarvoor hij zich nu aan het inlezen is. Feesten omwille van het verschenen boek doet hij dus niet per se. ‘Een wild en liederlijk leven levert misschien een interessante biografie op, maar geen interessante bibliografie. En voor mij telt vooral dat laatste.’

De titel was me duidelijk en toch ook niet: veel idioten in het boek, maar weinig tederheid.
(lacht) ‘Mja, tussen de kinderen onderling, die lijden onder hun gewelddadige vader, is er toch wel genegenheid, lijkt me. Ze hebben een goede band, zij het één die later beproefd wordt, dus daarin heb je gelijk. Want uiteindelijk is het ironische dat de geschiedenis zich herhaalt en dat de kinderen dezelfde fouten als de vader maken. En dat ze dus ook voor een stuk idioten zijn. Maar tot het moment dat dit gebeurt, bespeur ik toch voldoende liefde en tederheid.’

Behalve tussen de ouders…
‘Nee, en hoewel ik het er in hun situatie wat dik opleg bij wijze van parodie, blijkt toch dat veel zeventigers en tachtigers waarmee ik heb gesproken dergelijke gewelddadige situaties hebben meegemaakt. De autoritaire vader en machteloze moeder komen best wel vaak voor in die naoorlogse gezinnen.’

Yannick Dangre

Yannick Dangre (© Keke Keukelaar)

Ik verdenk je, na het lezen van het boek, niet van een al te rooskleurige kijk op de mensheid.
‘Het zou inderdaad overdreven zijn om te stellen dat ik een vrolijk wereldbeeld heb (lacht). Maar ik ben ook geen complete zwartkijker. Vandaar ook de titel: ik wilde de twee kanten belichten, anders wordt het me te beperkt. En er mag ook wat gelachen worden, het moet allemaal niet te tragisch zijn.’

Op een bepaald moment heb je ’t in het boek over ‘bevlogen cynisme’. Wat moet ik me daar bij voorstellen?
‘Daarmee bedoel ik cynisme dat eigenlijk een heel romantisch verlangen maskeert. Geen destructief en 100 procent negatief gevoel, maar eerder constructief. De redenering van “als de toestand dan toch wanhopig is, gaan we die wanhoop op zijn minst stileren”. Zwarte romantiek dus.’

Je deelt je boek op met behulp van titels van beroemde romans, zoals Tender is the Night en Tropic of Cancer. Is het een meerwaarde als je die boeken als lezer ook daadwerkelijk gelezen hebt?
‘Toch wel een beetje, maar het is zeker geen must. Het fijne is gewoon dat wat er in die boeken gebeurt, ook in De idioot en de tederheid voorkomt, of toch in dat specifieke deel. Of dat per se mijn favoriete boeken zijn? Nee, maar ik heb ze wel allemaal graag gelezen. Laten we zeggen dat ze zeker in mijn top 50 staan.’

Je schuwt de clichés niet: de tirannieke vader, het zakelijke gefoefel van zelfstandigen, de minderbegaafde broer… Is dat bewust?
‘Natuurlijk ga ik als schrijver nooit bewust de clichés opzoeken, maar ik heb die archetypes vooral gebruikt om ze een beetje belachelijk te kunnen maken. Het is een beetje over the top, parodie. En ik had ze nodig om de plot te structureren. Voor het eerst heb ik namelijk met zeer veel personages gewerkt, in plaats van te focussen op één of twee zoals in mijn vorige romans.’

Familie en familiebanden spelen een heel belangrijke rol in het boek. Dat was in je dichtbundel Met terugwerkende kracht ook het geval. Je bent gefascineerd door dit thema, is het niet?
‘Ja, omdat familie zo’n cruciale invloed heeft op wie je bent als persoon. Het gezin waarin je bent geboren, de plaats waar je opgroeit, dat is allemaal zo bepalend. Niemand staat volledig los van zijn opvoeding, daar ben ik van overtuigd.’

Er staan enkele heel mooie zinnen in je boek. Beleef je een ‘yes’-moment in je werkkamer als je die hebt bedacht?
‘De eerste keer misschien wel, maar na twintig keer herlezen begin je je soms af te vragen of de zin wel echt zo goed gevonden was (lacht). Je hebt er ook geen vat op: wat je zelf fantastisch vindt, komt misschien bij geen enkele lezer binnen. Terwijl een in jouw ogen eerder minder belangrijke zin dan weer door veel mensen wordt opgepikt. Maar weet je, als schrijver moet je overtuigd zijn van wat je maakt, anders kom je er niet met je boek.’

Op de achterflap word je ‘een wonderkind in het verborgene’ genoemd. Oké, je bent nog maar 27, maar je hebt al drie boeken en twee dichtbundels op je naam staan. Vind je die term ‘wonderkind’ dan niet wat denigrerend?
‘Goh, hoe lang kan je bestempeld worden als wonderkind? Geen idee eigenlijk (lacht). Maar ik zeg dit niet over mezelf natuurlijk, dus voor mij is dat allemaal prima. Ze mogen mij nog lang een wonderkind noemen, geen probleem. Ja, een wonderkind van 60, dat zie ik wel zitten.’

Reageer op dit artikel

Lize Spit
Boeken / Interview
special: Interview met Lize Spit
Lize Spit

‘Ik vind het geruststellend om van onder mijn stolpje naar de wereld te kijken’

Brussel likt nog steeds haar wonden wanneer ik Lize Spit in een koffiebar ontmoet. ‘Hoe jammer toch, dat sinds de aanslagen zo weinig mensen op straat komen’, verzucht ze. ‘Ik heb het hier nog nooit zo kalm geweten.’ In een column vergeleek ze de hoofdstad met een klaproos, die in zichzelf keert wanneer je haar aanraakt. We kunnen alleen maar hopen dat de angst sneller smelt dan het ijsblok in haar boek.

Want daarom hebben we in de eerste plaats afgesproken: om te praten over haar magistrale debuut Het smelt, dat een ongezien verkoopsucces werd. Daar waar een debutant in Vlaanderen, normaal gezien, met wat geluk 1500 exemplaren verkoopt, zit zij intussen aan 40.000. And counting.

Lize Spit: ‘Maar waar ik niet zo goed tegen kan, is dat het soms wordt voorgesteld alsof ik uit het niets ben opgedoken. Ik heb één jaar keihard aan Het smelt geschreven volgens een ijzeren regime, ik heb elke pagina minstens drie keer luidop voorgelezen, en met het idee zelf zat ik al zeven of zelfs tien jaar in mijn hoofd te jongleren. Maar akkoord, dat het zo’n succes zou worden, had ik absoluut niet verwacht. Sterker: ik besef het nog steeds niet, omdat ik er volop in zit en van interview naar lezing hol. Binnenkort mag ik als writer in residence een maand naar Berlijn, ik denk dat ik dan pas met enige afstand naar dit alles zal kunnen kijken en de impact van Het smelt zal kunnen inzien.’

Hoe is het idee voor het boek eigenlijk ontstaan? Met wat begon het? Een verhaallijn, een beeld, een personage…?

‘Met de drie musketiers en hun wedervaren tijdens die bepaalde zomer. Aanvankelijk wilde ik het verhaal vertellen van drie jongens, waarbij een van hen als veertiger terugblikt op zijn jeugd. Maar dat voelde nooit helemaal goed aan. Pas toen ik van een van hen een meisje maakte en haar als dertiger liet terugkeren naar haar geboortedorp, viel alles op zijn plaats en begon het verhaal als een trein te lopen.’

Je noemde dat meisje Eva, wat jouw tweede naam is.

‘Ja, omdat er zoveel van haar in mij zit en haar verhaal tenslotte uit mijzelf komt. Ik stelde ook vast dat ik me veel beter kon inleven in een vrouwelijk hoofdpersonage.’

Lize Spit

Lize Spit (Foto: Keke Keukelaar)

Als je daarbij optelt dat Bovenmeer deels geboetseerd is naar je geboortedorp Viersel, is het toch niet vreemd dat veel mensen je boek als ‘waargebeurd’ ervaren – zeker omdat het ook nog eens in de ik-vorm is geschreven. Toch huiver je een beetje van de vraag naar biografische gegevens.

‘Kijk, een Vlaamse krant heeft onlangs iets gedaan wat ik niet vond kunnen: ze zijn naar Viersel getrokken en hebben daar alle plekken gefotografeerd die in mijn boek voorkomen. Alsof ik non-fictie heb geschreven! Akkoord, je hoeft weinig moeite te doen om de contouren van mijn dorp te herkennen – het is nu eenmaal gemakkelijker te schrijven over iets dat dicht bij je staat – maar anderzijds heb ik ook heel wat zaken verzonnen. Zo is de slagerij die zo’n belangrijke rol speelt in het boek helemaal fictief, want ons dorp had die niet. De keuze voor ‘Bovenmeer’ in plaats van ‘Viersel’ was dan ook bewust, om toch wat afstand te creëren.’

Je ziet het dorp tijdens het lezen heel goed voor je, omdat je heel beeldend schrijft: Eva op de berg ingekuild gras, de Monopoly-briefjes in het gras, de zatte moeder in de kruiwagen met de televisie op haar buik… Daar heeft je opleiding scenario schrijven vast iets mee te maken.

‘Het is inderdaad zo dat ik tijdens het schrijven mijn denkbeeldige camera plaats: op wie zoomen we in? Wanneer is het tijd voor een totaalbeeld? Wat is de kernemotie in deze scène? Dat heeft wellicht ook veel te maken met het feit dat ik heel weinig lees, maar wel elke week een nieuwe film probeer te zien.’

Ook in het echte leven gebruik je die camera – volgens mij is deze heel mooie zin uit je boek honderd procent autobiografisch: ‘Want op alle plaatsen waar ik vaak geweest was, had ik last van diezelfde afwijking: mezelf voortdurend van boven af zien.’

‘Dat klopt (lacht). Alleen is het zo dat ik er geen last van heb. Ik vind het juist heel geruststellend om van onder mijn stolpje naar mezelf en de wereld te kijken en die te registreren. Dat is nu eenmaal hoe ik in het leven sta. Daarom word ik vaak angstig als ik dronken ben: omdat ik dat perspectief dan loslaat en dus de controle verlies.’

Is alles wat je registreert bruikbaar voor je schrijven?

‘Ik denk in elk geval altijd meteen: Kan ik hier iets mee doen? Zo werd onlangs vlak voor mijn ogen een duif overreden. Ik zag ze geplet worden, en wat meer is: ik hoorde ook alle botjes kraken. Een heel intense ervaring, waarbij ik geen medelijden voelde maar me meteen afvroeg of en hoe ik het kon gebruiken.’

Over registreren gesproken: je boek wordt verfilmd door Veerle Baetens. Tevreden?

‘Absoluut. Als ik zie hoe diep ze gaat in haar rollen, denk en hoop ik dat ze mijn boek compromis- en schaamteloos zal aanpakken – ze schrijft trouwens ook het scenario. Maar goed, ik heb besloten me op geen enkele manier met de verfilming te bemoeien. Het boek is niet langer van mij, en al zeker niet over pakweg vier jaar, wanneer de film uitkomt. Ik heb ook niets te verliezen door me niet te moeien: als de film goed is, is hij gebaseerd op mijn boek. En als hij niet goed is, heb ik het scenario niet geschreven (lacht).’

Maar de filmmakers zullen ongetwijfeld keuzes moeten maken, omwille van de vele verhaallijnen en de niet-rechtlijnige structuur van het boek. Welke verhaallijn beschouw jij als de meest filmische?

‘Hmmm, goeie vraag (denkt na). Dan toch het verhaal van de drie musketiers. Je zou kunnen zeggen dat het dan weer zo’n typisch coming of age verhaal wordt, maar ik vind absoluut niet dat ik dat heb geschreven. Ook al omdat ik, zoals gezegd, niet veel lees – ik heb me dus aan niets of niemand gespiegeld. En met de verhaallijn van drie jongeren die samen opgroeien en die ook heel hard voor elkaar zijn – denk aan de scène met de fietsen onder de brug, het nachtelijke schaduwspel of de harde scène op het einde – kan je denk ik het meeste doen op filmvlak.’

Op het einde van het boek zit inderdaad een verschrikkelijke scène. Heb je tijdens het schrijven nooit gedacht: Wow, komt die echt uit mij?

‘Sommige vrienden en kennissen die het boek hadden gelezen, waren wel wat geschrokken, ja. En mijn redacteur heeft zelfs toegegeven dat hij het boek tijdens die bladzijden heeft moeten wegleggen, en zich de vraag stelde of ze dit wel konden uitgeven. Terwijl ik net vond dat ik nog niet ver genoeg was gegaan. Nu, ik ben heel klinisch en nuchter in die dingen, ik kan daar heel afstandelijk over schrijven. Maar dat ik zo hard durfde schrijven, was wél een bevestiging: ik besefte toen dat ik goed bezig was, omdat ik alles op het spel zette.’

Reageer op dit artikel

Happy Bachdag
Muziek / Achtergrond / Interview
special: Inspirerend initiatief van 24Classics
Happy Bachdag

Happy Bachdag!

21 maart zou de Duitse componist Johann Sebastian Bach 331 jaar geworden zijn. Je kunt nog altijd stellen dat hij springlevend is, zeker in Nederland. Zijn werken worden met de jaren steeds vaker uitgevoerd, zonder daarbij aan kracht in te leveren.

Een groep van 24 klassieke muziekfanaten en -kenners, kwam met het idee om een music discovery service opzetten, waarmee ze het ouderwetse gevoel van zelf in elkaar gezette cassettebandjes met je favoriete muziek wilden nabootsen. Onder de naam 24Classics wilden zij drie jaar geleden op een ludieke manier aandacht vragen voor klassieke muziek. Een van de manieren waarop zij dit deden, was door op de eerste dag van de lente, toevallig ook de geboortedag van de wereldbekende componist, een Happy Bachdag te organiseren.

Bach klonk in vele winkels, hotels, bars, restaurants, parkeergarages en zelfs in sportscholen. Ondernemers in Amsterdam omarmden het idee met veel enthousiasme en na twee succesvolle edities, volgt de Happy Bachdag nu ook in Utrecht, Nijmegen, Dordrecht en Groningen. Overal in deze steden zal de muziek van Bach te horen zijn tijdens speciale concerten en evenementen. Wie wil er nou niet fietsen op zijn magistrale klanken of lunchen onder het genot van prachtig door hem gecomponeerd vioolspel? Muziekwetenschapstudente Kayleigh Hagen is de coördinator van het evenement in Utrecht.

Bloemen

Bloemen met Bach

Vrolijkheid in de stad

‘Happy’ is zonder meer het sleutelwoord voor deze dag. “Het gaat om een ludieke dag waarop op lichte wijze de geboortedag van Bach en de eerste dag van de lente worden gevierd. Luchtig en ludiek zijn hierbij van belang. Het is niet een standaard “klassiek” feest, maar juist een gekke dag waarbij we iedereen proberen kennis te laten maken met klassieke muziek, specifiek Bachs werken. Dat willen we op een gekke manier, tijd en plaats zodat alle conventies en drempels die er doorgaans zijn bij klassieke muziek totaal verdwijnen en het alleen nog maar een happy dag is.”

De Happy Bachdag kent verschillende facetten, maar het hoofddoel blijft om de steden onder te dompelen in Bach. In Utrecht wordt de dag zelfs ingeluid met een countdown: “In cafe ’t Pandje zal er onder het genot van een drankje worden afgeteld tot middernacht en zal de dag worden ingeleid met een prachtig stukje Bachmuziek. Op de dag zelf zijn er verschillende activiteiten zoals Spinning op Bach en Zwemmen op Bach, maar er is ook een lezing van Govert Jan Bach gevolgd door een concert van het duo Wolfs/KleinJan. Ook hebben sommige winkels Bach-specials, of -aanbiedingen en kun je bijvoorbeeld een Broodje Bach bestellen.”

Fietsen

Spinning op Bach

Participeren

Meedoen wordt uiteraard aangemoedigd, want de Bachdag is voor iedereen, van jong tot oud. “Veel activiteiten zoals de lezing en het concert in het muzieklokaal en het spinnen zijn al te bezoeken door je alleen aan te melden via reserveer@happybachdag.nl; voor andere activiteiten zoals het zwemmen kan op locatie een kaartje worden gekocht voor de reguliere prijzen. Heb je zelf een winkel, bedrijf of andere onderneming dan nodigen we je van harte uit om mee te doen aan de Happy Bachdag. Dit kan heel simpel door Bachmuziek te draaien (wij bieden een playlist aan) of door een actie te verzinnen omtrent Bach.”

 

Meer informatie via Kayleigh Hagen, mail kayleigh@happybachdag.nl

Reageer op dit artikel

FemmeVanille On Stage
Muziek / Interview
special: Femme Vanille
FemmeVanille On Stage

Steeds op zoek naar iets nieuws

Haar jazzy debuutalbum nam Karindra Perrier, zangeres en componist van Femme Vanille, op in New York. Eind januari verscheen de opvolger Another Time, die meer experimenteel van aard is: “Ik zie het nut er niet van in om twee keer dezelfde plaat te maken.”

Bij binnenkomst in het café-restaurant bestelt ze eerst een uitgebreide Oosterse maaltijd: Perrier komt linea recta van de universiteit waar ze overdag experimentele natuurkunde studeert. De resterende tijd is er voor de muziek. De combinatie studeren/musiceren bevalt haar prima: “Zowel muziek maken als mijn werk als wetenschapper beschouw ik als een zoektocht naar iets nieuws. Het verschil is dat ik bij natuurkunde zoek naar een meetbare waarheid die bij muziek niet bestaat.” Het een inspireert het andere: “Door de wetenschap kan ik beter relativeren. En door de muziek krijg ik een frissere blik op mijn studie”. Een minpuntje is er ook: “Ik zou wel meer tijd aan de muziek willen besteden.”

FemmeVanille 2Meisjesachtig

De half-Aziatische Perrier (Indonesische moeder, Nederlandse vader) begon haar muzikale loopbaan op de harp: “Maar ik ben beter in muziek schrijven. Het is sowieso moeilijk om tegelijk te zingen en muziek te maken.” Veelal op de computer, en soms met behulp van piano en gitaar, componeert ze haar liedjes: “Ik kan net genoeg noten spelen om een liedje te schrijven, haha.” Het is echter vooral de stem van Perrier die doet denken aan Kate Bush, Lana del Rey en Tori Amos wat de aandacht trekt: “Je moet er van houden. Sommige mensen vinden mijn stem mooi, anderen vinden het niks.” Na haar eerste album nam ze twee jaar zangles: “Ik durf nu meer en heb meer controle over mijn stem. Op mijn eerste album klonk ik nog wat meisjesachtig en fragiel.”

New York

Hoewel Perrier pas enkele jaren actief is als muzikante, heeft ze wel al twee albums achter haar naam. Het debuut van Femme Vanille, The Coördinates Album 40 51 10n, 73 56 18w, werd opgenomen in New York, de stad die Perriers hart stal toen ze er stage liep voor de HKU, als componist voor reclamemuziek. De werkzaamheden zelf bevielen haar niet zo: “Ik werkte er niet snel genoeg voor en heb weinig gevoel voor commercie bovendien”. Wel kwam ze er in contact met producers, wat weer prima van pas kwam toen ze een paar jaar later terugkeerde naar New York om daar de demo’s, die ze in Nederland had gemaakt, te verwerken tot een album: “De kern van mijn band heb ik meegenomen uit Nederland, maar de strijkers en blazers die je op de cd hoort, heb ik ter plekke gevonden.”

De bandnaam is ontstaan toen het debuutalbum opgenomen werd. “De producer zei: ‘Je muziek klinkt Europees, kies dan ook een Europese naam.’ Vanille is een heel bijzonder, exotisch kruid. Mensen zijn vergeten hoe exclusief het eigenlijk is. Ze zien de echte waarde van dingen vaak niet meer. Mijn boodschap is dan ook: ‘Vergeet niet!’”

RafelrandjesFemmeVanille 3

Het gevarieerde debuutalbum van Femme Vanille is sterk geïnspireerd door de jazz van een zangeres als Madeleine Peyroux, maar ook door de klassieke muziek van Debussy. Voor haar nieuwe cd Another Time, die in januari 2016 het licht zag, koos Perrier voor een weerbarstiger en rauwer geluid, met invloeden van Fiona Apple, Radiohead, Patrick Watson en Feist: “Op mijn eerste album wilde ik alles heel mooi doen, op Another Time doe ik het soms bewust lelijk. Ik hou van rafelrandjes in de muziek.” Ze voegt er aan toe: “Ik zie het nut er niet van om twee keer dezelfde plaat te maken. Ik hou van onderzoeken en van nieuwe dingen doen. Stilstand vind ik doods.”

Organisch

Perrier laat zich niet leiden door het oordeel van anderen, maar ze sluit ook niet de oren voor kritische feedback: “Ik wil mijn liedjes wel overbrengen. Toen ik hoorde dat sommigen mijn eerste cd te ingewikkeld vonden, schoof mijn stijl automatisch een stukje op. Het is zonde als mensen afhaken omdat je te moeilijk hebt gedaan.” Ook zijn er al weer nieuwe ideeën voor de toekomst. “Ik ga uitzoeken wat er nog meer mogelijk is behalve akoestische muziek. De kans is groot dat mijn volgende album meer elektronisch wordt.” En zo blijft Perrier in beweging: een onderzoekster pur sang.

Reageer op dit artikel

Muziek / Interview
special: In gesprek met Bo Tarenskeen

EICHMANN: Een circus van vrije wil

‘EICHMANN’, een opera van Bo Tarenskeen die 9 december 2015 in première gaat in het Muziekgebouw aan ’t IJ, handelt over de vrije wil. Bo Tarenskeen, regisseur en schrijver, las het boek van Hannah Arendt Eichmann in Jerusalem en raakte gefascineerd. Zijn opera is een bijzondere productie waar woord en muziek elkaar ontmoeten. Maria Alejandra Castro Espejo’s muzikaal concept illustreert het toneel met originele klanken waar het ritme de hoofdrol speelt. De zes uitvoerende musici zijn tegelijk zangers. Wat ook opvalt: ze zijn niet alleen betrokken maar ook medeverantwoordelijk voor het geheel.

 

Heeft de opera ‘EICHMANN’ een boodschap?

“Ik geloof niet in de combinatie van kunst en boodschap. Als ik een kerngedachte zou willen meegeven, zou ik het gewoon zeggen en niet een jaar lang aan een opera schaven. In deze zin zit er geen duidelijke tijding in mijn werk. Hannah Arendt sluit haar boek Eichmann in Jerusalem (met als ondertitel The Banality of Evil) af met de constatering dat in het geval van Eichmann niet kwade intenties maar integendeel gedachteloosheid ervoor zorgde dat hij de misdaden pleegde die hij pleegde. Maar wat die gedachteloosheid dan inhoudt vertelt ze niet. Ik vraag me af: wat is gedachteloos? wat is denken? Eigenlijk wil ik mijn opera beginnen, waar zij haar boek eindigt. In de opera creëer ik veel denkruimte voor de speler en de luisteraar. Er is geen verhaal in de zin van begin – hoogtepunt – slotsom. Het is meer een droom, een circus van situaties en gedachten. Ieder personage heeft zijn eigen wereld waar hij in gelooft en waar hij de betekenis van het leven zelf invult. Zijn we banale uitvoerders van wat de anderen ons vertellen te doen? Hebben we een eigen wil? En dan de belangrijkste vraag: in hoeverre bestaat de vrije wil überhaupt? De recente ontwikkelingen in de neurowetenschap werpen een heel nieuw licht op deze vraag. Ik probeer op een associatieve manier met deze thema’s om te gaan. Eichmann zei: ik was medeplichtig maar niet verantwoordelijk. Dit verschil is de essentie van de opera.”

Voorbereidingen voor EICHMANN

Hoe bent u aan het werk gegaan?

“Nadat ik het boek van Arendt las, raakte ik gefascineerd. Een jaar geleden begon ik alles wat in me opkwam op te schrijven en voerde ik veel gesprekken met de Peruaans – Nederlandse componiste Maria Alejandra Castro Espejo. Ik heb al met haar vijf jaar geleden aan Echo & Narcissus gewerkt. Haar eigentijdse idiomatische benadering van muziek spreekt me zeer aan. Toen ze mijn eerste teksten las, ging ze onmiddellijk muziek schrijven als een eigen manier om op het thema te reflecteren. De kracht van haar muziek inspireerde mij op mijn beurt, waarop ik weer nieuwe teksten schreef. Er ontstond een intense samenwerking, we hebben het geheel echt samen geschreven. Meestal heeft een opera prachtige muziek met een dun verhaal. Dat wilde ik niet. Woorden en muziek zijn in EICHMANN gelijkwaardig. De muziek is hier geen alibi voor de tekst of omgekeerd: de tekst is geen alibi voor de muziek.”

Aanwijzingen van Maria

Wat kan de bezoeker verwachten?

“Maria Alejandra neemt het gesproken woord en transformeert het tot emotie, kleur en soms tot zang. Door haar muziek ontstaat een sfeervol, lichtvoetig muziektheater. Ik hou er erg veel van. Het is misschien ongewoon maar er zijn nauwelijks virtuoze aria’s te horen in de vijf kwartier gedurende opera. Virtuositeit interesseert me niet. De rol van de aria wordt hier vervuld door stilte. De legitimiteit van het stuk zit in het onderzoek, het spel en de expressie. De musici zijn bij mij spelers en zangers tegelijkertijd. Ze overschrijden grenzen: van uitvoerders worden ze makers. Geen automaten maar denkers. Dat dwingt ze op een andere manier te kijken en te bespiegelen. Ze beseffen heel goed hoe moeilijk het is wat ze doen. Maar juist dit brengt een dynamiek in het proces. Deze productie presenteert talloze onaffe gedachten die je hopelijk meeneemt naar huis om ze zelf af te maken. Als de opera uitdaagt tot een ander denken, ben ik geslaagd.”

Première: 9 december 2015 in het Muziekgebouw aan ‘t IJ te Amsterdam

Bo Tarenskeen – concept, regie, libretto
Maria Alejandra Castro Espejo – concept, compositie
Florian Hellwig – dramaturgie
Jaïr Stranders – regieassistentie
Daphne de Winkel – kostuums en decor
Czeslaw de Wijs – lichtontwerp
Koen Keevel – geluidsontwerp
Konradin Herzog – repetitor
Harald Austbø – cello, zang, spel
Tessel Hersbach – viool, spel
Ekaterina Levental – harp, zang, spel
Niels Meliefste – slagwerk, spel
Tomer Pawlicki – spel
Eva Tebbe – harp, zang, spel
Stijn Vervoort – trompet, zang, spel

 

Repetitie voor EICHMANN

Reageer op dit artikel