Boeken / Non-fictie

Planeet Holocaust

recensie: Marja Vuijsje - Ons kamp

.

Monument van Joodse Erkentelijkheid (foto: Lida Goede, <a href=

buitenbeeldinbeeld.nl)” width=”223″ />Monument van Joodse Erkentelijkheid (foto: Lida Goede, buitenbeeldinbeeld.nl)

In de Amsterdamse Weesperstraat, grenzend aan de achtertuin van de Hermitage, staat een oorlogsmonument. In het enigszins pompeuze witte marmer zijn de volgende woorden gebeiteld: ‘Aan de beschermers der Nederlandse Joden in de bezettingsjaren’. Daar boven de jaartallen 1940–1945 en een davidsster. Precies op deze plek was indertijd de ‘luxe bakkerij Vuysje’ gevestigd. Het rijtje panden is, zoals de meeste huizen in de voormalige ‘Jodenbuurt’ gesloopt. Aan de overkant staat de Dokwerker, symbool van het verzet tegen razzia’s en deportaties; de Februaristaking.

Een fris, nieuw leven

Een deel van de bakkersfamilie heeft de oorlog overleefd door onder te duiken. Vuijsjes oudere broer en zus werden verzorgd door ‘pleegouders’ in Friesland. Maar naast beschermers waren er ook verraders. Gedreven door geldzucht – het aanbrengen leverde zeven gulden vijftig op – of door angst en een ingeworteld autoriteitsgeloof leverden sommige Nederlanders hun joodse medeburgers uit aan de nazi’s.

In de eerste decennia van de vorige eeuw kon niemand vermoeden dat het zo zou aflopen. De leden van de familie Vuijsje waren overwegend SDAP’ers en hun kinderen zaten bij de sociaal-democratische jeugdbeweging, de AJC. Zij wilden moderne, aangepaste Nederlanders zijn. Dat hield in de eerste plaats in: afscheid van de smerige, overvolle woningen in het oude stadsgedeelte rond het Waterlooplein. Vooruitgang stond gelijk aan een breuk met het gesegregeerde leven.

Ze verhuisden naar een frisse, nieuwe buurt – de Transvaalbuurt – en werkten aan een nieuwe identiteit. Geen ‘wij en zij’ meer, maar grootse idealen van een beter leven voor iedereen, ongeacht herkomst, cultuur of godsdienst. ‘Er is maar een land: de wereld – en er is maar een volk: de mensheid’ was de slogan. De kinderen van stamvader Isaac Vuijsje en zijn vrouw Schoontje van Beetz zochten hun huwelijkspartners binnen de sociaal-democratische beweging. Of die wel of niet joods waren deed niet ter zake. ‘Sterft, gij oude vormen en gedachten!’

Einde van een illusie


De bezetters maakten met hun anti-joodse maatregelen een einde aan deze idealen. Het idee de joodse identiteit als achterhaald te zien, bleek een illusie. Niet zijzelf, maar de Neurenberger Rassenwetten maakten uit wie wel en niet joods was. Er kwamen bizarre discussies over hele, halve en kwart Joden. Aanvankelijk leek het alsof een ‘gemengd huwelijk’ veiligheid bood. Maar langzamerhand losten alle uitzonderingen op in een nietsontziende destructie.

Wie afwachtte, werd gedeporteerd en vermoord. Wie onderdook kon geluk hebben. De familie Vuijsje had misschien wel gedeeltelijk geluk. In de stamboom achter in het boek staat bij vijf leden een jaartal en de naam ‘Auschwitz’. Vier broers overleefden en stonden na de oorlog voor de moeilijke taak een vorm van normaliteit op te bouwen. De vader van Marja, Nathan Vuijsje, keerde terug uit Auschwitz. Omdat hij goed trombone speelde, kwam hij terecht in het kamporkest en overleefde. ‘Muziek heeft mijn leven gered’ werd zijn lijfspreuk.

Rituele gesprekken met een overlevende

Na terugkeer uit kamp en onderduik was het gedaan met de bakkerij. Steeds meer familieleden ontwikkelden zich tot beroepsintellectueel, vanuit de sociaal-democratische traditie van onderwijs en vakbond. Achter het stijgen op de sociale ladder ging echter een bijna niet te vatten geschiedenis schuil. Vuijsje maakt duidelijk welke dilemma’s een rol spelen bij het opgroeien als ‘tweede generatie’. Vanuit een bescheiden, observerende rol beschrijft ze het samengaan van respect en irritatie bij de telkens terugkerende verhalen ‘uit dat rotkamp’.

Haar relaas is aangrijpend omdat de bijna rituele herhalingen van haar vader, inclusief zijn staande uitdrukkingen, tegelijk een verwerking én een afweer zijn van de nooit verdwenen angst en het onpeilbare verdriet. Het is alsof Nathan Vuijsje, die een opgewekte, goed functionerende man is gebleven, een groot deel van de last van het herinneren op zijn schouders genomen heeft. Dochter Marja neemt zijn rol over, zo lijkt het. Zonder ook maar een ogenblik larmoyant te worden, trekt zij de opdracht de doden te blijven gedenken – ‘jizkor’ – en de lijn van de humanistische idealen door naar dit boek.

Schijnwerpers en prikkeldraad


Stilstaan bij wat er was gebeurd was eigenlijk taboe binnen de familie. De vier broers die overleefden ‘voldeden op hun eigen manier aan het streven naar flink zijn, gewoon doen, hard werken en vooruitkomen dat kenmerkend is geworden voor de jaren van naoorlogse wederopbouw’. Maar Marja Vuijsje behoort tot de generatie die zelf niets heeft meegemaakt en toch is binnengevoerd in een wereld van onvoorstelbare verschrikkingen.

Tijdens de bouw van de Stopera in de jaren tachtig kreeg ze opeens angstaanvallen als ze langs het met prikkeldraad afgezette en met schijnwerpers hel verlichte Waterlooplein liep. Ze schaamde zich, vond kennelijk dat ze geen recht had op hulp. Pas later kwam ze bij een psychiater terecht. Daar werd ook de plotselinge dood van haar moeder toen Vuijsje zeventien jaar oud was gespreksonderwerp.

Majiem-pas en bezettingspolitiek

Speciale aandacht geeft Vuijsje aan de geschiedenis van Israël en de invloed daarvan op het familieleven. De tijd waarin bijna alle Nederlanders ‘achter Israël’ stonden en op volksdansclubs de ‘majiem-pas’ werd geoefend lijkt nu, jaren na de roes van de Zesdaagse Oorlog (1967), voorbij. De bezettingspolitiek leidde binnen de familie tot heftige discussies.

Ook hier weer dezelfde dilemma’s: vanuit een joods bewustzijn is het praktisch onmogelijk objectief te zijn, maar (links) politiek inzicht dwingt tot kritiek op het Israëlische beleid. En het is, ook nu nog, niet altijd makkelijk in de felle aanvallen van ‘links Nederland’ het onderscheid te blijven zien tussen gerechtvaardigde politieke kritiek en (aanzetten tot) antisemitisme. Zodra het woord ‘jullie’ valt is de zuivere discussie afgelopen en gaat de wind uit een andere hoek waaien.

Jullie is Jodenvolk

‘Jullie is Jodenvolk’ zei mijn oma Cohen altijd. Ook mijn familie heeft de weg afgelegd van joodse krottenwijk naar modern geassimileerd woongenot. Mijn overgrootvader was eerst banketbakker en later boekverkoper in de Oudemanhuispoort. De familie verhuisde van de Keizerstraat naar de Vrolikstraat, van de ‘Jodenhoek’ naar Amsterdam-Oost. Mijn opa, Aäron Cohen, klom op van jongste bediende tot journalist bij Vaz Dias. Een meter of vijftig voorbij het monument voor de ‘Beschermers der Joden’ staat bij de ingang van de metro een abstract kunstwerk, een soort metalen, opengewerkte kubus. In de sokkel zijn de naam en jaartallen gegrift van M.S. Vaz Dias, oprichter van het gelijknamige persbureau.

De belangstelling voor persoonlijke geschiedschrijving neemt nog steeds toe. Na Geert Maks De eeuw van mijn vader zijn er vele eeuwen van allerlei vaders en moeders geschreven. Het is de grote verdienste van Marja Vuijsje dat ze met Ons kamp een diepgaand beeld heeft geschetst van de opkomst en lotgevallen van vier generaties Nederlandse Joden. Haar boek is boeiend voor wie zich direct betrokken voelt én voor iedereen die houdt van de vaderlandse – ‘min of meer Joodse’ – geschiedenis.