Boeken / Fictie

Een ‘fascistische desperado’

recensie: Willem Frederik Hermans - Volledige werken deel 1: Conserve & De tranen der acacia's // Niet uit kwaadaardigheid: de scherpste polemieken

In Ik heb altijd gelijk liet Willem Frederik Hermans zijn hoofdpersoon Lodewijk Stegman Nederland typeren als ‘een gaskamer van verveling’. Een gaskamer waarin Hermans zelf graag de kampbewaarder speelde, zo suggereerden velen van zijn literaire vijanden. Veel vrienden heeft Hermans niet gemaakt in zijn triomftocht door de Nederlandse letteren: Hermans polemiseerde op leven en dood in de vaderlandse gezapigheid.

Een deel van zijn aversie tegen de wereld der ‘Mandarijnen’ (zoals hij de insiders in literaire kringen placht te noemen) zal zijn voortgekomen uit de moeite waarmee hij zijn eerste twee romans uitgegeven kreeg: Conserve en De tranen der acacia’s. Hoe ironisch is het dan ook dat deze twee romans nu met veel bombarie zijn uitgegeven in het eerste deel van Hermans Volledige Werken, dat bij De Bezige Bij is verschenen en dat met het laatste deel in 2015 vierentwintig delen zal omvatten.

Mandarijnen en Epigonen

~

Van het begin af aan vuurde Hermans, naast zijn strijd tegen de Mandarijnen, zijn gifpijlen af op de ‘Epigonen’: schrijvers zonder authenticiteit of originaliteit, in zijn tijd vooral navolgers van Ter Braak en Du Perron. Veel van deze polemieken zijn destijds verzameld in Mandarijnen op zwavelzuur. Dit boek vormt dan ook de body van de door Max Pam samengestelde bundel vol sarcastische hatelijkheden Niet uit kwaadaardigheid. Wél uit kwaadaardigheid, als je het mij vraagt. Aanvankelijk toch vooral een vreemde vogel in de literaire wereld, ontwikkelde Hermans zich in de loop van zijn leven namelijk tot een met scherp schietende rancunist. Hermans was ‘The great polarisator’, om Chaplin te parafraseren.

Het is een opvallende paradox (en wellicht de balk in Hermans’ oog) dat hij in zijn boeken vaak het zwart-wit denken aan de kaak stelde (zoals hij in De donkere kamer van Damokles en De tranen der acacia’s de grondeloze ambiguïteit van de verzetsheld schetst), maar in zijn polemieken niets liever deed dan de wereld indelen in goed en fout. Waarbij men natuurlijk moet beseffen dat alles wat hij een ander verweet, omgekeerd evenredig een veer op zijn eigen tooi was. Zo blijkt Hermans naast een rancuneuze toch ook een ijdele man.

En terecht, zou je haast zeggen. Er zijn weinigen in de Nederlandse literatuur geweest die de taal zo absoluut meester waren. In zijn polemieken beoefent Hermans als een volleerd drogredenaar de kunst van het op de man spelen. Een hele stoet vooraanstaande schrijvers en critici wordt samengedreven voor het hermansiaanse vuurpeloton. Daarbij zijn, zoals gezegd, vrijwel altijd dezelfde ingrediënten aanwezig: de persoon in kwestie is een Mandarijn en/of een Epigoon. Onder anderen zijn oude vriend, de dichter Adriaan Morriën, krijgt er van langs (“Hij is werkelijk aandoenlijk. Helaas heeft hij ook ideeën.”), wellicht omdat Morriën uitgever Meulenhoff destijds negatief adviseerde over Conserve. Morriën maakte daarop Hermans uit voor een ‘fascistische desperado’ en weer een vete was geboren.

Slechte schrijvers en katholieken

Een ander frequent gekapitteld slachtoffer was de schrijver Adriaan van der Veen. Zo laat Hermans in een buitengewoon naar artikel zien hoe vrijwel alle zinnen in Van der Veens roman Wij hebben vleugels inwisselbaar zijn: “Het proza van Adriaan van der Veen kun je in en uit elkaar halen als een meccanodoosje.” Of neem de karakteristieke aanvallen op de schrijver J.B. Charles, die volgens Hermans een ‘literaire gorilla’ was (het verwijt van het mandarijnschap) en zijn eerste kritische beschouwingen en novellen schreef “in een stijltje dat het midden hield tussen een proces-verbaal en een sportverslag” (het verwijt van het gebrek aan oorspronkelijkheid).

~

Waaróm men in ongenade viel bij Hermans, bleef vaak gehuld in duister. Zo kreeg de criticus Gomperts geregeld de grootste narigheid naar zijn hoofd geslingerd zonder duidelijk aanwijsbare redenen – wellicht door een paar kanttekeningen bij een verder positieve recensie van De tranen de acacia’s? Alleen Hermans kon het weten. Gomperts kreeg in ieder geval ongekend vaak de Epigonen-zwartepiet toegespeeld. “Nergens staan zoveel geslaagde zegswijzen die niet van H.A. Gomperts zijn, als in de schaarse stukjes van H.A. Gomperts.”

De katholieke schrijver Anthon van Duinkerken (“het piepertje van de paus”) waagde het om de ‘sexuele ontaarding’ in De tranen der acacia’s ter discussie te stellen: hij stoorde zich aan een paar al te expliciete vrijpartijen. Hermans zag het als een rechtse directe vanuit katholieke hoek, zo blijkt ook uit zijn polemiek tegen de Idil, een soort milde Nederlandse index die naar eigen zeggen niet verbood, maar boeken wel categoriseerde naar aanvaardbaarheid – Hermans boek kreeg (uiteraard) het label I, wat (dus wel) ‘verboden’ betekende. Daarop liet Hermans zijn protagonist Stegman in Ik heb aktijd gelijk weer allerlei lelijke dingen zeggen over het katholieke deel der natie, wat hem nog een beroemde rechtzaak opleverde.

Zuur gesteggel

Naast de voorgaande antagonisten had Hermans (wederom ‘uiteraard’ zou ik haast zeggen) een hekel aan de Nederlandse journalistiek, die volgens hem voornamelijk werd bevolkt door epigonen, mislukte schrijvers. Want deze mislukte schrijvers werden onvermijdelijk critici die alleen in staat waren het werk “der epigonen te prijzen”. Hier klinkt wel al te nadrukkelijk de frustratie door over het probleem om zijn eigen werk uitgegeven te krijgen. Maar ook de wereld van de wetenschap moest het ontgelden. Volgens Hermans kon de gemiddelde Nederlandse academicus het best vergeleken worden, “afgezien van enige vakkennis”, met “een baviaan in smoking, een zeeleeuw met een monocle en een aktetas”. Het oogt allemaal als het zure gesteggel op de vierkante meter waar na-oorlogs Nederland het patent op had. Gesteggel waar Hermans, nu terugkijkend, één van de exponenten van was, en waarmee hij feitelijk deel uitmaakte van de door hem verafschuwde bekrompenheid.

Een voorbeeld voor Hermans was waarschijnlijk Lodewijk van Deyssel, de polemist van de ‘Beweging van Tachtig’, die met zijn nog altijd fenomenaal retorische schotschrift Nieuw Holland de deur naar zijn voorgangers met een harde knal dichtsloeg. Toch heeft Hermans ook veel kritiek op van Deyssel in een stuk dat oorspronkelijk is gepubliceerd in de schoolkrant van het door hem bezochte Barlaeus Gymnasium: “Maar toch had hij dit sloopwerk gerust aan de ‘tand des tijds’ over kunnen laten, temeer daar de grofheden waarin hij in verviel ons niet meer kunnen bekoren.” En laat de piepjonge Hermans hier nou een schitterende kwalificatie van zijn eigen schotschriften geven. Want dit is vooral wat overblijft na het lezen van Hermans eindeloze tirades: een murw gebeukt gevoel over zinloze vraagstukken.

Willem Frederik Hermans (samengesteld en ingeleid door Max Pam) • Niet uit kwaadaardigheid: de scherpste polemieken • Uitgever: De Bezige Bij • Prijs: € 23,50 (paperback) • Pagina’s: 392 • ISBN: 90-234-1859-X

Willem Frederik Hermans • Volledige werken deel 1: Conserve & De tranen der acacia’s • Uitgever: De Bezige Bij • Prijs: €35,00 (hardcover) • Pagina’s: 792 • ISBN: 90-234-1826-3