Film / Films

Traag en drassig

recensie: Ten Canoes

De Nederlander Rolf de Heer (1951) emigreerde als achtjarige met zijn ouders naar Australië. Ruim veertig jaar later is de arthouseregisseur nog steeds gefascineerd door de “wilderness”. Ten Canoes is een door Yolngu aboriginals gespeelde film. De Yolngu’s emigreerden in de jaren zeventig van hun land naar het Arafura moeras in het noordoosten van Australië, Arnhem Land. In de daar gestichte gemixte gemeenschap Ramingining wonen ongeveer 15 stammen met verschillende achtergronden, talen en verhalen. Een gecompliceerde gemeenschap die vandaag de dag ook schotelantennes en een supermarkt rijk is. In Ten Canoes, gesproken in eigen taal, komt onder regie van Rolf de Heer en Peter Djigirr hun verdwenen cultuur weer tot leven.

~

De verteller David Gulpilil (die sinds zijn debuut in Walkabout met regelmaat opduikt om een ‘echte’ aboriginal te spelen) voert ons terug naar een tijd waarin de continuïteit van het moeras als een klok het leven bepaalde. Terwijl de vrouwen in het kamp achterblijven trekken de mannen naar het bos om van boombast kano’s te bouwen en het moeras in te trekken op jacht naar ganzen en eieren. Onderweg maken ze schuine grappen, vertellen verhalen en dragen zo hun tradities, wetten en rituelen over op de jongere generatie. Voor Dayindi (Jamie Gulpilil, zoon van David) is dit de eerste jacht. Op weg hoort zijn oudste broer Minygululu (Peter Minygululu) dat Dayindi de wetten van de stam tart. Minygululu besluit de jongen een verhaal over liefde, overspel, oorlog en wraak uit oude tijden te vertellen. De parallelle vertelling fungeert als wijze les voor Dayindi om zo diens begeerte voor de 3e vrouw van Minygululu temmen.

De geur van uitwerpselen

Het verhaal dat Minygululu vertelt is als een boom met vele takken. Vrijwel alle aspecten van het semi-nomadische bestaan van de Yolngu, voor de eerste ontmoeting van de stam met blanken rond 1880, zijn erin verweven. De film staat mijlenver weg van Hollywood amusement; alle acteurs zijn naakt en spelen collectief hun eigen geschiedenis. Het landschap en de verteller dwingen je daarbij tot een organische sloomheid die voor onze concentratie ongewoon is en verzet oproept. Niet vreemd want de verhalen van aboriginals kunnen soms dagen duren. Bovendien; wat heeft de gemiddelde gehaaste westerse kijker nu voor connectie met de geur van uitwerpselen, een oorlog met speren, geesten en een dodendans?

Krokodillen en bloedzuigers

~

Als je echter door de antropologische curiosa en traagheid heen kijkt heeft De Heer een megaprestatie geleverd. Voor de aboriginals en hun cultuur is dit een monument. Een statement waarin hun cultuur wordt vertaald naar een groter publiek vanuit hun perspectief. De gesproken poëzie is dromerig in beelden en acties vertaald. Luchtopnames, portretten en de weidsheid van het landschap. Alles is prachtig langzaam, terwijl de kokette stem van de verteller het ritme van de beelden begeleidt. Het lokt de kijker in het verhaal. Van ontberingen in de mythe lijkt geen sprake. Maar schijn bedriegt. Het dagelijks leven moet moeizaam zijn geweest; ook tijdens de opnames stonden er 12 mannen op wacht wegens krokodillen en werd iedereen gek van de muskieten en bloedzuigers. Dit alles is te zien in de making of (The Balanda and the Bark Canoes) die op het afgelopen IDFA in Europese première ging.

Thomson Time

De nagespeelde mythe is gedraaid in kleur en de beelden van de jacht zijn in zwart-wit. Een onorthodoxe vervreemdende keuze, gemaakt om de “Thomson Time” te markeren. De ganzenjacht per kano is een reconstructie, aan de hand van oude foto’s uit het Thomson archief. De antropoloog Dr. Donald Thomson was de eerste blanke die in 1930 bij de Yolngu’s verbleef. Van zijn foto’s zijn ruim 4000 glasnegatieven bewaard gebleven. Vrijwel iedereen in Ten Canoes is familie van iemand die is vastgelegd in deze historische collectie, die wordt beschouwd als een cultureel erfgoed. Alleen al daarom kan Ten Canoes beschouwd worden als bijzonder; het visuele vervolg op Thomson’s werk met middelen uit onze tijd. Een eerbetoon aan de voorouders die als jager-verzamelaars hun cultuur in stand hielden.