Boeken / Achtergrond
special: Moderne religieuze poëzie van Willem Jan Otten

Het godsbeeld ‘u’

Met Gerichte gedichten heeft Willem Jan Otten, laverend tussen diepe ernst en lichtvoetige speelsheid, moderne religieuze poëzie geschreven. Hij dringt door in de kieren van het gewone dagelijks leven en opent de ruimte van het onzegbare dat toch gezegd wil worden.

De bundel, die was genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2012, bestaat uit drie afdelingen met de titels In uw reilen zit systeem, Blijf nog even morgen en u met uw laptop op schoot. De gedichten cirkelen allemaal rond een ‘u’. De twee eerste zijn ontleend aan Emily Dickinson en Wallace Stevens. Ze lijken het programma te vormen waarmee Otten en zijn lezers deze ‘u’ kenbaar kunnen maken. ‘Bidden is het beetje gereedschap/waar Mensen mee haken/naar Aanwezigheid – hen ontzegd’ en ‘Zij zijn niets, behalve in het universum/Van dat ene brein.’ In recensies is Otten verweten dat hij hier een geloofsbelijdenis afgeeft die tegelijk een appel aan de lezer is. De bundel zou ‘missionerend’ zijn en getuigen van zekerheid omtrent de aanwezigheid van een god, zodat een scheiding ontstaat tussen wie het licht gezien hebben en wie (nog) in het duister leven.

Merkwaardige schamperheid

Die scheiding is er geweest vanaf het moment van Ottens bekering tot het katholieke geloof in 1999. Diep geraakt door de liturgie van Goede Vrijdag zette hij deze voor zijn atheïstische collega’s verbazingwekkende stap. De geloofservaring is een sprong in het ongewisse, zegt theoloog en filosoof Kierkegaard. In tegenstelling tot de redelijke, stapsgewijze denkprocessen die uitkomen bij een (bewezen) waarheid bloeit geloof juist bij gebrek aan bewijs.

Sinds de Verlichting heeft dit verschil in benadering geleid tot felle polemieken tussen gelovigen en ongelovigen. In het geval van Ottens bekering kwam het tot een merkwaardige schamperheid van collega-dichters en een ‘onderzoek’ naar welk van de door Otten beoefende genres het meest zou hebben geleden onder zijn overstap. Men vroeg zich af of religieuze poëzie en artistiek niveau samen kunnen gaan.

Het onuitsprekelijke vangen in taal


Veel religieuze poëzie is in de loop van de tijd verzand in onverteerbare, vrome clichés. Het clichématige is altijd hand in hand gegaan met dogmatische geloofsopvattingen. Maar dogma’s kunnen ook ter discussie staan of verdwijnen. Dan komen nieuwe vormen van individuele, gelovige poëzie of hertalingen op, zie de psalmberijmingen van Oosterhuis of Waaijman. De persoonlijke godsontmoeting is echter niet zo makkelijk (mede) te delen en blijft daarom vaak geheim. Dat is ook de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘mysterie’. Men noemt dit ‘genre’ daarom wel mystieke tekst.

Met poëzie heeft het mystieke spreken gemeen dat een eigen woordenschat, soms zelfs een eigen grammatica gebruikt wordt. De dichter probeert zich van het gangbare woord te bevrijden en het tegelijk te veroveren. Een onuitsprekelijke ervaring uitspreken, terwijl de enige mogelijkheid lijkt: zwijgen. Daarnaast doet zich het probleem voor dat meestal vrij snel na het extatische moment van bekering – een blikseminslag, als een soort verliefdheid – de als aanwezig ervaren God, of Christus, zich als het ware terugtrekt, verdwijnt. De ontmoeting wordt opnieuw gezocht in de liturgie, in het met terugwerkende kracht herinterpreteren van het eigen leven en in het voortdurend op zoek zijn. Het gebed of de mystieke tekst is een poging de verdwenen aanwezigheid weer ‘tevoorschijn te spreken’.

Paradox van terloopse ontmoetingen

‘U hebt mij gesneden/naar uw stilte. Waarom mij dan niet stom,/maar juist van almaar taal gemaakt?’ Is Willem Jan Otten een mystieke dichter? Ja, wanneer mystieke poëzie wordt opgevat als een poging om dit niet te begrijpen verlangen naar het heilige onder woorden te brengen. Dan komen thema’s als duisternis, afwezigheid – ‘Dat is uw methode:/Er niet zijn’ – en het raadsel van lijden en dood op de voorgrond. Dit tegen het decor van een tamelijk gewoon mensenleven.

Het heilige is hier teruggebracht tot een nogal terloopse ‘u’ – die hier en daar ook als ‘de lezer’ kan worden begrepen. Maar de ontmoeting met ‘u’ is noodzakelijkerwijs dubbelzinnig en terloops, omdat een taal die recht zou doen aan de impact van de godservaring – het ‘gericht worden’ – na al die eeuwen van uitgesproken devote extase gewoonweg niet meer kan.

Afgrond der vogels
Otten verbindt zijn onnadrukkelijk zoeken met autobiografische elementen. In ‘Onbegonnen, u, zoals een droom’ over zijn ‘oude moeder elders’ – ze woont in een verzorgingshuis – roepen regels over de Franse componist Olivier Messiaen een nieuw betekenisveld op.

We meden de vraag
of het daar nog wel ging.
Curieus, zei ze liever, Messiaen
duwt me terug in het kamp
en toch zet ik hem op
pour le fin du temps
[…]
zoveel is zeker, in de afgrond
zetten zij afgrond op.

Wie terugkijkt op een kamptijd, staart in een afgrond, aldus Otten. Zelf ziet hij, als tweedegeneratieoorlogskind, de afgrond van het lijden van zijn moeder. Messiaen schreef zijn kwartet voor het einde der tijden (Quator pour la fin du temps) in een nazikamp; Ottens moeder heeft in een jappenkamp gezeten. Maar ook in het kwartet zelf is een deel dat Abîme des oiseaux heet: afgrond – of onpeilbare diepte – der vogels. Het is een klarinetsolo gebaseerd op gezang van vogels. Hier wordt het peilloze van einde en dood verbonden met een symbool van nieuw leven en zo met de kern van het christendom.

Een onbeklonken dochter
Hieraan is in het gedicht ‘Draagt vrucht! De schepping’ de herinnering aan Ottens oom Rob verbonden. Die werd als jongen op transport gesteld, hij moest naar een mannenkamp. Van zijn moeder leert hij een gebed, bestaande uit twaalf zinnen, waarschijnlijk het Onzevader. Rob blijft dit herhalen terwijl hij verdwijnt in een open vrachtwagen. Otten speurt in het verleden naar gelovigheid binnen de familie.

De klinkende en tegelijk zwijgende afgrond als beeld van onbegrepen lijden en dood komt ook ter sprake in het gedicht over de ongeboren dochter:

Ik heb u niet om troost gevraagd,
ik was daar zot, uw wil
is afgrond, zie ook Job,
zie zeker ook uw zoon

Terwijl in het daarop volgende gedicht acceptatie mogelijk wordt binnen een traditionele geloofsopvatting: ‘U kende haar antwoord/u kende bij naam en toenaam/ons nog onbeklonken kind’.

Vader en zoon

Met zijn vader, ook afhankelijk van zorg, bezoekt Otten in het vijfdelige ‘Mankes’ uit de tweede afdeling van de bundel het museum in Spanbroek waar een voormalig familiestuk hangt van Jan Mankes. Dit jongensportret heeft voor de vader altijd zijn gestorven broertje Willy voorgesteld. Een dialoog tussen vader en zoon blijft uit. Met een knagend gevoel van tekort dicht Otten:

Het lukt me niet,
dacht ik, waar is het ene woord
van spreek en het gesprek is heel,
laat nu uw oude dienstknecht gaan.

De laatste strofe is ontleend aan het verhaal van Simeon (Lucas 2: 25-35). Hier zegt deze, nadat hij het kind Jezus heeft gezien: ‘laat nu uw diensknecht gaan, want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd’. Het is een beeld van voltooiing, waarna iemand rustig kan sterven. In dit geval zou de voltooiing beiden gelden, vader en zoon Otten. Maar het komt er niet van en de twee volgende gedichten zijn een verslag van wat in de mystiek de ‘donkere nacht’ genoemd wordt, of ook wel ‘wolk van niet-weten’. Ze beschrijven een existentieel vastlopen in de eigen gedachten en pogingen om de onkenbaarheid en afwezigheid van ‘u’ onder controle te krijgen. Otten vereenzelvigt zich hier met Pascal, die zijn godservaring opschreef en als geheim document in de voering van zijn jas naaide, waar het na zijn dood gevonden werd.

Paardenbloemenparachute


De lichtere derde afdeling u met uw laptop op schoot lijkt een laatste poging de ‘u’ in kaart te brengen. Ook hier brengt de onvindbaarheid van God Otten op het merkwaardige proces van wederkerig ‘te voorschijn spreken’: ‘U komt in eigen woorden/uit uw schepsels opgeweld’ en: ‘Als dat u inbegrepen bent in mij’. Terwijl enerzijds de denkende Otten vermoedt dat gebed een vorm van gericht zijn is, misschien zelfs eenrichtingsverkeer, gaat de gelovige Otten rustig door met zoeken naar de afwezige.

Soms met een reviaanse luchtigheid, zoals in de regel ‘u was bepaald op dreef’ over een losbarstend noodweer. Al wordt hij nergens zo klassiek ironisch als Reve. Reve zegt in zijn religieuze poëzie iets anders dan hij bedoelt, op een wijze dat hij toch zegt wat hij bedoelt. Zelfs in zijn meest ‘hilarische’ gelovige gedichten is de strekking diep ernstig. Otten plaatst zich met ‘Al ware ik de diepste stotteraar’ – een verwijzing naar de beroemde verzen over de liefde in de 1e Corinthenbrief van Paulus – zonder ironisch voorbehoud in de christelijke traditie. Tegelijk bengelt hij als ‘pitje’ aan de ‘paardenbloemenparachute’ van zijn ‘geknikte zinnen’, als een stofje in de wolk van niet-weten.

Laptop op schoot

Voor het laatste gedicht uit de derde afdeling ‘u met uw laptop op schoot’ moet het boek worden gedraaid en uitgeklapt, zodat de lezer zelf de laptop op schoot krijgt. Hij leest hier hoe Otten met zijn laptop in een duinkom zit en daar de ‘u’ weer neerzet, die aangespoelde vluchtelingen, de sans-papiers, een veilige haven biedt en ze erkent als mensen:

U raakt ze aan. U noemt ze bij hun ware naam. Ze rillen als honden het water los.
U mailt naar al hun nabestaanden zwart op wit de tijding van hun nabestaan.

Met dit beeld van een hiernamaals vol barmhartigheid eindigt de bundel. Moderne mystiek in de letterlijke zin van het woord.

Willem Jan Otten • Gerichte gedichten • Van Oorschot 14,50 • 56 pagina’s • 9789028241732