Boeken / Fictie

Antjie Krog op haar allerbest

recensie: Antjie Krog (vert. Robert van der Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer) - Medeweten

Je zou bijna zeggen dat Medeweten, de nieuwe én tweetalige dichtbundel van de Zuid-Afrikaanse Antjie Krog, voorlopig heel wat andere bundels opzij legt. Het ontketende Medeweten overstijgt door zijn lading ook haar eerdere werk.

De titel slaat op al het kleins en groots waarmee de dichteres in de loop van haar 62 levensjaren betrokken is geraakt, en waar ze hartgrondig weet van heeft. Het is tegelijk een weten dat ze met talloze anderen deelt en ook wíl delen, om in verbondenheid een kracht te kunnen vormen voor wat recht is en tegen wat krom is, onrecht dus. Bovendien zijn er schaamte en schuld in het geding, want ze heeft weet van veel onrecht, zonder dat ze er iets aan doet of aan gedaan kon hebben.

Indruk van ruwheid     
Dit drievoudige ‘medeweten’ houdt gelijke tred met de omvang van zowel de bundel (niet minder dan 260 bladzijden) als die van heel wat van de gedichten. Het is een mateloosheid waaraan Krog zich niet heeft kunnen en willen onttrekken. Over de stijl heeft ze geen veilige controle willen uitoefenen, te merken aan de elliptische invallen en beelden, haperende formuleringen, nieuwgevormde woorden, het nagenoeg ontbreken van leestekens en aan de grilligheid waarmee teksten op de bladspiegel staan. Daaraan is het zoekende af te lezen dat de lezer dwingt méé te zoeken en nergens in het voorbijgaan overheen te lezen. De bundel maakt een indruk van ruwheid die de doorleefde complexiteit van het bestaan van binnenuit gestalte geeft.

De gedichten zijn een zoektocht die uitdrukking geeft aan wat er is en gebeurt, en wat daarvan de ziel raakt. De epische werkelijkheid verdicht Krog direct en herkenbaar, of ze laat die los in de lyriek van haar poëtisch vermogen. Ze wil ferm en diep in de lagen van het bestaan boren. Het resultaat is zoeken en vinden door elkaar heen. Hoe dieper ze komt, hoe duisterder en overtuigender haar waarheid is. Het vrolijkt niet altijd op, maar steekt tegelijk een hart onder de riem, herkenbaar als het is én door de energie van het formuleren.

Geofysiek        
Het materiaal is divers. De positie in de geofysiek van Zuid-Afrika is meestal het uitgangspunt, te beginnen bij de geschiedenis op de boerderij van Krogs ouders. Ze stelt zich voor dat ze ‘net als vroeger’ op het gehoor de betegelde gang afloopt, ‘terwijl jullie kletsen lachen en kopjes rechtzetten – een tableau aan de/ grote eetkamertafel van een gezellige sfeer’. Voordat de dichteres zich meet met het grondloze van de kosmos, verwijdt de grond van het erf zich tot de grond van het land en van de wereld. Grond, het podium van alle goeds en slechts:

wat er hier ook verkeerd gedaan is, grond – nog nooit ben jij
ontkiemd onder zo veel subliem beminnen – je overal
verspreide nazaten kijken verrukt op als ze je naam horen totdat                          
een vlammenstriem ons verlangen tot stoppels zengt

Vermengd met de eigen geschiedenis is die van het zich moeizaam ontwikkelende Zuid-Afrika, ook na de afschaffing van de apartheid en zeker ook na de dood van Nelson Mandela, aan wie een indrukwekkend zevendelig gedicht is gewijd. Het eerste kwatrijn alleen al: ‘ondergronds is een laag verschoven/ de aarde strompelt/ de zon rochelt groen/ de lucht stort achterover’. Elders lezen we dat eerder het ‘witte profiterende kind’ heeft gelopen ‘over het uitgestrekte erf van leugens want kijk/ een heerschaar werd onder onze hak tot bloedend/ haksel: ik draag met jullie mee wat nu zo/ scheurt uit een haag van bloed en bitter wraakgebroed’. Een pandemonium dat zijn eigen werkelijkheid te boven gaat.

Toch is de bundel niet zonder hoop, alleen al door de energie van de taal. In De Morgen besluit ze een interview met te zeggen ‘dat we een nieuwe taal moeten vinden om met elkaar verbonden te kunnen zijn. Dat is de essentie.’