Kunst / Achtergrond
special: A year at the Stedelijk: Tino Sehgal
tino sehgal, a year at the stedelijk

Twaalf keer Sehgal – maart

Een retrospectief van een jaar. Twaalf werken in de vorm van geconstrueerde situaties, elke maand één. Dagelijks opgevoerd vanaf het moment dat het Stedelijk opengaat totdat het sluit. Tino Sehgal choreografeert met zijn werken, die elke maand in een andere zaal van het museum te vinden zullen zijn, niet alleen hen die zijn werken vertolken, maar ook het gedrag van het museumpubliek.

Drie uit twaalf: Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things (2000), This is good (2001), This is exchange (2003), This is propaganda (2002).

Er is momenteel verhoudingsgewijs weinig te zien in het Stedelijk. Een groot deel van de begane grond is niet toegankelijk wegens opbouwwerkzaamheden, waarschijnlijk voor de later in maart openende Matisse-tentoonstelling. Ook boven wordt veel gewerkt. De zaal waar Newmans Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue III (1967-68) hangt, is afgezet met paaltjes en lint waardoor het geheel een geënsceneerd karakter krijgt. Nog ingepakte werken staan tegen de wand, klaar om opgehangen te worden.

Dit is niet de enige beweging die plaatsvindt. In de zaal grenzend aan die waar de Newman hangt, bevindt zich Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things (2000), het werk waarmee Sehgal in januari het retrospectief van een jaar aftrapte. Het is maandag en rustig in het museum, maar het gedrag van de weinige bezoekers wijkt niet al te veel af van die in januari. De deuropening behoudt zijn aantrekkingskracht, als veilige plek om een stiekeme blik te werpen op de over de vloer kronkelende jongeman. Tegelijkertijd rijdt museumpersoneel Sigmar Polke’s Farbtafeln (1986-1998), acht grote monochrome schilderijen, door deze zaal naar een plekje achter de schermen. Elkaar kruisende werelden: gestolde verf en voor een maand lang, tijdens openingsuren, nimmer bevriezende beweging.

Twee grote vragen

Aan het eind van de gang is op dezelfde plek als in februari wederom het werk This is good te zien. Waar de bezoekers vorige maand nog twee ontsnappingsmogelijkheden hadden, enerzijds via de doorgang bij Gonzalez-Torres’ lichtsnoer en anderzijds bij Duchamps La boîte-en-valise, is de laatste nu afgezet met spanband. De bezoeker raakt hierdoor nog meer verstrikt in het web van de vertolker, die inmiddels uit de doeken doet dat we het overal over kunnen hebben, behalve over kunst. Hij vervolgt “Er zijn twee grote vragen in het leven: ‘Wat is kunst?’ en ‘Waarom zijn we hier?'”.

De anderhalf uur die ik vorige maand op de grond van deze zaal doorbracht stonden in het teken van een hupsende suppoost die alleen bij wijze van uitzondering, naast het uitspreken van de zin ‘Tino Sehgal, This is good, 2001, Collectie Museum Ludwig in Keulen’, interacteerde met de bezoekers, namelijk wanneer zij zich rechtstreeks tot hem wendden. In mijn anderhalf uur op de houten vloer zag ik hoe twee vertolkers elkaar afwisselden en beiden hielden zich aan deze ongeschreven regel. Deze maand gaat het er anders aan toe; van deze suppoost weet ik na een paar luttele minuten al dat hij muzikant is en dat hij een gekke bekken-wedstrijdje gehouden heeft met een bezoeker.

Vormvocabulaire

Deze vertolker doet het dus overduidelijk anders. Zo leert hij twee vrouwelijke bezoekers een dansje. De enige overeenkomst met vorige maand die ik kan ontdekken, is dat hij de interactie met hen besluit door ‘Tino Sehgal, This is good, 2001, Collectie Museum Ludwig in Keulen’ te zeggen.

Hij vraagt mij om hem een trucje of beweging te leren. Ik vraag hem of zijn insteek is om dingen uit te wisselen. Het lijkt alsof hij een vormvocabulaire aan het opbouwen is. Hij snapt mijn verbazing niet, en wanneer ik hem uitleg geef vertelt hij me dat het werk in februari ook op deze manier opgevoerd werd. Meer vertrouwend op mijn eigen ervaring verlaat ik met een ontevreden gevoel de zaal.

Na een tijdje neemt dit gevoel iets af en wordt het idee van schaarste, immer aanwezig in Sehgals werk, bewaarheid. Ik mag dan wel anderhalf uur op de grond hebben gezeten de vorige keer, ik heb veel meer niet gezien dan wel. Goed beschouwd weet ik niet wat er de overige 27 dagen en enkele uren heeft plaatsgevonden. Wellicht was mijn ervaring een uitzondering en werden er in februari ook al dansjes, trucjes en rare bekken uitgewisseld.

De wereld buiten het museum

In de zaal bij Sol LeWitts Wall Drawing #1084 (2003) staat een suppoost die bezoekers benadert met een aanbod. Het aanbod luidt dat hij met ons het idee van de vrije markteconomie wil bediscussiëren. In ruil daarvoor kunnen we elk drie euro ‘verdienen’ als we met het na afloop verkregen wachtwoord naar de kassa van het Stedelijk gaan. This is exchange, letterlijk.

De discussie komt moeizaam op gang. Vijf mannen, twee vrouwen, mijzelf incluis, staan wat onwennig in de museale ruimte het idee van markteconomie te bevragen. “Waar de markt is,” zegt een van de mannen al wijzend naar waar ergens buiten het museum de Albert Cuyp moet liggen, “daar is de economie”. Deze voorzet biedt aanleiding voor een van de andere mannen om zijn hart te luchten: hij heeft niet gevraagd om de vraag die het aanbod reguleert.

We mogen zo lang doorgaan met discussiëren als we willen, alleen, zo geeft de suppoost aan, haalt hij er wel steeds nieuwe gesprekspartners bij. De groep waar ik onderdeel van uitmaak, valt uiteen wanneer twee mannen aangeven dat ze ‘ervandoor moeten’. Tijd is schaars. “John Locke 5,” besluit de suppoost de sessie. Weinig is zo spannend als een wachtwoord.

Weerkaatsing en spiegeling

Rosy-Fingered Dawn at Louse Pont (1963), alleen al de titel van dit werk van De Kooning doet je de weerspiegeling van dageraad in het water visualiseren. Het doek lijkt de kleuren te echoën, als een gedragen reflectie. Maar er is meer dan dat wat galmt in deze zaal. In de hoek staat een suppoost met haar gezicht van de bezoekers afgedraaid, richting muur. Met gedragen stem zingt ze, wanneer bezoekers de zaal betreden, “This is propaganda, you know, you know,” terwijl ze zich langzaam omdraait richting de toeschouwers.

Wiens belang wordt hier geëchood, lijkt de vraag die This is propaganda (2002) wil stellen. Met andere woorden; wat is de ‘this’ waarnaar verwezen wordt? Evenals in This is good, This is new en This is exchange stelt het woord ‘this’ de context ter discussie. Als een subject-object discussie. Wat is hier het lijdend voorwerp? Of is er sprake van een leidend voorwerp? Reflecteert het werk op zichzelf (dit is propaganda), verwijst het naar de specifieke werken in de zaal (een metacommentaar op wat er te zien is: dit is propaganda) of heeft het betrekking op kunst in zijn algemeenheid (dit, kunst, is propaganda)?

Hoewel Sehgals werken letterlijk choreografieën zijn, ze laten bezoekers anders door de ruimte bewegen, choreografeert This is propaganda ook figuurlijk. De woorden ‘you know, you know’ vragen ons om in gedachten mee te bewegen. ‘Je weet wel’ impliceert een bewustzijn van de omgeving waar we onderdeel vanuit maken, het alledaagse, het banale dat propaganda haast is voor ons. Echter, deze interpretatie is onze figuurlijke manier van meebewegen, die ontleent is aan onze eigen context. Is dát dan soms de propaganda?

Samenkomst, samenscholing

De vier in maart getoonde werken bevinden zich allen in de rechtervleugel van de eerste verdieping. Hierdoor ontstaat een parcours van vertolkers. Hoewel er delen zijn waar je door een aantal aaneengesloten zalen loopt waar geen vertolkingen plaatsvinden, voelt de rechtervleugel als een overgeconcentreerd destillaat van kunstwerken die reflecteren op de idee kunst en de idee museum.

Dit gevoel wordt versterkt door hoe This is good in maart wordt opgevoerd en de wijze waarop This is exchange met bezoekers interacteert. Dat is namelijk van een andere orde dan de manier waarop Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things en This is propaganda dat doen. Sehgals werken zijn vooralsnog altijd situaties die ‘gedragen’ worden door een lichaam; als een levend vehikel. Dat ze daarmee de persoonlijke ruimte van de bezoeker betreden, is evident. Echter, de manier waarop This is good en This is exchange dat doen is wezenlijk anders, deze twee werken vragen iets van de bezoeker. Bovendien is de bezoeker zich in het moment zelf bewust van die vraag, terwijl er bij de andere werken slechts sprake is van een confrontatie. Dat de bezoeker in die confrontatie in zekere zin ook bevraagd wordt, is een veel onbewuster en minder zichtbaar proces.

This is exchange en This is good zijn, doordat ze de bezoeker rechtstreeks aanspreken, afhankelijk van diens inbreng. Hierdoor roept het werk het gevoel op een trucje te zijn, met inzicht als doel. De bewustwording bestaat er dan uit dat je zelf bepalend bent in wat de situatie je geeft, leert of doet inzien. Het werk is niet langer alleen afhankelijk van jouw blik, het is ook afhankelijk van jouw inbreng.

Onbeschreven blad

‘John Locke 5’ is het wachtwoord dat mij ten deel viel. John Locke, een toevallige keuze? Misschien is het een random pick uit een lange lijst met namen van personen, maar dan is dát nog altijd een te specifieke keuze om random te zijn. Immers, waarom dan geen lijst met namen van allerlei dingen?

Situaties, omgevingen en context: John Locke laat mij niet los. De filosoof die schreef over de maatschappij als sociaal contract, voortgebracht uit vrije wil en op basis van gelijkwaardigheid en die daarnaast het idee tabula rasa propageerde, al sinds Aristoteles een notie in de filosofie. Locke beantwoordde het nature nurture-debat met dit idee van tabula rasa, de mens als onbeschreven blad. De mens wordt gevormd door zijn omgeving en niet door nature, dat wil zeggen door aanleg (aangeboren eigenschappen). Het idee van nurture, vorming, ligt besloten in de sociale constructen die aan bod komen in Sehgals vertolkingen – denk aan good, propaganda, exchange. Waarde, waarden, betekenis, communicatie. Het idee ‘museum als vrijplaats’ als paradox benadrukkend: een ‘onbepaalde’, ‘onbeschreven’ context die omwille daarvan geconstrueerd is. Meer geënsceneerd dan dat kan het haast niet, en Sehgals ‘beschrijvingen’ maken dat duidelijk.

Ik zal in maart nog minimaal één keer het Stedelijk bezoeken. Om de code te kraken, een nieuw wachtwoord te krijgen en zo de al dan niet toevalligheid van ‘John Locke’ proberen te achterhalen. Mijn schaarse indrukken iets minder schaars te maken. Hoewel dat laatste, zoals eerder geconstateerd, ijdele hoop is: de situaties vallen niet met zichzelf samen, ze zijn het verschil.