Film / Achtergrond
special: Amnesty Film Festival 2007

Engagement op het witte doek

De afgelopen week vond voor de negende keer het Amnesty International Filmfestival (AIFF) plaats, in Amsterdam én Den Haag, en met een uitgebreide randprogrammering. Het verdiepingsprogramma (Trouw is voor het AIFF wat De Volkskrant is voor het IFFR) celebreert de vrijheid van meningsuiting met interviews en debatten met filmmakers en activisten.

Zo wordt een film direct in de actuele context geplaatst: de scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid is een dunne, inherent aan het type films dat op het AIFF draait. De ‘geëngageerde film’ wil immers een boodschap overbrengen, misstanden aankaarten, je hart sneller doen kloppen door het getoonde onrecht. Dat levert veel loodzware films en documentaires op – de lijst mensenrechtenschendingen in de wereld is immers schier onuitputtelijk. Het festival koos er vijf uit: de onvermijdelijke kwesties Irak en Israël/Palestina, Latijns-Amerika toen en nu, en de thema’s discriminatie en vrouwenrechten.

Afgezien van de specifieke thematiek is het AIFF een filmfestival als ieder ander. Er zijn premières, prijsuitreikingen en lange rijen aan de kassa. Sommige films brengen het niet verder dan het kleine festivalcircuit, maar een aantal (fictie)films komt later dit jaar in roulatie. De Iraanse IFFR-publiekslieveling Offside bijvoorbeeld, maar ook Salvador en Crónica de una fuga. Films over mensenrechtenkwesties worden allang niet meer alleen moeilijk en obscuur gevonden. Tegelijkertijd zijn zulke ‘themafilms’ meer op het grote publiek gericht en lichter verteerbaar geworden. Crónica de una fuga bijvoorbeeld kan zich gemakkelijk meten met een commerciële thriller en Salvador brengt Daniel Brühl (Good Bye Lenin!) weer op het witte doek. Er blijven genoeg compromisloze, schrijnende en vooral schokkende films over.

26 maart 2007

Encounter Point
Roni Avni en Julia Bacha (Israël en de bezette gebieden, 2006)

Het einde van de aftiteling van Encounter Point is een eindeloze lijst van organisaties die zich inzetten
voor de dialoog tussen Israëli’s en Palestijnen. Het zijn allemaal encounter points, ontmoetingsplekken tussen twee kampen en ogenschijnlijk onverzoenbare tegenstellingen.

~

Zo brengt het Bereaved Families Forum de Israëlische en Palestijnse familieleden van dodelijke slachtoffers van het conflict samen. Encounter Point volgt een aantal van hen tijdens hun omzwervingen door Israël en de bezette gebieden, in meer of mindere mate gehinderd door de beperking van bewegingsvrijheid veroorzaakt door checkpoints, de Muur en angst. Uit alle macht proberen zij contact te onderhouden met ‘de andere kant’ én mensen in hun eigen omgeving van de noodzaak daarvan te overtuigen. Dat lukt aardig, hoewel het ontluisterende fragment van een xenofobe tv-presentator en de ultra-zionistische reisleider van een nederzettingentrip laten zien dat er nog veel werk te verzetten is.

In de nabespreking over beeldvorming van het Midden-Oosten bestempelt journalist Raadi Saudi Encounter Point als een
makkelijke film. Hoe kun je geen sympathie opvatten voor Israëli’s en Palestijnen die zo hun best doen de kloof te overbruggen? Bijna niemand
zal betwisten dat hier goed gedaan wordt, terwijl echte lastigheden buiten beschouwing blijven. Daar zit iets in, maar het hoeft geen reden tot
journalistiek cynisme te zijn. Encounter Point documenteert pogingen om een mentale ruimte te scheppen waarin plaats is voor Israëli’s en Palestijnen – het begin van een mentaliteitsverandering waarvan verloop en einde niet zijn te overzien. Die missie is lastig genoeg zonder politieke stekeligheden. Encounter Point maakt vooral duidelijk dat Israëli’s en Palestijnen als
mensen vreemden voor elkaar zijn en dat humanisering van de ander waardevol is, hoe dan ook. (Marjanne de Haan)

Hijos de la guerra
Alexandre Fuchs (Verenigde Staten, 2007)

Bestaat er zoiets als een geweldsgen? Zijn sommige samenlevingen meer geneigd tot geweld dan andere? In het geval van El Salvador zou je het
bijna geloven. In 1980 brak een burgeroorlog uit tussen rebellen en aanhangers van de junta, die twaalf jaar duurde en 75.000 levens kostte. Zo’n twee miljoen Salvadoranen vluchtten naar de VS, waar ze werden gemarginaliseerd en gediscrimineerd. Velen sloten zich aan bij de in Los Angeles opgerichte Mara Salvatrucha (MS-13), een zeer gewelddadige gang die sindsdien uitgegroeid is tot een van de grootste en beruchtste gangs van Noord- en Midden-Amerika. De MS-13 is heer en meester in El Salvador, in een door oorlog en geweld ontwrichte samenleving. Het
ledental wordt geschat op 100.000 wereldwijd; de Salvadoraanse gevangenissen zitten overvol.

~

Hijos de la guerra – kinderen van de oorlog, want de burgeroorlog is de kiem geweest voor het ontstaan en de voortdurende aantrekkingskracht van de MS-13, aldus de makers van de documentaire. Een jaar lang dompelden ze zich onder in de Mara, spraken met de oprichters, onderzoekers, de FBI en natuurlijk de vaak zwaar getatoeëerde leden van de MS-13. Het resultaat is een doorwrocht staaltje
onderzoeksjournalistiek, dat op onthutsende wijze de genese van de MS-13 in kaart brengt. Onthutsend omdat er een tragische logica zit in de beweegredenen van jonge Salvadoranen om lid te worden: wat moeten ze anders? Uit de blik in de ogen van de jongen die zojuist geïnaugureerd is,
spreekt nauwelijks blijdschap. De MS-13 biedt een weg uit de uitzichtloze armoede, maar tegen een hoge prijs. Even onthutsend is de keiharde aanpak
van de FBI en de Salvadoraanse regering, die eerder averechts werkt. Vanuit de VS gedeporteerde leden verspreiden en versterken via de gevangenis in El Salvador de organisatiestructuur en -cultuur. Het probleem wordt groter, complexer en eerlijk gezegd behoorlijk deprimerend.

Zoals wel vaker is de werkelijkheid een stuk ingewikkelder dan beleidsmakers graag zouden willen. Het is lovenswaardig dat Fuchs c.s. juist hierbij stilstaan. Hijos de la guerra is een ambitieus en integer project dat overloopt van informatie over en boeiende
inzichten in de MS-13, zonder sensatiebelust of apologetisch te zijn. (Marjanne de Haan)

New Year Baby
Socheata Poeuv (Cambodja, 2006)

Love. Joy. Pardon. Het is het motto van Socheata Poeuv, de regisseuse van New Year Baby. Poeuv werd geboren in een Cambodjaans vluchtelingenkamp in Thailand, vlak voordat haar familie naar de Verenigde Staten emigreerde. Poeuv is op en top Amerikaanse; met Cambodja heeft ze weinig van doen. Althans, totdat ze erachter komt hoe haar familie eigenlijk in elkaar zit: haar zussen zijn eigenlijk haar nichten, haar broer is dat maar half en hoe in vredesnaam zijn haar ouders ooit aan elkaar geraakt? Poeuv reist met haar ouders af naar Cambodja en probeert daar te reconstrueren hoe het hen eind jaren zeventig verging, ten tijde van de Rode Khmer en de genocide.

~

Je kunt je aanvankelijk moeilijk voorstellen dat Poeuv zo weinig weet over het land en de geschiedenis van haar familie. Ook in New Year Baby kom je weinig te weten over de Rode Khmer, de genocide en de recente geschiedenis van Cambodja – de inleiding
van genocide-expert Ton Zwaan is informatiever. Maar Poeuvs film maakt duidelijk dat vijf jaar schrikbewind in Cambodja doodgezwegen wordt:
stilzwijgen als strategie om te leven met een onnoemelijk trauma. Pas na veel en lang aandringen komt ze erachter onder welke omstandigheden haar
familie gevormd werd, inclusief haar eigen geboorte.

Het mooie aan New Year Baby is dat het de tragedie van Cambodja inleefbaar en begrijpelijk maakt door een persoonlijke zoektocht met gepaste documentaire-afstand in beeld te brengen. Die aanpak is op een of andere manier ook erg Amerikaans. De summiere historische context, de manier waarop het verhaal van Poeuvs ouders met vertraagde Oprah-dramatiek gebracht wordt en de wat sentimentele les die Poeuv trekt uit het lot van haar familie: Love. Joy. Pardon. Tegelijkertijd, zo herinnert ons Ton Zwaan, is New Year Baby een uniek document voor een samenleving die nog aan het begin staat van een lang verwerkingsproces, waar na 25 jaar nog geen schuldige is aangeklaagd en nog geen oordeel geveld. (Marjanne de Haan)

23 maart 2007

True North
Steve Hudson, Duitsland/Ierland/GB (2006)

In Oostende meert de trawler van vier Schotse vissers aan. De vangst is slecht en zonder extra geld zal de bank bij thuiskomst beslag leggen op de boot. De zoon van de schipper Sean krijgt van de scheepsmaat een duister telefoonnummer van een contact voor een financiële ‘helpende
hand’. Terwijl de scheepsmaat zich bedrinkt en rondhoert besluit Sean een lading illegale Chinezen mee te nemen. De mensensmokkel waar zijn vader niets van mag weten levert een vet pak geld op. Alle illegalen, behalve een klein meisje (Angel Li), verhuizen ‘s nachts van een container op de kade naar de buik van het schip met een plastic emmer voor hun behoefte en wat eten. Eenmaal op zee, geteisterd door storm, regen, kou en de noodzaak met een lading vis de thuishaven binnen te varen, ontvouwt zich een vreselijk drama.

~

Debuterend regisseur Hudson maakt met zijn shots spectaculair gebruik van de ijzeren visserstrawler – die niet meer is dan een notendop volgepropt met mensen – en de zee. De ellende in het ruim en de oplopende stress bij de bemanning is boeiend en overtuigend.

De scheepsmaat die de illegalen verzorgt (Peter Mullan) krijgt het zwaar met zijn geweten. Op volle zee leidt dit tot ijskoude confrontaties en een aantal wrange plotwendingen. De grauwe claustrofobie van het ruim, de cast die er uitziet als bleke boekhouders en het decor van
de boot; alles is technisch gezien slechts afspiegeling van het ware leven op een vistrawler, in True North vooral
zo vlak en uitgebleekt uitgelicht om het drama te versterken. Toch ligt, ondanks deze kleine kritische noot, het realisme op de loer en iedereen, met of zonder zeebenen, zal dat met de nodige opkomende koude rillingen kunnen beamen. True North is een interessante dramatisering van een thema dat dichter bij huis ligt dan we misschien wel denken. (Antoinette van Oort)

21 maart 2007

Crónica de una fuga
Adrián Caetano, Argentinië (2006)

Tijdens het militaire schrikbewind eind jaren zeventig verdwenen vele Argentijnen onder duistere omstandigheden. In 1985 werd de junta voor het gerecht gedaagd; slachtoffers van de terreur getuigden. Crónica de una fuga (‘kroniek van een vlucht’) is gebaseerd op het verhaal van een van hen, Claudio Tamburrini. Hij werd maandenlang en zonder enige vorm van proces vastgehouden, totdat hij samen met drie anderen wist te ontsnappen.

~

Crónica de una fuga speelt zich grotendeels af in Sere Mansion, een bouwvallige villa in Buenos Aires die dienst deed als provisorische, geheime gevangenis – een gegeven dat doeltreffend wordt uitgebuit in de film. Camerastandpunten, soundtrack en shots die het goed zouden doen in spookhuishorror brengen een niet mis te verstane boodschap over: hier heerst angst. Angst voor de willekeur en macht van de bewakers, en zelfs angst voor elkaar, want wie heeft wie verlinkt? De lichamelijke mishandeling laat weliswaar zijn sporen achter op de lichamen van de gevangenen, maar blijft grotendeels buiten beeld. Crónica de una fuga laat vooral de psychologische marteling zien en de verwording van gewone jongens tot paranoïde bange wezens, die langzamerhand dreigen te verdwijnen.

De uiteindelijke ontsnapping is zenuwslopend, maar de herwonnen vrijheid relatief, want deze jongens zijn getekend voor het leven. Het is de onontkoombare, en essentiële, wrange nasmaak van een geslaagde thriller. (Marjanne de Haan)

Shoot the Messenger
Ngozi Onwurah, Groot-Brittannië (2006)

De zwarte gemeenschap in Groot-Brittannië werd danig opgeschud door Shoot the Messenger. Een ‘zwarte’ productie (scenarist, regisseur en hoofdrolspelers) die desondanks expliciet kritiek uit op ‘zwarte’ problemen als criminaliteit, schooluitval en eenoudergezinnen. De film gaat over de lotgevallen van Joe, die als (enige zwarte) leraar op een zwarte school zijn steentje denkt bij te dragen aan de voortstuwing van zwarte leerlingen in de vaart der volkeren.

~

Het gaat mis als hij onterecht wordt beschuldigd van mishandeling én racisme, zijn baan en aanzien verliest en letterlijk op straat komt te staan. Wat volgt is Joe’s schizofrene worsteling met zijn zwarte identiteit en vooringenomen visie op de ‘zwarte kwestie’ in Groot-Brittannië. Daarbij bedient de film zich van een theatrale, licht satirische stijl, waarbij Joe de toeschouwer regelmatig direct toespreekt. De personages om hem heen dienen vooral als stereotype illustratie van zijn vooroordelen: een alleenstaande moeder met vijf kinderen van vijf verschillende vaders, de godlovende rondbuikige voorganger van een zwarte gospelkerk, onwillige laagopgeleide werkelozen, etc, etc.

Het resultaat: nestbevuiling en verraad volgens sommigen, een broodnodige impuls voor introspectie en discussie volgens anderen. Tja, de boodschap is dik aangezet en hier en daar onevenwichtig of onnodig provocerend (“At least we were more productive under slavery“). Maar die politieke incorrectheid werkt deels ook verfrissend, juist omdat het er duimendik bovenop ligt. De vele reacties op bijvoorbeeld IMDB en de BBC getuigen in ieder geval van de impact die de film heeft gehad, en van een strijd die nog niet helemaal gestreden is.