Boeken / Achtergrond
special: Eigenzinnige Boekenweekbijdrages

TJIELP TJIELP – De literaire zoo

Tjielp tjielp. En toch is 11 maart niet de Kinderboekenweek van start gegaan. Je zou zeggen, ieder weldenkende volwassene laat zich door zo’n motto niet verleiden tot het kopen van een boek. Als de overvolle winkels tijdens dit van ongegeneerde commercie uitpuilende reclame-evenement voor de boekenliefhebber toch al niet afschrikwekkend genoeg zijn. Maar toch, het hoger doel blijft overeind, het promoten van boeken is immers altijd een goed idee. Dat beetje ‘leukigheid’ moet dan maar voor lief worden genomen. Bovendien, er zijn toch ook wel genoeg echt aardige dingen te doen de komende anderhalve Boekenweek.

Als de overvolle winkels tijdens dit van ongegeneerde commercie uitpuilende reclame-evenement voor de boekenliefhebber toch al niet afschrikwekkend genoeg zijn. Maar toch, het hoger doel blijft overeind, het promoten van boeken is immers altijd een goed idee. Dat beetje ‘leukigheid’ moet dan maar voor lief worden genomen. Bovendien, er zijn toch ook wel genoeg echt aardige dingen te doen de komende anderhalve Boekenweek.

8WEEKLY fluit daarom gewoon een deuntje mee. Een aantal redacteuren liet de strenge regels van de recensie los en bracht zingend zoals ze gebekt zijn hun ode aan een literair dier. Elke dag komt een nieuwe vogel binnen hippen. 

Bijdragen: Chaim Potok |Remco Campert |Paul Rodenko |C. Buddingh’ | Nabokov | Ed. Hoornik

Een fantasievogel

Denk ik aan dieren in de literatuur, dan komt er één roman in mij op die ik nog vaak herlees: Davita’s harp van de Amerikaans-joodse schrijver Chaim Potok. Potok was mijn introductie tot literatuur; zijn boeken zetten mij aan het denken, raakten mij, vergrootten mijn wereld. In Davita’s harp speelt één dier een bescheiden maar onmisbare rol: een fantasievogel.

Hoofdpersoon Davita groeit op in het New York van de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Met haar ouders verhuist zij regelmatig. Een van de weinige objecten waardoor ze zich telkens weer thuis voelt in een nieuw huis, is een kleine deurharp, die zachtjes tingelt als de deur open of dicht gaat. Als Davita acht jaar is, leert zij Jakob Daw kennen, een bekende schrijver wiens openlijke steun voor het communisme hem uiteindelijk het leven kost. Met Jakob bouwt Davita een bijzondere band op.

~

Als hij bij Davita’s ouders logeert, verzint hij verhalen voor haar. Een van die verhalen draait om een vogel die een einde wil maken aan de geweldsspiraal die de mensheid in zijn macht heeft. Jakob Daw vertelt Davita dat de vogel denkt dat geweldenaars troost putten uit muziek. Zonder die troost zou het geweld ondraaglijk worden en zouden ze stoppen met oorlog voeren. De vogel besluit op zoek te gaan naar de bron van de muziek om hem ‘t zwijgen op te leggen.

De vogel keert terug in bijna alle verhalen die Jakob vertelt. Met zijn verhalen verontrust hij Davita, maar hij geeft haar hiermee ook een prachtig geschenk. Door zijn verhalen leert zij namelijk de kracht van fictie kennen. Al snapt ze de symboliek nog niet, de kracht van het verzinnen van verhalen dringt wél tot haar door. Met de vogel uit de verhalen loopt het goed af. Vermoeid van zijn zoektocht naar de muziek, laat Jakob hem tot rust komen in een deurharp. En Davita? Zij is voorgoed overtuigd van de kracht van het woord. [Juanita Diemel]

De poes

Als ik mijn lievelingsdier zou moeten kiezen, dan kies ik zonder twijfel voor de eend. Alleen, behoudens de Donald Duck speelt de eend nooit een hoofdrol. Een goede tweede is de kat, al vind ik voornamelijk mijn eigen kat leuk. Desondanks lees ik toch graag boeken over katten. Met die keuze sta ik bepaald niet alleen, de boekwinkel ligt vol met boeken over katten. Menig schrijver voelt op de een of andere manier de noodzaak om de wereld te verblijden met verhalen over hun kat. Op zich terecht, al zijn veel van deze verhalen te sentimenteel om serieus te nemen. Een voorbeeld hiervan is Met fluwelen pootjes van Vicky Myron. De ondertitel Hoe een bibliotheekkat de harten van de hele wereld veroverde, zegt al genoeg. Toch is het wel even slikken als Dewey, de hoofdrolspeler in dit verhaal, na een langdurige ziekte doodgaat.

~

Een veel beter boek, en mijn favoriet, is Dagboek van een poes van Remco Campert. Hierin schrijft Campert vanuit het perspectief van zijn kat Poef. Deze Poef vertelt over zijn leventje; over de rode kat Harry die de tuin terroriseert, over zijn baasjes en over alle andere dagelijkse zaken waar een poezenleven omdraait. En dit alles op zo’n manier, dat je voortaan anders naar je eigen kat gaat kijken. Het voorheen onzinnig lijkende gedrag blijkt opeens niet zo onzinnig te zijn:

De staart is ook een bron van vreugde. Mocht de lust tot spelen over me komen, dan is er altijd mijn staart om achteraan te zitten. Als een dolle tol ik in de rondte en krijg hem nooit te pakken, maar dat is ook niet de bedoeling. Het is tenslotte geen muis.

[Rosalien Koster]
Terug naar boven

 

Kat en kangoeroe

Bommen

De stad is stil.
De straten
Hebben zich verbreed.
Kangoeroes kijken door venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.
De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

Het kan. En het kan niet anders in het gedicht van Rodenko. Hoorde jij ooit bommen vallen? Hoe weet je dat je binnen het geweld van verschrikking niet je oren uitschakelt en niets méér kan doen dan slechts je lijf zijn? Ik weet het niet, maar ik geloof dat het kan. Hoeveel indrukwekkender zijn niet de films waarin een schreeuw geluidloos is? Toch gaat het me hier niet om de kunstgrepen waarmee geweld nog geweldiger wordt, maar om de vriendelijkheid. De zachtaardigheid van dit gedicht. 

~

Deze stad bestaat uit levende dingen. En dingen doen geen kwaad. Net als dieren. Alles werkt met elkaar samen. De venstergaten zijn gemaakt voor de kangoeroes, en het kozijn was dat kozijn niet geweest als de kat er niet zo vanaf rolde. Vanzelfsprekend zijn de dieren in hun rol van acteurs tegen deze backdrop. Maar meer nog dan acteurs zijn ze concreet, net zo concreet en levend als als de straten, de vrouw, de bommen en de huizen.   

Zijn kangoeroes nieuwsgierig? Hier niet. Nergens is een reden voor. Dat hoeft ook niet, dat weten de kat en kangoeroes. Daarom kijken ze alleen door venstergaten, omdat hier geen horizon is en geen achtergrond. Daarom verstijven ze. Want verder dan dit gedicht kunnen ze ook niet kijken. Dat is het voorrecht van dieren, de dieren onder de bommen, de pissebedden onder de tegels en de vogels boven de bommen. Geen idee waarom. Maar toch zijn het hier kat en kangoeroe die de mogelijkheid hebben om een uitzicht te hebben. Zij zijn de enigen voor wie Rodenko venstergaten en kozijnen heeft ingebouwd. De vrouw is al gepasseerd. [Femke van der Wijk]
Terug naar boven

 

<!–[endif]–>

De blauwbilgorgel

Als jochie van een jaar of negen liep ik door de polder van de Krimpenerwaard, gewapend met een klein hengeltje op zoek naar een monsterachtig grote snoek – die zich nooit liet vangen. Maar in die uren in de polder zag ik voor de eerste keer een ijsvogel, werd mijn dobber gegrepen door een waarschijnlijk kippige ransuil, en vond ik bij toeval de nesten van grutto’s, fazanten en kieviten. En ik zag er ooit een blauwbilgorgel.

Hij lag er maar verfomfaaid bij, zo met zijn ingewanden uit zijn buik, en die vliegen rond zijn kop. Samen met twee visvriendjes stond ik op gepaste afstand. Dat was niet heel ver; van bacteriën hadden wij toen nog nooit gehoord. Voorzichtig porden we tegen het lijkje, dat stijf in de berm lag. Ongeveer zo groot als een flink konijn, maar met een lange, dikke staart. Wij hadden zoiets nog nooit eerder gezien. ‘Een rat?’, opperde ik. ‘Neej, daar is ie te groot voor’, antwoordde een vriendje dat op een boerderij woonde en wist hoe ratten er uit zagen. Andere opties konden we niet verzinnen. Een man op een fiets stopte om te zien wat ons zo boeide. ‘Ach, zei hij, ‘die zie je hier niet vaak.’

‘Wat is het voor een dier, meneer?’ wilden wij weten.

Hij keek naar ons met een uiterst serieuze blik in zijn ogen. ‘Dat, dat is een blauwbilgorgel.’ De kracht van die naam deed ons lang zwijgen. Eerst was het gewoon een vies, dood beest geweest. Maar nu… een blauwbilgorgel. Een dier met zo’n naam moest wel heel bijzonder zijn. Al stelden we enigszins teleurgesteld vast dat er weinig blauws aan het dier te bekennen was.

Pas jaren later begreep ik dat het dier waarschijnlijk aan de schorgel moest zijn overleden, om ineen te schrompelen tot een blauwe kiezelsteen. Maar op dat moment gingen wij slechts heen, vervuld van magische verwondering.

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

~

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

[Frank van der Lecq]
Terug naar boven

 

De draak

Wat moet ik ermee, met dieren in de literatuur? Bevriend met zowel literatuur als dieren ben ik zeker, maar dieren val ik met mijn vriendschap niet lastig. Zo heb ik om vogels in hun domein van bomen en struiken niet te verjagen een dure vogelkijker: de onzichtbare voyeur.

Dieren in verhalen, dat is net zoiets als Sinterklaas en de Kerstman: voor kinderen. Daarom bewaar ik mooie herinneringen aan de sprookjes die ik als kind hoorde of las, ongeveer tot en met de sprookjes die Godfried Bomans schreef, al weet ik niet eens meer of daar dieren in optraden. Werkelijk grote schrijvers beperken zich tot mensen.

~

Nabokov heeft zich verwaardigd tot zegge en schrijve één vreemd dierverhaal, ‘De draak‘, maar dat is een verzonnen dier dat ooit uit onze primitieve angsten is voortgesproten en waarmee alleen nog in China de beest wordt uitgehangen. In Nabokovs verhaal verlaat een draak zijn afgelegen biotoop om zich voor lekkere hapjes in de mensenmenigte te begeven. Maar de mensen steken dermate de draak met de draak dat hij terug naar zijn bodemloze hol vlucht. ‘Daar viel hij achterover neer, de poten gekromd, waardoor de duistere gewelven zijn trillende witsatijnen buik te zien kregen, haalde nog eenmaal diep adem, sloot zijn verwonderde ogen – en stierf.’ Nabokovs suggestie is dat dat te denken geeft. [Gerard Bes]
Terug naar boven

 

De hond

Ed. Hoornik. Alleen nog voor een paar ingewijden is hij een bekend dichter. Alleen zijn Verzamelde gedichten is nog bij de boekhandel verkrijgbaar. Als er echter één dichter is die we niet mogen vergeten, dan is het de in 1970 overleden Ed. Hoornik.

En deze week zeker, want: het allermooiste gedicht over een dier – of over het dier in de mens – dat óóit in de Nederlandse taal is geschreven, vloeide uit de pen van Ed. Hoornik. Het kwam terecht in de bundel DE VIS gevolgd door IN DE VREEMDE (1962). ‘De hond’ heet het:

~

Al wat hij doet,
vergeef de hond;
zijn heer is weg
onder de grond.

Als hij u bijt,
en graaft en gromt,
dan weet u nu
waardoor dat komt.

Hij wil zijn heer
na in de grond.
Ik ben die hond.

Dames en heren: vergeef de hond die in uw perkje poept. Hij is onze spiegel, hij is de trouw die we zo hard nodig hebben, de trouwe ziel die we missen als hij weg is. Als hij graaft en gromt, werp hem een bot en schop hem niet: want u bent die hond. Sla hem niet, koester hem en jaag hem niet weg: want u bent die hond. Geef hem te drinken, zorg voor de luizen in zijn pels. Troost hem. Want u en ik: wij zijn die hond. [Merijn Schipper]
Terug naar boven

Reageer op dit artikel