Boeken / Fictie

Heldere raadselachtigheid

recensie: Jan-Willem Anker - Donkere arena

Ruim een jaar na Jan-Willem Ankers debuutbundel Inzinkingen is er nu de opvolger Donkere arena. Anker (1978) is een van de interessantste nieuwkomers in de Nederlandse poëzie. In Donkere arena zet hij de lijn door van poëzie met een zekere raadselachtigheid die soms intimideert, maar toch bovenal intrigeert.

Ankers werk is ingetogen, contemplatief van aard. Het is kijk- en denkpoëzie. Als gedichten een volume zouden hebben, dan staan de gedichten van Anker eerder zacht dan hard. Maar je spitst wel steeds je oren: “mistige drenkelingen” hoor je ineens, en: “de initialen van het donker”. Wat zijn dat? “Steden tref je aan in kleermakerszit”. In wat? “Schraapt verlekkerd de keel” Hoe? Zo staan her en der zinnetjes die intrigeren door hun helderheid en raadselachtigheid tegelijk.

Isolement

Zijn gedichten lijken soms met één been in de werkelijkheid te staan en één daar buiten, haast in een soort ‘parallelle’ wereld. Verder is er in veel gedichten sprake van reizen en van vluchtige verblijfplaatsen zoals hotels en caféterrassen. Plekken die hier niet zozeer in het teken staan van zorgeloos vermaak, maar juist van een schrijnend isolement. De ‘ik’ – die zichzelf overigens nergens ‘ik’ noemt, maar vaak ‘jij’, waarin al een afstand besloten ligt – is weliswaar omringd door mensen, maar zonder ze echt te leren kennen of erin te slagen een diepgaande verbinding met ze aan te gaan.

Anker trakteert ons op verrassende verwoordingen die tot nadenken aanzetten. Een voorbeeld is de zin: “we vergeten de donkering waarin we onszelf zoveel kleur toeschrijven”, die je op verschillende manieren kunt interpreteren. Soms is dat ook wel frustrerend. Wat hebben de volgende mededelingen bijvoorbeeld met elkaar te maken:

Er zijn regels waaraan we hechten
maar in bad drinken we
van een vloeibare zeemeermin.

En wat hebben ze te betekenen? Ankers gedichten zijn niet altijd even gemakkelijk te duiden. Zijn werk wordt dan ook wel tot de meer ‘duistere’ poëzie gerekend. Bij het lezen van zijn gedichten overvalt je aanvankelijk een gevoel alsof je een ruimte binnenstapt waar je de aanwezige voorwerpen nauwelijks herkent. In die zin is de titel Donkere arena veelzeggend voor de aard van deze poëzie. De manier van lezen zou dan ook moeten zijn: rustig rondkijken, af en toe iets oppakken, betasten, in je hand laten ronddraaien, en het op je laten inwerken, wegleggen en later nog eens oppakken. Kijken wat het bij je oproept, welke verbindingen het met je eigen gedachten aangaat en wat het met je doet.

Een voorbeeld waarin raadselachtigheid en helderheid in evenwicht zijn en het gedicht lekker spicy maken, is het speelse gedicht Creoolse aubergine met de ondertitel Op het terras van café Broers:

‘Als vrouwen over emoties praten
worden ze zeeziek.’

Het meisje dat langs loopt
kijkt of ze laatst nog
zon op wraak
vanwege een soortgelijke opmerking.

‘Ha, creoolse aubergine, dat is
een goeie metafoor voor jeweetwel.’

Je hoofd slaat paars uit
alsof je het roerstaafje
van je gin-tonic hebt ingeslikt.

‘Kan iemand de Heimlich-manoeuvre?’

Het meisje zucht, schudt
de haren los, schraapt verlekkerd de keel.

Een hoogtepunt in de bundel is de reeks Overwintering in Quarteira. Hierin heeft de lezer wat meer houvast, misschien juist doordat het een samenhangend groter geheel is, waardoor je meer gelegenheid krijgt om ‘erin te komen’. De reeks bestaat uit tien gedichten (van steeds driemaal vier versregels) waarin een verblijf in een Portugees toeristenoord wordt beschreven. De onpersoonlijkheid en onechtheid van het landschap reflecteren de eenzaamheid van de centrale figuur. Het isolement en de vergeefse hoop op een liefdevolle verbintenis wordt hier treffend geëvoceerd.

Prozagedichten

Minder overtuigend is het reeksje prozagedichten. Op zich is dit een boeiende versvorm (die in Nederland maar mondjesmaat wordt gebruikt) en is het experimenteren met de verslengte toe te juichen, maar helaas leidt de verlengde versregel in dit geval eerder tot verslapping. De dichter slaagt er niet in de tekst binnen deze vorm de geladenheid te geven die de ‘wittere’ gedichten wel hebben.

Al met al is de bundel het lezen en vooral herlezen meer dan waard. Persoonlijk vind ik Ankers debuutbundel Inzinkingen iets sterker, uitgesprokener en ontwapenender dan Donkere arena. (Wellicht is dat te verklaren uit de langere ontstaanstijd: aan zijn debuut werkte hij volgens eigen zeggen zo’n tien jaar.) Toch geeft Donkere arena genoeg reden om uit te kijken naar meer.