Boeken / Fictie

De gesel

recensie: Diverse auteurs - Tirade 450

Het 450ste nummer, Tirade jubileert! In weerwil van de tijdgeest kan er een feestje worden gevierd. 45 Auteurs kregen 450 woorden.

Tijd/schrift: 8WEEKLY’s rubriek voor Nederlandstalige literaire tijdschriften. Zie ook besprekingen van Das Magazin (Het jong en De dandy), Terras, Versal, De Revisor en Tortuca.

Als je ‘tirade’ in de Dikke Van Dale (2005) opzoekt, betekent het woord ‘veelal theatrale of retorisch uitgesproken omhaal van woorden, met een vermaning of klacht.’

Tirer
Joop Goudsblom, de laatste levende van de oprichters van de Tirade, vertelt dat niemand destijds de moeite nam om het woordenboek eens op de naam open te slaan. In de editie van 1961 stond het woord nog voor een ‘veelal theatraal of retorisch uitgesproken en omslachtig geheel van woorden, dat op het eerste gehoor indrukwekkend is, doch bij nadere ontleding zonder veel inhoud blijkt te zijn; holle frasen’. Daarachter komen moet iets zijn als ontdekken dat je flaporen hebt. Goudsblom associeerde de naam met tirer, met ‘puntig en doeltreffend polemisch proza’.

De geschiedenis is mild geweest voor Tirade. Niet alleen is het woord musculairder geworden, ook heeft het blad de tand des tijd sinds 1957 doorstaan. Het tijdschrift is overigens niet noodzakelijk een roede gebleken die de literatuur keer op keer geselt, als wel een pleitschrift voor knappe literatuur. Kijk bijvoorbeeld naar nummer 449, daarin wordt hoogstens een betoog gehouden voor literatuur. Zwagerman over de ‘even extatische als eenvoudige zingzangtaal’ van Kerouac is daar een expliciet voorbeeld van.

Vuur en engagement
Misschien is het om die reden niet vreemd dat uitgever Wouter van Oorschot bij de eerste bijeenkomst van de huidige Tirade-redactie (die begin 2013 aantrad), de kamer binnenstoof en in een voor zijn doen korte toespraak zei zich niet te willen mengen in wat hij als de zaak van de redactie zag, maar hen wel wilde meegeven dat ‘hij hoopte op een terugkeer van het vuur en engagement’. Redactielid Gilles van der Loo, die in zijn 450 woorden de anekdote opvoert, schuwt de schreeuwerige uiting daarvan. ‘Vanuit je tenen schreeuwen in de zekerheid van je gelijk moet heerlijk zijn, maar het is voor de humorlozen, relativeringslozen en DOMMEN. […] Goddank voor de evenwichtigen, de grijzen’.

Ondanks zijn polemische toon, rijst de vraag hoeveel van Van Oorschots vuur en engagement terecht is gekomen. Bij dit jubileumnummer kan hij opgelucht ademhalen: de tirade is het thema en verscheidene auteurs doen hun best een polemisch duitje in de bundel te doen. Soms vurig, maar vruchteloos zoekend naar engagement. Zoals Jan Postma, die zich naarstig afvraagt waar zijn haat is tegen de klootzakken die het landschap verkrachten door glazen paleizen langs de ringweg te bouwen, tegen de klootzakken die vanuit ‘Den Haag en Amsterdam-Zuid cultuur en onderwijs slopen, privacy en gemeenschapsidealen opofferen of de precaire balans tussen zekerheid en vrijheid verstoren’. Hij kan het niet vinden.

Inhoudelijk en daadkrachtig
Geëngageerd is de ingekorte brief van Paul Beers aan Lex Jansen van uitgeverij De Arbeiderspers om een redelijk honorarium voor zijn vertaalwerk, maar dociel omdat hij ver onder zijn prijs een deal probeert te sluiten. Enigszins vurig en geëngageerd (en vaker gebezigd) is Thomas Heerma van Voss’ tirade tegen de Literatuurwetenschap, die achter haar eigen staart zou aanlopen door zonder gemeenschappelijk doel meningen te bezigen op basis van eerdere meningen. Vurig en geëngageerd is Merijn de Boers tirade tegen Van der Heijdens gemeenschappelijk op handen gedragen De Helleveeg, dat nog het dichtst in de buurt komt van een kinderboek, waarvan het tweede gedeelte doet denken aan ‘het altijd eendere slot van de televisieserie Baantjer, als De Cock met c-o-c-k een drankje drinkt met zijn vrouw en collega’s’.

De meeste tirades in Tirade 450 worden gevoerd op inhoudelijke gronden. De stukken hebben een heldere opbouw, zijn goed te volgen. Engagement van de literatuur als subversieve kunst zie je bijvoorbeeld in de bijdrage van Maria Barnas, die een vrijwel puntloos prozagedicht is, of de door korte zinnen en vele uitroeptekens extatische 450 van Jannah Loontjes, dat vibreert tussen beffen en Prozac. Een gejaagd gevoel laat Martijn Knols tekst achter, door de hakkelende zinnen en de roffelende puntjes daartussen. Je weet niet precies waar zijn spreker tegen ageert: de Olympische Spelen, de P.C. Hooftprijs, priegelteksten – al zou je kunnen zeggen dat de auteur op geëngageerde wijze tegen geopinieerdheid ageert, door literatuur.