De cello en het slagersmes

.
Robert Clays The Great Ecstasy of Robert Carmichael (2005) is een sociaal-realistische film die overloopt van artistieke pretenties. In een grauw kustplaatsje wordt een groep jongeren gevolgd die hun tijd doden met nihilistische bezigheden, culminerend in een orgie van geweld. De film schippert tussen shocktactieken en maatschappijkritiek, maar raakt daarbij kant noch wal.
Wanneer is het gerechtvaardigd om een gewelddadige daad te tonen in een film? Wat voor functie heeft het tonen van een massagraf of de langzame marteling van een kind? En in hoeverre kun je als kijker die daden relativeren of zien als zinvol?
~
Artistieke bloeddorst
~
Thematisch heeft The Great Ecstasy gelijkenissen met Gus van Sants Elephant (2003), waar een groep jongeren getekend door een eigentijds nihilisme op de moordtoer gaat. Clay moet ook Alan Clarkes Elephant (1989) – de merkwaardige inspiratiebron van van Sants film – hebben gezien. Clarkes oeuvre, bestaande uit schokkende sociaalrealistische films opgenomen in lange takes, komt in zijn kilheid overeen met Clays minimale visie. Maar Clay verhoogt de inzet nog eens, door een pretentieuze stijl die grootsere zaken probeert te suggereren. De film begint met een vervormde toespraak van Churchill die uit het ruis opdoemt, terwijl we een boot voorbij zien trekken. Aan het einde doemt Churchill weer op terwijl er beelden te zien zijn van de geallieerde landing in Normandië.
Invasies aan het thuisfront
~
Visueel is The Great Ecstasy perfect opgebouwd door cameraman Giorgos Arvanitis (de vaste cinematograaf van Theodoros Angelopoulos en tevens Catherine Breillat). De shots behouden een esthetische afstandelijkheid en Clay had waarschijnlijk een vervreemdend effect voor ogen. De film heeft bijna geen close-ups en benadrukt met de longshots nog eens de relatie tussen het individu en zijn omgeving.
Wat het merkwaardigste is aan de som van deze elementen is dat de film niet weet te overtuigen. Zo doet het afschuwelijke acteren van Michael Howe als de tv-chef karikaturaal aan, waardoor je begint te vermoeden dat Clay hier Brechtiaans bezig is. Wat zwaarder weegt is Clays idee om de complete morele leegte van zijn personages te tonen als een nieuwe en belangrijke waarheid. Zijn noodzaak om geweld te rechtvaardigen vanuit een artistiek en politiek perspectief komt in de uitwerking over als te gekunsteld, omdat de waarheden die Clay over de menselijke conditie verkondigt uitgekauwde stukjes van existentialistische en nihilistische filosofieën zijn, verpakt in een zeer geësthetiseerde stijl. Een voorspelbaar shockeffect blijft over als climax, maar ontdaan van zijn lading. De film is daarmee niet ver verwijderd van de fetisjering van shocktactieken die veel films binnen het torture porn genre verbindt, ondanks Clays pretenties om daar boven te staan. Het geweld is daarmee dubbel zo zinloos en overbodig als methode om iets aan de kaak te willen stellen.