
Tijdschriften over literatuur
De komende maanden kun je bij 8WEEKLY een serie artikelen verwachten waarin een dwarsdoorsnede wordt gegeven van het aanbod aan Nederlandstalige tijdschriften over literatuur. Vandaag nummer elf: Parmentier.
Het Gelderse kwartaalschrift Parmentier biedt – naast originele poëzie en dito proza – iedere aflevering een zogenaamd ‘dossier’, met telkens weer de literatuur als vertrekpunt, maar uitwaaierend naar diverse disciplines en invalshoeken. Gewoon wat introducerende essays over Merlinist J.J. Oversteegen, de uitslagen van een provinciale schrijfwedstrijd of van alles bij elkaar geveegd onder het motto ‘ruimtes in de literatuur’ – dit laatste genoeg voor een heus dubbelnummer. Van een duidelijke en in het openbaar gedefinieerde mission statement is niet echt sprake, dat moeten we bij benadering maar afleiden uit de inhoud.
Lachen met literatuurwetenschap
~
Een boeiend initiatief van het blad, dat tot ver in het buitenland de aandacht trok, was vorig jaar het Dichterslab: een aantal Nederlandse poëten werd door psycholinguïsten aan diverse onderzoeken onderwerpen, op zoek naar het verschil met gewone mensen. Het leverde niet echt iets op waar we mee verder kunnen, behalve dan misschien een onderzoeksverslag met statistieken zoals je die zelden of nooit aantreft in een literair tijdschrift.
De literatuurwetenschap ligt al zo ongeveer sinds de uitvinding ervan zwaar onder vuur, vooral vanwege de discrepantie tussen ambitie en prestaties. Zoals Karel van het Reve in zijn roemruchte grafrede al schreef, is de pretentie van wetenschap op zijn minst dubieus. Parmentier sluit zich op een wat subtielere manier bij die opvatting aan, door het met enige regelmaat publiceren van prachtige persiflages op het taalgebruik dat binnen de discipline gangbaar is.
Merlinisme
~
In de oervorm van deze benadering zoek je van ieder woord in een gedicht de betekenis op, in het woordenboek, en vervolgens is het interpreteren troef. Een kleuter begrijpt dat juist het persoonlijke idioom van een schrijver allesbepalend is bij de interpretatie, maar deze specifieke vorm van pseudo-wetenschap is allang dood en begraven, dus daar hoeven we verder geen woorden of betekenissen meer aan vuil te maken, syntagmatisch noch paradigmatisch.
De bijdrage over Hüsgen – door dichter en Parmentier-redacteur Arnoud van Adrichem – biedt voldoende illustratie bij de Merlinistische aanpak. Het close readen levert geen enkel inzicht op, dat de argeloze lezer zelf niet kan bedenken. Van Adrichem legt allerlei verbanden binnen het door hem behandelde fragment, waar je als taalgebruiker en hobbykok een vrachtwagen vol vraagtekens bij kunt zetten. Een enkel voorbeeld ter illustratie: ter wille van een gedachtengang die te ver voert voor nadere uitleg, noemt hij de goudreinet (sic) even triomfantelijk als foutief een
(handappel!).
Van Adrichem interpreteert zich een slag in de rondte, zodat je na twee bladzijden al de indruk krijgt dat iemand met enige inspanning werkelijk alles in de regels van Hüsgen zou kunnen lezen, of in willekeurig welke tekst dan ook, sterker nog: fluitje van een cent.
~
Zie ook in deze reeks: 1. Het Trage Vuur, 2. Passionate Magazine, 3. Tzum, 4. De Revisor, 5. Armada, 6. Bunker Hill, 7. Raster, 8. De Gids, 9. Hollands maandblad, 10. Hard gras, 12. Deus ex Machina, 13. Het liegend konijn, 14. Lava en en 15. Yang.