Tag Archief van: Kunst

Kunst / Expo binnenland

Een speeltuin, ook in de oren

recensie: David Bowie is

David Bowie is ten eerste niet David Jones, zo getuigt de eerste zaaltekst, maar dat wisten we al. Interessant genoeg is hij in deze carrière-overzichtstentoonstelling ook niet een cultureel icoon of een groots kunstenaar, maar vooral een speelse geest.

Het archief dat Jones (Bowies echte naam) openstelde, is groter dan de collectie van het Groninger Museum, vertelt directeur Andreas Blühm. Het Victoria & Albert Museum kreeg er toegang en verder niets – Bowie werkte zelf niet aan de tentoonstelling mee. Vervolgens maakten de curatoren slim genoeg de beslissing niet de man te proberen te vangen, maar zijn creatieve proces. David Bowie tentoonstellen kan David Jones tenslotte het best. Ze omzeilden daarmee de saaiheid die een chronologische tour door zijn zolderkamer ons opgeleverd zou hebben en alleen interessant voor fans zou zijn geweest.

Voor tentoonstellingfans

David Bowie is - Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

David Bowie is – Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

“Ik ben eigenlijk zelf niet zo’n fan”, vertelt Blühm heel slim bij zijn openingspraatje, wat nogal wat hilariteit oplevert maar waarmee hij de kern van de tentoonstelling raakt: het is een tentoonstelling voor mensen die van David Bowie houden, maar ook vooral voor mensen die van bijzondere tentoonstellingen houden.
Audio is terecht het toverwoord en daarmee levert het Victoria & Albert Museum een puike prestatie. Omdat je koptelefoon er zo’n belangrijk onderdeel van is, levert ermee op lopen de ervaring op dat je compleet ondergedompeld raakt – in niet alleen zijn verschillende personages, maar ook in verschillende tijdsperiodes en bovenal in steeds verschillende soorten geluid.

Het einde van de tentoonstelling is de symbiose van al het voorgaande: “David Bowie in concert” hangt als een rode lamp aan het begin van het Coop Himmelblau paviljoen, dat geheel is ingericht met enorme concertschermen. Voor deze audio-ervaring werd een speciaal algoritme ontwikkeld, dat de bezoeker de indruk geeft in een concertzaal te zijn. De meeste bezoekers bezwijken er en ploffen op de bank om genietend te zitten luisteren.

Antwoord op een andere vraag

David Bowie is - Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

David Bowie is – Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

De titel van de tentoonstelling is zowel een statement als een vraag die afgemaakt kan worden – David Bowie is many things. Maar wat is de tentoonstelling nou eigenlijk? In elk geval geen biografie en ook geen rondleiding door een archief. De vraag wie of wat David Bowie is wordt terzijde gelegd om een andere vraag te beantwoorden – wat is een creatief proces?

Dát is wat de tentoonstelling laat zien, middels teksten, beelden, kostuums, sleutels van appartementen, gebruikte tissues – alles wat de man inspireerde of op de een of andere manier liet ontstaan.
Niet dat Bowie zelf het antwoord weet op deze vraag – “I didn’t really know if I wanted to be a mime, or a buddhist”, lacht hij verlegen in je oren in de eerste zaal. Als je twee stappen verder zet naar de vitrine met Lady Chatterley’s lover erin begint hij, weer onzeker lachend: “I just wanted to be a writer, really, actually, but – just everything I seemed to write just seemed to be so easy to put into song.” En dan, nog een stap verder, begint hij in de tweede zaal in je oor te zingen: “Ground control to major Tom”. Het is logisch om te gaan denken: misschien werd hij gewoon zanger omdat hij een mooie stem had en is dat louter toeval. Naast trots is er namelijk ook vooral twijfel te zien.

De indruk ontstaat dat Bowie eigenlijk niet zo goed wist wat hij deed en waarom, dat hij voer op een ongrijpbaar instinctief proces. Het is uitermate charmant aan deze tentoonstelling dat juist dat wordt getoond.

Kunst / Expo binnenland

Een speeltuin, ook in de oren

recensie: David Bowie is

David Bowie is ten eerste niet David Jones, zo getuigt de eerste zaaltekst, maar dat wisten we al. Interessant genoeg is hij in deze carrière-overzichtstentoonstelling ook niet een cultureel icoon of een groots kunstenaar, maar vooral een speelse geest.

Het archief dat Jones (Bowies echte naam) openstelde, is groter dan de collectie van het Groninger Museum, vertelt directeur Andreas Blühm. Het Victoria & Albert Museum kreeg er toegang en verder niets – Bowie werkte zelf niet aan de tentoonstelling mee. Vervolgens maakten de curatoren slim genoeg de beslissing niet de man te proberen te vangen, maar zijn creatieve proces. David Bowie tentoonstellen kan David Jones tenslotte het best. Ze omzeilden daarmee de saaiheid die een chronologische tour door zijn zolderkamer ons opgeleverd zou hebben en alleen interessant voor fans zou zijn geweest.

Voor tentoonstellingfans

David Bowie is - Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

David Bowie is – Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

“Ik ben eigenlijk zelf niet zo’n fan”, vertelt Blühm heel slim bij zijn openingspraatje, wat nogal wat hilariteit oplevert maar waarmee hij de kern van de tentoonstelling raakt: het is een tentoonstelling voor mensen die van David Bowie houden, maar ook vooral voor mensen die van bijzondere tentoonstellingen houden.
Audio is terecht het toverwoord en daarmee levert het Victoria & Albert Museum een puike prestatie. Omdat je koptelefoon er zo’n belangrijk onderdeel van is, levert ermee op lopen de ervaring op dat je compleet ondergedompeld raakt – in niet alleen zijn verschillende personages, maar ook in verschillende tijdsperiodes en bovenal in steeds verschillende soorten geluid.

Het einde van de tentoonstelling is de symbiose van al het voorgaande: “David Bowie in concert” hangt als een rode lamp aan het begin van het Coop Himmelblau paviljoen, dat geheel is ingericht met enorme concertschermen. Voor deze audio-ervaring werd een speciaal algoritme ontwikkeld, dat de bezoeker de indruk geeft in een concertzaal te zijn. De meeste bezoekers bezwijken er en ploffen op de bank om genietend te zitten luisteren.

Antwoord op een andere vraag

David Bowie is - Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

David Bowie is – Groninger Museum. Foto: Gerhard Taatgen

De titel van de tentoonstelling is zowel een statement als een vraag die afgemaakt kan worden – David Bowie is many things. Maar wat is de tentoonstelling nou eigenlijk? In elk geval geen biografie en ook geen rondleiding door een archief. De vraag wie of wat David Bowie is wordt terzijde gelegd om een andere vraag te beantwoorden – wat is een creatief proces?

Dát is wat de tentoonstelling laat zien, middels teksten, beelden, kostuums, sleutels van appartementen, gebruikte tissues – alles wat de man inspireerde of op de een of andere manier liet ontstaan.
Niet dat Bowie zelf het antwoord weet op deze vraag – “I didn’t really know if I wanted to be a mime, or a buddhist”, lacht hij verlegen in je oren in de eerste zaal. Als je twee stappen verder zet naar de vitrine met Lady Chatterley’s lover erin begint hij, weer onzeker lachend: “I just wanted to be a writer, really, actually, but – just everything I seemed to write just seemed to be so easy to put into song.” En dan, nog een stap verder, begint hij in de tweede zaal in je oor te zingen: “Ground control to major Tom”. Het is logisch om te gaan denken: misschien werd hij gewoon zanger omdat hij een mooie stem had en is dat louter toeval. Naast trots is er namelijk ook vooral twijfel te zien.

De indruk ontstaat dat Bowie eigenlijk niet zo goed wist wat hij deed en waarom, dat hij voer op een ongrijpbaar instinctief proces. Het is uitermate charmant aan deze tentoonstelling dat juist dat wordt getoond.

Germaine Kruip
Kunst
special: Germaine Kruip in de Oude Kerk
Germaine Kruip

Een nachtbloeiende bloem

Bij de vernissage met werk van Germaine Kruip (geb. 1970) in de Amsterdamse Oude Kerk liepen sommige bezoekers de collegekamer in en meteen weer uit. Als ze naar boven hadden gekeken, hadden ze gezien waar het in deze tentoonstelling om draait: het onzichtbare zichtbaar maken.

Germaine KruipIn algemene zin ontwikkelde de Nederlandse kunstenares haar stijl nadat ze in 1999 de tweede prijs van de Prix de Rome won in de categorie Beeldende Kunst/Theater. Wat deze door de Stichting Oude Kerk geïnitieerde tentoonstelling betreft, lag het beginpunt in wezen bij een scenografie die ze ontwierp voor het Holland Festival 2014. Een derwisj danste toen, naar een scenografie van haar, vierkanten in plaats van de gebruikelijke cirkels. Deze opvoering wees vooruit naar tien spiegels, Kannadi from square to circle, die Kruip onlangs ontwierp. Ze zijn niet alleen cirkelvormig, als het Indiase symbool voor een hoger bewustzijn, maar in alle mogelijke geometrische vormen gemaakt en op hout aan de panelen van de Sebastiaanskapel bevestigd. Zo vormen ze een gesprek tussen het oosterse denken en een inmiddels protestantse kerk. Kruip gaat in haar werk puur uit van geometrische vormen, zoals je van een bewonderaar van Mondriaan en de conceptuele kunstenaar Ian Wilson kunt verwachten.

Column untitled

Vierkanten en cirkels vormen ook de basis van het meest in het oog springende kunstwerk op de expositie, dat in een rechte lijn vanaf de Sebastiaanskapel staat: een oorspronkelijk uit 2011 daterende, minimalistische zuil, die nu is uitgebouwd tot achttien meter hoogte, opgetrokken uit zeven maal zeven gestapelde ronde en vierkante blokjes van wit/grijs carrara-marmer. 750 kilo tussen een stellage op de zolder en de zerkenvloer. Het idee is ontleend aan een zuil in een tempel in Hampi (India). Zeven maal zeven roept associaties op aan een ritueel, en aan een gedicht van Ida Gerhardt, dat eindigt met: ‘Zeven maal, om met zijn tweeën te staan’. Lopend in licht en donker, dat je zowel profaan als religieus kunt duiden, en in de ruimte, zoals een nagenoeg leeg kerkinterieur van Saenredam, een andere schilder die Kruip bewondert.

A room, 24 hours

Licht en een cirkel vormen het wezen van een ouder, uit 2010 daterend ‘mentaal kinetisch werk’ zoals Kruip het tijdens de perspresentatie omschreef. Het valt te zien in de collegekamer en bestaat uit een gaslampvormige daglichtlamp die in één etmaal een cirkel draait. Mentaal wil dan zeggen: je ziet de lamp niet bewegen, maar je voelt wel aan dat dit gebeurt. En als je wegkijkt, en na een poosje weer kijkt, zie je ook dat het is gebeurd. Het licht schijnt in de kamer, en reflecteert door de ramen op straat. Dit doet denken aan de zeven draaiende spiegels die in hetzelfde jaar als het ontstaan van dit werk waren te zien in Museum De Paviljoens te Almere. Spiegels voor een raam, met een matzwarte en een reflecterende kant. Het werd licht en donker. Adembenemend mooi.

Germaine KruipOude Kerk unlimited

Licht en duisternis zijn naast geometrische vormen, ruimte en spiritualiteit kenmerkend voor het hele concept van de tentoonstelling, dat Kruip vat onder de titel Oude Kerk unlimited. Hierin is het licht teruggebracht tot een minimale intensiteit. Een kroonluchter is omhoog gehesen, kroonluchters in de zijkapellen zijn zelfs helemaal weggehaald, elektrische en andere verlichting is uitgezet, spaarzaam daglicht valt door de ramen naar binnen en wat strijklicht belicht Column untitled, zodat het bijna lijkt of deze uit zichzelf oplicht. De schaduwwerking doet denken aan die in het werk van Jan Schoonhoven, een derde door Germaine Kruip bewonderde Nederlandse kunstenaar.

The entrance

Het werk The entrance van componist Robert Ashley (1930-2014), dat ook onderdeel uitmaakt van de expositie, wordt vanuit het onhoorbare opgebouwd. Een dag voor de vernissage was het opgenomen. Die opname wordt vanaf de opening gebruikt. De contemplatieve compositie ontstaat door het verplaatsen van stapeltjes muntstukken op de toetsen van het orgel. Die stapeling verwijst naar Column untitled. Een best riskante onderneming, met het oog op vallende stapeltjes. Maar Germaine Kruip bracht het er, samen met Will Holder, goed en intens vanaf. Een mooie toevoeging aan het beeldend werk.

A square, spoken

Dat geldt ook voor het feit dat de bezoeker tenslotte op afspraak een één-op-één wandeling kan maken met een acteur. Volgens een script van Kruip en in de vorm van een vierkant. Er worden teksten gelezen over ‘het vierkant’. De opzet van dit performatieve werk doet denken aan Kruips Point of view, een wandeling die in 1988 in Amsterdam door toevallige passanten en een acteur kon worden gemaakt in samenwerking met het toneelgezelschap De mug met de gouden tand, waar Kruip als art director en scenograaf voor werkte, één van de vele activiteiten die de kunstenares op haar naam mag schrijven. Daar is nu deze mooie tentoonstelling, een waar Gesamtkunstwerk bij gekomen. Een minpuntje vormen de grote kaarsen bij de ingang die de begeleidende tekst over de tentoonstelling verlichten. Die brengen de bezoeker in een sfeer die niet wordt doorgezet. Maar verder niets dan lof voor de tentoonstelling die zich ontvouwt naarmate de schemering invalt, als een bloem.

Ook nog te zien: Geometry of the scattering: scene I, II & III. Theatervoorstelling in Veem Huis voor Performance, Amsterdam (28 en 29 november 2015).

 

Kunst / Expo binnenland

Vloeibare mode

recensie: Tijdelijk Modemuseum

Het Nieuwe Instituut, Rotterdams centrum voor architectuur, design en e-cultuur, is veranderd in een Tijdelijk Modemuseum. Directeur én tijdelijk curator Guus Beumer neemt niet de modeontwerpers, maar juist de positie van de gebruikers als uitgangspunt in zijn wervelende presentatie.

In de visie van Beumers moet mode niet getoond worden als esthetisch product van een selecte groep makers. Mode is een beweeglijke of vloeibare grootheid die het verleden met de toekomst verbindt als een tijdmachine. Om dat in een statische museale omgeving te laten zien, heeft hij een opstelling gemaakt die de contrasten uitvergroot en een nieuwe dynamiek toevoegt aan een gevestigd verwachtingspatroon.

Overtuigend handelsmerk

Waterlooplein, 1966. Foto Ben van Meerendonk. Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Waterlooplein, 1966. Foto Ben van Meerendonk. Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

De basis van dit Tijdelijk Modemuseum is onderverdeeld in een serie ruimtes die samen een ‘Speculatieve geschiedenis van de Nederlandse Mode’ laten zien. Als eerste wordt Het Huis genoemd: de naoorlogse periode waarin de Nederlandse huisvrouw het modebeeld van de Parijse salons ontdekt. Via de nieuwe jeugdcultuur in de jaren 1955-1965 (De Dijk en Het Plein) en de hippiegeneratie (De Straat) komen we bij De Markt. Hier begint de mode zich op grote schaal als betaalbare industriële productie te ontwikkelen. Dan volgen nog de mode van de kraakbeweging (1975-1985) en de uitgaansmode in De Club. Als laatste onderdelen zien we De School (mode als culturele discipline) en Het Scherm (mode in een nieuw economisch model) als verbeelding van de Nederlandse mode in de 21ste eeuw.

Op eenvoudige eilandjes worden de verschillende hoofdstukken getoond met behulp van tekst, beeld en attributen uit het desbetreffende tijdvak. Een wat rommelige opstelling die je met evenveel understatement ‘dynamisch’ zou kunnen noemen. Het is het overtuigende handelsmerk van Het Nieuwe Instituut zich niet met traditionele tentoonstellingsoplossingen tevreden te stellen. En daarbij mag de bezoeker ook wel enige moeite doen.

Aanraakbare couture

Collectie van Ferry van der Nat. Foto Johannes Schwartz

Collectie van Ferry van der Nat. Foto Johannes Schwartz

Het middendeel van de grote zaal is ingeruimd voor een enorme hoeveelheid kledingstukken die, hangend in stellingen en gearchiveerd in dozen, de couturecollectie vormen van de Zwitserse Eva Maria Hatschek (1924-2010). Decennialang liet deze gefortuneerde dame al haar kleding, schoeisel en accessoires op maat maken en zorgde ze ervoor dat het geheel na haar overlijden voor de gemeenschap beschikbaar bleef. De bezoeker mag onder begeleiding alles bekijken, aanraken en bestuderen, zodat de afstand tot deze veelal historische topstukken minimaal is.

Een andere collectie wordt getoond door stylist en verzamelaar Ferry van der Nat. Zijn vintage-verzameling, waarin grote ontwerpers als Molenaar, Vos, Fong Leng en Govers vertegenwoordigd zijn, hangt in een prachtige opstelling in de ruimte. Ook hier kunnen bezoekers informatie van de verzamelaar krijgen, de tijdloze stukken bekijken en zelfs aantrekken en kopen. Juist dat aspect maakt van het Tijdelijk Modemuseum een enerverende speeltuin, die de confrontatie met en de interpretatie van mode tot een boeiend avontuur maakt.

Fast fashion

Op de eerste verdieping is de rondgang gebruikt om een hedendaagse bewustwording teweeg te brengen. De ontwerpers Alexander van Slobbe en Francisco van Benthem leggen de hand op restpartijen kleding en materialen die de grote modeketens als overschot beschouwen. Door een creatieve ingreep krijgen de stukken opnieuw het handschrift van de ontwerper en wordt een samenhangende – zeer betaalbare – collectie afgeleverd. Ook op de bovenste etage is een recyclingproject te volgen dat op indringende wijze de vercommercialiseerde waarde van de mode aan de kaak stelt. Fast fashion levert enorme afvalbergen op, faciliteert outsourcing in lagelonenlanden en vervuilt het milieu door de vele transportkilometers die nodig zijn om ons in een nieuw pak te steken.

J.P. Kloos, Galerijwoningen Amsterdam, 1972. Collectie Het Nieuwe Instituut

J.P. Kloos, Galerijwoningen Amsterdam, 1972. Collectie Het Nieuwe Instituut

In de kelder van het instituut is een charmante presentatie te zien onder de noemer ‘Dressed by Architects’. Het Nieuwe Instituut, dat de archieven van het voormalige Architectuurinstituut beheert, toont hier presentatietekeningen van bouwprojecten door de jaren heen. De getekende figuranten vormen een fraaie modeshow waarmee de verschillende tijdperken worden verbeeld. Zo legt het instituut een verbinding tussen historisch erfgoed en de ambitie van het hier en nu.

Directeur/curator Guus Beumer, bekritiseerd vanwege zijn werkwijze bij de ontwikkeling van het Tijdelijk Modemuseum, doet in deze opzienbarende tentoonstelling precies wat er van hem en het Het Nieuwe Instituut verwacht wordt: signaleren, onderzoeken, bevragen. En verrassend uitpakken.

Kunst / Expo binnenland

Lichtzinnig de zestiende eeuw in

recensie: Van Bosch tot Bruegel – De ontdekking van het dagelijks leven

Een spectaculaire periode uit de kunstgeschiedenis wordt door Museum Boijmans van Beuningen gepresenteerd in een meeslepende tentoonstelling. Jheronimus Bosch, Pieter Bruegel en een handvol tijdgenoten tonen hun talent en visie die in de zestiende eeuw voor een omslag in de schilderkunst zorgden.

In de late Middeleeuwen is de beeldende kunst slechts voorbehouden om religieuze voorstellingen in een kerkelijke omgeving te laten zien. De clerus is opdrachtgever, kwaliteitsbewaker en censor tegelijk. Toch zien kunstenaars voorzichtig mogelijkheden om ook hun alledaagse omgeving in beelden te vatten. Dat gebeurt voornamelijk in de wat ongrijpbare prentkunst (ets en gravure) waarmee ook de reproductiemogelijkheid opeens een factor van belang wordt.

Als schilders als Jheronimus Bosch en Lucas van Leyden zichzelf dit genre eigen maken, begint een periode van ongekende luchtigheid en losbandigheid in de kunst. Mede onder invloed van de Reformatie wordt religie ingewisseld voor het dagelijks leven, bijbelse taferelen maken plaats voor uitbundige slemppartijen waarbij vooral boeren, bedelaars, marskramers en liefdesparen worden afgebeeld. Humor voert de boventoon.

Jheronimus Bosch 'Hooiwagen-triptiek' ca. 1515 (Museo Nacional del Prado, Madrid)

Jheronimus Bosch ‘Hooiwagen-triptiek’ ca. 1515 (Museo Nacional del Prado, Madrid)

Bizarre mensentypes

Centraal in Boijmans staat de uiterst curieuze Hooiwagen-triptiek van Bosch. Vervaardigd omstreeks 1515 en tijdens de Spaanse overheersing aangekocht door Filips II – waarschijnlijk heeft ‘IJzeren Hertog’ Alva de deal gesloten – vormt dit drieluik een sleutelwerk in de perceptie van de toenmalige kunstbeschouwing. Bosch schildert een traditioneel altaarstuk met links een paradijselijk paneel (blote mensen, slang en appel) en rechts een paneel dat de hel vertegenwoordigt (vuur, ellende, duivels en monsters). Het grote middenpaneel toont een enorme hooiwagen die omgeven wordt door de meest bizarre mensentypes die het aardse leven in volle glorie verbeelden. Er wordt gezoend, gemoord, bedrogen, gevreeën, gevochten, gegokt en gezopen. En iedereen wil een pluk hooi van de hooiwagen bemachtigen – hét symbool van de menselijke hebzucht – die langzaam door typische Bosch-monsters richting de hel wordt gesleept. Helemaal bovenin, op een overkoepelende wolk, is een minuscule Jezus afgebeeld die het geheel berustend, of vertwijfeld, aanschouwt met de armen zegenend gespreid.

Het triptiek, dat met de grootst mogelijke moeite is losgeweekt uit het Prado in Madrid, vormt het middelpunt in de tentoonstelling die verder wordt ingevuld door tijdgenoten en nazaten van Jheronimus Bosch. Met dezelfde directheid en vooral ook ironie wordt de menselijke conditie weergeven, zij het meestal zonder de overtuigende moraal die de Hooiwagen nog kenmerkt.

Brunswijkse Monogrammist 'Bordeelscène met ruziënde prostituees' ca. 1530 (Gemäldegalerie, Berlijn)

Brunswijkse Monogrammist ‘Bordeelscène met ruziënde prostituees’ ca. 1530 (Gemäldegalerie, Berlijn)

Bordeel met graffiti

De links en rechts uitwaaierende afdelingen voeren de bezoeker op overzichtelijke wijze door de tijd. Naast de kaartspelers van Lucas van Leyden en de wanstaltige karikaturen van Quinten Massijs, voorstellingen die het alledaagse leven maar ook de menselijke verhoudingen tot in detail weergeven, is het werk van Marinus van Reymerswaele een bijzonder hoogtepunt. Zijn schilderijen van belastingontvangers en geldwegers, gemaakt tussen 1530 en 1540, vormen een prachtige satire op de hebzucht. De vrekkige personages, getooid met exuberante, vrouwelijke hoofddeksels van eeuwen daarvoor, tellen gretig de centen, graaien in geldbuidels en bladeren met hun knokige vingers door de kasboeken.

Nog banaler zijn de bordeelscènes van de anonieme kunstenaar die aangeduid wordt als de ‘Brunswijkse Monogrammist’. Omstreeks 1530 schildert hij een tafereel van een bordeel met daarop vrijende, omhelzende en zoenende paartjes. De drank vloeit rijkelijk, terwijl op de voorgrond twee hevig vechtende hoeren te zien zijn. Opmerkelijk zijn hier de met graffiti overdekte muren waarop iedereen blijkbaar zijn zegje kon doen. Duidelijk zichtbaar is de uitgeschreven spreuk ‘Dat Dinck Doet Die Dochter Dalen’ waarbij de letter D is telkens is vervangen door de afbeelding van een grote penis.

Pieter Bruegel 'Winterlandschap met vogelknip' 1565 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel)

Pieter Bruegel ‘Winterlandschap met vogelknip’ 1565 (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel)

Realityshow

Niets is de mens vreemd, dat geldt ook voor de condition humaine in de zestiende eeuw. Dat daarbij de meest bizarre situaties worden uitgebeeld door boeren, soldaten, kwakzalvers, prostituees en bedelaars is tekenend voor de maatschappelijke verhouding en de heersende mores. Er is geen burger of stedeling te zien op de meeste genrestukken, zij zijn uiteindelijk de welgestelde kopers van de schilderijen. Een boerenfeest boven de haard, met veel verborgen en schunnige details ingevuld, is voor de zestiende-eeuwse burgerij hetzelfde als een realityshow op de hedendaagse televisie.

Als afsluiting van deze imponerende tentoonstelling toont Pieter Bruegel de Oude zijn in 1565 geschilderde Winterlandschap met vogelknip. De tijd van pionieren in de genrekunst is voorbij en de verbeelding van de dagelijkse werkelijkheid is gemeengoed geworden. De satire en karikaturale weergaven hebben grotendeels plaatsgemaakt voor een eerder rustiek en landschappelijk tafereel waarin nog wel verwijzingen naar de menselijke deugd en ondeugd verborgen zitten. De Hollandse schilderkunst is klaar voor de Gouden Eeuw.

Werkman The Next Call
Kunst / Expo binnenland

Een andere Werkman, die een nuttige toevoeging vormt

recensie: The Next Call. H. N. Werkman en de internationale avant-garde
Werkman The Next Call

In een gebouw dat een Escher-tekening als blauwdruk gebruikt lijkt te hebben opent het verhuisde grafisch museum in Groningen (GRID) met een bescheiden, maar nuttige toevoeging aan het Werkmanjaar: een tentoongesteld overzicht van zijn pamflettenreeks.

GRID; Grafusch Museum Groningen

GRID; Grafisch Museum Groningen

Is het GRID een museum? Die vraag ligt misschien niet voor de hand, maar het is geen vreemde mijmering als je door het gebouw dwaalt. Een medewerker legt een kind uit hoe een oude grafische machine werkt en moedigt haar aan zelf een druksel te maken. Ze aarzelt, maar werkt aangemoedigd zorgvuldig met roller en inkt aan haar Snuf de Hond. Overal in het gebouw is het geluid van bezigheden, van bezoekers die aan het werk worden gezet. Hier is de geur van drukinkt niet decoratief.
Dit is een museum zonder depot, als een stoomtreinmuseum: de collectie bestaat uit machines en staat al volledig op zaal. De bezoeker mag, moet ze gebruiken zelfs. Via een roterende trap, als in een kerktoren, komt de bezoeker op de bovenste verdieping. Daar staat verticaal aan de muur: The Next Call, H. N. Werkman en de internationale avant-garde. Een bordje naast nog een trap omhoog verwijst naar het ‘Werkman atelier’ en ‘Workshop’, een plateautje hoger, van waaruit bedrijvigheid klinkt die de serene tentoonstellingsruimte eronder overstemt.

H.N. Werkman, The Next Call 2, 1923

H.N. Werkman, The Next Call 2, 1923

Groningen Berlijn Moskou Parijs

Op het roze pamflet dat op posterformaat de tentoonstelling opent, staat bovenaan: Groningen Berlijn Moskou Parijs 1923. Het lijkt bijna ironisch, hoe Werkman Groningen tussen de andere steden zet. Na de poster komt de bezoeker bij een lange vitrinekast terecht die de hoofdmoot van de tentoonstelling vormt: de hele negentallige reeks van Werkmans ‘pamfletachtige geschrift’ The Next Call ligt er uitgestald.
Een minpuntje aan deze tentoonstelling zou kunnen zijn dat er veel minder ‘levensmateriaal’ beschikbaar was. Tenslotte – als de grote overzichtstentoonstelling in het Groninger Museum het materiaal gebruikte van de Stichting H N Werkman, wat was er dan nog over en wat valt er dus verder nog te vertellen? De oplossing lijkt te zijn geweest een aanvulling te geven vanuit de eigen expertise- de praktische kennis van het drukken, in combinatie met het nemen van ruimte voor het op een rijtje leggen van de negen pamfletten die Werkman destijds heeft uitgegeven. Ze worden in de bijbehorende vitrineteksten minutieus met elkaar vergeleken. Hier worden niet de vragen gesteld wie Werkman was en wat hij wilde, maar wordt vooral gewoon gekeken naar het werk. Het wordt met elkaar vergeleken en zo uitgelegd, naar aanleiding van vragen als: Hoe deed hij dat, hoe drukte hij het, wanneer, waarop, met welke techniek?

H.N. Werkman, The Next Call 9, 1926

H.N. Werkman, The Next Call 9, 1926

Gelatenheid en verslagenheid

De pamflettenreeks leverde Werkman niet de internationale erkenning die hij had gehoopt, maar Hendrik Werkman is een man die in Groningen gelukkig al wordt geëerd om het Proberen. Deze tentoonstelling, met zijn open inzage in de poging tot een internationale doorbraak, draagt daar wel degelijk een steentje aan bij. Er is geluid, video, vitrines, maar vooral geur. Gelatenheid en verslagenheid is wat in de teksten van The Next Call naar voren komt, en zo kan de toon van de tentoonstelling ook samengevat worden. Die gelaten stem, die vanuit de pamfletten uit Werkman zelf lijkt te komen, is interessant, want heel anders dan de glamoureuze toon die uit de tentoonstelling in het Groninger Museum naar voren komt. Kijk en vergelijk, is dus een idee: het Groninger Museum vertelt over het leven van Werkman, het Grafisch Museum laat ons stap voor stap zien wat hij misschien zelf wilde vertellen.

Kunst / Expo binnenland

Rijk en indrukwekkend

recensie: Spiegeloog. Het zelfportret in de Nederlandse kunst 1900-2015

‘Je ziet wat hij ziet, maar je ziet vooral wat hij voelt, wat dat met hem doet, hoe dat bij hem aankomt’, zei schilder Chris Berens ooit over de zelfportretten van Vincent van Gogh. Een uitlating die je bij de tentoonstelling in Museum Arnhem vergezelt.

Niet dat er ‘een Van Gogh’ hangt, want de aandacht is gericht op de 20e en 21e eeuw. Maar het is een goed uitgangspunt. Zeker als je ‘hij’ regelmatig vervangt door ‘zij’. Want kunst door vrouwen is óók een aandachtsveld van het museum. Net als de bekenden uit de collectie die je terugziet: Jan Mankes, Dick Ket. Maar ook, en dat is een eyeopener, uit de kring om hen heen. Zoals werk van Mien Cambier van Nooten (1881-1972) en Johan Mekkink (1904-1991).

Je vindt ze terug in de eerste zaal, die zoals alle zalen van de expositie een eigen accent legt. Hierdoor verschuift eigenlijk ook de inhoud van de uitlating van Chris Berens telkens mee. Dit bij elkaar, de keuze van de werken, de achtergrond die eraan wordt gegeven en de diepte die daardoor meekomt, maakt de tentoonstelling bijzonder rijk en indrukwekkend.

Gerrit van 't Net, IK, ca. 1932, olieverf op paneel. Collectie Museum Arnhem

Gerrit van ’t Net, IK, ca. 1932, olieverf op paneel. Collectie Museum Arnhem

Figuratie en abstractie

Naast werk van Cambier van Nooten is er ook ander werk, zoals foto’s, van vrouwelijke kunstenaars. Daaronder zelfportretten van Eva Besnyö en Rineke Dijkstra. Uit deze portretten spreekt – om bij Berens aan te haken – duidelijk wat zij voelden, wat dat met hen deed en hoe dat aankwam.
In het vervolg valt ook bekend werk, van Mondriaan, Van Doesburg en Paul Citroen, naast onbekende maar indrukwekkende kunst te bewonderen, zoals het filosofisch aandoende beeld ± (plusminus) van Antoine Berghs (1997).

Hoofd en lichaam verbonden

Verder lopend kom je Citroen weer tegen, zoals ook met andere kunstenaars gebeurt. Zo wordt ook hierdoor een ontwikkeling getoond en worden de kunstenaars niet in een hokje gestopt, maar vergeleken met internationale ontwikkelingen.
In de zaal met surrealistisch werk wordt een zelfportret getoond van Gerrit van ’t Net. Hierop zijn hoofd en lichaam verbonden door middel van een porseleinen flesje, hetgeen herinneringen oproept aan het werk van Frida Kahlo. Zoals Hendrik Valk doet denken aan Magritte.

Marinus Boezem, The Absence of the Artist, 1970-1995. Courtesy Upstream Gallery Amsterdam. Foto: Gert Jan van Rooij

Marinus Boezem, The Absence of the Artist, 1970-1995. Courtesy Upstream Gallery Amsterdam. Foto: Gert Jan van Rooij

Het zelfportret, de maatschappij en concepten

Verschillende zelfportretten richten de blik naar binnen. Mooi in dit verband zijn een krachtig zelfportret van de sterke Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht dat zij pal na de Tweede Wereldoorlog maakte, en een indrukwekkende video van Mathilde Heijne van een vrouw die zichzelf in brand steekt.
De identiteit (sekse, culturele achtergrond en dergelijke) komt in de loop van de tijd in het zelfportret steeds meer onder druk te staan. Afwezigheid van een persoon speelt een rol in een installatie van Marinus Boezem: een lege stoel, een paar lakschoenen en een borduurraam. Ook wordt in dezelfde zaal een sterke, en bekende video getoond: Piëta van Erzsébet Baerveldt.

Ik als de ander

Tenslotte toont de tentoonstelling werk waarin het ik een andere identiteit aanneemt, van clown tot acteur. Mooi zijn de installaties – of eerder egodocumenten?, zoals Sandra Kisters zich in de fraaie begeleidende publicatie bij de tentoonstelling afvraagt – van Caspar Berger en Maria Roosen die glas met wol verbindt.
Aan het eind wordt aangeknoopt bij de figuratieve kunst waarmee de tentoonstelling opent, door de nieuwe figuratieve kunst van Alphons Freymuth. De cirkel is rond.

 

Begeleidende publicatie: Spiegeloog (Uitgeverij Waanders) € 19,95

Song Dong
Expo binnenland

Verstilde ervaringen die ontroeren

recensie: Song Dong – Life is art, art is life in het Groninger Museum
Song Dong

Leven is kunst, kunst is leven, is de toepasselijke titel van een overzichtstentoonstelling van een oeuvre dat de Chinese gangbare politieke statement-kunst naast zich neerlegt. Song Dong heeft een eigen, oprechte en menselijke stem.

Song Dong

Original Fake, Cream Grass
© Song Dong courtesy of Pace Beijing

‘Je mag hier met water tekenen’, fluistert een meisje tegen haar vriend. Interactieve kunst”, lacht ze ongemakkelijk. De kunstwerken van de Chinees staan symbool voor iets – hij vangt ervaringen. Zijn wereld is rustig en helder en elk kunstwerk lijkt een residu van een beweging.

In de eerste grote zaal aan de rechterhand komt de bezoeker het concept van The Waterdiary tegen; de zelf uitgevonden praktische uitvoering van een misschien wel Westerse behoefte in combinatie met een Oosterse leer van vluchtigheid- de Tao. Zijn emoties en gevoelens besloot de kunstenaar op een blok steen in water te kalligraferen. Zo raakte hij ze kwijt, zonder dat hij iets vastlegde. Het is een zeer prettige ervaring, zo zegt hij in een van de zaalteksten. Een paar zalen verder heeft hij dan ook een verrassing: de bezoeker mag het zelf ook doen.

Water roerbakken

Nadat de bezoeker de grote openingstekst gelezen heeft komt hij in een klein zaaltje terecht waar aan de muren video’s hangen. Het zijn voorbeelden van geëvolueerde  ‘Apartment art’, zo leert de zaaltekst – kunst die eerst alleen voor vrienden en familie werd gemaakt.
Alle video’s laten handelingen zien waarbij alleen de video overblijft- een vaak voorkomend gegeven in de Westerse videokunst. Bijvoorbeeld de film Frying Water. Het water verdampt, op hoog vuur, er wordt rustig in geroerd. In de video’s waarin zijn vader een rol speelt wordt al duidelijk waar Song Dong eigenlijk groot in is: zijn voornaamste thematiek is hoe iedereen familiebanden en persoonlijke ervaringen beleeft. Daarbij zet hij zijn kunst in om familieproblemen op te lossen.

Song Dong

Waste Not, 2005
Courtesy Song Dong en Tokyo Gallery en BTAP

Nuttige bewaardrang

Een van die dingen waarvoor Song Dong de kunst bijvoorbeeld toepaste was het heftige rouwproces van zijn moeder na de dood van zijn vader – ze kon niet stoppen met dingen verzamelen, maar ze verzoop daarin. In de installatie Waste Not laat hij haar de kunstenaar zijn. ‘Dit maakte mijn moeder erg gelukkig. “Het was dus toch nuttig die dingen te bewaren!’” riep ze uit’,  vertelt hij hierover.
Het Coop Himmelblau paviljoen is er met zijn grove uitstraling perfect voor: het lijkt of er een soort garage sale gaande is. Geuren overheersen: hout, stof, slaapkamer-mens-geur. Esthetisch is het zeer prettig om de orde die er in de chaos is aangebracht te zien. Bezoekers slaan hand voor hun mond als ze de hoek om slaan. ‘Je zal maar zo’n moeder hebben’, zegt er één.

Touching

‘Toen kon ik de kracht van de kunst echt voelen, daar ben ik de kunst echt dankbaar voor.’ De zaaltekst van Touching my father is bedoeld om getuigenis te doen van een ander belangrijk moment in Song Dongs leven. Het kunstwerk: een (video van) een virtuele hand die op een beeld van zijn vader wordt geprojecteerd. Vader werd live gefilmd en deed op dat moment zijn bovenkleding uit. Zo leek het of hij hem huid op huid aanraken kon. De kunstenaar was zeer ontroerd, zo dicht was hij nog niet bij zijn vader geweest.

In het gastenboek is ‘ontroering’  het woord dat het vaakst voorkomt. Song Dong wil communiceren, hij wil dat de bezoeker zijn ervaringen begrijpt en omdat die zo universeel en menselijk zijn is dat wat deze tentoonstelling je als bezoeker oplevert: ontroering.

 

Kunst / Expo binnenland

Inspirerend, verrassend en betaalbaar

recensie: Terugblik Haagse Kunstbeurs Art the Hague

Van 6 oktober tot en met 10 oktober konden we genieten van de derde editie van Art The Hague in de Fokker Terminal in Den Haag. Dit jaar deden er 45 galeries mee, waar werk van ruim 200 kunstenaars werd getoond. Er is echter een vraag die aan het denken zet. Wordt de beurs nog wel gedomineerd door het Haagse?

 

De beurs werd geopend door Rudi Fuchs in aanwezigheid van zo’n 1.500 bezoekers. Fuchs is kunsthistoricus en voormalig directeur van diverse musea voor moderne kunst. Op de ruim opgezette beurs in de prachtige industriële ruimte van de Fokker Terminal kwam de kunst goed tot zijn recht. Bovendien werd er bij binnenkomst direct een heldere plattegrond uitgereikt.

Behalve gerenommeerde galeries als Nouvelles Images en Galerie Ramakers uit Den Haag, namen ook jonge galeries, zoals Kers Gallery uit Amsterdam, deel aan de beurs. De beurs verraste ons met werk van een aantal internationale topkunstenaars zoals: Helen Sears (Wales), Heri Dono (Indonesië) en Emily Kame Kngwarreye (Australië). Zij presenteren hun werk ook op de Biënnale van Venetië. Zo toonde Galerie Wit werk van herman de vries (“geen hoofdletters graag!”), de Nederlandse inzending voor de Biënnale. Zijn werk is daar nog tot 22 november 2015 te zien.

Er was op de beurs voor iedereen wel iets van zijn of haar gading te zien. Fotografie, teken-, schilder-, beeldhouwkunst, figuratief en abstract, wisselden elkaar af. Het streven naar een beurs met betaalbare kunstwerken pakt goed uit. De prijzen variëren van 300 euro tot duizenden euro’s. Maar ben je echt verliefd geworden op een werk, dan kun je bij veel galeries gebruik maken van de kunstkoopregeling, zodat je een werk kunt kopen met een aanbetaling en renteloze lening.

Lisa Carletta, Art the Hague

Lisa Carletta, Just a few clouds between us…, 2015.

Highlights

Veel standhouders waren enthousiast om over het werk van hun protegées te vertellen. Dat maakte het des te interessanter. Een mooi voorbeeld hiervan was Just a few clouds between us… (2015), het meest recente werk van de Belgische fotografe Lisa Carletta. Door de standhoudster van Sophie Maree Gallery uit Den Haag werd op het achterliggende verhaal gewezen. Carletta ensceneert haar foto’s tot in detail. De serie vertelt over haar ervaringen toen ze verhuisde naar Londen. Je ziet een jong meisje, in prachtige, fel gekleurde en gedetailleerde kleding, die dromend voor zich uit staart. Aan haar voeten staan een paar koffers. Wat zal de toekomst haar brengen? Het beeld vermengt herkenbaarheid met nostalgie. Carletta creëert een herkenbare, maar toch ook nieuwe wereld waarin ze haar verhaal vertelt. Dat werkt vervreemdend en uit zich in alle werken van deze serie.

Justine Tjallinks, Art the Hague

Justine Tjallinks, Hurt, uit de serie Silk

Bij dezelfde galerie was ook het werk te zien van de Nederlandse fotografe Justine Tjallinks. Imperfecte meisjes uit Aziatische landen worden verborgen gehouden en hebben geen stem. Ze worden gedwongen een geïsoleerd leven te leiden. Haar portretten laten prachtige jonge Aziatische meisjes zien in hun eenzaamheid en verdriet. Een statement dat je aan het denken zet.

Een bontjas zo gedetailleerd en op ware grootte getekend, gaf het gevoel dat je hem zo kon aantrekken. Een van de tekeningen van Ingrid Berger getoond door Galerie Adorable Art & Design uit Den Haag.

Nieuw

Een aanwinst voor de beurs was de aanwezigheid van Aboriginal Art Gallery uit Rotterdam, met prachtig werk van hedendaagse inheemse Australische kunst. Deze kunst komt voort uit traditioneel gebruik van symbolen, afbeeldingen en tekens. Heel terecht dat deze kunst meer onder de aandacht komt.

Matthieu Klomp, Art the Hague

Matthieu Klomp, Muur van de Waarheid, 2014

Er was ook ruimte voor jong talent. Zeer opvallend was het werk van Matthieu Klomp, gepresenteerd door Kers Gallery uit Amsterdam. Klomp maakt sculpturen van plastic folie. In zijn werk zet hij het historische, heroïsche af tegen het alledaagse. Dat doet hij door in plaats van marmer, plastic te gebruiken. Terwijl het plastic refereert aan marmer is het tegelijkertijd een goedkoop alledaags wegwerpproduct met een eeuwigheidswaarde. Marmer erodeert, plastic vergaat niet.

Hoewel de beurs Art The Hague heet, sluiten ook steeds meer galeries uit andere steden aan. Het verschil met de KunstRai, oorspronkelijk ontstaan uit Amsterdamse galeries, is eigenlijk niet zo groot. Dezelfde galeries presenteren zich daar ook. Naast liefde voor de kunst blijft het hoogste streven… kunst verkopen!

Kunst / Expo binnenland

Bezemsteel, haardvuur, ketel en kat

recensie: De heksen van Bruegel

Curator Dunja Hak vraagt op de multimediatour bij de tentoonstelling in Museum Catharijneconvent aan de bezoeker bij het laatst getoonde schilderij, Heksensabbat van Leonaert Bramer, wat er op dit schilderij ontbreekt. Het antwoord luidt: een haard.

Een haardvuur is één van de attributen die je op zo’n heksensabbat aantreft. Naast een bezemsteel, een ketel en een, meestal zwarte, kat. Dat het haardvuur bij de Delftse schilder Bramer ontbreekt, heeft volgens Hak tot gevolg dat de voorstelling minder leesbaar wordt: gaat het hier wel om een heksensabbat?
De consequentie die zij hieraan verbindt, lijkt ook het uitgangspunt van de expositie: close reading van de kunstwerken uit de tijd van heksenvervolgingen in de Nederlanden (1450-1700). Weinig meer en niets minder. Van voornamelijk kunstenaars die, in de voetsporen van Pieter Bruegel, heksen verbeeldden.

Heksenfluit-versierd-met-doodshoofd-en-rattenpoot-ca.-1850-Collectie-MAS-Museum-aan-de-Stroom-Antwerpen-foto-Louis-de-Peuter

Heksenfluit-versierd-met-doodshoofd-en-rattenpoot-ca.-1850-Collectie-MAS-Museum-aan-de-Stroom-Antwerpen-foto-Louis-de-Peuter

Bruegel

Bruegel ontwierp in 1565 twee heksenprenten: Jacobus bij de tovenaar en Jacobus en de val van de tovenaar (Rijksmuseum Amsterdam); voorstellingen van het verhaal van Jacobus en Hermogenes. Laatstgenoemde is de verpersoonlijking van het kwaad. Op die prenten vinden we de vier standaardattributen (bezemsteel, haardvuur, ketel en kat) voor het eerst terug.
De tentoonstelling laat zien hoe dit iconische beeld zich ontwikkelde, tot aan fragmenten uit griezelfilms voor kinderen uit onze tijd aan toe. Al zal een doorgewinterde volwassen toneelliefhebber bijvoorbeeld de drie heksen uit Shakespeares Macbeth of Het temmen van de feeks, missen.
Het overzicht wordt in de eerste zaal aangevuld met een onheilspellende wind als achtergrondgeluid. Voor kinderen is dit een leuke toevoeging, net als de virtuele heksenvlucht over Utrecht halverwege de expositie en de Hexpert-tour. Het magische rattenfluitje (Museum aan de Stroom, Antwerpen) zal voor kleintjes echter best eng overkomen: een fluitje uit ca. 1850, versierd met een doodshoofd en een rattenpootje.

Heksen toveren tijdens heksensabbat, Hans Baldung Grien (ontwerper), 1510, Staatliche Museen zu Berlin – Kupferstichkabinett, Berlijn

Heksen toveren tijdens heksensabbat, Hans Baldung Grien (ontwerper), 1510, Staatliche Museen zu Berlin – Kupferstichkabinett, Berlijn

Schatten

De wind is niet alleen sfeerverhogend, maar slaat ook op de rampspoed die West-Europa in de 16e en 17e eeuw trof in de vorm van noodweer, oorlogen en mislukte oogsten. Het waren immers heksen, in zeven van de tien gevallen vrouwen, die hiervan de schuld kregen en als zondebok dienden. Al was niet iedereen het hiermee eens, zoals ds. Balthasar Bekker, van wie een druk van De betoverde wereld (1691) wordt getoond.
Dit is één van de schatten uit de collectie van het museum zelf. Twee andere voorbeelden, prenten van Hans Baldung Grien (1510), komen uit respectievelijk het Rijksmuseum in Amsterdam en de Staatliche Museen zu Berlin.

Close reading

Het concept van de tentoonstelling is gebaseerd op het proefschrift Vrouwen op den besem en derghelijck ghespoock (2011) van gastconservator Renilde Vervoort. Dit verklaart de louter kunsthistorische insteek, waarbij je je als bezoeker betrapt op het, naast Shakespeare en dergelijke, missen van uitstapjes als het verschijnsel Walpurgisnacht. Tot je je beseft dat dit niet binnen het kunsthistorische accent van de tentoonstelling past. Gelijktijdig met de expositie verschijnen enkele boeken over het fenomeen heksen, waarin – meer dan je in het museum in Utrecht zou verwachten – de nadruk op de theologiegeschiedenis valt, zoals De duivel van Philip C. Almond en Duivelskwartier van Johan Otten. De belangstelling voor heksen leeft nog steeds voort.
In de bus tref ik een meisje voor mij dat in haar mobieltje roept: ‘Meisjes zijn heksen! Jaloers tot en met’. Maar volgens het informatieve, begeleidende boekje bij de tentoonstelling zou althans de bezoeker van de tentoonstelling na afloop beter moeten weten: ‘De volgende keer dat u een afbeelding van een heks ziet met een ketel vol toverdrank, een bezem en een haard dan denkt ú aan een Vlaamse meester’.

Kunst / Expo binnenland

Ontmoeting van twee iconen

recensie: Munch : Van Gogh

Edvard Munch en Vincent van Gogh, twee iconische kunstenaars met een ongekend artistieke verwantschap. Hun visies op leven en kunst waren gelijkend terwijl zij elkaar tijdens hun levens nooit ontmoet hebben. In samenwerking met het Munch Museum in Oslo, maakt het Van Gogh Museum hun ontmoeting werkelijkheid.

De tentoonstelling wordt gepresenteerd tijdens het herdenkingsjaar van Van Gogh. Deze herdenking wordt groots gevierd, niet alleen met de tentoonstelling zelf, maar ook met de recent geopende entreehal van het Van Gogh Museum. In de heropende tentoonstellingsvleugels worden meer dan 100 kunstwerken tentoongesteld, waaronder zelden uitgeleende werken uit particuliere collecties en musea. Het biedt de unieke mogelijkheid om een belangrijk deel van het oeuvre van Munch en Van Gogh samen op één locatie te bewonderen. Tevens is Munch : Van Gogh onderdeel van een gelijknamig Cultuurprogramma in Amsterdam, waarbij culturele instellingen (waaronder EYE, Toneelgroep Amsterdam, Koninklijk Concertgebouworkest) zich hebben laten inspireren door de twee kunstenaars.

Vincent van Gogh, Sterrennacht boven de Rhône, 1888, Musée D'Orsay Parijs, schenking van dhr. en mevr. Robert Kahn-Striber ter nagedachtenis van dhr. en mevr. Fernand Moch, 1975

Vincent van Gogh, Sterrennacht boven de Rhône, 1888, Musée D’Orsay Parijs, schenking van dhr. en mevr. Robert Kahn-Striber ter nagedachtenis van dhr. en mevr. Fernand Moch, 1975

Ontwikkeling van expressiviteit

De tentoonstelling start met het begin van de carrières van de twee toonaangevende kunstenaars, die voor beiden rond 1880 begon. Munch en Van Gogh lieten zich inspireren door de naturalistische schilders, maar stapten al vrij snel over op een nieuwe benaderingswijze; een persoonlijkere en expressievere manier van schilderen. Deze ontwikkeling is voor de bezoeker in deze eerste zaal goed te volgen door de verstrekte informatie en de opstelling van de werken. Per nieuwe ontwikkeling in de stijl van de kunstenaars wordt van beide kunstenaars een schilderij uitgelicht. Zo zijn Van Goghs Aardappeleters en Munchs Ochtend de prominente voorbeelden van de vernieuwende weg die zij inslaan. Destijds werden deze werken door hun omgeving niet begrepen, waardoor zij besloten hun land te verlaten.

De kunstenaars bezochten beiden Parijs, echter niet tegelijkertijd. Wel laten hun kunstwerken dezelfde invloed van de Franse moderne kunst zien; vooral Gauguin’s vernieuwende stijl speelt voor Munch en Van Gogh een grote rol. Deze rol is dan ook duidelijk zichtbaar in de tentoonstelling, waar werk van Gauguin hangt, maar ook van Monet en Manet die eveneens een belangrijke invloed hadden op de stijlontwikkeling van de kunstenaars. De werken van de Franse meesters worden getoond naast die van Munch en Van Gogh, waardoor de invloed des te meer zichtbaar is.

Edvard Munch, De Schreeuw, 1893, Munch Museum Oslo

Edvard Munch, De Schreeuw, 1893, Munch Museum Oslo

Zielsverwanten

In de tweede zaal staat de zielsverwantschap van de kunstenaars centraal. Beide kunstenaars zochten naar nieuwe manieren om hun gevoelens en ideeën zo krachtig mogelijk te vertalen naar beeld. Hierbij werd gebruik gemaakt van felle kleuren, geaccentueerde vormen en lijnen, en extreme perspectieven, met de nadruk op de structurele effecten van de verf. Deze expressieve stijl was een middel om te communiceren, om hun zoektocht naar de essentie en betekenis van het bestaan te visualiseren. Thema’s die bij beide kunstenaars centraal stonden in hun werk waren onder meer leven, dood, troost, liefde en lijden. Een versie van De Schreeuw van Munch wordt hier dan ook getoond naast Het Korenveld onder onweerslucht, waar benauwdheid en angst verbeeld is.

Vincent van Gogh, Kreupelhout, 1889, Van Gogh Museum Amsterdam

Vincent van Gogh, Kreupelhout, 1889, Van Gogh Museum Amsterdam

Niet alleen worden dezelfde thema’s naast elkaar vertoond, ook worden werken met hetzelfde onderwerp gecombineerd, om zo gelijkenissen in stijl te kunnen zien. Erg duidelijk is dit te zien op de werken waar het bos onderwerp is. De kenmerkende expressieve, grove stijl met de contrasterende kleuren staat bij zowel Van Gogh als bij Munch krachtig op het doek. De expressiviteit wordt nog eens extra versterkt door de sfeervolle verlichting, die de emoties nog meer lijkt over te brengen.
In de laatste zaal is aandacht besteed aan de symfonie die Munch en Van Gogh wilden maken. Er zijn werken te zien die oorspronkelijk onderdeel uitmaakten van een serie, waarbij de werken elkaar zouden moeten aanvullen en verduidelijken, wanneer deze in samenhang vertoond zouden worden. De laatste zaal is ingericht met de ‘levensfriezen’ van de twee kunstenaars. Dit is in een huiskamerachtige setting gedaan waar op de achtergrond muziek te horen is, wat zorgt voor meer affiniteit.

Gelijkwaardig

Het is bewonderingswaardig te noemen dat vandaag de dag zo’n grote tentoonstelling tot stand heeft kunnen komen. Er zijn topstukken van over de hele wereld te zien, wat op zichzelf al een bezoek waard is. De ontwikkeling van de stijl van Munch en Van Gogh is erg duidelijk weergeven, evenals de gelijkenissen die de kunstenaars in hun werk vertoonden. Er is wat minder aandacht voor de verschillen tussen hun levens en carrières, wat voor meer verdieping had kunnen zorgen. Door hun voornamelijk gelijkwaardige kunstwerken samen te zien echter, worden de emoties en boodschappen versterkt overgebracht. Hierdoor lijken ze de perfecte aanvulling op elkaar te zijn.