Tag Archief van: boeken

Treblinka treinrails
Boeken / Non-fictie

Opstand Treblinka werd onterecht geclaimd door Polen

recensie: Treblinka 1943. Het verhaal van de opstand in het vernietigingskamp - Michał Wójcik
Treblinka treinrails

Tussen juli 1942 en oktober 1943 werden op een oppervlakte ter grote van een voetbalstadion 900.000 mensen vermoord. De Poolse historicus Michał Wójcik beschrijft in zijn indrukwekkende boek Treblinka 1943. Het verhaal van de opstand in het vernietigingskamp hoe de Apocalyps eruit moet hebben gezien.

Uit de bank van de in smetteloos wit geklede kampcommandant Franz Stangl (1908-1971) steeg een doordringende geur op. Parfum. De parfum moest de afschuwelijke stank van het kamp, veroorzaakt door rottende en verbrande lijken, en die elke gedachte onmogelijk maakte, maskeren. Maar in Treblinka werkte dat niet. Toen Stangl bij aankomst uit zijn auto stapte, beweerde hij tot zijn knieën in het geld te hebben gestaan. Geld dat door de laatste ‘lading’ uit de wagons was achtergelaten. Al snel zag hij dat het opruimen van de puinhopen in het kamp onmogelijk was. Stangl wilde de opdracht aan zijn baas Odilo Globocnik teruggeven, omdat ‘Treblinka het einde van de wereld was.’ Globocnik counterde onmiddellijk: ‘Het wordt verondersteld het einde van de wereld voor hen te zijn.’

Mystificatie

Hoe konden slechts 33 Duitsers en Oostenrijkers en hun Oekraïense trawanten één van de grootste misdaden uit de geschiedenis van de mensheid plegen, vraagt Wójcik zich af. Een belangrijke verklaring hiervoor was misleiding. De slachtoffers moesten tot het einde toe geloven dat ze in het oosten tewerk werden gesteld. Daarvoor lieten de nazi’s alles er zo normaal mogelijk uitzien. Het maakte niet uit of een transport midden in de nacht aankwam of bij het ochtendgloren, op het ‘perron’ van station Treblinka arriveerde, de grote stationsklok stond altijd op klokslag zes uur. Gevangenen zagen bij het openen van de deuren aangeharkte bloemperken, geruststellende bordjes als ‘telefoon’, of ‘wachtruimte’. Daarnaast hing de dienstregeling met vertrektijden naar Berlijn, Wenen of Warschau.

Het eerste wat mensen echter hoorden toen de wagons opengingen was geschreeuw: ‘Raus, raus, schnell, schnell!’ Wie aarzelde kreeg klappen. Niemand begreep wat er aan de hand was. De mensen die door de selectie waren gekomen moesten razendsnel doorgronden hoe het in Treblinka werkte om te kunnen overleven. Om de menselijke overlevingsdrang te illustreren, citeert Wójcik veelvuldig treffende en indringende verslagen van overlevenden. Eén van die bronnen is de Tsjechische jood Richard Glazar (1920-1997), die met het boek Ontsnapt uit Treblinka (1994) een schokkend getuigenverslag schreef. Direct na aankomst vroeg Glazar: ‘Luister wat gebeurt hier? Waar is de rest – al die naakte mensen?’ ‘Dood, allemaal dood. Zo niet nu, dan zeker over een paar minuten. Dit is een dodenkamp, hier worden joden afgemaakt en wij zijn uitgekozen om te helpen.’

Werk betekent alles

Treblinka bestond uit twee gedeelten; een voorkamp waar de kleding van de vermoorde joden werd gesorteerd en een Totenlager. De gevangenen die niet door de selectie waren gekomen moesten zich in een barak uitkleden, waarna het haar werd afgeknipt. Voordat de joden door de koolmonoxide van een Russische tank zouden worden vergast, passeerden ze eerst de SS’er Franz Suchomel. Gezeten in een houten keet gaven de naakte mannen en vrouwen voor hun dood aan hem hun laatste aardse kostbaarheden af. Daarna liepen ze via de Schlauch het complex met de gaskamers binnen. Als eenmaal de ijzingwekkende kreten van de stervenden waren verstomd, stond het Sonderkommando klaar om de in elkaar verwrongen lichamen uit elkaar te trekken en op karretjes te vervoeren naar de massagraven.

Glazar en zijn vriend Karel Unger hadden geluk. Ze mochten in de kleermakerswerkplaats werken, waar hoge SS’ers bontjassen voor hun vrouwen kwamen scoren. De Tsjechen beseften al snel dat nette kleren ervoor zorgde dat de Duitsers hen beter behandelden dan de in lompen geklede Poolse joden. De rest van de kampbewoners keek op tegen de Tsjechen en zag ze ‘als goeie jongens’. Wójcik beschrijft hoezeer de gevangenen ontmenselijkten. Glazar, die een obsessie met hygiëne had, vertelt dat ze elke dag schoon ondergoed probeerden te krijgen. ‘Als ik een pyjama twee nachten aan had gehad, dan zat hij vol bloedvlekken, waar ik het ongedierte dat ’s nachts binnenkwam, had doodgeknepen. Dan dacht ik: morgen heb ik een andere nodig. Ik hoop dat er mooie zijden zijn: ze zijn al onderweg.’

Poolse geschiedvervalsing

In de loop van 1943 ruimden de nazi’s de bewijzen van hun massamisdaad op. Grote graafmachines groeven de lijken uit de massagraven op, waarna ze op enorme speciaal ontworpen roosters, werden verbrand. Bovendien merkten de gevangenen dat er nauwelijks nog transporten arriveerden, omdat de joden uit de omliggende steden allemaal al waren vermoord. ‘Er werd hardop over gepraat dat zodra de grafkuilen in het zuidwesten klaar zijn, er voor ons geen werk meer zal zijn, en dan zullen ze ons uit de weg ruimen, dus we hebben niets te verliezen.’ Koortsachtig werden er plannen gesmeed om in opstand te komen. Oekraïense bewakers – altijd belust op geld – werden omgekocht om wapens Treblinka in te smokkelen.

De definitieve datum werd vastgesteld op 2 augustus 1943. Wójcik schets in een spannend relaas hoe het complot door verraad bijna aan het licht kwam. Na de eerste explosies waren de Duitsers totaal verrast en sloegen aanvankelijk op de vlucht, omdat ze geen idee hadden waar de aanval vandaan kwam. Uiteindelijk hebben van de 900 gevangenen die in Treblinka waren, 80 opstandelingen de oorlog overleefd. Vele gevangenen vielen alsnog ten prooi aan Poolse buurtbewoners, die tegen betaling maar wat graag bereid waren ze aan de nazi’s uit te leveren.

Wójcik bewijst overtuigend dat de opstand het werk was van de joodse gevangenen zelf. Ze kregen geen hulp van het ondergrondse Poolse leger, Armia Krajowa. De Poolse historicus Jan Gozdawa-Golębiowski veranderde na de oorlog de joodse opstand in een Pools-joodse opstand ‘voor onze en jullie vrijheid’. Gozdawa-Golębiowski publiceerde in 1969 het artikel ‘Operatie Treblinka’, dat door de Poolse Academie van Wetenschappen werd uitgegeven en waarin hij zwaar leunt op de verklaring van de dubieuze getuige Władysław ‘Poraj’ Rażmowski. Polen had na het oplaaiende antisemitisme van het jaar ervoor een positief verhaal nodig. Alle door ‘Poraj’ genoemde feiten, zoals het tijdstip van de opstand en de bewering dat er partizanen in het bos klaarstonden om de opstandelingen te helpen, worden echter door overlevenden als Glazar tegengesproken. Wójcik laat geen spaan heel van deze schaamteloze vorm van geschiedvervalsing, die tot het moment van deze publicatie in de Poolse wetenschappelijke literatuur een hardnekkig eigen leven leidde.

Treblinka treinrails
Boeken / Non-fictie

Opstand Treblinka werd onterecht geclaimd door Polen

recensie: Treblinka 1943. Het verhaal van de opstand in het vernietigingskamp - Michał Wójcik
Treblinka treinrails

Tussen juli 1942 en oktober 1943 werden op een oppervlakte ter grote van een voetbalstadion 900.000 mensen vermoord. De Poolse historicus Michał Wójcik beschrijft in zijn indrukwekkende boek Treblinka 1943. Het verhaal van de opstand in het vernietigingskamp hoe de Apocalyps eruit moet hebben gezien.

Uit de bank van de in smetteloos wit geklede kampcommandant Franz Stangl (1908-1971) steeg een doordringende geur op. Parfum. De parfum moest de afschuwelijke stank van het kamp, veroorzaakt door rottende en verbrande lijken, en die elke gedachte onmogelijk maakte, maskeren. Maar in Treblinka werkte dat niet. Toen Stangl bij aankomst uit zijn auto stapte, beweerde hij tot zijn knieën in het geld te hebben gestaan. Geld dat door de laatste ‘lading’ uit de wagons was achtergelaten. Al snel zag hij dat het opruimen van de puinhopen in het kamp onmogelijk was. Stangl wilde de opdracht aan zijn baas Odilo Globocnik teruggeven, omdat ‘Treblinka het einde van de wereld was.’ Globocnik counterde onmiddellijk: ‘Het wordt verondersteld het einde van de wereld voor hen te zijn.’

Mystificatie

Hoe konden slechts 33 Duitsers en Oostenrijkers en hun Oekraïense trawanten één van de grootste misdaden uit de geschiedenis van de mensheid plegen, vraagt Wójcik zich af. Een belangrijke verklaring hiervoor was misleiding. De slachtoffers moesten tot het einde toe geloven dat ze in het oosten tewerk werden gesteld. Daarvoor lieten de nazi’s alles er zo normaal mogelijk uitzien. Het maakte niet uit of een transport midden in de nacht aankwam of bij het ochtendgloren, op het ‘perron’ van station Treblinka arriveerde, de grote stationsklok stond altijd op klokslag zes uur. Gevangenen zagen bij het openen van de deuren aangeharkte bloemperken, geruststellende bordjes als ‘telefoon’, of ‘wachtruimte’. Daarnaast hing de dienstregeling met vertrektijden naar Berlijn, Wenen of Warschau.

Het eerste wat mensen echter hoorden toen de wagons opengingen was geschreeuw: ‘Raus, raus, schnell, schnell!’ Wie aarzelde kreeg klappen. Niemand begreep wat er aan de hand was. De mensen die door de selectie waren gekomen moesten razendsnel doorgronden hoe het in Treblinka werkte om te kunnen overleven. Om de menselijke overlevingsdrang te illustreren, citeert Wójcik veelvuldig treffende en indringende verslagen van overlevenden. Eén van die bronnen is de Tsjechische jood Richard Glazar (1920-1997), die met het boek Ontsnapt uit Treblinka (1994) een schokkend getuigenverslag schreef. Direct na aankomst vroeg Glazar: ‘Luister wat gebeurt hier? Waar is de rest – al die naakte mensen?’ ‘Dood, allemaal dood. Zo niet nu, dan zeker over een paar minuten. Dit is een dodenkamp, hier worden joden afgemaakt en wij zijn uitgekozen om te helpen.’

Werk betekent alles

Treblinka bestond uit twee gedeelten; een voorkamp waar de kleding van de vermoorde joden werd gesorteerd en een Totenlager. De gevangenen die niet door de selectie waren gekomen moesten zich in een barak uitkleden, waarna het haar werd afgeknipt. Voordat de joden door de koolmonoxide van een Russische tank zouden worden vergast, passeerden ze eerst de SS’er Franz Suchomel. Gezeten in een houten keet gaven de naakte mannen en vrouwen voor hun dood aan hem hun laatste aardse kostbaarheden af. Daarna liepen ze via de Schlauch het complex met de gaskamers binnen. Als eenmaal de ijzingwekkende kreten van de stervenden waren verstomd, stond het Sonderkommando klaar om de in elkaar verwrongen lichamen uit elkaar te trekken en op karretjes te vervoeren naar de massagraven.

Glazar en zijn vriend Karel Unger hadden geluk. Ze mochten in de kleermakerswerkplaats werken, waar hoge SS’ers bontjassen voor hun vrouwen kwamen scoren. De Tsjechen beseften al snel dat nette kleren ervoor zorgde dat de Duitsers hen beter behandelden dan de in lompen geklede Poolse joden. De rest van de kampbewoners keek op tegen de Tsjechen en zag ze ‘als goeie jongens’. Wójcik beschrijft hoezeer de gevangenen ontmenselijkten. Glazar, die een obsessie met hygiëne had, vertelt dat ze elke dag schoon ondergoed probeerden te krijgen. ‘Als ik een pyjama twee nachten aan had gehad, dan zat hij vol bloedvlekken, waar ik het ongedierte dat ’s nachts binnenkwam, had doodgeknepen. Dan dacht ik: morgen heb ik een andere nodig. Ik hoop dat er mooie zijden zijn: ze zijn al onderweg.’

Poolse geschiedvervalsing

In de loop van 1943 ruimden de nazi’s de bewijzen van hun massamisdaad op. Grote graafmachines groeven de lijken uit de massagraven op, waarna ze op enorme speciaal ontworpen roosters, werden verbrand. Bovendien merkten de gevangenen dat er nauwelijks nog transporten arriveerden, omdat de joden uit de omliggende steden allemaal al waren vermoord. ‘Er werd hardop over gepraat dat zodra de grafkuilen in het zuidwesten klaar zijn, er voor ons geen werk meer zal zijn, en dan zullen ze ons uit de weg ruimen, dus we hebben niets te verliezen.’ Koortsachtig werden er plannen gesmeed om in opstand te komen. Oekraïense bewakers – altijd belust op geld – werden omgekocht om wapens Treblinka in te smokkelen.

De definitieve datum werd vastgesteld op 2 augustus 1943. Wójcik schets in een spannend relaas hoe het complot door verraad bijna aan het licht kwam. Na de eerste explosies waren de Duitsers totaal verrast en sloegen aanvankelijk op de vlucht, omdat ze geen idee hadden waar de aanval vandaan kwam. Uiteindelijk hebben van de 900 gevangenen die in Treblinka waren, 80 opstandelingen de oorlog overleefd. Vele gevangenen vielen alsnog ten prooi aan Poolse buurtbewoners, die tegen betaling maar wat graag bereid waren ze aan de nazi’s uit te leveren.

Wójcik bewijst overtuigend dat de opstand het werk was van de joodse gevangenen zelf. Ze kregen geen hulp van het ondergrondse Poolse leger, Armia Krajowa. De Poolse historicus Jan Gozdawa-Golębiowski veranderde na de oorlog de joodse opstand in een Pools-joodse opstand ‘voor onze en jullie vrijheid’. Gozdawa-Golębiowski publiceerde in 1969 het artikel ‘Operatie Treblinka’, dat door de Poolse Academie van Wetenschappen werd uitgegeven en waarin hij zwaar leunt op de verklaring van de dubieuze getuige Władysław ‘Poraj’ Rażmowski. Polen had na het oplaaiende antisemitisme van het jaar ervoor een positief verhaal nodig. Alle door ‘Poraj’ genoemde feiten, zoals het tijdstip van de opstand en de bewering dat er partizanen in het bos klaarstonden om de opstandelingen te helpen, worden echter door overlevenden als Glazar tegengesproken. Wójcik laat geen spaan heel van deze schaamteloze vorm van geschiedvervalsing, die tot het moment van deze publicatie in de Poolse wetenschappelijke literatuur een hardnekkig eigen leven leidde.

Boeken / Fictie

Wat als Hillary nooit met Bill was getrouwd?

recensie: Curtis Sittenfeld - Rodham

In het echt weet natuurlijk iedereen dat Hillary Rodham met Bill Clinton trouwde en het zelf in 2016 bijna tot president van de Verenigde Staten schopte, ware het niet dat Donald Trump de verkiezingen won. In de roman Rodham (2020) schetst Curtis Sittenfeld een ander, verfrissend scenario.

Geloofwaardige fictie

De roman begint bij de afscheidsspeech van Hillary op haar middelbare school. Al op jonge leeftijd weet ze haar luisteraars te raken en een breed publiek aan te spreken. Als ze vervolgens rechten gaat studeren aan Yale University, leert ze Bill kennen. Tot zover volgt Sittenfeld de realiteit. Ze doet uitgebreid verslag van de prille relatie die tussen de twee ontstaat. Bill komt al snel in een slecht daglicht te staan wanneer Hillary hem tijdens hun relatie betrapt met een andere vrouw.

Dit blijkt slechts het begin te zijn van vele misstappen van Bill, tijdens en ook na hun relatie. In deze roman kiest Hillary namelijk voor zichzelf door niet met Bill te trouwen, al is hij de liefde van haar leven. Anders dan andere vrouwen met wie hij een relatie krijgt, neemt Hillary zijn ontrouw niet voor lief en zet in plaats daarvan alles op alles om haar persoonlijke carrière op poten te zetten. Wat haar goed lukt: van plaatselijk gemeenteraadslid weet ze op te klimmen tot Senaatsvoorzitter en uiteindelijk zelfs tot de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten. Sittenfeld beschrijft op plausibele wijze wat er had kunnen gebeuren als niet Donald Trump, maar zij de verkiezingen had gewonnen.

Tomeloze energie

Op meeslepende wijze toont Sittenfeld hoe Hillary met haar bijzondere mix van intelligentie, oprechte betrokkenheid en doortastendheid de kiezer voor zich weet te winnen. Daarbij schuwt ze niet haar hoofdpersoon zo nu en dan op een genante, maar voor de lezer grappige wijze op de hak te nemen. Maar wat vooral beklijft, is haar tomeloze energie om haar idealen dag in dag uit, tot in de verste uithoeken van Amerika te verwezenlijken. ‘De gewone man’, dat is waar Hillary haar pijlen op richt, en dat die zich door haar gehoord en gesteund voelt, blijkt niet alleen uit de stemmen bij de verkiezingen, maar ook uit gesprekken die ze voert met vrouwen, mannen en kinderen die naar haar toespraken komen luisteren.

Hillary en het feminisme

Zeer gedetailleerd beschijft Sittenfeld haar personage. Niet alleen op verschillende leeftijden, maar ook vanuit de verschillende rollen die ze in haar leven speelt: die van partner, vriendin, politicus, docent en feminist. Het feminisme ligt er niet duimendik bovenop, maar speelt zeker wel een rol in de roman. Hoe kan het ook anders: Hillary ging studeren in een tijd waarin het feminisme zijn opmars deed, vrouwen steeds meer rechten bevochten en opkwamen voor zaken die voor mannen in die tijd – en voor sommigen nog steeds in deze – onterecht als vanzelfsprekend werden gezien. Te beginnen in de academische wereld: vrouwelijke studenten en professoren hadden het zwaar te verduren en moesten opboksen tegen de heersende mannelijke normen en waarden. Vrouwen zijn in de politiek ook vandaag de dag nog ondervertegenwoordigd, en ook daar krijgen vrouwen vaak te maken met vooroordelen en haatreacties. Sittenfeld beschrijft dit gegeven gewoon zoals het is, zonder veroordelend te zijn en zonder vrouwen in het zielige hoekje te drukken.

Absoluut het lezen waard

Rodham is daarmee een geslaagde ‘wat-als-roman’, want wat als Hillary niet met Bill was getrouwd? Sittenfeld zet haar personage neer als een klankbord voor zowel mannen als vrouwen uit alle lagen van de samenleving. Niet zozeer het feit dat Hillary het niet tot president geschopt heeft, maar haar bijdrage aan een betere wereld voor iedereen, is wat deze roman absoluut het lezen waard maakt.

Boeken / Non-fictie

Een bundel om van te snoepen

recensie: Henny Vrienten - De een is de ander niet

Iedere Nederlander die van popmuziek houdt zal Henny Vrienten kennen. Of het nu van zijn werk met Doe Maar is of als soloartiest of van zijn samenwerkingsverband Vreemde Kostgangers. Vrienten staat garant voor een herkenbaar stemgeluid en een dito zangstijl. Nu zijn zijn songteksten gebundeld in het smakelijke boekje De een is de ander niet.

In het boekje De een is de ander niet staan de songteksten van Vrientens solowerk centraal. Deze worden gelardeerd met korte verhaaltjes en tekeningen. Alle songteksten die Vrienten schreef na Doe Maar in de periode van 1984 tot 2019 zijn hierin verzameld. Het zijn songteksten die gerust gelezen kunnen worden als gedichten.

Kennismaking

Een nieuw boek om te recenseren is altijd een soort cadeautje. Bij aankomst van De een is de ander niet voelt dat ook zeker zo. Bij het uitpakken gaat uw recensent altijd kriskras even proeven aan het boek. Deze keer wordt na wat bladeren een eerste tekstfragment willekeurig uit het boek gelezen. De greep bracht een geweldig verhaal naar voren over de totstandkoming van de albums van het samenwerkingsverband Vreemde Kostgangers. Een groep bestaande uit Nederpopgrootheden Boudewijn de Groot, George Kooymans en natuurlijk Henny Vrienten. Zo leren we in één klap dat De Groot alle teksten schreef voor hun tweede album en Vrienten voor het eerste album vier liedjes doneerde, die dan ook in dit boekje zijn terug te vinden. Een prachtig begin van de kennismaking met dit boek en een mooi breekpunt in de solocarrière van Vrienten, om de tocht door het boek daarna chronologisch op te pakken.

Meteen is helder dat Vrienten naast de reeds bekende songteksten ook fijne verhaaltjes toevoegt om meer inzicht te geven in de tijd waarin de liedteksten tot stand kwamen. Het colofon vertelt dat de tekeningen, die her en der in het boek te vinden zijn, uit de werkschriften van Vrienten zijn overgenomen. Die tekeningen die de teksten illustreren zijn dus tevens historisch materiaal, horende bij de liedjesteksten.

Voor fans een must

Wie de liedjes van Vrienten niet kent kan nog altijd dit alleraardigste boekje lezen als een dichtbundel met niet al te zware kost. Je hoeft niet diep te graven om de teksten van Vrienten te doorgronden. Daar zijn het tenslotte liedjes voor. Voor wie de liedjes en carrière van Vrienten wel op het netvlies heeft, is dit een leuke tijdreis door zijn muzikale leven na Doe Maar. De verhalen zijn soms verhelderend voor de tijdsgeest van de albums, soms vermakelijk, maar altijd smaakvol en fijn om te lezen.
Voor de fans van de muziek van Henny Vrienten is het boekje wel een must vanwege de verhalen, om de tekeningen te zien en zijn songteksten in een beter leesbaar formaat bij de hand te hebben dan in een onmogelijk lettertype in een cd-boekje.

Het boekje is handzaam en ziet er qua vormgeving uit als een werkschrift. Het is geen boek dat uitnodigt om in één adem uit te lezen. Het is een boek om regelmatig van te ‘snoepen’. Even een stukje tussendoor. Iets wat helemaal past in de tijd waarin we toch al erg gewend zijn aan het versnipperen van onze aandacht.

Boeken / Non-fictie

Habsburgers wilden vooral boven de partijen staan

recensie: De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht - Martyn Rady

Als in de laatste scène van Shakespeare’s Hamlet alle helden dood op de grond liggen, verschijnt plotseling prins Fortinbras uit Noorwegen op het toneel om de vacante troon op te eisen. De Habsburgers, die tussen 1273 en 1918 vrijwel onafgebroken heersten over grote delen van Midden-Europa, handelden precies zo. In zijn vlot vertaalde boek De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht beschrijft Martyn Rady mooi hoezeer de Habsburgers in de beginperiode afhankelijk waren van het leed van anderen.

De Habsburgers kwamen oorspronkelijk uit Zwaben. In de dertiende eeuw verdienden ze veel geld met tolheffing. Na de val van de Hohenstaufers werd Rudolf I (1218-1291) in 1273 in Aken zelfs tot rooms-koning van het Heilig Roomse Rijk gekozen. Door een uitgekiende huwelijkspolitiek wist Rudolf bovendien Oostenrijkse gronden in bezit te krijgen. Toch werden de Habsburgers in 1356 buiten het belangrijkste document uit de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk, de Gouden Bul, gehouden. Daardoor mochten ze niet meebeslissen wie tot koning werd benoemd. Uit nijd schudden de Habsburgers hun Zwabische verleden af en werden Oostenrijkers.

Verzonnen verleden

Daarvoor moesten deze parvenu’s zichzelf wel opnieuw uitvinden. Met behulp van vijf oorkondes vervalste Rudolf van Habsburg (1339-1365) de familiestamboom. Daarin stond de totale macht van de nieuw gecreëerde functie van de aartshertog van Oostenrijk centraal, was de kerk ondergeschikt aan hem en werden zijn functie en goederen erfelijk. Om een link met de Romeinen te kunnen leggen, beweerde Rudolf van de Romeinse senatoren-familie Colonna af te stammen. Op die manier konden de Habsburgers zichzelf als de ware erfgenamen van de keizerlijke titel presenteren.

Humanisten deden daar in de zestiende eeuw nog een schepje bovenop. Ze dichtten de Habsburgers een uitzonderlijke status van ‘universele monarchen’ met de daarbij behorende keizerstitel toe. Uit de hofbibliotheek van Wenen (gebouwd in de jaren 1720) blijkt de grenzeloze ambitie van de Habsburgers. Op de pilaren van de bibliotheek, die staan voor de zuilen van Hercules, prijkt het motto van de familie Plus Ultra (steeds verder). Op het fresco daarboven staan drie godinnen die een vaandel dragen waarop AEIOU staat geschreven. Dit acrostichon staat hoogstwaarschijnlijk voor Alles Erdlich Ist Österreich Untertan: het is aan Oostenrijk de gehele wereld te beheersen. Overigens vond de beroemdste humanist Erasmus dergelijke pretenties maar onzinnig: ‘koningen en gekken worden geboren en niet gemaakt.’

Huwelijkspolitiek

Net als prins Fortinbras waren de Habsburgers er als de kippen bij om bezittingen van uitgestorven adellijke families te ‘claimen’. Daarnaast waren ze gelukkig in het sluiten van politieke allianties door het uithuwelijken van hun kinderen. Die huwelijken waren niet zonder risico. Frederik III (1415-1493) smeedde het over Europa versnipperde erfgoed aaneen. Zijn opvolger Maximilaan (1459-1519) nam een gok door het sluiten van huwelijken met het Huis van Jagiello (Hongarije en Bohemen) en het Huis van Aragón (Spanje). Doordat beide huwelijken geen mannelijke erfgenaam opleverden, kregen de Habsburgers grote delen van Midden-Europa én de Spaanse bezittingen in de Nieuwe Wereld in de schoot geworpen. Niet voor niets was een bekende uitspraak uit de zeventiende eeuw: ‘Terwijl anderen oorlog voeren, trouw jij, Gelukkig Oostenrijk.’

Maximiliaan I en zijn familie

Onder keizer Karel V (1500-1558), gezegend met de door inteelt veroorzaakte terugwijkende bovenkaak en vooruitgeschoven kin, groeiden de Habsburgers uit tot een wereldmacht met een nieuwe missie. In de visie van Karel moest de dynastie op één lijn worden gebracht met de verdediging van het katholieke geloof. Opmerkelijk genoeg streefde Karel ernaar boven de partijen te staan. Karel droomde aanvankelijk van vrede met alle christelijke vorsten en zocht naar een theologische formule om de verschillen tussen katholicisme en het opkomende protestantisme te overbruggen. Rady stipt deze episode jammer genoeg slechts summier aan, zoals alle Habsburgers in sneltreinvaart worden behandeld. Overigens toonde Karel zich na de overwinning op protestantse vorsten mild: krachtens de Vrede van Augsburg van 1555 mochten vorsten en heren zelf bepalen welk geloof ze aanhingen.

Keizer Karel V

Don Juan

Na de dood van Karel in 1558 vielen de Habsburgse bezittingen uiteen. Zijn zoon Filips II (1527-1598) erfde het Spaanse deel inclusief de Nederlanden, terwijl Karels broer Ferdinand (1503-1564) over het Midden-Europese deel regeerde. Filips ontpopte zich in zijn gebieden tot een onverzoenlijke geloofsfanaticus. Om de band tussen de dynastie en het katholieke geloof te onderstrepen liet Filips buiten Madrid het Escorial bouwen, compleet met een mausoleum waarin hij familieleden liet (her)begraven. Ferdinand was pragmatischer. Hij accepteerde dat protestanten in verschillende landdagen in de meerderheid waren en zette protestanten op sleutelposities van het steeds verder uitdijende overheidsapparaat.

Escorial

Toen in de Nederlanden in de jaren 1560 het protest van edelen tegen aangekondigde hervormingen uitmondde in de eis om godsdiensttolerantie, reageerde Filips door Alva te sturen. Rady beschrijft het allemaal als een wervelwind, waarbij je af en toe snakt naar een smeuïge anekdote. Gelukkig staan die sporadisch ook in het boek. Toen Filip’s halfbroer Don Juan in oktober 1578 na een mislukt avontuur als landvoogd van de Nederlanden stierf, maakten de Engelsen en de opstandelingen op zee de dienst uit. Om te voorkomen dat de vijand Don Juan in handen kreeg, werd zijn lijk daarom niet per schip vervoerd, maar in stukken gehakt, in zadeltassen gestopt en via Frankrijk naar Madrid gestuurd. Daar werden de delen samengevoegd en in het Escorial begraven.

Bureaucratische botanisten en verzamelaars

Maria Theresia (1717-1780) en haar zoon Jozef II (1741-1790) zagen de staat als een machine waarin alle tandraderen precies op elkaar ingrijpen. Orde, regelmaat, observatie, verantwoording en bestuur van bovenaf werd de nieuwe bestuursstijl. Om de staatsbureaucratie optimaal te laten draaien hervormden zij het leger en de belastingen, maar ze innoveerden ook. Onder hun bewind professionaliseerde het ambtenarenapparaat door de instelling van vaste werktijden (8-19 uur). Tevens hielden ze in verband met de rekrutering van het leger volkstellingen, al snel gevolgd door een andere noviteit, het nummeren van huizen.

Daarnaast waren de Habsburgers verwoede verzamelaars van dieren, medailles, munten en planten. Het verzamelen en verspreiden van (wetenschappelijke)kennis werd een nieuwe missie van de Habsburgers. Vandaar dat hun verzamelingen – volgens de laatste wetenschappelijke inzichten zorgvuldig werden gecatalogiseerd en toegankelijk waren voor het publiek. Zo stond de echtgenote van Maria Theresia, Frans Stefan (1708-1765), aan de wieg van het Museum van Natuurlijke Historie in Wenen en was de dierentuin van Schönbrunn (1752) de grootste van Europa. Ook hier trakteert Rady de lezer op een aandoenlijk verhaal. Toen in 1775 een Oostenrijkse Oost-Indische Compagnie werd opgericht en Oostenrijk kortstondig over een zeemacht beschikte, deed Jozef II (1741-1790) dat niet vanuit commerciële motieven. Eigenlijk was hij slechts geïnteresseerd in het vervangen van zijn botanische collectie, die door een ongeluk in zijn kassen verloren was gegaan.

Zwanenzang

Na de val van Napoleon creëerden de grootmachten van Europa tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) een nieuw machtsevenwicht. Metternich, de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zorgde ervoor dat de status-quo stand hield. Toen in 1848 Europa in de ban raakte van revolutionaire omwentelingen, bleven de Habsburgers dankzij het leger in het zadel. Frans Jozef (1830-1916) voerde weliswaar een eigen grondwet in, maar moest niets hebben van politieke inspraak. Voor zijn bureaucratische absolutisme vertrouwde hij alleen op ambtenaren. Na de verpletterende nederlaag tegen Pruisen in 1862 ontstond in 1867 de ‘dubbelmonarchie’ Oostenrijk-Hongarije, een multinationaal gedrocht. Hongarije werd onafhankelijk maar bleef wel binnen het Habsburgse Rijk.

Congres van Wenen (1814 – 1815)

Rady laat goed zien hoe deze constructie een voedingsbodem bleek voor het nationalisme dat in alle Habsburgse gebieden sluimerde. De status aparte van Hongarije wekte de jaloezie van andere volkeren, zoals de inwoners van Bohemen, die zich achtergesteld voelden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, die begon met de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand – over wie Rady opvallend mild oordeelt – schaarden de verschillende nationaliteiten van het rijk zich nog één keer achter de keizer. Desondanks was het lot van de Habsburgers verbonden met dat van het Duitse keizerrijk. Waar eerder na een verloren slag een verdrag kon worden gesloten en eventuele gebieden werden prijsgegeven, moest de blanco cheque van 1914 aan Duitsland worden terugbetaald. Door de nederlaag van Duitsland spatte het Habsburgse rijk uiteen.

Boeken / Fictie

Een zelfmoord in zeer korte verhalen

recensie: Jente Posthuma – Waar ik liever niet aan denk

In de nieuwste roman Waar ik liever niet aan denk (2020) van Jente Posthuma verliest de naamloze ik-figuur haar tweelingbroer door zelfmoord. Met haar observerende schrijfstijl die schijnbaar aan de oppervlakte blijft maar intussen scherp is georkestreerd, toont Posthuma de grillige contouren van een eenzaam en pijnlijk rouwproces.

Posthuma die in 2012 de A.L. Snijdersprijs voor het beste Zeer Korte Verhaal won, etaleert datzelfde talent ook in Waar ik liever niet aan denk. De hoofdstukken in de roman zijn kort, soms maar een halve bladzijde, en niet-chronologisch opgesteld. In weinig woorden weet Posthuma subtiele scenes uit het dagelijks leven van de ik-figuur neer te zetten die vaak verrassend in elkaar zijn gevlochten.

Waar ik liever niet aan denk gaat over familie, volwassen worden en de magnetische werking van de dood. Het verhaal maakt met name indruk door de rauwe relatie tussen de ik-figuur en haar tweelingbroer. Geen romantisch beeld van een onafscheidelijke tweeling, maar juist de strijd staat centraal, het tot elkaar veroordeeld zijn. Ze schipperen tussen afstand en nabijheid, begrip en onbegrip, alleen-zijn en samenzijn, met – voor de lezer – de continue schaduw van de zelfmoord van de broer: het definitieve afscheid.

Waar ik liever niet aan denk is een menselijke roman waarin de details de boventoon voeren: een voorliefde voor wollen truien, samen lachen om een piklapje en dromen over New York. De ik-figuur slijt haar dagen in ‘een stad vol poppetjes’, waarvan ze er zelf een is, waarvan haar broer er een was, maar waarin die miniatuurlevens ontegenzeggelijk groot kunnen zijn, vooral in hun afwezigheid. De ogenschijnlijk onbenullige details – van hele mensenlevens tot favoriete bekers, tv-series en een Suske & Wiske – worden door de dood verheven. Posthuma weet dat kwetsbare mechanisme raak te beschrijven.

Boeken / Reportage
special: Waar kijkt onze redactie deze maand naar uit?
Stichting Buitenkunst

8WEEKLY staat te trappelen

Elke maand zijn er zoveel mooie albums, voorstellingen en boeken te beluisteren, zien en lezen dat het soms lastig is om de parels ertussenuit te vissen. Daarom vertelt onze redactie in 8WEEKLY staat te trappelen waar zij zich de komende maand het allermeest op verheugen. Deze maand kijken we uit naar een boek over mysterieuze standbeelden, een zomers album en een week vol verrassingen.

A Beautifully Foolish Endeavor: een boek over mysterieuze standbeelden en vriendschap
Door Dorien Pool

Een boek waar ik erg naar uitkijk is A Beautifully Foolish Endeavor van Hank Green (de broer van schrijver John Green). Het is het vervolg op zijn youngadultdebuut An Absolutely Remarkable Thing uit 2018. Dat boek draaide om de jonge April May die midden in de nacht een reusachtig standbeeld ontdekt in New York. Overal ter wereld blijken dezelfde standbeelden te zijn verschenen. April is de eerste die hier een vlog over maakt en ze wordt daarmee wereldberoemd. Samen met een online community probeert ze het raadsel van de beelden op te lossen: waarom zijn ze er? Een heel tof verhaal met sciencefictionelementen, dat vooral gaat over vriendschap en de kracht en het gevaar van sociale media. Het verhaal stak goed in elkaar en bevatte genoeg spanning dat ik door wilde blijven lezen. Ik ben benieuwd of het vervolg even leuk is!

Mordechai: de soundtrack voor een lange, hete zomer
Door Joost Festen

Persoonlijk kijk ik heel erg uit naar het nieuwe album van Khruangbin, Mordechai. Hun eerdere album Con Todo El Mundo vond ik onweerstaanbaar, ondanks dat er geen zang was. Het is een album dat instrumentaal blijft boeien en dat je steeds maar weer wilt horen. Khruangbin maakt lome woestijnrock in een rustig ritme dat meedeint op de zinderende hitte van de woestijn. De afgelopen platen werkte de band wel met zang, zo maakten ze met Leon Bridges onlangs een EP met zijn vocalen. Nu zingen de bandleden Laura Lee Ochoa, Mark Speer en Donald Ray Johnson weer zelf. Op dit album gaan we de Texanen die een Thaise naam aan hun band gaven in het Spaans horen zingen.

Het is een persoonlijk voorrecht dat ik al heb mogen luisteren naar dit album dat binnenkort zal verschijnen. Ik vond Mordechaide perfecte soundtrack voor een lange, hete zomer. De prachtige zang voegt veel toe, maar ook de instrumentale herkenning blijft helder overeind. Khruangbin heeft een herkenbare instrumentale sound ontwikkeld die ze met dit album weer een stap verder brengen. Mordechai is een hele fijne mix kan ik jullie beloven!

Buitenkunst: een week vol verrassingen
Door Roos Wolthers

Buitenkunst is mijn lievelingsplek. Je kunt hier in de zomer een week komen kamperen in het bos. Overdag volg je kunstworkshops, ’s avonds zijn er voorstellingen, concerten en exposities. Het leukste aan Buitenkunst is dat je samen met een groep creatieve mensen een week lang totaal bent afgesloten van de buitenwereld, wat ieder jaar opnieuw leidt tot verrassingen, fantastische feestjes en grote avonturen. Er zijn weinig plekken waar ik zo veel nachten heb doorgehaald, zo hard heb gelachen en zoveel bijzondere voorstellingen heb gezien. Ik mis Buitenkunst het hele jaar door, maar volgende week even een weekje niet, want dan kan ik er weer naartoe.

Het wordt anders dan anders, vanwege alle maatregelen. Maar Buitenkunst is er altijd in geslaagd om onverwachte omstandigheden of tegenvallers te gebruiken om er iets extra bijzonders van te maken. Toen de batjes kwijtraakten pingpongden we met snijplanken en koekenpannen, toen er een hittegolf uitbrak werden er prachtige installatiekunstwerken gemaakt waarin je even kon afkoelen. Ik heb er dus het volste vertrouwen in dat dit juist een van de mooiste edities van de afgelopen jaren zal worden.

Boeken / Non-fictie

Waar is de onzichtbare hand?

recensie: Adam Smith - De welvaart van landen

Adam Smiths klassiek filosofische werk over de vrijemarkteconomie is voor het eerst integraal vertaald in het Nederlands. Toen An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations in 1776 verscheen was het voor die tijd een ‘bestseller’ die binnen zes maanden was uitverkocht.

The Wealth of Nations is al sinds jaar en dag vrij verkrijgbaar op internet. Klassieke teksten zoals die van Smith zijn immers rechtenvrij. Wie het Engels machtig is kan zich laven aan honderden pagina’s economische theorie en zal na goed lezen welgeteld één keer het beroemde begrip ‘onzichtbare hand’ tegenkomen. Dit aan Smith vervlochten idee van het zelfregulerende effect van een markt waarbij het najagen van eigenbelang door kapitalisten het collectieve belang dient, is alom bekend. Voor velen is dat genoeg om te weten en te overwegen.

In dat opzicht is het belangrijkste nut van een complete Nederlandse vertaling dat Smith niet alleen toegankelijker wordt voor een groter publiek, maar ook dat de misverstanden omtrent zijn economische theorie laagdrempeliger kunnen worden aangepakt en andere ideeën dan de onzichtbare hand binnen handbereik komen.

Hachelijke zaak

Het blijft een hachelijke zaak om klassiekers te recenseren. De recensies in de tijd van Smith zelf waren al lovend over het werk en sindsdien is het een van de meest invloedrijke werken geweest in de politieke en economische filosofie. Als zelfs de Schotse filosoof David Hume het boek van Smith prijst om ‘zoveel diepte, gelegenheid en scherpzinnigheid, aangevuld met interessante feiten’, dan lijkt het nog weinig zin te hebben om er meer over te zeggen. Ja, we kunnen vaststellen dat Smith boeiender schrijft dan de saaie Marx, maar voor de rest moet je als recensent je plaats kennen.

Een recensie van een klassieker heeft daarom ook veel meer het doel om de tekst opnieuw onder de aandacht te brengen, dan om het werk zelf te beoordelen. Uitgeverij Boom blijft wat dat betreft onvermoeibaar in de serie Grote Klassieken belangrijke literaire, filosofische en geesteswetenschappelijke werken in vertaling uitbrengen. Het moet vaker zijn opgemerkt, maar sinds 2017 is de serie in een nieuw jasje gegoten en dat moet voor velen nog steeds wennen zijn, of zelfs een doorn in het oog blijven. Wie immers de prachtige serie in de grijze met gouden rand bedrukte covers aan het verzamelen was (want dat doet men bij uitstek met series), krijgt daar nu zuurstokgekleurde edities voor terug. Het blijft gissen naar goede redenen hiervoor, behalve een vernieuwingsdrang omwille van het vernieuwen. Opmerkelijk bovendien dat reeds bestaande grote klassieken ook in een nieuw jasje zijn gegoten, maar lang niet allemaal. Waar begint iemand derhalve met verzamelen?

Veenbaas

Terug naar het werk van Smith. Dat is uitstekend vertaald door Jabik Veenbaas, die eerder al verantwoordelijk was voor enkele andere vertalingen binnen de serie en belangrijke vertalingen van grote filosofische werken op zijn conto heeft, waaronder de Kritieken van Kant die ook bij Boom verschenen. Het moet een monstrueus werk zijn geweest om de 1000 pagina’s aan economische theorie te vertalen. Daarbij zijn er honderden pagina’s aan tekst die enkel relevant en waarschijnlijk vooral interessant waren in de tijd van Smith, maar waar de lezer zich nu werkelijk doorheen moet worstelen. Bij het lezen van het werk dringt zich constant de vraag op wie dit tegenwoordig nog systematisch helemaal lezen wil. Dat moeten de absolute liefhebbers zijn met een bijzondere voorkeur voor moderne economie en geschiedenis.

Ten geleide

Wat zonder meer boeiend is om in één ruk uit te lezen, is het uitgebreide ten geleide van Veenbaas wat als een zelfstandig inleidend essay kan worden gelezen op het werk van Smith. Zo’n toevoeging is geen vanzelfsprekendheid in de serie Grote Klassieken. Soms is een inleiding namelijk summier, soms is er een kort nawoord en vaker is er niet of nauwelijks een gedegen inleidende studie op het werk. Wie echter daadwerkelijk van plan is zich onder te dompelen in de lange verhandelingen van Smith over de economische theorie, heeft een waardevolle steun aan Veenbaas. Een register ontbreekt dan weer wel, zoals dat bij Kierkegaards Of/Of bijvoorbeeld het geval is. In het geheel van de serie lijken dergelijke keuzes nogal willekeurig.

Zichtbaar

Het boek was destijds een groot succes. De eerste druk was al na zes maanden uitverkocht en de verkopen van nieuwe drukken bleven voorspoedig lopen. Toen ik een uitgever vroeg naar zijn verwachting omtrent de oplage van deze Nederlandse vertaling, schatte hij in dat Boom er zeker niet meer dan 800 zou hebben gedrukt. Een snelle uitverkoop zou ook niet voor de hand liggen, al zijn er mensen die de uitgaven opkopen om ze later voor een hogere prijs te verkopen. Volgens hem blijft het een risico om dit soort kostbare projecten uit te geven, zoals ook is gebleken bij De ondergang van het avondland.

Het lijkt er echter niet op dat een boek als De welvaart van landen een dergelijk tragisch lot is beschoren. Op de eerste plaats is het onderdeel van een serie en het heeft daardoor een grotere aantrekkingskracht dan een zelfstandige uitgave. Op de tweede plaats is het een door en door klassieke tekst die altijd wel een weg vindt naar hedendaagse lezers en het onderwijs. We moeten in ieder geval blij zijn met uitgevers die misschien in tegenstelling tot wat Smith zelf zou adviseren, tijd, geld en energie blijven investeren om klassiekers zichtbaar onder de aandacht te brengen.

Boeken / Fictie

Echo’s uit het verleden

recensie: Colson Whitehead - De jongens van Nickel

Colson Whitehead werd bekend bij het grote publiek met zijn vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Hierin vertelt hij over een slaaf die ontsnapt naar het Noorden van de Verenigde Staten. In zijn nieuwe roman De jongens van Nickel beschrijft hij dezelfde thematiek in een andere tijdsperiode. Het is een aangrijpende, urgente roman over een racistisch Amerika.

De jongens van Nickel is een bijzondere vertelling over Elwood, een intelligente Afro-Amerikaanse jongen die door domme pech in de tuchtschool Nickel belandt. Het is een verschrikkelijke plek, de term ’tuchtschool’ blijkt een eufemisme voor ‘gevangenis’ te zijn. De zwarte jongens krijgen er nauwelijks onderwijs en krijgen extreme lijfstraffen te verduren. In de school klinken de echo’s uit het slavernijverleden in de manier waarop de blanke mannen de school runnen: “de zonen hielden de oude gebruiken in ere”.

Het verhaal wordt verteld door een alwetende verteller, wat afstand biedt om het verhaal als lezer aan te kunnen en waardoor het verhaal het particuliere ontstijgt. Dit is niet het verhaal van één jongen maar het verhaal over een racistisch systeem. De vraag wie die verteller dan precies is resulteert bovendien in een prachtige plottwist op het einde van het verhaal.

Woorden van hoop

De situatie voor Elwood lijkt ontzettend uitzichtloos. Zijn toekomst was veelbelovend – hij presteerde goed op school en was toegelaten tot een hogeschool – tot hij in de hel van Nickel terechtkomt. Hier krijgt hij les op basisschoolniveau en ontdekt hij hoe verrot de maatschappij eigenlijk is. Hij is altijd naïef geweest omtrent sociale codes. Als kind hing hij vaak rond in een hotel, en de afwassers daagden hem uit wie het beste kon afwassen. Dit leidde ertoe dat Elwood de gehele afwas deed. Deze zelfde naïviteit zorgt ervoor dat hij op Nickel in de problemen komt en kennismaakt met het ‘witte huis’, de plek waar de afranselingen plaatsvinden. Hij wordt dusdanig toegetakeld dat hij een week in de ziekenboeg verblijft, waar hij een vriendschap voor het leven sluit met Turner.

Ondanks alle misère klinkt er toch hoop in het verhaal, via de woorden van Martin Luther King. Elwood kreeg ooit van zijn oma een lp met een van zijn speeches, en zijn woorden bieden hem steun in de periode dat hij op Nickel verblijft. Ook heeft hij een aantal protesten bijgewoond voordat hij gevangen raakte. Hij weet dat er verzet plaatsvindt tegen de racistische wetten in zijn land. Elwood weigert daarom om zich neer te leggen bij zijn realiteit. Wanneer hij zich stilhoudt dan kan hij overleven, maar om te léven moet hij iets doen. Het verzet biedt hem menselijkheid:

“De wereld had hem zijn hele leven lang haar wetten toegefluisterd en hij had geweigerd om te luisteren, omdat hij in plaats daarvan iets van een hogere orde had gehoord.”

Hij verzint een plan om de school in diskrediet te brengen en kan daarbij de hulp van zijn nieuwe vriend goed gebruiken.

Licht aan het einde van de tunnel

Het verhaal speelt zich af in de jaren 60 van de vorige eeuw maar is helaas nog altijd actueel. De apartheid is dan wel officieel afgeschaft in de VS, maar zit zo diep ingebakken in de mensen dat de praktijk nog altijd racistisch is. Het boek van Whitehead komt daarom als geroepen. Het toont verzet tegen een hardnekkig racisme en de slotscène biedt zelfs een sprankje hoop.

In het nawoord is te lezen dat een school als Nickel echt heeft bestaan. Archeologische vondsten tonen de, vaak hevig toegedane, lichamen van de scholieren. Jongens over wie werd gezegd dat ze waren weggelopen. Met De jongens van Nickel toont Whitehead een inktzwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis, een bladzijde die helaas behoort tot een nog zwarter boek.

Boeken / Poezie

Poëzie van Nederlandse bodem

recensie: Ester Naomi Perquin – Wij zijn de menigte die moeder heet. Hadewijch – Oerewoet

Twee fraaie bundels met verzamelde gedichten in één recensie. Een boek dat door meerdere schrijvers is geschreven en verzameld werd rond één onderwerp: het moederschap. Het andere is het verzameld werk van één schrijver met historische waarde, maar dan leesbaar gemaakt in onze moderne versie van het Nederlands.

Dit jaar verschenen rond de Boekenweek twee interessante verzamelbundels. Sommige verzamelingen van gedichten zijn er om je snel de verschillende facetten van één onderwerp te laten zien: verschillende invalshoeken, facetten, belevingen, verdiepingen en ontboezemingen over hetzelfde thema. De andere verzameling wil het beste van één schrijver in een zo compleet en mooi mogelijk beeld voorschotelen. Beide boeken zijn niet om in één ruk van pagina één tot de laatste letter tot je te nemen. Je snoept als het ware uit deze boeken en gaat ook niet lineair door het boek. Soms herlees je daardoor pagina’s en is het even een feest van herkenning.

Wij zijn de menigte die moeder heet

De verzameling gedichten die Ester Naomi Perquin met elkaar heeft verbonden in dit werk bestrijken een tijdperk tussen 1957 en het heden. Van sommige schrijvers is meer dan één gedicht opgenomen. De poëzie handelt over het moederschap in al haar facetten, waarbij ze zich niet beperkt tot de mens, maar ook het moederschap van een dier meeneemt.

Soms gaat het over de wens om moeder te worden, het ontluikende of het prille moederschap, maar ook het facet van ouder worden en het afscheid nemen van je moeder wordt niet geschuwd. Moeder zijn is niet altijd vrolijk, het kent ook zijn moeilijke kanten. Perquin heeft in deze bundel, die speciaal voor de Boekenweek van 2019 werd samengesteld, een soort 360-graden benadering van het begrip moeder genomen. Van binnenuit, van de moeder zelf, maar ook van alle buitenzijden. Een boek dat ontroert maar ook onderricht over het moederschap. Het doet je beseffen wat moeder zijn inhoudt en doet je verwonderen hoe mooi moederschap kan zijn.

Ik zag een kalfje bij moeder drinken,
een stille handeling die hier nog mag.
Zij stonden in de aanbrekende dag
half slapend in dit drinken te verzinken,
wazig in nevelen, nog haast verborgen.
Over het witte gras heen kwam de morgen.
Bevreesd waadde ik weg van wat ik zag. (De dageraad; Ida Gerhardt)

Bovenstaand gedicht illustreert in hoe weinig woorden iets heel moois geschetst wordt. Een kalf dat bij de dageraad in een koude maand van het jaar in de mist bij zijn moeder drinkt. Niets wil de observator verstoren: noch de stilte, noch het beeld.

Wij zijn de menigte die moeder heet is een zeer leesbare verzameling fraaie poëzie die door veel lezers gewaardeerd zal worden. Voor moeders met een hart voor gedichten is het haast verplichte kost. Maar ook vaders zullen hier literair van smullen.

Oerewoet – Gedichten voer minne en beminnen

Agnes Hoffschulte heeft de gedichten van Hadewijch, die dateren uit de middeleeuwen, vertaald naar het Nederlands van deze tijd, ze ingeleid en toegelicht om ze leesbaar te maken. Dat ze het daarmee nog niet tot lichte leeskost heeft gemaakt is voor ondergetekende een zekerheid na het lezen van vele pagina’s in dit boek. Het onderwerp is de liefde en het bedrijven van de liefde, of liever gezegd het beminnen. Want beminnen is toch heel wat anders dan wat we in de tegenwoordige tijd verstaan onder het bedrijven van de liefde en hoe we dat nu zouden beschrijven.

De vijfenveertig naar onze taal vertaalde gedichten van Hadewijch worden in 237 pagina’s keurig omringd met een inleiding en uitleg. Het is zeker leesbaar en onderhoudend: mooi geschreven en mooi vertaald. Het geeft de lezer en poëzieliefhebber inzage in de middeleeuwse gedichten. Het is geen licht verteerbare kost voor elke dag, maar wel kost die je verrijkt en je aanspoort tot nadenken. Het zijn fijnproeversstrofen die op deze manier tot je komen.

Oerewote van minne
is een kostbare gave.
Wie dat wil inzien
zou haar alleen verlangen.
Die eerst twee waren, maakt zij één,
dat zeg ik in waarheid.
Ze maakt wat zoet is zuur
en de vreemde een nabije buur.
Zij verheft de geringe. (fragment uit gedicht 28)

Eigenlijk is het Hadwijch zelf die met de titel Oerewoet aangeeft wat dit boek bijzonder maakt: het verenigt de liefde met de hartstocht naar de intense opwinding, die door de liefde veroorzaakt wordt. Zo zou het althans in normaal 2019-Nederlands klinken, in tegenstelling tot de wetenschappelijke taal op de kaft van het boek. Voor de gemiddelde lezer vormt precies dit een struikelblok waar Hoffschutte helaas niet van is losgekomen in haar inleidingen en toelichtingen. Oerewoet is absoluut leesbaarder, begrijpelijker en verteerbaarder geworden dan in het middeleeuwse Nederlands. Maar echt Nederlands zoals we hier nu schrijven is het niet geworden. Met extra inspanning weet het boek wel te ontroeren en de schoonheid prijs te geven die het boek ook in deze tijd zijn waarde laat zien. Hadewijch was een groot schrijver als we ook nu nog van deze gedichten kunnen genieten.

Oerewoet    Wij zijn de menigte die moeder heet
Auteur: Hadewijch Auteur: Esther Naomi Perquin
Uitgever: Kok Uitgever: Prometheus
Prijs: 24,99 Prijs: 15,-
ISBN: 9789043530774 ISBN: 9789044639636
Beoordeling: 4 sterren  Beoordeling: 4 sterren

 

 

Boeken / Non-fictie

Optimisme en daadkracht

recensie: George Monbiot - Uit de puinhopen

In Uit de puinhopen schetst George Monbiot op effectieve wijze wat er mis is met het huidige politieke bestel en hoe we daar als de wiedeweerga uit kunnen komen. Aantrekkelijk, vlot en praktisch geschreven wijst hij enkele wegen.

‘Er zijn geen grote verhalen meer’, stelt de postmoderne filosoof Jean-Francois Lyotard. Hiermee bekritiseert Lyotard de opvatting van het modernisme dat wetenschappelijke kennis in het grote verhaal van de historische vooruitgang van de mens past. Wetenschap, in tegenstelling tot bijvoorbeeld religie, heeft echter geen ethiek op zichzelf. Derhalve past wetenschappelijke kennis niet zomaar in ons verhaal. Dat is wel grotendeels gebeurd. We hadden een dialectiek tussen het communisme en het kapitalisme, tot het einde van de Koude Oorlog en de val van de muur. Toen zegevierde het kapitalisme over het communisme en is er geen kritische tegenhanger opgestaan (al zou je de ideeën van bijvoorbeeld Kate Raworths Donut economy misschien als alternatief kunnen noemen). Dat kapitalisme had toen reeds een voorsprong genomen op het einde van de grote verhalen en kennen we onder de noemer: neoliberalisme.

Neoliberalisme

Het systeem dat Monbiot in Uit de Puinhopen hekelt is het neoliberalisme en haar hyperkapitalisme, dat gouden bergen belooft en ervan uitgaat dat de planeet oneindige grondstoffen heeft. Een narratief, zo zal Monbiot zeggen, waaruit weinigen die aan de macht zijn ontwaken, en waar velen, die niet aan de macht zijn, meer en meer een desillusie ervaren. Maar ontwaakt zijn we nog nauwelijks. Daarom is het gebruik van het woord crisis misplaatst in dit boek. Crisis stamt van het Griekse krinein af, wat onderscheiden en beslissen betekent, alsmede keerpunt en beslechten. Een staat dus, waarin ingezien wordt wat er mis is en er gehandeld wordt om dit tij te keren. We bevinden ons eerder in een collectieve dommel. Zeker wanneer je weet dat er in de jaren 50 al voor de gevaren van de uitstoot van fossiele brandstoffen werd gewaarschuwd, getuige deze documentaire uit 1955: https://www.moviemeter.nl/film/41611.

Als we dus niet meer op onze politici kunnen rekenen, wat dan te doen?

Hierin poogt Monbiot een passend, praktisch antwoord te geven. Het zal hem vooral lukken je te inspireren. Hij schrijft met een aanstekelijk enthousiasme en biedt vergezichten. Het woord ‘zal’ is in overvloede aanwezig. Want, stel dat we het huidige narratief vervangen met het narratief dat Monbiot voorstelt, dan zal er een hoop veranderen. Namelijk: een verhaal waarin saamhorigheid en inclusiviteit centraal staan en dat geënt is op een circulaire economie. Een eerlijkere, gezondere en toekomstbestendigere wereld, die met de helse klus om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen aan de slag kan.

Idealisme met de hamer

Om zover te komen dat we weten wat we te veranderen hebben, is het belangrijk eerst in grote lijnen te snappen wat er aan de hand is. Hierin hanteert Monbiot Nietzsche’s methode van de hamer. Hij klopt op de borst van het neoliberalisme om te laten horen dat het hol is. Het neoliberalisme vertelt een effectief verhaal, dat het typische heldenverhaal volgt om deze vervolgens kwaadwillend in te zetten. Dat typische heldenverhaal gaat zoiets als: het land verkeert in wanorde, maar een individu, groep of institutie gaat de strijd aan en tegen alle verwachtingen in overwinnen ze het kwaad en de orde wordt hersteld. Dit heldenverhaal gaat vooral om herstel. Helaas, zo toont Monbiot aan, is dit verhaal hol, hoe graag we het ook willen geloven.

Alternatief

Zonder te claimen dat zijn alternatief het best passende antwoord is, neemt hij de lezer mee in ten minste een alternatief. Daarin staat hij niet alleen. Hij besluit het boek met de opmerkelijke opkomst van Bernie Sanders bij de vorige presidentsverkiezingen in de VS. Sanders vertelt eenzelfde soort verhaal als Monbiot en heeft bijna de presidentsrace gewonnen, met nauwelijks financiële middelen. Het zijn dit soort optimistische voorbeelden die Monbiot voortdurend aanhaalt in zijn boek om te laten zien dat een alternatief mogelijk is. Het is in het delen van deze informatie dat hij je weet te inspireren. Hij beschikt over een rijke, creatieve en diverse hoeveelheid bronnen die hij ter ondersteuning van zijn pleidooi inzet. Hij is her en der constructief boos om het onrecht wat hij opmerkt een naam te geven binnen zíjn samenhangende verhaal. Dit maakt dat Uit de puinhopen in plaats van te verzanden in gefulmineer, een uitweg biedt die haalbaar is en inspireert. Waarbij duidelijk is wat er aan de hand is en waarom dat dient te veranderen. En bovenal, hoe dat te kunnen veranderen.

Gegoten in goed leesbaar proza heb je het boek in een zucht uit. Mocht je minder tijd hebben, maar alsnog nieuwsgierig zijn, dan kun je ook bij tegenlicht terecht: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2017-2018/compassie-als-oplossing.html