Boeken
special: SIGNALEMENT: Utz – Bruce Chatwin
Porselein serviesPixabay

Schoonheid en beng beng (Klassieker-rubriek)

Oog voor details past helemaal bij baron Kaspar Joachim von Utz (kortweg Utz), de hoofdpersoon uit Utz (1988) van de Engelse schrijver Bruce Chatwin (1940-1989). Zo heeft hij zijn begrafenis alvast tot in de puntjes geregeld. Niet dat dit veel helpt, want de communistische Tsjechoslowaakse regering had in 1974 niets op met christelijke rituelen en lapte die aan haar laars. Het boek begint wanneer Utz dood is en wordt begraven: de dragers zetten de kist in een barokkerk in Praag neer en gingen onderhand ontbijten.

Dit signalement is onderdeel van de Klassieker-rubriek van de boekenredactie van 8WEEKLY, gepubliceerd in september en oktober 2026. Voor de andere bijdragen aan deze rubriek, zie de links onderaan dit artikel.

Chatwin weet de sfeer van het communistische land raak te treffen in een sobere, feitelijke stijl. Hij schrijft korte zinnen met soms verouderde – en door Peter van Oers raak vertaalde – woorden zoals ‘veilere’ (te koop). De Sudeten- of volksduitser van joodse afkomst Utz en de naamloze verteller van het verhaal lijken op elkaar. Ze zijn allebei ontwikkeld, aristocratisch, smaakvol en geïnteresseerd in Meissen porseleinen chinoiserieën. Dat laatste is een wrang detail in een ander verband, omdat Chatwin ten tijde van het schrijven van dit boek leed aan een infectie die hij had opgelopen na een reis door China, begin jaren tachtig van de vorige eeuw.

Utz en de verteller ontmoeten elkaar wanneer de laatste in 1967 naar Praag gaat om onderzoek te doen naar de verzameling van Rudolf II, waarover hij is gevraagd een artikel te schrijven. Zij wisselen van gedachten over Utz’ eigen porseleinverzameling. Maar eerst moeten ze van Utz forel eten, een ander ritueel dat nog een hele opgave blijkt te zijn, want forel is niet zomaar voorhanden en eigenlijk gereserveerd voor de machthebbers. Niet dat ze bij Utz thuis nu luid en duidelijk over het beleid kunnen praten, want er wordt meegeluisterd. Dat heeft Utz’ huishoudster Marta op het idee gebracht om met potten en pannen in de weer te gaan. En als het bezoek uitgepraat is, laat ze vet in de steelpan glijden dat dan begint te sissen. ‘Ze is aan het koken’, zegt Utz als naar de oorzaak van het lawaai wordt gevraagd.

Je herkent er de absurdistische humor in die kenmerkend is voor het Tsjechoslowakije waarin – nadat het land zich onttrokken had aan de Russische overheersing – bijvoorbeeld een portret van Stalin tussen de biggenkarkassen in de etalage van een slagerij wordt opgehangen en Russische uniformen aan een waslijn wapperen die over de straat is gespannen.

Utz’ verzameling zal na zijn dood ten deel vallen aan het Staatsmuseum van Praag. Medewerkers komen de collectie alvast in kaart brengen. Tijdens dat bezoek sneuvelt een beeldje, dat daarmee dan ook niet kan worden gecatalogiseerd. Een veelzeggend detail, gezien het vervolg van het verhaal.

Marta snapt dat Utz waarde hecht aan details. Het zijn volgens haar ‘kleine getuigenissen van stijl om te tonen dat hij zich niet gewonnen had gegeven’ aan de lelijkheid van het socialistisch-realisme van de communisten. Utz’ porselein verbeeldt het ware, schone en goede in de wereld en in de mens. Ze voeden de verbeelding die niet platgeslagen kan worden, ze zijn een vorm van vrijheid en een luikje, een kiertje naar een betere wereld.

Die schoonheid staat tegenover het ‘beng beng’ van de potten en pannen. De schoonheid vindt Utz niet alleen in Meissen-porselein, maar ook in literatuur (Meijerink, Gershom Scholem, Kafka, de golemverhalen), operamuziek en de Barcelonastoel, die alleen in die bewoordingen wordt benoemd, maar waarin de goede verstaander meteen die van Mies van der Rohe herkent. Kunst die voor de tijd waarin het boek speelt modern en dus eigenlijk niet gewenst is.

Marta en Utz groeien in hun afkeer van het regime steeds meer naar elkaar toe. Alles wat tussen hen in staat, moet het veld ruimen. De verteller komt er na de dood van Utz in 1974 achter dat de collectie porselein is verdwenen. Gewoon weg. Noch het museum noch de verteller kunnen de verzameling terugvinden. De vraag waar het porselein is gebleven, is een enigma en aan de lezer om te beantwoorden.
De lezer van nu zal bij herlezing van deze dunne novelle er weer veel plezier aan kunnen beleven en veel herkennen van toen hij/zij er kennis mee maakte.

In de prachtig gecaste, ingetogen en sfeervolle film die in 1992 door regisseur George Sluizer naar het boek is gemaakt, wordt een suggestie in die richting uit het boek uitgewerkt. ‘Beng beng’.

Klassieker-rubriek 8WEEKLY, najaar 2026