Boeken / Achtergrond
special: Een interview met Peggy Verzett

Zonder Dionysos wordt de gang naar de supermarkt verschrikkelijk

In een serie interviews voelt 8WEEKLY nieuw of nog onbekend talent uit Nederland en Vlaanderen aan de tand. Voor deze tweede aflevering spraken we met Peggy Verzett.

Eind vorig jaar debuteerde Peggy Verzett (1958) met de dichtbundel Prijken die buik. In de recensie die ik eraan heb gewijd schreef ik dat de Rotterdamse kunstenares de lezer meevoert in welhaast ondoorgrondelijke, maar fascinerende werelden. Tijdens het interview blijken Verzetts werelden niet zo ondoorgrondelijk als gedacht, maar wordt wel mijn vermoeden bevestigd dat haar poëzie eerder om een associatieve dan om een intellectuele benadering vraagt. Maar voordat Verzett het spel doorvoerde in haar poëzie had ze als overtuigd autodidact al een hele weg afgelegd in de beeldende kunst.

“Ik was altijd met schilderen bezig, het stond voor mij op numero één: daar moet ik die galerie mee binnen gaan en daar moet ik proberen om een expositie te krijgen. Het schrijven begon pas vaart te krijgen toen ik afstand begon te nemen door het spel erin toe te laten. Dat is iets van de laatste drie jaar. Ik schrijf niet meer vanuit persoonlijke ervaringen, maar pak wel eens een zin uit de krant die ik mooi vind en die ik nú moet gebruiken. Toen begon het schrijven een nieuwe dimensie te krijgen: het spel kwam er in. Waar ik van tevoren bij het schilderen en het tekenen veel meer vanuit associaties bezig was, deed ik dat in het schrijven veel minder. In de schilderkunst hebben we de ontwikkeling gehad dat we vanuit de verf het schilderij laten ontstaan en niet vanuit de voorstelling of de mimesis. Ik ontdekte dat je ook vanuit woorden dingen tegen elkaar kunt aanzetten. Als je dat heel nauwgezet doet, dan komen daar lijnen en lagen onder te liggen die iets met elkaar doen.”

“In mijn poëzie gaat het om associatievelden. Het is leuk om die velden en gevoelens en beelden, die met elkaar verbonden zijn, naar voren te halen en de taal niet meer te gebruiken vanuit z’n mededelende functie – want zo gebruiken we taal altijd –, maar om de taal terug te brengen naar iets wezenlijkers. Je krijgt het al als je de syntaxis in een zin verandert. Als ik zeg ‘de vriend vertelt het zijn vriend die het zijn vriend vertelt’, dan is dat nog normale grammatica, maar als ik zeg ‘het vertelt zijn vriend het vertelt zijn vriend’, dan krijg je al die vervreemding, waardoor sommige woorden in de spotlight gaan staan, zoals hier het woordje ‘het’.”

De nadag-cyclus

Nadag is ontstaan doordat Verzett bij bepaalde kleuren woorden zocht: “Ik had daar weinig beelden of inhoudelijke gedachten bij. Het enige was het gevoel van een nadag. Ik vind dat zelf een erg mooi moment, ‘s middags als de mensen op hun lauweren gaan rusten of als de schemer gaat vallen, zeker in een stad. Een prachtige sfeer is dat. Het enige wat ik wilde was een paar gedichten schrijven die het gevoel van nadag weergaven.”

hier buiten in de nadag
hoor ik handelshouding

lekhart, staccatovrede
in een ezelsschedel

ingenieurs, gebouwen, stratenmakers
in schaduwrepen

gestifte lippen tussen dorpen
zonder grensformaliteiten

trombones van twee werelden
achter schoon gewassen winkelpuien
en Thot is Thot

“Het is het beeld van de nadag in de stad, maar uit wat ik uiteindelijk opschrijf blijkt dat ik voortdurend aan het luisteren ben. Het is bijna alsof de ik-figuur in het gedicht blind is. Daar kwam ik later pas achter, dat is niet bewust van tevoren zo bedacht. Schrijven is schrappen en doordat ik maar aan het schrappen was, kwam dat op een gegeven moment als kaal ding naar boven gedreven. Eigenlijk gaat het over iemand die niet kan zien, maar wel veel hoort.”

~

“‘Handelshouding’ vind ik een mooi woord om te horen, omdat het juist iets is dat zich in het zichtbare moet afspelen – ‘twintig kilo blablabla voor zoveel”. En iedereen weet meteen wat een ‘lekhart’ is. Het is een lekker woord ook, want het lekt er meteen uit [lacht]. We hebben natuurlijk allemaal wel eens last van een ‘lekhart’. Dat is de menselijke conditie, wij zijn gewoon ‘lekhartigen’ [lacht]. ‘Staccatovrede’ heeft daar ook mee te maken. Het is een vrede die we allemaal wel zo hier en daar voelen, maar die nooit eeuwig doorgaat. Het zal altijd weer worden geïnterrumpeerd. En dan is het ineens ‘in een ezelsschedel’. Ik vond het wel grappig om het daarin te laten afspelen, die ‘staccatovrede’. Niet in een mens maar in een ezelsschedel. Een ezel heeft iets onbeduidends – dat is toch een onbelangrijk dier –, maar de dood zit er ook in vanwege de schedel.”

“Het gedicht heeft een muzikaliteit die je het gevoel geeft dat er overal dingen gebeuren. Maar het zijn niet de bekende dingen die ik noem, zoals ‘er valt een balk van een hoog gebouw’ of ‘daar is een uitverkoop aan de gang’. Het zijn juist dingen die op heel kleine plaatsen liggen en die niet meteen te noemen zijn, maar die wel een enorme impact hebben, zoals de dood. De dood is niet per se het fenomeen dat er op het eind van het leven is – het is er iedere dag. Het leven is de dood en de dood is het leven, dus waarom dan niet in een schedel, in een ezelsschedel. Ik vind het mooi om die uitersten naast elkaar te zetten.”

“De derde strofe wil een houvast aan de lezer geven, want het is toch duidelijk een stad: ‘gebouwen, stratenmakers, ingenieurs / in schaduwrepen’. En dan komt er een intense, kleine plaats: ‘gestifte lippen’. Dat is iets heel teders – dat vind ik lekker om te doen –, en ook nog eens ‘tussen dorpen / zonder grensformaliteiten’. Muzikaal vertaald komt er hier een trompetsolo, terwijl ik daarvoor de herkenbare tonen heb gehad. De filosofische zin ‘trombones van twee werelden’ gaat weer over het leven en de dood – en toevallig vind ik trombones heel eigenzinnige muziekinstrumenten. Met ‘achter schoon gewassen winkelpuien’ gaan we weer terug naar de stad, maar daarop volgt ‘Thot is Thot’. Thot is een Egyptische god, de god van de schrijvers, die het oordeel neerschreef over de mensen die naar het hiernamaals gingen. Het woord ‘Thot’ lijkt op het woord ‘dood’. De dood klinkt van verschillende kanten door. Toen Piet Gerbrandy zich afvroeg waar het allemaal over ging, dacht ik: dan moet je gewoon doorlezen.”

Afstand

In haar poëzie houdt Verzett bewust afstand tot haar eigen gevoelens: “Waarom zou je schrijven over je eigen dingen, in de eerste directe zin. Het komt er toch wel, want jíj doet het. Het is jouw pen, jouw geest en jouw hand. Maar ik vind het veel interessanter om te ervaren wat er gebeurt wanneer ik mijn geest via de achterdeur naar binnen laat komen. Er ontstaat dan een visionaire wereld waarin eigen wetten een rol gaan spelen. Dat nodigt veel meer uit tot schrijven.”

De hazen-cyclus

~

De hazen-cyclus is op andere wijze ontstaan dan de nadag-cyclus. Een vriend bleek in het bezit te zijn van een verzameling boeken over hazen, waardoor Verzett tot de ontdekking kwam dat hazen bijzondere dieren zijn: “Ik heb toen een aantal wetenswaardigheden over hazen genoteerd en daar ben ik vervolgens door gaan dichten. Ik kwam zulke leuke dingen tegen in die boeken, daar had ik gelijk beelden bij. Er was eens een boer die de hazen van z’n land wilde hebben, want die beesten vraten alles op. Hij had al hier en daar een vogelverschrikker neergezet, maar dat hielp niet. Op een goede dag had hij een vlaggestok bij z’n schutting geplant, waar zo’n vlag aan wapperde, en toen zag hij daar ineens een haas als gebiologeerd naar zitten kijken. Die boer dacht: ‘dit is mijn kans’, dus die sluipt er naartoe en heeft die haas gewoon in z’n nekvel kunnen pakken! Dat vond ik zó ontroerend. Dat een haas, zo’n beetje het snelste dier, zich door zoiets als de beweging van het gewapper aan zo’n stok kan laten meevoeren. Dat vind ik bijna een menselijke eigenschap. Dat heb ik trouwens ook gebruikt in een gedicht: ‘terug te komen bij het raam / de hoofddoek zien wapperen / aan een stok die zijdelings bries’.”

Schrezen

Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer waren gebiologeerd door het woord ‘schrezen’ uit het volgende gedicht:

schrezen schrezen
in het plantsoen van deze woonwijk in de slaapstad

schrezen schrezen
in het land dat van houtwal naar houtwal liep

schrezen
in de wereld waar halvezool haverbrood en hazenvel

schrezen
in het drommend heelal
om mooier spul
inlegwerk?
van Grote Haas voor evenknie

 

“Ja, tot mijn verbazing! Alsof we geen Lucebert hebben gelezen. Ik vind ‘schrezen’ heel duidelijk iets uitbeelden. Je kunt het analyseren als een contaminatie van schrijden, pezen, vrezen… ik noem maar wat. De enorme bedrijvigheid van een haas zit voor mij hierin gevangen. Ik heb gelezen dat hazen parallel aan een vliegtuig mee rennen als het gaat opstijgen. Ik vind het zo menselijk dat een haas zijn snelheid met een vliegtuig meet. En als ze achterna gezeten worden door hazewindhonden schijnen ze zo lang door te kunnen rennen dat het bloed in hun aderen paars begint te bruisen: ze krijgen dan geen zuurstof meer en rennen zichzelf de dood in. Dat kan een haas.”

“Volgens mij is de haas het ultieme dier dat de dingen doet omdat ie de dingen moet doen. Handelen volgens je instinct. Dat vind ik een mooie eigenschap, want als ik dat voor elkaar krijg, dan voel ik mij geweldig. Voor mij is dat een lastige zaak geworden. Wanneer het me lukt om naar mijn instinct te luisteren, dan ben ik aan het schrezen. Bijvoorbeeld als ik koffiezet, eten kook of een boek terugbreng naar de bibliotheek. Schrezen houdt voor mij het ultieme ‘zijn’ in. En dat vind ik kunst. Ik zou kunst op een gemakkelijke manier kunnen definiëren als opgestapelde aandacht. In alles wat je met aandacht doet, sluipt een kunstzinnig element.”

Apollo en Dionysos

Het ‘schrezen’ als de ideale staat van de mens. Het doen van de dingen om de dingen zelf. Dat lijkt Verzett tot uitdrukking te brengen in de manier waarop ze schildert en schrijft, associatief, en waarop ze zingt, improviserend. Tegenover deze creatieve vrijheid staat het starre systeemdenken. Dit heeft Verzett willen voorkomen door haar studie Beeldende Vorming voortijdig af te breken en haar eigen pad te kiezen: “Ik wilde niet door al die invloeden gaan, maar mijn eigen ding doen. Ik moet hard werken om in deze ingewikkelde wereld mijn instinct te behouden. Omdat zo gauw ik mijzelf vastzet in een constructie die er misschien uitziet als harmonieus of ordelijk – ‘vol Apollo’ [lacht] – ik eruit moet barsten, omdat ik last hebt van Dionysos, die zegt: ‘Verdomme waar is nou die kern, waar is die gebleven? Ik voel ‘t niet meer!’ Ik wil blijven spelen – als ik dat niet doe, dan is voor mij de gang naar de supermarkt verschrikkelijk.”

Peggy Verzett • Prijken die buik • Uitgever: Van Oorschot • Prijs: € 12,50 • 48 bladzijden • ISBN: 90 282 4056 x

Lees ook in de reeks Opkomend talent: 1. Vincent Overeem