Boeken / Achtergrond
special: Een interview met de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss

‘Fictie is een short cut naar de waarheid’

.

~

De geschiedenis van de liefde is een nogal veelomvattende titel, waar niet iedereen zich aan zou wagen. Krauss heeft dan ook lang geaarzeld voordat ze voor deze titel koos: “De meeste titels die ik bedacht waren alleen geschikt voor een van de afzonderlijke verhalen en niet voor het boek als geheel. Ik was er al snel uit dat het boek van Gursky, dat zo’n belangrijke rol speelt in mijn roman, De geschiedenis van de liefde moest gaan heten. In de fictieve werkelijkheid van een roman heb je wat titels betreft meer vrijheid. De geschiedenis van de liefde was echter ook de enige titel die alle verhaallijnen met elkaar verbond, daarom heb ik uiteindelijk ook mijn eigen roman die titel meegegeven. Als ik mensen vertelde hoe mijn nieuwe boek heette, schaamde ik me in eerste instantie wel een beetje. Maar nu ben ik er aan gewend. Sommige mensen zullen het misschien openslaan om vervolgens te bemerken dat het iets anders is dan ze verwacht hadden en het weer dichtslaan. In die zin is de titel ook wel ironisch.”

Schrijverschap

In De geschiedenis van de liefde houden vrijwel alle hoofdpersonen zich bezig met het schrijven van fictie. Volgens Krauss is schrijven dan ook een van de belangrijkste thema’s van haar roman: “Nadat ik mijn eerste roman had gepubliceerd kwamen een heleboel vragen in me op over mijn eigen schrijverschap. Ik had een boek gepubliceerd en mocht me dus een schrijver noemen. Ik was er echter lang niet zeker van of het wel een goed boek was, bovendien had ik geen flauw idee wie het boek eigenlijk zouden lezen. Bij het schrijven van mijn tweede roman, begon ik me af te vragen wat ik zelf goed vond aan boeken en waarom ik überhaupt boeken las. Toen realiseerde ik me dat ik als lezer net zo goed begrepen wil worden, als dat ik dat als schrijver wil. Als ik lees, wil ik iets lezen dat zowel nieuw is als bekend. Iets waar ik mijn gevoelens in herken, terwijl ik het toch nog niet eerder gelezen heb. Deze dingen hield ik tijdens het schrijven voortdurend in mijn achterhoofd.”

Vijfhonderd of vijf?

~

Wie schrijft, wil gelezen worden. Dat geldt voor Krauss net zo goed als voor ieder ander. Toch was dat niet haar belangrijkste drijfveer:”Tijdens het schrijven begon ik me voor de geest te halen hoeveel mensen ik eigenlijk wilde bereiken met mijn boek. Vijfhonderd? Voor de uitgever zou dat waarschijnlijk een teleurstelling zijn, maar als je vijfhonderdmensen in een zaal ziet zitten, lijkt dat al heel wat. En wat als er maar vijf mensen daadwerkelijk ontroerd zouden worden door mijn boek, zou dat genoeg voor me zijn? Nadat ik eenmaal besloten had dat dit inderdaad genoeg zou zijn, ontwikkelde het verhaal zich heel gemakkelijk. Vanaf dat moment heb ik me tijdens het schrijven nauwelijks meer afgevraagd wat mensen ervan zouden vinden. Om eerlijk te zijn was ik er zelfs van overtuigd dat niemand het iets zou vinden, aangezien de roman, door de vele personages en stemmen, nogal wat van zijn lezers vraagt. Ik heb het boek vooral geschreven omdat ik het zelf wilde en niet zozeer om lezers te krijgen.”

Miljoenenoplage?

Volgens Krauss hoeft een boek helemaal geen miljoenenoplage te hebben om invloed op mens uit te kunnen oefenen. Krauss: “In mijn roman draait het in belangrijke mate om het verloren gewaande boek De geschiedenis van de liefde. Van dit boek zijn slechts
tweehonderd exemplaren gedrukt, die bovendien op één na allemaal verloren zijn gegaan. Dat ene exemplaar heeft nog steeds de potentie om het leven van mensen te veranderen. In mijn roman verbindt dit enige overgebleven exemplaar enkele eenzame en geïsoleerde mensen met elkaar, waardoor hun leven verandert. Nadat ik De geschiedenis van de liefde had afgerond, vond ik een citaat van de Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick. Daarin beschrijft ze een ondergrondse tunnel die gegraven zou zijn tussen de gedachten van twee mensen die door hetzelfde boek werden ontroerd. Daar gaat mijn boek ook over: hoe een boek mensen met elkaar kan verbinden.”

Verbeelding

Verschillende hoofdpersonen uit De geschiedenis van de liefde, zoals Leo en Alma, zijn druk bezig met schrijven van fictie, met het vastleggen van hun eigen waarheden. Volgens Krauss sluiten fictie en waarheid elkaar dan ook niet uit: “Iedereen in het boek maakt ficties en leugens om te overleven of om andere mensen te beschermen . Zo verzint Alma het een en ander om haar broertje te beschermen en doet Litvinoff hetzelfde om Rosa van hem te laten houden. Het boek ziet vol met verschillende versies van de waarheid. Fictie is voor mij een short cut naar de waarheid. Ik kan wel op een straathoek een meisje van 14 aanspreken en op bandrecorder opnemen wat ze tegen me zegt en dat opschrijven, maar ik vraag me af of dat interessant is. Als ik een fictief verhaal door de ogen van een 14-jarige vertel, kom ik met behulp van mijn eigen verbeelding misschien wel veel dichter bij de waarheid. Fictie schept voor mij een enorme vrijheid. Ik hoef in mijn fictie niet op een van mijn personages te lijken, terwijl ik er toch veel persoonlijke zaken in kwijt kan. Met Leo Gursky’s stem kon ik veel van mijn ideeën uiten, zonder daarbij door een gevoel van schaamte te worden overvallen. Ik zou niet graag willen schrijven over een 30-jarige vrouw zoals ikzelf, dat lijkt me niet zo interessant.”

Leegtes

Krauss heeft De geschiedenis van de liefde opgedragen aan haar joodse grootouders. Deze grootouders en hun jodendom zijn op verschillende manieren belangrijk voor haar werk: “Als mijn grootouders geen joden waren geweest, hadden ze een heel ander leven geleid. Door wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurd is, zijn er vele dingen verloren gegaan. Mijn grootouders hebben niet alleen hun familie verloren, maar ook de plaatsen waar ze zijn opgegroeid en de dingen uit hun jeugd. Het feit dat er zoveel verloren gaat, vormt een van de redenen waarom ik überhaupt schrijver ben geworden. Al vanaf mijn geboorte, zelfs al voordat ik er was, zijn er zoveel dingen verloren gegaan, dat ik sterk de behoefte voel om al die leegtes met fictie op te vullen. Ik schrijf daarbij niet over de Holocaust zelf, maar over de naschokken ervan. Over de kinderen die het overleefd hebben en op wie het nog steeds invloed heeft. Als ze niet joods waren geweest, hadden ze hele andere levens geleid.”

Overleven

Naast deze meer persoonlijke familieband met het jodendom zijn ook de religieuze en culturele aspecten ervan belangrijk voor Krauss: “Toen ik jonger was, zette ik me tegen het jodendom af en wilde ik er niet over nadenken. Naarmate ik ouder werd, begon ik me steeds meer af te vragen waarom ik me eigenlijk zo op mijn gemak voelde in een sjoel en waarom ik zoveel joodse vrienden had. Hoe meer ik er over te weten kwam, hoe meer ik ontdekte dat er evenveel soorten jodendom zijn als joden. Het jodendom moest overleven. Dat is iets wat elke jood met zich mee draagt.”

Jonathan Safran Foer

Hoewel ik gewaarschuwd was dat Krauss in interviews niet graag praat over de boeken van haar echtgenoot, Jonathan Safran Foer, waag ik het toch een vergelijking te trekken tussen haar nieuwste roman en Foers Alles is verlicht (2002). Onmiddellijk betrekt Krauss’ gezicht en is er een lichte irritatie bij haar merkbaar. Krauss: “We proberen onze schrijverswerkzaamheden zoveel mogelijk van elkaar te scheiden. Het is belangrijk voor ons om individueel van elkaar te werken en ook onafhankelijk van elkaar gewaardeerd te worden. Ik vind het nogal vreemd dat mensen over ons willen praten, want zelf vind ik het niet zo interessant. Vaak proberen ze ook onze recentelijk verschenen boeken (Jonathan Safran Foers boek Extreem luid en ongelooflijk dichtbij verscheen in maart 2005, red.) te vergelijken, iets wat ik nogal stuitend vind. Er is zoveel te zeggen over de boeken zelf. Ik vind het nogal kortzichtig en beperkt om ze rücksichtslos met elkaar te vergelijken.”

Nieuwe stijl?

Toch bestaan er wel degelijk overeenkomsten tussen Krauss’ roman en die van Foer. Hun schrijfwijze zou zelfs wel een nieuwe stijl genoemd kunnen worden, een geheel eigen manier van schrijven. Ondanks haar eerdere bezwaren verwerpt Krauss deze suggestie niet onmiddellijk: “Een van de redenen waarom we elkaar ‘gevonden’ hebben, is dat we beiden geloven in expressieve kunst. Er zijn weinig schrijvers die daarin geïnteresseerd zijn. Velen van hen kijken neer op een manier van schrijven die er op uit is de lezer aan te raken en te ontroeren, boeken waarin de schrijver uitdrukking probeert te geven aan zijn gevoelens. Ik denk dat Jonathan en ik, lang voordat we elkaar ontmoetten, allebei sterk in deze manier van schrijven geloofden. Nu we samenleven, benadrukken we het in elkaar. Vaak vinden we ook dezelfde dingen goed of mooi en qua boeken hebben we een vrijwel gelijke smaak. Veelal zijn ze ’emotioneel’, maar gaan ze daarbij ook over existentiële dingen. Dat zijn overeenkomsten tussen ons, maar de manier waarop we ons uitdrukken, onze stijl is erg verschillend. Daarnaast komen we allebei uit joodse gezinnen, die hun wortels in Europa hebben liggen. Dat zou een soort psychologische reden kunnen zijn dat we allebei schrijver zijn geworden en elkaar zijn tegengekomen.”

Tot slot vroeg ik Nicole Krauss of ze dacht dat Leo Gursky’s Geschiedenis van de liefde ooit nog geschreven zal worden. Hierop antwoordde ze met een glimlach: “Grappig dat je dat vraagt. Vrienden van me die het boek lazen, vroegen dit ook. Ik zal er over nadenken, alleen wordt het dan wel mijn boek en niet dat van Leo.”