Boeken / Achtergrond
special: Een interview met Jens Christian Grøndahl

‘Het paradijs zullen we gelukkig nooit bereiken’

.

Je kunt goed merken dat Jens Christian Grøndahl enkele jaren filosofie heeft gestudeerd voordat hij filmmaker en uiteindelijk schrijver werd. De Deense schrijver, wiens werk inmiddels in twintig talen is vertaald, schrijft dan wel eenvoudige, toegankelijke zinnen, af en toe kan hij het niet laten en trakteert hij de lezer op filosofische hoogstandjes die je meestal eerst een paar keer over moet lezen voor je precies snapt wat er staat. In een interview met 8WEEKLY licht de maestro zijn ideeën toe.

Provinciaal

Grøndahl komt graag naar Nederland, al was het alleen maar omdat Nederland een van de eerste landen was die hem hebben ontdekt. En als hij volgend jaar, in het kader van een writer-in-residence project, drie maanden met zijn gezin in Amsterdam komt wonen, heeft hij eindelijk eens tijd om de mensen te leren keren, want nu komt hij tijdens promotiebezoeken meestal niet verder dan zijn hotelkamer. Vergeleken met Amsterdam vindt hij zijn woonplaats Kopenhagen toch wel een beetje provinciaal. “Nederland staat meer open voor invloeden van buiten dan Denemarken, dat altijd een beetje aan de rand van Europa heeft gelegen. Pas de laatste dertig jaar denken we na over wat we aan Europa kunnen bijdragen.”

“Ja, cartoons,” roep ik plagerig, verwijzend naar de spotprenten die in enkele moslimlanden tot rellen hebben geleid, waarop Grøndahl fijntjes glimlacht, maar er wijselijk niet op ingaat. Terecht, want die zaak is nu wel voldoende uitgekauwd. En ik kom tenslotte voor zijn nieuwste boek, Rode handen, waarmee Grøndahl verbazing wekt door in slechts 141 pagina’s drie uiterst verschillende werelden samen te brengen.
Allereerst hebben we de wereld van een Deense jonge vrouw, Sonja, die uit een arm en kansloos plattelandsdorpje komt en de kans te baat neemt om een jaar als au pair in Duitsland te werken. Daar ontmoet ze Thorwald, een zwijgzame automonteur, die klusjes verricht voor een groepje terroristen van de RAF. Ze krijgen wat met elkaar en Sonja biedt aan te helpen bij een bankroof, waarbij een politieagent wordt neergeschoten. Het derde verhaal is dat van de verteller, die Sonja bij toeval tegenkomt als ze na haar Duitse avontuur terugkeert naar Denemarken. Hij ontrafelt haar RAF-verleden en gaat met haar mee naar Frankfurt om de rechtszaak tegen Thorwald c.s. bij te wonen. Drie verschillende verhalen – reden om aan Grøndahl te vragen met welk idee hij aan het boek is begonnen.

Te vers

Eigenlijk had hij iets willen doen met de terreuraanslagen van ‘9/11’, begint hij te vertellen, maar uiteindelijk zag hij daar toch maar vanaf, omdat het moeilijk is om ‘te spelen’ met iets dat nog zo vers is. “Om je verbeelding in gang te zetten, heb je wat meer afstand nodig, al was het alleen maar om een begin te maken met het interpreteren van wat er precies is gebeurd. Dat bracht me op het idee om te schrijven over RAF-terroristen, die in de jaren zeventig in Europa actief waren.”
Om het niet al te abstract te maken, koos Grøndahl ervoor om het verhaal te laten vertellen door een jongeman, waarvoor hij zelf model stond. “Ik moest terugdenken aan mijn eigen jeugd in de jaren zeventig. Ik werkte toen als student bij de hotelreservering in het station van Kopenhagen. Ik had het gevoel dat wel meer jongeren hebben, namelijk dat het leven nog niet is begonnen.”

~

Dat moet hij even uitleggen. “Meestal denk je aan je jeugd terug als een tijd vol vriendinnen, feestjes en vrijheid, maar we vergeten wel eens dat je ook heel eenzaam kunt zijn. Je probeert je los te maken van het gezin waarin je bent opgegroeid, maar je hebt nog geen baan gevonden, of zelf een gezin gesticht. Met dat in je achterhoofd begrijp je ook beter waarom Sonja, de jonge vrouw uit het verhaal, zich laat verleiden door een jonge Duitse terrorist, want zelf komt ze uit een saai provincieplaatsje en ze snakt naar een beetje kleur in haar leven. Ze gruwt van het huisje-boompje-beestje bestaan dat haar moeder voor haar in petto heeft.”
Maar er is nog wat anders. Grøndahl is er ook van overtuigd dat jongeren méér openstaan voor ‘het lijden in de wereld’, zoals dat via de beeldbuis tot ons komt. “In de jaren zeventig was dat vooral de oorlog in Vietnam. Je wilde wat aan die ellende doen, maar je voelde je machteloos. Dat gevoel van wanhoop is voor volwassenen moeilijk te begrijpen, want die hebben vaak een gezin; ze denken dus meer aan hun gezin dan aan de rest van de wereld.”

Radicaal

“Sonja heeft geen sterk ontwikkeld politiek bewustzijn,” vervolgt Grøndahl, “maar ze is vrij eenzaam en als ze Thorwald ontmoet, voelt ze zich tot zijn ideeën aangetrokken. Thorwald maakt mensen die god om hulp vragen belachelijk, want, zo zegt hij: ‘Hoe kunnen mensen van god vragen dat hij hun gezin helpt en de rest maar vergeet?’. Die opvatting is op zich niet zo radicaal, want volgens het christendom is iedereen gelijk in de ogen van god. Het punt is alleen dat Thorwald het perspectief uit het oog verliest, zoals heel radicaal-links in de jaren zeventig. Als je dat soort dingen gelooft, kom je al snel bij een ideologie uit, waarin je best een politieagent mag opofferen ten gunste van de onderdrukte massa’s in de Derde Wereld. Dat is het moment waarop cynisme en geweld hun intrede doen.”
Grøndahl is ervan overtuigd dat de RAF-leden “geen enkel contact met de werkende klasse hadden” en hij is het dan ook eens met de Italiaanse filmregisseur Pasolini, die niks van dit soort groepen moest hebben, omdat ze naar zijn mening geen flauw benul hadden van echte armoede. “Pasolini had meer sympathie voor een politieman die in een arm gezin op Sicilië was opgegroeid dan met deze kinderen uit de upper class, die dachten dat ze voor de revolutie aan het vechten waren.”

V.l.n.r.: Andreas Baader, Ulrike Meinhof, Gudrun Ensslin
V.l.n.r.: Andreas Baader, Ulrike Meinhof, Gudrun Ensslin

Volgens Grøndahl is het ook niet verwonderlijk dat de Rote Armee Fraktion met name in Duitsland kon ontstaan. “In de jaren zeventig was de Tweede Wereldoorlog niet zo ver weg. Er was een generatie aan de macht, met rechters en ambtenaren die deel hadden uitgemaakt van het nazisysteem. De geallieerden moesten wel, want toen ze een nieuw Duitsland wilden opbouwen, was er niemand anders die ervaring had met dat soort zaken. Ik denk dus dat Duitsland destijds niet de democratie was die het vandaag de dag is.”
Natuurlijk was er ook wel een directe aanleiding waarom sommige jongeren aan het radicaliseren sloegen. “In 1967 bracht de Iraanse sjah een bezoek aan Berlijn, waar studenten tegen zijn beleid demonstreerden. Die demonstratie werd keihard neergeslagen door de politie, die ook toestond dat de geheime politie van de sjah studenten in elkaar sloeg. Uiteindelijk schoot de politie ook nog een jonge student dood, die tot dezelfde christelijke vredesbeweging behoorde als Ulrike Meinhof. Vandaar dat de RAF-terroristen het gevoel hadden dat ze tegen een fascistische maatschappij moesten strijden.”
Toch blijft Grøndahl nog met een vraag zitten: “Hoe kon het dat die jonge mensen een maatschappij wilden afschaffen, die ervoor had gezorgd dat na de oorlog véél meer mensen dan ooit een beter leven hadden kregen, met veel meer kansen en mogelijkheden?”

Paradijs

Overigens gaat Rode handen niet zozeer over de politieke kant van het extremisme, maar meer over de psychologische kant van jongeren die de extremistische kant op gaan. Grøndahl: “Als je jong bent, ben je op zoek naar puurheid en naar het paradijs. Alles muss anders, zoals destijds op een muur in Frankfurt stond. Maar dat kan niet ten koste van alles gaan. Als je gaat denken dat de wereld neergehaald moet worden en opnieuw moet worden opgebouwd, dan doe je hetzelfde wat de Rode Khmer in Cambodja heeft geprobeerd. Dat was gruwelijk. Je kunt niet totaal met het verleden breken, want het verleden heeft jou voortgebracht. En daar zul je het mee moeten doen.”

“Natuurlijk is er een hoop kritiek mogelijk op de huidige samenleving,” geeft Grøndahl toe, “maar op een aantal punten is de maatschappij een stuk beter geworden; we hebben méér vrijheid, méér vrede en méér welvaart gekregen. We hebben het dus beter dan de generaties vóór ons, maar het paradijs zullen we nooit bereiken. En dat is maar goed ook, want ik moet er niet aan denken dat we ooit terecht komen in de ideale en perfecte staat waarover Plato heeft geschreven. Dat is namelijk een totalitaire staat, die uiteindelijk in puur fascisme ontaardt. Dan heb ik toch liever een democratie, die met behulp van compromissen regelt hoe mensen, die allesbehalve perfect zijn, toch vreedzaam kunnen samenleven.”

Jens Christian Grøndahl • Rode handen • Uitgeverij: Meulenhoff • Prijs: € 15 (gebonden) • 160 bladzijden • ISBN: 90 290 7781 6