Boeken / Achtergrond
special: Een interview met Hisham Matar

Een herbezoek aan Libië

.

Caïro, maart 1990. Jaballah Matar verdwijnt spoorloos uit zijn huis. Zoon Hisham Matar springt samen met zijn broer – beiden studeren op dat moment in Engeland – onmiddellijk op een vliegtuig om moeder bij te staan. Ze koesteren hoop. Tegen de klippen op. Later komen gesmokkelde brieven aan; vader Matar blijkt in een gevangenis in Libië te zitten.

Kolonel Kadaffi
Kolonel Kadaffi

Twintig jaar eerder: New York. In de stad waar zijn vader bij de Verenigde Naties werkt, wordt Hisham Matar ter wereld gebracht. Drie jaar na zijn geboorte vestigt het gezin zich opnieuw in Libië: het Noord-Afrikaanse vaderland. “Ik heb prachtige herinneringen. Ik had veel vrienden, veel neven, en er was altijd een meisje op wie ik verliefd was. Ik herinner me veel liefde en vreugde. Vaak gingen we met de hele familie, zo’n twintig, dertig man, naar een eucalyptusbos waar we barbecueden, voetbalden en liedjes zongen. Maar je kon niet in Libië leven zonder de angst op te merken, hoe jong je ook was. Boekhandels werden gesloten, de boeken verbrand. Alles wat niet religieus of revolutionair was. De vuren duurden uren en uren. Op de televisie werden mensen ondervraagd en geëxecuteerd. Mensen verdwenen spoorloos. Iedereen was bang voor iedereen. Zelfs voor je eigen vriend was je bang.”

Het is de begintijd van kolonel Kadaffi’s leiderschap. Koning Idris is in 1969 afgezet en de Libische Arabische Republiek uitgeroepen. Het Arabische socialisme is de geldende ideologie, door Kadaffi uitgespeld in zijn Groene Boekje. Vader Matar, diplomaat van de Libische regering, komt als dissident op ‘de lijst’ te staan. Wanneer het gezin de wijk neemt naar Caïro is Hashim negen jaar. Hij zou niet meer terugkomen.

Gesmokkelde brief

2006. Zestien jaar terug inmiddels werd Jaballah Matar ontvoerd. En elf jaar terug ontving zijn gezin de laatste gesmokkelde brief. “Hij is nergens van beschuldigd, zoals zoveel politieke gevangenen in Libië; ze worden simpelweg in de gevangenis gestopt. Je weet niet voor hoe lang en je kan ze niet spreken, je kan ze niet bezoeken. Het is een moeilijke situatie. Ze willen ons geen antwoord geven, ze willen niet vertellen of hij nog leeft of niet, waar hij is.”

Hisham Matar is net terug uit Italië. Daar verblijft hij tijdelijk om te schrijven. Zijn debuut is juist uit. Niemandsland: een zorgvuldig verteld verhaal over de introverte 9-jarige Libische jongen Suleiman uit Tripoli. De roman is op voorhand al een indrukwekkend succes. De Engelse uitgeverij Viking kocht de rechten voor 250 duizend pond na een strijd te hebben gevoerd met drie andere uitgeverijen. Toen de belangstelling voor het manuscript groot bleek, was een veiling geopend. “Sureëel”, noemt Matar het achteraf. “Zeldzaam voor elk boek, maar helemaal voor een debuut.” De uitgeverijen nodigden hem uit om hem te overtuigen dat zíj, beter dan de anderen, zijn werk begrepen. Dertien vertalingen zijn af of in de maak. Nederland heeft de wereldprimeur.

Geen ochtendmens

Hij is van ver gekomen. Zeven jaar lang werkte Matar als architect tot hij besloot de brui er aan te geven en de nog grotere passie, schrijven, serieus op te nemen. Een combinatie bleek eerder al niet te werken. Matar, die bezweert geen ochtendmens te zijn, ging bijna een jaar lang ‘s ochtends om 5 uur het bed uit om zich tot 8 uur aan het schrijven te zetten, vervolgens te onbijten en naar het werk te gaan. Het was geen succes. De knoop moest toen doorgehakt worden. “De meeste moeilijke keuzes in mijn leven maak ik met mijn ogen dicht – ik negeer ze. Onbewust zei ik tegen mezelf: ik geef de architectuur niet écht op, ik ben alleen geen architect meer. Ik misleidde mezelf. Soms moet je de waarheid langzaam bij jezelf introduceren.”

Het is overbodig te zeggen dat de daarop volgende jaren geen vetpot waren. Slechts bijverdienend als parttime steenhouwer of boekbinder was het voor hem lastig de rekeningen – Matar zweert bij mooie kleren en lekker eten – te blijven betalen. The pinching pressure of poverty, zoals Matar het noemt – hij was er geen fan van. De angst op straat terecht te komen, of zelfs in het gevang omdat schulden niet langer afbetaald kunnen worden. Ook voelde hij zich schuldig over wat hij zijn vrouw aandeed. “Wat jou gebeurt, komt ook terecht op het hoofd van de ander. Dat is een gewaagde situatie, om het zwak uit te drukken.”

Vijf jaar deed hij over zijn boek over Suleiman. Alles wat het schrijven aangaat moest hij uitvinden. Ten eerste of hij schrijftalent bezat. Ten tweede hoe dat talent dan aan te wenden. Moest hij schrijven met de hand, of op de computer? Met veel lawaai om zich heen of in opperste stilte? Duizenden woorden achter elkaar of maar een paar honderd per dag? Schrijven alsof je op de hielen gezeten wordt, zo leerde hij, dát lag hem vooral goed. Toen hij en zijn vrouw de mogelijkheid kregen een tijd in Parijs te wonen, was dat een uitgelezen kans. Hij deed opzettelijk geen moeite de taal te leren. “Ik houd ervan om op een plek te wonen waar ik niet versta wat mensen zeggen in de cafés of op straat. Ik houd ervan te schrijven als een vluchteling. Dat inspireert me.” Voor een kosmopoliet als Matar, voor iemand die zijn vaderland niet kan binnenkomen, voor iemand die zijn vader niet kan opzoeken, is dat gevoel van ballingschap bij uitstek wezenlijk. Het verlangen naar iets dat niet langer bereikbaar is. Matar haalt een schrijfmotto van T.S. Eliot aan: één van de redenen om te schrijven is om dingen terug te brengen.

Suleiman

Wat dat betreft smeekt Niemandsland er haast om gezien te worden als een deels autobiografische roman. Een in 1970 geboren Suleiman kijkt, inmiddels wonend in Caïro, terug op het jaar dat hij als negenjarige Libië verliet. De kleine jongen begreep toen weinig van de grote-mensen-wereld van zijn ouders. Baba Suleiman (vader) die met vaste vrienden al theedrinkend en rokend in een achterkamertje gedempt de politiek bespreekt. Um Suleiman (moeder) die zich steevast bedrinkt wanneer haar man voor een week zogenaamd op zakenreis is. De man met de eeuwige zonnebril die dagenlang in de hitte in zijn voor hun huis geparkeerde auto zit. Het levensgrote portret van de Gids dat ineens in de kamer opgehangen wordt.

~

“De roman is een poging terug te gaan. Een herbezoek aan Libië. Dat is makkelijker met andere mensen te doen. Anders komt het te dichtbij. Dan zou ik het boek niet goed kunnen dienen. Nu kon ik objectief, afstandelijk zijn. Maar soms brandt het vuur je. Ik heb het boek zo’n 120 keren gelezen en er was geen keer dat mijn hart niet gebroken werd.”

Feitelijk komt de roman maar op enkele punten overeen met het leven van Matar. De gelijkenis zit meer in de combinatie van angst en onschuld, zowel aanwezig bij de jonge Matar als de jonge Suleiman. Tekenend: Suleiman kijkt met zijn moeder en een huisvriend naar de televisie. Live wordt uitgezonden hoe de buurman, al tijden terug opgepakt, opgeknoopt wordt. De executie vindt plaats in een volgepakt basketbalstadion. De toeschouwers juichen.

De belevingswereld van Suleiman en de politieke realiteit van Libië liggen zover uitelkaar dat de jongen na afloop van de registratie haast vrolijk kwetterend over het gebeuren praat. Over hoe de buurman in zijn broek piste. Deze pijnlijke tweespalt tussen een jong leven en een uit het lood geslagen wereld schetst Matar door heel Niemandsland heen op uiterst knappe wijze. Zelf zag hij een terechtstelling in een voetbalstadion. “250 duizend mensen. Volgepakt tot het dak. Kijkend naar de ophanging.” Op veel manieren was de situatie in Libië nog extremer dan in het boek, vertelt hij. “Ik wilde niet dat het boek gegijzeld werd door de misstanden. Het is geen Amnesty-verslag.”

De context

Matar is geen verbitterde man. Een mechanisme van angst, hysterie en het verlangen je loyaliteit te bewijzen – zo weet hij het publieksgedrag op de tribunes bij de executies te duiden. De context corrumpeert, beseft hij. Die mensen in Abu Ghraib? “Als je ze in een café tegenkomt zijn het fantastische mensen.” De vliegtuigkapers van elf september? “Waarschijnlijk zijn het hele aardige mannen als je ze in een andere context ontmoet.” Zo gaat dat nu eenmaal. “Libië staat niet gelijk aan Kadaffi. Dat is belangrijk om te onthouden. In de roman zit weliswaar onderdrukte woede. Maar waar ik me op concentreer is: hoe bewaar je jezelf, hoe blijf je trouw aan de dingen waarin je bent geïnteresseerd? Als ik mijn hele leven en mijn werk ondergeschikt maak aan dat wat gebeurt is, verlies ik alles. Het grootste verzet is jezelf te blijven, in staat gelukkig te zijn, te kunnen lachen, verbonden met het leven te zijn. Je menswaardigheid niet te verliezen.”

“Ze hebben ons thuis, ons bezit, onze vader – het meest waardevolle dat er is -, mijn oom, drie neven weggenomen. Vrienden van mij zijn vermoord. Mijn menswaardigheid kunnen ze niet wegnemen. Het is belangrijk dat je dit alles bij je draagt, maar je er niet onder laat bezwijken. Het wordt een onderdeel van je wapenuitrusting. Ik draag mijn vader als een kroon op mijn hoofd. Ik ben heel trots op hem. Misschien schrijf ik op een dag een boek over mijn vader. Wanneer ik er klaar voor ben. Boeken zijn kinderen die je in je draagt, en wanneer ze groot genoeg zijn laat je ze in de wereld. Dát boek is nog niet groot genoeg.”

Niemandsland • Hisham Matar • Uitgever: Meulenhoff • Prijs: € 19,90 • 288 bladzijden • ISBN: 9029077352