Muziek / Album

De terugkeer van Franz Xaver Scharwenka

recensie: Franz Xaver Scharwenka - Werken voor piano

Ooit zag ik een CD ergens liggen met een collectie ‘Poolse muziek’. De stukken waren geschreven door mensen zoals Ignacy Jan Paderewski (de eerste Poolse premier van na de Eerste Wereldoorlog), Moritz Moszkowski, Fryderyk Chopin (het Poolst van allemaal) en, tenslotte, Franz Xaver Scharwenka. Als je naar de moderne kaart van Europa kijkt, dan kwam Scharwenka inderdaad uit Polen (het deel dat toen Posen heette). Maar Scharwenka een Pool te noemen is net zoiets als Famke Janssen voor Nederlandse te laten doorgaan.

Franz Xaver Scharwenka: Pianoconcerten 1 & 2. Laurence Jeanningros, piano. Tsjechisch Nationaal Symfonieorkest o.l.v. Paul Freeman. Centaur Records, ca. € 20.

Scharwenka was namelijk naast pianoleeuw en didacticus vooral überpruis: niet alleen Duitstalig maar ook cultureel helemaal op Berlijn gericht, waar hij zijn eerste conservatorium zou stichten (een tweede volgde jaren later in New York). Zijn muziek heeft stilistisch meer met de Duitse traditie van Brahms en Mahler dan met die van nationalistische componisten als Grieg of Paderewski. Dat wil niet zeggen dat hij het gebruik van thema’s uit de Poolse muziek schuwde. Zijn ‘Poolse dansen’, eerder al hier besproken, behoorden tot de meest gespeelde pianostukken van de vorige eeuw.

Crowdpleasing

Maar hoewel Scharwenka’s pianostukken zeker de moeite waard zijn, wordt de kroon op zijn oeuvre toch gevormd door zijn vier pianoconcerten en zijn symfonie. Die laatste is spijtig genoeg nog steeds niet op CD te krijgen (een Zweeds labeltje schijnt binnenkort iets uit te brengen), maar de pianoconcerten drijven de laatste jaren, geheel verdiend, weer naar de oppervlakte. Eigenlijk is het vrij moeilijk te begrijpen waarom ze daar al die jaren onder hebben moeten blijven. Niet alleen is het prima muziek, Scharwenka’s oeuvre zit ook nog eens tjokvol potentiële crowdpleasers.

Wendingen

~

De lijn die begint met de virtuoze concerten van bijvoorbeeld Beethoven eindigt bij mensen als Scharwenka, Rachmaninov en Medtner. Terwijl Alexander Skrjabin met magische akkoorden knutselde en Schoenberg bezig was veel van de twintigste-eeuwse muziek te verzieken met twaalftoonstechnieken, gooiden Rachmaninov en ook Scharwenka er nog steeds muziek uit die ook een halve eeuw eerder geschreven had kunnen zijn. Daarbij is het muziek die expliciet bedoeld is om de solist zo goed mogelijk te laten schitteren. Maar daarmee eindigt de vergelijking tussen Rachmaninov en Scharwenka dan ook. Waar de muziek van de Rus zich kenmerkt door een zekere melancholie, is die van Scharwenka eerder energiek en optimistisch van karakter. Maar ze is ook melodisch niet zo recht-door-zee als die van Rachmaninov: Scharwenka is een groot voorstander van het gebruik van kleine, onverwachte harmonische wendinkjes, wat hem stiekem een stuk minder traditioneel maakt dan je op het eerste gehoor denkt – luister bijvoorbeeld eens naar de laatste drie minuten van de finale van het vierde concert.

Collins

Twee van deze CD’s zijn uit Hyperions reeks Romantische Pianoconcerten (nee, geen knuffelrock), één van de meest ambitieuze projecten tot het ontginnen van klassiek repertoire van de laatste jaren. De opname van het tweede en derde concert werd echter al in het begin van de jaren negentig gemaakt voor het ondertussen overleden label Collins, waarvan een deel van de collectie blijkbaar is verkocht aan Hyperion. Maar ze misstaat zeker niet in de reeks: Tanyel heeft zich met Scharwenka’s pianomuziek al eerder bewezen in dit repertoire en ze speelt de concerten met overgave.

Dilemma

Datzelfde geldt voor Jeanningros op Centaur, maar eerlijk gezegd plaatst de vergelijking tussen de CD’s met Jeanningros en Tanyel me voor een dilemma. Tanyel voelt als solist wat zekerder aan dan Jeanningros, maar de Centaur-opname is nogal wat beter dan die van de Hyperion/Collins-CD, en ook de orkestrale begeleiding van Paul Freeman en zijn Tsjechen is net wat energieker bij Jeanningros. Scharwenka’s tweede concert vraagt nogal wat van het orkest en het verschil is, bijvoorbeeld in passages met veel koperblazers (bijv. na ongeveer 16 minuten in het eerste deel en in de finale), heel duidelijk te horen. Maar waar de Centaur-CD de eerste en tweede concerten bij elkaar zet, biedt Hyperion ons de nogal wat attractievere combinatie van nummer twee en drie aan. Van de vier concerten is nummer één eigenlijk het minst sterke stuk: nogal luidruchtig en om eerlijk te zijn, een beetje vulgair. Het derde concert is veel volwassener, niet minder virtuoos maar wel met meer beheersing.

Entree

Maar om eerlijk te zijn het de ‘even’ concerten die de moeite het meest waard zijn. Enigszins bevooroordeeld ben ik wel, aangezien het tweede concert mijn favoriete pianoconcert is, maar het is dan ook een fantastisch stuk dat er in slaagt virtuoos te zijn zonder een moment voorspelbaar of vulgair te worden. De entree van de piano (eerste deel, na ong. 2:10) is nog steeds één van de meest indrukwekkende die ik ken, het middelste deel is een zalig punt van lyrische rust temidden van alle felheid van de andere twee delen en de finale is ronduit indrukwekkend. Dit is optimistische en zekere muziek, maar zonder de gietijzeren soliditeit van bijvoorbeeld een Brahms-symfonie.

Mahler

Dat geldt zelfs voor het vierde concert, dat de overige drie in dimensies nog overtreft. Het werd voor het eerst in 1910 uitgevoerd in Carnegie Hall, met Scharwenka als solist en niemand minder dan Gustav Mahler voor het orkest – wat ook iets zegt over de status die deze stukken toendertijd hadden. Het kent vier delen, eigenlijk een gebruikelijk concert plus een scherzo, wat het ruim tien minuten langer maakt dan de andere concerten. De solopartij is daarbij nog sterker geprofileerd en ‘hangt’ erg op de rechterkant van de piano – al met al nogal een taak voor de pianist. Stephen Hough is gelukkig uit het goede hout gesneden en speelt met precies de juiste combinatie van bravoure en terughoudendheid. Maar hoewel ik niets af wil doen aan zijn prestatie, is het vooral het werk van Lawrence Foster en het orkest uit Birmingham dat deze opname er uit doet springen. De combinatie met Emil von Sauers merkwaardige maar vooral heel leuke concert is goed getroffen: waar Scharwenka voor zijn doen nogal zwaar aanzet, is Von Sauer juist prettig lichtvoetig. De lezers van Gramophone verkozen deze opname tot ‘CD van het jaar’ en je kunt goed begrijpen waarom. Het wordt hoog tijd dat we veel meer van mensen als Scharwenka gaan horen, dat de symfonie eindelijk ook weer eens beschikbaar wordt en dat orkesten en programmeurs het gaan aandurven deze muziek op de planken te brengen.

Van deze CD’s hebben vooral die met Jeanningros en Hough veel indruk op me gemaakt – Tanyel is zeker niet slecht, maar een beetje ‘second best’ ten opzichte van de concurrentie. Als begin is de Centaur-CD een aanrader: een zalige uitvoering van het tweede concert in een voortreffelijke opname. Scharwenka is goddank weer helemaal terug. Nu zijn collega’s nog.

Reageer op dit artikel