Kunst / Expo binnenland

Hopelijk werkt het niet

recensie: Biënnale Gelderland 2006 - Kunst werkt

Op uitnodiging van Centrum Beeldende Kunst Gelderland heeft Pieter Entrop ruim veertig jonge Gelderse kunstenaars gevraagd deel te nemen aan de tentoonstelling Kunst Werkt in Museum het Valkhof in Nijmegen. De gastcurator wil met deze tentoonstelling wijzen op de potentiële rol van de kunstenaar in onze huidige, volgens hem zogenaamde ‘creatieve economie’. Goede ideeën zijn nu eenmaal schaars en laat dit nu net de specialiteit van kunstenaars zijn.

~

Gelukkig las ik in de bijbehorende en onmisbare catalogus dat ik niet de enige ben die het gevoel heeft dat deze tentoonstelling acht jaar geleden georganiseerd had moeten worden. Kunstenaars begeven zich inmiddels al een hele tijd op de grens tussen autonoom werk en betrokkenheid bij sociaal-maatschappelijke projecten. Volgens deelnemend kunstenaarsduo vGtO (Terry van Gurp en René Oudenhoven) zijn kunstenaars dit juist zat en willen ze weer gewoon met potlood en papier werken. Dit weerhield hen er echter niet van om zelf een maquette aan te leveren voor Kunst Werkt. Op een uitgestrekt stuk uitvergrote landkaart omzoomt door een eindeloos hekwerk staan een aantal vreemde objecten. Zoals een bankje waaraan, net al bij een kruiwagen, aan de ene kant een wiel en aan de andere kant handgrepen zijn bevestigd. Het blijkt een concentratiekamp voor de ontwikkeling van ideeën te zijn en boven de onverbiddelijke toegangspoort prijkt dan ook de welluidende naam; Je moet er maar opkomen. Dit letterlijke citaat van Joep van Lieshout is door vGtO als titel gebruikt om hun onvrede te uiten over het feit dat het inzetten van kunst voor commerciële of maatschappelijke doeleinden de autonome positie van kunstenaars te niet doet.

Weggegooide herinneringen

Ook kunstenaars Ivonne Zijp, Ieke Trinks en Judith de Bruin kunnen zich niet helemaal in het tentoonstellingsconcept vinden. Zij wijzen erop dat het ontwikkelen van ideeën maar een deel van het kunstenaarschap is, maar dat juist de visualisatie ervan zichtbaar wordt voor het publiek. In hun gezamenlijke project Gek op het gewone (deel 1) staat het onderzoek naar de onalledaagsheid van de inwoners van Rheden centraal en De Bruins bijdrage Herinner de Dingen bestaat uit een video-opname die ze maakte naar aanleiding van herinneringen die mensen op een speciaal daarvoor in het leven geroepen website kunnen achterlaten. Samen met hen reconstrueert ze deze gebeurtenis. Zo zien we een mevrouw die uitlegt hoe ze vroeger sneeuwengelen maakte. Een prachtige jeugdherinnering. Ik kan me echter voorstellen dat deze wat schade heeft opgelopen, toen ze zichzelf in grijze, middelbare toestand op de vloerbedekking van haar woonkamer met haar armen en benen zag schuiven.

De foto die bij de eenpersoonsinstallatie The unnoticed van Trinks hing, beloofde iets interessants; een oud, geheel in het beige gestoken vrouwtje lijkt met haar rollator te zijn vastgelopen in een regenplas. De installatie zelf, vormgegeven als een oubollig tafereeltje met bloemetjesbehang, een houten stoel en een lampenkap die je over je hoofd kunt trekken om een film te bekijken, bleek minder boeiend; de film is een registratie van hoe mensen reageren op de als oud vrouwtje verklede kunstenaar-met-verborgen-camera. Ik kreeg echter helemaal niet de indruk dat Trinks genegeerd werd, omdat de voorbijgangers in de drukke winkelstraat haar wel aankeken en voor haar aan de kant gingen.

De bijdrage van Ivonne Zijp is interessanter. Ze bezocht bewoners van een Rhedens verzorgingstehuis, waarbij haar aandacht vooral uitging naar de objecten waarmee zij zich omringen. Van haar was een film te zien waarbij je in zwart-wit, slowmotion én achterstevoren ziet hoe een aantal mannen stoelen in een vuilniswagen gooien. Het afdanken van oude spullen heeft Zijp op deze manier veranderd in een soort dans waarbij het weggegooide meubelstuk opeens weer waarde lijkt te krijgen, doordat het met grote lichtvoetigheid uit de vuilniswagen tevoorschijn wordt gehaald.

~

Testrouwen en handwerken

Een aantal kunstenaars, waaronder Wout Herfkens, test de werkzaamheid van zijn werk ter plekke op de bezoekers van Het Valkhof. Herfkens’ Studie voor een rouwruimte bestaat uit een klein houten hokje met een laag plafond waarin in gelig licht een aantal sculpturen staan opgesteld. Links naast de ingang hangt een tegel met daarop een foto van een baby die wordt vastgehouden door twee grote handen om zijn hals tijdens zijn bad in een emmer (Vader en zoon, 2002). Dit beeld contrasteert angstaanjagend met de donkere en naargeestige omgeving. Deze confrontatie tussen leven en dood, geboorte en rotting zit ook in de sculpturen. Zo staat er bijvoorbeeld een eigenaardige Pietá, waarin Maria het hoofd van een kale babypop heeft, Jezus die van een donkergekleurde meisjespop en hun lichamen samensmelten in een krioelende, kleurrijke massa mini-speelgoedbeestjes die bij elkaar worden gehouden in onvoorstelbare hoeveelheden lijm. De contrasten binnen de beelden brengen niet alleen de hardheid en willekeur van de dood heel dichtbij, ik kan me ook voorstellen dat het in de kinderlijke, groteske en daardoor relativerende elementen ook troost zou kunnen bieden.

Bij het project Alleen meisjes van Peter Nijenhuis was de bezoeker meer dan een testcase; tijdens de opening van de tentoonstelling heeft hij de bezoekers aan het werk gezet bij een grote witte lap die over de brede binnentrap gedrapeerd ligt. Met stukjes stof, schaar, naald en draad konden bezoekers de lap bewerken en het resultaat is een lange, bontgekleurde collage. Vanwege de titel en de manier waarop de gerafelde lapjes stof met grove en slordige stiksels zijn vastgezet, had ik meteen geconcludeerd dat deze lap door kinderen was bewerkt. De video die alles tijdens de opening geregistreerd had, laat echter enkel volwassen vrouwen zien die in een sfeer van grote eensgezindheid over hun handwerk gebogen zitten.

~

Nutteloosheid

Nijenhuis’ project werkt. Dat kun je zien (je ziet mensen meedoen, je ziet de samenhorigheid, je ziet iets ontstaan) en voelen (opstandigheid, waarom alleen vrouwen; blijdschap, wat kunnen de vrouwen van nu eigenlijk slecht handwerken). Dus dit kunstwerk werkt. De vraag is of de zichtbaarheid daarvan zo relevant is.

Voor het museum staat een sculptuur van Rob Sweere, Split View. Het is een metalen stellage van een paar meter hoog, waar je in kunt klimmen, om eenmaal boven tussen twee verticaal geplaatste, metalen schijven door te kijken om je normale, horizontaal georiënteerde blik te verticaliseren en zo de wereld eens op een nieuwe manier te bekijken. Is dat eigenlijk niet hoe kunst altijd al werkt? Ik ben blij dat de kunstenaars daar zelf in ieder geval al van op de hoogte waren.