Boeken / Non-fictie

De terloopsheid van het leven

recensie: Gerda Blees – Aan doodgaan dachten we niet
blees

Ze maakte furore op de bühne van Poetry Slam en werd onmiddellijk geschaakt door uitgeverij Podium. Met inmiddels ook de Nieuw Proza Prijs Venlo op zak, debuteert Gerda Blees nu met een verhalenbundel. Fris, poëtisch, maar geen verhaaltjes-voor-het-slapen-gaan.

De titel van de bundel, met zijn zweem van onbezorgde lichtvoetigheid, biedt in eerste instantie nog een glimp hoop. Maar wie eenmaal in één van de tien verhalen uit Aan doodgaan dachten we niet verstrikt raakt, krijgt al snel een ongemakkelijk voorgevoel. En dan is het net als met een platgereden eend, langs de kant van de weg. Het besef dat je eigenlijk niet moet kijken, maar het dan tóch niet kunnen laten. Diezelfde magnetische aantrekkingskracht gaat ook uit van de verhalen van Blees.

De lezer als drone

Met onschuldige decors zoals de warme, lome zomerstraten in ‘Zomerkroos’, zet ze je als lezer aan de rand van een verhaal neer. Één vinger houdt ze stevig achter in je kraag gestoken, zodat ze je behoedt voor het onderdeel worden van de gebeurtenissen. Hierdoor blijf je een toeschouwer achter glas, die ziet en registreert, net als Blees zelf voortdurend lijkt te doen in het leven. Het is dat afstandelijke, machteloze toekijken terwijl het verhaal zich voor je ogen voltrekt, dat de verhalen zo buitengewoon sterk maakt.

Soms hangt de toeschouwer zelfs als een drone boven de scène, zoals in het verhaal ‘Kleine mis’. Hierin bezien we, als vanuit een hemels oogpunt, de jonge scholiere Solenelle in een benarde positie:

Genade. Solenelle mag dan wel zojuist bewusteloos geraakt zijn en het is nog maar de vraag of ze op tijd gevonden wordt, maar daar hoeven we nog niet meteen een drama van te maken. Laten we eerst eens rustig in- en uitademen en kijken wat we zien.

De stilte voor de schreeuw

Valt direct een ander sterk punt op waarmee Blees het vervreemdende effect creëert dat haar verhalen ademen: haar onderkoelde, haast terloopse verteltoon. In een kabbelend ritme dein je mee op de gedachten en handelingen van de personages met een hoog gehalte aan geruststellende dagelijksheid. Kopjes koffie onder een ‘automatisch uitschuifbare zonneluifel’ in ‘Regen en geen regen’ en een blauwe lucht en een huilende baby in ‘Blauw, blauw’.

Dat kabbelen maakt dat de duidelijk voelbaar aanwezige donkere ondertoon nooit duister wordt. Het grote drama is nog weg, alles lijkt zich te voltrekken in de stilte voor de schreeuw. En juist die dramaloosheid, leidt tot dat opperste gevoel van beklemming rond je maagstreek. Geen verhalen die een ontspannen nachtrust bevorderen. Wel verhalen die je opnieuw wilt lezen als met, inderdaad, een goed gedicht.

De laatste druppel

Blees lijkt geïntrigeerd door diezelfde terloopsheid die het leven lijkt te bevatten. Hoe haar personages soms ook trachten hun leven richting te geven, het leven zelf fietst daar vaak dwars doorheen. En met een totale willekeur.

Dingen gebeuren, lijkt Blees te willen zeggen. Zoals ze ook niet kunnen gebeuren. En op het overgangsmoment van die gebeurtenissen balanceren haar verhalen. De laatste titel uit de bundel, ‘Regen, geen regen’ leest hierin als een sleutelverhaal. Een vrouw mijmert op haar terras over het precieze moment dat regen geen regen meer is. (Of leven geen leven?). De uitdaging van het waarnemen van die laatste druppel, daar gaat het om:

(…) en één keer dacht ik echt dat ik hem zag, één keer zag ik de laatste druppel haarscherp naar beneden komen en vlak voordat hij zou gaan vallen zei ik dat hij het ook zou zien als hij zijn ogen opendeed.

Gerda Blees heeft een talent voor laatste druppels.
Ze opent je de ogen. En maakt er prachtige literatuur van.