Film / Films

Zeven schaars geklede jongeren

recensie: Donkey Punch

Van een volledige revival is (nog) geen sprake, maar feit is dat er sinds een paar jaar weer regelmatig leuke horrorfilms uit Groot-Brittannië komen. Een daarvan is Donkey Punch.

~

Een donkey punch? Dat blijkt een handeling te zijn waarbij de man de vrouw, terwijl hij haar van achter neemt – om en nabij zijn moment suprême – een klap in de nek geeft, zodat haar spieren zich spannen. Een en ander schijnt het mannelijk genot te verhogen. Broodje aap of niet, het is het startpunt van een hoop ellende voor zeven jongelui.

Regisseur Olly Blackburn weet, met behulp van flares en uitgewassen beelden, in het begin een heerlijke, lome, zomerse sfeer neer te zetten. Er wordt ruimschoots de tijd genomen om de situatie te schetsen en de personages (in al hun oppervlakkigheid) neer te zetten: drie vriendinnen op vakantie in Spanje die vier jongens tegen het lijf lopen die op een luxueus jacht passen. De tijd wordt vervolgens aan boord ingevuld met zwemmen, muziek, drugs en veel geflirt. Dat elkaar ophitsen blijft leuk – tot het moment van de donkey punch.

Brits horrorgolfje

~

De Britten worden wel eens de uitvinders van de moderne horror genoemd, en als bedenkers van genresymbolen als Frankenstein en Dracula zit er veel in die bewering. Ook op filmgebied kon de Britse horror een potje (en wat nekken) breken. Denk bijvoorbeeld aan de output van de fameuze Hammer-filmstudio. De afgelopen decennia was het echter droevig gesteld met de productie, maar de laatste tijd – zie bijvoorbeeld het binnenkort verschijnende Eden Lake – is er sprake van een kleine opleving. Neil Marshall (Dog Soldiers, The Descent) wordt wel gezien als voorloper hiervan, maar welbeschouwd heeft Donkey Punch, door het ontbreken van monsters of andersoortige bovennatuurlijke elementen, meer raakvlakken met bijvoorbeeld Shane Meadows meesterwerk Dead Man’s Shoes (2004) of – nog eerder – Danny Boyles debuut Shallow Grave (1994). Zonder overigens het hoge niveau van die films te halen.

Ook in Donkey Punch gaat het meer om het groepsproces dan om pure gore. Nadat een van de meisjes de sekscapade niet heeft overleefd, breekt er paniek onder de zes overgeblevenen uit. Wat te doen? De jongens besluiten uit angst voor medeplichtigheid zich op zee van het lijk te ontdoen, waar de twee overgebleven dames tegen in verzet komen. Het resulteert in een constant verschuivend machtsspel tussen de jongeren, want waar de loyaliteit van iedereen ligt blijkt niet zo duidelijk en rotsvast te zijn als van te voren werd gedacht. Dat hierbij nog meer slachtoffers, vallen mag geen verrassing heten.

Inwisselbaar

~

Een (mogelijke) slachtpartij in een claustrofobische ruimte als een schip op volle zee kan erg effectief zijn, zoals Peter Weirs Dead Calm (1989) bewees. Die film had minstens twee sterkte troeven: een geloofwaardig koppel van vlees en bloed, en een onvoorspelbare slechterik. De onbekende cast van Donkey Punch levert weliswaar degelijk werk af, maar echt identificeren of sympathiseren is lastig (zo zijn de twee overgebleven dames niet alleen fysiek volstrekt inwisselbaar). De film mist bovendien someone you love to hate. Niettemin biedt de film een vermakelijke variant op het aloude ‘tien kleine negertjes’: zeven schaars geklede jongeren.