Boeken / Non-fictie

Een heel specifiek soort irritatie

recensie: BOEKENWEEKESSAY 2026 - Ik zou uw dochter kunnen zijn – Doortje Smithuijsen
Thema-uitgave - postperskit

Als een boek, net als bij de speelvloer bij een toneelstuk, een vierde wand zou kennen, dan heeft de filosofe en journaliste Doortje Smithuijsen (1992) hem bij wijze van spreken in haar essay Ik zou uw dochter kunnen zijn doorbroken. Of liever gezegd: met grof geweld neergehaald. Het essay is een uitgave van de Boekenweek 2026, die als thema ‘Mijn generatie’ heeft.

In het eerste van de zes hoofdstukken richt ze het woord direct tot ‘de zestigplussers, de zeventigers, een enkele tachtiger die zich nog hartstikke eind vijftig voelt’ – niet haar generatie overigens. Ze zegt netjes u, dat wel. Smithuijsen spreidt alle sjablonen en vooroordelen die ze kent uit. In soms niet al te fraai Nederlands, zoals: ‘Lang verhaal kort en om maar meteen met de deur in huis te vallen’. En met een openingszin als: ‘Wie wil weten hoe entitlement eruitziet, kan het best op een regenachtige zaterdagmiddag rond een uur of half vier naar een arthousebioscoop in de Randstad’. Spreektaal of even kijken of u oplet?

Zoals ze ‘de’ (!) zestigplussers en zeventigers (de babyboomers) denkt te kennen, meent ze omgekeerd eigenlijk ook dat wij de mensen van haar leeftijd (de millennials) kennen: ‘U kent mij niet, tegelijk kent u mij wel – u kent mij zoals u alle mensen van mijn leeftijd denkt te kennen’. Onder dat kennen verstaat ze ‘een heel specifiek soort irritatie’. Het woord ‘entitlement’ (aanspraak, voordelen) zegt al genoeg: oudjes maken aanspraak op iets, willen ergens voordeel uit halen. Soms herkenbaar, soms helemaal ook niet.

Iemand als Teun Toebes moest het allemaal eens horen. Deze generatiegenoot van Smithuijsen woont en werkt met ouderen en schrijft daarover. De woorden ‘onderhuids zeer voelbare concurrentiestrijd’ en ‘tomeloze onuitstaanbaarheid’ zou hij wellicht vervangen door ‘samenleven’ en ‘genegenheid en begrip’. Daar hebben we denk ik meer aan dan alles zo tegenover elkaar zetten.

Het gaat bij Smithuijsen over ‘kinderen die hun ouders uitmaken voor verwende, rentenierende boomers en ouders die zich afvragen hoe hun eigen tot op het bot verwende kroost alsnog zo verongelijkt uit heeft kunnen vallen’. Toe maar. Ondertussen zijn beide leeftijdscategorieën ontevreden en jaloers op elkaar; ‘intergenerationele jaloezie’ noemt de auteur dat. Hoe clichématig wil je het hebben, al beschouwt de auteur het essay zelf ‘een beetje als een sketch’. Ook dat is toneel. Met evenzoveel typetjes. Maar om dat genre goed te kunnen vormgeven, zijn toch andere vaardigheden nodig. En die mist Smithuijsen een beetje. Ze blijft hangen in sjablonen.