Boeken / Fictie

Ein kleines Gesamtkunstwerk

recensie: Arnoud Rigter - Het duimzuigend fossiel

.

Bijna dan, want anders dan zijn drie eerdere dichtbundels, plaatst de voormalige stadsdichter van Eindhoven zich met Het duimzuigend fossiel onder het kopje

~

Maar als je de bundel nader bekijkt, vallen toch een aantal markante verschillen op met het Nederlandstalige stripgedicht. Wat is zo kenmerkend aan die stripgedichten? Ten eerste is een stripgedicht meestal het product van twee kunstenaars, de dichter en de striptekenaar. Voor zover mij bekend, is Lies van Gasse’s Sylvia (2010) de enige bundel die bij een literaire uitgeverij is uitgekomen waarin dichter en tekenaar dezelfde persoon zijn. Wanneer tekenaar en dichter verschillende personen zijn, zijn de afbeeldingen al gauw plaatjes bij een praatje. De striptekenaar geeft een creatieve draai aan de interpretatie van het gedicht en laat daar zijn technisch kunnen op los. Ten slotte bezitten vrijwel alle verstripte gedichten een narratief.

In tegenstelling tot de meeste stripgedichten, schreef en tekende Rigter zijn bundel zelf. Anders dan in Sylvia en andere verstripte poëzie, zijn tekst en beeld vrijwel onscheidbaar. De tekst maakt deel uit van het beeld en het beeld lijkt soms tekstuele aspecten te bezitten. Het is dan ook niet vreemd dat Rigter zijn teksten ‘gedichtachtigen’ noemt; tekst en beeld lopen zo nu en dan zelfs in elkaar over. De woorden zijn in verschillende diktes, groottes en typen getekend. Het beeld lijkt hier en daar in andere bladzijden door te schemeren, alsof je kijkt naar tekeningen op doorzichtig papier. Dat doorschemeren heeft iets weg van een filmboekje, waarbij je door de bladzijden door je vingers te laten schieten, de illusie van beweging creëert. Een duidelijk narratief ontbreekt echter. Verder onderscheidt Rigters werk zich vanwege een begeleidende CD, waarvan de nummers corresponderen met delen van de bundel. De muziek doet aan als een kruising tussen De Kift en gesproken duet op de cd bij De zon en de wereld (2003) van Arjen Duinker.

Surrealistische trekken
Rigters barokke, soms karikaturale tekenstijl roept uiteenlopende associaties op. Het beeld doet denken aan tatoeagekunst, strips als Elfquest, maar ook aan tekeningen van de surrealiste Unica Zürn. Uit de tekenstijl blijkt een grote affiniteit met technisch tekenen, wat niet vreemd is, daar Rigter afstudeerde als architect. Menselijke vormen doen daarentegen wat gekunsteld aan, maar door het bombardement van visuele en tekstuele impressies die tot speels interpreteren aanzetten, stoort dit niet.

Tekstueel-inhoudelijk is Het duimzuigend fossiel overwegend absurdistisch te noemen, hoewel het qua stijl wezenlijk verschilt van auteurs als Daniil Charms en de in februari 2011 gedebuteerde Bernhard Christiansen. Dat zit hem in de fascinerende surrealistische associaties en woordcombinaties die Rigters gedichten zo markant maken: ‘men neme een lichtsmeuïge crashtestdummy’ en ‘ideosyncratisch gegulp’ zijn fris als goede sashimi. De oneliners als ‘mijn tranen hebben tenminste elkaar nog’, die al eerder opdook in de bloemlezing Zieteratuur, Concrete en visuele poëzie uit Nederland en Vlaanderen (2010) en ‘mama’s eisprong is mijn privé-oerknal’ laten je niet meer los. Een dikke zweem van smart of empathie moet de onderstaande passage uit het gedicht ‘De man met de schedel op zijn hoofd’ toch wel opwekken:

Hij verdiept zich in blauwhelmen en roodkapjes

~


en vindt zodoende de ambiance uit

(van zulke cultivering zal zijn maag gaan knorren)

hij klemt zijn grillen in maatpak
strijkt zijn hartstreek vlak

knoopt zich in toom
Home Sweet Home

zwijgt zijn gebit
terug in ‘t gelid

en steekt zijn kop
in de muil van
zijn hoed 

Geweldige leeservaring
Hoewel de muziek door haar theatraliteit tijdens het lezen kan afleiden, bijt het geheel van tekst en beeld elkaar niet. In het gedicht ‘De eerste pink’ bijvoorbeeld, zit een hartfilmpje dat allengs verandert in een herhaling van de woorden ‘uitdeuk hartklop’ (die metrisch als het ritme van het hart klinken) en eindigt bij een stethoscoop, waarvan de oortjes naar een schim op de achtergrond lopen. Op de achtergrond gaat deze kom- of deukvormige verandering vergezeld met hamers die het kloppen of uitdeuken verbeelden. Wie de bundel als een labyrintisch totaalproduct leest, daarbij niet schroomt om hem zo nu en dan ondersteboven te houden en het interpretatieve spel durft aan te gaan, komt veel van dit soort talig-grafische kietelingen tegen. Het duimzuigend fossiel is ongelofelijk rijke noviteit en een geweldige leeservaring.